Uiteindelijk
bleek ik de klok hebben horen luiden. Maar ja, die klepel. Wat hier etappegewijs over recent gebruik van hoofdletters heeft
gestaan, kan alsnog worden gespiegeld aan vakliteratuur. Het gaat dan over
veranderende taalvormen ’sinds de vroege socials’ tussen 2000 en 2010, zoals
‘(…) HeT wIlLeKeuRiG aFwIsSeLeN vAn KleInE eN gRoTe LeTtErS voor een spottende
toon’. Totaal willekeurig lijkt me deze orthografie niet, maar ik snap wat er
wordt bedoeld en ga in mijn mand liggen.
Het citaat staat
in het dit jaar verschenen Superbrabants van
Kristel Doreleijers. Over een taal die ‘niet alleen kunstmatig, maar ook best
kunstzinnig’ zou zijn. Ik las deze studie vanonder drie petten tegelijk: een publicist
die net iets heeft afgerond met een hoofdrol voor gebabbel in
de fictieve enclave West-Noordbrabant, een amateurcharlatan die taal onderwijst
en een voormalig inwoner van Breda, de Parel van het Zuiden.
Om met de laatste
figuur te beginnen, Doreleijers leert hem dat er ook in Noord-Brabant zoiets
als een centrum en een periferie bestaan. Niet omdat zij uit Eindhoven komt en
in Tilburg doctoreerde, maar omdat haar voorbeelden die regio bestrijken, met
Den Bosch als hoogste punt. Een culturele minidriehoek? Indien ik het me goed herinner, duikt mijn
geboortestad alleen op als officiële naam voor het Kielegat en standplaats van NAC.
Nou ja, Tom America (afkomstig uit Heerlen, woonachtig in Tilburg) zong al eens
dat hij het gevoel had Breda nooit te zullen halen.
Dat het zuigende niemandsland
in de richting van Tholen en Zuid-Beveland helemaal onbenoemd blijft, maakt
allicht evenmin iets uit voor de fascinerende hoofdstelling van Superbrabants: dat er onder jongeren in
die provincie een taal is ontstaan die werkelijk een melting pot blijkt.
Doreleijers noemt het, onder meer, een hyperdialect. Omdat ‘het’ Brabants, wat
dat ook moge zijn, er verzeild geraakt is in een soort deeltjesversneller.
Eigenaardigheden van het dialect zijn erin uitvergroot en komen er anders uit:
in strikt genomen ongrammaticale gedaante.
Popiejopie
Overtuigend laat
Doreleijers zien dat haar variant allerlei clichés en stereotypen over de
provincie heeft opgeslurpt, afkomstig uit een andere machtige driehoek die we
de Randstad noemen. Daartoe had ze zelfs kunnen refereren aan het oer-Haagse
duo F. Jacobse en Tedje van Es, dat in 1980 bij de hertekening van Nederland als apartheidsstaat onder meer het landsdeel Brarabant
ontwierp, waarin de provincie ten gunste van Surinamers en Arabieren fuseerde
met Limburg, ‘altijd weer een paar graadjes warmer,
denk aan de vrolijkheid, denk aan carnaval’.
Doreleijers
spreekt van een ‘herkenbaar Brabanderschap’ als
‘een optelsom van het beeld dat buitenstaanders
van Brabant hebben of aan Brabant toeschrijven (het imago van Brabant), het
beeld dat Brabanders van zichzelf hebben (het zelfbeeld), en de manier waarop
Brabanders zichzelf presenteren’.
Zo kan een
adembenemend actie-reactiespel ontbolsteren, met soms onwrikbare principes, al
dan niet uit de spreekwoordelijke onderbuik opgeborreld. Zonder dat ze de term appropriaton laat vallen zegt
Doreleijers dat er in haar provincie bijvoorbeeld mensen zijn conform het dogma
‘Braobander da worde nie, da bende’. Op dezelfde pagina meldt ze dat anderen
zich zo schamen voor hun accent, dat ze de hulp van een logopedist inschakelen.
In Doreleijers’ nieuwe
taal zit, wanneer ik haar goed begrijp, evengoed een bijdrage
van import-Brabanders. Het netto resultaat veroorzaakt een grappig refrein in Superbrabants. Ouderen klagen over de teloorgang
van ‘hun’ dialect dat zij wél zuiver houden – de ondergang nabij! Daarin staan
ze, op hun manier puristisch, niet alleen. Doreleijers geeft een
wetenschappelijke bron: Arjen Versloots artikel ‘Streektaaldood in de Lage Landen’, waartegen ze stelling
neemt.
Doreleijers bouwt
verder op noties als ‘gevelbrabants’ (Hoppenbrouwers). Daar zat wel kritiek in, als zijnde een
quasi-bourgondisch neptaaltje waar de kassa mee werd gespekt. Op een
hyperdialectisch benaamde zaak tekent ze de reactie op: ‘Dòr hebben ze ’n bietje popiejopie, ’n bietje populair meej willen zen’. Zoals Superbrabants
zelf slim de kwalificatie ‘carnavalesk’ gebruikt voor noorderlingen die
taal bazuinen die wel erg overdreven is en de provincie gelijkstelt aan
folkloristische clichés. Van dergelijke uitstoot zijn ouderen de uitlaat, maar
waar zit precies het verschil met die jongerentaal?
Is superbrabants
toch ook een commercieel project, waarvan tegeltjes en memes al op de markt blijken
en waarin ondernemers kansen zien? Waarin onderscheidt het zich van
‘beeldbuisbrabants’ à la Undercover,
van het Brabants dialect dat volgens de achterflap het dienstmeisje Petra spreekt
in Nootebooms Rituelen of waarmee
Thomése zijn Tilburgse personage J. Kessels optuigt? Is het heus louter een knuffeltaaltje
waarin jongeren zich prettig voelen, misschien ook door de buitenwereld mild te
stemmen zonder de roomse achterlijkheid die de streektaal traditiegetrouw schijnt
aan te kleven? De nieuwe versie doet er, als ik het wel heb, ook ingrediënten
bij uit uitheemse talen, zoals jongeren gewoon zijn te doen.

