donderdag 22 oktober 2020

Dertien spijkers

 

Als Nederlander te Vlaanderen hoor ik al jaren verwardheid benoemen als ‘het Noorden kwijt zijn’. Dus niet meer weten waar de vijand te vinden is? En indien iemand een moreel verwerpelijk ding doet of zegt, heet het hier dat het ‘erover is’. Waarover, de landsgrens? En zo ja, welke?


Die vertaling van Bourdieu is toch maar mooi tot stand gekomen dankzij het Franse ministerie van Cultuur.

 

Ik hak je in emoties.

 

Herinner ik het me nu goed dat in Nederland verschil in porto werd gemaakt voor post in open dan wel gesloten enveloppen?

 

Het moet inderdaad wel apart zijn om zoals Dubravka Ugrešić, de Joegoslavische die tot Kroatische werd gebombardeerd, in Amsterdam een restaurant Lissabon te ontdekken dat Turkse specialiteiten serveert.

 

Haastig lezend door een slechte roman word ik verrast door mijn achternaam. O nee, het is het woord ‘kregelig’.

 

Dit was tenminste een politicus die de problemen durfde te benoemen bij hun voornaam.

 

Misschien is een wurgslang eigenlijk een knuffelbeer, wiens goede bedoelingen niet naar waarde worden geschat.

 

Ofschoon het overgeorganiseerde Nederland me vaak de keel heeft uitgehangen, ontroert het me te lezen dat het in 1972 als eerste natie nutsvoorzieningen gegeven heeft aan krakers. Dit dan wel om organisatorische redenen: elektriciteitsroof en brandgevaar.

 

De ervaring leert dat er iets faliekant is misgegaan wanneer een Vlaming beweert dat hij of zij ‘ook maar mijn best heb gedaan’. Maar dat concludeer ik inmiddels vanuit een luie stoel.

 

Zij was zo verdiept in het boek dat de steam of consciousness uit haar oren kwam.

 

De spellingscontrole geeft een waarschuwend rood kringeltje onder ‘maternalistisch’. Gegeven optie: ‘paternalistisch’. Wie programmeert dat ding?

 

Lang verstond ik ‘schijnbeweging’ als ‘schuimbeweging’. Misschien omdat Adèle Bloemendaal in die tijd een reclame had voor het chocolademerk Bros, waarin ze in bad met haar moeder belde. ‘Nee, daar zie je niks van’, riep ze vanuit een ondoorzichtige laag water.

woensdag 14 oktober 2020

Not ‘clever’ ones

 



In vakkringen was er al onenigheid over Begrijpend Lezen, maar nadat Arjen Lubach er een televisie-item aan wijdde zwollen de opinies aan. Daarbij slokte één ding alles op: de markeerstift.

Omdat de onderwijsontwikkeling dateert van na mijn schoolleven waarin een geodriehoek nog werd gebruikt als leesliniaal én flosser, moet ik telkens recapituleren wat er gaande is. Heden fluoresceren leerlingen ‘signaalwoorden’, opdat de tekst helderder raakt. Zelfs nu ik het opschrijf geloof ik die magie niet, mede omdat er allerlei taal wordt uitgesloten.

(Ik wil het epitheton ‘literair’ niet ijdel gebruiken en acht het denkbaar retorisch minder gewelddadig te zijn.)

Ik vraag me af of deze ontwikkeling samenhangt met economische wetmatigheden. Zonder van een militair-industrieel markercomplex te willen spreken – wanneer kwamen die dingen in de handel? En zetelden ze vervolgens in het woordenboek?

In ons huis noemt de twaalfde druk van Van Dale (1992) een markeerstift en verwijst door naar het synoniem accentueerstift. Bij dat lemma is er verlossing: ‘stift die een kleurige substantie bevat waarmee men bep. woorden of passages in boeken of geschriften kan releveren’.

Sikkeneurigheid! Waarschijnlijk zette deze auteur in kantlijnen een potloodstreepje.

In de huidige, digitale editie van Van Dale heeft markeerstift een eigen omschrijving: ‘brede viltstift die een fosforiserende [sic] inkt bevat, om tekstpassages te laten opvallen’. Er staat een ongeveer-gelijk-teken bij (≈), dat verwijst naar ‘accentueerstift’. Daar staat nu effen: ‘markeerstift’. Verder is er plaats ingeruimd voor de markeerpen, toegevoegd in oktober 2011.

Onze twintigste-eeuwse papieren Van Dale duchtte verengelsing niet want onthulde al de marker: ‘voorwerp dat iets markeert, dat extra aandacht op iets vestigt’. Dit kan van alles zijn, tot en met een kattenoog op de weg. Maar na de millenniumwisseling vernauwde de betekenis. Daar staat nog een toepassing bij:

 

permanent marker

stift met onuitwisbare inkt

alcoholstift

 

Dit vetgedrukte woord blijft beperkt tot België en werd toegevoegd in oktober 2013. Zijn broer heet fluostift. Het oogverblindende voorvoegsel bevolkt in den lande meer samenstellingen, zoals fluovest, bedacht na de gênante toename van auto’s waartegen zachte weggebruikers zich maar zelf moesten wapenen.

Betekenisvernauwing valt alleen te verklaren uit het aanbod van de markt. Op zijn beurt hangt dat samen met geplogenheden van de tijd.

donderdag 1 oktober 2020

Inzake bitches en beetjes

 




Waarschijnlijk is de formulering van Conner Rousseau op Instagram al duchtig becommentarieerd en zal dat terugketsen nog wel aanhouden. De voorzitter van de socialisten had zulke taal voorbereid door, voor de in amper 500 dagen al bijna geformeerde regering, een minister te voorspellen die ‘absoluut een bom’ zou zijn (loste in zijn eindboodschap de emoji van een biceps, niet te verwarren met het kakje, dat het meest in?). Ook mag zijn accountnaam niet onderschat worden. Wie zich op Instagram afficheert als kingkonnah, is de fameuze Hollywood-film uit de twintigste eeuw in alle opzichten voorbij. Deze naam is een communicatieprogrammapunt.

Ik wil maar zeggen dat Rousseau de wederkeer van Frank Vandenbroucke als minister in zekere zin treffend aankondigde: ‘He’s back, bitches.’ Hoe langer ik echter naar die vier woordjes keek, hoe mysterieuzer de aangesprokenen werden. Wie bedoelde Rousseau eigenlijk? Partijgenotes, onwillige tantes, stalksters? Journalistes, puristes, Erinyen? De geliefden van Arnold Schwarzenegger, Hepie en Hepie, vrouwelijke taalnazi’s?

Ten einde raad raadpleegde ik de Urban Dictionary, zonder verlost te worden. Tenzij het zou gaan om de laatste betekenis die deze online straattaalmarkeerder vooralsnog serveert: ‘Probably anyone who is reading this’. Met als voorbeeld: ‘Hey bitches!

Komisch dat Conner Rousseau, hoe hyperbewust ook, deze taal bezigt. Begin september verplichtte hij ‘nieuwkomers’ in Vlaanderen nog Nederlands te leren. Zo niet, dan konden die mensen van hem retour. Dit nieuwsfeitje was niet controversieel. Een ervaringsdeskundige viel het bij en van overheidswege is de ‘inspanningsverplichting’ voor het leren van Nederlands al lang aangescherpt tot een ‘resultaatsverbintenis’ – blijkbaar niet voor degene die dit zevenlettergrepig gedrocht verzon zonder sancties.

Het dossier is net opgerakeld door Knack dat enige meer of meer bekende nieuwe taalgebruikers aan het woord laat, vergezeld door inlandse deskundigen. De teneur is eensluidend: het is ondoenlijk om op latere leeftijd een onbekende taal perfect uit te spreken en Belgen geven zelf allerminst een onberispelijk voorbeeld terwijl ze zichzelf überalfa’s wanen. Zo verwijt de pot de ketel maar weer eens, bevestigt in het artikel Alona Lyubayeva:Veel Vlamingen gebruiken constant dialectwoorden, kappen woorden af, vervoegen werkwoorden verkeerd en spreken erg onverzorgd. Maar als ík eens een verkeerd lidwoord gebruik, heeft iedereen het gehoord.

Wat hoort men dan precies? Ooit gaf ik les aan Waalse studenten die gewend waren Nederlands te krijgen van Vlaamse collega’s. De eerste week staarden ze me bij mijn lipbewegingen aan alsof ik from outer space was. En ik sprak na jaren in den vreemde niet eens meer Nederlands-Nederlands! Andersom vertelde Sinan Çankaya, in een boek dat meer interessante informatie biedt, dat hij te Amsterdam wegens zijn Nijmeegse accent voor een Belg werd gehouden.

Ieder zijn code, ook in mijn vaderland? In Stephan Enters roman Pastorale staat dat Ambonezen de ‘vreemde eigenschap’ hadden geen ‘je’ of ‘me’ te zeggen maar ‘jij’ en ‘mij’, waardoor ze iets kregen ‘van een ouderwetse nieuwslezer’. Daarvan geeft de lopende spreektekst vele voorbeelden:”

 

‘Jij weet toch wel dat wij eerst in het kamp woonden?’

‘En wat heb jij dunne polsen’ [Roodkapje!]

‘Weet jij waarom ik hier ben?’

‘Het is prachtig, bedankt dat jij mij dit laat zien’

 

Ik meen uit een andere bron te hebben opgemaakt dat het je-jij-verschil verder verbreid is. Op het randje van geloofwaardig, zelfs met inachtneming van de suspension of disbelief, balanceerde voor mijn taalgevoel: ‘Excuseer jij mij’. Dat stileert Enter wel op dezelfde pagina als een ontboezeming van een Ambonees die me buiten de fictie, in elk land dat kolonies heeft gehad, waarheidsgetrouw dunkt: ‘Maar ik loop al meer dan tien jaar rond in dit dorp er is nooit één keer door een Hollander aan mij gevraagd hoe het met mij gaat, of hoe het mij hier bevalt.’ Pastorale is gesitueerd in de jaren tachtig van de twintigste eeuw.

Heden blijken in Vlaanderen de strenge eisen voor een Algemeen Beschaafd Nederlands vooral te worden gesteld door een oudere generatie, die nog taalcampagnes heeft meegemaakt, gevoerd in een tijd dat ik zo’n beetje geboren moest worden. Onlangs zag ik er op YouTube wat voorbeelden van en waande me in een prehistorie. Dezelfde sensatie bekroop me trouwens bij een ludiek protest tegen vooroordelen over hoe gekleurden spreken, in een dialectenverzameling die ‘viraal ging’. Onmenselijk virtuoos. Met terugwerkende kracht spraken wijlen mijn ouders – hoogopgeleid noch uit deftige familie – schier bekakt. Als schoolmeester betwijfel ik wel of dat ook betekent dat realiteitshalve dt-fouten voortaan ongecorrigeerd mogen blijven. Dat is immers schrijftaal, die ongetwijfeld meebeweegt met spreektaal.

Het blijkt al vreemd genoeg te lezen dat je je eigen oren niet kunt geloven. Ik las dat een unieke uitspraak die lang geleden een Nijmeegse tante tegen me deed, ‘En gie geleuft dat’, al werd gedaan door de overgrootmoeder van Marjoleine de Vos uit Harderwijk. Bovendien betrap ik me er steeds vaker op dat ik Nederlandse fictieprogramma’s op de televisie met ondertiteling bekijk, zoals ik dat op de BBC geneigd ben te doen. Niet dat ik er niks van kan volgen, maar ik wil me niet bovenmatig inspannen. Beter, ik wil een beetje ontspannen met taal. En op dat punt snap ik de verzuchtingen van nieuwkomers best. En misschien zelfs het patois van Conner Rousseau, de bitch.

vrijdag 25 september 2020

Van uw plaatselijke opportunist

 

 

 

 

Het is herfst en het origineelste debuut van het jaar is al verschenen. Uit een recensie begreep ik dat Lisa Huissoon met Alle mensen die ik ken een roman heeft gepubliceerd die bestaat uit voornamen op alfabet. Ze worden ter plekke toegelicht met korte en lange verhalen. Dat klinkt fijn! Weer een titel voor in mijn Te-Lezen-Bestand dat anderen misschien in Excel weten op te zetten of bucketlist noemen.

Een paar dagen na indaling van de recensie begon iets in mij zich te roeren. De critica had lof gehad voor de vorm die, door vermelding van andere namen in een verhaal, dwong tot sprongetjes voor- en achteruit in de tekst, spannend doorbladerwerk. Tegelijk ervoer ze twee bezwaren. Bij de namen was de grootte van het verhaal wel erg variabel en eigenlijk was ze bij de L al bladermoe geraakt.

Nog vóór de helft van het alfabet! Volgens de aftiteling telt het boek maar 231 bladzijden.

Het begon me dun door de broek te lopen. Al een paar jaar ben ik in de gelegenheid te werken aan De encyclopedieën van de val. Geweldig leerzaam om te doen, leuk ook, maar Huissoons roman past minstens driemaal in mijn huidige omvang. Bovendien zijn mijn dwarsverbanden niet expliciet en op een toegankelijke stijl ben ik nooit betrapt.

Waar ben ik in godsnaam mee bezig?

Minstens ben ik jaloers op Wikipedia, waar met één simpele klik op de muis lezers zichzelf van het ene lemma bij het andere kunnen brengen. Dienstverlening voor nieuwsgierigheid, voor de lenigheid van een geest. Wat kan stram papier daar tegenover stellen? Is het fenomeen e-book buigzamer?

Ik weet het weer eens niet. Behalve dan dat ik deze posting eens flink wil misbruiken door op mijn archiefblog een voorpublicatie uit De encyclopedieën van de val te simuleren. Nou ja, uit de versie september 2020 heb ik wat lemma’s geselecteerd die naar mijn indruk enige samenhang vertonen. Voor de totale lengte van die uitsnede durfde ik niet echt door te pakken. Ik stopte rond 4.000 woorden, waar serieuze tijdschriften zo’n beetje de finishlijn schijnen te leggen.

Bestaan er vervolgens misschien lezers op de virtuele aarde die me willen helpen? Door deze quasi-voorpublicatie eens door te nemen wanneer ze even niets (beters) te doen hebben? En onder aan deze posting, of in een e-mail, hun ervaring en verbeteringssuggesties te delen? Mijn dank zou immens zijn. Ook wil ik als leesproleet best een incentive schenken: wie dat wenst kan een lemma in de encyclopedie krijgen, met een eigen verhaal over een val.

dinsdag 15 september 2020

Blooping

  

 

Zoals je je kunt verstappen, zo kun je je verlezen. Een uitgekauwd voorbeeld is ‘bommelding’ – een woord dat sinds het personage van Marten Toonder nooit meer hetzelfde is geworden. Ik snap alleen niet dat die verlezing blijft domineren. Je kunt er kennelijk niet op trainen, terwijl er wel het een en ander met enkels en voeten zal zijn te doen waardoor het verstappen zelfs over eieren minder vaak gebeurt.

Een soortgelijk probleem heb ik bij ‘afdeklappen’, dat dus tot het eind van mijn tijden onopgelost zal blijven, alsof ik het elke keer voor het eerst tref. Dat verbaast me, hoewel ik me allerminst slimmer acht dan een ezel. Mij verbaast de koppigheid waarmee mijn lichaam steeds voorrang geeft aan de verkeerde betekenis. Alsof in het eend-konijnplaatje slechts één mogelijkheid telt.

Op de grens van verschrijven en verspreken bevindt zich voor mij de voornaam van Laurence Sternes legendarische hoofdpersoon uit de achttiende eeuw. Ik had ooit een wetenschappelijkachtig opstel al bijna ingestuurd toen ik ontdekte dat hij geen Tristan heette, maar Tristram. Er moet een legende zijn voorgedrongen die zo’n tien eeuwen ouder was; bovendien had zich in mijn omgeving een tijdschrift met die naam opgehouden. Toch verleent deze vanzelfsprekende verschrijving me een cultuurhistorisch cachet dat ik niet verdien. De titel van Sternes roman was ook eindeloos vaak mijn blik gepasseerd, ik had het boek gelezen, dus de verdringing van de correcte naam moet ultrakrachtig zijn geweest.

Het kan dat ik onbewust geen tongbreker wenste binnen te laten: spreek ‘Tristram’ maar eens netjes op zijn oer-Hollands uit en herhaal deze sport na een paar glazen alcohol. De naam past bij dit vroegexperimentele boek waar zelfs het voorwoord niet aan het begin staat. (Ad ten Bosch, die de vertaling uitgaf in 1990, heeft verteld dat boekhandelaren exemplaren terugstuurden, overtuigd misdrukken te hebben gekregen. Zelf was hij er ook maar over in kennis gesteld door de vertalers, aan wie hij zo praktisch was een computer cadeau te doen zodat de kans op zetfouten slonk.)

Recenter brak de punt van mijn rode potlood in Robbert Tilli’s boek Koos. Het verhaal van de manager van Herman Brood. De eerste ontmoeting met Nina Hagen werd gememoreerd: ‘Herman kon meteen goed met haar opschieten; er was echt een klik tussen die twee.’ Hoewel ik best geporteerd ben voor het idee dat de mens een koffer is, leek me hier dat het click moet zijn, in het vermoeden van een connectivity die eventueel met de linkermuisknop kan worden bevestigd. Toch gaf zowel de adviesdienst van Onze Taal als het Verwarwoordenboek van Jan Renkema geen uitsluitsel. En Van Dale blijkt pas in oktober 2018 het lemma click te hebben toegevoegd, met als verbijsterende uitleg: ‘klik3 (2)’. De muis voert vervolgens linea recta naar:

 

gevoel dat je bij elkaar past, op één lijn zit, echt contact met elkaar hebt

match

een klik hebben, voelen met iem.

 

Maar hoe zit het met verhaspelde afkortingen? Ik weet nog pijnlijk precies dat we een paar van die efficiënte dingen zelflerend moesten ontdekken op de lagere school. In een verhaaltje over een slang duidde ik de frase ‘m.a.w. hij’, na interpretatie en heroverweging, als ‘met aroma wilde hij’. Ik kon niet geloven dat dit niet klopte. En ‘aroma’ klonk ook beter dan ‘gif’. Wat een klotetaal!

Toch bereikten sindsdien een paar afkortingen me ongeschonden. Wel zijn er uiteraard heel wat bij gekomen, vooral door de digitalisering. En dan stoot ik me geregeld meermaals aan dezelfde steen, omdat de ontcijferingsarbeid andermaal links wordt gepasseerd door een lichaamseigen associatie, kennelijk uit mijn jongere jaren, die niet eens kán kloppen. Dit is ‘sterker dan mijzelf’.

Voorbeelden kan ik lastig geven, omdat ze telkens wegebben. Maar gelukkig vond ik op het web een lijst met afkortingen, waarop ik een paar angstgegners herontmoette:

 

Bff: bifiworst

Kmk: Kamer van Koophandel

Ntb: nota bene

Omg: Orchestral Manoeuvres in the Dark

Wtf: Wereldnatuurfonds

 

Erg vaak kruisen ze de race van mijn leven niet. Hoe anders vergaat het een afkorting, die in zakelijk e-mailverkeer schering en inslag lijkt: ifv. De betekenis ‘in functie van’ vergeet ik steevast, wellicht omdat me ontgaat wat doelmatig handelen is. Ondertussen vernaggelt mijn reflexverklaring zelfs de spelling van ‘in-vitrofertilisatie’.

woensdag 2 september 2020

Vrij en visionair


 

Maanden geleden las ik de roman La carte et le territoire (2011) van Michel Houellebecq. Nou ja, ik pakte de vertaling De kaart en het gebied, verzorgd door Martin de Haan. Eén passage bleef me bij, over een liedje. Een couplet feitelijk. Ik ben het inmiddels tegengekomen in een lang essay, dat er geen commentaar op gaf. Maar nog steeds bekruipt me het gevoel dat De Haan in welgeteld vier regels iets aparts heeft gedaan.

De scène behelst de uitreiking van een literaire prijs. Een zekere Jed Martin treft daar een beroemd auteur, en biecht aan hem dat hij kunstenaar is. Daarop schiet de biechtvader in de lach en zingt het couplet dat bij De Haan uit het nummer ‘Businessman Blues’ komt:

 

O was ik maar een kunstenaaaaar

Dan lag de wereld voor me klaaaaar

Dan was ik vrij en visionaiiiiir

En leefde als een miljonaiiiiir…!


Ik ben te lui om het origineel van Houellebecq op te snorren, maar het web bracht wel het liedje ‘Le blues du businessman’ uit 1978, uit een musical. Daarin beklaagt een zakenman zich erover dat hij materiële successen mag boeken en de aarde rondreizen om deals te sluiten, maar dat iets diep in hem onbevredigd blijft. Hij doet domweg niet wat hij zou willen doen. Een artiest zijn, een zanger, een schilder, een schrijver, ‘pour pouvoir dire pourquoi j'existe’.

Het kwatrijn dat de Nederlandse vertaling geeft, verwijst naar deze regels:


J’aurais voulu être un artiste
Pour avoir le monde à refaire
Pour pouvoir être un anarchiste
Et vivre comme un millionnaire

De vertaling is dus wel heel vrij. Merkwaardig, temeer daar Martin de Haan niet bekendstaat als een beunhaas. Nog merkwaardiger vind ik dat zijn vertaling wel goed in mijn oren klinkt, vanzelfsprekend bijna, alsof ze appelleert aan mijn particuliere collectief geheugen.

De Haan werd geboren in 1966 en is dus, als ik het correct becijfer, één jaar korter afgebakken dan ik. Tot en met de puberteit zullen we hetzelfde culturele repertoire hebben opgebouwd.

We schrijven 1982. Zelf was ik bijna van de middelbare school toen de radio, zeker het programma De Avondspits, vaak een leuk Nederpopplaatje draaide. Het heette ‘Gijzelaar’ en was gemaakt door een vrij nieuwe groep, Het Goede Doel. Ik denk dat het refrein zich niet alleen in mijn, maar ook in Martin de Haans geheugen heeft genesteld:

 

O was ik maar een gijzelaar
Dan stond altijd m'n eten klaar
Dan kon ik altijd klaverjassen
En hoefde nooit meer af te wassen
En nooit meer op mezelf te passen


Tijdens zijn arbeid aan de Houllebecq-roman moet de vertaler zijn kans schoon hebben gezien deze kennis te delen. En veranderde het Frans des te meer in Nederlands.

donderdag 20 augustus 2020

Oude meuk

 

 

De misschien wel spectaculairste publicatie van de afgelopen maanden trof ik aan in De Witte Raaf nummer 206: een lezersbrief van Robrecht Vanderbeeken. Daarin vraagt deze filosoof, auteur en vakbondssecretaris aan de redactie om diepgravende protestartikelen tegen de wijze waarop N-VA het kunstdebat monopoliseert, nationaliseert en reduceert.

Mag de inhoud van dit voorstel niet onverwacht zijn van Vanderbeeken, die al jaren op dit aambeeld hamert, ik vind het verbluffend dat hij in het openbaar lanceert. Bij mijn gevoel speelt mee, dat ik in België gewend raakte aan onexpliciete uitlatingen die bij voorkeur en petit comité worden gepleegd. Mijn brein kan daaraan nog een jij-bak toevoegen: dat Vanderbeeken vreest dat meerstemmigheid ten onder gaat én pleit voor unisono geluiden. Maar het meest verbaast mij dat van buitenaf wordt gepoogd ‘een agenda te bepalen’.

Het kan dat ik bij die indruk wordt gestuurd door een recente lectuur. Zoals meer mensen tracht ik het corona-isolement te vullen met toepasselijke teksten, waarvan Alle mensen zijn intellectuelen een voorspelbare bleek. Die bloemlezing uit het werk van Antonio Gramsci (1891-1937) betrof het deel dat hij tijdens zijn ruim zesjarige opsluiting in de gevangenis schreef. Het moet hem een one-way-screensensatie hebben gegeven, polemisch zonder reactie te krijgen, zonder kans op publicatie ook.

Ik las notities, waar samenhang zich moet openbaren door weglating. Een centraal begrip wordt dan ‘hegemonie’. Overmacht in het denken van een meerderheid, die maatschappelijke veranderingen zo niet vergemakkelijkt dan toch minstens legitimeert. Gramsci huldigde de strategie van een belegeringsoorlog met ideeën: mensen wou hij aan de basis verzamelen en tot gelijkgestemdheid krijgen. Voor die brede alliantie moest er top down worden gepusht met het goede dat van onderaf leek te komen.

Vanderbeeken hoopte een extra podium te krijgen waarop, in een sowieso bizar fantasma over subsidieslurpen, de droevige standpunten van N-VA over kunst overstemd worden. Antwoordde De Witte Raaf, bij monde van Christophe Van Gerrewey, dat het blad onmogelijk op die suggestie kon ingaan omdat het niet aan symptoombestrijding doet maar aan kritiek, Gramsci laat uitschijnen dat ideologische tegenpolen deze methode van meerderheidsverwerving net zo makkelijk kunnen toepassen. Bij hem is de intellectueel een medicijnman die argumenten levert als zetpillen en ze tot gekwordens toe inplugt: ‘het meest efficiënte didactisch middel om de volksmentaliteit te bewerken’. Daarbij hoort dat je argumenten van tegenstanders niet weglacht of verdacht maakt, maar openbaar blijft weerleggen. Monopluralisme?

Tegenwoordig heet die methode framing en is ze een pr-zaak. Het aardige is dat Gramsci noodzaak ziet om taal te veranderen. Dan fungeert ze als breekijzer dat het doel van een hervormde samenleving beter uitdrukt. Gramsci pleit ervoor dat de herhaling geduldig en systematisch gaat in plaats van mechanisch, omdat er steeds aanpassingen moeten zijn ‘van elk concept aan verschillende hoedanigheden en culturele tradities’. Ook erkent hij dat collectieve actie offers en stamina vergt.

In identiteitspolitieke tijden is duidelijker dat taal hegemoniaal denken herbergt. Een willekeurig voetbalverslag observeerde over een verdediger dat hij ‘op mannelijkheid afgetroefd [werd] in een kopduel’. Zou een mainstream medium dat over tien jaar nog publiceren? En hoe is Gramsci’s eigen taal? Ze komt me robuust over. Maar daarmee bluf ik uiteraard, ik lees een vertaling. Daarin viel me één passage extra op:

‘Croces optreden doet zich in essentie voor als kritiek. Het begint met het vernietigen van een reeks traditionele vooroordelen, met het ontkrachten en ontzenuwen van een reeks problemen die het komische “dada” uitmaakten van eerdere filosofen, enzovoort. Daarin komt Croces positie overeen met de houding die common sense altijd heeft aangenomen jegens zulke oude meuk.’

Een interbellumtekst die ‘dada’ in deze betekenis opvoerde? ‘Common sense’ zonder lidwoord? En ‘meuk’? Toen ik vlak na de millenniumwisseling Nederland verliet, bestond dat woord bij mijn weten niet eens.

woensdag 12 augustus 2020

Het retorische harnas

 

 

Midden in de komkommertijd schreef Marc van Oostendorp een posting waarvoor de potsierlijk geworden kwalificatie term ‘gepassioneerd’ nu eens treffend was. Hem was bij een vakvergadering te verstaan gegeven dat door technologische vooruitgang het lezen van literatuur passé raakt en dat deze neergang geen halszaak is. Voor zulke onvermijdelijkheid wenste Van Oostendorp niet te capituleren.

Ondanks of dankzij de tropische temperaturen ontspon zich onder de posting een slepend en venijnig debat, waarin intentieprocessen werden gevoerd. Ook ik pleegde een comment, te snel en chaotisch, zodat een tweede poging me wel het minste lijkt.

In mijn leventje speelt lezen een hoofdrol, en ik zou willen weten waarom. Temeer daar de corona-uitbraak meteen noopte tot een welbewust andere tijdsindeling. We kijken hier nu al maanden ’s avonds naar speelfilms, terwijl we voordien in die uren boeken lazen. Aan het eind van een dag, die meer voor computerschermen is doorgebracht dan gewoonlijk, willen we zoiets als ontspanning.

Is lezen dan een inspanning? Ja en nee, vermoed ik.

In coronatijd biedt film een verantwoorde investering waarvan vaststaat dat ze gekaderde effecten geeft: humor, spanning, ontroering, enz. Esthetische middelen? Het lijken doses, nogal aangenaam, en toch werken ze niet verslavend zoals literaire teksten dat voor mij zijn.

Ik ben geen filmkenner, maar inmiddels zou ik zo’n product best kordaat in een decennium kunnen plaatsen. Daarbij steggel ik, omdat filmmuziek tijdgebonden blijkt. Maar toch, beslissend voor de datering dunkt me de montage. Verhalen worden in deze beeldtaal steeds sneller verteld. Ze tonen zich naar mijn gevoel ongedurig. Mijn stelling zou zijn dat film zo reageert op de markt, op publiek dat geen geduld heeft. Als onnodig ervaren afleiding kan fataal zijn.

Dit poneer ik mede doordat ik momenteel (vakantie, hitte) een leesexperiment doe. Ik ben begonnen in een lijvige psychologische roman. Simone de Beauvoirs debuutboek L’invitée telt in de vertaling althans bijna vijfhonderd bladzijden. Nu ik ervan kennisneem, voel ik me uit de actualiteit vallen. Wat een laag tempo, hoe prettig draalt het verhaal! Alles beperkt zich bijna exclusief tot gedachten en opties bij integraal geciteerde gesprekken.

Wanneer dit boek naar de geest zou worden verfilmd, haakten hedendaagse kijkers, vermoedelijk stomverbaasd dat zo’n schrijfster als goeroe heeft gegolden, snel af. Op mijn beurt zou ik L’invitée niet lezen in de werkroutine, op kamertemperatuur. Dan grijp ik liever naar fictie waar de taal onder spanning staat. Of naar non-fictie die me directer inlicht over de tijd en ruimte waarin L’invitée speelt.

Een poëticaal hebbelijkheidje uiteraard. Ik lees graag stuiterende boeken waarin taal de neerslag toont van eeuwen laboreren aan het woord. Precisie die gepaard gaat met keuzes uit registers en zo met breuken tussen taalbronnen – zo keek Michail Bachtin al tegen de Menippische satire aan. Ik denk niet dat ik daarmee iets elitairs opper. Literatuur is een tekst waarvan iedereen altijd coauteur is geweest. Een vat vol stemmen, meteen reden waarom luisterboeken, in een ander comment op Van Oostendorp opgevoerd, literaire teksten nooit helemaal kunnen vervangen zolang ze door één persoon worden voorgelezen, al is het nog zo’n goede acteur.

Zo is literatuur voor mijn part het tegenovergestelde van elitarisme of intellectualisme. Ik kan me alleen maar baseren op ervaringen met het spreken en schrijven die me inprenten wat nuances zijn, en wat complexiteit en tegenspraken inhouden. Uit dergelijke afgewogen én ongebalanceerde taal bestaat literatuur voor mij, want is werkelijkheid, en zou geen onderwerp van de debat mogen zijn of het in het onderwijs thuishoort.

Waarom literatuur, een boek, niet-zakelijke taal bij voorbaat hoogdravend, oninteressant annex wereldvreemd zijn zou: het is me allemaal een raadsel.

In mijn comment noemde ik Rosa Luxemburg reeds als niet-elitaire schrijver. Haar brieven uit diverse gevangenissen offeren taal van een echte gebruiker. Ze vertelt en leest (en raadt mij als immigrant Tijl Uylenspiegel aan, en Le sang rouge des Flamands van Pierre Broodcoorens en De Vlasschaard van Streuvels). Een hoogopgeleide vrouw, zeker, maar in de eerste plaats iemand die helaas karige belevenissen en veelvuldige herinneringen wilde delen. Die geen ‘literatuur’ wilde schrijven, maar enthousiasmeren.

Ook schamperde ik in mijn comment op literaire kritiek, want meer dan ooit mis ik die. Ik kan althans de lof niet volgen waarmee sommige boeken worden opgetuigd, noch de stelligheid waarmee men bij het onafzienbare aanbod beweert het beste te selecteren. Was het vroegâh beter? In elk geval had ik houvast aan critici wier smaak de mijne niet was: afkeuring betrof geregeld titels die mij bovenmate bleken te boeien.

Ooit stopte ik met het lezen van romans na jurering van een jaargang bellettrie. Niet dat die boeken slecht waren geweest, ze bleven aanvaardbaar – en inwisselbaar. Stijl was kennelijk een breekpunt. Inwisselbare literatuur ervaar ik als een product dat ik moet consumeren. En dat, net als bij film, erna dus ‘op’ is.

Het type lezen waaraan ik verslaafd ben, onttrekt zich aan deze economie. De teksten die mijn ogen ontmoeten, blijken herbruikbaar. Soms kort na het treffen stralen ze al een ander licht uit. Ik moet er ook geregeld in terugbladeren. Met die weigering tegen een restloze economie sluit ik aan bij Van Oostendorp. Hij trok ten strijde tegen het democratisch klinkende idee dat bepaalde vormen van communicatie door technologische ontwikkelingen overbodig zouden zijn en dat de reductie van taal tot informatie geen verlies zou behelzen.

Dat doet niets af aan de winst van, bijvoorbeeld, internet dat ons leven van gemak heeft voorzien en de efficiency heeft vergroot. In mijn studietijd: een cataloguszaal, vol kaartenbakken, ter grootte van een voetbalveld! Ook de bereikbaarheid van teksten is vergroot. Luxemburg stond patsboem op mijn e-reader, nieuws is razendsnel beschikbaar. Maar dat doet op zijn beurt niets af aan het feit dat – dixit Marleen Stikker, elders herhaald door Van Oostendorp – internet, mocht het een land zijn, de zesde energieverbruiker van de wereld is. Verder blijft er de treurigheid van de informatiestroom vol onwaarschijnlijk banaal vertelde en herhaalde feitjes die niet waar hoeven te zijn.

Mij ontgaat waarom dit niet zonder cultuurpessimistisch stigma benoemd mag worden als wat het is: verstoring. Lezen vergt concentratie, geen non-stop toevoer van impulsen die moet ingedamd met swipen. Ik snap dus evenmin de aubade op de smartphone, een technologisch hoogstandje én het instrument waarmee men een absurde penetratie van WhatsApp toestaat in privélevens, en taal laat domineren die letterlijk incorrect is.

Laat staan dat mij de kwantitatief verbijsterende troepenbewegingen opmonteren richting Facebook en Twitter. Gevallen voor de verleiding van de dorpspomp zijn ook zij consumentistisch en anti-literair, in een uitkiepering van belevenissen en van oordelen. Alleen daarom al zal het lezen niet helemaal uitsterven; er schuilt iets van een morele verplichting om die ego-uitstoot op te zuigen. Hoe unzeitgemäß dat literatuur ervoor zorgt dat je juist even van jezelf verlost bent, in een nader in te vullen tijd en ruimte.

dinsdag 4 augustus 2020

Tweelandelijk



 


België kende een kwestie ‘Brussel-Halle-Vilvoorde’. Ik besef nooit in de kern van dat probleem te zijn geweest. Maar nu is het vakantie en doorkruisen we het. Halle blijkt een lommerrijk reserveparcours voor Parijs-Roubaix, al zullen de inwoners best contacten hebben om zo’n drukbezochte wedstrijd voor de deur af te wenden. Maar toch, wat een hoeveelheid verdwaalde kasseien! En hoe Vlaams is het arcadische gebied vernield voor panden van een bepaalde architectuur waarvan de parkings soms zo diagonaal op het landschap staan dat auto’s zonder handrem bij de overbuur zouden binnendaveren. Tijdens het klimmen en dalen tellen we twee andere fietsers, op een E-bike. Verder wat jachthonden die niet zijn aangelijnd (hun eigenaars menen onze dochters te kalmeren met de garantie dat ze niet bijten), een golfterrein en, buiten de idylle, een keur van moordstroken. Een school in het aangrenzende Dworp meldt op een bord: Bedankt om Nederlands te praten. Dat dunkt me een gallicistische constructie.

Wie tegen verengelsing is, moet geloofwaardige alternatieven kunnen aanleveren. Mij is het nooit zo opgevallen dat een gebied voor kiss and ride anderstalige zonden pleegt, maar nu treft me in Vlaams-Brabant een bord ‘Zoen en vroem’. Het klinkt dichterlijker dan het origineel, ik vrees dat ik daar geen liefhebber van ben. Maar de tijd om daarover na te denken ontbreekt, want pal bij het verkeerslicht wordt fietsers en wandelaars wegens corona aangeraden op de pinkgrote voorrangsknop te drukken met de elleboog.

Hoe vaak iets in Nederland ‘helemaal goed’ is. Zelden nooit.

Blijkens het huisreglement van campings en instructies die ze hebben uitgevaardigd wegens corona is er in Nederland een spellingstoestand ontstaan waarvan dt-fouten minor details zijn. Ik verbaas me vooral over de interpunctie. Dat komma’s uit het tekstbeeld verdwijnen wist ik, maar is het verschil tussen een dubbelepunt en een puntkomma echt zo complex? Vertrouwd zijn de bizarre soloposities van woorddelen – aaneenschrijven blijkt een gymnasiale hebbelijkheid. Prachtig om in een brandend schoon sanitair boven een knop te lezen: LICHT UIT DOEN.

Aan het eind van afgelopen schooljaar vroeg het taalkundig genie naar het voordeel van Grieks. We mompelden toen over de betrekkelijkheid van nut, dat structuren te doorgronden zijn en potentiële betekenis. Dit bleef krachteloos gebabbel. Tot de regen ons naar een B&B dwingt, waar een muur weer eens een leerrijk opschrift draagt: Mejor es sufrir pasion y dolores que estar sin amores. En zie, we mogen de gegeven bron Juan del Enzina (1468) dan wel niet kunnen thuisbrengen, maar weten meteen waar de bewering over gaat. En met internet erbij blijken we nog geleerder te worden, het citaat staat inderdaad op YouTube.

Haar zalige donkere hagelslag heeft de koninklijke De Ruyter inmiddels de onderscheiding ‘intens puur’ verleend.

Op de Sallandse Heuvelrug valt ons hetzelfde op als in Montferland: dat de naaldbossen geen geur afgeven. De tweerichtingsfietspaden ogen dan juist weer als uit de jaren vijftig, toen sturen smaller waren en men niet zo breed bepakt van voor en achter rondreed. Passeren is nu een kwestie van manoeuvreren. Sommige ouderen stoppen in de berm, hobbyende renners klappen de linkerhand op bij wijze van halt, maar verreweg de meesten scheiden tijdens het net-niet-raken een parfumdampje af. Op de e-reader vertelt Manon Uphoff in Vallen is als vliegen over alarmferomonen bij de mier. Ze zijn huidreacties op angst.

Aan een mobiele friturist uit Drenthe vraag ik hoe hij corona ervaart. Hij vindt het een randstedelijk fenomeen. En bovendien heeft hij niet de indruk eraan te kunnen sterven want hij ‘zal pas geroepen worden wanneer het mijn tijd is’.

De fiets-gps voert ons over een domein dat verboden toegang gebiedt. Het blijkt een resort, met auto’s van Halle-allure. Bij de ingang verbeelden drie steentjes een hunebed. Ertegenover bevindt zich onze dagcamping, die de duurste van de hele vakantie blijkt. Wel draait de niet-werkende Wifi volgens de Coach Van Dijk-achtige eigenaar ‘op 5G’. Hij snapt dat wij als fietsers graag een stoeltje hebben, en adviseert achter een haag wat emmers te pakken en die om te draaien. We wijzen op een vrijstaand tafeltje en stoelen verderop, volgens hem onmogelijk te verplaatsen want loodzwaar. Een minuut later rolt de gourmande deze voormalige haspel door het gras en kunnen we aperitieven, terwijl rondom ons medekampeerders naar de caravan gaan met hun blinkende afwas.

In een bepaald gebied van Nederland geven campings te kennen bestemd te zijn voor senioren en zogeheten medioren. Hun sites gaan gepaard met een sectie ‘gezinswaarden’, maar kinderen blijken onwelkom.

In Noordoost-Nederland gaan op zondag de supermarkten om 12 uur open. Zodat men tevoren de kerk kan aandoen? In België sluiten de supermarkten op zondag juist om 12 uur. Zodat men de katholieke mis niet kan bijwonen, wegens overmacht? De Albert Heijn geeft antwoord. Daar blijkt de achterkant van het boodschappenkarretje ingericht voor reclame. Ik kijk in de vriendelijk bebrilde ogen van een uitvaartverzorgster die haar diensten op maat aanbiedt.

Zomergasten met mijn held Typhoon. Op de camping is televisie in de gemeenschappelijke ruimte! En daar is niemand! Net vertellen in het keuzefragment De Sekszusjes die over hun geslachtsdelen, of daar komt een groepje jongens en meisjes binnen, acht tot hooguit veertien jaar. Ik zie me al voor de rechter hakkelen dat het toeval was, maar ze laten zich in de banken ploffen, draperen hun chips en cola en ze brengen smartphones in stelling. ‘Kom, we gaan pornofilms kijken’. Zo brengen bubbels de avond door. Een zwart jongetje vraagt me nog of dit Typhoon is; op mijn bevestiging murmelt hij dat deze ‘een nepper’ is. Waarschijnlijk staat het geluid van Zomergasten even hard als dat van de films, maar wanneer aan het eind Aretha Franklin een grootse Amazing Grace vertolkt hoor ik het jongste jochie zijn smartphone toeroepen ‘Trek die bitch aan haar haar’.

Met een grenzeloos vertrouwen in universele verstaanbaarheid vraagt een Gronings jongetje me of ik een Duitser ben. Ik ontken zo precies mogelijk, door te zeggen dat ik als geboren Nederlander al een tijd in België woon, dus waarschijnlijk een beetje Vlaams spreek. Is dat een taal dan, vraagt het jongetje.

In het Groninger Museum blijkt dat ranja een plaatselijke ontdekking is. Er waren zelfs servetjes bij ontworpen. Werd de fabrieksnaam een soortnaam (met gevolgen voor de spelling)? Zeker is dat zelfs een kleurenblinde als ik nog nooit zo’n bijzonder oranje heeft gezien. Mijn kinderen krijg ik dat niet goed uitgelegd, mogelijk omdat ze nog verbluft zijn door de pas onthulde Nederlandse drankoptie ‘iets fris’. Dan koop ik chipolatapudding, die behalve mij niemand kan bekoren. Volgens mij komt het doordat in België chipolata’s worsten zijn, niet wenselijk voor een dessert. Maar in het Engels kun je die bij het ontbijt krijgen en heten ze pudding.

De vrouw van de natuurcamping vraagt of ik mijn gegevens wil invullen. Ik beken niet zo’n leesbaar handschrift te hebben. ‘Hoezo, heb je gestudeerd of zo?’

Op weg naar huis bereiken ons duistere berichten over onze provincie. Is het oorlog in België? Bijna drie weken hebben we onze huid aan het Noorden blootgesteld zonder het gevoel te krijgen dat we corona opzogen. Zodra we de ring van Hasselt binnenfietsen, wordt ons toegeroepen dat we een mondmasker moeten opzetten. De laatste 1,7 kilometer gorden we andermaal zo’n ding om, want dan rijden we effectief onze provincie binnen. Het donker in. Feitelijk moeten we nu een formulier invullen over onze vakantiezonden in den vreemde. Naar de beste landstraditie vermeldt het tussen vijf opties van mobiliteit de fiets niet. Ik herinner me anders nog een fijn Vlaams bordje onderweg: ‘Bedankt om relax te rijden’.


maandag 6 juli 2020

Wibo van Rossum (1961 – 2018)


(Rob Knijn: Portret van Wibo, 2017, eitempera op linnen, 70-55 cm)


Nu witte mensen aan witte journalisten in witte media met Engelse woorden terecht hun beklag doen over witte dominantie, is het misschien wel handig te weten dat elk front zijn kwartiermakers kent. En dat het, hopelijk, nooit te laat is hen te gedenken.
Wibo van Rossum was een rechtssocioloog die in zijn proefschrift Verschijnen voor de rechter (1998) liet zien hoe Turkse verdachten, uit generaties die als zogeheten gastarbeiders vanaf de jaren zestig naar Nederland waren gekomen, strandden in hun communicatie met de juridische macht en vice versa. Daarnaast kende ik Van Rossum als vertaler van Robert Musil.

Met inbegrip van de ondertitel luidt het proefschrift: Verschijnen voor de rechter. Hoe het hoort en het ritueel van Turkse verdachten in de rechtszaal. Dit klinkt als een multiculturele update van Amy Groskamp, wier legendarische vooroorlogse etiquetteboek Van Rossum had geraadpleegd, net als communicatieadviezen over presenteren en solliciteren, ethologische en psychologische studies, documentaires over de rechtszaal,… Een fijne bezigheid moet dat zijn geweest, zeker voor iemand als hij die in staat was om, zoals dat heet, tussen de regels te lezen. Glashelder wist Van Rossum dat een etiquette voor buitenlandse verdachten kaatsend van aard was: ‘Hun gedrag kan alleen afwijkend worden genoemd als er een maatstaf is’. In algemenere beschouwingen over het justitioneel apparaat duidt Van Rossum de rechter expliciet als zij aan, en de raadsman en officier van justitie met hij, conform ‘de praktijk waarin zowel vrouwen als mannen werken’.
Hij onderzocht het wedervaren van ongeveer veertig verdachten, die hij zowel in de Randstad als in de periferie van Nederland enkele maanden in 1992 en 1993 observeerde. Telkens wanneer Van Rossum hun gedrag beschrijft, krijgt zijn tekst iets van een romanfragment, of een filmscène over een klassiek theater. Al wordt het ook weer geen Asterix en Obelix, want de beschreven scènes mogen in combinatie met de vakliteratuur een variëteit aan schoenen te zien geven, sandalen horen daar niet bij. Ook blijken getuigen zelden aanwezig in de rechtszaal. Even onverwacht, voor mij dan, is dat rechters en officieren het waarderen indien een verdachte hen onderbreekt met uitroepen als ‘Dat is niet zo’ of ‘U heeft gelijk’ – een vorm van assertiviteit die hun liever was dan alles zwijgend over zich heen laten komen.
Vanuit een schijnbaar universeel beleefdheidsstreven begint één van de tien aanbevelingen uit de literatuur interessant: ‘Wees niet formeel in uw taalgebruik en verberg uw accent niet’. Van Rossum zegt erbij dat ze hun neutraliteit verliezen in de rechtszaal zelf. Dan worden ze gedragsnormen, zij het niet van de verdachte zelf. De reacties van rechters en officieren zijn namelijk interpretaties, waarna deze autoriteiten ter plekke correcties of instemming geven die Van Rossum vervolgens reconstrueert. Een vissen naar intenties, kortom, van gedurig contact zoeken. Hij beroept zich op ‘the documentary method of interpretation’ van Harold Garfinkel, een etnomethodoloog, schitterend vertaald als ‘een bewijsachtige manier van interpretatie’.
Hier wordt de studie echt boeiend, want niets ligt nog vast. Rechtsnormen ontlenen hun geldigheid aan een schier betonnen systematiek, maar gedragsnormen zijn grillig als toepassingen van een sociale praktijk. Extra complex maakt het dat rechters evenmin een volkomen uniforme partij zijn met standaardreacties. Ze berispen een verdachte ook niet wanneer deze ‘dure woorden’ bezigt. Maar ze kunnen de norm (hier: tegen bluf en onoprechtheid) hebben geïnternaliseerd, bovendien mede in reactie op verdachten die zich sociaal wenselijk weten uit te spreken. Zelfs zwijgen wordt door het onbedaarlijke brein afgegraasd op ‘verborgen zieleroerselen’.
Zelf bezigt de juridische macht in Verschijnen voor de rechter soms spreektaal, meestal niet. Vaste prik is het woord ‘requireren’ dat niet blijkt voor te komen in het Wetboek voor Strafvordering maar in de bijbehorende literatuur wel gewoon is (als redacteur dacht ik me te hebben beziggehouden met aquireren en corrigeren, zonder nattigheid, tot een toeval mij leerde dat het ‘acquireren’ was).

Als Musil-vertaler deed Wibo van Rossum in 1993 mee aan mijn tijdschriftje de Biels. Hij gaf me het zevende hoofdstuk van het onvoltooid gebleven essay Der deutsche Mensch als Symptom. Geschreven werd dat in 1923 en Musil laat er sentimenten in glinsteren die hij aan de Eerste Wereldoorlog toeschrijft.
Deze tekst ging misschien ook over gedragsinterpretatie. Musil richt de aandacht op veronderstelde rationaliteit van ‘feitenmensen’ die bij nader inzien vreemdsoortige en tegenstrijdige elementen binnenlaat, zoals de wil van een beslissing en de vrijwaring van inconsequenties. Er zou ruimte ontstaan voor een andere toestand, waarin doelgerichtheid ontbreekt en het onomstotelijk ware misstaat. In een melange van actief en passief stroomt de wereld binnen, een subjectiviteit van een ‘in- of uitslingerende brede aanraking’ die geenszins onverschillig is.
Dat er gevolgen zijn wanneer een individu permeabel wordt, las ik recent nog in een aforisme van de achttiende-eeuwer Novalis: ‘Ik = niet ik – het opperste principe van elke wetenschap en kunst.’ Zo werd het bedje van Musil gespreid. Bij een opengewerkt individu, stelt hij, verandert de mate van sympathie in een observatie niet alleen medemensen, maar evengoed levenloze dingen. Een gedecideerd oordelend centrum valt ten prooi aan wat Musil ontvreemding noemt en maakt plaats voor ‘een andersoortig waarderen’, waarin het vonnis niet langer vastligt en nog slechts één (morele?) tegenstelling accepteert: ‘het paar vermeerdering-vermindering.(…) En in plaats van wat nuttig is, komt dat wat vermeerdert’. Ook gevoelens zijn in deze toestand niet enkelvoudig, maar ‘amalgama’s’. Ze kunnen tegenstrijdig zijn en het grappige is dat niets echt knaagt. ‘Bij de overweldigingswil is eerbiediging en tederheid gemengd, bijna zou men kunnen zeggen, bij het masculiene iets feminiens.’
Musil brengt de zogeheten beschouwende houding als een overgangstoestand, waar geen strijd heerst en dus ook geen beslissingsdrang. ‘IJdelheid, belachelijkheid en bezitterigheid vallen hier ook onder.’ De mens die hij voorstaat, bevindt zich in ‘permanente ethische actie’. Over dat vermogen tot contemplatie redeneert en formuleert Musil met de grootste vanzelfsprekendheid. Hij belicht telkens een facet, oppert schijnbaar logische mogelijkheden en gaat dan schijnbaar systematisch verder. Maar hoe vaak ik dit hoofdstuk ook lees, steeds raak ik de weg kwijt. En misschien ligt dat niet alleen aan mij.
Dik tien jaar later onderwierp Musil zich aan zelfanalyse: ‘Ik ben nauwelijks een onhelder denker te noemen, maar ook niet een helder. Met enige welwillendheid: het verduidelijkingsvermogen is sterk, het onduidelijk makende wil echter slechts hier en daar van wijken weten’. Een jaar voordat Van Rossum mij met zijn vertaling vereerde, zat dit citaat in een Nederlandse dagboekeditie. Ik stak bij die passage in dat boek een kopie van de originele Duitse versie.
In zijn nawoord bij zijn eigen vertaling karakteriseert Van Rossum Musils aanpak als het afschrapen van mogelijke betekenislagen. Zo zal de auteur het gebied van de andere toestand willen vrijwaren van, lijkt me, intentieprocessen. Musil verzet zich daarnaast ‘tegen de overgave van het gebied aan anti-rationalisten, verleidelijke mystici en filosofische filosofen die zich afkeren van de empirie’. Zou dat zowel de essayist als zijn vertaler manoeuvreren in de rol van antropoloog?
Ik denk dat wel de weg open ligt voor empathie. Dat tegenwoordig zo kwestieuze artikel was in Van Rossums proefschrift een noviteit. Daarmee zou het geoefende westerse oordeel, naar eigen idee gepokt en gemazeld door eeuwen traditie en aldus gevrijwaard van willekeur, tenminste gezelschap krijgen van begrip voor anderen, en van twijfel aan eigen pertinenties. Het zou heden ook een kritischer invulling geven aan het even pretentieuze als veel gebezigde begrip ‘verbinding’, en aan een slogan als White silence is violence of een essaycitaat als Your silence will not protect you.

vrijdag 26 juni 2020

Zeeschuimers en kloosterpreparaten





Eindelijk! Niet alleen wordt de traditie van de vadermoord in ere hersteld, ook wil er actie zijn. Voor zover Greta Thunberg en Extinction Rebellion dat al niet hadden laten weten, lijkt het me althans nu echt wel duidelijk dat overal ter westerse wereld jongeren het bestaande onrecht niet langer alleen met woorden willen bestrijden, zoals dat door hun gematigder voorgangers zou zijn gedaan. Impact heet de sleutel.
Ik juich dit toe. Als halfbakken theoretisch onderlegde lezer word ik toenemend geconfronteerd met erudiet ogend gepapegaai. Tegelijk ben ik, in de eerste plaats, zoiets als een vader. En die verlangt heimelijk, om psychologisch misschien kluwerige redenen, grondig te worden geactualiseerd en weet dat intuïtieve weigerachtigheid ruimte gaat maken voor inzicht.
Het zou bovendien nu of nooit zijn (het zogeheten momentum). Niet corona zorgde daarvoor, maar de moord op George Floyd was de katalysator. Er gebeurde van alles dat ondenkbaar had geleken en waarvoor een symbolische uitdrukking was gereserveerd: ‘van zijn voetstuk vallen’. Wie Black Lives Matter wil herschrijven tot All Lives Matter verzeilt in kringen van het Vlaams Belang. In Nederland kreeg voetbalcommentator Johan Derksen, stem van de onderbuik, de rekening gepresenteerd voor zijn zoveelste misplaatste grap. De publieke opinie lijkt ‘institutioneel racisme’ tot het vocabulaire te hebben toegelaten. De Groene bepleit nu onomwonden normeren.
Afgelopen weekend voerden Martha Balthazar (22) en Martha Claeys (25) al paginalang het woord in De Standaard Weekblad en zij forceerden op prettig onbedaarlijke wijze een breuk:

Balthazar: ‘Wij zijn niet bang voor een revolutie. Misschien is die niet zo eng of zo groot als ze altijd wordt voorgesteld door wie vooral geen verandering wil omdat hij alle baat heeft bij de status quo.’
Claeys: ‘Wat betekent dat trouwens, revolutie? Het dogma van there is no alternative, dat ons door de strot is geramd, is quatsch. Die alternatieven zijn er wel, zoals de donut-economie van Kate Raworth of de participatieve democratie.’
Balthazar: ‘Die antwoorden zijn er en er zijn overal ter wereld veel doctoraatsstudenten mee bezig, toch Martha? (lacht) Dit is geen verre toekomstmuziek, ze liggen nu al voor het rapen, de sleutels voor de aanpak van het klimaatprobleem of voor een nieuw economisch systeem.’
Claeys: ‘Het is niet toevallig natuurlijk dat veel van die onderzoeken niet komen bovendrijven of sowieso minder worden gedaan.’
Balthazar: ‘Of utopisch worden genoemd.’
Claeys: ‘Dat heeft alles te maken met wíé aan de hendels zit en het kader bepaalt. Ze zullen het op mijn werk misschien niet graag horen, maar aan de universiteiten zijn dat nog steeds de mensen die er baat bij hebben dat er geen systeemverandering komt. Zij hebben de touwtjes in handen en blijven doorgroeien. Ik ben voor quota voor vrouwelijke proffen, zoals de Rijksuniversiteit Groningen die vijftien nieuwe leerstoelen exclusief voor vrouwen instelt. Dat injecteert andere thema’s in het debat, ze citeren andere bronnen en zoeken andere voorbeelden.’

Alle ingrediënten zijn hier aanwezig voor een smakelijk nekschot. Als taalmaniak frappeert me wel dat de getroffenen hun eigen kogels krijgen: ‘status quo’, ‘dogma’, ‘alternatieven’, ‘utopisch’, ‘kader’, ‘systeemverandering’… Ook heb ik de laatste jaren wel erg vaak There is no alternative (destijds al grijsgedraaid onder de artiestennaam TINA) teruggehoord in combinatie met die donut-economie.
Toch meen ik mijn reflex te herkennen als een afweerreactie, die me hopelijk dus zal ontvallen. In die wens word ik momenteel gesterkt door Sonja Prins (1912-2009). Lectuur van haar werk, die zich al een beetje uitte in bijkans een opiniestuk, geeft me hoop. Voor jongere generaties zal de dichteres-activiste mogelijk niet als voorbeeld dienen. Haar biografie, gemaakt door Lidy Nicolasen, droeg de treffende titel De eeuw van Sonja Prins. Het gaat hier om de twintigste, de zogeheten korte eeuw, ideologisch afgesloten voordat de jongeren werden geboren. Prins’ radicalisme, initiatieven en teksten geven nochtans stof tot bepeinzing.

woensdag 17 juni 2020

Break The Canon?





Bij een segment uit een millennialgeneratie Nederlandstalige schrijvers zie ik steeds vaker de naam van de Amerikaanse schrijfster Audre Lorde (1934-1992) opduiken. Ook buiten ons taalgebied heeft zij in een niche recent faam verworven, samen met Kimberlé Crenshaw en Angela Davis, als ‘icoon’ van onverzettelijkheid tegenover raciaal onrecht.
Aangekondigd bij een mainstream uitgever wordt een vertaling van Sister Outsider, Lordes bundel essays en toespraken. Grappig, want dat boek bestond al in het Nederlands. Samen met nog twee Lorde-titels verscheen het in 1985 bij de feministische uitgeverij Sara, onder de titel Oog in oog. Dat huis had het jaar tevoren Alledaags racisme van Philomena Essed gebracht, toen omstreden, heden evenzeer een inspiratiebron. Kennelijk was Lorde haar tijd vooruit. Wel begonnen in dat decennium millennials op de wereld te komen.
Van de huidige vertaling luidt het selling point‘Een baanbrekend boek voor de ontwikkeling van het hedendaagse feminisme. In tijden van Donald Trump en Thierry Baudet is haar werk uiterst relevant.’ Deze aanprijzing dateert van vóór de afgrijselijke moorden in de Verenigde Staten, die de Lage Landen evenzeer bereikten als een soort nawee van de eerste coronagolf. Een recenter artikel acht Lordes werk dan ook ‘verplichte lectuur voor wie de woede na de dood van George Floyd wil begrijpen’. 
Een laatste notitie vooraf is dat de oorspronkelijke vertaling Oog in oog was vernoemd naar een Lorde-essay, als pars pro toto, terwijl het komende boek de overkoepelende titel Sister Outsider ongewijzigd heeft overgenomen. Dat past bij de internationale oriëntatie van millennials, die nooit een tijd beleefd hebben waarin er geen internet bestond.
Dit klinkt allemaal erg ouwelijk van mijn kant, terwijl ik juist de puber in mij voel. Een drang kennis te nemen strijdt tegen een verlangen om niet mee te weten. Eerstgenoemde bleek de bovenliggende partij toen ik besloot Sister Outsider in de oorspronkelijke taal te gaan lezen. Ik kon een exemplaar bemachtigen uit een bibliotheek voor kunststudenten.
Op het omslag kleefde een sticker, met de cirkelvormige tekst BREAK THE CANON. Dit internationale initiatief trekt de belachelijke ongelijkheid op de wereld door naar kansen op publicatie en verzamelt titels van feministische, zwarte en niet-heteroseksuele auteurs. Nazicht leerde dat #breakthecanon, dus met hashtag, een trefwoord was in de online catalogus. Het leverde 98 titels op, bijna louter in het Engels, evengoed wanneer er een vertaling beschikbaar is. Benieuwd wat Lorde hiervan had gevonden, die zelf een bibliotheekopleiding genoot.