Waarom ontdek ik
alles toch altijd weer te laat? Bij het debat over de vermeende wokeheid in de letterkundestudie, dat afgelopen zomer op Neerlandistiek woedde, valt een nagelnieuwe
roman te betrekken: Vaart voorbij door
Laurens De Vos. Centraal staat een oudere literatuurdocent aan de Universiteit
Gent, Charles Fransen. Tot het vele dat zijn gezapige leventje onderbreekt, behoren
studenten. Buiten het lesgebouw ageren ze al dat hij college wil geven over
Louis Paul Boon. Directe aanleiding is diens Fenomenale Feminateek, de enorme verzameling
naaktfoto’s van vrouwen in alle leeftijden:
‘Het is voor de
protesterende studenten de steen des aanstoots. Ze roepen en tieren, dat het
een schande is, het is de legitimatie van pedofilie, en de vrouw wordt als
niets anders dan als lustobject van de mannelijke, roofzuchtige blik neergezet.
Er is een ploeg journalisten aanwezig, Charles denkt van de studentenradio. Een
meisje staat hen te woord. Ze is boos, oprecht boos, boos op Boon maar ook op
de hele maatschappij die de zogenaamd meesterlijke net-geen-Nobelprijswinnaar een
hand boven het hoofd houdt. Het moet uit zijn, zegt ze, zolang monsters als
Boon via universitaire curricula witgewassen worden, zal onze samenleving
altijd een vrijgeleide blijven geven aan verkrachters en pedofielen.’
Misschien
ontbreekt me een gevoel voor humor en moet ik bij dit karikaturalisme gewoon
meteen bekennen dat het boek volgens mij niet bijster geslaagd is. Dat doet er
ook niet toe. Mij interesseert de vraag hoe geloofwaardig dit is, mede in het
besef dat deze scène slechts het begin blijkt. Van Fransens ondergang, maar ook
van een heuse boekverbranding. Boons oeuvre gaat in vlammen op. De Vos laat zijn
geleerde personage vinden dat die studenten ‘stokers’ zijn.
Leeuwendeel
Lang
voordat het begrip woke naar Europa overwaaide, had de Fenomenale Feminatheek al een heuse rel
veroorzaakt. Die vond in
2008 plaats te Antwerpen, toenmalig centrum van de literaire wereld. De
provincie verbood een Boon-tentoonstelling. Mij staat niet bij dat dit besluit
op grote instemming mocht rekenen. Maar zeker ben ik daar niet van. Evenmin is
me helemaal duidelijk wat woke te
betekenen heeft. Anders dan een kapstok,
waaraan gewoonlijk dingen wapperen waar in Amerika het merk DEI op is komen te staan: LHBTQIA+, racisme,
diversiteit, inclusie,…
Aan die kapstok
hangen onverlaten soms ‘het milieu’ op, ook in de kritische neerlandistiek en
door goedbedoelende instanties als de KANTL en het Poëziecentrum. Zelfs iets algemeens als autobezit blijkt gepolitiseerd geraakt in het woke-frame. De roman Vaart
voorbij steekt de draak met zulke bezorgdheid om het milieu. Wanneer
Charles door zijn Italiaanse collega Salvatore uitgenodigd wordt om een gastlezing
te komen geven, antwoordt de Gentse docent ‘dat hij met heel veel plezier zijn
ecologische voetafdruk nog een maatje groter maakt door deze zomer naar Napels
af te reizen’.
Op het vliegveld wordt Charles afgehaald door Salvatore, die
hem meeneemt achter op een scooter van het merk Vespa. Het is gissen wanneer de
toeristische clichés uitgeput zijn, maar nadat de twee de meute achter zich hebben
gelaten ‘rijden ze door een typisch Napolitaans, groezelig straatje’. Daar
hangt een wirwar van elektriciteitskabels ‘als spaghetti naar beneden’. Er moet
haast wel op gegeten worden: ‘De ober kijkt hem met chocoladebruine,
glinsterende ogen aan. Hij lijkt sprekend op Pavarotti. Hetzelfde karuur van de
tenor, dezelfde beetje pafferige kop met baard.’
De grap moet zijn dat Charles, die zich ter plekke louter met het openbaar vervoer zal
verplaatsen, in zijn lezing ‘het post-antropoceen’ uitlegt, een nieuw
ecologisch tijdperk, met talloze fragmenten uit eenentwintigste-eeuwse romans
als bewijs. Hij heeft zich namelijk ‘stoemelings’ toegelegd op de materie van
klimaatliteratuur:
‘Nadat de hype van
de vorige generatie literatuurwetenschappers, die zich massaal op de Holocaust-
en WO II-studies gestort had, wat was weggedeemsterd, kwamen een aantal nieuwe
thema’s aan de oppervlakte. Met name postkolonialisme en klimaatstudies lagen
goed in de markt. Onderzoeksvoorstellen die zich daarop richtten, reven het
leeuwendeel van de fondsen binnen (…) En zo hield plots iedereen zich bezig met
het deconstrueren van het westers wereldbeeld in de literatuur. Eer Charles er
zich van vergewist had dat hij het geweer van schouder moest veranderen en de
Tweede Wereldoorlog in zijn onderzoeksvoorstellen best inruilde voor iets
hippers, hadden de meesten van zijn directe collega’s al een keuze gemaakt voor
“critical race theory”, waardoor hijzelf dan maar genoegen nam met ecokritiek.
Om romans in die interpretatiemal te doen passen, was er soms nogal wat
creativiteit nodig, maar dat deerde niemand.’
In deze grap
wordt ‘het post-antropoceen’ gekenmerkt door het feit dat de mens zijn
heersende rol definitief kwijt is. Veeleer is hij een speelbal van ongekende
krachten, een apocalyps. Dat zal Charles in Vaart
voorbij als geen ander ervaren. Wat volgens hem ecologisch gaande is,
gebeurt vanuit het woke-frame ook
ideologisch: ‘En de mens, die gisteren nog heer en meester was over de
wereld, dreigt nu ten onder te gaan in de brand die hij zelf ontstoken heeft. De
natuur slaat keihard terug. In ijltempo zijn in de loop van de voorbije jaren
de machtsverhoudingen gekeerd.’

