Posts tonen met het label taal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label taal. Alle posts tonen

woensdag 2 september 2026

Jij bent & was


 

Als niets meer zeker is, kan het ook in taal de vraag worden: kapitaal of onderkast? De officiële, op internet toegankelijke Leidraad wijdt er een apart hoofdstuk aan. Volgens mij hoef je ze niet eerst te leren om te voorspellen dat er allerlei regels ter zake zullen zijn doorbroken én onderhevig zijn aan trends.

Om met het allerlaatste te beginnen, In een recent verleden boog ik me over de spelling van voor- en achternamen, waarbij ik als actueel voorbeeld ‘bob vanden broeck’ noemde. Nu, een boek later, heet hij weer ‘Bob Vanden Broeck’. Aanleiding voor mijn stukje was overigens de fantastische bassist Esperenza Spalding die zich had onthoofdletterd. Ik kon meer muziekacts noemen met een dergelijke presentatie, en vergat die met kapitalen. Zoals MARO en ABBA (en, in zekere zin, H.E.R. en P!NK).

Ad infinitum. Of ad interim?

Vergeten was ik de rol van sociale media te verdisconteren. Weliswaar ontsnapte me tussendoor wat routinezuur over de kapitalen die de wortelkleurige en zijn entourage bij digitale communicatie inzetten, maar deze blokletters, het verlengde van bolds, ogen te routineus om bij stil te staan. Wel duizelt het besef dat dit conservatieve geweld formeel in de vakliteratuur met ‘het’ modernisme verbonden wordt.

Naar mijn idee is het gebruik van hoofdletters en onderkasten subtieler geworden. Ik weet niet of ik het ook intuïtief of hoogstpersoonlijk moet noemen, maar in eerste instantie waren het studenten die me voedden met prikkels. Omdat in hun papers, ogenschijnlijk zonder systeem, hoofdletters midden in een zin nogal opvielen, gevoegd bij evenmin consequente onderkasten aan het begin van zinnen.

Hypotheses moeten nog opgesteld, maar het lijkt me dat gebruikers van sociale media getraind zijn in een zo adequaat mogelijke presentatie. Volgens Éric Sadin ‘cureren’ mensen zichzelf op Instagram. Ieder zijn of haar galerie annex museum! Daarbij kunnen taalconventies en voorschriften hinderen, of juist uitnodigen ze aan te passen aan persoonlijker behoeftes.

Probleem is alleen dat die media me onbekend zijn en dat ik volgens mij geen moed en puf heb ze te bezoeken. Gelukkig kon ik uit artikelen twee Instagram-voorbeelden doorkopiëren. In het eerste herdacht zanger-acteur Danny de Munk zijn toneelvader Peter Faber die was overleden. Voor mij was dat tekstje, een open brief eigenlijk, een schot in de roos. Omdat kapitaal en onderkast inderdaad geen systematiek vertoonden en emoties ter plekke weergaven:

 

(…)

Elke Keer als ik je tegen kwam riep je
“HÉ STINKERD” !!!!!!
Jouw positiviteit was Enorm, net als Jouw Empatisch vermogen.
Jij bent & was een mooi en uniek kleurrijk mens

(…)

 

Voor mij is dit weergaloos. Ik meen althans vrij exact te kunnen navoelen waarom De Munk even een hoofdletter invoegde en dan weer een paar maten een kleine. Dit is muziek (waar emoji’s bij horen, maar die voeren te ver)! Alleen krijg ik het benauwd als taaldocent. Hoe kan ik nog uitleggen wat de afspraken zijn, zonder helemaal over te komen als een dodo, laat staan Nederlands als een bastion voor te stellen?

zondag 23 augustus 2026

Het monster onder het kinderbed

 

 

 

Uit het intrieste wedervaren van Jason Arday en alle motieven en conclusies die diverse partijen eruit weten te wrikken, zou elke redelijke mens minstens mogen besluiten dat de kwalificatie ‘hypocriet’, steevast uiteraard voor een ander, niet deugt. Verder moet in het belang van werkelijk iedereen de term woke onmiddellijk worden opgeheven, afgeschaft en weggespoeld. Maar dat zal niet gebeuren.

Iedereen zijn overtuiging en, misschien nog zeggen, in censuur geloof ik niet. Toch heeft dat begrip woke aan zowel voor- als tegenstanders van de uitvoering die daarbij wordt verondersteld louter schade toegebracht. Als dat de macht van het woord is, dan laat ik me nog liever transformeren tot carassius auratus auratus.

Bizar vind ik ook de hardleersheid van betrokkenen en commentatoren. Of vloeide het geheugen net weg in de vissenkom? Zelf heb ik per saldo het beste met de wereld voor, waardoor het verdoemde etiket best op mijn shirtje zou passen. Het is dan ook met schroom dat ik voor de ogen van studenten soms strofen uit een gedicht uit 2022 projecteer, van Babeth Fonchie Fotchind:

 

rechtsonder schreeuwt outlook: ‘meld u nu aan voor de workshop diversiteit’. vanaf flexplekken struikelen blikken goedbedoeld over elkaar, steken elkaar aan en zetten

mijn muisarm in brand, onomkeerbaar gebogen ruggengraat in brand (…)

 

ik scoor met mijn trifecta hoog op de gemarginaliseerdenladder en ben daarom het

aantrekkelijkst voor mijn baas. naast vergaderzalen tellen (…)

staat op mijn to-do-list: ervaringsdeskundigheid

delen in het kader van inclusiviteit

 

En vertelt deze week senator Gaby Perin-Gopie (Volt), tevens zelfstandig adviseur over ‘diversiteit en inclusie op de werkvloer’, wat haar in de Eerste Kamer zoal overkomt tussen en onder en boven de woorden. Wat moeten ze dan nog inhouden?

Afgelopen zomer was er nota bene een debat tussen de taalexperts Freek Van de Velde en Marc van Oostendorp over de mate van wokeheid in de neerlandistiek, waarbij onderweg nog gedefinieerd werd en, bijvoorbeeld bij ecocriticism, afgebakend wat dat precies inhield. Voorlopig kwam het neer op ‘identitair activisme’. Ik vrees dat echter niemand weet wat woke betekent, en dat daarin juist die macht schuilt. Als het monster onder het kinderbed wanneer het lampje uitging en je uit angst begon te praten.

 

Hangplekken

Het debat trok mede mijn aandacht omdat het deels over taal ging, een Amerikaans-Nederlands. Dat is alvast iets om wel vrij zeker van te zijn: het fictieve monster woke baart tastbare woorden. Ze zijn bovendien aan de complexe kant. Vanuit mijn miniperspectief is me opgevallen dat ze zelden worden gebruikt door mensen die de taal adequaat beheersen. De outlookmail die Babeth Fonchie Fotchind ontving bevat een dt-fout.

Daar heb je het al, meteen een vileiniteitje. Ik bedoel dat het wel eens inzichtelijker kan zijn te kijken naar de schrijf- en leespraktijk van doorsnee gebruikers dan de grote tenoren te viseren. Dus bij het debat niet zozeer te turven wat topwetenschappers in een A-tijdschrift plengen, als wel wat hun studenten publiekscommunicerend als evident uitwisselen.

Dat suggereerde ik al, in een comment. Met als toetssteen twee woorden die in het artikel slechts bij hun eerste, trans-Atlantische naam waren genoemd: ‘heteronormativity’ en ‘whiteness’. Mij boeien ze in hun dagdagelijkse laaglandse kloffie: ‘heteronormativiteit’ en ‘witheid‘. Volgens de hyperlinks uit het Algemeen Nederlands Woordenboek duiken ze vanaf 2006 in de Lage Landen op. Zijn er in het vak jongeren die dat kloffie naadloos aantrekken? Ik ging testen op twee hangplekken: De Reactor (sinds 2009) en Jong Neerlandistiek (sinds 2022).

De eerste site gaf bij ‘heteronormativiteit’ slechts vier treffers, uitsluitend van neerlandici en op een veelal beloftevolle leeftijd. De bovenste was in de roos, omdat studenten daar met elkaar in gesprek waren over een bundel en de term geruisloos voorbijkwam. De tweede treffer was minstens zo mooi: daar landde ‘heteronormativiteit’ in een kritisch rijtje met ‘traditionele gezinswaarden en religie’. In treffer drie gebruikte een bekendere jongere neerlandicus het begrip ook in zijn bijvoeglijke vorm. De vierde en laatste treffer bezigde ‘heteronormativiteit’ in één adem met ‘eurocentrisme’.

Bij ‘witheid’ geeft De Reactor achttien recensies, ook best weinig. Door alle generaties bovendien, en niet alleen neerlandici. Ik bloemlees. Bij de bovenste treffer zit het woord al in de titel: ‘De witheidsproblematiek’. Een andere recensie heeft het in de ondertitel van het besproken boek, een letterlijke vertaling van Whiteness and the Literary Imagination. Er blijken ook nuances in ‘witheid’ die, consistent in het register, een ‘constructie’ heet. Op één plek is dat verwerkt tot een definitie: ‘Witheid verwijst (…) naar een dominante positie binnen een geracialiseerd systeem. Witheid is een sociale constructie die een vorm van witte suprematie, of zoals Sibo Kanobana het recentelijk noemde, een witte orde in stand houdt.’ Elders op de site heet ze een ’fundamenteel onderdeel van een breder machtssysteem’. En valt zo’n diagnose ook, zeldzaam op deze site, ten prooi aan schamperheid – van emeritus-socioloog Walter Weyns, die aan zijn opvattingen over het monster een heel boek wijdde.

 

Poenerig

Inzake Jong Neerlandistiek ben ik sneller klaar: geen treffers. Het weinige dat deze site bij ‘witheid’ oplevert komt van oude bokken. Van wie ik zelf de grootste ben, met drie stukken die verbaasd de term in een context aanhalen. Een ander artikel gebruikt ‘witheid’ expliciet in de zin van ‘lichtheid’. In de door mij nagejaagde betekenis valt het begrip in een opsomming die een stand-van-ideologische-zaken-overzicht geeft. Ten slotte vraagt een feuilletonaflevering zich af of in 1996 de witheid van een sneeuwbal literair al andere associaties heeft verwekt. Louter een pas gepromoveerde neerlandica bezigt in een interview het begrip ‘witheid’ zo en passant als ik zocht.

dinsdag 11 augustus 2026

De kampioenste

 

 

 

Als amateurcharlatan in de neerlandistiek vroeg ik me ineens af: hoe zou het zijn met de theorie over poëzie die J.H. de Roder vlak voor de eeuwwisseling ontwikkelde? Zijn hypothese was, hopelijk nu niet te grof samengevat, dat gedichten neigen naar betekenisloosheid omdat ritme dominanter is. Destijds in de hoogtijdagen van ‘het’ postmodernisme baarde die theorie zoveel opzien dat, in mijn herinnering, zelfs dagkranten erover schreven. De Roder nam vervolgens de pamflettaire tekst op in een essaybundel die door de KANTL van de strik der eeuwigheid werd omgebonden. Ook reageerde Jan Lauwereyns uitgebreid en vernietigend met het boekje Splash. Maar toen was het 2005 en was de neerlandistiek blijkbaar al met andere zaken doende die de vergetelheid in moesten.

Ik zou bijna zeggen: en toen leefde iedereen nog lang en geleden. Maar daarmee citeer ik Erik of Eric Bindervoet. Bovendien ging door mijn hoofd nu, een kwarteeuw later, dus de vraag hoe het met De Roders theorie is gesteld. Bij mij werd ze wakker gekust door twee boeken, die niets met elkaar te maken hebben – behalve dat ik ze recent uit stapels viste.

De ene titel is De symfonie van onvrede. Daarin legt politicoloog Catherine de Vries overtuigend uit hoe en waarom een van de deprimerendste feiten uit de recente geschiedenis zijn beslag gekregen heeft: de massale koerswijziging door kiezers-burgers van centrumlinks naar extreemrechts. Wat heeft dat met poëzie te maken? Ik wil even niet polemisch doen. En gelukkig heb ik aan één zin van De Vries genoeg om mijn link te leggen:

 

‘De boodschap van dit boek is dat er onder de melodieën van radicaal-rechts een dieper ritme ligt dat de toon zet: de gestage afbraak van publieke voorzieningen, veroorzaakt door de politieke keuzes van middenpartijen – het afschudden van hun ideologische veren, de uitverkoop van de staat aan de markt en het herdefiniëren van de kiezer als consument.’

 

Deze zin is sowieso interessant. Tot en met haar boektitel heeft De Vries gekozen voor een centraal beeld dat haar stelling aanschouwelijk moet maken. Er horen terugkerende submotieven bij, zoals ‘noten’, ‘orkest’, ‘componisten’ en ‘dirigenten’, waarboven de abstractere titels van de drie delen evengoed de consequente aanpak schragen. Dat bevordert het begrip en de samenhang, maar heeft in een niet-literaire tekst ook iets verkrampts.

In het citaat laat het korte stukje vóór de dubbelepunt die tegenstrijdigheid zien. Maar liefst drie termen hebben met muziek te maken. Daarbij duwde wat mij betreft het adjectief ‘dieper’ vóór ‘ritme’ net ietsje te hard. Tot, sorry dat de uitleg zo lang duurde, het pamflet van De Roder me te binnenschoot waarbij, meen ik, ritme inderdaad de toon overweldigt.

Nu ja, het was maar een detail dat mijn blik allicht stuurde bij de tweede titel. Na De Vries las ik namelijk het zalige boek Erratapedia. Daarin bundelde Erik of Eric Bindervoet niet alleen een nieuw setje grillige leutergedichten, ditmaal annoteerde hij ze ook uitbundig heterogeen. En zoals te verwachten viel, overwoekeren al de noten de hoofdtekst nagenoeg volledig. Het gedicht ‘The importance of being speels’ blijkt bijvoorbeeld kaal te zijn voorgepubliceerd en telt vier bladzijden, terwijl het in Erratapedia, met eenentachtig voetnoten, veertien pagina’s beslaat.

Maar De Roder heeft hier nog steeds niets mee te maken. Toch legde ik het verband wel degelijk, in de jungle van annotaties. Murw door alle meer of minder relevante informatie die Bindervoet daar op lezers los bombardeerde, kwamen ook amper geïntroduceerde regels voorbij die voortijdig leken te zijn afgebroken en die soms rijmden:

 

(…)

Maar luister dan ook goed naar de klank van je eenzaamheid

Van een hartslag… uit de as

Als de stilte je herinnert aan wat er was

Aan wat je had… aan wat er was… aan wat je had.

Klappen geeft de donder als het regent.

(…) (p. 26, noot 69)

 

Misschien komt het doordat ik de elpee kocht in de herinneringsgevoeligste jaren van de puberteit dat de oorspronkelijke tekst als het ware door mijn aders circuleert. Maar die was nog altijd wel in het Engels, waarvan mijn beheersing matig is. En voor ik het wist of zelfs maar kon herleiden, riep mijn hele ik naar dit fragment terug. Dit is Fleetwood Mac anno 1977, in een echtscheidingslied dat sindsdien talloze keren is gecoverd. Ja, thunder only happens when it’s raining.

En is dit dus ook niet wat De Roder bedoelde? Doordat ik het liedje relatief goed ken, was ik toch nog niet helemaal overtuigd. Verder lezend in Erratapedia, voor zover dat kan, laat staan gestructureerd, dommelde ik in zekere zin in. Amuseerde me, miste ongetwijfeld van alles, blies en slappelachte tot:

 

(…)

En menig keer heb ik gefaald

Ik heb hoe vaak ik ook beet in het stof de top gehaald

En dus moet je doorgaan doorgaan doorgaan…

Wij staan als beste bekend en wij blijven vechten tot het end

Wij zijn de besten.

Wij zijn de goeisten.

De kampioenste!

Geen tijd voor stumpers

Want wij zijn de beste kampioen…

(…) (p. 105, noot 17)

 

Dit is kolder, net als het laarzentrappelend gedachtegoed waar mijn gemoed me naartoe stuurde. Weer een liedje, ditmaal verticaal geklasseerd bij het meurendste denkbaar uit wat ik voor een privétoilet houd. Mercury, het vroege gras van Ajax in De Arena, Van Gaal op het Museumplein,…

Waarom drong Queen door mijn bewusteloze lectuur heen? Dat moet toch een argument pro De Roder zijn? Allicht is popmuziek – vanaf de babyboomers en zeker vanaf ‘mijn’ generatie X – een vanzelfsprekend cultureel referentiekader geworden dat ooit, voor een geringere groep mensen, in literatuur te vinden viel. Volgens mij verwees De Roder ook naar Primo Levi, die had getuigd dat bij het duivelse werk in concentratiekampen gevangenen Dante reciteerden.

Daarnaast is Bindervoet natuurlijk een meestervertaler. Hij beheerst de Nederlandse taal zo goed, van haar highbrowste tot in haar onsmakelijkste trekken, dat hem waarschijnlijk de PC Hooftprijs nooit is gegeven uit mededogen met de reguliere laureaten. Iets verderop in zijn Queen-massage varieert hij op het bovenstaande gekweel met ‘en wij blijven vechten tot het very ergwaartste end’. Daarmee doemt Beckett, of minstens de versie die Erik of Eric Bindervoet van hem gegeven heeft. Van het eind ook van het begrip? Of het begin?

maandag 6 juli 2026

Uit de werkplaats (11)

 


 

 

1.

Redigeren is een concentratiekwestie, wat zich door de hitte, in mysterieuze fasen, laat ervaren als een wegdommelen. Zou ik veel van het scherm hebben gemist? De geweldigste tropische verrassing in elk geval niet. Charles Trenet zong toch werkelijk ‘Douce’ en helaas geen ‘Douche France’.

 

2.

Bart Meulemans roman Een distel in bloei, ‘losjes gebaseerd op het leven van schilder Jan Vaerten’, bevat deze gedachte van de Vlaamse kunstenaar: ‘Vluchten is niet vergeten waar het bestaan ons toe veroordeelt, maar het net verhevigd ervaren.’ Begrijpen Nederlanders dit? Dus ‘net’ als bijwoord, in de betekenis van ‘integendeel’ of, duister voor Vlamingen, ‘juist’? Ondubbelzinniger was geweest om dit bijwoord en het voorafgaande lidwoord ‘het’ van plaats te verwisselen. Een distel in bloei verscheen bij een Amsterdamse uitgever, die riskeert dat ‘net’, met evenveel aforistische kracht, door de meerderheid van het potentiële publiek als zelfstandig naamwoord wordt opgevat.

 

3.

De Johan Polakprijs voor ‘de beste bundel van de afgelopen drie jaar’ ging naar een debuut. Wat als ik vervolgens deze Sarah de Koning toets aan ander institutioneel poëziegeweld? Zij stond op de longlist (niet op de shortlist) van de Grote Poëzieprijs en ze stond op de shortlist van de Herman de Coninckprijs. De GPP ging naar Samuel Vriezen die nergens bij de HdC te bekennen was, en de HdC ging naar Sandrine Verstraete die nergens bij de GPP te bekennen was. Achter deze betrekkelijke willekeur zou je de respectievelijke juryleden kunnen zien. Maar de invloed schuilt bij bestuursleden die jury’s benoemen en daarmee de ideologische en politieke marges van de kandidaten bepalen, plus welke netwerken worden geactiveerd.

 

4.

Als routinier, of de oude man die ik ben, lijkt me dat De Koning past in een trend die vorig decennium werd ingezet met Hannah van Binsbergen, en vervolgens Joost Baars en Radna Fabias: prijzen uit het niet-overheidsgestuurde circuit die naar debuten gaan. Met de suggestie: wij hebben tenminste het lef om ‘kwaliteit’ meteen te bevestigen. Ooit vertelde een jurylid me doodleuk, jaren na dato, dat de essaybundel Bunzing van Daniël Rovers uit 2005, waarvan ik als redacteur alleen maar shit over me heen had gekregen, eigenlijk de Greshoffprijs zou zijn toegekend maar dat men dat te wezensvreemd vond voor een debuut.

 

5.

Tussen neus en lippen door zegt John McWorther dat sensible lang ‘gevoelig’ heeft betekend, maar nu ‘gezond verstand hebbend’. Een equivalent in het Nederlands? Wakker?

 

6.

Arme Carmien Michels.

zondag 17 mei 2026

De bui een moesson


 

 

Zou er ook in YouTube al zoveel AI schuilgaan dat de muziek me automatisch bracht bij ‘Águas de Março’? Mijn Braziliaans-Portugees is niet wat het nooit is geweest en in ‘Março’ hoor ik heus mezelf niet, maar het bossanovaliedje uit 1972 weerspiegelde een Hemelvaartsstemming in 2026. Het was herfstachtig koud en nat, en toch wist ik niet grondig somber te raken.

Zoals vele liedjes van Antônio Carlos Jobim is ‘Águas de Março’, improvisatorisch-spreekwoordelijk te vertalen als ‘Maartse buien’, vederlicht en weemoedig. Die laatste component zit allicht in de reeks van dalende akkoorden die onder een stabiele melodie ligt. Alsof de regen blijft vallen, maar zo mooi en harmonieus. Ik zou bijna het woord ‘troostrijk’ gebruiken.

Wat dat betreft is het lastig ‘Águas de Março’ te verbinden met het heden. Destijds was een halfjaar tevoren al, hoe raar het hier klinkt, uitgelekt wat er volgens De Club van Rome met de aarde als ecologisch fenomeen aan het gebeuren was, voordat het officiële rapport Limits of Growth min of meer gelijktijdig met Jobims meesterwerk verscheen. Inmiddels is de bui een moesson.

Evengoed in het rijke België van fermette retteketet. Afgelopen weekend nog kwam de bevestiging dat het land de hoogste bebouwde oppervlakte (32%) heeft van Europa. Hoe moet dat met het grondwater? Met maartse buien die ook in mei de straten en kelders als moeiteloos doen overlopen? ‘Águas de Março’ laat de luisteraar het hoofd schudden en zegt bijna letterlijk: lekker puh.

Dat doet de melodielijn namelijk, een bewijs voor Jobims vederlichte kant, in een kinderlijk klinkend vraag- en antwoordspel dat hij zingt met de geweldige zangeres van het nummer, Elis Regina. Ook is er iets met de tekst, waarvoor vertaalprogramma’s echt van dienst kunnen zijn. Het lied blijkt één lange opsomming. Van stonde af:

 

É pau, é pedra,
é o fim do caminho
É um resto de toco,
é um pouco sozinho

 

É um caco de vidro,
é a vida, é o sol
É a noite, é a morte,
é o laço, é o anzol

 

De komma programmeert hier wat in het jargon een enumeratio heet. In plaats van een verhandeling over gevoel en oorzakenpalet bij al dat hemelwater noemt Jobim losse dingetjes die er volgens hem en zijn bronnen mee te maken hebben. En die samen voor een voortdurend wisselende buienradar in het hoofd van luisteraars zorgen.

Al eerder was me duidelijk geworden dat ik van jongs af viel voor die techniek. Nu me begint te dagen dat ik in mijn eigen werk vaak verzamelingen aanleg, snap ik zonder tussenkomst van een biograaf-psycholoog beter waar die voorkeur en aanleg vandaan komen. Opsommingen zijn de grammaticale mal waarin verzamelingen de schijn van orde kunnen vertonen.

woensdag 29 april 2026

Lippen op elkaar

 


 

 

Wanneer deemstert Komrij, in een aanbevelenswaard boek tot leven gewekt door Lotfi El Hamidi, eindelijk weg uit mijn leven? Mijn vorige stukje over ‘de’ polemiek, pro dissensus, werd gerepost op Neerlandistiek, waarna Micha Hamel en Els Stronks, namens ‘de leerlijn polemiek’ van het Utrechtse SchrijfLab, pro consensus, op dezelfde site een elegante weerlegging schreven. Voor een antwoord ben ik zo vrij trouw te blijven aan mijn openbare privépodium.

 

Hamel en Stronks bekrachtigen mijn vermoeden dat het SchrijfLab reserves heeft bij het genre omdat er verruwing is opgetreden in debatten. Vanwege internet uiteraard. Dat relatief prille medium ijken ze aan wat de publieke ruimte ten beste gaf ‘van pakweg het midden van de 18e eeuw tot het jaar 2000’. Daarmee idealiseren ze naar mijn idee de voorstelling die (de onlangs overleden) Jürgen Habermas van deze periode gaf, met als klassieke locatie het koffiehuis.

Aan dat belangwekkende meningsverschil deed namelijk bepaald niet elke burger mee. Het was een vermaak voor midden- en hogere klassen. Geletterdheid gold een impliciete voorwaarde en omdat Hamel en Stronks ook spreken namens de universiteit, meer in het bijzonder namens de opleiding Nederlands, is het zinvol te vermelden dat de beheersing van standaardtaal de minimumvoorwaarde leek voor deelname. Om een ‘eerbaar compromis’ te bereiken?

Daarbuiten heerste ‘het gelijk van de vismarkt’ – dat niets met het fameuze, precieze fileren van ‘de ’ polemiek te maken had maar met een waarheid die ‘ongezouten’ opklonk. Verder was er in kranten, de gereputeerde echokamers van het koffiehuis als debatpodium, ruimte voor de ingezonden brief, om onderdak te bieden aan rare vogels die hun eigen meningenliedje zongen. Een vermaak feitelijk, voor hen die de mores wel machtig waren en als het ware met mes en vork konden debatteren. Deze welopgevoede mensen gebruiken heden misschien overfrequent de termen ‘graag’ en ‘helaas’, en zijn op sociale media allicht gul met duimpjes en likes.

Hamel en Stronks laken de ‘verbale agressie’ die door blijkbaar minder beschaafde mensen op internet wordt geëtaleerd. Het debat wordt daar inderdaad niet per se beter van. Maar doet de montere, zogeheten constructieve toon van AI dat wel? En bovenal, wat moet iemand dan die, zelfs na het volgen van de leerlijn waarin je jezelf luxueus mag inbeelden om boos te zijn, niet de goede manieren heeft waarmee van mening dient te worden verschild? Terwijl die toch een serieus punt heeft? Bijvoorbeeld over een particulier én algemeen onrecht dat, dankzij medemensen die behalve verfijning ook macht hebben, verholpen zou mogen worden?

 

Banvloeken

Door die opleiding Nederlands is het interessant het literaire bedrijf als voorbeeld te nemen van zo’n scheve werkelijkheid. Het ensceneert kwaliteit en enthousiasme (‘passie’) terwijl gestuurde willekeur regeert. Door het gretig ontvangen pionierswerk van FixDit, dat de aandacht vestigt op vrouwen, raken nu ook buitenstaanders ervan overtuigd dat in de schifting van het overaanbod uitsluiten en verzwijgen cruciale routine-instrumenten zijn. In plaats van over talent of kennis beschikken auteurs beter over een netwerk.

Het SchrijfLab is zo verstandig om tegen die deprimerende realiteit niet de zoveelste man op te voeren die zijn verongelijktheid ter zake leegkiepert. Bij ‘de leerlijn polemiek’ fungeert in eerste instantie Sytske van Koeveringe als spiegel. Dat komt tegelijkertijd ook waarachtiger over dan daar Komrij voor van stal te halen. Als man van het centrum had die in principe immers niets te klagen. Het ontbrak hem feitelijk aan een geloofwaardig punt.

Daarom was het voor Komrij ook zo makkelijk om, met een gevraagde frequentie, confrontaties aan te gaan. Tot Teun van Dijk lastig begon te doen kon hij er zelf geen schade mee oplopen terwijl hij reputaties en toekomstperspectieven van collega’s lustig aan flarden schoot. Alsof hij al op sociale media opereerde, vanachter avatars. Ik zou toch menen: geen voorbeeld voor wat Hamel en Stronks in het verlengde van de overwegend brave neerlandistiekpraktijk voorstaan.

Raar vind ik dus dat het SchrijfLab plots gemaakte reclame voor de leerlijn opgehangen heeft aan Komrij als ultrafileerder. De verschijning van zijn biografie, rond de Boekenweek ook nog, gaat gepaard met een polemiekwedstrijd voor jongeren. Alsof onrecht eerst valt te veinzen en daarna te ervaren. De gebakken uien met bonen zijn gedoseerd voor de scheet van de week! Capitulatie aan de markt. Uitgezonderd de polemieken uit de jaren zeventig ontplooiden Komrijs banvloeken-in-opdracht dan ook macht. Misbruik van macht, allicht – of ‘de mens Gerrit’ in het alledaagse leven een schat was, is irrelevant.

 

Wissewasje

Die ontplooiing van macht is geen detail. Evenmin is dat het blijkbaar evidente spreekrecht, verleend ooit door de poortwachters die redacteur heetten en nu rechtstreekser door moderators in een AI-kleedje. Het (populistische) verwijt aan het adres van een ‘elite’ wordt nog net niet uitgelokt! Om het gelijk van de vismarkt te mijden, mag slechts verantwoord aan flarden worden geschoten. En daar is hij dan, de fameuze wereld waarin veel mensen zich niet gehoord weten en dan op sociale media beginnen te schreeuwen, en vervolgens door de tone police worden bekeurd omdat ze de verbinding verbraken. Hier strijdt de ‘parrèsia’ (Foucault) maar weer de oude strijd met het concept vrije meningsuiting.

Ook Hamel en Stronks raden terughoudendheid aan. Onze wereld is te kwetsbaar. Leerlingen bijten beter op hun lippen om geen schade toe te brengen. Dat op zichzelf verstandige advies dunkt me zuur in vergelijking met wat millennials gewend zijn, als waarschijnlijk eerste generatie die in het onderwijs de ‘eigen mening’ moest ventileren. In literatuur zijn ze niet-polemisch uit overtuiging, en zetten dezelfde lippen wijd open om elk wissewasje en trauma in de richting van een lezer te spugen. Mochten ze een goed netwerk hebben, dan haalt dat binnenvocht zelfs de openbaarheid.

In het huidige cultuurklimaat blijft hier ook vraag naar. Sterker nog, ik zie inmiddels oudere auteurs buigen voor deze in se polemische overvaltactiek die klaarblijkelijk wel gepermitteerd is. Normaliter zou ‘de literaire kritiek’ zulke onnavolgbaarheden of trends signaleren, duiden en eventueel van een ‘striemende’ aanklacht voorzien volgens de wetten der polemiek. Maar dat gebeurt dus niet.

donderdag 26 maart 2026

De aanbevelingen van experten

 

 

 

Op werkelijk alle tafeltjes van de Agora lagen meerdere exemplaren van een folder. Gepromoot werd daarin een lezingenreeks rond Stephen Hicks. Verspreid over vier aprilavonden zou die mij weer eens onbekende maar blijkbaar met faam omhangen Canadees-Amerikaanse filosoof spreken en in debat gaan met gerenommeerde Belgische wetenschappers. De organiserende Vrijzinnige Dienst van de Universiteit Antwerpen leek een leuk evenement te hebben bedacht.

Toen ik de folder nader bekeek, stokte mijn blik bij de titel: Hoe het koekoeksjong de verlichting ondermijnt en wat we ertegen kunnen doen. Welk snood beest werd hier bedoeld? Gelukkig is mij begrijpend lezen geleerd zonder markeerstift, dus ik zag meteen wie de boosdoener bleek: ‘het postmodernisme’. Met de literaire afvaardiging daarvan word ik zelf geassocieerd en ik meen er net voldoende van te weten om te denken: arm koekoeksjong, omgeven door dronken aardbeien!

 

Boventoon

In navolging van koningin Máxima over Nederlanders zeg ik het maar eerlijk: bij postmodernisme geeft een essentialistisch bepaald lidwoord geen pas. En al helemaal niet in universitaire kringen! Maar ja, ook bij ‘de verlichting’, zonder hoofdletter inderdaad, dringen clichés zich op. Wel blijkt ze volgens de folder idealen te hebben verbreid van ‘vrijheid en gelijkheid’. Daarbij wordt wel de centrale rol van Hicks duidelijk. Hij zal tonen hoe die idealen ‘nog altijd de beste troeven hebben en hoe we de postmodernisten van antwoord kunnen dienen’.

Een wij-zij-onderscheid! Ze blijkt urgent, vanwege ‘de negatieve impact van het postmodernisme op de universiteit en daarbuiten’. Wow, dat types als ik perfide waren wist ik, maar zo invloedrijk? Het kan nooit kwaad om onder ogen te zien waarom:

 

Het postmodernisme begon in de universiteit als een kritische reflectie op macht en kennis, maar groeide in de tweede helft van de twintigste eeuw uit tot een koekoeksjong. Het zal de verlichting, het nest waarin het groot werd, radicaal in vraag stellen en aanvallen. De verlichting zou namelijk niet op vrijheid en gelijkheid gericht zijn, maar slechts een voorwendsel zijn voor het veiligstellen van privileges. Niet het streven naar een gedeeld burgerschap, maar eerder structurele discriminatie zou haar kenmerken.

Ondertussen is dat koekoeksjong uitgevlogen en beïnvloedt het velen in de manier waarop ze over zichzelf en de samenleving nadenken. Of het nu gaat over de verschillen tussen mannen en vrouwen, de neutraliteit van de overheid, de (on)wenselijkheid van NIPT (Niet Invasieve Prenatale Test), de omgang met het koloniale verleden of de aanwezigheid van transvrouwen in sportcompetities: postmoderne ideeën voeren vaak de boventoon. Ze vormen het filosofische hart van de discussies over diversiteit, wetenschap en rechtvaardigheid. Daarbij maken ze de verlichtingsidealen verdacht en zetten ze aan tot een identitair opbod. 

 

Als taalmenneke valt me op dat de koekoeksmetafoor niet alleen negatief is maar ook venijnig. Het bijbehorende werkwoord ‘uitvliegen’ heeft normaliter melancholieke bijklanken, terwijl ze in deze folder schril zijn, dwingend – expansief. Ook wordt het slotwerkwoord ‘aanzetten tot’ dankzij de automatische piloot gemeenlijk ingevuld met ‘haat’. Verder lijkt me dat de spelling ‘transvrouwen’ treitert. Of je het daar nu mee eens bent of niet, het woord wordt al jaren om redenen die voor betrokkenen belangrijk zijn verdeeld door een spatie.

Bovenal hoef je weinig geleerd te zijn om niet lichtzinnig, zoals onder meer Adorno & Horkheimer en zoals Zygmunt Bauman in ‘de tweede helft van de twintigste eeuw’, aan positieve verwezenlijkingen van ‘de’ verlichting ook keerzijden te zien. Dat ze een mannenclub behelsde met witte huidskleur uit Europese opleidingen, is evenmin een heel erg revolutionaire constatering, al blijven tot op de dag van vandaag betrokkenen de bal terugkaatsen. Deze foldertekst veroordeelt waarschijnlijk dan ook een recentere, activistische variant die door koele minnaars ‘doorgeschoten’ heet.

Daarmee vegen ze ‘het postmodernisme’ op één hoop met woke. Als je het grote lettertype, het vele wit en de dikke pagina’s verdisconteert valt dat geërgerde cultuurpessimisme bondig na te lezen in het pamflet Over woke (2023) door Bart De Wever. Het werpt zich op als behoeder van het project van ‘de moderniteit’ waarbij de drie zojuist genoemde filosofen kanttekeningen hebben geplaatst vanwege de Holocaust, die bij De Wever ontbreken. Zijn neutrale titel, in de onderzoekende geest van Montaigne, kan evenmin verhelen dat het pamflet het wij-zij-onderscheid tot in de taal uitrolt. Al was het omdat hij het bezittelijk voornaamwoord ‘onze’ in vitriool doopt als hij weer eens fulmineert tegen ‘onze kwaliteitsmedia’.

Impliciet zegt deze aanduiding al dat de N-VA-leider zich, niet voor het eerst, in een underdogpositie manoeuvreert. Hij hoont in Over woke ‘de intellectuele elite’, paradoxalerwijs met bij vlagen antieke taal die onderwijs van culturele verfijning doet vermoeden. Zijn activistische stenen des aanstoots gelden als ‘revendicatief’ – een kwalificatie met heuse joods-christelijk beschaafde wortels? Verder kan een pleidooi bij De Wever ‘niet zonder rationale’ zijn en doen CEO’s bij hem ‘de promesse’.

woensdag 18 maart 2026

Grutjes uit Moerdijkië

 


 

 

Een ferme openingszin. ‘Het onuitputtelijke boek Exercices de style van Raymond Queneau uit 1947 is toe aan nieuwe Nederlandse vertalingen.’ Daarmee wil ik niets afdoen aan de glansprestatie die Kousbroek in 1978 leverde. Maar anders dan het origineel is diens versie al historisch geworden. Zowel de in Amsterdam genoemde tramlijn als het plein bestaan niet meer.

Bovendien beperkte Kousbroek zich niet alleen geografisch, de daarbij horende exclusieve taal is ook gedateerd geraakt. Dat ontdekte ik met studenten in de twee alinea’s grote oefening ‘Interjections’, terecht als ‘Tussenwerpsels’ gepresenteerd. Kousbroeks tweede alinea begint met:

 

Gut!

 

Heb ik dit in zestig jaar op het ondermaanse ooit zelf gezegd? Mogelijk, toen Corry nog bij de Rekels zong. Daarna zal het tijdens pogingen tot ironie hooguit ‘gossie’ zijn geweest. Inmiddels staat ‘gut’ in ieder geval niet meer bij tussenwerpsels die de e-ANS in 2021 heeft opgesomd. Een toelichting verantwoordt dit met harde hand: de drempelwaarde was niet langer bereikt. Dat lot trof ook ‘jemig’ en ‘gadver’.

In de lijst treffen we wel, en dat vind ik aan de hilarische kant, ‘tiens’. Dit woord gebruikte Queneau zelf namelijk, in het Frans. Dat ‘tiens’ in de ANS de toevoeging krijgt dat het in standaardtalige contexten in België opduikt, is meteen een kapstok voor mijn andere punt. Behalve een nieuwe Noord-Nederlandse zou Exercices de style ook graag een Vlaamse vertaling mogen hebben.

Neuk ik nu mieren? Onlangs las ik een studie die me de ogen opende voor de landsgebondenheid van platte verwensingen. In De waarheid heeft vier gezichten. Hoe we het publiek debat kunnen redden verwijst Simon Truwant naar het befaamde essay On Bullshit uit 1986 van Harry Frankfurt. Hij vertelt dat dit titelwoord in de Nederlandse vertaling (van Ronald Kuil) ‘lulkoek’ is, maar dat hij het Vlaamse ‘gezever’ verkiest.

Voor mij alweer een moment van hilariteit. Sinds ik in België woon heb ik de term bullshit het vaakst de mond horen verlaten van Herman Brusselmans, een fenomeen dat voor mij even oer-Vlaams is als Eddy Wally. En in verband met generatieve technologieën, die mij zo mogelijk nog minder boeien, is het omineuze, medleyachtige begrip botshit geboekstaafd.

Het woord ‘lulkoek’ verneem ik hier inderdaad nooit, maar associeer ik evenmin met de provincie Noord-Nederland als geheel. Wel met groepen, zoals de corpsballen van Jiskefet. Nazicht leert dat het voor het eerst opdook in Het katholiek volksblad anno 1899 te Maastricht. En overzichtjes van gebruik dat het in België evengoed bestaat, nog altijd. Het blijkt er even gekend als boven de Moerdijk.

Soit.

Truwants voorkeur ‘gezever’ situeer ik wel in Vlaanderen. Trots heeft Truwant het achter in zijn studie opgenomen in een woordenlijst. De betekenis is immers, door niet-aflatende beweringen van de wortelkleurige, verregaand voor wat er in de wereld blijft gebeuren: totale onverschilligheid, minachting zelfs, voor de waarheid.

In beknotte vorm (geen idee of het onzingehalte groeit) komt ‘gezever’ voor als ‘zever’, eventueel in combinatie met een vast adjectief: ‘dikke zever’ (waarvan het onzinpercentage zeker hoger ligt). Het biedt ook mogelijkheden om er mensen mee aan te duiden (zeveraars) en activiteiten (zeveren, ook wel: zwanzen).

Heeft Noord-Nederlands een soortgelijke flexibiliteit die evident klinkt? Robbert-Jan Henkes heeft al het substantief ‘rut’ en het werkwoord ‘rutten’ voorgesteld. Dat zou in de wortelkleurige sfeer door een ‘rutter’ kunnen worden gepraktiseerd.

Voor vertalers aller binnen- en buitengrenzen opent zich een paradijs, kortom. Laat de nieuwe Stijloefeningen maar verschijnen!

Overigens vertelt de ‘oude’ ANS uit 1979 dat ‘gut’ afstamde van godallemachtig. Het kende vervormingen waar ‘gossie’ inderdaad toe behoorde, en ‘chot’, ‘chut’, ’gunst’, ‘grutjes’ en ‘gommenikkie’.

Moh.

maandag 16 februari 2026

Rocksterrenstatus

 

 

Rare tijden voor de diersoort die zich schrijver noemt. Gekooid door meningen, of ermee gevoederd, tussen de tralies van media hopsasa. Momenteel ontwaar ik drie typen reflexen die verlokken tot survival. Het eerste type heeft allicht nog te maken met de overproductie, waardoor boeken niet de redactie en eindredactie krijgen die ze verdienen. Die diagnose is bepaald niet van gisteren, en wordt heden bevestigd door de receptie van alle Librisprijsinzendingen die zich gelukkig niet beperkt tot één uitgeverij.

Enkelingen kunnen flierefluitend stileren over ‘hubristikè diathesis, zoals Aristoteles het noemde – een overmoedige houding. Die houding, ook wel ataraxie genoemd (…)’, maar indien een lezersblik een met zware publiciteit omgeven auteur van buiten de Grachtengordel en zijn Vlaamse equivalent treft, dan ogen de consequenties draconischer. Schoolvoorbeeld is Lale Gül, op wier stijl zoveel werd aangemerkt dat niet iedereen beseft dat ze meer heeft meegemaakt dan honderd standaardliteraire auteurs in de Lage Landen bij elkaar. De omstandigheden waaronder haar werk ontstond, vragen niet alleen om extra steun bij redactierondes maar ook om boven-esthetische maatstaven die literatuur sowieso in een wurggreep hebben (diverse herdenkingsstukken over Cees Nooteboom, wiens oeuvre tientallen zorgvuldig gecomponeerde titels telt, namen de binnenweg naar zijn laatste, halfbewuste interview).

Onder die stijlkritiek gaan morele bezwaren schuil die beter zichtbaar worden wanneer auteurs in hun privéleven niet blijken te hebben voldaan aan hun maatschappelijke pretenties. Van deze kwaal zijn er recent drie voorbeelden geweest: Lucebert, Zwagerman, Chomsky. Zij hebben gemeen dat ze zich politiek links profileerden. Zo kunnen ze als hypocrieten gelden, en in de virtuele wereld efficiënt worden afgefakkeld. Het is bijna schunnig dat er daarbij uniform van ‘de elite’ wordt gesproken, waar er afhankelijk van de branche talloze netwerken actief zijn.

Duizelingwekkend vind ik dat bij de Zwagerman-ontluistering de feiten al grotendeels bekend waren, maar pas door bekrachtiging van biografe Vlaar status kregen. Daarbij woog voor haar de moraal zo door dat taal, het oeringrediënt van schrijver en literatuur, er minder toe deed. Dat drong pas achteraf goed tot me door, toen ik kennisnam van haar juichende recensie over Alara Adilows romandebuut. Die eindigde zo:

 

Op haar newspeak moet je soms kauwen: “De golven van gebeurtenissen slaan onwetend tegen het lijf, en in die uitholling groeit een identiteit.” Voor slordigheden als ‘jouw’ waar het ‘jou’ moet zijn of ‘Saga’ en ‘Hoorn’ in plaats van Sagal en Uithoorn, had Adilow behoed moeten worden, maar ach: wat een vol en rijk boek!

 

Dat hoofdzaak hier bijzaak wordt, maakt het logisch dat Vlaar deze roman vervolgens opnam in haar boekentoplijstje van het jaar 2025. En dat Adilow dus op één welbepaald criterium ten prooi viel aan een volkomen ander lot dan Lale Gül, die ideologisch aan de overzijde van het spectrum zit.

Ik neem Adilow mede even als voorbeeld omdat ze valt te verbinden met een derde, zo mogelijk nog complexere reflex op auteurs: dat ze hun tekst niet echt zelf hebben geschreven. Als curator van een prestigieus DWB-nummer bleek volgens de redactie voor haar namelijk het lichaam

 

‘een plaats waar identiteit, macht en verzet elkaar kruisen. In de door haar verzamelde bijdragen geldt het lichaam als archief van kennis en ervaring, als plaats van conflict en als drager van geschiedenis en toekomst. Het lichaam drukt zich uit in gender en huidskleur, maar evenzeer in ritme, ademhaling en houding. En in literatuur – die op haar beurt als een lichaam werkt: iets wat ons raakt en vormt en permanent betekenis genereert.’

 

Vijf drieslagen achter elkaar plus een maar-zin: ChatGPT-alert! Hogere wiskunde vind ik nu dat deze verdachtmaking mijnerzijds aan de ene kant het grootste verwijt is dat je iemand kunt maken (oplichterij), terwijl er aan de andere kant laconiek op wordt gereageerd. Studenten ‘komen ermee weg’, en uit strategische-visiedocumenten begrijp ik als docent vooral mijn eigen bias te moeten bewaken en bevragen tegenover mensen met een migratieachtergrond.

Volgens mij beweer ik al langer dat bij hen het probleem niet zit. Maar ik beweer zoveel.

Ook waren er recent in België twee noodoproepen tegen ChatGPT. In de eerste klaagde redacteur-persklaarmaker Liesbet Depauw te moeten arbeiden aan een typoscript dat overduidelijk door een machine was voortgebracht. In de tweede constateerde opiniechef Anja Otto van de zakenkrant De Tijd dat het leeuwendeel van de stukken die ze sinds de jaarwisseling toegestuurd kreeg een ernstige ChatGPT-tic vertonen. Stilistische eenheidsworst in teksten die op persoonlijke titel heten te zijn geschreven.

donderdag 5 februari 2026

Wil je de wereld verbeteren?

 

 

 

Mijmerend over de recentste taalontwikkelingen onder mijn studenten, besloot ik onlangs ferm dat het eeuwige debat over verengelsing passé is of naast de kwestie. Hun Nederlands oogt, in mijn ogen, steeds meer als een terugvertaling uit het Engels.

Onverwacht dook daarna een bron op waaraan ik mijn indruk kon toetsen. Een compleet boek zelfs, waarvan de boodschap behartenswaardig is: doe niet mee! Het is geschreven door de iets oudere, in 1997 geboren Simon van Teutem. Hij studeerde en was stagiair op exclusief Engelstalige locaties (‘contexten’, zou ChatGTP zeggen). Over die opleiding vertelt hij, en ook waarom hij aan de rand van zijn studententijd een radicale en wat mij betreft sympathieke keuze maakte. Het boek heet De bermudadriehoek van talent, met als allitererende ondertitel Hoe knappe koppen verdwijnen in betekenisloze banen. Het verscheen in 2025 en ik raadpleegde de vijfde druk uit datzelfde jaar.

Eerst bladerde ik door vele bladzijden achterin met noten, om te weten of mijn natte vinger mocht blijven. Volgens mij wel, nog. Overweldigend veel gegevens ontleent Van Teutem aan Engelse en Amerikaanse bronnen terwijl hij, meen ik op mijn oude dag te kunnen meevoelen, niet ontsnapt aan een Hollanderschap. Dat geeft soms spanning, waarvan de laatste notenpagina weergaloos getuigt. Hij citeert er een fragment van ‘Lucius Annaeus Seneca’ in het Nederlands, met als verantwoording: ‘De Brevitate Vitae (in het Engels: On the Shortness of Life) (49 n.Chr)’. Het Engels is zogezegd sterker dan het hoofd.

 

Acteren

Toen ik het boek van voor naar achter gelezen had, werd me duidelijk dat Seneca niet de enige was geweest bij wie deze vroegwijze Abraham the mustard had gehaald. De bermudadriehoek van talent bulkt van de adagia en ze voegen zich naar de taalbiotoop. Zoals van Friedrich Nietzsche, die bij Van Teutem wordt gefixeerd in ‘Twilight of the Idols (1889)’. Zo doen mijn studenten dat ook! Apart, dat universum van wereldwijde, realtime vertaalde bestsellers. Een intellectueel zou toch verwijzen naar Götzen-Dämmerung. Zoals recent Frank van de Veire, die vervolgens in het Nederlands citeert zonder de vertaler te noemen, en aldus mogelijk zelf voor dit fragment in stond. Mensen zoals ik zouden deemoedig Godenschemering raadplegen.

Montesquieu wordt door Van Teutem wel in de oorspronkelijke Franse taal aangehaald, en uit de verantwoordende noot blijkt dat hij daar een citatenwebsite voor bezocht. Hij vermeldt, zoals mijn studenten dat ook moeiteloos doen, correct zijn raadpleegdatum. Toch citeert De bermudadriehoek van talent dan weer de mauvaise foi van Sartre even bronloos als de vertaler van het plechtstatig curieuze ‘kwader trouw’. Van Teutem noemt verder Nassim Nicholas Taleb een ‘essayist en oud-bankier’, maar volgens Wikipedia is hij een voormalige derivatenhandelaar die boeken schrijft (of is het Engelse ‘essayist’ overzee van betekenis veranderd?).

Zulke kortsluiting is evengoed te beleven bij een gevestigd columnist als Arjen van Veelen, een generatie ouder dan Van Teutem. Eind vorig jaar meldde hij onder meer dit, kopieerklaar:

 

De uitdrukking esprit de l’escalier (‘trappenwijsheid’) komt uit een achttiende-eeuws boek van de Franse filosoof Denis Diderot over acteren: Paradoxe sur le comédien. Dat ‘paradox’ in de titel slaat op het feit dat een acteur die emoties wil toveren in het hoofd van zijn publiek, zelf juist niet emotioneel moet zijn. Acteren is een vak waar je je hoofd bij moet houden doch cool, calm and collected, aldus Diderot

 

Wel formuleert Van Veelen het zo dat er ruimte ontstaat waarin de Engelstalige drieslag niet per se op naam van de Fransman geschreven hoeft te worden. Eventueel kan de hedendaagse columnist knipogen naar een hippe uitdrukking en zijn betoog opladen. Google geeft mij alvast geen treffers bij “cool, calm and collected” in combinatie met Diderot. Wel trof ik een draadje met allerlei suggesties, die minder oud zijn – van vlak voor de Tweede Wereldoorlog tot en met een reclame uit 1960 voor deodorant.

Wanneer ik op autoriteit van een YouTube-leraar de volgorde in het citaat omdraai tot “calm, cool and collected” heb ik wel prijs. Voor Google wringt het ‘AI-overzicht’ zich ineens boven de treffers, krijgt Diderot een geboorte- en sterfjaar maar het door Van Veelen genoemde boek niet. Daarna is er een heuse treffer vanaf Reddit, waar maf genoeg het citaat niet te vinden is maar wel de uitdrukking esprit de l’escalier met een link naar de Engelse Wikipedia-pagina.

 

Insecure

Ironisch dat dit soort tijdrovend gepriegel me in het Frans zelf niet direct iets oplevert. Daar leer ik uit dat mijn rendement dringend moet stijgen en dan ben ik, terug in De bermudadriehoek van talent, bij Van Teutem aan het goede adres. In zijn eindnoten staat nogal eens X als autoriteit. Een biografisch feitje over J.K. Rowling, dat je overal zult kunnen vinden, ontleent hij bijvoorbeeld aan een wederom keurig gedateerde tweet van haar uit 2023.

Ik probeer me dat voor te stellen. Van Teutem bekent zich als een workaholic die nooit te beroerd is om ’s avonds een bibliotheek te bezoeken. Ook lijkt hij eigen met sociale media. Dan zal er uit de stroom van informatie die zijn brein én telefoon bespoelt geregeld iets blijven plakken. Inmiddels verbind ik dat met een bewering die geregeld over een nieuwsfeitje opklinkt: ‘Ja, ik heb dat ergens zien passeren’. Pats, vastgelegd!

En op sociale media zal Engels allicht nog dominanter zijn dan op een gemiddelde website. Door de veelheid en de hoge snelheid lijkt het me ook redelijk dat de invloed krachtiger is. Als ‘nietige stukjes arsenicum’, die Victor Klemperer al benoemde bij nazipropaganda. Daarbij fascineert me feitelijk met jargon te maken te krijgen. In de wetenschap dat Van Teutem van binnenuit milieus van consultancy en accountancy tracht te beschrijven en daarbij bevestigt dat ze van piepschuim zijn, wordt deze zin vanzelfsprekend: ‘De hyperactieve twintiger in deze sectoren is een insecure overachiever en een homo competitivus.’

Geweldig! Beide typeringen zijn voor mijn toch best geoefende taaloor onalledaags en bij de eerste kan ik van het bijvoeglijk voornaamwoord ‘insecure’ niet eens met zekerheid zeggen dat het Engels of Nederlands is, toch van belang om de betekenis te achterhalen (onzeker of onzorgvuldig).

 

woensdag 28 januari 2026

Zwoesj-zwoesj

Voor W.N.

 

 

 

Ziezo, de papers van het eerste semester zijn weer van punten voorzien. Een monsterinspanning die ik al jaren met liefde doe. Deels uit nieuwsgierigheid naar de jongste ontwikkelingen in taal, deels omdat het me een plicht lijkt waarvan ik zowaar het nut zie. In een tijd waarin ‘mentaal welzijn’ geen pleonasme is staan studenten onder druk, naar verluidt de grootste EVER, en ze verdienen het om adequaat begeleid te worden. Door steun, maar evengoed door schoolmeesterlijke correcties.

De plicht van het punten geven (quoteren, in het Vlaams) had ik al bijna met de term ‘essentieel’ bekroond, ware het niet dat ChatGPT daar als pepernoten mee blijkt te strooien. Met het noemen van de Artificieel Intelligente intrigant beken ik meteen maar dat ik de plicht ditmaal deprimerend vond en de sensatie onderging een vergeefse, om niet te zeggen bespottelijke inspanning te hebben geleverd.

Natuurlijk, sporadisch was ik weer groos en van mijn melk wanneer een student voortreffelijk schreef en iets te melden had. Maar ik betrapte me er voor het eerst op, dat ik bij het nalezen niet meer aan het leren was maar aan het wantrouwen. In plaats van dat ik studenten met mijn betweterigheden kon stimuleren, was ik hen aan het controleren. Fraude of geen fraude, dat is voor de Hamnetten in de docentenstiel de kwestie geworden.

In de praktijk komt het er zo’n beetje op neer dat iedere door mijn laserogen ontwaarde tricolon – een retorische drieslag met een geschiedenis van heb ik me jou daar – een stigma van mijn digitale markeerstift te verduren krijgt. En als de gedachtestrepen uit de vorige zin me te breed zijn en door geen wit worden omgeven, dan komt er nog zo’n fluogeel litteken bij. Onder meer de uitdrukking ‘Onderzoek toont aan’ verwekt inmiddels mijn argwaan en de notoir bluffende ‘niet alleen, maar ook’-constructie. Zelfs voorzetsels staan onder verdenking. Kreeg ik al de pestpokken van ‘rond’ als er ‘aan’ of ‘over’ werd bedoeld, mijn treurigste ontdekking van 2026 is alvast dat ChatGPT ‘in’ heeft vervangen door ‘binnen’.

Zware concurrentie aan het front, ongetwijfeld, maar ik ervaar de regulier geworden polyetherfrase ‘binnen deze context’ als een belediging. Al was het omdat ik er toch van wil blijven uitgaan, dat studenten hun papers herlezen voordat ze die inzenden. Zo’n realiteit blijkt niet langer haalbaar. En mogelijk begrijp ik dat wel. De druk die studenten beleven komt allicht inderdaad van sociale media, en misschien van familie die hoge verwachtingen heeft én zich zorgen maakt over de financiën. Maar volgens mij is er iets aan dit noodpakket toegevoegd.

Het betreft de zogeheten academische studie. Daartoe moet ik aan mijn publiek passend Nederlands bijbrengen. Omdat het bestaat uit toekomstige kunstenaars mag hun taal persoonlijk zijn. Haast gebruikte ik de term ‘creatief’, maar die is door de communicatie-industrie naar de kloten geholpen. En studenten voelen dat. Ze worden ook onzeker van gepraat door taaldeskundigen uit een jonge niche die symposia, enquêtes en acties spuwt en waarin mede pedagogen en kwaliteitscontroleurs zitting hebben. Hun zogeheten dialogen gaan dan over ‘meertaligheid’ en ‘inclusie’, over reacties op dt-fouten, van veroordelend over relativerend naar vergoelijkend.

Naast dit evangelisme horen en lezen studenten een bokitotaaltje van docenten die verklaren ChatGPT te gebruiken voor hun lessen en voor hun examenvragen en correcties en becijferingen. Het zou me niet verbazen dat tussen hun ETCS-fiches al de kerncompetentie ‘goed leren prompten’ te vinden is. Als het afschrikwekkend gebetonneerde pad naar goede taal in ijltempo alsmaar drassiger wordt, wat let de studenten dan nog zelf exclusief ChatGPT te gebruiken?

 

zondag 18 januari 2026

Als patiënt


 

Op deze plaats heb ik het via Houellebecq en Rushdie en Haidt en Ross en Savitzkaya vaak geopperd: het zou een aardig spelletje zijn om op basis van het gebruikte Nederlands een vertaler te lokaliseren of in een generatie onder te brengen. Ditmaal zou dat alleen een katholiek gedoe worden, want ik weet toevallig al waar vertaler-essayist Piet Joostens vandaan komt.

Toch wil ik geen spelbederver zijn omdat de titel die hij deze keer aan een Nederlandstalig publiek schenkt belangrijk is én bij mijn weten, een cultuurbijlagetip van 197 woorden niet te na gesproken, met plechtige stilte is ontvangen: de futuristische roman Het wetboek van Perelà (1911) door Aldo Palazzeschi. Nochtans ging Joostens, heel verstandig met alle klimaatveranderingen, niet over één nacht ijs. Zijn eerste vertaalfragment dateert van 2008, uitgerekend in een dossier over literaire kritiek.

Het zinnetje dat mij in de boekversie opviel, telt veertien woorden: ‘Als die ons in het vizier krijgen, zal het onze beste dag niet zijn.’ Feitelijk gaat het me om de tweede helft. Misschien heb ik in Noord-Nederland niet goed opgelet, of zelfs te weinig ruzie gehad, maar pas in Vlaanderen heb ik de frase gehoord, als afsluiting van een dreigement.

Bij mijn weten gaat ze gepaard met de u-vorm: ‘Dat zal uw beste dag niet zijn.’ De drie Nederlandse varianten die me te binnen schieten, gebruiken juist de je-vorm. Ook laten ze tegelijk elk iets over de vermeende volksaard zien:

 

‘Dat zal je duur komen te staan’ (economie)

‘Dat zal je lelijk opbreken’ (ruimtelijke ordening)

‘Dat zal je nog bezuren’ (moralisme)

 

In de verwante uitdrukking ‘Dan zijn de rapen gaar’ schuilt uiteraard een hele culinaire traditie, maar ze geldt een nader te vergaren aantal vervloekte eters die dan ook onvermeld blijven.

Interessant vind ik verder dat het eerste persoonlijk voornaamwoord ‘die’ en het bijhorende werkwoord ‘krijgen’ in Joostens vertaling formeel incorrect zijn maar correct klinken. De constructie verwijst naar het onzijdige en enkelvoudige ‘gepeupel’. Wanneer er echter had gestaan ‘Als dat in ons vizier krijgt’, was het ongeloofwaardig geweest. Gevoelsmatig en omdat het hier om spreektaal gaat.

Het grootste gedeelte van Het wetboek van Perelà bestaat, net als het fragment waaruit ik de zin tilde die zelf tussen aanhalingstekens stond, uit dialogen. Voor mij, vanuit een polyfoon poëzieproject, is dat een bewonderenswaardige prestatie, omdat vertellerstekst makkelijker weg schrijft. Bijzonder aan Palazzeschi’s boek is bovenal een Twitter-avant-la-lettre-touch: die spreektalige uitspraken zijn schier steevast gericht tegen de hoofdpersoon die zelf zelden iets zegt. Zelfs zijn naam Perelà is door derden toegekend.

En daar komt het grote drama. Luttele jaren later schreef Kafka Het proces, waar de hoofdpersoon om onduidelijke redenen gearresteerd wordt en uiteindelijk quasi-legitiem vermoord. In Het wetboek van Perelà mag de held eerst om onduidelijke redenen rekenen op ophemeling, heeft op het toppunt van zijn macht vervolgens niets te maken met een zelfmoord van ene Alloro, en krijgt na een absurd proces de schuld. Hij fungeert als heus projectiescherm.

Kan er even een cultuurindustriële grootheid anno 2026 opstaan om, voordat het zijn of haar of hets laatste dag zal zijn, dit boek aan te bevelen bij het middenstandsgepeupel, liefst in meer woorden dan ik hier van plan ben te gebruiken? Liefst ook met wat knetterende adjectieven en met harde garanties van actualiteit en urgentie, vol ideale aanschaf voor bureau, koffietafel of performative-reading-locatie?

Aan de herziene versie uit 1958, die Joostens voor zijn vertaling heeft gebruikt, is als slotwoordje iets universeels toegevoegd: ‘Hahaha!’ Loopt het dus beter af dan in Het proces? Van Josef K werd het lijk in een kuil gegooid, terwijl door bemiddeling van de koning de 33-jarige Perelà in een gevangenis mag. Daar treft zijn trouwe vrouwe Oliva di Bellonda van hem niets anders aan dan twee laarzen bij een schoorsteen. (In mijn studententijd was het kantoor van onze studiecoördinator eens onbemand terwijl zijn sandalen er stonden – onwillekeurig richtte mijn blik zich opwaarts.)

Die schoorsteen is geen overbodig decorstuk. Feitelijk bestaat de hoofdpersoon uit 100% lucht. Een onzichtbare man! Zou Ralph Ellison dit Palazzeschi-boek hebben gekend? De staat waarin Perelà verkeert geeft, meer dan een eeuw later, een bijsmaakje aan de veramerikaanste Nederlandse taal. Bijvoorbeeld als een hofarts hem niet kan genezen, al was het omdat hij geen hart- of polsslag kan vinden, en besluit geen ‘mannen van rook’ meer als patiënt te aanvaarden. 

 

Culpa (19 jan.)

Is de harde schijf van mijn geheugen definitief kaduuk? Josef K sterft ‘als een hond’, zoals Het proces eindigt, terwijl in de slotzin van Malcolm Lowry’s Under the Volcano over de vermoorde Consul staat ‘Someone threw a dead dog after him in the ravine.’