maandag 6 juli 2020

Wibo van Rossum (1961 – 2018)


(Rob Knijn: Portret van Wibo, 2017, eitempera op linnen, 70-55 cm)


Nu witte mensen aan witte journalisten in witte media met Engelse woorden terecht hun beklag doen over witte dominantie, is het misschien wel handig te weten dat elk front zijn kwartiermakers kent. En dat het, hopelijk, nooit te laat is hen te gedenken.
Wibo van Rossum was een rechtssocioloog die in zijn proefschrift Verschijnen voor de rechter (1998) liet zien hoe Turkse verdachten, uit generaties die als zogeheten gastarbeiders vanaf de jaren zestig naar Nederland waren gekomen, strandden in hun communicatie met de juridische macht en vice versa. Daarnaast kende ik Van Rossum als vertaler van Robert Musil.

Met inbegrip van de ondertitel luidt het proefschrift: Verschijnen voor de rechter. Hoe het hoort en het ritueel van Turkse verdachten in de rechtszaal. Dit klinkt als een multiculturele update van Amy Groskamp, wier legendarische vooroorlogse etiquetteboek Van Rossum had geraadpleegd, net als communicatieadviezen over presenteren en solliciteren, ethologische en psychologische studies, documentaires over de rechtszaal,… Een fijne bezigheid moet dat zijn geweest, zeker voor iemand als hij die in staat was om, zoals dat heet, tussen de regels te lezen. Glashelder wist Van Rossum dat een etiquette voor buitenlandse verdachten kaatsend van aard was: ‘Hun gedrag kan alleen afwijkend worden genoemd als er een maatstaf is’. In algemenere beschouwingen over het justitioneel apparaat duidt Van Rossum de rechter expliciet als zij aan, en de raadsman en officier van justitie met hij, conform ‘de praktijk waarin zowel vrouwen als mannen werken’.
Hij onderzocht het wedervaren van ongeveer veertig verdachten, die hij zowel in de Randstad als in de periferie van Nederland enkele maanden in 1992 en 1993 observeerde. Telkens wanneer Van Rossum hun gedrag beschrijft, krijgt zijn tekst iets van een romanfragment, of een filmscène over een klassiek theater. Al wordt het ook weer geen Asterix en Obelix, want de beschreven scènes mogen in combinatie met de vakliteratuur een variëteit aan schoenen te zien geven, sandalen horen daar niet bij. Ook blijken getuigen zelden aanwezig in de rechtszaal. Even onverwacht, voor mij dan, is dat rechters en officieren het waarderen indien een verdachte hen onderbreekt met uitroepen als ‘Dat is niet zo’ of ‘U heeft gelijk’ – een vorm van assertiviteit die hun liever was dan alles zwijgend over zich heen laten komen.
Vanuit een schijnbaar universeel beleefdheidsstreven begint één van de tien aanbevelingen uit de literatuur interessant: ‘Wees niet formeel in uw taalgebruik en verberg uw accent niet’. Van Rossum zegt erbij dat ze hun neutraliteit verliezen in de rechtszaal zelf. Dan worden ze gedragsnormen, zij het niet van de verdachte zelf. De reacties van rechters en officieren zijn namelijk interpretaties, waarna deze autoriteiten ter plekke correcties of instemming geven die Van Rossum vervolgens reconstrueert. Een vissen naar intenties, kortom, van gedurig contact zoeken. Hij beroept zich op ‘the documentary method of interpretation’ van Harold Garfinkel, een etnomethodoloog, schitterend vertaald als ‘een bewijsachtige manier van interpretatie’.
Hier wordt de studie echt boeiend, want niets ligt nog vast. Rechtsnormen ontlenen hun geldigheid aan een schier betonnen systematiek, maar gedragsnormen zijn grillig als toepassingen van een sociale praktijk. Extra complex maakt het dat rechters evenmin een volkomen uniforme partij zijn met standaardreacties. Ze berispen een verdachte ook niet wanneer deze ‘dure woorden’ bezigt. Maar ze kunnen de norm (hier: tegen bluf en onoprechtheid) hebben geïnternaliseerd, bovendien mede in reactie op verdachten die zich sociaal wenselijk weten uit te spreken. Zelfs zwijgen wordt door het onbedaarlijke brein afgegraasd op ‘verborgen zieleroerselen’.
Zelf bezigt de juridische macht in Verschijnen voor de rechter soms spreektaal, meestal niet. Vaste prik is het woord ‘requireren’ dat niet blijkt voor te komen in het Wetboek voor Strafvordering maar in de bijbehorende literatuur wel gewoon is (als redacteur dacht ik me te hebben beziggehouden met aquireren en corrigeren, zonder nattigheid, tot een toeval mij leerde dat het ‘acquireren’ was).

Als Musil-vertaler deed Wibo van Rossum in 1993 mee aan mijn tijdschriftje de Biels. Hij gaf me het zevende hoofdstuk van het onvoltooid gebleven essay Der deutsche Mensch als Symptom. Geschreven werd dat in 1923 en Musil laat er sentimenten in glinsteren die hij aan de Eerste Wereldoorlog toeschrijft.
Deze tekst ging misschien ook over gedragsinterpretatie. Musil richt de aandacht op veronderstelde rationaliteit van ‘feitenmensen’ die bij nader inzien vreemdsoortige en tegenstrijdige elementen binnenlaat, zoals de wil van een beslissing en de vrijwaring van inconsequenties. Er zou ruimte ontstaan voor een andere toestand, waarin doelgerichtheid ontbreekt en het onomstotelijk ware misstaat. In een melange van actief en passief stroomt de wereld binnen, een subjectiviteit van een ‘in- of uitslingerende brede aanraking’ die geenszins onverschillig is.
Dat er gevolgen zijn wanneer een individu permeabel wordt, las ik recent nog in een aforisme van de achttiende-eeuwer Novalis: ‘Ik = niet ik – het opperste principe van elke wetenschap en kunst.’ Zo werd het bedje van Musil gespreid. Bij een opengewerkt individu, stelt hij, verandert de mate van sympathie in een observatie niet alleen medemensen, maar evengoed levenloze dingen. Een gedecideerd oordelend centrum valt ten prooi aan wat Musil ontvreemding noemt en maakt plaats voor ‘een andersoortig waarderen’, waarin het vonnis niet langer vastligt en nog slechts één (morele?) tegenstelling accepteert: ‘het paar vermeerdering-vermindering.(…) En in plaats van wat nuttig is, komt dat wat vermeerdert’. Ook gevoelens zijn in deze toestand niet enkelvoudig, maar ‘amalgama’s’. Ze kunnen tegenstrijdig zijn en het grappige is dat niets echt knaagt. ‘Bij de overweldigingswil is eerbiediging en tederheid gemengd, bijna zou men kunnen zeggen, bij het masculiene iets feminiens.’
Musil brengt de zogeheten beschouwende houding als een overgangstoestand, waar geen strijd heerst en dus ook geen beslissingsdrang. ‘IJdelheid, belachelijkheid en bezitterigheid vallen hier ook onder.’ De mens die hij voorstaat, bevindt zich in ‘permanente ethische actie’. Over dat vermogen tot contemplatie redeneert en formuleert Musil met de grootste vanzelfsprekendheid. Hij belicht telkens een facet, oppert schijnbaar logische mogelijkheden en gaat dan schijnbaar systematisch verder. Maar hoe vaak ik dit hoofdstuk ook lees, steeds raak ik de weg kwijt. En misschien ligt dat niet alleen aan mij.
Dik tien jaar later onderwierp Musil zich aan zelfanalyse: ‘Ik ben nauwelijks een onhelder denker te noemen, maar ook niet een helder. Met enige welwillendheid: het verduidelijkingsvermogen is sterk, het onduidelijk makende wil echter slechts hier en daar van wijken weten’. Een jaar voordat Van Rossum mij met zijn vertaling vereerde, zat dit citaat in een Nederlandse dagboekeditie. Ik stak bij die passage in dat boek een kopie van de originele Duitse versie.
In zijn nawoord bij zijn eigen vertaling karakteriseert Van Rossum Musils aanpak als het afschrapen van mogelijke betekenislagen. Zo zal de auteur het gebied van de andere toestand willen vrijwaren van, lijkt me, intentieprocessen. Musil verzet zich daarnaast ‘tegen de overgave van het gebied aan anti-rationalisten, verleidelijke mystici en filosofische filosofen die zich afkeren van de empirie’. Zou dat zowel de essayist als zijn vertaler manoeuvreren in de rol van antropoloog?
Ik denk dat wel de weg open ligt voor empathie. Dat tegenwoordig zo kwestieuze artikel was in Van Rossums proefschrift een noviteit. Daarmee zou het geoefende westerse oordeel, naar eigen idee gepokt en gemazeld door eeuwen traditie en aldus gevrijwaard van willekeur, tenminste gezelschap krijgen van begrip voor anderen, en van twijfel aan eigen pertinenties. Het zou heden ook een kritischer invulling geven aan het even pretentieuze als veel gebezigde begrip ‘verbinding’, en aan een slogan als White silence is violence of een essaycitaat als Your silence will not protect you.

vrijdag 26 juni 2020

Zeeschuimers en kloosterpreparaten





Eindelijk! Niet alleen wordt de traditie van de vadermoord in ere hersteld, ook wil er actie zijn. Voor zover Greta Thunberg en Extinction Rebellion dat al niet hadden laten weten, lijkt het me althans nu echt wel duidelijk dat overal ter westerse wereld jongeren het bestaande onrecht niet langer alleen met woorden willen bestrijden, zoals dat door hun gematigder voorgangers zou zijn gedaan. Impact heet de sleutel.
Ik juich dit toe. Als halfbakken theoretisch onderlegde lezer word ik toenemend geconfronteerd met erudiet ogend gepapegaai. Tegelijk ben ik, in de eerste plaats, zoiets als een vader. En die verlangt heimelijk, om psychologisch misschien kluwerige redenen, grondig te worden geactualiseerd en weet dat intuïtieve weigerachtigheid ruimte gaat maken voor inzicht.
Het zou bovendien nu of nooit zijn (het zogeheten momentum). Niet corona zorgde daarvoor, maar de moord op George Floyd was de katalysator. Er gebeurde van alles dat ondenkbaar had geleken en waarvoor een symbolische uitdrukking was gereserveerd: ‘van zijn voetstuk vallen’. Wie Black Lives Matter wil herschrijven tot All Lives Matter verzeilt in kringen van het Vlaams Belang. In Nederland kreeg voetbalcommentator Johan Derksen, stem van de onderbuik, de rekening gepresenteerd voor zijn zoveelste misplaatste grap. De publieke opinie lijkt ‘institutioneel racisme’ tot het vocabulaire te hebben toegelaten. De Groene bepleit nu onomwonden normeren.
Afgelopen weekend voerden Martha Balthazar (22) en Martha Claeys (25) al paginalang het woord in De Standaard Weekblad en zij forceerden op prettig onbedaarlijke wijze een breuk:

Balthazar: ‘Wij zijn niet bang voor een revolutie. Misschien is die niet zo eng of zo groot als ze altijd wordt voorgesteld door wie vooral geen verandering wil omdat hij alle baat heeft bij de status quo.’
Claeys: ‘Wat betekent dat trouwens, revolutie? Het dogma van there is no alternative, dat ons door de strot is geramd, is quatsch. Die alternatieven zijn er wel, zoals de donut-economie van Kate Raworth of de participatieve democratie.’
Balthazar: ‘Die antwoorden zijn er en er zijn overal ter wereld veel doctoraatsstudenten mee bezig, toch Martha? (lacht) Dit is geen verre toekomstmuziek, ze liggen nu al voor het rapen, de sleutels voor de aanpak van het klimaatprobleem of voor een nieuw economisch systeem.’
Claeys: ‘Het is niet toevallig natuurlijk dat veel van die onderzoeken niet komen bovendrijven of sowieso minder worden gedaan.’
Balthazar: ‘Of utopisch worden genoemd.’
Claeys: ‘Dat heeft alles te maken met wíé aan de hendels zit en het kader bepaalt. Ze zullen het op mijn werk misschien niet graag horen, maar aan de universiteiten zijn dat nog steeds de mensen die er baat bij hebben dat er geen systeemverandering komt. Zij hebben de touwtjes in handen en blijven doorgroeien. Ik ben voor quota voor vrouwelijke proffen, zoals de Rijksuniversiteit Groningen die vijftien nieuwe leerstoelen exclusief voor vrouwen instelt. Dat injecteert andere thema’s in het debat, ze citeren andere bronnen en zoeken andere voorbeelden.’

Alle ingrediënten zijn hier aanwezig voor een smakelijk nekschot. Als taalmaniak frappeert me wel dat de getroffenen hun eigen kogels krijgen: ‘status quo’, ‘dogma’, ‘alternatieven’, ‘utopisch’, ‘kader’, ‘systeemverandering’… Ook heb ik de laatste jaren wel erg vaak There is no alternative (destijds al grijsgedraaid onder de artiestennaam TINA) teruggehoord in combinatie met die donut-economie.
Toch meen ik mijn reflex te herkennen als een afweerreactie, die me hopelijk dus zal ontvallen. In die wens word ik momenteel gesterkt door Sonja Prins (1912-2009). Lectuur van haar werk, die zich al een beetje uitte in bijkans een opiniestuk, geeft me hoop. Voor jongere generaties zal de dichteres-activiste mogelijk niet als voorbeeld dienen. Haar biografie, gemaakt door Lidy Nicolasen, droeg de treffende titel De eeuw van Sonja Prins. Het gaat hier om de twintigste, de zogeheten korte eeuw, ideologisch afgesloten voordat de jongeren werden geboren. Prins’ radicalisme, initiatieven en teksten geven nochtans stof tot bepeinzing.

woensdag 17 juni 2020

Break The Canon?





Bij een segment uit een millennialgeneratie Nederlandstalige schrijvers zie ik steeds vaker de naam van de Amerikaanse schrijfster Audre Lorde (1934-1992) opduiken. Ook buiten ons taalgebied heeft zij in een niche recent faam verworven, samen met Kimberlé Crenshaw en Angela Davis, als ‘icoon’ van onverzettelijkheid tegenover raciaal onrecht.
Aangekondigd bij een mainstream uitgever wordt een vertaling van Sister Outsider, Lordes bundel essays en toespraken. Grappig, want dat boek bestond al in het Nederlands. Samen met nog twee Lorde-titels verscheen het in 1985 bij de feministische uitgeverij Sara, onder de titel Oog in oog. Dat huis had het jaar tevoren Alledaags racisme van Philomena Essed gebracht, toen omstreden, heden evenzeer een inspiratiebron. Kennelijk was Lorde haar tijd vooruit. Wel begonnen in dat decennium millennials op de wereld te komen.
Van de huidige vertaling luidt het selling point‘Een baanbrekend boek voor de ontwikkeling van het hedendaagse feminisme. In tijden van Donald Trump en Thierry Baudet is haar werk uiterst relevant.’ Deze aanprijzing dateert van vóór de afgrijselijke moorden in de Verenigde Staten, die de Lage Landen evenzeer bereikten als een soort nawee van de eerste coronagolf. Een recenter artikel acht Lordes werk dan ook ‘verplichte lectuur voor wie de woede na de dood van George Floyd wil begrijpen’. 
Een laatste notitie vooraf is dat de oorspronkelijke vertaling Oog in oog was vernoemd naar een Lorde-essay, als pars pro toto, terwijl het komende boek de overkoepelende titel Sister Outsider ongewijzigd heeft overgenomen. Dat past bij de internationale oriëntatie van millennials, die nooit een tijd beleefd hebben waarin er geen internet bestond.
Dit klinkt allemaal erg ouwelijk van mijn kant, terwijl ik juist de puber in mij voel. Een drang kennis te nemen strijdt tegen een verlangen om niet mee te weten. Eerstgenoemde bleek de bovenliggende partij toen ik besloot Sister Outsider in de oorspronkelijke taal te gaan lezen. Ik kon een exemplaar bemachtigen uit een bibliotheek voor kunststudenten.
Op het omslag kleefde een sticker, met de cirkelvormige tekst BREAK THE CANON. Dit internationale initiatief trekt de belachelijke ongelijkheid op de wereld door naar kansen op publicatie en verzamelt titels van feministische, zwarte en niet-heteroseksuele auteurs. Nazicht leerde dat #breakthecanon, dus met hashtag, een trefwoord was in de online catalogus. Het leverde 98 titels op, bijna louter in het Engels, evengoed wanneer er een vertaling beschikbaar is. Benieuwd wat Lorde hiervan had gevonden, die zelf een bibliotheekopleiding genoot.

zondag 7 juni 2020

Adresboekjournalistiek





De moord op George Floyd smeekt om verbeteringen die consequent doorgevoerd zouden mogen worden. Meerderlei. Zelf ervaar ik een fabelachtig gebrek aan kennis en zou ik getuigenissen willen lezen uit mij onbekende werelden, zonder de hele tijd de term bubbel te willen horen en zonder te hoeven meedoen aan bekvechterij over het passende begrip voor een onrecht.
Als informatiejunk en mediabrompot in dezelfde persoon valt het me meer dan ooit zwaar te worden geconfronteerd met redundantie. Gaf corona helaas al aanleiding tot adresboekjournalistiek (waarna reproductie van steeds hetzelfde type verhalen uit mond van steeds dezelfde personen), nu zou het waarlijk misplaatst worden om Minneapolis te situeren in Bokrijk en Madurodam. Tegelijk hoop ik dat adresboekjournalistiek als methode kan leiden tot nieuwe kennis. Een contact met een imposant netwerk zou immers evengoed kunnen doorverwijzen en zo toegang bieden tot andere relazen, waar bijlages het ideale podium voor kunnen zijn.
Afgelopen weekend besteedde De Standaard Weekblad Magazine (62 bladzijden) op diverse wijzen aandacht aan de moord op Floyd. Eerst vergeleek Vicky Vanhoutte in haar beeldrubriek twee foto’s (2 blz), waarbij de respectievelijk gefotografeerde Obama en Trump onoverbrugbare werelden vertegenwoordigden. Daarna was er een commentaar annex terugblik op de afgelopen week door Kasper Goethals (2 blz). In zijn beeld- en kunstrubriek vergeleek Bernard Dewulf een foto van de moord op Floyd met schilderij van Kerry James Marshall (2 blz). Een door secundaire literatuur en interviewcitaten gevoede beschouwing over methodes die tot veranderingen moeten kunnen leiden, gaf Filip Rogiers (4 blz).
Al deze teksten hadden gemeen dat ze geen enkele zwarte Amerikaan aan het woord lieten en uit eigen land slechts één autoriteit tussen vele witte grootheden. Deze vaststelling bleef ongewijzigd na het laatste artikel in De Standaard Weekblad Magazine dat poogde te duiden wat er trans-Atlantisch speelt. Het betrof een interview (4 blz) met Filip Joos, die voetbal becommentarieert op televisie en in een Standaard-column en die in de intro ook werd gepresenteerd als vader van twee Ethiopische adoptiekinderen.
Toch vertelt Joos eerst 1250 woorden innemend over wat hij dagelijks allemaal in coronatijd doet en wat de bijna overal nog stilliggende voetbalcompetities betekenen als opdrogende bron voor zijn column. Ook bekent hij geen fanate volger te zijn van het wereldnieuws. Wel heeft hij Hillary Mantel gelezen en gaat graag naar de bioscoop. Dan stuurt journalist Steven de Foer het gesprek met zijn collega naturel bij:

Joos’ zoontje Jude komt iets vragen – net terug van een rondje op de skeelers, een sympathiek en spontaan kind van tien. Jude en zijn jongere zusje Zola zijn allebei Ethiopisch van geboorte, en geadopteerd. ‘Na het WK in Zuid-Afrika vloog ik rechtstreeks naar Ethiopië voor Jude, na het WK in Brazilië om Zola op te halen. Rusland was het eerste WK in lange tijd dat we geen kind geadopteerd hebben. (lacht)’

woensdag 3 juni 2020

Het geringste teken





Ewald Engelen vindt ‘huidhonger’ het mooiste woord dat de semi-lockdown heeft voortgebracht, tot nog toe. Hier snap ik helemaal niets van. Niet eens zozeer uit luxe, omdat ik zelf wat dat betreft geen klagen heb, omringd annex ‘geprivilegieerd’ als ik ben door een Drievuldigheid van knuffelexperts.
Nee, het is omdat ik in het woord werkelijk niets ontdek dat klopt. Het klinkt zo poëtisch.
Maar allereerst wordt het bedorven door een alliteratie. Hier straalt zij iets even kitscherigs uit als dat ‘hersenhozen’ – naar verluidt bij anti-verengelingsactivisten een alternatief voor brainstormen – vreugdeloos is.
Vervolgens dunkt me het tweede deel van het woord misplaatst, omdat er in de grote boze wereld nog een andere werkelijkheid bestaat: honger die levensbedreigend is.
Maar ja, ik heb de semi-lockdown dan ook benut om eindelijk De menselijke soort van Antelme te lezen. Vijf dagen nadat hij van de nazi’s één sneetje brood bij een waterige soep heeft gekregen: ‘De honger is waakzaam als een vlam die dag en nacht in het lichaam blijft branden. Ze beluistert de stilte, loert op het geringste teken.’
Daarna verklaarde Eva Meijer dat huidhonger vooral ‘hogeropgeleiden met tijd over lijkt te treffen’. Ik heb geen flauw idee of dat zo is, maar weet wel dat haar vermoeden precies hét object benoemt van menige, niet geheel onterechte Engelen-kritiek.
Elk zijn noden en plezier, dus wat zou een waardiger synoniem zijn van ‘huidhonger’? In Vlaanderen repte een taalspecialist al van ‘crashen’ in iemands armen. Dat klinkt dodelijk, niet het minst voor de taal.
Het laatste woord dan maar terug aan Ewald Engelen: ‘Ik verwelk in een samenleving die eruitziet als een melaatsenkamp waarin ieder lid een digitale ratel bij zich hoort te dragen’. Daar heeft hij volgens mij een punt. Het blijft jammer van wat hij als het tegendeel opvoerde. Inclusief aanhalingstekens.

maandag 25 mei 2020

Bobwording





Zoals ik pas laat kennismaakte met het programma De Wereld Draait Door, zo realiseer ik me nu dat presentator Matthijs van Nieuwkerk ook schrijver is. Dat hij kon praten op een snelheid die weinigen is gegeven, heeft waarschijnlijk een ander feit verdrongen dat dan zogezegd latent in mij aanwezig was. Toen ik mijn eerste stapjes zette in de cultuurbranche werkte Van Nieuwkerk al bij Het Parool. Hij moet veel hebben geschreven, maar pas afgelopen weekend ontdekte ik, doorklikkenderwijs, een artikel van zijn hand.
Ik moet mezelf in het ootje hebben genomen, want in een uitgebreid recent essay citeerde ik Van Nieuwkerk in een noot. Hij loofde een boek van Ernst-Jan Pfauth in zulke fanatieke bewoordingen, dat ik ze voor spreektaal had gehouden. Inmiddels denk ik dat daar een schrijfstijl werkzaam was waarvoor het predicaat ‘staccato’ zal dienen. Dat doet niets af aan Van Nieuwkerks loftuitingen die Nederland voor bepaalde cultuur wist te ‘verbinden’. In België maakt men zich geliefder door de kont tegen de krib te gooien en bijvoorbeeld te stellen dat het land gesplitst moet.
In het artikel betoont Van Nieuwkerk zich ditmaal enthousiast over Bob Dylan. Het staccato schuilt al in een formaliteitje dat in de Lage Landen epidemische vormen heeft aangenomen maar ooit lijkt te zijn aangericht door W.F. Hermans: de alinea van één zin. Aan die hebbelijkheid sleutelde met name Komrij, door zo’n zin te demonteren en eerst de persoonsvorm weg te halen en daarna meer. Vooral columnistiek verstrekt hiervan inmiddels vele proeven.
Zo dus.
Van Nieuwkerks tekst bestaat uit veertien alinea’s. Daarvan bestaan er maar liefst zes uit één zin, en daarvan luidt de kortste: ‘Fijn.’ Dat woord karakteriseert meteen de auteur, want geeft een positief waardeoordeel. Hier reageert hij er goedmoedig mee op een Nederlandse vrouw die hem in Parijs aanspreekt over Dylan en allerlei onnozele details over de zanger begint op te dissen. Eventueel als privacyschending op te vatten bemoeienis valt weg tegen een gedeelde passie.
Voor zover ik De Wereld Draait Door heb gezien, presenteerde Van Nieuwkerk zich tijdens interviews minstens zo vaak als fan voor wie privacy geen punt was. Niet uit onbeleefdheid, maar uit beleving – omdat er hogere krachten speelden waar zelfs dierbaren geen vat op hadden. Hij vertelt in het artikel nu bijvoorbeeld dat zijn vrouw woest werd toen hij in Londen ineens Charlie Watts zag en deze ‘een hand wilde geven en hartelijk wilde bedanken voor alles’.
Over zijn verslindende passie voor Dylan laat Van Nieuwkerk van acquit af geen misverstand bestaan:

Parijs, 11 april 2019. Boulevard Poissonnière. De zon scheen best. Het was rond vijf uur ’s middags en ik wachtte op Bob. Op een stoeltje voor de Starbucks. Verderop stond een zwarte bus geparkeerd. En in die bus zat Bob. Bob Dylan. En Bob kon er ieder moment uitkomen. Zo was me verzekerd. Dit was al zeker anderhalf uur geleden.
Ik was erbij gaan zitten.

Deze tweede alinea geeft op ironische wijze weer dat zelfs de grootste fan in een wolk wereldse hulp kan gebruiken. Tevoren heeft Van Nieuwkerk de journalistieke w’s bijna effen beantwoord. De clou over Bob die Dylan blijkt, stelt hij eerst uit en lost hij dan in terwijl hij er daarna dus evengoed een aparte alinea voor had kunnen reserveren. Kennelijk kan Van Nieuwkerk zijn enthousiasme niet meer beteugelen én geeft hij te kennen dat de legendarische zanger hem volstrekt vertrouwd is.
Feitelijk is dat opmerkenswaard, want hij is geboren in 1960 (en behoort tot dezelfde generatie als ik) en is dus niet met de muziek van Dylan opgegroeid. Pas achteraf, toen de zanger bijvoorbeeld al lang en breed in zijn betwiste elektrische periode zat, heeft Van Nieuwkerk liedjes van deze babyboomer en andere grootheden leren kennen. Hij heeft zich zijn bobwording dus eigen moeten maken, terwijl hij pakweg bij Bruce Springsteen, The Eagles of Bob Marley zo kon instappen.
Dit type fanschap heeft wel verregaande gevolgen. Een idool staat normaliter op eenzame hoogte, terwijl Bob tegelijk als intimus wordt ervaren. Vermoedelijk was dit ook een van de vele geheimen van De Wereld Draait Door. Van Nieuwkerk maakte sterren heel erg menselijk en zijn disgenoten veranderden in vriendenkringetjes – die desnoods ongewenste elementen hardhandig verwijderden. In het artikel spreekt hij dan ook van ‘Ome Bob, zoals Martin Bril altijd zei. Martin was verdomme alweer tien jaar dood. Deze toevoeging is in principe irrelevant, maar omdat ze een vriend betreft kan ze in dit universum niet ontbreken.
Heet dit procedé niet Vergroting door Verkleining? Van Nieuwkerk hangt er zijn artikel van ruim 600 woorden ook structureel aan op, door over Dylan niets noemenswaards te vertellen maar hem te belichten vanuit een minieme actie: het uitstappen uit de bus. Dat vermeldde hij in de acquitstoot en vervolgens is de rest suspense op het doel dat hij met passende hoofdletters de Openbaring noemt. Dylan moet daartoe vijftien meter overbruggen om de artiesteningang te bereiken. Dankzij een petit promenade, zoals Van Nieuwkerk dat met een charmant geslachtsabuisje aanduidt.
Charmeren is bij hem de broer van enthousiasmeren. Het publiek moet worden geïnformeerd, zeker, maar door het te bespelen. Het zal toevallig zijn, maar die houding heeft hij gemeen met collega’s als Connie Palmen en Joost Zwagerman met wie hij in de vroegpostmoderne jaren tachtig Nederlands studeerde aan de UvA. Zulke charme moet zich uiteraard eveneens uitstrekken over de stijl. In het artikel vertelt Van Nieuwkerk bijvoorbeeld dat hij vergeefs springt om Dylan te ontwaren, maar dat het hem, gebukt, ‘door een woud van denimbenen’ ten slotte toch lukt. Dan draagt de zanger ‘een belachelijk grote spijkerbroek’.

vrijdag 15 mei 2020

Interkickende



  
Is er in coronatijden wel voldoende aandacht voor spam? Mijn hobby is aanwijzen waar een tekst bekent niet-menselijk te zijn:

Uit ons systeem is gebleken dat de klantgegevens gekoppeld aan dit e-mailadres zich helaas niet voldoen aan de algemene voorwaarden. (…) Na deze datum vind automatisch een verzoek plaats die ook automatisch zal worden geïncasseerd wat €21,95 bedraagt.

Is de laatste zin, bijvoorbeeld door WhatsApp-routine, inmiddels ingewikkeld om te corrigeren? Ik vermoed dat mijn kwalificatie ‘niet-menselijk’ inadequaat is. Ook taal die algoritmisch werd geprogrammeerd voor ontvangers, zal zoiets als een zender hebben.
Tot nog toe valt me de spamoogst tegen. Het gaat onveranderlijk over hypotheekoffertes, terwijl we bevoorrecht ons huis blijven afbetalen. Ook bind ik me als een Odysseus aan onze rekstok tegen nette gulle wanhoop van wereldburgers – stervende met een aan schurken toevallende erfenis – die me in gebroken Engels aanbiedingen doen die ik niet zou mogen afslaan.
Zelfs verscheur ik in het diepste geheim, met een in duizend stukjes te lokaliseren hart, foto’s van spontane meisjes die me beter willen leren kennen en die houden van ‘uit eten gaan en bij mooi weer een terrasje doen’.
De coronaspam die me echt trof, viel op de allereerste dag van de lockdown binnen en had de titel Het is belangrijk om na te denken over uw eigen uitvaartwensen. Er was een stemmig brandende kaars bij afgebeeld die de achtergrond wazig maakte. Daaronder een betoog ten gunste van een begrafenisverzekering. De zogeheten disclaimer spelde er eerlijk de nadelen van uit. Mijn overlijden was ‘niet gedekt in geval van:

-Deelname aan gewelddaad, terreur of oorlog met uitzondering van professionele omstandigheden
-Zelfmoord binnen het 1e verzekerde jaar
-Het plegen van misdrijf of misdaad’

In coronatijden is het schimmig wie er een misdrijf begaat door contact met anderen doelbewust te mijden – gesteund door noodwetten. Ik heb nooit het talent gehad om naar de toekomst te kijken maar nu al wil ik, kinderen indachtig, niet weten hoe op draconische maatregelen zal worden teruggekeken.
Gelukkig is er altijd iets wat me terug in de fictie kan trekken. In de film Nebraska onderneemt een verwarde oude man een hele tocht naar een kantoortje waar hij een miljoen dollar meent te krijgen. Wegens een standaardbrief met die belofte, die bewaarheid wordt als het vermelde persoonlijke nummer het winnende zou zijn.
Nebraska was zo prachtig omdat een zoon van die man hielp de tocht te voltooien. Naar de desillusie dus, die voor de duur van de reis een geweldig mooie illusie was. Ook geeft de zoon aan zijn vader na afloop de twee relatief goedkope dingen die deze met het miljoen ogenblikkelijk had willen kopen.

Geweldig aan de coronacrisis dunkt me nieuwe deskundigheid. Zo getuigden al diverse autoriteiten van de Universiteit van Breda – toen ik daar opgroeide heette die de School voor Toerisme.

Hoe vergaat het de champagne-industrie? Iedereen rept voortdurend van ‘bubbels’ en bedoelt daar steeds iets anders mee dan de feestdrank onder beter gesitueerden. Sinds wanneer is dat woord zo prominent in non-alcoholische zin? Het begon op te duiken rond de verkiezing van Trump, die een coladrinker lijkt. Toen duidde het op grote groepen mensen, terwijl ‘bubbels’ nu gezinseenheidjes moeten vertegenwoordigen. Waar de eerste groep zwakte vertoonde in kennisbreedte, ontplooit het gezin een onvermoed taaie kern. Daar drink ik op!

Ik kan me vergissen, maar volgens mij gebruiken sinds de corona-uitbraak communicatiekundigen in hun tekstwerk steeds meer bold. Als hulp aan laaggeletterden?
In een intranetbericht stond boven een instructie van 320 woorden de code TL;DR: ‘too long, didn’t read’. Er was een link bij naar een zogeheten infographic.

maandag 27 april 2020

Verloren gevlogen trekvogels?





Na een welkome voorpublicatie die het openingshoofdstuk bleek, verscheen in februari 2020 Het lag aan mijn opvoeding dat ik geen moeite had om Marokkaanse jongens van Molenbeek te accepteren van schrijver Pol Hoste. Hij baseerde deze roman op ervaringen uit 2003 in de genoemde Brusselse deelgemeente, toen hij er in opdracht van de KVS (Koninklijke Vlaamse Schouwburg) theaterteksten schreef met Belgische jongeren met een Marokkaanse achtergrond.
Sinds november 2015, met de aanslagen in Parijs en een klein halfjaar later in en rond Brussel zelf, is Molenbeek alom berucht en fungeert het als pars pro toto voor een hell hole. Daarbinnen onderging één jongerentype nog een reductie, als zijnde de aanstichters van het onheil, behorend tot ‘de’ islam. Momenteel heeft in Molenbeek 82% van bewoners een migratieachtergrond. Deze deelgemeente zou net zoals de Schilderwijk in Den Haag het failliet van de multiculturele samenleving tekenen.
De tweelandelijke parallel kan evengoed anders worden getrokken. Decennia voordien, toen de genoemde buurten werden bevolkt door zogenaamde autochtonen, vond je er geen dwarsdoorsnee van de bevolking. Welgestelden zaten elders. De buurten waren een toevluchtsoord voor minder gefortuneerden, wier kinderen evenmin een florissante opleiding genoten. Al in Het Belgisch labyrint vertelde Geert van Istendael over een hyperslim Molenbeeks jochie dat in zijn schoolloopbaan nog net niet werd gedwarsboomd door beschaafde Brusselaars, maar wel vernederd.
Dit sociaaleconomische licht werpt Hoste op de deelgemeente waar hij zijn opdracht krijgt, toen resulterend in de theatertekst La vie commence à Molenbeek. Anderhalve decennium later hekelt hij verkeerde investeringen. Niet aan criminaliteitsbestrijding, maar aan onderwijs, huisvesting en gezondheidszorg mag van hem geld gespendeerd. Vanuit scheve kansen heeft Hoste ook ethische bedenkingen bij de wettelijkheid van straffen aan Molenbekers, die zelf legaal zouden zijn beroofd van lonkende vooruitzichten.
Het lag aan mijn opvoeding kiest evenmin de zijde van welzijnswerkers die ter plekke proberen goed te doen. Misschien staat hun discours Hoste niet aan, misschien hun inkapseling in maatschappelijke krachten waardoor ze even verlamd raken als ambtenaren die, zoals de roman meewarig beschrijft, absurde voorwaarden trachten toe te passen op aanvragen van een werkloosheidsuitkering.
Maar hoe lees ik nu? Ik doe aan classificatie door te reppen van een roman en leg die vervolgens onbekommerd op de werkelijkheid, terwijl de peritekst van Het lag aan mijn opvoeding geen genre geeft. Het enige verraad aan een opgelegde leeswijze komt onvermijdelijk van de NUR-code, hier 694, die blijkt te verwijzen naar ‘cultuur- en mentaliteitsgeschiedenis’. Ook stel ik de ik-verteller doodleuk gelijk aan de auteur. Zo vergaat het mij steevast bij dit oeuvre dat één grote figuur schept over wie ik me niet slaag uit te laten met gebruikmaking van comfortabele aanhalingstekens. Anders ligt dat bij de objecten van diens beweringen.
Tot op zekere hoogte identificeert Hoste zich met ‘zijn’ Belgisch-Marokkaanse jongens (aan het eind ontdekt hij niet te hebben samengewerkt met meisjes). Afkomstig uit de provinciestad Lokeren in het Waasland verhuist hij in de jaren zestig voor zijn studie naar Gent, waar dik tweehonderdduizend meer mensen wonen. Aan inburgering, een concept dat in deze roman als zijnde bruut assimilerend ter discussie staat, levert Hoste zich niet over. Veeleer waant hij zich ‘een vreemdeling in de vooruitstrevende en toekomstgerichte open stad Gent’. Identificatie grijpt bij hem ook plaats met ‘foute’ oorlogsvrijwilligers in de Eerste en de Tweede Wereldoorlog, en met Syriëstrijders.
De onvervaard kritische blik van de ‘Waaslandse vreemdeling’ bevordert evenmin zijn artistieke inburgering. Aan de zijlijn blijft ook de literaire schrijver Hoste. Hij bestaat volgens Het lag aan mijn opvoeding zonder werkbeurs van het dienstdoende fonds dat daartoe geen motivatie weet te geven, schetst het boek droog, terwijl zijn personage Karima op soortgelijke wijze constateert: ‘We worden gezien als iets uit het Noord-Afrikaanse verleden dat hier overleeft. Verloren gevlogen trekvogels?’ Aldus gaat dit boek over wat er zoal gebeurt wanneer mensen, met welke achtergrond dan ook, aan hun lot worden overgelaten.
Natuurlijk heeft Hoste de hoofdmoot van zijn boek gewijd aan Belgisch-Marokkaanse jongeren, die hun eigen stem van hem krijgen. Vermoedelijk lezen we niet de theatertekst La vie commence à Molenbeek, maar het voor- en na stadium ervan, het werkmateriaal plus overwegingen achteraf bij het schrijven, in onbewerkte taal. Bijna integraal worden we geconfronteerd met gesprekken die geen zelfcensuur toepassen. Wie een roman leest omwille van een plot, zal hier aan het verkeerde adres zijn. Wel dist Hoste energiek anekdotes op, door alles ‘recente gebeurtenissen’ te noemen zoals filosofen over ‘grote verhalen’ spreken.
Het is inzichtelijk te begrijpen wat ‘recent’ heeft ingehouden in de biotoop van de theateropdracht. Het KVS-project kaderde in een koerswijziging. Daar was in 2001 als artistiek leider Jan Goossens aangetreden, die het accent onder meer verlegde naar een ‘stedelijke werking’. Twee jaar eerder was de schouwburg onder Franz Marijnen verhuisd naar de Bottelarij in Molenbeek, van waaruit Hoste met zijn Belgisch-Marokkaanse jongens opereert. Zelf zeggen zij tegen hem: ‘Daarvoor hoefde men ons niet eens de toegang te verbieden. Er werd avant-garde theater gebracht voor net geklede dames en heren die hun dure auto’s in de straten van Molenbeek parkeerden. We staken de banden door, braken de spiegels af, sloegen de lichten stuk, gingen er met de autoradio’s vandoor.’
Voor Hostes oeuvre is zo’n observatie consequent. Reeds zijn debuut De veranderingen (1979) stelt lucide dat in openbare bibliotheken tijdschriften te vinden zijn met artikelen over de drempelvrees van arbeiderskinderen voor openbare bibliotheken. Dat leidt daar onder meer tot de conclusie dat boeken worden geschreven voor wie boeken schrijft. Ten tijde van de Molenbeek-opdracht zit de KVS vlak voor een verhuizing in 2004 naar de Arduinkaai, toen een paar panden vanaf dagblad De Morgen. Op 20 maart van dat jaar, vertelt een voetnoot in Het lag aan mijn opvoeding, viel de Verenigde Staten, gesteund door Engeland, manu militari Irak binnen. Aan hun bombardementen, gaat de noot verder, deed België mee. Als lid van een internationale vrijheidscoalitie.
Naar goede hostiaanse gewoonte herbergt Het lag aan mijn opvoeding tevens andere talen dan het Nederlands. Er zijn hele lappen Frans, een voertaal immers in Molenbeek, en soms Engels. Cynisch is de vraag van de jongens aan de auteur om alles op te schrijven wat ze zeggen, want de politie doet dat ook altijd. Existentiële dialogen dus, volgens de facilitator:

‘Iedereen kent je als degene die je bent. Niet zoals je voor jezelf bent, dat weet ik wel, maar als diegene die je voor hen bent. Misschien ben je zelfs voor iedereen iemand anders. Dat zou ook nog kunnen. Maar je bent altijd wel zoals je spreekt.’

Een krachtige passage. Het feit dat identiteiten geconstrueerd zijn, redeneerde socioloog Nathalie Heinich, maakt ze niet gelijk aan verzinsels, rijp voor de prullenbak. Hoste durft het aan voorbij die reflex te raken. Hij laat zowel overeenkomsten als verschillen klinken. Tegelijk zetten door hem getransponeerde stemmen redenaties en legitimaties op. Zijn het dan nog dialogen op basis van uitwisseling? Hoe dan ook argumenteren de personages uit Molenbeek, en dat is mijn belangrijkste motief om toch van een roman te spreken, erg hostiaans – zo pertinent en hardnekkig logisch dat ze een komisch effect sorteren bij tragische omstandigheden. Dat deze jongeren gehard lijken door het leven, doet niets af aan hun beroerde lot. En laat hen niet wezenlijk afwijken van hun gelegenheidsreporter.
Niet voor het eerst in zijn oeuvre vertelt Hoste over zijn eigen jeugd, als zoon van afgrondelijk onverschillige communistische ouders. Hij meldt dat het leger hem wel interessant vond omdat hij ‘karaktersterkte’ zou moeten bezitten, gekneed in hiërarchie en gehoorzaamheid. Gelukkig was Hoste, als bekend uit eerdere boeken, ook een kleinzoon van een liefdevolle selfmade vrouw, onwankelbaar onder beproevingen, wier naam Paula Saey blijkt en die door de buitenwereld Leineken genoemd werd. Wat deze grootmoeder bij wijze van herstelwerk expliciet ‘humanistisch’ betekende voor haar Pol, tracht de schrijver te zijn voor Belgisch-Marokkaanse jongens.
Hostes identificatie met hen heeft iets ironisch, omdat hij, geboren in 1947, hoort tot een generatie die, uitgezonderd nu tijdens de coronacrisis, door de tijd juist begunstigd is geweest. Zo beschrijft Het lag aan mijn opvoeding babyboomers ook, geëngageerd en gezond – én verwend tot en met verblijf op het authentieke Franse platteland, na jarenlang te zijn aangehoord in therapie. Toch is het contact met buitenbubbelse mensen voor deze generatie niet helemaal vreemd. Boekenutopisten onder hen gingen ‘de fabriek’ in om ‘de arbeiders’ te bekeren tot bewustwording. Hoste evoceert dat in zijn debuut De veranderingen met hoofdfiguur Achternet als ‘links revisionistisch kleinburgerlijk intellectueel’. Wie beïnvloedde uiteindelijk wie, voor zover standpunten permeabel waren? Ook in Hostes recentste boek zijn de machtsverhoudingen, ditmaal tussen ogenschijnlijk bevoorrechte autochtonen en achtergestelde allochtonen, niet eenduidig.
Vooral is de identificatie met gelovig opgevoede Molenbekers ironisch omdat Hoste vanuit zijn openlijk politieke afkomst onbekend is met godsdienst. Er zijn kennelijk hogere banden, die Het lag aan mijn opvoeding – hoe bitter kan een titel zijn! – meteen benoemt: ‘Eenzaamheid symboliseerde onze onuitgesproken solidariteit en oversteeg hun traditionele islamisme en mijn spirituele atheïsme’. Dezelfde ideologische afkomst is er de reden voor geweest dat, stelt het boek, Hoste ondanks zijn wetenschappelijke kwalificaties werd geweigerd voor banen in het onderwijs.
De communistische bloedband lijkt ook aan de basis te liggen van een Gladio-relaas in de roman, waarbij de auteur zou zijn geschaduwd. Op mij in een studeerkamer komt het enigszins paranoïde over, maar tenminste is er thematisch een verband met ‘preventief’ als terrorist opgepakte Belgisch-Marokkanen in Verviers, Charleroi, Vilvoorde, Antwerpen en in Molenbeek zelf. In Het lag aan mijn opvoeding wordt de Hoste-figuur ook opvallend vaak door de politie verzocht zijn identiteitsbewijs te tonen. Impliceert dit mede dat hij in de ogen van de buitenwereld minder een klassiek literair auteur geworden is dan een strijder?

donderdag 16 april 2020

Petofilologie






In coronatijd verscheen Grondtonen. Als muzikanten schrijvers worden. Deze bundel onder redactie van Francis Mus bevat maar liefst dertig artikelen over literatuur bij zangvogels met een divers pluimage.
Ik schreef een stuk over de taal van Herman Brood, met de nadruk op zijn complexe Nederlands. Na verschijning stuitte ik, zoals dat gaat, op informatie die ik beter had vermeld. Ditmaal is de aanleiding Broods antiautoritaire imperatief uit 1979: ‘Maak van jouw scheet een donderslag’. Daar valt sowieso meer over te zeggen dan ik me in het bestek van een artikel kon permitteren.
In Nederland was het levensadvies misschien niet helemaal, zoals dat heet, viraal gegaan, maar het was minstens een standaarduitdrukking geworden. Historisch bekrachtigde het een decennium waarin men eindelijk zichzelf mocht zijn, bevrijd van sociale codes en al dan niet metafysische beloningen voor een toekomst. Iedereen gelijk. In de kindertelevisie De stratemakeropzeeshow, bekend van het ‘Poep- en piesmenuet’ (1972), tetterde uitgerekend de Deftige Dame voortdurend uit haar hol, en vlak voor de jaren tachtig vatte Brood dus samen: ‘Maak van jouw scheet een donderslag / Spaar ze toch niet op voor je ouwe dag’.
Het boek Grondtonen leert dat Brood ook internationaal niet alleen stond. In Frankrijk, het land dat natuurlijk al de lichaamsholtedeskundige auteur Rabelais had voortgebracht, betoonde Serge Gainsbourg zich tezelfdertijd een petomanoloog van allure. Hij had diverse scheetliedjes op zijn naam staan toen Gallimard in maart 1980 een roman van hem uitgaf: Evguénie Sokolov. De titelheld, door Gainsbourg later op muziek gezet, is een abstract schilder wiens penseel seismografisch zijn non-stopwinderigheid registreert.
In literatuur bleek Broods adagium winstgevend. Men kon zich er desnoods tegen afzetten, als zijnde achterhaald of narcistisch. Het diende als poëticaal argument in ‘Uitzicht van de allesvrezer’ (1999). In dat gedicht nam Ingmar Heytze wankelmoedig afstand van een rap & poetry-strominkje in de Noord-Nederlandse poëzie, afkomstig van ‘de firma Scheet en Donderslag’.
Broods adagium was zelfs de grens overgestoken en bereikte de roman De vliegende monnik (2004) van Peter Holvoet-Hanssen. Eerst was daar nog sprake van een ‘scheet in een donderfles’, waarin de Vlaamse uitdrukking ‘een scheet in een fles’ doorklinkt, maar vervolgens is er een kat die ‘van een donderslag geen scheet’ maakt, klinkt er in een café te Marseille muziek van Gainsbourg en meldt de slotzin: ‘uiteindelijk was oom Herman lang de slechtste niet’.
Een Google-operatie leert verder dat ook Huisje boompje beest (2017) van Roos Schlikker met het adagium doorrookt werd.
Behalve de liefhebber vindt de schoolmeester in mij het daarom vreemd dat ‘Maak van jouw scheet een donderslag’ ontbreekt in zowel Vic van de Reijts Het land van Maas en Waal. De twintigste eeuw in 400 en enige liedteksten als in Peter van Dyks Watskebeurt, Lage Landen? Een eigenzinnige canon van het Nederlandse lied. Fijne naslagwerken die zich wel bekreunen om ’Als je wint’ waaraan Brood, uit zijn populariteit gevallen, een paar jaar later meedeed.
Ook in coronatijden is het scheetadvies actueel. Omdat het rechtstreeks verband houdt met sociale conditionering, zou het voor een semi-quarantaine zelfs de maatstaf kunnen zijn. Geen nobele, hoger geplaatste onbekenden meer in de nabijheid voor wie men zich fatsoenlijkjes hoeft te gedragen! Hoewel door de geringe mobiliteit in onze nog altijd luxe omstandigheden de CO2-uitstoot drastisch is gedaald, kan het N2-gehalte boven bewoonde gebieden wel eens zijn gestegen.
Aan Brood zal het niet hebben gelegen. Maar is hem historisch ook recht gedaan? Soms dook zijn imperatief op bij derden in combinatie met het slot van het voorafgaande couplet: ‘ik zie alleen de zon zij geen ellende om me heen’ (de spatie tussen ‘zij’ en ‘zon’ kan, afhankelijk van de interpretatie, desgewenst weg). Zo belandde ze in Autobiografie van een polemist (1990) van Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes. Dat duo signaleerde een jaar later in De intocht van Christus in Amsterdam een ‘broedbekkikker’. In De revue (1999) reveleerde Kees ‘t Hart dan weer een ‘breedbek’, terwijl Harry Potter in de vertaling door Wiebe Buddingh’ het dreigement krijgt bij Zwerkbal te worden vervangen door een ‘breedbekkikker’.
Eindelijk was de bron benoemd. Brood had zijn imperatief oorspronkelijk immers geoutsourcet aan de Breedbekkikkers. Hun carnavalsliedje bevat veel meer quasi-rijmende uitroepen waartussen het verband niet steeds duidelijk is:

Hete tranen visservet
Nymfomanen een goudrenet
Pedomanen een frietje met
Pedofielen vroeg naar bed
Melodrama narcotica
Hopeloos in Appelscha
Kop met pukkels aan het gas
Wees de beste van de klas


De laatste regel hult antiautoriteit in een ander jasje, waaraan Brood in 1979 spoedig een apart nummer wijdde: ‘Nooit meer terug naar die rotschool’. Grappig dat zijn Nederlands daar evenmin heel erg verstaanbaar is, zoals zijn allerminst effen uitspraak – dictie heet dat in België, waar het op de muziekschool een vak is – steeds een levendige rol speelt. Ook bleek uit een documentaire dat de frase ‘melodrama narcotica’ Broods vaste repliek was op verwijten van zijn toenmalige muze Dorien van der Valk dat drugs alles in zijn, hun leven kapot maakten.
Weinig in dat nummer is, anders gezegd, helemaal origineel en logisch. Dat was in zijn succesjaren sowieso de werkwijze van Brood, die voor zijn Engelse songteksten een verzameling zinnetjes bij zich droeg, te schikken en herschikken. Wie er de genius van was, bleef duister. Zo breidde hij zijn carrière als kleine crimineel doodgemoedereerd uit naar kunst.
Toch vond ik het afgelopen week sensationeel om door een vreemd toeval te horen dat de scheet al in 1975 was veranderd in een donderslag. In het folkliedje ‘De potsenmaker’, van een andere Herman, wiens achternaam spiegelbeeldig Erbé luidt.

vrijdag 10 april 2020

‘Gedijsd en verschanst’




  
Coronatijden verleiden meer dan ooit om alles schaamteloos op zichzelf te betrekken, maar het kan niet ontkend: in zijn boek Kosmopolitisme (2006) schrijft Kwame Anthony Appiah onder meer over besmetting. Het gaat dan over de angst van nationalisten en cultuurbeschermers ziek te worden van imperialisme à la Hollywood. Leuk vind ik dat de Ghanese filosoof dit besmettingstype toelicht aan de hand van reacties op de televisieserie Dallas (1978-1991), die een veeleer klonterige dan gladde saus uitgoten. Zo’n beetje elke gemeenschap trok een eigen les uit het wel en wee van de Ewingetjes, die onmogelijk dezelfde kon zijn als die ‘de heersende elite van het multinationale kapitalisme voor ogen stond’.
Aldus zijn consumenten geen slachtoffers die louter slikken. Dat idee getuigt van een homogenisering die cultuurbeschermers nota bene aanklagen. Er gaat ook een vertekend beeld over het verleden aan vooraf, waarbij Kosmopolitisme refereert aan de klassieke komedieschrijver Terentius die tot ‘de’ westerse canon wordt gerekend maar die een als slaaf geboren Afrikaan was. Culturele zuiverheid is een oxymoron, beweert Appiah. Zelfs McDonald’s, Levi’s en Cola hebben voor gebruikers regionaal hun eigen betekenissen.
Vrij in het begin van zijn boek spreekt Appiah letterlijk van virussen. Volgens het Assante-geloof in Ghana bestaan die niet, maar word je ziek van hekserij, op deskundig advies te bestrijden door een offer (het slachten van een schaap) dat op zichzelf los staat van de kwaal maar dat genezing lijkt te garanderen. Tegenover zo’n waarheid stelt iemand uit Manhattan, zegt Appiah, een verhaal over virussen en bacteriën. Maar omdat die niet altijd zijn te identificeren, heeft een bezoek aan een dokter geen invloed op het ziekteverloop. En wordt er evengoed beroep gedaan op een autoriteit, de medische wetenschap met haar onderzoeken, falsificaties en theorieën die onnavolgbaar complex zijn voor een leek – een variant van hekserij.
Dit zou het idee ondersteunen dat er, anders dan de twijfel die er ik recent nog over uitte, zoiets als ‘narratief’ bestaat, waaronder groepen mensen zich al herkennend scharen. De kloterij is alleen dat mijn twijfels louter zijn gegroeid door een ander boek dat ik inmiddels in semi-quarantaine gelezen  heb: Die Ausgewanderten van W.G. Sebald. Nu ja, de luilak in mij pakte ook hiervan de Nederlandse vertaling, wat alvast gevolgen heeft voor het personage Peter Eder dat in het origineel Max Aurach heet (en is gebaseerd op schilder Frank Auerbach).
Vanuit het vliegtuig, dat hem vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog van Duitsland naar Engeland brengt, ziet hij ‘rechte Vlaamse wegen’. Natuurlijk spreekt in laatste instantie Sebald zelf, die dit leven reconstrueert en dat, net als bij andere emigranten in deze verhalenbundel, zo nauwgezet doet dat singulariteit maatgevend raakt. Door Die Ausgewanderten wordt elk mens een eiland, met een eenpersoonsnarratief.
Of zit ik nu mijn eigen opvattingen dicht te lezen? Zelf bekent Sebald ten slotte geplaagd te worden door ‘scrupulantisme’, dat hem deed twijfelen over zijn reconstructie van dit leven, én over schrijven in het algemeen – had hij ook in de definitieve versie geen ‘mislukt stukwerk’ geproduceerd?
Ik denk dus van niet, mede omdat ik ongeveer tegelijk met dit boek de film Eight Days a Week tot me nam, een collage van becommentarieerde beeldfragmenten over The Beatles tussen 1962 en hun laatste concert op 29 augustus 1966, toen deze formatie moest erkennen dat ze niet meer buiten kon komen. De film bewijst dat werkelijk de hele wereld in de ban was van The Beatles, met hun ook bij herluistering verbijsterende liedjes. In Die Ausgewanderten kruist Aurach/Eder het leven van Sebald, wanneer deze in Manchester arriveert in de herfst van 1966. Er is geen, maar dan ook geen enkele echo van The Beatles bij beiden.
Hoe is dat in godsnaam mogelijk? Het ís blijkbaar mogelijk. Eens temeer zijn herhaalde beweringen over ‘verbinden’ in coronatijden wensen, vaders van de gedachte. Mijn idee over het failliet van het narratief baseerde ik op inleesarbeid voor de studie De ware marsrichting, toen de zogeheten inclusitie nog niet de woke-anklang had die ze heden vindt, maar waarin mensen al wel meningen plengden zonder interesse voor, laat staan kennisname van andere inzichten. Een bijkomende conclusie had ik echter niet vermeld: dat ook in de opiniebranche in overweldigende meerderheid mannen achter de knoppen zitten.
Het zou me niet verbazen dat bij de coronacrisis dezelfde geslachtsverdeling heerst. Kort na de lockdown in België merkte Natacha Waldmann op dat de autoriteiten die in media aan het woord kwamen eenzijdig meneerlijk waren. Na die expertenronde, gepaard met psychologische duiding van de nieuwe gezichten, keerden de vertrouwde cultuurindustriële personages druppelsgewijs terug op het scherm.
Ik krijg niet de indruk dat de literaire wereld zich aan die procedure onttrekt. De pikorde lijkt veeleer verhevigd. Inmiddels ontvangt ook België exclusieve berichten van het coronafront door Ilja Leonard Pfeijffer en Arnon Grunberg. Eerder waren goedesmaakverhoudingen terug in de reflex geplooid: het plan bij BN’ers een coronaliedje op te nemen veroorzaakte een kwaliteitsbombardement op Twitter.
Lekker puh, mijn mening is meninger dan de jouwe.
Zou het verenigingsleven op Facebook even geanimeerd zijn door het narratief van een passpiegel te tonen? Of had Onze Lieve Heer domweg niet goed gegeten toen hij de man schiep?
Door niet-beleidsmakers worden zelfs al toekomstscenario’s ontworpen. Vanuit de gekende kritiek op ‘het’ neoliberalisme ontpopte filosoof Lieven De Cauter, toch heus geen kleine jongen, zich met een postcoronamanifest als privépersoon vol eerste indrukken, inclusief een sneer naar ‘de ecobobo’s’ omdat ze zich ‘gedijsd en verschanst’ zouden houden. Met dit citaat sneer ik machistisch terug, toch nog verrast door mijn irritatie dat zelfs in verplichte rust een hoogopgeleid mens en zijn echoput geen elementaire zorgvuldigheid willen nastreven.
Ook nu blijkt het ondoenlijk een eigen heden te leven. Dat begreep ik evenzeer uit commentaren op het overlijden van Bill Withers, de stem van de jaren zeventig die chronologisch tussen The Beatles en Dallas te plaatsen valt. Nog altijd viel een lichte verbijstering te lezen dat iemand vrijwillig succes en aandacht opgaf. Withers was immers voortijdig gestopt met zingen, uit wrevel tegen eisen van platenmaatschappij en publiek. Een documentaire onderstreepte dat hij van begin af moest omgaan met wat hij blacksperts noemde, witte meneren die verstand meenden te hebben van zwart en hem aanrieden ‘In the ghetto’ te coveren.
Withers’ argumenten: oprechtheid staat voorop, geen schuldgevoel of ongemak, laat staan wat hij betitelde als een crisis of confidence. De breuken die hij zelf in zijn leven ontwaarde wegens afwijking van het geloofwaardigheidspad, vielen achteraf goed te plaatsen. Het was genoeg geweest, heet zoiets in bepaalde teksten. Of bij Hölderlin: ‘Satt gehn heim von Freuden des Tags zu ruhen die Menschen’, een regel die suspense opbouwt ten gunste van het kleinste en belangrijkste.
Withers was nog helemaal Withers toen hij als pensionado improviseerde met zijn dochter; op de recentste mij bekende song met zijn stem (een zalige Glasper-bewerking) klonk hij relaxed, tevreden. Hij zou waarschijnlijk nog wel gedijen in een quarantaine.
Voor mij kwam Withers dicht bij de losse definitie die Kwame Anthony Appiah van kosmopolitisme gaf, universaliteit plus verschillen. Zoiets betekent dat iemand normen en waarden ziet die voor velen dan wel algemeen geldig zijn, maar dat hij beseft dat ze niet door iedereen worden gehuldigd en dat die kloof niet valt te overbruggen. Toch leidt dat niet vanzelfsprekend tot verlamming. Appiah vindt het belangrijker om met elkaar te praten dan om te rangschikken wat men zoal niet deelt. In contact treden is leerzaam en beloont nieuwsgierigheid waarmee we op de been blijven.
Maar ja, ik ben slechts een lezer die troost ervoer toen Appiahs boek recent opdook in een mooie column van Clarice Gargard, over verbondenheid met onbekenden. In Kosmopolitisme staat daar een frappant voorbeeld van, naar aanleiding van wat er met in koloniale tijden geroofde kunst moet gebeuren. Appiah ziet uiteindelijk een mogelijkheid die, zoals hij dat zegt, niet zozeer via identiteit loopt als wel ondanks verschillen. Een kunstwerk is niet per definitie ‘van ons’ uit één land, het is ook ‘kunst van iedereen’. Niet in elke homo sapiens zitten de ambachtelijkheid en de verbeelding om het te scheppen, maar is er minstens het potentieel. Daarmee schept zo’n kunstwerk behalve een plaatselijke identiteit, en het staat er prettig pathetisch, een band met de mensheid.

maandag 30 maart 2020

‘Dring verder door, mijn geest!’




Net als Anne Frank is er een auteur in de collectieve herinnering geraakt die niet direct van plan was aan bellettrie te doen maar ooggetuige werd en bijzondere omstandigheden vastlegde. Gerrit de Veer was aan het eind van de zestiende eeuw mee op een pretentieuze Nederlandse handelsmissie om naar China te varen langs het onbekende hoge Noorden.
Het schip kwam klem te zitten in het ijs en de bemanning besloot ter plekke te overwinteren. Op de ambachtelijkste wijze fabriceerde ze een noodwoning, die Het Behouden Huys is gedoopt. Het was opgetrokken uit – als een geschenk van God aanvaard – drijfhout, en dichtgesmeerd met pek en geïsoleerd met zeil. Tijdens de bouw stierf uitgerekend de scheepstimmerman, uit Purmerend. Bij de resterende arbeid waakte men ervoor spijkers routineus in de mond te steken, want ze vroren meteen vast aan de lippen. Lostrekken op straffe van vlees- en bloedverlies.
En zo woonden voor een onbepaalde duur, die zo’n halfjaar bleek te beslaan, op het respectabele oppervlak van ongeveer zestig vierkante meter twee leidinggevenden (Barentsz en Van Heemskerck) en veertien vrijgezellen. Kuchschermen waren afwezig. De overwinteraars werden niet bedreigd door zoiets onvatbaars als een virus, maar door kou en honger. Om dit duo te bestrijden moesten ze naar buiten, geen evidentie omdat de wind zo snijdend kon zijn dat het verstikkingsgevaar immens was en omdat er ijsberen rondwaarden die ook wel een hapje lustten.
Niet zozeer kreeg het zogeheten jagersinstinct in de mannen een belletje, feitelijk werden ze naar buiten gejaagd. Zeker wanneer binnenin de ijslagen te duimendik werden was er domweg stookhout nodig. En dan nog hielp vuur niet altijd om zich te verwarmen (het schoenleer ontdooide niet meer van de voeten, De Veer heeft meer van zulke details). Nog een geluk dat er rond Het Behouden Huys geregeld een poolvos in hun vallen tuinde. Behalve dat het dier carnivoren tevreden stelde, kon zijn huid dienen als bontmuts.
Waarom waan ik me in semi-lockdown nu een hele piet wanneer ik, gewapend met vier fietstassen, boodschappen doe voor mijn gezin?
Die zeelui voerden hun strijd tegen de elementen natuurlijk zonder internet. Behalve ad-hockennis ontbeerden ze dus sociale contacten. Voorwaarde bij de aanmonstering was dat ze geen partner of kinderen hadden. Hun hoop stelden de mannen in God die het recept voor groepsimmuniteit kende. Ook baden ze voor een zomer die Zijn mooiste schepping de zon op het podium zou slepen, zodat ze het schip uit het smeltende ijs zouden kunnen loswrikken.
Vooralsnog was het vat bier meteen kapotgevroren; wat eruit lekte was veel te sterk om te drinken en het ontdooide bier smaakte dan weer naar water. Een wijnvat had meer nut want werd verbouwd tot badkuip waarin de mannen soms konden stoven. Verkwikkend, zeker in combinatie met het laxeermiddel dat de chirurgijn gaf, garandeert Gerrit de Veer. Troost bood soms ook wat fantasie over feestmaaltijden en natuurlijk samenzang.
Zelf bedachten deze lui voor hun stramme gestel oplossingen die nogal op de onze lijken. Ze trachtten de ledematen soepel te houden met wandelen en rennen, maar ook met klootschieten. En eenmaal ontsnapt aan Het Behouden Huys zou tegen scheurbuik een plantje helpen dat lepelblad heet. De Veer vertelt het alsof iedereen die ervaringswetenschap beheerst.
Het was binnen erg donker. Dus hielp het toen de mannen een ijsbeer wisten te vermoorden en het ampele vet uit zijn huid brandstof werd voor hun lampen. Sporadische bezoeken aan het schip, zesduizend passen verderop, maakten hun duidelijk dat beren daar evengoed kwamen, het luik van de kombuis was zelfs opengebroken. Logisch. Uit een buik van een ander omgelegd dier visten mannen restanten van een zeehond, met huid en haar verslonden. Een andere dode beer werd dan weer terstond opgepeuzeld door een soortgenoot.
Mijn vingers reproduceren deze weetjes, terwijl voor het raam, in de erker van mijn studeerkamer, momenteel drie beren hangen.
De honger voelde volgens De Veer aan als een zwaard in de maag. Om dat te af te weren moest er gewerkt, maar daartoe ontbrak wegens voedseltekort de kracht. Goede hoop kon soms wel activiteit verwekken, overactiviteit helaas, want daarna diepere teleurstelling van lichaam en geest dat het schip nog muurvast zat in het ijs.
Dat we dit allemaal weten, komt natuurlijk door een waanzinnige stamina. Om die reden is ook het verslag overgeleverd, waarin Barentsz en Van Heemskerck dé namen blijven. In dat verslag bewerkte Gerrit de Veer zijn aantekeningen nog een beetje, vooral door van de ‘zij’-vorm (bijna altijd) over te stappen naar de ‘wij’. Dat foefje bood de sensatie meer dichtbij te zijn.