Posts tonen met het label literatuurgeschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label literatuurgeschiedenis. Alle posts tonen

maandag 6 juli 2026

Uit de werkplaats (11)

 


 

 

1.

Redigeren is een concentratiekwestie, wat zich door de hitte, in mysterieuze fasen, laat ervaren als een wegdommelen. Zou ik veel van het scherm hebben gemist? De geweldigste tropische verrassing in elk geval niet. Charles Trenet zong toch werkelijk ‘Douce’ en helaas geen ‘Douche France’.

 

2.

Bart Meulemans roman Een distel in bloei, ‘losjes gebaseerd op het leven van schilder Jan Vaerten’, bevat deze gedachte van de Vlaamse kunstenaar: ‘Vluchten is niet vergeten waar het bestaan ons toe veroordeelt, maar het net verhevigd ervaren.’ Begrijpen Nederlanders dit? Dus ‘net’ als bijwoord, in de betekenis van ‘integendeel’ of, duister voor Vlamingen, ‘juist’? Ondubbelzinniger was geweest om dit bijwoord en het voorafgaande lidwoord ‘het’ van plaats te verwisselen. Een distel in bloei verscheen bij een Amsterdamse uitgever, die riskeert dat ‘net’, met evenveel aforistische kracht, door de meerderheid van het potentiële publiek als zelfstandig naamwoord wordt opgevat.

 

3.

De Johan Polakprijs voor ‘de beste bundel van de afgelopen drie jaar’ ging naar een debuut. Wat als ik vervolgens deze Sarah de Koning toets aan ander institutioneel poëziegeweld? Zij stond op de longlist (niet op de shortlist) van de Grote Poëzieprijs en ze stond op de shortlist van de Herman de Coninckprijs. De GPP ging naar Samuel Vriezen die nergens bij de HdC te bekennen was, en de HdC ging naar Sandrine Verstraete die nergens bij de GPP te bekennen was. Achter deze betrekkelijke willekeur zou je de respectievelijke juryleden kunnen zien. Maar de invloed schuilt bij bestuursleden die jury’s benoemen en daarmee de ideologische en politieke marges van de kandidaten bepalen, plus welke netwerken worden geactiveerd.

 

4.

Als routinier, of de oude man die ik ben, lijkt me dat De Koning past in een trend die vorig decennium werd ingezet met Hannah van Binsbergen, en vervolgens Joost Baars en Radna Fabias: prijzen uit het niet-overheidsgestuurde circuit die naar debuten gaan. Met de suggestie: wij hebben tenminste het lef om ‘kwaliteit’ meteen te bevestigen. Ooit vertelde een jurylid me doodleuk, jaren na dato, dat de essaybundel Bunzing van Daniël Rovers uit 2005, waarvan ik als redacteur alleen maar shit over me heen had gekregen, eigenlijk de Greshoffprijs zou zijn toegekend maar dat men dat te wezensvreemd vond voor een debuut.

 

5.

Tussen neus en lippen door zegt John McWorther dat sensible lang ‘gevoelig’ heeft betekend, maar nu ‘gezond verstand hebbend’. Een equivalent in het Nederlands? Wakker?

 

6.

Arme Carmien Michels.

donderdag 4 juni 2026

Een hollende inflatie

 


 

 

Alweer een tijd geleden had ik een simultaanlezing. Er was iets aan Als de dieren van Lieselot Mariën waar ik geen vat op kreeg. Wat precies, dat bleek mij uit Het verhaal van mijn schaarste van Marieke Groen. Nu las ik razendsnel Beladen huis. Ik voelde me ongemakkelijk met welk een efficiency ik dat recente boek van Christien Brinkgreve behandelde. Omdat het een bestseller is? Bijna schuldbewust greep ik naar iets wat ik voor een snelle associatie hield maar dat in de titel echoot: het drie decennia oudere Gesloten huis van Nicolaas Matsier.

Al uit de achterflap diende de vergelijking zich aan. Bij Matsier strekt zich een tekst uit van een lengte die nu wat overdreven zou zijn. Vier alinea’s vol lange zinnen, alsof hier een openingshoofdstuk van een beetje roman wordt voorgepubliceerd! De slotalinea zou inmiddels kunnen volstaan voor op een omslag: ‘Gesloten huis is Nicolaas Matsiers eerste, autobiografische, roman. Een ontroerend, geestig en tot nadenken stemmend boek over ouderschap en kindzijn, over waanzin en rouw.’ Daaronder ogen ook de auteursgegevens eindeloos, omdat ze slechts uit titels bestaan, zonder nominatie- of prijsvermeldingen. Ze monden uit in irrelevant geworden poortwachtersinformaties: ‘Fragmenten van Gesloten huis verschenen eerder in het tijdschrift Tirade. Matsier is redacteur van Raster.’

We schrijven 1994, het jaar waarin ik ‘in boekvorm’ debuteerde.

 

Bedriegertje

Bij Brinkgreve weet ik niet of de achterflap de oorspronkelijke uitgeversintenties nog weergeeft. Ik raadpleegde de achtste druk, verschenen na vier maanden. Die geeft geen enkele informatie (meer?) over Beladen huis zelf, alleen een klein citaat uit de eerste pagina. Verder is de flap gevuld met vier loftuitingen van bekende lezers. Van hen houden Lotte Houwink ten Cate en Marli Huijer zich op aan de rand van literatuur. Als publieksacademici, net als de auteur zelf? Haar ondertitel luidt Memoir, zonder lidwoord, en laat zich gevoelsmatig combineren met de omslagafbeelding. Een schilderij door Brinkgreves Amerikaanse generatiegenoot Jim Holland van een nagenoeg lege kamer, met stoel, naar de muur gekeerd fotolijstje en scherpe schaduw door lichtinval: introspectie, geen sensatie. Het boek wordt afgesloten met een lijst secundaire literatuur.

Op Gesloten huis ontbreekt dus elke aanprijzing, terwijl ik toch de zevende druk raadpleegde (na elf maanden). De ondertitel Zelfportret met ouders rijmt met de omslagafbeelding Bedriegertje waarop de zeventiende-eeuwer Samuel van Hoogstraten nauwgezet losse voorwerpen toont. In die dubbele suggestie van kunstgenre plus aanpak ligt een andere, esthetischer ambitie. Brinkgreve en Matsier schelen maar vier jaar. Vanuit een andere levensfase gebruiken ze rouw – om respectievelijk een echtgenoot en ouders – als aanleiding voor een terugblik. Terwijl Gesloten huis daarbij echter unieke gebeurtenissen opvoert aan de hand van details op de locatie, schildert Beladen huis patronen die niet noodzakelijk bij de locatie horen en evengoed voor anderen toegankelijk zijn.

Brinkgreves terughoudendheid is gepast. Na haar twee zonen toont ook zij haar versie van Arend Jan van Voss. Als linkse intellectueel beseft ze tegenover hem een traditionele vrouwenrol te hebben gespeeld, die wat hem betreft nog dienender had mogen zijn. Zo is het boek ook het verslag van een ontluistering, ziet ze nu pas hoe inschikkelijk ze is geweest. Ze ontwaart het drama dat, terwijl zij nog volop en erkend in de wetenschap en publicistiek functioneert, manlief na pensionering zijn culturele topfuncties verliest en geen zinvol alternatief vindt. Ooit klaagde hij er al over, ‘een combinatie van lijden als het aan de gang is en heimwee wanneer het verleden tijd is geworden’.

donderdag 28 mei 2026

De fluogele vlinder

 

 

 

 

Ik ben de eerste lezer! Dat dacht ik met mijn slechte karakter dat af en toe naar de catalogus surfte om te kijken of de bundel al was uitgeleend. Nu verloste ik het uitbundig ontvangen Nachtatlas van deze maagdelijke staat. Het had iets koddigs dat ik aldus een handje toestak aan Peter Verhelst: ‘Voor zijn poëzie kreeg hij onder meer de Jan Campert-prijs, de Paul Snoekprijs, de Ida Gerhardt Poëzieprijs, de Awater Poëzieprijs, de Grote Poëzieprijs en driemaal de Herman de Coninckprijs. Voor zijn gehele oeuvre ontving hij de Constantijn Huygensprijs.’

Superieur aan deze achterflapopsomming is natuurlijk het achteloze ‘onder meer’. Het ademt een literair-historische logica die ik al eens probeerde te duiden. Nu wilde mijn gemoed gewoon rust. Door kennis te nemen, of beter: een gerucht te toetsen dat Verhelst zich in deze bundel bekreunde om apostrofes, een aanspreektechniek waar ik al een zwak voor heb sinds ik dacht van de onnozele promovendus-status af te moeten.

Inderdaad bevat Nachtatlas passages die het gerucht bekrachtigen. In de eerste afdeling mijn liefste ze spreekt zoals stilte heerst een soort gebod, dat ‘Zeg ja’ luidt. Even later klinkt dit een fractie dwingender: ‘Zeg: ja’. Iets later nog korter aan het eind van gedichten: ‘(…): ja’. De derde en laatste afdeling tegen het uitdoven van het licht is bijna helemaal gericht aan een ‘Gij.’ Vóór een schijn van heiligheid ontstaat, meld ik dat achter die aangesprokene uitlopende fenomenen schuilgaan.

Mijn ontspanningstochtje door de bundel, ongeveer spiegelbeeldig opgebouwd, had wel een maffe bijvangst. Uiteraard wist ik niet te ontkomen aan het geïsoleerde begingedicht, noch aan het dito slotgedicht. Ze heten respectievelijk L.S. en Envoi, titels die het apostrofische benadrukken. Maar de dominerende stijl van die gedichten maakt nog een dikke vakterm wakker: de anakoloet. Daar ben ik al gevoelig voor sinds Luceberts ‘maar mij het is blijkbaar is wanhopig (…) in een stem te sterven’.

Wel raakte ik zo, voor de verandering bij het begin beginnend, al tijdens de Verhelst-tocht op een dubbelspoor. In de eerste afdeling eindigt een gedicht al stamelend met ‘het kan toch niet dat we nooit?’. De tweede afdeling wil: ‘We staan op de oever en we.’ Een gedicht later: ‘We denken: we zijn doordrenkt en we.’ Wat te doen? Ik was en ben niet van plan een nagekomen recensie of zoiets te brouwen, maar toch.

Laat ik L.S. minstens integraal citeren:

 

Ik had je willen vragen om één keer,

als was het voor de laatste keer en dan

 

voor eeuwig niets

als zouden wij nooit meer dan nu, nooit eerder

 

heeft er iemand iemand zo gewild,

heeft iemand zo verlangd als was het

 

voor de eerste keer, net voor het niets begint

had ik je één keer willen vragen.

 

In distichons serveert Verhelst één lange, onvoltooide zin. Hetgeen de ik ‘had (…) willen vragen’, een grammaticale constructie die sowieso voorbehoud schept, blijft buiten zicht. De spreker lijkt meer bezig om uit te drukken wat precies gezegd moet en onderbreekt en corrigeert zichzelf steeds. Wel is er de suggestie dat het om iets definitiefs gaat, dus fouten komen niet van pas. En aangezien de titel traditioneel een onbekende lezer groet, brengt dit gedicht tegelijk een poëticaal statement.

Is dit echt nog Verhelst? Ik beken, na de gepolariseerde ontvangst van zijn vroegere werk, delen uit zijn uitdijende oeuvre te hebben gemist. Afgaand op deze acquitstoot rijst de indruk dat hij nieuwe lezers zoekt. Kan werken. Onlangs was ik bij een concert van Paul Simon, waar veel reclame was gemaakt voor diens superdrummer Steve Gadd. Menigeen ging inderdaad door de knieën maar de drums werden verzorgd door Matt Chamberlain die knap ongeveer als Gadd klonk.

Bij Verhelsts L.S. moet ik denken aan Remco Camperts Lamento, voor velen een hoogtepunt in de Nederlandse literatuur waar ik blijkbaar niets van heb begrepen. In dat lange gedicht is muziek, meer in het bijzonder de illusie van jazz, het leidende principe. Verhelst heeft minder woorden nodig, maar de pretentie dunkt me minstens zo groot. Juist omdat L.S. zo bescheiden is en in dezelfde beweging het onzegbare langs de achterkant alsnog meent binnen te halen.

De dichterlijke lat ligt hoog, zoals dat al jaren in het onderwijs heet. Maar de middelen waarvan de spreker zich bedient zijn bekend. Het definitieve dat in ‘niets’ zit – eerst zonder lidwoord, later met – krijgt gezelschap van ‘de laatste keer’ maar met een paradox evengoed van een ‘de eerste keer’. Een professionele stamelaar! Geen wonder dat deze op het slot van Nachtatlas een Envoi aanricht, waar ‘de laatste keer’ technisch mee wordt voltrokken:

 

Als de eerste zon na een lange winter zal ik altijd

in de hoge grassen en de fluogele vlinder en de mezen zal ik

altijd in de kat die zich ontrolt en zich uitrekt zal ik altijd

in je blik over de glinsterende, avondlijke zee zal ik altijd

zal ik wachten tot ook jij en de zee en de nacht zal ik altijd zal ik.

 

Het centrale beeld van de expanderende kat spiegelt voor poëticale lezertjes het gedicht als geheel. Ditmaal zonder witregels en veeleer met herhalingen dan met correcties spint deze zin zich uit. De vele voltooid werkwoorden en komma’s in L.S. zijn vervangen door ‘en’ en door adjectieven die hun beste tijd gehad hebben – de eerste regel lijkt wel te dollen met een cliché. En waar initieel eenmaal ‘eeuwig’ stond, repeteert ‘altijd’ heftig met een toekomende tijd.

Alleen het adjectief ‘fluogele’ ondermijnt de indruk dat dit een gedicht uit de vroege twintigste eeuw is. Toen schreef postuum Paul van Ostaijen het grandioze Melopee dat plots, mogelijk onbedoeld gereanimeerd door Verhelst, nog opener en moderner wordt. Pollekes slotvraag van weleer lijkt juist overbeantwoord. Dit Envoi bevat geen onvoltooide zin. De laatste vijf woorden suggereren al iets nieuws te beginnen.

Probeer het zelf! Of formuleer adequate prompts in AI, die deze toch wat plichtmatige regels moet kunnen benaderen. Beter nog kun je misschien eerst even naar de bibliotheek gaan. De ‘mijne’ heeft een poëziecollectie om u tegen te zeggen. Lezen en leren, dwepen en vloeken, verzamelen en selecteren. En dan beginnen en niet opgeven. En opsteken dat het nooit te laat is om opnieuw opnieuw te beginnen.

woensdag 29 april 2026

Lippen op elkaar

 


 

 

Wanneer deemstert Komrij, in een aanbevelenswaard boek tot leven gewekt door Lotfi El Hamidi, eindelijk weg uit mijn leven? Mijn vorige stukje over ‘de’ polemiek, pro dissensus, werd gerepost op Neerlandistiek, waarna Micha Hamel en Els Stronks, namens ‘de leerlijn polemiek’ van het Utrechtse SchrijfLab, pro consensus, op dezelfde site een elegante weerlegging schreven. Voor een antwoord ben ik zo vrij trouw te blijven aan mijn openbare privépodium.

 

Hamel en Stronks bekrachtigen mijn vermoeden dat het SchrijfLab reserves heeft bij het genre omdat er verruwing is opgetreden in debatten. Vanwege internet uiteraard. Dat relatief prille medium ijken ze aan wat de publieke ruimte ten beste gaf ‘van pakweg het midden van de 18e eeuw tot het jaar 2000’. Daarmee idealiseren ze naar mijn idee de voorstelling die (de onlangs overleden) Jürgen Habermas van deze periode gaf, met als klassieke locatie het koffiehuis.

Aan dat belangwekkende meningsverschil deed namelijk bepaald niet elke burger mee. Het was een vermaak voor midden- en hogere klassen. Geletterdheid gold een impliciete voorwaarde en omdat Hamel en Stronks ook spreken namens de universiteit, meer in het bijzonder namens de opleiding Nederlands, is het zinvol te vermelden dat de beheersing van standaardtaal de minimumvoorwaarde leek voor deelname. Om een ‘eerbaar compromis’ te bereiken?

Daarbuiten heerste ‘het gelijk van de vismarkt’ – dat niets met het fameuze, precieze fileren van ‘de ’ polemiek te maken had maar met een waarheid die ‘ongezouten’ opklonk. Verder was er in kranten, de gereputeerde echokamers van het koffiehuis als debatpodium, ruimte voor de ingezonden brief, om onderdak te bieden aan rare vogels die hun eigen meningenliedje zongen. Een vermaak feitelijk, voor hen die de mores wel machtig waren en als het ware met mes en vork konden debatteren. Deze welopgevoede mensen gebruiken heden misschien overfrequent de termen ‘graag’ en ‘helaas’, en zijn op sociale media allicht gul met duimpjes en likes.

Hamel en Stronks laken de ‘verbale agressie’ die door blijkbaar minder beschaafde mensen op internet wordt geëtaleerd. Het debat wordt daar inderdaad niet per se beter van. Maar doet de montere, zogeheten constructieve toon van AI dat wel? En bovenal, wat moet iemand dan die, zelfs na het volgen van de leerlijn waarin je jezelf luxueus mag inbeelden om boos te zijn, niet de goede manieren heeft waarmee van mening dient te worden verschild? Terwijl die toch een serieus punt heeft? Bijvoorbeeld over een particulier én algemeen onrecht dat, dankzij medemensen die behalve verfijning ook macht hebben, verholpen zou mogen worden?

 

Banvloeken

Door die opleiding Nederlands is het interessant het literaire bedrijf als voorbeeld te nemen van zo’n scheve werkelijkheid. Het ensceneert kwaliteit en enthousiasme (‘passie’) terwijl gestuurde willekeur regeert. Door het gretig ontvangen pionierswerk van FixDit, dat de aandacht vestigt op vrouwen, raken nu ook buitenstaanders ervan overtuigd dat in de schifting van het overaanbod uitsluiten en verzwijgen cruciale routine-instrumenten zijn. In plaats van over talent of kennis beschikken auteurs beter over een netwerk.

Het SchrijfLab is zo verstandig om tegen die deprimerende realiteit niet de zoveelste man op te voeren die zijn verongelijktheid ter zake leegkiepert. Bij ‘de leerlijn polemiek’ fungeert in eerste instantie Sytske van Koeveringe als spiegel. Dat komt tegelijkertijd ook waarachtiger over dan daar Komrij voor van stal te halen. Als man van het centrum had die in principe immers niets te klagen. Het ontbrak hem feitelijk aan een geloofwaardig punt.

Daarom was het voor Komrij ook zo makkelijk om, met een gevraagde frequentie, confrontaties aan te gaan. Tot Teun van Dijk lastig begon te doen kon hij er zelf geen schade mee oplopen terwijl hij reputaties en toekomstperspectieven van collega’s lustig aan flarden schoot. Alsof hij al op sociale media opereerde, vanachter avatars. Ik zou toch menen: geen voorbeeld voor wat Hamel en Stronks in het verlengde van de overwegend brave neerlandistiekpraktijk voorstaan.

Raar vind ik dus dat het SchrijfLab plots gemaakte reclame voor de leerlijn opgehangen heeft aan Komrij als ultrafileerder. De verschijning van zijn biografie, rond de Boekenweek ook nog, gaat gepaard met een polemiekwedstrijd voor jongeren. Alsof onrecht eerst valt te veinzen en daarna te ervaren. De gebakken uien met bonen zijn gedoseerd voor de scheet van de week! Capitulatie aan de markt. Uitgezonderd de polemieken uit de jaren zeventig ontplooiden Komrijs banvloeken-in-opdracht dan ook macht. Misbruik van macht, allicht – of ‘de mens Gerrit’ in het alledaagse leven een schat was, is irrelevant.

 

Wissewasje

Die ontplooiing van macht is geen detail. Evenmin is dat het blijkbaar evidente spreekrecht, verleend ooit door de poortwachters die redacteur heetten en nu rechtstreekser door moderators in een AI-kleedje. Het (populistische) verwijt aan het adres van een ‘elite’ wordt nog net niet uitgelokt! Om het gelijk van de vismarkt te mijden, mag slechts verantwoord aan flarden worden geschoten. En daar is hij dan, de fameuze wereld waarin veel mensen zich niet gehoord weten en dan op sociale media beginnen te schreeuwen, en vervolgens door de tone police worden bekeurd omdat ze de verbinding verbraken. Hier strijdt de ‘parrèsia’ (Foucault) maar weer de oude strijd met het concept vrije meningsuiting.

Ook Hamel en Stronks raden terughoudendheid aan. Onze wereld is te kwetsbaar. Leerlingen bijten beter op hun lippen om geen schade toe te brengen. Dat op zichzelf verstandige advies dunkt me zuur in vergelijking met wat millennials gewend zijn, als waarschijnlijk eerste generatie die in het onderwijs de ‘eigen mening’ moest ventileren. In literatuur zijn ze niet-polemisch uit overtuiging, en zetten dezelfde lippen wijd open om elk wissewasje en trauma in de richting van een lezer te spugen. Mochten ze een goed netwerk hebben, dan haalt dat binnenvocht zelfs de openbaarheid.

In het huidige cultuurklimaat blijft hier ook vraag naar. Sterker nog, ik zie inmiddels oudere auteurs buigen voor deze in se polemische overvaltactiek die klaarblijkelijk wel gepermitteerd is. Normaliter zou ‘de literaire kritiek’ zulke onnavolgbaarheden of trends signaleren, duiden en eventueel van een ‘striemende’ aanklacht voorzien volgens de wetten der polemiek. Maar dat gebeurt dus niet.

zaterdag 18 april 2026

Boos en overspelig

 


 

 

Waar begon het? Er verscheen een betrokken boek van Lotfi El Hamidi, dat met de titel Stakkers en wolven Gerrit Komrijs bashing van ‘de islam’ citeerde, situeerde én bekritiseerde. Diens biograaf Arie Pos opende een meerdelig debat op HP-De Tijd en Neerlandistiek, waarbij laatstgenoemde site, ook via comments, melding maakte van een ‘leerlijn Polemiek’ op het onvolprezen Utrechtse SchrijfLab. Met een heuse wedstrijd voor jongeren, te ontbranden rond de verschijning van Komrijs biografie in de Boekenweek van 2027.

Uiteindelijk legde ik er ook mijn kakje bij. Het leek me toen niet opportuun te vermelden dat iedere bewering een polemisch ingrediënt bevat. Een dooddoener, maar door gewenning en herhaling kan een schijn van neutraliteit ontstaan die je er niet snel afkrabt. Onlangs gebruikte vakbondsman Bert Engelaar een heel boek, Kort door de bocht, om samen met slammer Bekvegter en nog wat vrienden keerzijden van zulke losse quasi-waarheden te tonen, inclusief ideologische herkomst. Wel viel die evengoed te ontwaren in hun eigen weerleggingen; polemiek bereikt niet snel een eindhalte.

Zelf ben ik allergisch voor de term ‘leerlijn’ en tegelijk fascineerde me de omzichtigheid waarmee de polemiek, die in Komrij een ongekroonde koning zou hebben gekend, werd benaderd. Dat had niet eens te maken met de literaire afkeer die voor het genre is ontstaan sinds de millennials. Crucialer was een maatschappelijk fenomeen dat het Utrechtse instituut (die aan de medewerkerslijst de naam Pos toegevoegd had) expliciet in de presentatie betrok: ‘polarisatie’.

Het begrip geldt als antipode van een ander veel gebezigd taalmerkteken: ‘verbinding’. In de vele bespiegelingen die het duo heeft verwekt wordt dan een oorzaak gevonden in sociale media waar men veeleer contact breekt dan verstevigt, maar evenzeer in groeiende ongelijkheid. Polemiek zou hoe dan ook tonen dat expliciete meningsverschillen contraproductief zijn, en een barrière opwerpen tegen ‘verbinding’.

Ten voordele van polarisatie geldt dan weer dat ze ‘de vrije meningsuiting’ zou dienen. In debatten is ook daar een antipode te vinden: ‘intolerantie’. Teruggekoppeld naar de aanleiding van ‘de islam’ zou dan een gevoeligheidje bovenkomen, dat het seculiere Westen na een beschamende traditie van ‘censuur’ zou hebben overwonnen. In de wereld daar weer naast, op TikTok vooral, bestaat rage bait domweg om producten aantrekkelijker te maken voor klanten.

 

Heel precies

Vanwaar de haast intuïtieve afkeer van een meningsverschil dat open ligt? Tot Trump zijn tweede termijn van acquit ging met een spervuur aan decreten, functioneerde ‘het’ westen op basis van consensus. In Nederland heet daar, historisch na de gepolariseerde jaren zeventig, de techniek van het ‘polderen’ mee gemoeid te gaan. Dat is een keuze. Zoals ik zelf altijd, bijvoorbeeld om die ongelijkheid beter te bestrijden, de voorkeur heb gegeven aan dissensus. En al vóór de millennials ondervond dat vele collega’s dit te grimmig achtten.

Grimmigheid lijkt in het polemiekgenre op twee manieren haar beslag te krijgen, waarbij hetzelfde strijdmiddel dienst doet in twee uitvoeringen. Het gaat om een steekwapen. Bij polemieken kan een ‘hakmes’ worden gebruikt of een ‘fileermes’. Bij de eerste variant ziet men ook wel een ‘botte bijl’, wat de geringe appreciatie al verraadt. De echte polemist fileert en doet dat idealiter virtuoos.

Het Schrijflab heeft voor die ambachtelijke activiteit in zijn leerlijn een aparte stap ingeruimd, bij wijze van oefening. Ze schetst eerst risico’s, die berusten op wat ‘snel scoren’ wordt genoemd, naar ik vermoed een leerlingvriendelijke versie van populisme: rumoer aanrichten om het rumoer. Dat gaat ten koste van een medemens. Met dat besef stelt het Schrijflab leerlingen voor een keuze:

 

Stel dat je meer wilt met een polemiek: de lezer geen ophef bieden, maar stof tot nadenken. Dan moet je de tekst van de tegenstander heel serieus nemen. Die heel precies lezen en fileren op gedachten, aannames en argumenten: dus niet alleen op wat er staat, maar ook op waar het vandaan komt dat het er zo staat. Zoals een visboer met een mes een vis fileert en de graten van de vis blootlegt. De basis van een polemiek die stof tot nadenken geeft is dan die precieze lezing van de tekst én de achterliggende motieven van de schrijvers. Hoe je je punt daarna opschrijft, is stap twee. In deze oefening kijk je hoe je fileertechnieken je kunnen helpen bij de eerste stap, en hoe je daarna je punt kunt maken. Met of zonder snel scoren, want scoren is natuurlijk wel scoren als je bezig bent lezers te overtuigen.

De schrijver, dichter en criticus Gerrit Komrij kon als geen ander teksten van anderen fileren.

 

Een curieus betoog, waarin mij de taalversterker ‘heel’ ontroert die blijft waarschuwen. Het is net alsof men vóór de introductie van Komrij al zegt dat het altijd mis kan lopen, zelfs als het goed gaat. Ook wie virtuoos fileert kan verbinding verbreken. Scoren als naast het doel schieten? Intrigerend vond ik elders te begrijpen dat het verbrokenverbindingsresultaat in het bijzonder vrouwen wordt aangerekend als ze harde kritiek leveren op andere vrouwen. Er speelt hier iets mee van solidariteit, dat na aan mijn hart ligt en dat ik in dit verband niet goed snap.

 

Nudistisch

Mij valt verder op dat de getroffen partij niet aan het woord komt. Over slachtoffers en eventuele sympathisanten is eerst door de polemische dader gesproken, en daarna door derden. Dat bleek in België onlangs nog bij de uitvoering van SANCTA, Florintina Holzingers beruchte opera tijdens de uitvoering waarvan toeschouwers onwel waren geworden van het bloed en seksueel geweld. Er traden naakte nonnen in op, ‘een nudistische persiflage van het religieuze leven van zusters’ volgens de Antwerpse bisschop Bonny die bezwaar aantekende namens katholieken. Toch riep hij hen op niet te protesteren, maar hun gekrenktheid om te zetten in paasvieringen.

Een getergde Holzinger meende strijdlustig: ‘what the fuck is wrong with shock?’ Haar voorstelling, die volgens de trailer een prachtige uitwerking gekregen had, kaderde ze zelf in brede westerse onrechtmatigheden. Maar volgens Gwendolyn Rutten was dat het punt niet. De oud-leider van de liberale OpenVld die inmiddels Anders heet, meende dan wel dat de bisschop een katholieke relaps beleefde, maar bovenal dat hij met vermeende lange tenen zijn geloof had laten kapen door extreem-rechts. Ze riep Bonny op tot verdraagzaamheid.

Meer kanttekeningen spoelden aan. Daarbij kwam één type argument mij bekend voor uit de lange geschiedenis van polemieken. Ik noem het deftigjes de substitutietechniek: voor het ter discussie staande object zet je iets anders in dat zijn controverse bewezen heeft. Vaak gaat het om ‘de jood’ of ‘de moslim’. In dit geval waren de blote nonnen dan te vervangen door besneden piemelaars of door blote meneren met ‘arafatsjaals’ en bomvesten.

In het debat zag ik wel geen blote paters voorbijkomen. Mogelijk omdat de SANCTA-regisseur een vrouw is, speelde hier blijkbaar geen seksisme. En waar velen geen begrip hadden voor bisschop Bonny’s protest tegen het hergebruik van christelijke symbolen, lag dat even later anders bij Trumps zoveelste narcistische provocatie, toen hij zichzelf door AI liet afbeelden als door handoplegging helende Jezus.

 

Uithangen

Uit mijn kwalificatie ‘zoveelste narcistische provocatie’ blijkt al dat, voor mij, polemieken niet als één geheel zijn op te vatten. Ik neem Florintina Holzingers shocktherapie veel serieuzer dan Trump. Dat brengt me in het vaarwater van de Utrechtse leerlijn Polemiek. Hoe schuchter en objectief de tien stappen daar ook zijn beschreven, ze tonen bij nagenoeg iedere fase voorbehoud. Wat Trump doet, zou volgens het SchrijfLab vallen onder ‘sarren’. Voor mij ontbreekt de intellectuele en geëngageerde basis die het choqueren door Holzinger wel heeft.

Maar bisschop Bonny’s protest wil ik evenmin opzijschuiven. Enerzijds zal dat uit ergernis zijn over de vanzelfsprekendheid waarmee Rutten religieuze instituties als dusdanig gedateerd beschouwt dat ze beter op de lippen bijten en het spreekrecht ongelimiteerd acht voor breuken met één specifiek geloof dat katholicisme is. Het doet denken aan de arrogantie anno 2008 van haar destijds door Verhofstadt aangestuurde partij en artistieke partners bij de euthanasie van Hugo Claus, tegenover aartsbisschop Danneels.

Aan de andere kant bevalt me aan Bonny dat hij opkomt voor bovenpersoonlijke waarden die hij tot nader order persoonlijk onderschrijft. Dat die moralistisch (kunnen) zijn, doet er niet toe. Ik zou het erger hebben gevonden wanneer de bisschop had gezwegen uit imagoredenen of omdat zijn strijd al vruchteloos gestreden zou zijn. Daarmee verschil ik alvast van het Utrechtse SchrijfLab dat een stap heeft ingeruimd voor ‘belangenafweging’. Mij is dat te strategisch, te pragmatisch.

donderdag 26 maart 2026

De aanbevelingen van experten

 

 

 

Op werkelijk alle tafeltjes van de Agora lagen meerdere exemplaren van een folder. Gepromoot werd daarin een lezingenreeks rond Stephen Hicks. Verspreid over vier aprilavonden zou die mij weer eens onbekende maar blijkbaar met faam omhangen Canadees-Amerikaanse filosoof spreken en in debat gaan met gerenommeerde Belgische wetenschappers. De organiserende Vrijzinnige Dienst van de Universiteit Antwerpen leek een leuk evenement te hebben bedacht.

Toen ik de folder nader bekeek, stokte mijn blik bij de titel: Hoe het koekoeksjong de verlichting ondermijnt en wat we ertegen kunnen doen. Welk snood beest werd hier bedoeld? Gelukkig is mij begrijpend lezen geleerd zonder markeerstift, dus ik zag meteen wie de boosdoener bleek: ‘het postmodernisme’. Met de literaire afvaardiging daarvan word ik zelf geassocieerd en ik meen er net voldoende van te weten om te denken: arm koekoeksjong, omgeven door dronken aardbeien!

 

Boventoon

In navolging van koningin Máxima over Nederlanders zeg ik het maar eerlijk: bij postmodernisme geeft een essentialistisch bepaald lidwoord geen pas. En al helemaal niet in universitaire kringen! Maar ja, ook bij ‘de verlichting’, zonder hoofdletter inderdaad, dringen clichés zich op. Wel blijkt ze volgens de folder idealen te hebben verbreid van ‘vrijheid en gelijkheid’. Daarbij wordt wel de centrale rol van Hicks duidelijk. Hij zal tonen hoe die idealen ‘nog altijd de beste troeven hebben en hoe we de postmodernisten van antwoord kunnen dienen’.

Een wij-zij-onderscheid! Ze blijkt urgent, vanwege ‘de negatieve impact van het postmodernisme op de universiteit en daarbuiten’. Wow, dat types als ik perfide waren wist ik, maar zo invloedrijk? Het kan nooit kwaad om onder ogen te zien waarom:

 

Het postmodernisme begon in de universiteit als een kritische reflectie op macht en kennis, maar groeide in de tweede helft van de twintigste eeuw uit tot een koekoeksjong. Het zal de verlichting, het nest waarin het groot werd, radicaal in vraag stellen en aanvallen. De verlichting zou namelijk niet op vrijheid en gelijkheid gericht zijn, maar slechts een voorwendsel zijn voor het veiligstellen van privileges. Niet het streven naar een gedeeld burgerschap, maar eerder structurele discriminatie zou haar kenmerken.

Ondertussen is dat koekoeksjong uitgevlogen en beïnvloedt het velen in de manier waarop ze over zichzelf en de samenleving nadenken. Of het nu gaat over de verschillen tussen mannen en vrouwen, de neutraliteit van de overheid, de (on)wenselijkheid van NIPT (Niet Invasieve Prenatale Test), de omgang met het koloniale verleden of de aanwezigheid van transvrouwen in sportcompetities: postmoderne ideeën voeren vaak de boventoon. Ze vormen het filosofische hart van de discussies over diversiteit, wetenschap en rechtvaardigheid. Daarbij maken ze de verlichtingsidealen verdacht en zetten ze aan tot een identitair opbod. 

 

Als taalmenneke valt me op dat de koekoeksmetafoor niet alleen negatief is maar ook venijnig. Het bijbehorende werkwoord ‘uitvliegen’ heeft normaliter melancholieke bijklanken, terwijl ze in deze folder schril zijn, dwingend – expansief. Ook wordt het slotwerkwoord ‘aanzetten tot’ dankzij de automatische piloot gemeenlijk ingevuld met ‘haat’. Verder lijkt me dat de spelling ‘transvrouwen’ treitert. Of je het daar nu mee eens bent of niet, het woord wordt al jaren om redenen die voor betrokkenen belangrijk zijn verdeeld door een spatie.

Bovenal hoef je weinig geleerd te zijn om niet lichtzinnig, zoals onder meer Adorno & Horkheimer en zoals Zygmunt Bauman in ‘de tweede helft van de twintigste eeuw’, aan positieve verwezenlijkingen van ‘de’ verlichting ook keerzijden te zien. Dat ze een mannenclub behelsde met witte huidskleur uit Europese opleidingen, is evenmin een heel erg revolutionaire constatering, al blijven tot op de dag van vandaag betrokkenen de bal terugkaatsen. Deze foldertekst veroordeelt waarschijnlijk dan ook een recentere, activistische variant die door koele minnaars ‘doorgeschoten’ heet.

Daarmee vegen ze ‘het postmodernisme’ op één hoop met woke. Als je het grote lettertype, het vele wit en de dikke pagina’s verdisconteert valt dat geërgerde cultuurpessimisme bondig na te lezen in het pamflet Over woke (2023) door Bart De Wever. Het werpt zich op als behoeder van het project van ‘de moderniteit’ waarbij de drie zojuist genoemde filosofen kanttekeningen hebben geplaatst vanwege de Holocaust, die bij De Wever ontbreken. Zijn neutrale titel, in de onderzoekende geest van Montaigne, kan evenmin verhelen dat het pamflet het wij-zij-onderscheid tot in de taal uitrolt. Al was het omdat hij het bezittelijk voornaamwoord ‘onze’ in vitriool doopt als hij weer eens fulmineert tegen ‘onze kwaliteitsmedia’.

Impliciet zegt deze aanduiding al dat de N-VA-leider zich, niet voor het eerst, in een underdogpositie manoeuvreert. Hij hoont in Over woke ‘de intellectuele elite’, paradoxalerwijs met bij vlagen antieke taal die onderwijs van culturele verfijning doet vermoeden. Zijn activistische stenen des aanstoots gelden als ‘revendicatief’ – een kwalificatie met heuse joods-christelijk beschaafde wortels? Verder kan een pleidooi bij De Wever ‘niet zonder rationale’ zijn en doen CEO’s bij hem ‘de promesse’.

woensdag 18 maart 2026

Grutjes uit Moerdijkië

 


 

 

Een ferme openingszin. ‘Het onuitputtelijke boek Exercices de style van Raymond Queneau uit 1947 is toe aan nieuwe Nederlandse vertalingen.’ Daarmee wil ik niets afdoen aan de glansprestatie die Kousbroek in 1978 leverde. Maar anders dan het origineel is diens versie al historisch geworden. Zowel de in Amsterdam genoemde tramlijn als het plein bestaan niet meer.

Bovendien beperkte Kousbroek zich niet alleen geografisch, de daarbij horende exclusieve taal is ook gedateerd geraakt. Dat ontdekte ik met studenten in de twee alinea’s grote oefening ‘Interjections’, terecht als ‘Tussenwerpsels’ gepresenteerd. Kousbroeks tweede alinea begint met:

 

Gut!

 

Heb ik dit in zestig jaar op het ondermaanse ooit zelf gezegd? Mogelijk, toen Corry nog bij de Rekels zong. Daarna zal het tijdens pogingen tot ironie hooguit ‘gossie’ zijn geweest. Inmiddels staat ‘gut’ in ieder geval niet meer bij tussenwerpsels die de e-ANS in 2021 heeft opgesomd. Een toelichting verantwoordt dit met harde hand: de drempelwaarde was niet langer bereikt. Dat lot trof ook ‘jemig’ en ‘gadver’.

In de lijst treffen we wel, en dat vind ik aan de hilarische kant, ‘tiens’. Dit woord gebruikte Queneau zelf namelijk, in het Frans. Dat ‘tiens’ in de ANS de toevoeging krijgt dat het in standaardtalige contexten in België opduikt, is meteen een kapstok voor mijn andere punt. Behalve een nieuwe Noord-Nederlandse zou Exercices de style ook graag een Vlaamse vertaling mogen hebben.

Neuk ik nu mieren? Onlangs las ik een studie die me de ogen opende voor de landsgebondenheid van platte verwensingen. In De waarheid heeft vier gezichten. Hoe we het publiek debat kunnen redden verwijst Simon Truwant naar het befaamde essay On Bullshit uit 1986 van Harry Frankfurt. Hij vertelt dat dit titelwoord in de Nederlandse vertaling (van Ronald Kuil) ‘lulkoek’ is, maar dat hij het Vlaamse ‘gezever’ verkiest.

Voor mij alweer een moment van hilariteit. Sinds ik in België woon heb ik de term bullshit het vaakst de mond horen verlaten van Herman Brusselmans, een fenomeen dat voor mij even oer-Vlaams is als Eddy Wally. En in verband met generatieve technologieën, die mij zo mogelijk nog minder boeien, is het omineuze, medleyachtige begrip botshit geboekstaafd.

Het woord ‘lulkoek’ verneem ik hier inderdaad nooit, maar associeer ik evenmin met de provincie Noord-Nederland als geheel. Wel met groepen, zoals de corpsballen van Jiskefet. Nazicht leert dat het voor het eerst opdook in Het katholiek volksblad anno 1899 te Maastricht. En overzichtjes van gebruik dat het in België evengoed bestaat, nog altijd. Het blijkt er even gekend als boven de Moerdijk.

Soit.

Truwants voorkeur ‘gezever’ situeer ik wel in Vlaanderen. Trots heeft Truwant het achter in zijn studie opgenomen in een woordenlijst. De betekenis is immers, door niet-aflatende beweringen van de wortelkleurige, verregaand voor wat er in de wereld blijft gebeuren: totale onverschilligheid, minachting zelfs, voor de waarheid.

In beknotte vorm (geen idee of het onzingehalte groeit) komt ‘gezever’ voor als ‘zever’, eventueel in combinatie met een vast adjectief: ‘dikke zever’ (waarvan het onzinpercentage zeker hoger ligt). Het biedt ook mogelijkheden om er mensen mee aan te duiden (zeveraars) en activiteiten (zeveren, ook wel: zwanzen).

Heeft Noord-Nederlands een soortgelijke flexibiliteit die evident klinkt? Robbert-Jan Henkes heeft al het substantief ‘rut’ en het werkwoord ‘rutten’ voorgesteld. Dat zou in de wortelkleurige sfeer door een ‘rutter’ kunnen worden gepraktiseerd.

Voor vertalers aller binnen- en buitengrenzen opent zich een paradijs, kortom. Laat de nieuwe Stijloefeningen maar verschijnen!

Overigens vertelt de ‘oude’ ANS uit 1979 dat ‘gut’ afstamde van godallemachtig. Het kende vervormingen waar ‘gossie’ inderdaad toe behoorde, en ‘chot’, ‘chut’, ’gunst’, ‘grutjes’ en ‘gommenikkie’.

Moh.

vrijdag 6 maart 2026

Tussen boodschappenlijstjes en aantekeningen


 

 

Altijd verbaasd geweest dat de Klisjeemannetjes anno 1977 in hun beroemde sketch over de oudste beweging der wereld het orgasme onder meer vergeleken met ‘gevulde koeken’. Heden meen ik dat dit een zogeheten allusie is. Ik herlas namelijk De schaamte voorbij uit 1976, waarin Anja Meulenbelt die lichamelijke sensatie onder meer associeert met ‘een amandelbroodje in de trein’.

Verder is in dit cultboek sprake van een ‘belachelijke vertoning’ van ‘de ex-vrouw van Wolkers op de televisie’. Recent kwam dat beeldmateriaal, uit 1972, terug in de aandacht. Door MeToo-discussies, maar ook doordat literair-autonomistische vrijwaringen niet langer geloofwaardig zijn. De vrouw, Annemarie Nauta, bekloeg zich over het ontluisterende portret dat van haar werd geschetst in Turks fruit en over de seksuele gewelddadigheid van haar ex-kunstenaarman van wie destijds vermelding van de achternaam afdoende informatie bood.

Andere tijden!

De schaamte voorbij stond op mijn leeslijst voor het eindexamen, maar ik kan me niet herinneren dat het boek bij het mondeling aan bod kwam. Net als En dan is er koffie, dat qua seksualiteit explicieter is, heb ik de indruk. Vreemd? Het aantal contacten in Hannes Meinkema’s roman is veel geringer. Ze was een geroutineerde literator, terwijl Meulenbelt een natuurtalent toont in vertellen, memoreren en kritiseren.

Van de Anja in De schaamte voorbij kan kakkineus worden gezegd dat ze werd ‘opgeleid op de universiteit van het leven’. Ze betoont zich gulzig, in meer opzichten, en leest bijvoorbeeld alles wat los en vast zit over feminisme. Zo moest ik, op het spoor gezet door een taal- en informatieposting, denken aan Eva Hofmans recente Man neemt vrouw. Aantekeningen uit het patriarchaat. Wat een verschil in een halve eeuw, bij een gelijke thematiek!

Hofman vertelt dat ze een deel van haar opleiding, dankzij een beurs, zelfs genoot in Washington. Ik ben wat terughoudend met het begrip ‘geprivilegieerd’, maar het dringt zich wel op. Qua kennis valt ze voor mij, als oude leraar-digibeet, ook te verbinden met studenten. De bibliografie van Man neemt vrouw onderstreept een zinderend onrustbarende beperking tot Engelstalige publicaties die via ‘de feed’ bij Hofman lijken te raken.

In De schaamte voorbij gebeurt echter iets zo vanzelfsprekends dat er geen woord aan gespendeerd wordt. Het boek wordt verhaaltechnisch bijeengehouden door een vakantie te Frankrijk, met vriend en kind. Blijkbaar vormt de taal daar, zeker toen onhandig met en soms vijandig tegenover Engels, geen beletsel. En tussen de vele kranten, tijdschriften, rapporten en boeken die Anja tot zich neemt, moet destijds ook heel wat Duits op haar af zijn gekomen.

Raar vind ik dat de thematische signalen van Eva Hofman tegen ‘de manosfeer’ en ‘misogynie’ me wel bereiken, net als helaas aanzwellend conservatisme en ideologische kloven met oudere, analoge feministen, maar dat ik voortdurend de sensatie heb dat me van alles ontgaat door de wijze van kennisvergaring en omdat haar jargon voor mij duister is. Ze heeft het soms over ‘preserveren’, en vaak over ‘backlash’ dat gevolgd kan door ‘terugslag’.

En hoewel ik inmiddels ben gewend aan het veramerikaniseerde grosgebruik van het toch niet kinderachtige woord ‘trauma’, is het bizar om van deze generatie feministen te blijven vernemen over uiterlijkheden. Hofman vertelt over een literair evenement waar ze ongevraagd kritiek krijgt van een analoge feministe, ‘een mevrouw van een jaar of zeventig in een blauwe maillot’, die ze daarna aanduidt als ‘de blauwe maillot’. Is dat geen objectivering?!

vrijdag 9 januari 2026

Ik had een paar duidelijke


 

 

 

Thomas Heerma van Voss bundelde in De prullenmand heeft veel plezier aan mij interviews die lekker weglezen. Omdat ze over iets zo complex als literatuur gaan, is dat misschien opmerkelijk. Maar in het boek spreekt bijna exclusief de biografische persoon achter de auteur, op gevorderde, in principe werkluwe leeftijd ook. Bijna vijftig jaar na dato benaderde Heerma van Voss namelijk nog levende medewerkers die anno 1977 hun bijdrage aan De Revisor leverden in de vorm van een getekend zelfportret.

Het toenmalige literaire-tijdschriftinitiatief weet aan de interviewer de heden niet geheel onobligate kanttekening te ontlokken dat de man-vrouwverhoudingen scheef lagen, en dat mensen van kleur er niet te vinden waren. Indien hij echt had uitgezoomd was het Heerma van Voss allicht ook opgevallen dat De Revisor geen notie van Vlamingen had, op Ivo Michiels na. Maar zo’n zelfkritische beweging past deze bundel niet. Bij de Amsterdammers onder de geïnterviewden laat Heerma van Voss niet na te vertellen of hij hun straat kent of in hun buurt is opgegroeid.

Mij frappeerde dát die locaties opduiken. Ze suggereren intimiteit, die andermaal bevestigt hoe ver de autonomistische school inmiddels verwijderd is van de norm. Een genretechnisch overeenkomstig boek als Scheppen riep hij gaat van Au (1965) door H.U. Jessurun d’Oliveira stamt in verhouding uit de middeleeuwen, uit een ambachtsatelier. Wellicht valt De prullenmand heeft veel plezier aan mij beter te scharen onder de hausse aan biografieën. Conform aan de huidige zeden voorspelt Heerma van Voss’ achterflap een ‘smakelijke literatuurgeschiedenis’ en maakt die belofte letterlijk waar. Elk gesprek vermeldt wat auteur en interviewer drinken (bijna altijd thee) en welke koekjes of soesjes erbij geserveerd zijn, en of in de woordenstroom de geïnterviewde tijd vindt om ze te eten.

 

Stutten

Deze schrijvers blijken bijna allen spraakwatervallen. Voor zover ze het niet zelf zeggen, legt Heerma van Voss de reden daarvan bloot: ze zijn eenzamerig en staan niet meer in de belangstelling. Hij is dus ook hun verlosser – meer dan eens eindigt een gesprek met de vraag aan hem om nog eens langs te komen of in elk geval contact te houden. Er hoort een motief bij van communicatiemiddelen. Deze auteurs bezitten zelden een smartphone of laptop. Ze moeten het stellen met oude, slecht werkende bakbeesten van computers, en foeteren op internet dat alles, kennis én verbondenheid, kapot heeft gemaakt. Toch oogt niemand cynisch; veeleer leeft men, mede door gezondheidsproblemen, in het besef van vergankelijkheid, ook van generaties. En zonder zicht op publicatie schrijven velen voort.

Door deze opzet kan Heerma van Voss om boeken heen laveren. Ze functioneren louter als kapstok voor anekdotes over triomf en mislukking, uitgeverssores of mediasteun. In de psychologiserende biografietjes achter in het boek moeten de geïnterviewden zelf hun favoriete eigen titel geven. De ondertitel Schrijversportretten toen en nu is dus goed gekozen. Destijds een beeld van de schrijver, nu de taal van het portret. Als in het mooiste gesprek van de bundel Jan Kuijper aan Heerma van Voss vraagt of hij een bepaald (recent bij een niet-Amsterdamse uitgever verschenen) boek van hem ter voorbereiding heeft gelezen, pareert de interviewer of dat dit de verwachting had mogen en kunnen zijn. Waarna de geïnterviewde met een anekdote komt die zijn ontzagwekkende eruditie relativeert.

Wanneer ook Heerma van Voss oprecht was geweest, had hij zich geout als cultureel ondernemer bij wie tijd geld is. Naast dit project, dat hij startte als freelancer voor het Literatuurmuseum Online, is hij columnist bij De Lage Landen, gastdocent Creatief Schrijven op de VU en kunstmedewerker van De Groene Amsterdammer. Achteraf redundant merkt hij in zijn inleiding op dat hij zijn stukken niet wilde ‘stutten met veel jaartallen, titels, feitjes, stijlanalyses of geëxpliciteerde dwarsverbanden’. Een motief in dit boek is zijn bevreemding als meer geportretteerden, als waren ze schoolmeesters en andere wereldvreemden die in een studeerkamer of achter een scherm te vinden zijn, eerste versies zorgvuldig corrigeren. Feiten en toewijding rijmen allicht te sterk met de geregeld gememoreerde gouden tijd van de Nederlandse boekencultuur, van de jaren zestig tot negentig.

Heerma van Voss wilde, mijns inziens terecht, niet romantiseren. Maar had dat moeten leiden tot debunking? Nu laat hij auteurs babbelen over een tijd waarin ze culturele betekenis hadden én laat ze bij hun geheugenverlies namen beloven en behinten, die hij niet opzoekt. Zo sardonisch ontvouwt zich deze literatuurgeschiedenis, met leeslint en zonder register of bibliografie. Zo wordt evengoed ‘ontlezing’ een banaal begrip. Bovenal blijft het een aanleiding tot persoonlijke relazen en tot een beschrijving van uitpuilende bibliotheken. Daarbij ontdekte Heerma van Voss, naast de eenzijdige samenstelling van de Revisor-tekenaars van dienst, nog iets. Keer op keer bleek ‘dat elegant ouder worden een kunst is, een precair proces waar de ene schrijver beduidend meer talent voor heeft dan de ander’.

 

donderdag 18 december 2025

Zeer taai-taai

 

 

 

Al tijdens het lezen van haar bijna achthonderd pagina’s drong zich aan mij steeds luider één grote vraag op: waarom heeft Maria Vlaar acht jaar van haar leven opgeofferd aan een Joost Zwagerman-biografie? Natuurlijk, ze had literaire nevenactiviteiten en haar arbeid werd vertraagd door corona die het niet toeliet 42 archiefdozen in het Literatuurmuseum uit te spitten. Maar toch, steeds blijkt dat ze Zwagermans oeuvre weinig bijzonder vindt, dat zijn spectaculair ogende bestaan geleefd werd door een verboekte huismus en dat ze in hem dan wel sympathieke trekjes ontwaart maar grotere porties mannelijke hypocrisie – die ze, als ik me niet vergis, ruim vóór verschijnen aankondigde.

Of zou Vlaar verrast zijn geweest door de reacties op Zwaag. De zeven levens van Joost Zwagerman die zich toespitsten op het drukbezette, met blitse namen gedecoreerde liefdesleven van de auteur tot en met de experimentele deelname aan een pornofilm? Waarom richtte ze zich bij haar speurtochten ook nog tot een Amsterdamse kioskhouder bij wie de auteur wel eens ‘vieze blaadjes’ kocht? En hoe bestaat ze het om het zoveelste plaatselijke relletje te vergezellen van de noot ‘of dit roddels zijn of waarheid laat ik in het midden’?

Zelf motiveerde Vlaar haar titanenklus gelukkig niet alleen uit een vraag van de uitgever. Ze wees op een generatieverwantschap met Zwagerman (1964 vs. 1963) en op een vergelijkbaar katholiek nest in West-Friesland. Haar boek kan ook worden opgevat als een zoektocht naar culturele overlappingen en restanten van levensbeschouwelijkheid. Toch moet in de loop van haar onderzoek vervreemding zijn ontstaan die, gepaard aan haar eruditie en stilistisch vermogen, een spannend en gelaagd boek had kunnen opleveren dat een stuk dunner was geweest. In plaats daarvan onthult Vlaar haar ware indruk na een van de zeer vele signalementen van Zwagermans disparate tekstproductie:

 

‘In een column over “De denkwereld van 2040” voorspelt hij in 2008 al dat schrijvers tegen die tijd helemaal niet meer bestaan, en literaire nalatenschappen geen waarde meer hebben; er is dan “vermoedelijk een computerprogramma dat na de input van een handvol woorden en persoonsnamen, en na een keuze voor het gewenste “verhaalprogramma”, een oneindig aantal “verhalen” produceert, toegesneden op de wensen en fantasieën van de individuele consument.” Hij voorziet wat AI zal gaan beteken en voorspelt in één ruk door zijn eigen toekomstige overbodigheid.’

 

Allicht bedoelt ze dat laatste niet letterlijk, maar wanneer ik uit Zwaag lering probeer te trekken, dan lijkt me dit dicht bij de kern te komen.

 

Vooroordelen

Een ander merkwaardig besef dat zich bij kennisname van Zwaag van mij meester maakte, is dat Vlaar heel wat informatie niet heeft geraadpleegd. Deels ligt dat buiten haar schuld, suggereert de verantwoording: ‘De volgende personen wilden niet geïnterviewd worden voor dit boek: Sandra Derks, Bram Bakker, A.F.Th. van der Heijden, René Huigen, Bert Nubé, Thijs, Koen en Daantje Zwagerman.’ Allicht had hun medewerking meer persoonlijke anekdotes en inzichten gebracht. En literaire nuances kunnen geven, al vraag ik me af of Vlaar daar wel naar op zoek was.

De geslaagdste hoofdstukken uit het boek gaan over Zwagermans opinistentijd en over zijn finale depressie. In het ene geeft hij vanaf diverse podia commentaar op binnen- en buitenlandse politieke ontwikkelingen en vernemen we iets over de gevolgen die zijn interviewrol bij Zomergasten had, nadat Ayaan Hirsi Ali er de film Submission in première liet gaan. De mens Zwagerman krijgt daar door alle banale bijeffecten ineens diepte omdat hij moreel moet handelen. In het andere hoofdstuk beleven en begrijpen we, mede dankzij Vlaars verteltalent, hoe iemand gestaag en zonder pardon in omstandigheden kan komen die nopen tot zelfmoord. Het is tegelijk een aanvulling op én steun voor het controversieel geachte boek De langste adem (2020) van voormalig echtgenote Arielle Veerman.

Dat mij aldus slechts een fractie van Vlaars boek boeit, hoe bedreven ook gemaakt, ligt uiteraard aan mijn verwachtingen. Zwaag biedt als gezegd allerlei biografica, maar die interesseren me niet en soms vind ik ze niet publicabel. Toch had ik gehoopt bij Vlaar daarnaast nieuwe interpretaties van romans, verhalen en gedichten aan te treffen. Juist op dat basale vlak schiet deze biografie voor mij tekort. Haar toevoegingen betreffen passages die autobiografisch gelezen kunnen worden en die interviewbeweringen over het waarheidsgehalte weerleggen.

Het grote verhaal vertelt Vlaar na, en dan ook nog gedeeltelijk. Ze maakte namelijk de keuze louter recensies op de afzonderlijke werken in beschouwing te nemen. Het gevolg demonstreer ik met één voorbeeld. Gaandeweg ontstond van de literair auteur het beeld dat hij, zeker als romanschrijver, snel zijn kruit verschoten had en bij gebrek aan inspiratie een goed verdienende mediafiguur werd. Uitgaand van recensies valt de loop van dat repeteergeweer niet bij te buigen. Dus is er bij Vlaar geen ruimte voor de rehabilitatie die Thomas Vaessens aan de prozaïst Zwagerman bood in zijn studie De revanche van de roman (2009). Het enige moment waarin deze hoogleraar in de biografie opduikt, is als poëziecriticus van de bundel Bekentenissen van de pseudomaan, wiens kritiek door de besprokene niet werd verdragen en verleidde tot een uitval – de zoveelste die karakterieel tekenend moet wezen.

Op die wijze blijft ook Zwagermans passage door het postmodernisme bij Vlaar bleekjes. Ze ontleent inzichten over deze nog altijd van vooroordelen wasemende stroming aan contemporaine theorie (zoals van Annemarie [sic] Musschoot op de DBNL) en aan losse primaire werken die in de jaren tachtig en negentig ermee werden geassocieerd. Een tweede literair-historische goudmijn boden de Maximalen, de dichtersgroep van wie Zwagerman zich opwierp als woordvoerder. Zwaag vertelt er best veel over, maar het lijkt wel of de poëzie zelf, tenzij in de algemeenst mogelijke termen belicht, buiten beeld moet blijven.

In plaats daarvan kanaliseert Vlaar haar energie om strubbelingen en vetes in de groep aan het licht te brengen. Wie daarvan houdt, is spekkoper. En wie er Zwagerman-psychologie aan wil verbinden, heeft de biografe vaardig geleid naar één van de zeven gezichten die hij zou hebben: die van de onderwijzer. De opper-Maximaal blijkt punten te hebben uitgedeeld aan zijn bentgenoten op de competenties ‘persoonlijkheid en poëzie’. In die lijstjes valt niet alleen op dat Zwagerman geen al te hoge dunk had van kameraden met wie hij revolutie beweerde te maken, maar ook dat zijn cijfers akelig precies zijn – Arthur Lava, man van het eerste uur, krijgt voor ‘poëzie’ een 7-.

woensdag 10 december 2025

De poëtische kracht en nuance

 

 

 

Buzz in neerlandistisch letterenland: de gratis pdf’s van de Bulkboeken zijn foetsie! Na een overname moeten scholieren die generatie na generatie literatuur uit alle tijden leerden kennen en van wie nu wordt verwacht dat ze daar ‘leesplezier’ aan ontlenen, de mastercard uit een ouderlijke portefeuille trekken. Blijkbaar hoeven we ons toch geen zorgen te maken. In een comment werd Bulkboek dan wel ‘een sterk merk’ genoemd, een ander comment stelde gerust dat er archives en platformen bestaan waarop downloads nog mogelijk zijn. Dat bespaart alvast grote woorden, die tegenwoordig zo vaak en misplaatst de ronde doen, over uitwissing en censuur.

Alles verdwijnt, natuurlijk, maar werkt internet het in de hand? Als ik me beperk tot het zojuist genoemde vak, dan dringen, ongetwijfeld willekeurig, voorbeelden zich op. Al tijden geleden bleek dat het veelbesproken project van de Lezeres des Vaderlands, die man-vrouwverhoudingen in kritieken natelde en becommentarieerde, in het web was verzwonden. Een goed recht. Toch viel niet te ontkennen dat het anoniem gehouden project voortkwam uit de boezem van de neerlandistiek en dus ´op kosten van de belastingbetaler´. Het bleek bovendien te worden geciteerd in minstens één wetenschappelijke bron en figureert soms nog in expliciet ideologische argumentaties.

Onlangs ontdekte ik dat ook de veelbesproken Personagebank spoorloos is. Nazoeking onderstreepte dat mijn geheugen weer een bedrieger is, ik wist al dat dit project offline was. Allicht had ik dat verdrongen, omdat op gezette momenten de lust naar kennis groter blijkt. Dat dit dan gefrustreerd wordt mag geen probleem zijn, maar de Personagebank fungeerde als een breekijzer, een bewijs van een nieuw paradigma dat in een Engelstalig wetenschappelijk tijdschrift geconstrueerd werd – en daarna bediscussieerd, evengoed in een zijdraad-van-een-zijdraad door mij.

Waarom blijven dergelijke stille manoeuvres onbelicht? Ik ga ervan uit dat er niet alleen neerlandici bij betrokken waren, maar ook dat zij actief deze projecten in de vergeetput gooiden. Toegegeven, het vak verkeert in zwaar weer, het blijkt te moeten gelegitimeerd tegenover bezuinigingen die al tot onderbezetting zullen hebben geleid. Ook ben ik niet de geloofwaardigste figuur voor bovenstaande vraag nadat ik neerlandici uitriep tot serieuze kanshebbers bij het Olympische onderdeel meelopen. Alleen kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat ze minstens zo goed zijn in het altijd verleidelijke wegkijken (en mogelijk in het opsteken van Facebookduimpjes).

Een heuse recente verdwijning doemde voor mijn ogen op toen ik voor de finale van een exercitie tegen de lijstjescultuur een hyperlink wilde leggen. Naar een artikel waarin Joris Note duidt hoe Jozef Deleu de erfenis van Jeroen Mettes naar zich toetrok. Maar Google noch DuckDuckGo noch Ecosia bood uitkomst. Ik meende dat het artikel op DeWereldMorgen stond. Op de pas vernieuwde website blijkt het echter afwezig. Net als iets dat daar zeker op heeft gestaan en dat echt van groot belang is om wat van de contemporaine literatuur, recensiecultuur en bedrijfsvoering te snappen.

Het betreft een gekender artikel van Note dat zelfs NRC Handelsblad haalde als serieuze kritiek op David van Reybroucks Congo. In het besef dat deze bestseller uit 2010 ook onder connaisseurs louter aan status heeft gewonnen en dat de receptie heden bestaat uit een compliment à 40 woorden van Peter Sloterdijk dat het enige betrof wat hij er in jaaroverzicht van zogeheten Beste Boeken over te melden had, is het bizar dat de meer dan vijfduizend woorden, exclusief bibliografie, onvindbaar zijn geraakt. Niet alleen toont Note hoe de geschiedenis in dit boek werd vergoelijkt en herschreven in een gelatinestijl, ook legt hij kwestieuze argumenten bloot waarom het Vlaams Letterenfonds bij de overheid ‘een extra budget’ aanvroeg om het te vertalen.

Minstens zo bizar dunkt me dat DeWereldMorgen op de vernieuwde website wel een signalement heeft behouden van het essayboek Wonderlijke wapens (2012) waarin Note dit stuk bundelde. Hij deed dat sensatieloos, door op de achterflap in de reeks namen die hij behandelt ‘de vermoorde Congolese premier Lumumba’ te vermelden, aan wie hij, in relatie tot Aimé Césaire, nog een essay wijdde. Wel is dit boek inmiddels verramsjt. Wat nu? Gelet op de richting waarin het genre zich ontwikkelt, is de kans miniem dat het essay nog ergens opduikt, terwijl Notes kanttekeningen relevant blijven.

maandag 13 oktober 2025

Altijd sukken

 

 

 

Ook wie verengelsing zou weigeren, ontkomt niet aan een correcte spelling van woorden die het Nederlands vergezellen. Of zelfs: hebben vergezeld. En daarom zelf alweer een beetje van gedaante zijn veranderd. Ik denk aan termen uit een laag register, die allicht eerder een andere taal bereiken dan jargon uit de zoveelste exacte wetenschap. Scheld- en geslachtstreekwoorden, zoals fuck. Ze kunnen dermate ingeburgerd raken dat een aanpassing kan zorgen voor een Next Generation-gevoel.

Nanne Tepper debuteerde anno 1993 met het verhaal ‘Fuck ’Em All’, in Jeroen Mettes’ N30, afgerond in 2005, duikt zo’n tien keer een geciteerd ‘fuck’ op, het debuut van Frank Keizer uit 2012 heette Dear world, fuck off, ik ga golfen.

Afgaand op Van Dale bestaat in het Nederlands sinds 2009 de term sucker. Ik ontdek dat dankzij de computer, want het was te vinden in het lemma ‘zuigen’. Daar leer ik verder dat to suck betekent: waardeloos zijn. Maar sinds wanneer? Herman Brood poneerde in 1978 dan wel ‘Dope sucks’, maar dat deed hij in slang-Amerikaans. Historisch vind ik het onbegrijpelijk interessant dat Van Dale in oktober 2012 fok in de betekenis van fuck toevoegde, en fak in april 2018.

Zijn er spreektaaldeskundigen in de zaal? Mijn vraag heb ik wel aan recente poëzie ontleend. Dit jaar verschenen er twee bijzondere boeken waar de spelling van zulke woorden een tweede fase ingaat.

donderdag 17 juli 2025

En het helpt niet

 

 

 

Ook poëziedecoratie is vergankelijk. Het kanaalgedicht van Herman de Coninck, dat hier drie jaar geleden onder de ophaalbrug werd opgespannen, is alweer vervangen. Wel blijft onze gemeente haar bekendste literator uitspelen. Toch zou het boekencentrum eerder worden verwacht in een bibliotheek. Die is hier verplant en viel, zoals uit te tekenen was, ten prooi aan toeristen – terwijl in de historische collectie moet worden gesnoeid. Maar ja, als zelfs The Guardian beweert dat het er goed toeven is als ‘cultural hub’... Ook vertrok De Coninck na de middelbare school en ligt zijn echte biotoop in Antwerpen. Ik ben toch maar eens gaan kijken wat er ditmaal in zijn geboortestad van hem te vernemen is.

 

Dromend water

Pal tegenover De Conincks geboortehuis, onder een brug die Plaisance heette en stilzwijgend en met succes naar hem werd hernoemd, is vorige maand een volgend gedicht van hem geopend:

 

Water. Soms loopt het rechtdoor
als een ideologie, een vastberaden stoet
van stilte, naar de zee,
de grote internationale
waar alle water zijn overtuiging haalt
(om desnoods dijken te breken).
Soms hangt er nevel over:
dromend water: het droomt dat het zweeft
en dan zweeft het ook. En later, oud geworden,
trekt het zich terug in een vijver
met een rijk innerlijk leven.
Water. Alle schijn draagt het met zich mee
en blijft zichzelf, altijd anders
en altijd water.

 

Ik beken! Mijn eerste reactie was er een van afgrijzen. Daarvoor volstond niet eens de helft van het gedicht. Tot en met de haakjes ontwaar ik belegen kritiek op mensen met een missie. Zij benaderen de wereld vanuit een idee dat ze, anders dan de meerderheid, ook expliciet verkondigen. De Coninck verbeeldt hen via ‘rechtdoor’ als star en dogmatisch; impliciet blijft zijn overtuiging dat warme of gevoelige of genuanceerde mensen buigzaam stromen. Of ben ik blind voor wat hij vanuit het ouderlijk huis kan hebben gezien? Het kanaal, per definitie recht, stroomt naar de Zenne die overgaat in de Schelde die uitmondt in de Noordzee. Doordat De Coninck het laatste reservoir echter ‘de grote internationale’ noemt, trekt hij het historische strijdlied van de onderklasse in zijn kritiek. Links is de pineut. In Met een klank van hobo uit 1980 zou De Coninck ginnegappen dat hij gelooft in socialisme ‘zoals de natuur / ons dat leert’. En demonstreerde dat met ander H2O, van regen op planten, en ‘de prachtige ongelijkheid die dat oplevert’.

Het watergedicht belandde in de buitengewoon succesvolle debuutbundel De lenige liefde uit 1969. Misschien is het een sonnet, waarbij de chute valt na het eerste ‘zweeft’. Aanstichter van dat wonder is de nevel, een romantisch natuurverschijnsel dat door heel dat boek heen zweemt. In dit gedicht neemt de nevel letterlijk en figuurlijk afstand. Zonder die definitief tot het water te kunnen bewaren, want achterhaald raakt door de harde werkelijkheid. Resteert vage levensbeschouwelijkheid, die aan het slot nochtans een moraal opdient.

Bij de eerste publicatie in Nieuw Vlaams Tijdschrift anno 1968 had dit gedicht nog geen hoofdletters, conform de geplogenheden van die revolutionaire jaren waarin de piepjonge dichter in het roerige Leuven studeerde. Ook stond er achter ‘dromend water’ een puntkomma, die De Coninck bij nader inzien te cerebraal kan hebben gevonden. Het duwtje dat zijn dubbelepunt nu geeft, is peanuts in vergelijking met de latere toevoeging van ‘ook’ in de regel daarna. Ze is een knieval, omdat iets (kinderlijk) magisch nu toegankelijker wordt gemaakt. Ofwel onzeker over de leesvaardigheid van burgers ofwel in een verlangen wat meer goochelaar voor zijn publiek te zijn, beweegt de dichter.

 

Komkommertijd

Onder de brug is de vormgeving van het gedicht pontificaal veranderd, waarbij als in een woordwolk sommige begrippen een groter corps kregen. Een duidelijker geval van nudging? Of wil men De Coninck met experimenteel ogende typografie zachtjes bewegen richting zijn vermaarde collega Van Ostaijen uit Antwerpen?

Of het allemaal veel uitmaakt, is de vraag. De Coninck positioneert zich als stuurman aan wal. De eerste zes regels spotten ouwelijk met wereldverbeteraars. Bij het blijkbaar menselijker gemijmer zijn de haakjes, normaliter een teken voor complexiteit, een uiting van populisme. Ze zouden een constante blijven, hengelend naar bijval. Zoals in Met een klank van hobo gerept wordt van een ‘zootje van zes. / (Zoontje bedoel ik, maar de schrijffout mag blijven staan.)’ In het watergedicht houdt de toelichting over de vijver veilige ruimte voor ironie. Het slot knipoogt cultureel naar Heraclitus én relativeert de moraal ook half.

Eigenlijk kan ik me geen integraal geslaagd gedicht van De Coninck heugen. Aan die verdwazing ligt vermoedelijk een postmodernistische afkomst als dichter ten grondslag. In mijn hoedanigheid van essayist snapte ik van stonde af evenmin wat De Coninck wilde met zijn bewonderenswaardig luchtige stukjes. En om er dan maar een drieslag van te maken: als mens ducht ik netwerken.

Een hele alinea met meningen! Pure strategie, vrees ik, om recenter De Coninck-nieuws te kunnen herkauwen. Zijn bundel Met een klank van hobo is begin van deze maand, begin van de vakantie ook, opgenomen in de nieuwste versie van de KANTL-canon. Over de keuze als geheel was al best wat te doen. Op mijn scherm verschenen klachten over wie er niet (meer) op staan en over premisses bij de commissie, gevolgd door comfortabele sociologische observaties over de critici.

Mij verbijstert het feit dat De Coninck wel op zo’n lijst staat. Op zichzelf is deze bekentenis sneu. De KANTL herbergt het puikje van mijn vakgenoten, terwijl ik geen enkel bewijs kan overleggen van wetenschappelijk inzicht. Dan resteert slechts de uitweg naar het artikel smaak. Ditzelfde instituut wist me ook te verbazen met de selectie van Heerma van Voss’ Het archief, waarvan je veel kunt zeggen maar niet dat het een bijzondere roman is.

Terwijl bij Heerma van Voss prijzende recensies en nominaties te vinden zijn, leidde De Conincks poëzie bij critici, Hugo Brems uitgezonderd, een kwakkelend bestaan. Maf voor iemand met zo’n grote populariteit, die bovendien is gesierd met een meerdelig verzameld werk, een brieveneditie, een biografie, en een memoire plus bloemlezing door zijn weduwe. Tot nog toe was De Coninck bovenal een Bekende Vlaming. Ik begrijp dat de VRT en De Standaard in deze komkommertijd hun netwerken zullen aanspreken om alsnog legitimerend eerbetoon te brengen. Daarom wil ik nagaan wat volgens de KANTL zelf tot De Conincks toetreding tot het pantheon heeft geleid.