dinsdag 27 september 2022

Stel dat ik hier zou spreken

 


 

 

Om je onberispelijk te gedragen bestaat er etiquette. Een beetje lichaam kan daar desgewenst een eind mee komen, helemaal als het bijvoorbeeld een ingebouwd smakapparaat kan temmen. Maar oog in oog met kunst moet je redelijkerwijs de improvisatietour op. Hoe immers te reageren op een fenomeen dat opzettelijk altijd wel iets afwijkt van wat je gewoon bent? En dat dus ook een beetje een bedoeling uitdrukt, die je in een mum van tijd moet inschatten?

Zelf ben ik op mijn maximale ongemak bij poëzievoordrachten. Dat komt beroerd uit. Michael De Cock betoogde onlangs dat de toekomst van dit genre, waarvan insiders al decennia beweren dat het wegens elitisme naar de ondergang schuift, buiten de bundel ligt. ‘Kom van dat blad af!’, riep hij Peter en zijn Rockets bijna na. En ter geruststelling van onverhoopte cultuurpessimisten vertelde De Cock erbij dat Homerus op dezelfde lijn zat.

Nu ik nog eventjes. Vroeger toen ik nog dichtte en soms werd gevraagd om voor te lezen, ontbrak me steevast zoiets als een toon. Voor mij was een gedicht namelijk pas af wanneer ik me er volledig door buitengesloten wist; dat ik mijn werk niet begreep was op het podium vermoedelijk te zichtbaar.

Ook als luisteraar ben ik hopeloos. Drie woorden voldoen om me weg te leiden, waarna mijn gezicht denkelijk louter uitdrukking geeft aan de kramp in mijn brein (hoewel expliciete meningen steevast blijken te stammen uit ‘de onderbuik van de samenleving’, blijkt dit lichaamsdeel bij kenners tevens de registrator van poëziespecifieke dingetjes als klank en ritme).

En wanneer ik dan om me heen durf te kijken, ligt er bij mijn medeluisteraars een glimlach op de lippen, wat mijn kramp ongetwijfeld stompzinniger maakt. Ik begrijp poëzievoordrachten gewoon niet. Maar soms begrijp ik lotgenoten bij die evenementen nog minder. De laatste keer gebeurde dat bij een registratie van een voordracht door Arjen Duinker.

Hij las voor uit Catalogus (2016), een bundel die zeven jaar verscheen na het verhoudingsgewijs breed erkende Buurtkinderen (2009). Bij de voordracht gierde het publiek het uit. Toevallig had ik Catalogus gelezen en me een beeld gevormd van wat die taal daar deed – en van me wilde. Lachen was het laatste wat ik hier zou doen. Gelukkig zat ik niet in de zaal en is een computerscherm geen ding dat uitnodigt tot grote vertrouwdheid, anders was ik in snikken uitgebarsten.

Wat? Huilen bij Duinker? Dat was toch zo’n postmodernist die niet aan ego-uitstorting deed? Die waarschijnlijk als enige het programma van de Maximalen wist waar te maken? Een sinterklaas met uitroeptekens, wiens gedichten weergaloos vrolijk waren? Die reeds met de titel van zijn recentste bundel, Autobiografie tot op de dag van vandaag, hoofdschudt bij millennialgeplogenheid:

 

Ik heb geen idee wat nadenken is,

Dat is algemeen bekend!

Had ik een vermoeden gehad,

Dan was nu misschien wel priester!

Parketlegger! Voorman!

Het liep anders!

 

Ja precies, die Duinker! Bovendien was ik de bundel Catalogus in een minstens zo prettige stemming begonnen te lezen als het luisterpubliek en werd daarin bevestigd door gedichten als:

 

Stof vlieg weggetje vlieg

Bol touw vierkantje bel

Touw stoel stoel stof

Voet oor neus vierkantje

Bel driehoek driehoek water

Weggetje vlieg bol bel

Weggetje vlieg oor neus

 

Liniaal stof vlakje stof

Cijfer water cijfer stof

Cirkel punt stof liniaal

Driehoek oor oor voet

Water weggetje cijfer neus

Punt punt min liniaal

Punt punt plus cijfers

 

Zit er een systeem in deze ogenschijnlijke willekeur? Johan Sonnenschein wist het op een haar na te kraken en verdacht zelfs een sonnet. Het is voor mij te lang geleden om nog te weten wanneer en waarom mijn goede humeur omsloeg. Ik herinner me wel vrij zeker dat door zulke gedichten in mijn ogen plots een ander genre te schemeren begon: dat van de oefening.

Vanaf toen ging Catalogus naar mijn idee over het aanleren en begrijpen van woorden. Hoe kwam ik daar nu bij? Had ik iets beleefd waaruit mijn kokerperspectief te verklaren viel? In elk geval heb ik twee dochters elementair zien leren. Bij het vak taal veroorzaakten oefeningen een teruggrijpende vooruitgang. Er kwamen steeds nieuwe woorden bij, en oude werden herhaald.

Ook heb ik me een tijdje beziggehouden met NT2-onderwijs, waar dit principe evenzeer toegepast werd op het uitspreken van nieuwe woorden. Precies zoals Duinkers gedicht beschrijft. En op zich waren dat montere sessies waarin herhalingen ook van de docent konden komen. Zolang het maar duurde, net niet eindeloos.

Sensationeel vond ik de illusie dat naarmate het woord beter werd uitgesproken de betekenis ervan helderder leek. Misschien een restant van oude gewoontes. In het schrift schijnt pas in de twaalfde eeuw het fenomeen spatie zijn intrede te hebben gedaan. Voordien was er scripta continua, dat noopte tot hardop lezen om te ontdekken waar het ene woord eindigde en het andere begon.

maandag 19 september 2022

Uit de werkplaats (5)

 


 

 

1.

In zijn alweer uitstekend geluimde memoires Uitgeversgeluk (2022) blijkt Joost Nijsens sleutelwoord ‘via via’. Vreemd, in zijn uppie is ‘via’ een voorzetsel, getweeën wordt het een bijwoord.

Ook wijdt Nijsen warme woorden aan België en verklaart waarom het geen heel erg goed idee is om Vlaanderen ‘de dertiende provincie’ te noemen. Ik besefte lang weg te zijn uit het vaderland – niet beter wetende dat het elf provincies telde.

Een van mijn leesafwijkingen betreft het namenregister. Bij Nijsen begint elke op de achternaam geordende persoon bij de voornaam. Om het leestempo te vertragen of om te relativeren? Hij laat het register mottogewijs voorafgaan door een regel van Taylor Swift: ‘I’ve come too far to watch some namedropping sleaze’.

Vanwege een recent belangstellingsveldje kon ik het niet nalaten één naam in die lijst na te zoeken en in plaats van meer vond ik niets. Vreemd, want de auteur kwam in Uitgeversgeluk voor omdat hij tot Nijsens aloude Vlaamse favorieten behoorde. In de lopende tekst: ‘Boon, Daisne, Lampo, Van den Broeck, De Coninck, en Claus en nog eens Claus’.

Alleen de eerste en de laatste naam bereikten Nijsens register. Omdat ze momenteel de relatief bekendsten zijn? Mocht dat kloppen, dan bevat Uitgeversgeluk een klassenregister.

 

2.

Nijsen maakt zich vrolijk over de uit Amerika overgestoken trend van dankwoorden – en verstrekt er dan uiteraard zelf eentje, van twee pagina’s.

Mij was mijn persoonlijke ergernis over dit fenomeen al bijna ontschoten toen ik een experimentje deed door twee hyperintelligente ik-boeken tegelijk te consumeren. Arjen Duinkers Autobiografie tot op de dag van vandaag, één lang gedicht, las ik moeiteloos door (na de slotpagina volgde slechts een imponerende bibliografie), terwijl ik hopeloos bleef haperen in de korte stukken uit Nina Weijers’ Zelf doen. Hoe dat?

Op pagina 20 is er sprake van ‘dit blad’, wat Weijers’ formele uniformiteit verklaart: columns. Pagina 45 meldt: ‘Ik houd niet van zinnen die beginnen met “Als kind”’. Mijn geduld raakt op en ik steek binnendoor. Na meer dan 300 pagina’s is er, behalve een bibliografie met een overmaat Engels en Der Zauberberg in eerste druk, een dankwoord. Daar worden mensen uitsluitend bij hun voornaam genoemd.

Zelf doen is blijkbaar voor intimi, een jullie. Zo waan ik me extra bevoorrecht om als één van de vele geïmpliceerde jijen Duinkers verhulde autobiografische autobiografie te hebben meebeleefd.

 

3.

Het mooiste gedicht uit Frank Keizers bundel De introductie van het plot (2022) evoceert eerst de late RAF-jaren: ‘het was de herfst van het systeem en zo heet dat je nauwelijks iets op papier kreeg’. Zo kan Keizer er een poëticale laag in aanbrengen en rept van ‘teksten als voorstellen van gedichten die nog moeten komen’. Logisch dat hij eindigt met een pleidooi voor ‘uitkomsten’ en een relativering van de ‘esthetische autonomie’.

Keizer spreekt tegen mij, snap je?!

Verder bevat de bundel een milieupassage met het Wetteren-incident over ‘privatisering // van kennis’. In dat gedicht komt het jaartal 1972 voor, dat bij de Aantekeningen achterin wordt verklaard als verwijzing naar Buelens’ Wat we toen al wisten (2022). Maar dat boek ging toch over het legendarische milieurapport van de Club van Rome?

Verwijst de dichter dus met tekst naar metatekst? Over een toevallig precies vijftig jaar oude tekst over de toenmalige staat van de aarde? Huldigt hij dus de cultuurindustriële rite? Had hij evengoed Jaap Tielbekes We waren gewaarschuwd (2022) kunnen noemen? Of de roman Winterthur (2022) van Alexander Nieuwenhuis? De door Ugo Bardi en Carlos Alvarez Pereira samengestelde artikelenbundel Limits and Beyond (2022)?

Spreekt ook Keizer tegen een jullie?

 

4.

Sinds wanneer worden überhaupt aan dichtbundels wezenloze ‘Verantwoordingen’ annex ‘Aantekeningen’ toegevoegd van het type ‘een vroegere versie van de reeks xxx… stond in het tijdschrift xxx’? Voor die geplogenheden reserveert Keizer bij elkaar milieubewust zes bladzijdes.

Oei, de populist in mij speelt op. Hoewel, ik herinner me de spot waarop Christine D’haen werd onthaald als ze haar bundels afsloot met zulke ‘Aantekeningen’. Maar daarmee verklaarde ze domweg duistere regels en toespelingen, en onthermetiseerde zo haar gedichten. Keizer noemt echter bijna louter boektitels, soms voor ontleende citaten, meestal uit schatplichtigheid. Van tekst aan tekst, dus? Een doorverwijsstation?

De dichter beweert in februari 2020 een Rosa Luxemburg-tentoonstelling te hebben bezocht, die liep tot januari van dat jaar. Als andere inspiratiebron noemt Keizer het brievenboek Ik voel me in de hele wereld thuis, dat hij dateert op 2019. Maar het stamt uit 2020. Hallo? Hallo! Aarde?

Wat me ook frappeert: na auteurs te hebben opgesomd door hun voor- en achternaam te beginnen met een kapitaal, eindigt Keizer met een rij niet-alfabetisch gerangschikte inspiratiebronnen bij wie alles onderkast wordt. Van herodotus over martin heidegger tot willem schinkel.

 

5.

Volgens Joost Nijsen is een uitgeverij een geheel waarvan de losse onderdelen elkaar voor missers behoeden. Goed geolied!

Bij Keizers bundel ontspoor ik door de kleinste categorie: het lidwoord. Al bij de titel. Moet De introductie van het plot niet de plot zijn? Het Groene Boekje geeft me gelijk.

En klopt ‘het etymologische doolhof van martin’? Het Groene Boekje geeft zowel de optie mannelijk als onzijdig. En ‘de hof van eden’? Het Groene Boekje geeft Keizer gelijk.

Hindert hier alsnog een esthetische autonomie? Had het anders gekund? Bij mijn weten debuteerde Arjen P. Duinker in 1980 in Hollands Maandblad met acht gedichten, waarvan het vijfde nogal onvergetelijk is geworden: 

De moet

een zijn

woensdag 14 september 2022

Alleen voor quizzers


 

 

Het meeste in Rachel Carsons boek De zee (een wel erg economische titelvertaling van The Sea Around Us) gaat, vrees ik als stadsjochie, langs mij heen. Toch heb ik inhaalkennis opgedaan. Het woord plankton komt van πλαγκτός, wat in het Grieks letterlijk ‘dolend’, ‘losgeslagen’ betekent. Voor mij een schitterende verheldering: plankton zit diep weggestopt voor het oog, heeft geen echte autonomie, stroomt mee – én staat aan de basis van onze voedselketen.

Arbeid aan een encyclopedie heeft me bevestigd in de intuïtie dat we vooral kijken naar het dichtbij, wat is gaan inhouden: het vaakst gereproduceerde. Vanuit het perspectief van de val bleek het voor de mensheid inderdaad aanlokkelijk hoog boven laag te stellen. Dat bracht me terug bij Metaphors We Live By, de studie waarin Lakoff & Johnson aantoonden dat onze waarden geen zelfstandig leven leiden buiten de taal.

‘Hoog’ hangt bij hen samen met ‘boven’ en ‘meer’ en ‘goed’, met een op expansie gebaseerde toekomst: ‘minder’ en ‘kleiner’ en ‘slechter’ wordt automatisch het lot van wie ‘laag’ vertoeft.

Daar sta je dan, als plankton zijnde! Maar evengoed als leerling in een onderwijs dat A- en B-categorieën hanteert. Daarbij is de eerste letter van het alfabet gereserveerd voor ‘hoger’ onderwijs dat ooit universitair hoopt te worden. Maar ja, ook de grootste geleerden moeten naar de wc en zullen het op prijs stellen hun droppings te kunnen wegspoelen. Dankzij de ‘lage’ loodgieter.

Ik vond het dan ook geweldig dat dichteres-docente Ruth Lasters samen met leerlingen een gedicht schreef waarin die schandalige tweedeling bestreden werd. (Onlangs is over die tekst gemeningd, weer eens uit een censuur-frame, omdat de lokale schepen, van de Vlaams-nationalistische N-VA, er geen stadsgedicht van wilde maken. Dat gekibbel speelde zich allerminst op planktondiepte af, en door de kwantiteit werden de dienstdoende stad en de landelijke media hopeloos provinciaal.)

Achteraf stuitte ik via via de basistekst, die Lasters had rondgestuurd:

 

Losgeld

 

Olie-, oliedomme staat

die leerlingen vanaf twaalf jaar

nog altijd letterlijk met ‘A’ labelt of ‘B’. Welkom in het middelbaar!

Aan Vlaanderen een vraag: wanneer ligt de maatschappij volledig plat?

Is dat wanneer ___________________________________________ ?

Of als _________________________________________________?

Ah, inderdaad! Het land ligt op zijn gat als ______________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ .

En wie is nu het slimst, iemand die weet

waar de Aconcagua ligt (vraag uit De slimste mens ter wereld)

of wie ___________________________________________ _______________________________________________ ?

Iemand die weet ______________________________________ __________________________________________________ ?

Wij moesten maar eens over A- en B-ministers praten. Dan zouden ze misschien

verstaan hoe het aanvoelt. Alsof wij tweede keus zijn, alsof een stiel leren

slechts een plan B kan zijn

voor als de A-richting iemand niet ligt, niet gaat.

Straks vraagt gij, Vlaanderen, nog losgeld voor het woord ‘intelligent’

dat gij al eeuwenlang gegijzeld houdt, alleen voor quizzers reserveert,

voor dokters, _____________________________________________ .

Terwijl wij, ___________________________________________________

Kunt gij dat, Vlaanderen? En weet gij alles, zoals wij, _____________ ,

over _________________________________________________________ ____________________________________________________________ __________________________________________________________ ?

Zolang gij, Vlaanderen, niet ook de vakman slim noemt

in kranten, spelprogramma’s en journaals,

zijt gij de A’s in uw naam VlAAnderen niet waard.

 

Waar ligt die Aconcagua? Volgens mijn liever anoniem blijvende collega-in-encyclopediezaken nogal ver boven zeeniveau, een omgekeerde trog dus.

Lasters’ punt van ‘wij’ versus ‘gij’ is duidelijk en kwam in de definitieve, ingevulde versie uitstekend naar voren. Ik vraag me wel af of die als samenwerking kon gelden, waarin plankton ook eens eet in plaats van gegeten te worden. Hoe terecht het mocht zijn dat de namen werden vermeld van de leerlingen Kelvin Kamau, Miguel Angel, Charlotte Sibaers, Amber Serresen, Nyano Van Mechelen en Inne Michiels, ze dreven hier volgens mij toch echt mee op de stroom van de juf!

vrijdag 2 september 2022

Sappho’s appel als asymptoot

 


 

Vandaag: Paul Claes (Leuven, 1943). Hij schreef tot nog toe honderdzestig boeken en is onder meer dichter, prozaïst, essayist en literatuurwetenschapper. Ook vertaalt Claes uit het Grieks, Latijn, Frans, Duits en Engels. Onderstaande tekst is ontstaan door Poetry International 2012, gewijd aan het onvoltooide. Toen vroeg ik Claes om in tien minuten tijd Nederlandse vertalingen te bespreken van een drieregelig Sappho-fragment. De toespraak werd vervolgens gepubliceerd in het tijdschrift Filter. Nadien stuitte Claes op meer vertalingen van het fragment. Op de valreep herinnerde hij zich het bovendien zelf nog, als student in Leuven, te hebben vertaald. Zo’n decennium na zijn toespraak heeft Claes zijn nieuwe bevindingen verwerkt in een geactualiseerde versie.

 

 

 

Een asymptoot is een rechte die door een kromme benaderd wordt zonder daar ooit mee samen te vallen. Die limiet lijkt een mooie metafoor voor het vertalen. Hoe goed een vertaling ook is, het origineel blijft onbereikbaar.

Sappho is de onbereikbare bij uitstek. Haar leven is onbekend, haar werk vrijwel verloren, haar poëzie onvertaalbaar. Onbereikbaarheid is ook het thema van een van haar fragmenten. In een bruiloftslied vergelijkt de dichteres een ongenaakbare bruid met een onplukbare appel.

De Laatgriekse filosoof Syrianus citeert het fragment in zijn commentaar op Hermogenes’ literaire studie Peri ideoon, 1.1. In moderne tekstuitgaven staat het bekend als fragment 93 (Bergk), fragment 116 (Diehl) of fragment 105a (Voigt, Campbell):

 

OION TO GLUKUMALON EREUQETAI AKRWI EPUSDWI

AKRON EPAKROTATWI, LELAQONTO DE MALODROPHES

OU MAN EKLELAQONTALLOUK EDUNANTEPIKESQAI

           

Deze drie verzen klonken in de tijd van Sappho ongeveer als volgt:

 

oion to glukumalon ereuthetai akrooi ep’usdooi

akron ep’akrotatooi, lelathonto de malodropèes

ou maan eklelathont’, all’ouk edunant’ epikesthai.

 

Zelfs een ongeletterde Griek herkende de cadans van deze verzen: de homerische hexameter. De versmaat bestaat uit zes voeten, die dactylen (lang kort kort) of spondeeën (lang lang) konden zijn. We kunnen de verzen zo scanderen:

 

      / − ˘ ˘  / −  ˘ ˘ / −  ˘ ˘ / −  ˘ ˘  / − 

  − ˘ ˘  /  − ˘ ˘ / −  ˘ ˘ / −  ˘ ˘ / − ˘ ˘   / −  ˘

      / −  ˘ ˘ / −    / −  ˘ ˘ / − ˘ ˘   / − 

 

Beroemd is de Engelse berijming door de prerafaëliet Dante Gabriel Rossetti:

 

Like the sweet-apple which reddens

On the utmost bough,

A-top of the topmost twig –

Which the pluckers forgot somehow,

Forgot it not, nay, but got it not,

For none could get it till now.

 

Dit ene fragment van Sappho is inmiddels al zo’n twintig keer in het Nederlands vertaald. Elke versie is een greep naar het onbereikbare.

 

 

1

De allereerste vertaler van het fragment is Herman Gorter, de Tachtiger die niet alleen dichter maar ook classicus was. Tussen 1910 en 1924 schreef hij Liedjes over de geest der muziek der nieuwe menschheid (postuum gepubliceerd bij Van Dishoeck, Bussum 1930). Een van die liedjes is deze navolging van Sappho:

 

Zooals één roode appel, in ’t hoogste van den groenenden boomgaard

Bloost in de bladeren, hem vergaten de appelplukkers! –

Neen, zij vergaten hem niet, zij konden hem niet bereiken!

 

De weergave is nogal vrij. Een ‘glukumèlon’ (letterlijk ‘zoete appel’) is geen ‘roode appel’, bij Sappho is er geen sprake van een ‘groenende boomgaard’ en ‘bladeren’.

Wellicht bevredigde de versie Gorter niet, want zijn eveneens postuum verschenen studie De groote dichters (Amsterdam: Querido 1935) biedt een prozaweergave:      

 

Zooals de zoete appel rood wordt aan het uiterste takje, hoog aan het hoogste, hem vergaten de appelplukkers – neen, ze vergaten hem niet, ze konden hem niet bereiken.

           

Gorter zet ten onrechte een punt achter de uitgewerkte vergelijking naar homerisch model. We kunnen de ontbrekende hoofdzin aanvullen dankzij een opmerking van Himerios (Redevoeringen 9.16), die zegt dat Sappho een bruid met een appel vergelijkt. Bijvoorbeeld aldus: ‘zo is ook de bruid die door vele mannen werd begeerd alvorens de laatste haar kon grijpen.’

Gorters proza volgt de oorspronkelijke maat min of meer. Zo is ‘neen, ze vergaten hem niet, ze konden hem niet bereiken’ een zuivere hexameter. De stroeve inversie ‘hem vergaten de appelplukkers’ is zo te verklaren. Sappho herhaalt driemaal een vorm van ‘akros’, Gorter vertaalt voor het metrum afwisselend als ‘uiterste’, ‘hoog’ en ‘hoogste’. De vertaler benadert zijn model, maar bereikt het net niet.

 

2

P. C. Boutens was net als Gorter dichter en classicus. Hij vertaalde het fragment van de Lesbische dichteres onder de titel Oden en fragmenten van Sapfo (Maastricht: Stols 1928). Maar een vertaling van ons fragment stond al eerder in een bloemlezing van W.E.J. Kuyper, Grieksche lyriek (1923).

 

Appel

Zooals ’n volrijpe appel aan ’t uiteind roodt van zijn takje

Hoog in den top van den boom, dien de appelenplukkers vergaten –

Neen, zij vergaten hem niet, zij vermochten hem niet te bereiken....

           

Boutens kiest een weinigzeggende titel en geeft met een beletselteken aan dat het fragment onvolledig is. Hij volgt de oorspronkelijke versmaat angstvallig na. Zo geeft hij ‘glukumalon’ weer als ‘volrijpe appel’, omdat de eind-e door elisie voor de volgende klinker wegvalt. Ook de afkappingen ‘’n’ en ‘’t’ evenals de vreemde vorm ‘appelenplukkers’ staan er alleen maar voor het metrum. Boutens vermijdt een inversie door de relatiefzin ‘dien de appelenplukkers vergaten’, maar het betrekkelijk voornaamwoord ‘dien’ lijkt nu te verwijzen naar ‘boom’ in plaats van naar ‘appel’.

De Vlaamse auteur Marnix Gijsen (pseudoniem van Jan-Albert Goris) neemt dit fragment zonder bronvermelding over in zijn reisboek Odysseus achterna (1930). Hij laat de titel weg en brengt drie kleine retouches aan: ‘een’ in plaats van ‘n’, ‘uiterste’ in plaats van ‘uiteind’ (twee verbeteringen) en een emfatisch ‘Néén’ in plaats van ‘Neen’.

 

3

De graecus W.J.M. Koster, later hoogleraar en rector in Groningen, vertaalde in zijn artikel ‘Leopold en de klassieken’ (Hermeneus, 4e jaargang, aflevering 6, 1932, p. 83-87, zie p. 84) het fragment in proza:

 

zooals de zoete-appel een blos krijgt aan het uiteinde van een twijg, heel aan het uiteinde, en de appelplukkers vergaten hem dan ook; maar neen, zij vergaten hem niet, doch zij konden hem niet bereiken –

 

Koster geeft het tegenstellende ‘de’ in het tweede vers ietwat onhandig weer als ‘en… dan ook’, wellicht om de herhaling van ‘maar’ in het derde vers te vermijden.

 

4

W.E.J. Kuiper, hoogleraar aan de universiteit van Amsterdam, bracht onder meer fragmenten van Griekse lyrici bij elkaar in Griekse varia (Haarlem: Spaarnestad 1956).

 

Zo als een zomerzoet’ appel bloost aan den top van zijn takje,

Toplings aan d’uitersten top, vergeten met al door de plukkers–

Och welnee, niet vergeten op ’t eind, maar niet te bereiken!

 

Net als Boutens probeert Kuiper het metrum krampachtig na te bootsen. Vandaar de elisies ‘zomerzoet’ appel’ en ‘d’uitersten’ evenals de vulsels ‘met al’ en ‘op ’t eind’. Eigenlijk past ‘zomerzoet’ niet in de versmaat: het woord is geen dactylus (lang kort kort), maar een creticus (lang kort lang). Het verzinsel ‘Toplings’ naast het dubbele ‘top’ is een poging om het drievoudige ‘akros’ weer te geven.

 

5

J.D. Meerwaldt publiceerde ‘Gedichten en fragmenten van Sappho’ in het tijdschrift Centaur, 1, 1945-1946; p. 614-664. Die studie werd herdrukt in Vormaspecten (’s-Gravenhage: A.A.M. Stols 1958).

De hooggeleerde classicus, die de Latijnse tekst verzon voor het monument op de Dam in Amsterdam, volgt het homerische metrum van het fragment meticuleus na. De titel ‘De onbereikbare’ geeft de pointe voorbarig weg.

 

De onbereikbare

Zo als een appel zoet bloos-kleurt aan het eind van zijn takje,

Uiter aan uiterste tak en van plukkeren al er vergeten –

Neen, neen, niet er vergeten, maar hoger hij hing dan zij reikten...

           

Deze poëtasterij klinkt nu ridicuul: ‘bloos-kleurt’, ‘Uiter’, ‘plukkeren’. Pijnlijke inversies zijn: ‘niet er vergeten’ en ‘hoger hij hing’. Net als Kuiper verdient Meerwaldt een onvoldoende.

donderdag 25 augustus 2022

Hoog op tot de kin

 


 

Redelijkerwijs zou ik onmiddellijk moeten stoppen met bloggen. Zoals alles in het digitaal verkeer wordt de onzin die ik hier verkoop opgeslagen in datacentra. Waarheen en waarvoor, dat heb ik nooit gesnapt. Dat wanbegrip sprak ik ook meermalen uit – voor welke toekomst stroom verspild?

Inmiddels is duidelijk dat er wel meer wordt verspild. Water, met name, om die datacentra te koelen, indien ventilerende lucht daar niet meer toe in staat is, bij een buitentemperatuur van meer dan 25 graden. In niet geheel onvoorspelde tijden van klimaatopwarming!

Er is berekend dat vorig jaar één datacentrum in Noord-Holland evenveel drinkwater nodig had als 1750 burgers. Zou een breedblikker dit peanuts vinden? In de provincie Los Angeles gebruikte Sylvester Stallone in één maand 870.00 liter te veel van het goedje. Proactief, uiteraard, omdat anders zijn bomen uitgedroogd zouden omvallen op belendende percelen.

Misschien is het zuur, burgerlijk of passé om te jeremiëren? Want wat is verspilling nu helemaal? België heeft net Pukkelpop achter de rug, waar berichten over achtergelaten voedsel (2,5 ton) even naturel geworden zijn als tweets tijdens Zomergasten.

Toch zit me dat water niet lekker. Uit arren moede goot ik mijn gedachten in poëzie. En kwam tot de ontdekking dat het bekendste watergedicht uit de Nederlandse literatuur, rond Zaltbommel, er geen woord aan vuil maakt. Nijhoffs ‘De moeder de vrouw’ (1934) beperkt zich tot brug, landschap, schip, stroomaf, dek en roer.

Is het daarom dat de interpretaties door blijven sijpelen? Of dat pastiches in hun flauwheid vooral ecologisch machteloos zijn? Ook zijn er dichters die hulde aan het origineel bewijzen. Volgens mij deed wijlen Robert Anker dat in zijn bundel De broekbewapperde mens (2002):

 

Het goede schip

 

In Amsterdam bij Kostverloren door de brug

kwam het hoge schip het had de luiken open

gevaren in de stad. Het was een ochtend in april

het verkeer was stilgevallen zelfs geen fietsbel

rinkelde want aan dit varen kwam geen einde.

Ik stak geen sigaret op met de kringelende rook

– het was windstil het raam stond open van de auto –

tilde zich uit mij verloren wimpeling hoog op

in de lucht met de hartslag van het schip het zachte

razen van de stad het tjilpen van de vogels

toen een rinkelende bel mij maande op te gaan

naar mijn verloren doel. Ver weg al zag ik net niet

haar naam onder de vlag van de schroef het witte water.

 

Nijhoffs platteland is verplaatst naar de stad, bij herschrijving voor de bundel schrapte Anker basale interpunctie en uit het oorspronkelijke sonnet is het wit gegumd. Wie de regels natelt, merkt dat er weer eens eentje uit de klassiekste dichtvorm is weggevallen. En terwijl Nijhoffs ik-figuur de schippersvrouw waarneemt en haar ‘midden uit de oneindigheid’ psalmen hoort zingen, is het in deze seculiere versie wonderlijk stil en ziet de ik-figuur ‘net niet / haar naam’.

In hetzelfde jaar als Anker publiceerde Jacob Groot de bundel Zij Is Er, en daarin is ‘midden uit de oneindigheid’ de titel van een gedicht met sonnetvorm geworden:

 

Onder het aanbiddelijkste blauw smelten de klokken samen

in hun zending: boven de rivier, strijkt de wind door het kapsel

van de bomen: zonder schaduw, waar een hitteschild werpt zijn

donker, hier een kerk, daar een kerk, vooruit op de dijk en over

 

het water, tussen Gameren en Haaften, varen, snelveren, heen

en weer hun klanken, overstemmen, de zwaluwen dol van de drukte

in de lucht, de brug, als de landman plaatst de wagen, de neus

naar de schepen, stationair, of hij meevaart, motoren die

 

weiden, dorstig, als dieren: of hij komt om, winddroog, te horen

de woorden voorshands uit de bijbel voor zich, op zich, namen

waarmee ze noemen, straks in de koelte, wat ontbreekt, niet aan hem

 

maar aan de werkelijkheid, zonder hem, en tot die werkelijkheid

behoort als de grond aan zijn bloemen, of de Waal aan haar

water, of aan het water zijn Waal, aan dat water de Wateren

 

Hier is Nijhoffs oorspronkelijke locatie opgezocht, terug in het landschap. Vanwege de ‘motoren’ dringt wel het besef door dat er, al tracht de dichter ze te laten gedragen als dieren, zoveel tijd is voorbijgegaan dat er een industrieel heden bestaat dat arcadia vaarwel moest zeggen. Groot wil werkelijkheid en niets dan dat, maar zijn verwoording is literair. Meteen al, wanneer door de wind de bomen een ‘kapsel’ krijgen.

In dit gedicht domineert geen ik maar een blik. Het schouwt.

Gelijktijdigheid is volgens mij het resultaat. ‘Midden uit de oneindigheid’ evoceert de huidige Betuwe en Nijhoffs Zaltbommel en iets wat daartussen zit (Gameren heet sinds 1955 Kerkwijk) en legt er een oersfeer onder waarbij Groot ‘de bijbel’ wel moet vernoemen. Mij fascineert dat hij al in 1998 in een essay Nijhoffs gedicht onder de loep nam. Hij zag een kleinschalige ansichtkaart zich ontplooien tot visioen: ‘het lokale wordt kosmos, de middag tijdloos, de anekdote mythisch’. En dat allemaal dankzij de vrouwenstem – een uitgebreide versie van het essay bundelde Groot in Gelukkige lippen uit 2004.

vrijdag 12 augustus 2022

Don’t back the losers

 


 

 

Ja spuitgasten, mijn ogen worden steeds slechter. Toch las ik op het Jumbo-supermarktreclamebord van veraf echt Halal en niet Hallo! Eenmaal in Engeland ontwaarde ik redding voor de gourmande en mij, die onwaarschijnlijk moesten piesen. Maar bij benadering bleek het opschrift: TO LET.

*

We beginnen net en zijn met recht onderweg, maar hoe ontzettend vriendelijk zijn die West-Noord-Brabanders tegen ons, sukkels die op spierkracht door de hitte rijden. Omdat we jong én oud zijn? Of wit? Ik herinner me beelden van woedende burgers tegen een asielcentrum in Steenbergen, niet dat een nabijgelegen gemeente Stampersgat heette.

*

Het keihard werkende personeel op de boot naar Harwich oogt zonder uitzondering Oost-Aziatisch, behalve de mensen aan de balie die hyperbleek staan van de representatie.

*

Aan het van hitte blinkende kiezelstrand zit een opa in een smetteloos wit pak, met platte hoed. Hij houdt twee ijsjes vast, en zijn linkerhand begint roomkleurig te bloeden. Zijn vrouw blijkt een kleinzoon naar het toilet te hebben geholpen en duwt diens wagen terug richting zon. Als ik ’s avonds aan het taalkundig genie dit gebeurtenisje memoreer, zegt ze dat het pak van de opa crèmekleurig was.

*

Als ik iets ‘toxisch’ moet noemen, zijn het mensen die hun smartphone in de hand dragen.

*

Mijn e-reader werkt ineens niet meer! Wat nu? Een dikke maand zonder lezen? Ik snap al niets van interviewvragen naar boeken op het nachtkastje – daar ligt bij mij leegte, na een dag letterslurpen. De gourmande heeft medelijden en zegt dat ik haar e-reader mag. Daar tref ik kinderboeken en historische werken die me naar mijn allerbekwaamste inzichten geschikt voor haar leeftijd hadden geleken. Maar wat een taaie en saaie tekst, Een zwerver verliefd.

Gelukkig kunnen we mijn apparaat repareren.

*

Overal toerist zijnde let ik thuis waarschijnlijk onvoldoende op. Getatoeëerde vrouwen hebben hier vaak iets op hun voeten, misschien de handtekening van de artiest. Maar ze zien die vaak niet omdat ze toch wel erg dik zijn – benen strekken is de enige oplossing (ik hoorde eens over een Duits café waar mannen bij de urinoirs via spiegeltjes toch hun schwanz konden inspecteren).

*

Komt het door beelden van de vermaledijde Jimmy Savile die zijn pre-Thatcheriaanse charity kracht bijzette op kleurige wielrenfietsen, dat ik oprecht verbaasd ben amper tweewielers te zien, helemaal buiten steden? En in steden had ik meer Bromptons verwacht.

Natuurlijk, het landschap is grillig en zonder ritme dat een lichaam kan doen laten wennen. Achter elke hoek kan een very steep helling beginnen (met de fiets in de hand geeft de teller nog 0 mph) om na een paar honderd meter net zo makkelijk te stoppen.

De meeste tijd fietsen we sowieso zonder context, in een soort kokers, tussen hagen en muren – het is niet makkelijk zicht te krijgen op Engelse landschappen. Toch geloven we niet goed dat Oekraïne exclusief de graanschuur van de wereld is.

Tegemoet komen ons wielrenners die, al dan niet in groep, steevast enthousiast groeten, stuk voor stuk. Als we stilstaan vragen voorbijgangers of we really geen elektrische ondersteuning hebben.

Natuurlijk bevestigt de uitzondering, in de gedaante van jochies die net hun rijbewijs gehaald hebben, de regel: hoe hoffelijk betonen zich Engelse automobilisten, die bijna geruisloos achter ons blijven hangen of boven op een heuvel stoppen als we in aantocht zijn en zo bij de klim een beetje verkrampen.

*

Bij de tent lees ik eerst Massih Hutaks Jij hebt ons niet ontdekt en daarna Een klein land met verre uithoeken. Ongelijke kansen in veranderend Nederland van Floor Milikowski. Hun verhalen vertonen minstens één raakvlak: het verschil tussen een kosmopolitische en een dorpse sfeer die elkaar maar niet willen ontmoeten. Het toont zich al in winkels, zoals we in Frankrijk beleefden.

Ketensupermarkten zijn extreem lang open, van 6 tot 23 uur, ook op zondag. Ja, Thatcher wist indertijd hoe de macht van vakbonden te breken. Evenmin kinderachtige openingstijden kennen de kleinere COOPs, gedreven door donkere mensen. Ik liet er een oude, getatoeëerde vrouw voorgaan die alleen maar twee pakjes sigaretten wilde afrekenen. Ze kostten 28 euro en zij betaalde met haar creditcard.

*

Telkens hoor ik dat de gourmande ‘bureau’ tegen me zegt, maar het blijkt ‘bro’ te zijn. Wel versta ik haar herhaalde mening goed dat de beste campings geen douches hebben.

*

Midden juli: traditiegetrouw kamperen we op lichtgele velden tussen herfstbladen. Op een prachtige ecocamping is het gemaaide gras gebarsten, hard als steen, met gaten en al (de campinghouder verzorgt dagelijks de zelfcomposterende toiletten en rijdt, o eeuwig lonkende diagnose van de hypocriet, met een bestelwagen).

*

De boer op wiens landgoed we verloren zijn gereden en die het achter hoog gras verscholen paadje toont dat ons op de route zal brengen, roept bij onze antwoorden op wat we in Engeland doen: ‘Bly me’ (Hodges in Dad’s Army). Nee, zo moet dat blijkbaar gespeld: Blimey.

*

Nu sneeft de e-reader van het taalkundig genie. Ik beloof haar een papieren versie van het boek dat ze, wonderbaarlijk als vijftienjarige, aan het lezen is in de oorspronkelijke taal, Emma. Op Oxfordse Broad Street heeft de firma Blackwell’s er zeven verschillende edities van op voorraad. Dan dalen we naar de kelder en staan paf – lijkt wel een bibliotheek! Ik loop blind op een kast af en zie daar allerlei delen van Multatuli’s Volledige Werken… Het blijken dummy’s, aanbevolen om er dagboek in te houden. Zelf millennial worden?

*

Het lijkt wel of iedereen een hond heeft. Op het tentenveld worden we bezocht door camper- en caravanbezitters die er hun edele viervoeter uitlaten. Keurig aan de randen, natuurlijk, waar niet-geautoriseerde kampeerders slapen, zitten en koken.

We zagen advertenties voor hondenijs. Een gastronomisch restaurant vlak bij Canterbury berichtte expliciet dat honden welkom waren (anders dan wij, bezweet en in een lichtgewicht kloffie). Op de toog stond een glazen pot met brokken.

*

Bij Salisbury een driehoekig verkeersbord van twee gebogen mensen met wandelstok. Onderschrift: Elderly People. Verderop, naast de prachtkathedraal omgord door groene ruimte, de rode telefooncel die ik zo vaak in televisieseries zag. Nu staat er werktuiglijk een puber in, die door zijn ouders wordt gemaand te doen alsof hij belt, met de hoorn in zijn hand en een heel raar snoer. Ze fotograferen hem. ‘Zo ging dat, vroeger’.

donderdag 7 juli 2022

En daar kwam een grote man

 

 

 

Nog binnen één eeuw verscheen er een publiek toegankelijke digitale uitgave van Jan Engelmans bundel Sine nomine. Dit betekent dat met één muisklik nu deze collectief opgeslagen regels op het scherm kunnen bovenkomen: ‘Ambriosa, wat vloeit mij aan? / uw schedeldak is koeler maan’. Heuse poëzie? Of boerenbedrog? Waar gaat dit over?

Die vraag is destijds gesteld en diverse malen in de literatuurgeschiedenis herhaald met alternatieve bewijsplaatsen. Door een jonge Pfeijffer bijvoorbeeld, via Luceberts ‘de oude meepse barg ligt / nimmermeer in drab’. Gemeen hebben zulke betogen dat ze cirkelen rond woorden die minder bekendheid hebben of die in gelegenheidscombinatie duister zijn.

Ze veroorzaken een chillen in de taal. Een dronkenschap binnen de perken, die democratisch is. Al als kind ervaar je zoiets evengoed. Jaren geleden hield K3 een auditieronde voor een nieuwe blonde en daar hoorde een liedje bij: ‘Mamasé! Mamasá! Mama saka mumba’. Magisch, terwijl de tekst verder in begrijpelijk Nederlands was.

De meeste popmuziek is voor kinderen gesteld in een onbegrijpelijk Esperanto dat hun ouders wel Engels noemen, en van weerkerende frasen maakt elk kind eigen versies (K3 werd voorafgegaan door Michael Jackson). Het doet dan hetzelfde als gemiddeld tot niet opgeleide katholieken die de Latijnse mis nog mee hebben beleefd. Preveling van de ziel, vakantie van de geest?.

Voor het gevoel van gelukzalige betekenisverlossing wend ik me zelf liever tot de edele kunst van de muziek, instrumentaal graag. Tegelijk heeft zeker pop van den beginne af laten zien dat er taal in kan voorkomen die dat gevoel opwekt. Niemand minder dan Gene Vincent stootte in 1956 dit uit: ‘Well be-bop-a-Lula she’s my baby / Be-bop-a-Lula I don’t mean maybe’.

Klinkt nog altijd geweldig, zelfs met uitleg van mijn bejaarde vriend Wikipedia:

 

Vincent himself sometimes claimed that he wrote the words inspired by the comic strip, "Little Lulu": "I come in dead drunk and stumble over the bed. And me and Don Graves were looking at this bloody book; it was called Little Lulu. And I said, "Hell, man, it's 'Be-Bop-a-Lulu.' And he said, 'Yeah, man, swinging.' And we wrote this song."

The phrase "Be-Bop-a-Lula" is similar to "Be-Baba-Leba", the title of a No. 3 R&B chart hit for Helen Humes in 1945, which became a bigger hit when recorded by Lionel Hampton as "Hey! Ba-Ba-Re-Bop." This phrase, or something very similar, was widely used in jazz circles in the 1940s, giving its name to the bebop style, and possibly being ultimately derived from the shout of "Arriba! Arriba!" used by Latin American bandleaders to encourage band members.

 

Dat aanmoedigen herken ik zeker van Herman Brood, die in zijn toptijd, eind jaren zeventig, zichzelf en publiek ‘Cha Cha’ toeschreeuwde. Ik geloof niet dat het iets betekende, wel dat het een initiatie was om bij zijn Wild Romance-project te horen. Zowel een live-elpee als een film droegen toen die titel; een comebackplaat, een decennium later, noemde hij klankzuchtig Yada Yada.

Dat deze kreten sterk lijken op ‘dada’, zal geen toeval zijn. Deze taal ambieert een naturel, zoals het chillen intellectuele inspanningen graag mist. Een kind kan de was doen, heet dat, en in dit geval is die klus voor baby’s die via ‘dada’ na de vakantie mogelijk ‘mama’ en ‘papa’ uit het systeem weten te persen. Dan doemt de wereld, met verplichtingen.

Ook het Wiki-verband met bebop snap ik. Deze geavanceerde vorm van jazz onttrok zich toch een beetje aan de esthetische patronen die zich tot dusver aan het oor hadden gekluisterd. Charlie Parker kwam met het nummer ‘Ah-Leu-Cha’, geïnspireerd op Gershwins klassieke ‘I Got Rhythm’.

Elke generatie zal haar kreten hebben waarin ze kan wonen, doordat ze die op gevoelige leeftijd heeft ontmoet. Voor babyboomers als Herman Brood kan dat ‘Yakety Yak’ (1958) zijn geweest, naar een idee dat tieners een conflict aangaan met hun ouder; hij speelde destijds dat nummer van The Coasters graag als toegift.

Voor zijn generatie zal Vincents ‘Be-Bop-a-Lula’ ook meer richting hebben gegeven dan Hamptons ‘Be-Baba-Re-Bop’. Hoewel? De zeer fijne Haagse progrockband Supersister ontstond anno 1967, in de middelbareschooljaren. Voordat hij de band verliet omdat hij een psychedelischer kant op wilde, leverde stichtend lid Rob Douw, onlangs overleden, meer dan één fraai Nederlandstalig nummer.

Dat bleek althans achteraf, uit de anthologie Looking Back, Naked (2020). Douw schreef destijds onder meer ‘Heebaberieba’:

 

Twee bejaarde dametjes

Heel tenger en heel teer

Die liepen in een parkje

Voorzichtig op en neer

 

Heebaberieba 2x

 

Ze liepen niet zo snel

Want ze waren al zo oud

En werden nu toch wel

Wat angstig in het woud

 

Heebaberieba 3x Wow!

 

En daar kwam

Een grote man

Die gretig naar hen greep (Heuj!)

Hij deed ze eerst

Heel veel pijn

En bracht ze toen om zeep (Heuj!)

 

Lalalalalalala...

 

Supersisters oerformatie vertelt in het liedje een naar ik vrees universeel verhaal, en draait daartoe de rollen om. In sprookjes zijn het kinderen die in een donker bos afgeraden wordt van het pad af te wijken. Ditmaal zijn het naamloze ouden van dagen; hun einde verloopt onverminderd volgens de spreekwoordelijke wreedheid van de natuur, al kan ‘de grote man’ evengoed een God zijn geweest.

Wie of wat ook handelde, geschiedde dat uit rechtschapenheid? En geeft zij met terugwerkende kracht betekenis?