dinsdag 21 mei 2024

Onthoofdlettering


 

Mijn vooroordelen gaan soms zo snel, dat het nog best een klus is ze te reconstrueren.

Onlangs zag ik een optreden aangekondigd van de fantastische bassiste-zangeres Esperanza Spalding. Mijn aandacht werd echter opgezogen door de spelling van haar naam, die ze onthoofdletterd had tot esperanza spalding. Waarna mijn conclusie over me heen rolde. Zwart, activisme, omkering.

Wadde?

 

Stalken

Laat ik het toneel eventjes verplaatsen naar een halve eeuw geleden. Op het podium klauterden bell hooks en Audre Lorde. Eerstgenoemde was letterkundige Gloria Jean Watkins, die vanaf 1978 voor haar geëngageerde publicaties de naam hooks begon te voeren, bewust in onderkast. De tweede was een dichteres-essayiste die bijvoorbeeld ‘american’ en ‘Black’ spelde.

In sommige kringen is die omkering heden ten dage gemeengoed. De kleur ‘Zwart’ kan daar expliciet tegenover ‘wit’ optreden. Inspiratiebron is dan mede Frantz Fanon, twee decennia voordien, met de overtuiging dat maatschappelijk onderdrukte identiteiten wel een steuntje kunnen gebruiken. Van buitenaf door partijen die, meer of minder bewust, de norm hebben gesteld. En van binnenuit door een groter zelfbewustzijn.

Zoals vaker op dit blog gesignaleerd is de naam Lorde in het Nederlandse taalgebied nu ongeveer een decennium bon ton. Het fenomeen hooks hobbelt daar achteraan. Pas onlangs verscheen een bundel van haar in vertaling. En zoals Lorde al door oudere generaties was vertaald en gelezen, zo memoreert de Anil Ramdas-biografie dat hooks in maart 1994 aantrad bij het televisieprogramma In mijn vaders huis en zich diende te verweren tegen haar witte-suprematiediagnose.

Dat maakt heden de combinatie hooks-Lorde misschien belegen, maar in Martha Claeys’ recente studie Trots duiken ze meer dan eens samen op, alsof ze een tweepersoonsfront vormden – letterlijk een avant-garde. Met de onderkasten in voor- en achternaam cijferde bell hooks zich weg voor een grotere strijd. Iets soortgelijks bespeur ik bij kunstenares Patricia Kaersenhout die inmiddels als patricia kaersenhout door het leven gaat (en de wij-vorm gebruikt).

Zulke details verdienen aandacht. Ook om onderscheid te maken met trivialiteiten. Die tergen me aan een amper nog virtueel te noemen realiteit waar sociale media en WhatsApp voorvalletjes en decoratieontwikkelingen lozen op basis van het paradigma Geen Nieuws Is Slecht Nieuws. Verbaast het dat er angst gerezen is voor telefoneren? Wie op die manier nog zulke mededelingen durft te doen, voelt allicht empathische grenzen te overschrijden – te stalken.

Bij de onderkastkeuze ontvouwt spelling een ideologisch programma, urgent voor de toepassers. Een betekenisvol detail. Zoals uit een heel andere politieke hoek afgelopen week een hoofdlijnenakkoord naar voren kwam, waarin een kolderiek puntje leek vastgelegd: op snelwegen 130 kilometer per uur! In dit compromis is de auto een milieuonvriendelijk wapen waarvan gebruikers hun absolute vrijheid opeisen en meteen hun middelvinger opsteken naar ‘klimaatgekkies’ en ‘bakfietsouders’. Ik zou bijna smeken dat dit een trivialiteit is.

zondag 12 mei 2024

De toekomst klinkt beloftevol


Vandaag: Bart Van Lierde (1974). Hij publiceerde sinds 2003 een dozijn boeken in uiteenlopende genres en werkt als muzikant, componist en leraar.

  

Zoals de tekenaar in de schaduw staat van de 3D-printer, de meubelmaker wezenloos ronddwaalt in de gestandaardiseerde IKEA, de troubadour verstild met zijn luit thuis naar de radio luistert, zo werden alle componisten, songwriters en uitvoerende muzikanten afgelopen week ingehaald door technologische vooruitgang.

Na tien jaar muziekschool (notenleer, cello, piano, blokfluit), vijf jaar conservatorium in de jazzafdeling (hoofdvak zang en nevenvak piano) en zeven jaar autodidactisch onderzoek naar digitaal opnemen, mixen en masteren, ontdekte ik op een betalende website dat ik na het ingeven van mijn liedjestekst gewoon op ‘genereren’ kon drukken, waarna Artificiële Intelligentie er een perfect opgebouwde, ingezongen en gemixte song van maakte, in welk genre dan ook.

Atmosferische pop? Binnen twee minuten maakte AI een nummer in de stijl van Taylor Swift en Lana Del Rey. Hardrock? AC/DC of Aerosmith had het niet beter gedaan. Zelfs een klassiek koor produceerde AI alsof studenten van King’s College in Cambridge het hadden uitgevoerd.

Bij wijze van test liet ik mijn songtekst door Google Translate omzetten naar het Italiaans en liet AI daar een aria van maken met orkestbegeleiding. Doordat ik de zang en de muziek apart kon downloaden, viel me op dat het orkest onecht klonk; ik hoorde slechts de illusie ervan. Er was weinig ritmiek, en de strijkers gleden af naar synthetische klanken die ik niet thuis kon brengen. Alleen met de zang erbij klonk het als een orkest. Volgens mij ‘componeert’ AI niet. Ze produceert afwisselende frequenties die wij met muziek associëren en geeft weer wat er uit de speakers moet komen om ons te emotioneren.

 

Tien variaties

In de jaren tachtig was er een vergelijkbare (r)evolutie: de uitvinding van de MIDI-soundmodule. MIDI was één synthetische klank, waarvan de attack, sustain en release konden worden gewijzigd om over te komen als een strijker (langzame attack) of een kickdrum (snelle attack). Je moest op een keyboard of digitale piano de muziek inspelen, waarna die door de soundmodule werd gestuurd, om daar gewijzigd te worden in een MIDI-viool, of een MIDI-kickdrum; dat resultaat kon je dan opnemen. Het nadeel: je kon horen dat het fake was. De viool klonk als een synthesizer, de kickdrum als een omvallende stoel. Het voordeel: je had een klankvoorbeeld van je compositie en je wist dat die bij een opvoering en echte opname alleen maar beter zou klinken.

Microsoft maakte dertig jaar later de opstap voor AI in de vorm van Songsmith, een MIDI-softwareprogramma. Een studie had aangetoond dat een muzikant slechts tien variaties kon spelen voordat hij van genre veranderde. Je kon in Songsmith je akkoorden ingeven en een stijl kiezen, zoals rock of pop; telkens wanneer je op ‘genereren’ klikte, speelden de MIDI-muzikanten een andere versie, waarbij ze binnen de tien variaties bleven.

PG Music in Canada kocht dit project op en ging met echte muzikanten muziek opnemen in alle mogelijke (cross)genres. Als je nu je akkoorden ingaf, dan werden stukjes van die echte muziek aan elkaar geplakt om jouw akkoorden binnen de gekozen stijl ‘uit te voeren’. Je kon zelfs een gitaar of saxofoon een solo laten spelen. Het resultaat klonk zo goed dat het niet van echte muzikantenmuziek te onderscheiden was. Deze software werd als Band-in-a-Box over de wereld verspreid.

Toch was de software niet volmaakt. BIAB produceerde wel muziek, maar je moest je nummer zelf schrijven en de zang inzingen, en het geheel mixen op bijvoorbeeld een Macbook, in een programma zoals Logic Pro. Als je dat niet kon, dan moest je een professional inhuren en was je er niet zeker van dat het resultaat zou overeenstemmen met je eigen smaak.

 

Ingeboet

Een halfjaar geleden ontstond er een Muziek AI die je in staat stelde je zang up te loaden en die om te zetten naar die van een andere zanger of zangeres. Normaal is een singer-songwriter gebonden aan zijn eigen stem; hij zingt wat hij schrijft en wordt als ik-persoon geassocieerd met de inhoud. Nu kon ik een AI-stem selecteren die de ik-persoon zou vertolken. Ik denk dat dit het verschil is tussen het waargebeurde verhaal in literatuur en de roman.

Na deze korte aanloop maakte de Muziek AI alle stappen van het proces digitaal: de akkoorden, de melodie, de tekst, de muziek, de opname, het mixen en masteren. Wie op ‘genereren’ drukt, krijgt een afgewerkte song terug.

Nu AI frequenties produceert die een beter resultaat opleveren dan wanneer ik al het genoemde werk zelf doe, zal ik me moeten heroriënteren. Dat is niet de eerste keer.

woensdag 1 mei 2024

Verbinden begrijpen

 


 

 

In zijn jongste bundel Mond vol dobbelstenen schuift Tonnus Oosterhoff zijn ongrijpbaarheid en humor terzijde voor een snerpende politieke veroordeling in minstens één gedicht. Het eindigt met deze strofe:

 

Een mens zonder geld kan slecht zijn
maar een met geld niet rechtvaardig.
Een Bill Gates die gelijk heeft
blijft expressie van onrecht.

 

De eerste regel kan nog ironisch opgevat worden, of vluchtend uit zwart-witdenken, maar dan volgt nuchtere systeemkritiek. Op ongelijke verdeling van kapitaal, waarvoor geen structureel heil gezien wordt in de eenentwintigste-eeuwse versie van charitatieve toestanden die foundations van mensen met geld (‘een Bill Gates’) nu eenmaal aanrichten.

Niet alleen vind ik dit gedicht bijzonder omdat het zo expliciet eindigt, maar ook omdat het bij mijn weten de derde openbare versie is. In maart 2021 stond op Samplekanon de eerste versie. Die werd voorjaar 2022 geredigeerd voor de tweede versie in de bibliofiele bundel Suffisant lecteur bij Druksel. Daarna heeft Oosterhoff het gedicht rigoureus veranderd, en publiceerde het in januari 2024 bij De Bezige Bij, zijn reguliere uitgever.

 

Erfleen

Een voorbeeldje van redactie in de tweede versie is meteen kwestieus. Oorspronkelijk stond er: ‘De economie houdt zijn benen / stil en gaat toch steeds harder.’ Dat werd een jaar later: ‘De economie houdt haar benen / stil, toch gaat zij steeds harder.’ Bezittelijk en persoonlijk voornaamwoord zijn bij deze wielerkoersmetafoor aangepast aan het correcte woordgeslacht, hoewel dat – Robbert-Jan Henkes heeft hier in zijn strijd tegen persversmurfers vaker op gewezen – onnatuurlijk en stijf klinkt.

Omdat er eerst geen persoonlijk voornaamwoord te bespeuren was, heeft Oosterhoff met ‘zij’ extra nadruk gelegd op dat geslacht. Bovendien verving hij de ‘en’-constructie door een komma, zodat de pal voorafgaande bewering ‘stil’ tezelfdertijd valt te ervaren. Subtiel, en afgrondelijk en grappig, vind ik de wijziging in de regel daar weer na. Oosterhoff voegde een dubbelepunt in: ‘Dit betekent: de weg loopt af.’ Een bergetappe, met risico op serieuze valpartijen.

Er zijn meer verschillen tussen de eerste en tweede versie, maar ik beperk me tot een veranderde werkwoordtijd. In 2022 zet Oosterhoff alles consequent in het praesens. Dat heeft tot gevolg dat twee imperfecta uit de – op dat moment – tweede strofe wijzigen: ‘Ze breken Tula de botten / voor ze hem executeren.’ Hier gaat het over de achttiende-eeuwse Curaçaose verzetsstrijder, die door het koloniale Nederlandse gezag onbeschaafd het eeuwige zwijgen werd opgelegd.

Oosterhoffs continuïteitsingreep is ook thematisch te begrijpen. Het onrecht in het verleden blijft nu tegenwoordig, om door een solidariteitsgedachte aangevochten te worden. Of zoals het aan het eind van die strofe aforistisch heet: ‘pijn is een erfleen’. Maar in laatste instantie schrapte Oosterhoff deze hele strofe. Omdat premier Mark Rutte in december 2022 Tula al had genoemd in zijn excuus-rede over Nederlands slavernijverleden en de moedige man in oktober 2023 werd gerehabiliteerd?

 

Familiedrama

In derde instantie haalde Oosterhoff nog een complete strofe weg, waaraan hij in de tussenversie nochtans een verandering had aangebracht:

 

Geen muilkorf voor de pekinees.
Cavalier King Charles-spaniël
op pistool.
Een familiedrama:
eerst zijn fokker, dan zichzelf.

 

Niet alleen herspelde hij de naam van het notoir gezellige hondenras, de fokker kreeg hier ook een mannelijk bezittelijk voornaamwoord; voordien moest hij het stellen met een bepaald lidwoord. Wellicht interpreteer ik te smeuïg, maar deze minieme wijziging bracht me op het spoor van een politicus die zich liet voorstaan op seksuele prestaties: Pim Fortuyn. Deze vond inderdaad zijn einde door een pistool, en bezat maar liefst twee cavaliers (Kenneth en Carla).

Zou Oosterhoff door het schrappen van de strofe zulke associaties willen voorkomen? Zodat er geen hernieuwde aandacht hoefde voor een populist die, op andere wijze dan Bill Gates, zijn rijkdom graag etaleerde en die, ondanks zijn claim namens Jan met de pet te spreken, inkomensverschillen geen principieel probleem achtte? Of zodat het gedicht niet te Hollands zou worden, een staalkaart van weetjes die de internationale agenda van kapitalisme negeerde?

dinsdag 23 april 2024

De herdefinitie ervan

 

 

Er gaat een gerucht dat Honoré de Balzac al vóór de uitvinding van het Facebookduimpje heeft beweerd: L’homme meurt une première fois à l’âge où il perd l’enthousiasme. Goddank stond de vertaling erbij (we sterven een eerste keer op de leeftijd waarop we ons enthousiasme verliezen). Zo is het maar net, confrère!

Wel benoemt De Balzac simultaan een angst bij de ouderwording, niet meer mee te willen. In nog een andere taal heeft dat een niet te vernederlandsen uitdrukking gekregen. Been there, done that. Ze toont blaséheid, een kuil waarin geen redelijke mens wil vallen maar helaas. Zelfs schrijver-lezers, die theoretisch gezien meer dan voorbeeldige schepselen zijn, ontkomen er niet aan.

Nieuw werk van auteurs die veel jonger zijn kunnen ze in een wimperwenk verticaal klasseren. ‘Dat experiment is al honderd keer gedaan.’ ‘Een tweedehandsversie van ***’. ‘Dat de literaire kritiek dit niet ziet!’ ‘Stilistisch een kruk.’ ‘Alleen al wat die knakker bleef beweren in paginagrote interviews ontnam de lust eraan te beginnen.’

Het is te makkelijk om de hypocrisiediagnose voor zulke uitspraken boven te halen, dat die jongere schrijvers extra concurrentie op een toch al oververzadigde markt zijn. Maar buikgevoelens geven niet alleen een intuïtie weer, ze kunnen ook oordelen vellen die efficiënt en domweg waar zijn. Wel blijft er een kans op wat een drama is en waarop De Balzac wijst: verloren ontvankelijkheid.

Niet meer mee willen behelst dan niet meer mee kunnen. Ik moest hier mede aan denken door Esther Jansma’s jongste inventaris van literaire jury’s en de genderstatus van hun bekroningen. Na de P.C. Hooft-prijs nam ze ditmaal de Constantijn Huygens-prijs onder de loep, telde en rekende en stelde vergoelijkend en sarcastisch:

 

Je kunt niet van een in 1917 geboren jurylid verwachten dat hij opeens in de jaren ‘70 wél oog krijgt voor de kwaliteit van vrouwelijke auteurs. Je kunt dit ook niet ná 2000 verwachten van iemand die in 1979 aantrad en de eerste twee decennia van zijn dertigjarige jurywerk bijdroeg aan een bedroevende 15% vrouwelijke winnaars.’

 

Dit klinkt inderdaad menselijk én stigmatiserend. Passend in een tijd waar aardbewoners afgerekend worden op eigenschappen waaraan bij leven en welzijn niks valt te veranderen. De klacht komt ook op een raar moment. Nadat jury’s lang treurige mannengenootschapjes waren, lijkt er een overwicht aan vrouwen te besluiten over bekroningen – waarbij het genderroer coûte que coûte om moet.

Daarnaast traden er veranderingen op in de literaire infrastructuur die sowieso gunstig uitpakken voor alle nieuwe namen waar, net als bij theoretische studies, vrouwen in de meerderheid zijn. Schrijfopleidingen zorgen voor snellere doorstroming naar uitgeverijen; nationale fondsen geven ontwikkelings-, stimulerings- en residentiebeurzen aan beginnende auteurs.

Het kan uiteraard dat mijn ouwe blik om allerlei redenen vertekend is, maar ik zie die wending ook in bekroningen. Om me tot België te beperken, enerzijds ligt bij de Herman De Coninckprijs statutair vast dat bij de nominaties minstens één debuut zit, anderzijds verdween de Hugues C. Pernath-prijs, waarvoor louter min-44-jarigen in aanmerking kwamen, geruisloos van het toneel. Overbodig?

Zelf voel ik mijn ouwe blik wel degelijk, bij periodieke oprispingen stapels boeken van nieuwe auteurs naar huis te slepen. Kauw ik dan wel goed, of verslind ik bladzijden en ben dus al op z’n Balzacs dood? Extra opgelucht ben ik soms op teksten te stuiten waarin ik me meteen thuis waan. ‘Da’s voor mij!’ Waarna twijfel de kop op steekt mijn geluk te delen of als Geheimtipp voor me te houden.

 

Patent

In zo’n vanzelfsprekende juichstemming, bruikbaar om een boek terug in de hand te nemen, bracht en brengt mij bijvoorbeeld poëzie van Vincent Geyskens. Vanwege het vrouwenperspectief gaat het hier vandaag echter over Laura Broekhuysen. Eind vorig jaar maakte ik kennis met Wij capabelen (2022), een zeldzaam knappe bundel waarin poëzie toont taal en wereldmuziek te kunnen zijn.

Vakidiotie van iemand die bijna twintig jaar jonger is dan ik? Broekhuysen blijkt een violiste voor wie woorden onontbeerlijk zijn. Dat begreep ik na een nieuw bezoek aan de bibliotheek dat me haar columnachtige boek Flessenpost uit Reykjavik (2019) opleverde. Ze vertelt erin dat ze vanaf haar negende dagboek hield, zonder het na te lezen.

Voor Broekhuysen is de pen nodig, de beweging van het krassen, ‘om het denken in het gareel te houden, volgorde af te dwingen, een kettingvorm: woord voor woord, lus na lus – zonder ben ik nergens’. De genoemde vorm komt voor in haar poëzie, waar een gedicht als ‘Cirkelredenatie’ me had verbluft met zijn uitgeperste betekenismantra’s:

 

Zorg dat je me baart als ik geboren word, zorg

                  Zorg dat je me baart als ik geboren

                                         Zorg dat je me baart

 

dat je geboren wordt als ik je baar, we doen het
word, zorg dat je geboren wordt als ik je baar,
als ik geboren word, zorg dat je geboren wordt

 

beurtelings, zorg dat je geluiden maakt terwijl
we doen het beurtelings, zorg dat je geluiden
als ik je baar, we doen het beurtelings, zorg dat

 

je me op de wereld wijst, ik val je in de rede, ik
maakt terwijl je me op de wereld wijst, ik val je in
je geluiden maakt terwijl je me op de wereld wijst,

 

(…)

 

Dit schrijven komt ook geenszins gratuit over. Het magische contact tussen pen en papier vergelijkt Broekhuysen met het raken door de strijkstok van de snaar, ‘de tijd in ritmes opgemeten, in stukjes gehakt, een analyse van tijdsbestek’. Uiteindelijk ontstaat misschien niet eens zozeer samenhang als wel betekenisafgrond. Of prop ik nu mijn eigen poëtica door een trechter?

dinsdag 16 april 2024

Ja graag!

 

 

Alweer meer dan een jaar geleden overleed Wim de Bie. Mij kwam een prachtig in memoriam onder ogen door Kees ’t Hart. Het heet ‘Naar de Haagse Boekenmarkt’ en beslaat de integrale slotafdeling van diens recentste bundel. In tien gedichten is wijlen de satiricus in een dialoog, per mail of sms of WhatsApp, met de dichter. Onbecommentarieerd, dus wie is wie?

Dit is het eerste gedicht:

 

Zullen we naar de boekenmarkt?

Ja graag!

Ik haal je op

Ik sta buiten

10.40?

Ja, ik ben er

 

De frases zijn neutraal, gericht op een afspraak voor een plaatselijk fenomeen dat aan het tweetal zo gewoon is dat ‘de’ vanzelfsprekend klinkt en zich wel aan het Lange Voorhout moet bevinden. Het persoonlijkste is misschien het uitroepteken, dat gretigheid laat zien. Waardoor een komma na de beaming ‘Ja’ wegvalt, die alsnog correct opduikt in de slotzin.

Uit die interpunctie valt af te leiden dat deze taalgebruikers (De Bie is van 1939, ’T Hart van 1944) wat ouder zijn– zo’n onnodig ding nog te gebruiken in digitale communicatie.... Maar ik meen ook een stilistisch signaal te zien. In de openingszin ontbreekt achteraan de infinitief ‘gaan’. Net zoals in Nijhoffs fameuze acquitstoot ‘Ik zou een dag uit vissen’ die, voor oudere generaties, even naturel klinkt. Veel jongeren hebben ‘zullen’ bovendien vervangen door ‘gaan’.

Ik betwijfel een ander detail te kunnen verbinden met een gevorderde leeftijd. De tijd ‘10.40’ komt in de hele cyclus terug, en zou met wat kwade wil kunnen duiden op een gebrek aan flexibiliteit dat aan ouderen kleeft. Of met nostalgie – het bekende tijdstip dat plezier bijna bijgelovig garandeert. Maar het kan evengoed een praktische oplossing zijn, versterkt door het wachten ‘buiten’: recht op het doel af! En nadat de standhouders zeker hun kraampjes ingericht hebben.

Intimiteit tussen de twee staat in deze cyclus voorop. Beleefdheidsfrasen zijn nodeloos, en meer dan eens wordt afgewogen of tijdens de zomerse markt de hitte niet te drukkend is. Quod non, meestal, en dan helpt een ‘korte broek’ die formaliteiten even overbodig maakt. Het gezamenlijke bezoek lijkt een ritueel, dat ontroerend in beeld wordt gebracht door het complete vierde gedicht:

 

Morgen?

Ja

 

Wie hier ook degene is die het voorstel doet, dit is authentiek in de zin dat er geen moeite wordt gedaan zich esthetisch uit te drukken zoals kunstenaars dat zelfs in droge mededelingen heten te kunnen. Hier spreken domweg medeburgers. En dat besef maakt me razend, nu bij mij om de hoek, zo’n dertig meter hemelsbreed, er in een pand horror plaats heeft gehad. Daar is, na vooralsnog onbepaalde tijd, de enige bewoner dood aangetroffen. Een buurman feitelijk.

vrijdag 29 maart 2024

Een hoed die my ook slaat

 

 

Door een fragment in de polemische artikelenbundel Het wankele recht van spreken van Koen Lemmens besefte ik weer eens een vertalingenlezer te zijn. Hardop nadenkend over Queneau’s Stijloefeningen, een favoriet boek van mij, weegt Lemmens de ethische houdbaarheid van een hoofdstukje Italiaans-Frans. Discrimineert die kromspraak niet goedkope Italiaanse werkkrachten die kort na de Tweede Wereldoorlog, toen Exercises de style verscheen, naar Frankrijk waren gekomen?

Ik stond paf. Hoewel mijn geheugen niet bepaald olifantesk is, wist ik bij benadering niet waarop Lemmens doelde. Of had Rudy Kousbroek, die deze Queneau-titel in 1978 gul aan het Nederlands schonk, een grap uitgehaald met het onvertaalbaar ogende origineel? Nazicht leerde me dat er in 1947 inderdaad een hoofdstukje was dat ‘Italianismes’ heet en zo begint:

 

Oune giorne en pleiné merigge, Ié saille sulla plataforme d’oune otobousse et là quel ouome ié vidis? Ié vidis oune djiovanouome au longué col avé de la treccie outour dou cappel.

 

Zelfs mijn ongetrainde oren horen hier meteen karikaturaal Frans. Stel dat mij gevraagd zou worden daar een Nederlands equivalent voor te verzinnen, dan verwijst dat geheugen van mij linea recta door naar een televisieserie met Ton van Duinhoven. Vanaf hier moet het internet me helpen. De serie blijkt in 1979 te zijn uitgezonden en heette Cassata. En Van Duinhoven speelde het typetje Guiseppe Paparo, een naar Nederland uitgeweken ijsverkoper.

Op YouTube is de openingstune nog te vinden. Die doet – vreemd genoeg, voor muziek – geen enkel belletje bij me rinkelen. Wel kweelt Van Duinhoven op het laatst één regel, zoiets als ‘Iek hauw vaan Hooland’. En dat zet me in de richting van Kousbroek. De regel opent immers een klassieker, zeker in de versie van tenor Joseph Schmidt, een klein mannetje maar bovenal een polyglot wiens eerste taal Duits was. En dan ben ik in Stijloefeningen, waar het hoofdstukje ‘Germanismen’ heet en zo begint:

 

Mensch, was mei passiert is. Ik sta of der stratenbaan, alles voll beleegt, enta staat so’n mieser kerel, grauwzaam afgemaagerd, die hals wederwaardig uitgedeend, een echter moeffiger slapswans.

 

Wat horen mijn oren hier? Wederom een karikatuur, maar niet eentje die openingen biedt naar Lemmens’ probleemstelling van de vrije meningsuiting. Dat zal ongetwijfeld vooral iets zeggen over mij, maar met hem zit ik sowieso opgescheept. Dus laat ik mijn hoofd nog even verder ratelen. Bij Queneau kan ik me inbeelden dat de spreker uit een ongeprivilegieerd milieu stamt, bij Kousbroeks versie niet.

Hoe kan dat nou? Een gemakkelijk in te zetten feit is dat goedkope arbeidskrachten niet direct met Duitsland te verbinden zijn, terwijl na de oorlog armlastige Italianen over Europa uitzwermden. Maar zo wil ik me hier niet van af maken. Het taaltje dat Kousbroek laat opklinken heeft minstens twee vooraanstaande sprekers gehad: de prinsen Bernard en Claus (waarbij in karikatuurpercentages de eerste radicaler was).

Meer beroemd Duits-Nederlands klonk dagelijks op de radio, volgens internet vanaf 1976. Vanaf toen viel Reinhard Mey te horen met ‘Goedenacht vrienden’. Maar van alle genoemden komt vooral het accent overeen met Kousbroeks versie, minder dan de grammatica. Nog altijd ontglipt me de ratio van Kousbroeks keuze. Of?

donderdag 14 maart 2024

Wat een versmalling van ons universum

 

 

 

Over Erik Vlaminck gaat het verhaal dat hij een kast met exact duizend boeken bezit. Daarin staat wat hij het allermooiste vindt – zijn privé-canon. Consequentie is dat zijn verzameling verandert. Want anders dan zijn personage Dikke Freddy heeft Vlaminck geld om nieuwe boeken te kopen. Ze kunnen hem voortschrijdend inzicht brengen. Het dierbare dat hij dan met volle overtuiging aan zijn collectie toevoegt, leidt tot een afscheid van een inmiddels minder hartstochtelijke voorkeur.

Ik moest hieraan denken bij het bericht dat het Literatuurmuseum een lijst heeft laten opstellen van vijf plus achtentwintig vrouwelijke auteurs die de P.C.-Hooftprijs niet hebben gekregen maar wel zouden hebben verdiend. Op de museumwebsite kun je de vijf aanklikken waarna hun in edelmetaal gegoten hoofd schitterend pirouetteert naar jou, verslaafde lezer, klaar voor nadere informatie. Bij de achtentwintig wordt dit verlangen gesmoord: foto’s met ultrakorte beschrijvingen.

Ik voor mezelf sta altijd weer versteld van mijn kennisgebrek. Dat toe te geven voelt niet eens als exhibitionisme. Noch als schaamte die mij wel lichtjes bekruipt eigenlijk een zwak te hebben voor lijstjes en overzichten. Hier betreft het een toevoeging aan de bestaande, overwegend mannelijke namen. Helaas, zou ik denken. Wat zou er geschikter zijn voor een open gesprek over diversiteit en smaak, wanneer om gegronde redenen evenveel mannelijke laureaten plaats moeten maken?

 

Depreciatie

Zo’n integrale kritiek zou ik ook geloofwaardig vinden, omdat er sowieso merkwaardige bekroningen voor deze prestigieuze prijs zijn geweest (naar mijn idee, dat uiteraard voor kritiek vatbaar is). Een gekende vervangingskandidaat is H.W.J.M. Keuls, maar na inspectie van de lijst gelukkigen ligt de bestudering van een andere naam meer voor de hand. Om de simpele reden dat ik die zelfs nog nooit had gehoord, en een autoriteit in mijn vak evenmin: jonkvrouw Amoene van Haersolte.

Een dame, ex-aequo met de eerste winnaar Van Schendel! Ik vermeld dit niet om het concept van het Literatuurmuseum te ondermijnen. Feit is dat bij de laureaten de manvrouwverhoudingen (de volgorde in dat woord!) compleet scheef liggen: 60 versus 13. Helaas vermeldt dit initiatief niet hoe dit bij de jury’s ligt, noch of en wanneer daar gaande de decennia veranderingen in zijn opgetreden. Bij het begin in 1947 was de stand 5-0, bij de laatste in 2024 stond het 3-2.

Bijkomend onrecht was dat Van Haersolte minder prijzengeld ontving dan haar collega-laureaat. Of moet ik me dan voorstellen dat haar gegoede afkomst daartoe noopte – Van Schendel kreeg de prijs postuum, mogelijk zaten zijn erfgenamen krap. Toch weet ik een tegenargument voor het rechtdoen aan feitelijke prestaties en voor diversiteit. De magere Keuls-reputatie valt schier rechtstreeks te wijten aan een depreciatie van dé naoorlogse laaglandse criticus: Kees Fens. Een man.

Volgen bekroningen dus niet alleen gendertradities maar ook smaakautoriteit? Is de bijgestelde blik niet weer navolgend en ontwijkend? Zo staat er niet meer dan dat Jo Boers roman Kruis en Munt onlangs herontdekt is en in 1949 had kunnen winnen. Tja, dat klopt en geldt ook voor de bundel Sous-terrain van W.J. van der Molen, in wie Hermans een grote toekomst zag. En voor de heden hoog aangeschreven novelle Werther Nieland. Beter dan toenmalig triomfator Achterberg?

Zonder oorspronkelijke legitimatie appelleert het Literatuurmuseum-project aan kwesties van de tijdgeest zoals de laatste jaren in media naar voren komt, lenigt het cultuurindustriële noden waar altijd behoefte blijft aan beleving en namen, reageert het op een klacht tegen de P.C.-Hooftprijs en biedt het morele steun aan schrijverscollectief FixDit waarvan het pamflet Optimistische woede (2022) urgent én onzelfkritisch was.

 

Doodverklaarden

Afgaand op het rapport dat de ‘onafhankelijke jury’ – wat een krampachtige zegswijze is dat toch – aan haar keuze vooraf liet gaan, is het psychologiserende concept van ‘het verdrongene’ anno 2024 eerder ritueel dan origineel. De vermelding van herschreven literatuurgeschiedenissen, recent bekroonde vrouwelijke en non-binaire auteurs, straatnamen: inhoudelijk dunken me dat geen tekens van de er vanzelfsprekend aan gekoppelde diversiteit.

Die recente bekroningen worden door de inleiding van het museum zelf ‘hoopvol’ genoemd. Dus puur het feit dat een vrouw wint, is een positieve ontwikkeling? Ik krijg niet alleen medelijden met aangestelde kenners die een blik van de buitenwereld internaliseren en voor hun long- en shortlisten hun toevlucht zoeken tot een telraam, maar ook met bekroonden die er nooit zeker van kunnen zijn dat hun gender niet de doorslaggevende reden was en hun boeken wel.

Dat ik geen karikatuur aanlever, bewijst de nieuwe procedure bij de P.C. Hooft-prijs, zoals onthuld door de inleiding. De juryleden worden ‘geattendeerd op de genderstatistieken en via verschillende ingrepen gemotiveerd om zich tijdens de jurybijeenkomsten bewust te zijn van de genders van de besproken kandidaten’. In hoeverre kunnen die kenners dan nog ontkomen aan het verwijt dat hun voorgangers is gemaakt?

En wat toe te voegen aan deze basisobservatie uit het rapport:

 

In het canoniseringsproces, van uitgever naar recensent, leraar, docent en zo naar jury’s, werden vele belangrijke namen onderweg opzijgeschoven. In de opleidingen Nederlands waren er jaren dat studenten nauwelijks een vrouwennaam tegenkwamen. Als die studenten voor de klas gingen staan, onderwezen ze hun leerlingen de teksten die ze zelf geleerd hadden. De literatuurgeschiedenissen, met hun nadruk op ‘vernieuwing’, richtten zich op tijdschriften van jonge honden die het oude doodverklaarden. Die jonge honden in kwestie waren zelden vrouwen. Vrouwen opereerden zelfstandiger, met minder luidruchtige programma’s en werden dus eenvoudig over het hoofd gezien. Wat een versmalling van ons universum, dat zo’n groot deel van alle verhalen en taal ongehoord bleven.

 

Ik heb regelmatig de sensatie achter te lopen, maar zelden zo extreem als bij deze redenering. Ze beschrijft het mechanisme van de vadermoord. Mij staat bij dat het ten tijde van de Maximalen, een mannenonderneming van zo’n vijfendertig jaar geleden dus, reeds passé werd verklaard als artistieke strategie. Dat dit idee nu onbarmhartig braaf wordt herkauwd zou niet erg zijn, wanneer de centrale stelling ervan houdbaar was. Maar helaas.

Het marginaliseren van potentieel belangrijke prestaties is van alle tijden en zal voortgaan omdat het mattheuseffect helaas onuitroeibaar blijkt. Gepapegaaide toejuichingen van enkelingen blijven de toon zetten – uniformiteit. Iedereen kan zich daarvan op internet vergewissen; van heel wat prijzen staan overzichten met inzendingen. Dan valt steeds de onbekendheid op van het gros van de auteurs en titels. Door een mediacordon? Verhoudingsgewijs zijn er meer vrouwen de klos geweest, dat wel.

dinsdag 5 maart 2024

Ohhk

 

 

Anderhalf jaar voor een studiekeuze wordt het taalkundig genie nu ook voorbereid op een ander spreken. Ze ontving een pdf die beloofde deel 1 te zijn uit een reeks Woorden voor je toekomst. Die lijst heet een ‘academisch’ vocabulaire te bieden en pikt aan bij een idee, niet helemaal onbetwist, dat een vervolgopleiding – ooit ‘hoger’ genoemd, inmiddels ‘theoretisch geschoold’ – taaltechnisch een kwestie is van woordenschat.

Woorden, de prince charmings van de communicatie. Kroketten ‘met de hand gepaneerd’. Het spul van iedereen waarbij je stiekem denkt dat jij er meer van bezit. Ooit las ik dat volgens Van Dale kaas- en wijnavonden waren bedoeld ‘om de kas te stijven’ en zon al op een tekst waarin ik mijn correctie tot ‘spekken’ nuchter kon delen, tot bleek dat hier een staande uitdrukking werd gebruikt.

Angstig pervers als ik ben doorkruis ik de academische lijst nu louter op bijvoeglijke naamwoorden, waarmee de kritische annex distingerende kers op de taart kan worden gefloept. Met die blik tref ik kwalificaties als ‘accidenteel’, ‘arbitrair’, ‘courant’, ‘eenduidig’, ‘facultatief’, ’illustratief’, ‘inherent’, ‘ostentatief’, ‘suggestief’ en, bij wijze van daverend slot, ‘willekeurig’.

Tot mijn geluk treft mijn steeds diagonaler rakende blik evenzeer het woord ‘frappant’, waar ik dol op ben en dat ik zelf zo vaak mogelijk probeer te gebruiken. De zalige lipspanning die ervoor nodig is, het fluweelzachte begin dat meteen door een uitblazen wordt gevolgd zonder te hoeven hijgen – er is weinig taal die zo makkelijk in de mond ligt én, q.e.d., een interessanterige kennersblik belooft.

Ik twijfel wel bij ‘principieel’, dat in deze lijst veel minder objectief overkomt en bestemd lijkt voor enkele ongeneeslijke betweters die denken spreekrecht te hebben waar anderen op basis van, wat zeg ik, contingente dingetjes zouden moeten zwijgen.

Regelrecht razend word ik van de term ‘exhaustief’. Die is onuitspreekbaar, pedant en in de kern van zijn poedel gewoon belachelijk. Corpspopulisme. Voor mij fungeert ‘exhaustief’ als wachtwoord in mijn vak van de neerlandistiek. Mensen die het na het behalen van hun diploma nog altijd gebruiken, in beschouwingen over de mooiste boeken, lees ik niet.

Punt?

Toevallig en arbitrair en willekeurig lees ik dezer dagen ook Hoe ouder hoe vrolijker, essays door Hans van Pinxteren. Daarin vertelt hij onder meer prachtig over zijn vader. Hoewel de man uitsluitend Nederlands sprak, was hij in het buitenland steevast in gesprekken verwikkeld waarvan de voertaal onduidelijk bleef. Bij enig resterend onbegrip bleek hardere actie reëel.

Op een dag nam vader Van Pinxteren zijn jonge zoon, toekomstig meestervertaler van Montaigne en Rimbaud en meer mannen met een savoir-écrire, mee naar een Franse levensmiddelenwinkel. Daar zegt de man ‘Bonjour’ en steekt vier vingers in de lucht:

 

Vervolgens brengt hij zijn rechterhand naar achteren, naar de onderkant van zijn rug, houdt hem onder zijn zitvlak, zakt door zijn linkerknie, trekt zijn rechterbeen wat op, en begin te tokken ‘Ohhk, tok-tok-tok, ohhk!’ Nadat hij met een ferme uithaal het laatste ‘ohhk’ heeft uitgebracht, trekt hij zijn rechterhand tevoorschijn, maakt daar een kom van, kijkt met een triomfantelijk gezicht naar wat in de holte ligt en daarna weer naar de kruidenier.

 

En vader Van Pinxteren kreeg wat hij wenste.

Ik bedoel maar met dat ‘exhaustief’: enough is enough.

dinsdag 27 februari 2024

‘En ik ben nieuwsgierig’


 

 

In Pleidooi voor pulp (2022) memoreert Kees ’t Hart dat hij, in Amsterdam, Nederlandse taal- en letterkunde volgde van 1968 tot 1975. Nog kort voor de mythe van de eeuwige student maar naar hedendaagse begrippen een lange zit; geboren in juli 1944 trad hij sowieso op relatief rijpe leeftijd toe tot academische kringen. En als ’T Hart meteen een herinnering ophaalt dat hij een werkgroep had bij Ton Anbeek, dan was die docent twee maanden jonger dan hij.

Andere tijden! Pleidooi voor pulp vergt voor mij sowieso acrobatiek in het begripsvermogen. Centrale stelling is dat zogeheten lectuur (Bouquetreeks, ‘damesroman’, kitsch) bloot blijft staan aan blinde verwerping door een goegemeente, die vooringenomen en minachtend niet eens kennisneemt van wat onkwalitatief bij voorbaat buiten ‘de canon’ valt, door toedoen dus van een veilige positie als ‘helicopterpiloot’.

Blijkbaar leef ik met mijn hoogtevrees in een ander universum. Een kenmerk van recentere literatuur blijft voor mij namelijk dat ze in haar affectieve bekentenisneiging is gaan lijken op lectuur, dat stijl van geen tel is én dat er geen literaire kritiek bestaat. Nergens levert ’T Hart dan ook maar één bewijzende quote voor zijn repetitieve klacht, die zich uitstrekt tot heden.

De Anbeek-werkgroep verhief zich niet, bevestigde ’T Hart in een interview. Als kwaaie pier fungeert wel Peter Burger anno 1992 in Onze Taal, maar deze is bij mijn weten geen hardcore letterkundige en zijn podium is geen literair blad. Verder weg in de geschiedenis richt ’T Hart zijn pijlen op de Nijmeegse doctoraalscriptie Massaliteratuur (1974) van Jos Gielen en andere studenten, die pulp ontmaskerden als ‘kapitalistische propaganda’.

Hoewel ’T Hart beweert dat je zoiets niet vaak meer leest, bekritiseert hij verderop in Pleidooi voor pulp ‘nog altijd’ rondzingende ‘betweterige en bestraffende commentaren op lezers in feministisch (en marxistisch) georiënteerde beschouwingen’. Dit standpunt, dat afrekent met zijn Amsterdamse neerlandistiekopleiding, huldigt hij al wat langer.

 

Emotionaliteit

Pleidooi voor pulp blijkt een boek op aanvraag. ’T Hart publiceerde in de winter van 2021 het artikel ‘De Pulpclub’, waarin zijn redactrice materiaal zag voor iets omvattenders. Geen ongebruikelijke procedure. Rasit Elibol, collega-publicist van ’T Hart bij De Groene Amsterdammer, heeft onlangs uitgelegd hoe uitgeverijen dergelijke cumulaties opzetten. Het rare is hier alleen dat het project al aan de buitenkant twee richtingen op gaat.

Met de belettering op het voorplat gaan uitgever en titel mee in het pulpidee – een schreefrijke en kitscherige cursief is hun deel. De schrijver behoudt echter de gangbare schreefloze presentatie in romein die gehandhaafd blijft op de verklarende achterflaptekst, inclusief een schrijversaanprijzing op basis van oude institutionele bronnen: literaire prijzen en nominaties. Op die plek wordt loodrecht de kitscherige letter evenzeer ingezet, als selling point annex maatschappelijke motivatie achter het pleidooi: ‘Een wapen tegen de ontlezing’.

’T Harts cruciale bron, die hij ook aanbeveelt aan wetenschappers, is de ‘fantastische site’ Goodreads, ‘een goudmijn’. Maar zelfs ik, digibeet, ken die meningenplek al jaren, en ik kan me niet voorstellen dat literatuursociologen al geen onderzoek naar ‘de echte discussies’ van onopgeleide lezers aldaar verrichten. Ook meent ’T Hart dat Pleidooi voor pulp ‘startmateriaal voor heel wat proefschriften’ bevat. Het boekje eindigt met een prachtige lijst verlangwoorden die hij samenstelde met zijn lectuurgevoelige dochter Jetje, aan wie het geheel is opgedragen.

Zelf interesseren hem amper nog academische letterkundige studies omdat ze, afgeschermd van de wereld, een cirkel van eigenbelang zouden beschrijven door poëtica’s en ideologieën te legitimeren. Hij bekent dat hij gaande de jaren als recensent meer oog voor ‘emotionaliteit’ heeft gekregen. Maf is dan dat hij in De Groene Amsterdammer bij mijn weten nooit een pulpboek heeft besproken. Door veto’s van de redactie?

Nog maffer vind ik dat ’T Hart zijn anti-elitaire signalementen doorspekt met autoriteiten uit hoge cultuur. In pulp ziet hij parallellen met ideeën van ‘theoloog Rudolf Otto’, van ‘psycholoog William James’, van ‘filosoof Stanley Cavell’, van Robert Graves, Carlo Ginzburg, James Frazer,… Het heeft voor mij ook iets opgelegds te moeten weten dat enthousiaste boekaankopen worden gedaan ‘bij Albert Heijn’. En dat net als ’T Hart bijvoorbeeld ‘Goodreads-lezers meestal een hekel hebben aan kouwegrondgepsychologiseer’.

Alsof ’T Hart telkens cultureel kapitaal uit zijn voordeur smijt dat in een ander pakpapiertje langs de achterdeur naar binnen mag. Zichzelf acht hij in elk geval de uitgelezen kandidaat voor dit pleidooi. Hij is kenner van literatuur- én van lectuurwerelden ‘en ik ben nieuwsgierig’. Naar gewoonte haalt hij zichzelf (en zijn betoog?) verderop onderuit door zijn decennia getrainde begaafdheid in diep lezen te relativeren: ’Ik ben en blijf dezelfde dromerige eikel die ik toch al was.’