woensdag 7 juli 2021

One Man Only

 

 

 

 

 

Aan Wat-Als-scenario’s geeft Yesterday (2019) wel een heel charmante invulling. De film vertrekt vanuit geheugenverlies na een korte stroomstoring. Daarna kent een extreem onsuccesvolle singer-songwriter, die tijdens de seconden van technologisch falen van zijn fiets werd gereden en uit een coma moet ontwaken, als bijna enige ter wereld nog de liedjes van The Beatles.

Hij gelooft het zelf niet, maar Google bewijst het: de bandnaam geeft geen treffers.

En kijk, dat hij de mensheid kan laten kennismaken met hun repertoire zorgt voor een opwinding die ik, amper vijf toen de Fab Four stopte, denk te kunnen begrijpen. Popmuziek werd uitgevonden waar luisteraars bij stonden en het ene liedje klonk nog natureller dan het andere. Bij dat geschenk valt elk bedrog, zoals gepleegd door de man, in het niet, meen ik.

Misschien vind ik dat ook omdat in mijn vak van de taal momenteel niets vanzelfsprekend het oor in- en uitgaat. In de maatschappij woedt al jaren een genderdebat, men rept van vloeibare identiteiten en die zullen hun beslag krijgen in woorden. Bijvoorbeeld in Zweden gebeurde dat jaren geleden en nu zit het Nederlandse taalgebied te hannesen met Amerikaanse import.

Dat zorgt voor een discussie die de naam niet verdient. De ene partij ontkent domweg het probleem, de andere wrijft het er bruut in.

Laat die voornaamwoordenverwarring dan maar gelijk nieuwe helderheid scheppen in het altijd al diffuse gebied van verwijzingen. Over Nederlanders beweert het Noord-Koreaanse hoofdpersonage in Anna Moraals mooie roman Honden huilen niet: ‘Het volk dat aan de verkeerde kant van de geschiedenis heeft gestaan, wiens vaders tegen de onze hadden gevochten.’ Is ‘waarvan’ of ‘welks’ een verbetering die iedereen meteen omhelst?

Daarin schuilt voor mij dé verdienste van The Beatles. Hun liedjes wekken een indruk die volstrekt democratisch is. Een luisteraar is ‘mee’. Mij verraste het aangenaam dat Yesterday daar niet de draak mee steekt. Evengoed had in een aangepast scenario de zanger de vele Beatles-klassiekers kunnen vertolken zonder weerklank.

Voor mij was het ook wel treffend dat de man op Google nog wel The Rolling Stones terugvindt. Doet hem evenmin veel. Zwaarder is hij onder de indruk van het feit dat Coca Cola foetsie is. In zijn wereld van na de stroomstoring wordt van die drank louter nog Pepsi gedronken. Een postume overwinning voor Michael Jackson, tevens een behoorlijke tijd eigenaar van de Beatles-liedjes.

Ontelbare keren heb ik deze songs herbeluisterd, maar dat is slechts verslaafdheid, een wegzakken in de hoop ervaring te herwinnen die medeaardbewoners ooit meteen moeten hebben beleefd. Een generatiekwestie? Het zal mijn Wat-Als-scenario wezen, zoals er momenteel families zijn die hun geliefde gisterenavond rond halfacht op een andere plek hadden willen zien opduiken.

Kennis achteraf speelt Yesterday op een koddige manier uit. Zoals een suggestie van Ed Sheeran om ‘Hey Jude’ te veranderen in ‘Hey Dude’. Of bij een marketingvergadering over de titel van het album waarmee de wereld moet veranderen: Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band is te lang, Abbey Road is een straat waar men aan de verkeerde kant rijdt en The White Album is niet divers genoeg.

De uitkomst One Man Only mag dan wel de andere keerzijde heten.

Gelukkig ontwaakt de bedrieger uit de ultieme nachtmerrie dat hij, uitgerekend in een show van James Corden, geconfronteerd wordt met de twee nog levende Beatles. Zo kan hij wel degelijk zijn album uitbrengen, bovendien met goedkeuring van een middelbaar heterokoppel dat zich de liedjes nog wel herinnert en alleen maar blij is dat ze blijven klinken.

En natuurlijk acteert de zanger ook in een liefdesverhaal, waarin het eind-goed-al-goed regeert nadat het bedrog is erkend. Aan de vrouw van zijn leven vertelt de zanger zich even opgelucht te voelen als Harry Potter na het verslaan van Voldemort. Maar van die gast heeft ze nooit gehoord; op het Google van Yesterday geldt hij als een Brits soldaat. Terecht.

maandag 28 juni 2021

Van die dingen

 

 


 

1.

Wanneer het Nederlands ten prooi zou zijn gevallen aan verengelsing, dan moet dat evengoed te zien zijn aan de bijtplek waar het meeste vlees zit: de derrière van woorden.

In dat systeem zou met name de variant -icatie scoren. Met, op zichzelf al controversiële, typetjes als ‘pacificatie’ en ‘rectificatie’. Misschien ontbreekt het me aan improvisatievermogen maar het enige enigszins recente woordding dat me te binnen wil schieten is ‘gentrificatie’ (gentrification).

Wel had ik een mapje dat veeleer op verduitsing wijst: ‘verpretparking’, ‘appartementisering’. Daarin beluistert mijn oor -ung. Geen idee of het doof is voor de werkelijkheid, maar het zou een aardige stelling opleveren: ‘verengelsing’ is een germanisme.

Of er nu icatie of ing aan zo’n woord hangt, gunstig klinkt het zelden. In de traditie van ‘privatisering’, ‘disneyficatie’, ‘commercialisering’, misschien zelfs ‘democratisering’, waar weldenkendheid, haars ondanks, toch even aan moet wennen?

Verder dacht ik door diakritische tekens vóór de derrière een woord te kunnen lokaliseren, in het hoge Noorden om ongeveer precies te zijn. Voor The Guardian, in een overzicht van Nederlandse politieke partijen, vergeleek Joost de Vries de leider van Forum voor Democratie met Geert Wilders: ‘Baudet seemed a palatable alternative. He served the same smörgåsbord of nostalgia, nationalism and anti-immigrant xenophobia as Wilders, but he presented as a more clean-cut, decent, thoughtful figure.

Een smörgåsbord blijkt een Zweedse feestmaaltijd te zijn, meestal in vier gangen. Om het raadsel te vergroten maakte De Vries’ beeldspraak er drie gangen van.

 

 

2.

Waar hield een andere Joost, Van den Vondel, zich eeuwen tevoren mee bezig als zijn kousenwinkel op slot was? Een aantekening bij Noah, of Ondergang der Eerste Wereld (1667) leert dat ‘verwijfden’ bij hem duidden op mannen die verslingerd waren aan vrouwen.

Bij hetzelfde drama leert een andere aantekening trouwens dat ‘belgziek’ lichtgeraakt betekent. Hoe komt hij daar nu bij?

In de geprezen roman De herinnerde soldaat van de Noord-Nederlandse schrijfster Anjet Daanje, die zich afspeelt in het West-Vlaanderen vlak na de Eerste Wereldoorlog, komt het koosnaampje ‘sjoeke’ voor. Een aansprekelijk gebakje dat hier ook wel éclair wordt genoemd.

 

 

3.

In 2013 mochten, toen de arme Willem Alexander promoveerde, amateurs tekst aanleveren voor het Koningslied. Hoogtijdagen voor de neerlandistiek bij het regeltje ‘De dag die je wist dat zou komen’.

Die koningsliedconstructie blijkt razendsnel overgestoken over de Atlantische Oceaan, toen Leslie Jamison in The Empathy Exams (2014) schreef:

 

The woman Tom describes, “wallowing” in self-pity and unable to decide what the world should do about it, is exactly the woman I grew up afraid of becoming.

 

Om eerlijk te zijn hoor ik de constructie er slechts uit de verte in. Het was de vertaling, door Maaike Bijnsdorp en Lucie Schaap, een jaar later, die me op het spoor zette:

 

De vrouw die volgens Tom ‘zwelgt in zelfmedelijden’ en niet duidelijk kan maken wat de mensen daaraan zouden moeten doen, is precies zo’n vrouw waarvan ik vroeger altijd bang was dat ik haar zou worden. (p.295)

 

Ik propte dit citaat in een mapje waarop al stof was gekomen toen er een debat uitbrak over wie er waarom het spokenwordgedicht van Amanda Gorman in het Nederlands mocht vertalen. In laatste instantie viel de keuze op Zaïre Krieger. Haar ster was nog zo nieuw aan het firmament, dat ze niet in Babs Gons’ anthologie Hardop uit 2019 stond.

Dus werd Krieger in de pers geïntroduceerd met een clip. In haar lange spokenwordgedicht Druk viel me toen deze regel op:

 

maar de lijdensweg die je dacht dat je zou ombrengen is je startbaan

 

Krieger for king?

 

 

4.

Waar strandt het schip?

Wanneer mijn vader het warm had, zei hij: ‘Het zweet loopt me tappelings langs de rug’. Ik vond dat altijd dermate overdreven dat ik me nooit afvroeg hoe dat bijwoordje gespeld moest worden.

Totdat ik in twee transscripties van Herman Broods en Sjef van Oekels antiautoritaire liedje ‘Nooit meer terug naar die rotschool’ (1979) dit zinnetje aantrof:

 

Zweet loopt je pisselinks van het hoofd

 

Zelf zingt Van Oekel ‘pislink’, wat me altijd een geweldige grap had toegeschenen, al was het bij wijze van personificatie. Maar nee.

Volgens het WNT bestaat wel pisselings: ‘Met stralen of straaltjes, straalsgewijze, tappelings’.

 

 

5.

Spreektaal of dialect?

De documentaire In het licht van de argwaan toont Luc Tuymans in volle actie. Volgens mij botst er iets achter zijn huig. In plat Antwerps stoot de schilder onophoudelijk curatorentaal uit, overigens net zo makkelijk in het Frans en het Engels.

Het frequentst tussendoor in zijn laaglands is ‘eigenlijk’, een woord dat bij Tuymans dient als komma tussen bespiegelingen.

Bovenal is het de opmaat voor het Antwerpsisme ‘eigenlijk feitelijk’.

En waar komt Pedro De Bruyckere (Gent) precies vandaan? In de hoogtijdagen van corona leek de Vlaamse pedagoog alomtegenwoordig in het opiniewezen, maar hij blijkt toen ook een boek gepubliceerd te hebben. Hij leidde het in met de empathische frase ‘Werd maar eens geboren na 2000…’

Ik snap vermoedelijk wat De Bruyckere bedoelt: het is geen benijdenswaardig lot te stammen van na de eeuwwisseling. Of zoals in Nederland hardop wordt gezegd: ‘Je zal maar na 2000 zijn geboren’. Dat klinkt echter half meewarig en half spottend, en zo’n afstand wil de pedagoog niet inbouwen.

Halveerde hij met zijn drie puntjes de croma-constructie die op zichzelf al weglaat? ‘Als je na 2000 werd geboren, dan had je geen prettige start’ veranderde zo in ‘Werd je na 2000 geboren, had je geen prettige start’.

Schrijven is toch werkelijk niet altijd schrappen.

woensdag 16 juni 2021

The Sweetest Inversie I Could Sing

 

 

Wat een hitte ineens! En uitgerekend nu beslist Windows in zijn oneindige updatewijsheid om onder aan het scherm voortaan de temperatuur te tonen, inclusief icoon en omschrijving van het weertype. Zon in woord, getal en gebaar.

Troost het dat er predigitaal langere periodes van hetzelfde zijn geweest?

Over de legendarische snikhete zomer van 1976 is veel geschreven, er zijn menigvuldige beelden van te vinden maar pas sinds kort weet ik dat er een euforisch soulnummer bij hoort. Ik was toen nog wat jong om dat helemaal bewust te zijn en bovendien, begrijp ik achteraf, was het genre impopulair in kringen die wisten wat goede smaak behelsde.

Impliciet moet ik daar een paar jaar later als puber aan hebben gehoorzaamd toen ik een ander liedje van deze band, ‘Can You Feel The Force’, absoluut onappetijtelijke disco vond.

Een recente documentaire wees op het bestaan van de vierkoppige band The Real Thing, vernoemd naar een multinationaal drank- en velgontroestingsmerk dat deze week in de problemen kwam toen Christian Ronaldo er iets van zei. En hun muzikale pareltje waar het voor mij in eerste en laatste instantie om ging, bleek al op mijn iPod te staan.

‘You To Me Are Everything’ had ik in de Verenigde Staten gesitueerd, wolkeloze Phillysound met de wahwahgitaar, violen, het parelende zweet van Barry White… Had gelukzaligheid bedekt dat hier een Engels kwartet actief was? Uniform zwart ook, en als zodanig de eerste groep die de hitparade met succes bestormde?

Het liedje gaat over een offer aan de liefde. Sterren, regen, bergen: natuurverschijnselen zet de ik-figuur, puur op wilskracht, naar de hand van zijn geliefde. Haar wish is zijn command. Zo probeert hij haar twijfel over zijn toewijding uit te bannen en een zogeheten knipperlichtrelatie permanent op groen te krijgen.

Met het nummer werd The Real Thing een verzameling posterboys, idolen voor smachtende meisjes en aanklampmodellen voor bepukkelde jongens met ambitie. Aanklachten weinig later tegen racisme, zoals in ‘Children of the Ghetto’, vielen uit de toon. Ze waren te vinden op de chattalerig getitelde elpee 4 From 8, waarbij laatstgenoemd getal verwees naar de arme, overwegend zwarte wijk Toxteth, ook wel ‘Liverpool-8’.

Natuurlijk spreken we hier over de stad van The Beatles, ooit de gelegenheidsbegeleidingsband voor The Chants, een voorloper van The Real Thing. Omgekeerd meen ik harmonische invloed van de Fab Four te horen in het vroege charmante liedje ‘Listen, Joe McGintoo’. Maar wat ik wil benadrukken is dat, net als literatuur helaas, popmuziek niet ontsnapt aan canondrang en smaakonttrekking.

Een reden dat The Real Thing, tot de documentaire, te boek stond als een commercieel bandje is dat de jaren zeventig al bij het zich voltrekken een beoordeling kreeg. Precies vanaf 1976 begon punk, in de gedaante van The Sex Pistols, het beeld van de voorafgaande jaren te bepalen en herdefiniëren: humbug, hooguit in symfonische en jazzrock virtuoos gebracht.

Vanuit hedendaags standpunt is dat maf. In een gemiddelde Top 1000 staan heel wat liedjes uit de jaren zeventig hoog genoteerd. Toen moest je je er waarschijnlijk voor schamen, en wat een groter publiek goed vond was per definitie verdacht. Over de marketing van The Sex Pistols zelf zal ik het maar niet hebben.

Je kunt canonkwesties ook betwisten vanuit de gedachte of de smaaktoekenner een mode volgt of een neusje heeft voor kwaliteit. Hoewel, dan is me nog altijd een raadsel hoe Mick Jagger in te schattten, de high-societyrebel. Als eerste eigen nummer nam zijn band The Rolling Stones ‘I Wanna Be Your Man’ op, uit de mouw geschud door hun vrienden Lennon en McCartney. Bij de historische filmopname van hun latere ‘All You Need Is Love’ in 1967 was Jagger aanwezig, net als in 1972 bij Aretha Franklins ongelooflijke kerkproject Amazing Grace.

Jagger wist de geschiedenis kennelijk een handje te helpen met duwen. Even voorspelbaar is het dat The Real Thing nog slechts ten prooi kon vallen aan herontdekkingen per decennium, bijvoorbeeld met een remix van ‘You To Me Are Everything’. De documentaire kan nieuwe fans opleveren, maar het gros van de belangstellenden is vooralsnog het publiek van toen dat zwelgt in jeugdsentiment.

Dat zou dé zomerhit van 1976 tekortdoen. De zon schijnt zelfs door de opbouw. Er is een couplet waarbij zich in de laatste regel de verlossing aankondigt. Maar dan volgt er nog een couplet met een tweede stem. Na dat uitstel glanst het driestemmig refrein dat in de woordvolgorde ‘You to me’ zelf uitstelt. Daarna komt er weer een couplet, een beetje melancholisch ineens, waarna tweemaal het refrein klinkt en in die herneming vitaal een hele toon hoger schakelt.

Het is dan ook niet niks dat de jij op een troon wordt geheven. Het liedje zou ik poëticaal kunnen noemen, omdat het refrein volstrekt altruïstisch stelt: ‘You to me are everything / The sweetest song that I could sing’.

Ik vrees dat die vooropplaatsing van ‘to me’ me niet snel loslaat. Of je haar nu inversie noemt of deviatie, ze vergroot de aantrekkingskracht van het liedje. Zelf moest het zich in die tijd uiteraard onderscheiden in de markt. Er was een klassieker als ‘You Are Everything’ van The Stylistics, destijds gecoverd door Diana Ross en Marvin Gaye. Voor een kleiner publiek denk ik aan ‘You’re Everything’ van Return to Forever (met Flora Purim).

Ongecompliceerde titels, zeker in vergelijking met wat The Real Thing doet, maar het knappe is dat de antimetrische grammaticale twist in de zomerhit van 1976 volstrekt naturel klinkt.

Dat heeft het liedje gemeen met een van de beroemdste gedichten uit de Nederlandse literatuur, ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’ van J.H. Leopold. Maar feitelijk kijkt volgens mij niemand op wanneer pakweg een volksvertegenwoordiger zegt: ‘Ik voor mij ben van mijn mening’. Zachtaardiger, op het pleonastische af, is de uitdrukking ‘Zelf vind ik’. In Nederland dan, want in België is het heel normaal om te poneren: ‘Persoonlijk vind ik’.

Maar dan is het wel onmogelijk de jij zo goddelijk te verklaren als The Real Thing deed. Me dunkt. Ik krijg het er bij elke beluistering warm van.

vrijdag 11 juni 2021

Teringhond


 

Zo hoog als kapitein Haddock reikt niemand, maar als schelden inderdaad een kunst is, dan zitten christendemocraten ook op dat vlak in het slop.

Zelf betrap ik me de laatste jaren steeds vaker op medelijden wanneer christelijke partijen in het nieuws zijn. Vroeger konden ze ‘de kerk in het midden laten’, maar daar was met de secularisering een gat ontstaan dat met de ontideologisering een krater werd.

In België had Wouter Beke nog de sluwheid om het concept van ‘het moedige midden’ te lanceren, in Nederland was men vooral doende om daar überhaupt iets als een eenheid te formeren. Ik zeg niets hemelschokkends wanneer ik de aanleiding van die manoeuvres onthul: Pieter Omtzigt. En dat hij zelfs door afwezigheid zijn stempel drukt, tot en met de regeringsvorming.

Niet iedereen kan daarmee lachen, zoals dat heet. Op zijn beurt kan Omtzigt daar niet mee lachen en dus publiceerde hij, geheel in stijl, een brandende interne partijnotitie van bijna tachtig bladzijdes die, in dezelfde stijl, prompt publiek werd.

Als heiden voel ik me niet geroepen dit document te lezen. Bovendien ben ik nog aan het bekomen van Henri Beyles verhalen. Hij trok in 1800 als jong soldaat met Napoleons leger mee over de Alpen naar Italië. Het scherpst beklijven de afdalingen, de enorme aantallen dode paarden langs de weg, het afval van het voortkronkelende leger. Dat vertelt hij onder de naam Stendhal, in retrospectief, en ontdekt dat zijn herinneringen aan bepaalde steden waren ingekleurd door gravures.

Ik las dat in de opening van W.G. Sebalds Schwindel, vertaald als Melancholische dwaalwegen, toen herzien en terug in roulatie gebracht als Duizelingen. Dit debuut eindigt met een droom in de Alpen, waar in een ademloze leegte louter steen te zien valt, totdat als een bijna weggestorven echo de woorden terugkeren.

In signalementen van Omtzigts notitie viel me meteen één woord op, uit een reeks invectieven van partijgenoten die hij over zichzelf verzameld had: ‘teringhond’.

Natuurlijk, schelden is, zeker in de politiek, geen makkelijke sport, maar wat hier gepresteerd wordt is niet eens pupillenwaardig. Ik vrees zelfs dat teringhond een compromis is, tussen ‘teringlij(d)er’ en ‘christenhond’.

Wie ligt daar nu wakker van, behalve Marianne Zwagerman die, volgens Google, in De Telegraaf aan teringhond een column wijdde die alleen toegankelijk is voor abonnees en opent met een pitbull-vergelijking? En behalve het object zelf dat zich ook ‘ronduit onveilig in de partij’ voelt?

Even treurig is de tegenwerping van CDA-voorzitter Van Rij dat de notitie ‘op persoonlijke titel’ is gemaakt. Om nog maar te zwijgen over de emotie die partijleider Hoekstra krijgt bij Omtzigts jongste kamikaze: ‘heel vervelend en echt beschadigend’.

Zou mijn verdorven lichaam wel voldoende medelijden in voorraad hebben om deze taal compleet te kunnen dekken? En wat te doen vóór het laatste oordeel? Koekhappen? Zaklopen?

Misschien moet de partij zich, als ik even gratis consultant mag spelen, laten inspireren door Oude dozen. In dat boek gebruikt Marja Vuijsje het werkwoord ‘meelbieten’. Van die activiteit geeft Van Dale alleen het substantief: ‘iem. die melig is, flauwe grapjes maakt (niet echt als scheldwoord)’.

Zeker op locatie gemeenschapsvormender dan duizend bommen en granaten kunnen afdwingen.

 

Naschriftje

Het onvermijdelijke is inmiddels geschied. Per Twitter is Omtzigt opgestapt uit het CDA. En reageren Van Rij en Hoekstra ‘ontzettend teleurgesteld en geschrokken’. Vgl. Rachel Cusk: Als mensen de waarheid spreken, kan dit hun het bevrijdende gevoel geven niet langer de schijn te hoeven ophouden, net zoals onbeleefdheid een bevrijdend gevoel geeft. Om die reden is het niet verwonderlijk dat oprechtheid soms wordt aangezien voor onbeleefdheid, en onbeleefdheid voor oprechtheid.

 

donderdag 3 juni 2021

Dus cringe ik in stilte

 

 

 

Het op mijn bureau belande boek Het Monster van Wokeness heb ik inmiddels gelezen. Gespitst als ik was op de woordenlijst achterin, was me ontgaan dat het een roman is. Tofik Dibi zegt het zelf in de inleiding. Daarmee wordt de plot des te opmerkelijker.

Een kleine 150 pagina’s fabuleert het voormalige Groen Links-kamerlid over praktijken van een NRC-journaliste die een dubbelleven leidt op Twitter. Als Kannibelle is ze daar een social justice warrior, die onder meer een eigenaar van gaybar cancelt. Uiteindelijk blijkt ze zich niet goed geïnformeerd te hebben én wordt haar ware naam door De Telegraaf onthuld. In nog slechts tien bladzijden neemt de gaybargedupeerde een schijnbaar dodelijke wraak op Kannibelle en wordt haar account gewist.

Hoewel de compositie van deze prettig ambitieuze roman dus afgeraffeld is en een omgangsvraag met verschillen blijft liggen, lijkt Het Monster van Wokeness, gepubliceerd in 2020, brandend actueel. In België loopt immers een extremist vrij rond die met zware wapens wraak wil nemen. Om nog te zwijgen over wat er boven zijn hoofd gebeurt.

 

Dibi situeert zijn activistische hoofdpersonage in een milieu met heilige overtuigingen. Ook over wat de niet-ondervraagde tegenstander vindt: ‘Witte mensen hoeven de eerste drie letters van racisme alleen maar te horen of ze vertonen al symptomen van een burn-out. Ze verzetten zich nooit openlijk in je gezicht. Het is subtiel. Het is die zucht die iedere PoC kent, die “niet weer”-zucht.’

In zo’n staat van ontkenning, die vervaarlijk neigt naar blaming the victim, verkeert evengoed de goedbedoelende NRC-redactie, vindt de 22-jarige journaliste Kawtar (haar achternaam luidt in het boek zowel Karaman als Amrani). Lang interesseerde ze zich zelf niet voor ‘dingen als het n-woord […] of hoe je trans mensen op de juiste manier aanspreekt’. Inmiddels weet ze dat haar activisme plaatsgrijpt in haar vrije tijd, temeer daar de krant haar verplicht objectief te zijn. Dat gaat niet. Als Kannibelle ageert ze op Twitter ook tegen een IntersectioneleFeminist die ‘schone handen’ wil houden.

Vaker heeft ze het moeten opnemen tegen minder intellectueel geschoolde tweets. Eerst trachtte ze ermee te praten, later verzorgde ze ‘grammaticale scholing tot iemand me erop wees dat spelfouten corrigeren classist is.’ Toen blokkeerde Kannibelle de ongewenste stemmen, om te ontdekken dat het geschreeuw haar ego ook bevestigde. En dus deblokkeerde ze die andere stemmen, wat rijmt met haar basisopstelling: Kannibelle prefereert openlijke racisten boven ‘de stille meerderheid’ waaraan ze soortgelijk gedachtegoed toeschrijft en die ze ronduit gevaarlijk vindt.

De vraag blijft of ze zo in een zogeheten bubbel zweeft? Gelijk opgaand met het verhaal laat Dibi zijn Kannibelle haar omgeving beoordelen van gekleurde queer activisten, met een veramerikaanst sociolect. Ze beschouwen zichzelf als ‘community van strijders’. Maar volgens ‘het domrechtse blogje GeenStandaard’ (een fusie van GeenStijl en De Dagelijkse Standaard?) zijn ze een sekte. In ieder geval heerst het beleid ‘een gesloten front’ te vormen. Een orkestratie van identiteit dus.

Kannibelle beleeft een intern meningsverschil ‘bijna als verraad’.

Ze stelt de stille meerderheid gelijk met ‘het redelijke midden’, een inmiddels bekend essentialisme dat bij containerbegrippen als burgers, Nederlanders, kiezers of mensen niet aan ‘mensen van kleur’ zou denken. Het Wokabulaire achterin geeft het redelijke midden een eigen lemma: ‘Het soort mens dat van een veilige afstand met open mond staat te loeren en “wat erg” mompelt als er iemand in elkaar wordt getrapt.’ Aldus fungeert het als antipode van de activist, zoals gedefinieerd in dit boek.

Tegelijk ondervindt Kannibelle problemen met sociale media en haar smartphone, waaraan ze verslaafd is. Daarom stopt ze even met Twitter om te proberen ‘verschillende werelden met elkaar te verbinden’. Nu ervaart ze twee soorten ‘niveau’ en ’taal’. Anders dan haar community-genoten reduceert ze de uitstoot van amerikanismen. Maar het zal De Telegraaf zijn die haar definieert als collega bij NRC, en dan als ‘Monster van Wokeness’. Al wordt de boodschapper reflexmatig beticht een ‘bruine krant’ te zijn, het bericht zelf verandert door zo’n wanhoopsoffensief niet.

Kawtar wordt nu zelf gecanceld. Pegida (de griezelgroep wier naam Dibi niet heeft veranderd) ruikt zijn kansen: oog om oog, tand om tand. Ook beseffen niet-activisten uit Kawtars directe omgeving kritische tweets te hebben ondergaan in plaats van een gesprek. Spijt heeft ze nochtans niet van haar dubbelrol. Wel van haar taal: ‘Iedere zin langs de woke-meetlat leggen tot het probleemloos is, is niet anders dan met Photoshop en filters normale uiterlijke kenmerken uit iedere foto gladstrijken.’

Dat maakt het Wokabulaire achterin des te vreemder. Bijvoorbeeld de lemma’s Heteronormatief en Intersectionaliteit blinken veeleer uit door clichématigheid dan door precisie. De woordenlijst als geheel stigmatiseert andersdenkenden vooral. Ook worden mensen te kijk gezet wier opvattingen en daden, zoals dat gaat, inconsequent zijn. Ze blijken hypocrieten. Misschien komt het doordat Dibi dit Wokabulaire lijkt te hebben uitbesteed (aan Carmen Felix en Marten Mantel), dat deze onderneming de roman tegenspreekt die immers waarschuwde tegen exclusief groepsactivisme?

woensdag 26 mei 2021

Op stelten wadend door de mist

 

 

 

Vandaag, maar volgens Wikipedia gisteren, zou Hans Groenewegen 65 jaar zijn geworden. In een klassieke verzorgingsstaat ging hij dan met pensioen (Nederland) of op pensioen (België). Dit statuut lijkt me niets voor een essayist, criticus en dichter die zo hard werkte en zo productief was, dat dagen in zijn tijd 48 à 72 uren zullen hebben geduurd.

Officieel werd Groenewegen maar 57. Daarbij hoort een miniportie van een nieuw levensjaar dat hij aanvatte toen hij al, doodziek, tot dadenloosheid was veroordeeld. Productietechnisch is het reëler om Groenewegen in te schatten als 56-jarige. Die leeftijd komt me bekend voor. O ja, van Hitler, toen deze in een Berlijnse bunker zelfmoord pleegde.

Elke vergelijking tussen Hitler en Groenewegen gaat mank. Dan bedoel ik niet eens dat Groenewegen de zachtmoedigheid zelve was en, in een zoom van de geschiedenis, veel meer voor elkaar heeft gekregen dan die humeurige langslaper uit Branau am Inn. Mij gaat het er vooral om dat Hitler de wereld wou herscheppen in een orde die zijn ongetoetste ideeën zo dicht mogelijk benaderde.

Speciaal aan Groenewegen was dat hij mensen hun eigen werelden liet ontdekken. En dat hem dit helemaal geen inspanning leek te kosten. Sterker, hij was een soort alternatieve energiebron die uit verhalen van derden steeds meer stroom begon te leveren. Door met hen mee te denken en zich volledig te verplaatsen, moest Groenwegen dan wel vragen stellen, die genoemde derden ertoe dwongen hun motieven te expliciteren.

Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zo’n hernieuwbaar vermogen bezit. In mijn geheugen huist wel een extreem andere dichter. Hij laadde zich voor festivals op om belangstelling te tonen voor collega’s en die batterij raakte gaandeweg leeg, zodat de man bij het eind van die sessies louter nog linea recta naar huis wilde.

De ecologische metafoor gebruik ik mede omdat ik benieuwd ben naar hoe Groenewegen actuele taalontwikkelingen zou inschatten. Bijvoorbeeld in de kwestie van zuivelproducten, waar volgens hardliners alleen nog ‘zuivere’ ingrediënten een vermelding zouden verdienen, in plaats van milde indicaties voor uitvindingen die hen milieuvriendelijk vervangen. Prachtig dat Greta Thunberg ook in dit taaldebat een logische positie heeft gekozen.

Thunberg strijdt voor het klimaat, een onderwerp dat op de achtergrond is geraakt tijdens (of door?) de coronatoestanden. Hoe zou Groenewegen haar hebben ontvangen? Hij was een natuurfanaat en een universalist, dus met Thunberg moet hij zeker hebben ingestemd. Maar wat met het wij-zij-onderscheid dat ze pregnant aanbracht in how dare you-toespraken, die daders aanwezen onder wier passiviteit quo jongeren slachtoffer waren? Groenewegen zal er minstens ongemakkelijk onder zijn geweest.

Voor mij is dat onderscheid de uitzondering op de regel niet te veralgemeniseren. Het klimaat treft elke aardbewoner en misbruik moet domweg worden aangepakt. Recent miste ik dat principe in de Belgische marathonoperette over de salariswagen. Er kwam dan wel kritiek dat elektrische auto’s, zonder fijnstofuitstoot dus, andermaal voor een happy few zijn, maar onbelicht bleef dat die dingen veel stroom vergen en het milieuprobleem dus verplaatsen.

En dat constateer ik in een posting over iemand die Groenewegen heet.

Bij een andere kwestie, die direct over leven en dood gaat, is taal meer dan ooit gevoelig geworden. Geweldsopflakkeringen, tot aan lynchpartijen toe, vallen Gaza andermaal ten deel. Zo kende Hans Groenewegen deze brandhaard ook, maar bij mijn weten heeft hij het niet meegemaakt dat ieder woord daarover op een goudschaaltje wordt gewogen en er, net als bij zuivelproducten dreigt te gebeuren, verboden worden ingesteld. Wel zal hij het hilarisch gevonden hebben dat daarbij de grootste repercussies bekendheden op sociale media treffen.

Tussen de Gaza-literatuur passeerde aan mijn ogen een schermafbeelding bij een artikel dat die herwogen taal verklaarde uit impulsen bij een ander onrecht: racisme, zoals aan de kaak gesteld sinds Black Lives Matter. Stelling was dat – andere – sociale media zendingsarbeid verrichten terwijl zogenoemde klassieke media als onbetrouwbaar gelden (volgens politiek volkomen anderen dan die dit gewoonlijk beweren). De passende taal is ontleend aan de academische wereld. Dan is het woord een concept geworden binnen een ‘narratief’, waarmee de wereld restloos verklaard kan. De schermafbeelding illustreerde dat: 



Hoe moet universalisme hier werken? Ik ben zo’n idioot die ‘solidariteit’ koestert, maar wat betekent het in deze internetversie? En wat is voor mij als in België uitbottende Nederlander mijn eigen vlag? Of gaat het om een banner?

Groenewegen zou hier minstens bij grijnzen. Afkomstig uit een intellectueel milieu waar op basis van een paar woorden altijd een kerkscheuring loerde, wist hij vermoedelijk elk haakje en oogje te benoemen. Kon hij nu maar even bijlichten! De bedoeling van die nieuwe termen kan niet genoeg geprezen worden omdat ze genegeerde stemmen erkennen. Maar hun ecologische effect?

De uitdrukking bij deze termen luidt: ’Ik identificeer mij als…’. Fascinerend. Groenewegen wist zich juist mét anderen te identificeren. Conform zijn universalisme, maar ook uit een filosofisch idee van gelijkwaardigheid en verantwoordelijkheid. Emmanuel Levinas heeft daarover geschreven en er generaties mee heropgevoed. Niet voor het eerst merk ik dat nieuwe termen nu geesten splijten die in principe hooglijk verwant zijn. Gelukkig wordt ook elders vastgesteld dat deze taal, vol met wat ik maar amerikaanslatijnsismen heb genoemd, niet meer door elke leeftijdscategorie even makkelijk, laat staan overtuigd, wordt opgepikt.

De laatste tijd groeit mijn onbegrip over millimeterdefinities van identiteit omdat er gelijktijdig een tegengesteld fenomeen optreedt: tanende taalbeheersing, juist bij jongere generaties. (Ach Marc, hoe oud ben je nu, stop hier toch mee, met dat geklaag van hier tot Goeree Overflakkee.) Hoewel cultuursomberheid van alle tijden is, blijken nu er meer redenen voor bezinning. Zowel schrijven als lezen gaat steeds lastiger, waarbij de tekstomvang en medium bepalender worden.

Iets banaals als een boek, waarin Groenewegen dusdanig veel tijd en aandacht investeerde dat die inspanning dinosaurisch oogt, is toch wel voorbijgestreefd. Ook voor sommige taaldocenten. Recent deed iemand een bekentenis door een ‘taboe’ te doorbreken niet geïnteresseerd te zijn in dat soort lezen, spijts ‘een liefde voor de taal’ en ondanks het feit dat een boek ‘intelligent’ zou ogen.

Kunde en belangstelling en wil lopen hier volgens mij dwars door elkaar. En dat maakt het extra lastig om een zwiep in de goede richting te geven met schrijven. Omdat dit samenhangt met gedurig lezen van teksten, die het toegankelijkst zijn in boeken waarvan het belang, weet iedereen die begaan is met de toekomst, nooit mag worden onderschat.

Er is in dat verband wel gerept over de drempel van 10.000 uur, nodig om iets te leren. Dan blijkt internet geen voordeel. Dat zegt iemand wiens ouders klaagden over het medium televisie, wier ouders ook zullen hebben gemekkerd, over de uitvinding van de telefoon bijvoorbeeld. Dus moet ik bij mijn onheilsdiagnose vermelden dat jongeren nu via sociale media en WhatsApp waarschijnlijk meer tekst tot zich nemen dan welke generatie ook. Alleen is die taal niet geredigeerd en heeft ze geen omvang van betekenis. Behalve triest voor hen vind ik dit misdadig voor het milieu, omdat servers al die halfwasproducten opslaan.

En dat constateer ik op internet.

Digitale woordwoeker kenmerkt zich door meningen, in zogeheten éénzinsteksten. Over dat feit heeft Groenewegen zich nog, voor zijn doen pertinent, uitgelaten:

 

‘Als we nog in de tijd van de loodzetters zouden leven, sleten alleen de uitroeptekens en de dubbelepunt. Vraagtekens, beletseltekens en zelfs komma's bleven glinsterend schoon in de letterkast liggen.’

 

Misschien verbaast die dubbelepunt. Ik vermoed dat het ding hier de directe rede dient – en dan niet van het type ‘A zegt: xxx’ maar van ‘Ik vind: xxx’. Toegegeven, de dubbelepunt kan evengoed worden ingezet in een redenatie. Maar dan volgt er meestal een conclusie. Een eindpunt dus, dat niet echt besteed was aan Groenewegen.

De puntkomma zal hem het best gelegen hebben. Hij las en herlas, en wist zo proefondervindelijk wat afscheid nemen behelst. Veel van zijn essays beschrijven het proces van herroepen of nuanceren van een interpretatie die soeverein had aangevoeld. Daar had Hitler wat van kunnen opsteken met zijn destructiedrift.

maandag 17 mei 2021

Beroepsgedeformeerd

 

 

Onlangs publiceerde ik over taal, onderwijs en politiek een artikel zo groot dat het in tweeën moest: (deel 1) (deel 2). Door debatten was me meer dan ooit duidelijk geworden dat meningen over taal zijn verklonken aan ideologieën. En dat vooral rechts zich dan roert. Het zwijgen van links heeft allicht te maken met de sensatie dat woorden nu op goudschaaltjes worden gewogen. Parrhesia, om eens een eerbiedwaardige term te gebruiken, is momenteel impopulair.

Dat besefte ik eens te meer doordat inmiddels de Librisprijs is toegekend aan een roman die listig de spreekkwestie omzeilt. Jeroen Brouwers geeft in Cliënt E. Busken het woord aan een extreem taalgevoelige, die bij voorbaat is geëxcuseerd omdat hij oud is, vastgeketend in een verzorgingshuis.

Ruim baan voor gemelijkheid dus, uit de mond van iemand die alles vertegenwoordigt wat heden vies en voos is: een zogeheten witte geprivilegieerde cisgender man uit de academische kunstwereld. Hij kan vrijelijk kritiseren omdat zijn mentale status fluïde is en hij zich bovendien beroept op externe bronnen: ‘Nooit zwart zeggen, zegt Babet’.  Aldus ageert hij chronisch ironisch tegen – in het Nederlands – nieuwe begrippen voor geslacht, racisme en geaardheid.

Terwijl mijn artikel inging op de historische Amerikaanse afkomst ervan, lijkt het me nu beter haar aard te benoemen. Dit is utopische taal. Ik besef dat de jury die Cliënt E. Busken bekroonde, werd voorgezeten door PvdA-leider Lilian Ploumen. En dat meer genomineerde titels afstand namen van wat ik plomp ‘wereldverbetering’ noem. Gerda Blees deed dat bij een woongroep, Merijn de Boer bij een commune.

Verwacht ik van een officieel linkse politica optimistischer titels? Dat zou belachelijk schematisch zijn. Als juryvoorzitter vervult Ploumen bovendien allereerst een protocollaire functie en het eveneens genomineerde Confrontaties van Simone Atangana Bekono ademde een progressieve geest.

Toch is dit voor mij stof tot overdenken, dat mogelijk gestuurd zal worden door voormalig Groen Links-kamerlid Tofik Dibi. Hij blijkt auteur van een boek met de prettig melige titel Het Monster van Wokeness. Daarin bladerde ik beroepsgedeformeerd al door een woordenlijst die start met ‘activist: het soort mens dat wel ingrijpt als iemand in elkaar wordt getrapt’.

Die generalisatie in Dibi’s omschrijving, misschien onvermijdelijk, loopt door een taaldebat waarover mijn artikel ook uitweidde: of dt-fouten onderhand niet verleden tijd mogen zijn door makkelijkere regels. Ik weet nooit of ik studenten echt troost met de mededeling dat cultuurpessimisme hier niet speelt omdat lang geleden al, zowel in 1956 als in de jaren zeventig, liefst 40% van de proefpersonen de werkwoordspelling niet beheerste.

Met een voorstel voor eenvoudiger regels heropende psycholinguïst Dominiek Sandra het debat in België dat vervolgens Nederland bereikte. Ambiance! Hij spreekt nu al, bijna op de toon van Cliënt E. Busken, van ‘zelfverklaarde taalexperten’ die het op een gekend fond van onwetendheid en luiheid beter denken te weten. Maar iedereen is toch taalkenner, omdat we allemaal Nederlands bezigen en dus ervaringsdeskundig zijn?

Deze realiteit maakt hervormingen even glibberig. Ons taalvermogen hangt mede af van gewenning aan woordbeelden. Dus moet ook een eenvoudiger regel veelvuldig goed toegepast worden, en blijft gecodeerde taal op sociale media en WhatsApp tot dan bepalender. Daarnaast hebben beëdigde experts de puzzel vooralsnog niet opgelost welke nieuw voorschrift integraal consequent is.

maandag 3 mei 2021

Voedsel voor het oog

 

 

Het overlijden van Hafid Bouazza is ook een verlies voor de taal. Definitief zwijgt nu een auteur die het Nederlands wist op te rekken door het terug in contact te brengen met zijn eigen geschiedenis. Eeuwenoude literatuur en genres die gedateerd heten, lagen voor Bouazza dichterbij dan pakweg een sms-gedicht.

Als schrijver was hij dus ook een lezer. Bijvoorbeeld van Geerten Gossaert, wiens Experimenten in het verleden is wegeijld (deze zin klopt grammaticaal). Eens te meer een prestatie, omdat Bouazza pas op zijn zevende Nederlands begon te leren. Is dat voordelig geweest voor de derde gedaante waarin hij dit communicatiemiddel testte: die van vertaler uit het Arabisch?

Na het droevige bericht las ik Bouazza’s zwanenzang, de roman Meriswin uit 2014, die zijn taal wijdt aan het delirium. Bestonden er maar meer van zulke boeken in de Nederlandse literatuur! De plot is er echt minimaal, wat mij strategisch en ambachtelijk een adequate overlevingsdaad lijkt tegenover televisieseries die hun consumenten laten bingewatchen.

Meriswin kan zo evengoed een concentratieoefening worden. Maar een vluchtige blik op het internet leerde dat Bouazza werd gevangen in zijn keurslijf. Al te voorspelbaar, die klacht over ‘buitenissige taal’, zoals de roman in NRC overkwam:

 

Het gaat me daarbij niet zozeer om bijzondere woorden als ‘takketenen’, ‘biteut’, ‘zingelen’, ‘hirundijn’, ‘meluw’, ‘puitig’, ‘frugaal’ of ‘jugulum’. Of om bijzondere combinaties van woorden als ‘drintende gedrongenheid’, ‘sinopele singlet’ , ‘sloebers tijgervel’ of ‘pepoenen pafferigheid’. Dat riekt naar woordpraal; het moedwillig zoeken naar in onbruik geraakte woorden, liefst lekker allittererend, om de wat minder erudiete lezer mee af te kunnen troeven.

 

De bespreekster wordt vervolgens milder, maar haar punt staat en verklaart ongevraagd waarom er in Nederlandse taalgebied geen niche is voor Bouazza-achtigen. Toch was ik blij dat tussen haar rij met voorbeelden een woord stond dat mij ook was opgevallen: hirundijn. Een adjectief trouwens, dat in Meriswin tweemaal opdook, in bijna identieke passages.

De eerste gaat zo:

 

Gelukkig, ze was er nog, haar blanke gezicht voedsel voor het oog, de lichtdonkere veegjes boven haar oogleden onder haar hirundijnen wenkbrauwen, een hand onder haar kin, de elleboog op de knie die over de ander was geslagen, knus zittend. (p. 75)

 

En dit is de variant:

 

Haar blanke gezicht was voedsel voor het oog, de lichtdonkere veegjes boven haar oogleden onder haar hirundijnen wenkbrauwen waren intiem, een hand onder haar kin, de elleboog op de knie die over de ander was geslagen, knus zittend. (p. 122)

 

De intro op de observatie is geschrapt, terwijl er in het vervolg twee werkwoorden toegevoegd zijn die een duidelijkheid scheppen die er al was. Ik vind dit een prachtige vertolking van een obsessie en delirium ineen.

Aangezien het me nooit is gelukt een bedwelmingslezer te worden die betekenis kan negeren door te genieten van muziek en ritme in taal, waarmee Bouazza een soortement prozadichter zou worden, een kermisartiest, heb ik gezocht wat hij beweren wil met ‘hirundijn’. En ik vond niks!

Tenzij hij heeft geïmproviseerd met iets wat in de buurt ligt:

 

HIRUNDO

Woordsoort: znw.v.

Modern lemma: hirundo

Oudste attestatie: Limburg, 1240

Frequentie: totaal: 3, lexic.: 1, lit..: 2

Aangetroffen spelling: (h)irundo, grundo (l. irundo)

Flexie: 

ns 

Korte betekenis: zwaluw; vliegende zeehaan

 

1. Zwaluw (fam. HirundinidaeNat.Rer. hyrundo). Zie ook: swalewe

bijbel: Nat.Rer. 5,66

Semantische klasse: Diernaam

2. Vliegende vis, de vliegende zeehaan of zeezwaluw (Dactylopterus volitansNat.Rer. irundo maris).

bijbel: Nat.Rer. 7,41

Semantische klasse: Diernaam

 

Schiep Bouazza dan letterlijk een gevleugeld woord?


Naschriftje

Comments onder een overname van deze posting legden uit dat Bouazza met ‘hirundijnen’ een logisch bijvoeglijk naamwoord gebruikt. Het geeft bovendien de vorm van wenkbrauwen weer. Verder waren ook Bouazza-specialisten uit de literatuurwetenschap negatief over de roman Meriswin en suggereerden dat er twee soorten woordkunst bestaan: die van de Tachtigers en à la Finnegans Wake.

Ook viel het woord ‘mannelijkheid’.

Deze literatuurwetenschappers waren gestopt met Bouazza’s werk vanwege zijn latere anti-islamopinisme. Er werd terecht opgemerkt dat zijn stellingnamen hem een ander, niet-literair publiek gaven. Bestaat daar onderzoek over? Men moet lid worden van The PostOnline om het In Memoriam te lezen, maar Bouazza werd zeker positief herdacht op Geenstijl, zelfs tweemaal (apart door Annabel Nanninga).


donderdag 22 april 2021

In medias res

 


 

 

De Franse essayist David Djaïz maakt in zijn polemische boek Slow democracy (zoals de Nederlandse vertaling heet van Slow Démocratie) een onderscheid tussen nomaden en sedentairen. Nu nog?! Ja, voor wie de eerste groep herdefinieert in het licht van de globalisering. Dan gaat het niet meer om jagers, maar om hoogopgeleiden die onderweg blijven, met de flexibiliteit die in neoliberalisme van pas komt.

Djaïz verwijt hun gebrek aan solidariteit en pleit voor herwaardering van sedentairen, ooit onmisbaar in lokale gemeenschappen. Nu moeten ze ook omgaan met een tweede type nomaden die veeleer handelen naar hun oervorm: migranten op zoek naar overlevingskansen. Sedentairen, betoogt Djaïz, kunnen hun gemeenschap nog altijd voeden en beschikken over ambachtelijke vaardigheden die in een diensteneconomie minder nuttig zijn dan in een ecologische orde.

Ik was nog doende dit onderscheid te verwerken in literaire termen, toen een irritante nieuwsbrief meldde dat Thomas Piketty, een landgenoot van Djaïz, in een recent interview kritiek formuleerde die me gelijkaardig voorkwam. De econoom signaleerde dat na de jaren zeventig de link wegviel tussen sociale klasse en politieke voorkeur. Het vrijemarktdenken kreeg toen de overhand waarna Djaïz’ nomaden de winnaars van de globalisering werden. In die herordening stemden, zegt Piketty, sedentairen uit de arbeidersklasse niet langer vanzelfsprekend links.

Een gezamenlijk mikpunt vinden de Franse critici in de Europese Unie – die hun sympathiek is maar waarvan het kosmopolitisme en ongrijpbare reglementering vernietigend uitpakken. Beiden voelen voor een herverdeling van rijkdom en voor medezeggenschap. En door dat laatste meende ik alsnog een literair karretje te vinden dat aan het onderscheid viel vast te haken.

Bij de globalisering lopen sedentairen achter omdat ze plegen te denken vanuit ontstaanstaal, terwijl nomaden opereren vanuit lopende zaken die praktische taal vergen. Voor het eerste is overzicht nodig, voor het tweede improvisatie. Dat zijn, dacht ik, manieren waarop verhalen worden verteld: ab ovo of in medias res (beide termen stammen uit Ars Poëtica van Horatius).

Ik weet niet of de ene verteltechniek ouder is dan de andere, maar het is duidelijk dat door ab ovo een kader wordt geschapen. De Bijbel gaat van acquit met ‘In den beginne’, traditionele auctoriale vertellers openen vaak met een tijd en plaats, en een manuscriptfictie van de zogenaamd gevonden tekst suggereert een hiërarchie van verhalen. Maar bij een presentatie in medias res is het afwachten hoe de orde in elkaar steekt. Daarom geldt het in schrijfcursussen als een handige truc om spanning te verwekken.

woensdag 7 april 2021

Ondanks alles

 

 

 

Van Audre Lordes beginselstukkenbundel Sister Outsider (1984) verscheen vorig jaar een nieuwe vertaling. Al in 1985 was er een bij de feministische uitgeverij Sara verschenen, onder de titel Oog in oog. Toen representeerde één essay, Eye to Eye, het geheel. Dat de recentste vertaling Audre Lordes overkoepelende titel ongewijzigd overneemt, vind ik treffend.

‘Oog in oog staan’ is geconfronteerd worden met iets onaangenaams. Dat vraagt om actie die altijd een reactie is en dus ondergeschikt. Het ‘Sister Outsider’-idee vertrekt evengoed vanuit een verschil, maar dat is horizontaal. Bovendien nodigt de familiale persoonsaanduiding uit om mee te doen. En in het Nederlands klinkt die zus niet vreemd meer; Amerikaans-Engels is daar, zeker na de domesticatie van het internet, een gestage invloed op.

Voor de vertaling van Oog in oog tekende Tilly Schel. Zij blijkt sinds het eind van de jaren zestig vooral Hitchcock-scenario’s in het Nederlands te hebben overgezet, maar ook heel wat boeken van vrouwen en in de jaren negentig Lenteriten van Modris Eksteins. De nieuwe vertaling Sister Outsider komt van Jenny Mijnhijmer. Zij is een beleidsmaker en adviseur, die zich heeft bekwaamd als theaterschrijver en actrice. Volgens de KB-catalogus is Sister Outsider, op zestigjarige leeftijd, haar eerste boektitel.

In de marge van de Gorman-Rijneveld-ontploffing was er wel degelijk al iets veranderd. Het colofon van de Nederlandstalige Sister Outsider dankt Gilde Alphabet Street. Van dit zwarte schrijfcollectief had Neske Beks zich bij de Baldwin-n-woord-kwestie al geprofileerd; nu blijkt het aan een toch wel witte uitgeverij de Lorde-vertaler te hebben aangedragen. Bij dit boek heeft de uitgever symbolisch ruimte gemaakt.

Omdat ik de Schel-vertaling niet heb kunnen inzien, is het helaas onmogelijk de keuzes te vergelijken die in het Nederlands moeten zijn gemaakt. Wel is Mijnhijmers prestatie duidelijk omgord. Naast het collectief tekent namelijk de podcast Dipsaus voor deze vertaling, door haar mogelijk te maken ‘voor gemarginaliseerde vrouwen in Nederland, in al hun verscheidenheid’ (en België?).

Dipsaus verantwoordt de redactionele ingreep om uit Lordes oorspronkelijke bundel twee teksten weg te laten. Mij spijt het dat zo een prachtige schrijverscongresreportage over de Sovjet-Unie in de jaren zeventig kwam te vervallen, uitgerekend met het argument dat die wereld niet meer bestaat. Wel vertaald is de slottekst over het bezette Grenada, een ‘rapportage’ die Lorde zelf als voorlopig kenschetste want schreef terwijl de rest van Sister Outsider al bij de zetter lag.

 

Dikke laag

Heeft Mijnhijmer specifieke woorden gebruikt? In de tekst Poetry is not a luxury (1977) pleit Lorde voor ‘true knowledge and therefore lasting action’, wat anno 2020 ‘echte kennis en dus duurzame actie’ is geworden. Dit duurzaam klinkt inmiddels uitgekauwd, maar valt volgens mij mooier in de plooi dan alternatieven als blijvend en bestendig.

Mij viel de oplossing op voor het zelfstandig naamwoord ‘empowerment’ dat, met zijn bijvoeglijke en werkwoordafleidingen, door Lorde voortdurend wordt ingezet. Maar pas nadien maakte het een steile opgang en ik weet niet wanneer het in het Nederlands gangbaar werd. Mijnhijmer laat het onvertaald, wat grappig uitpakt in een advies als: ‘“Verdeel en heers” moet in onze wereld “definieer en empower” worden’. Toch acht ze eenmaal, bij een lezing, een cursief gepaster. Dan is het effect toverachtig: ‘een bed waar ik verlangend naar uitzie, dankbaar in stap en empowered weer uit opsta’.

Lorde gebruikt nog een term die heden geregeld opklinkt, en die heeft Mijnhijmer wel omgezet, op twee manieren in één alinea:

 

‘De meeste vrouwen hebben geen vaardigheden ontwikkeld om woede constructief onder ogen te zien. (….) Er werden geen gereedschappen aangereikt voor het omgaan met de woede van andere vrouwen, behalve door die te vermijden of af te buigen, of haar te ontluchten door weg te kruipen onder een dikke laag schuldgevoel.’

 

Het gaat hier om tools, waarvoor eerst ‘vaardigheden’ dient en daarna ‘gereedschappen’. Mij treft hier verder Mijnhijmers ‘aangereikt’ dat developed moet dekken.

Die ‘dikke laag schuldgevoel’ lijkt me een forse vertaling van een blanket of guilt maar toont iets van Lordes metaforiek. Daarin zit namelijk vaak textuur, letterlijk, tussen individu en wereld. Vrijheid wordt bemoeilijkt en dat onderstreept Lorde, begonnen als dichter, op een speciale en bovenal fysieke manier. Een prachtig voorbeeld staat in het al genoemde Eye to Eye, uit 1983:

 

‘Alle moeders zien hun dochters vertrekken. Zwarte moeders zien het gebeuren als een offerande [sacrifice] door het gordijn van haat [veil of hatred] dat als lappen lava [sheets of lava] voor hun dochters op de paden neerhangt. Alle dochters zien hun moeder vertrekken. Zwarte meisjes zien het gebeuren door een gordijn van bedreigd isolement [veil of threatened isolation] waar geen vertrouwd vuur [fire of trusting] doorheen komt.’

 

Datzelfde essay maakt melding van huidblekende crèmes, de bleaching dus waar Unilever, namens bijvoorbeeld l’Oréal, in 2020 schroomvallig afstand van nam.

Voordat de indruk ontstaat dat Lorde ook talig haar tijd vooruit was, moet ik vermelden dat het nu, in bepaalde kringen, vanzelfsprekende begrip ‘misogynie’ bij haar geen standaard lijkt. Ze heeft het wel over ‘woman-hating’ (vertaald als: vrouwenhaat). Ook stuit ik, in een sympathiserende speech over Malcolm X uit 1982, op ‘peoples of Color’. Niet die hoofdletter vraagt aandacht, want dat doet Lorde steeds zelfbewust met kleur, maar het meervoud dat genuanceerder oogt dan waar heden de voorkeur ligt.

En zonder dat ze de term gebruikt kondigen zich in een getuigenis over het opvoeden van haar zoon safe spaces al aan: ‘I feel the want and need often for the society of women, exclusively. I recognize that our own spaces are essential for developing and recharging.’ Dat laatste werkwoord heeft het Nederlands opgezadeld met ‘de batterijen opladen’. In hetzelfde essay spreekt Lorde van ‘coming in our power’, wat tot niets anders meer kan leiden dan ‘in onze kracht komen staan’.