woensdag 16 september 2026

Da worde nie

 


 ‘Maar hij zei ook Niets kan haar vervangen’

(Jacob Groot)




Uiteindelijk bleek ik de klok hebben horen luiden. Maar ja, die klepel. Wat hier etappegewijs over recent gebruik van hoofdletters heeft gestaan, kan alsnog worden gespiegeld aan vakliteratuur. Het gaat dan over veranderende taalvormen ’sinds de vroege socials’ tussen 2000 en 2010, zoals ‘(…) HeT wIlLeKeuRiG aFwIsSeLeN vAn KleInE eN gRoTe LeTtErS voor een spottende toon’. Totaal willekeurig lijkt me deze orthografie niet, maar ik snap wat er wordt bedoeld en ga in mijn mand liggen.

Het citaat staat in het dit jaar verschenen Superbrabants van Kristel Doreleijers. Over een taal die ‘niet alleen kunstmatig, maar ook best kunstzinnig’ zou zijn. Ik las deze studie vanonder drie petten tegelijk: een publicist die net iets heeft afgerond met een hoofdrol voor gebabbel in de fictieve enclave West-Noordbrabant, een amateurcharlatan die taal onderwijst en een voormalig inwoner van Breda, de Parel van het Zuiden.

Om met de laatste figuur te beginnen, Doreleijers leert hem dat er ook in Noord-Brabant zoiets als een centrum en een periferie bestaan. Niet omdat zij uit Eindhoven komt en in Tilburg doctoreerde, maar omdat haar voorbeelden die regio bestrijken, met Den Bosch als hoogste punt. Een culturele minidriehoek? Indien ik het me goed herinner, duikt mijn geboortestad alleen op als officiële naam voor het Kielegat en standplaats van NAC. Nou ja, Tom America (afkomstig uit Heerlen, woonachtig in Tilburg) zong al eens dat hij het gevoel had Breda nooit te zullen halen.

Dat het zuigende niemandsland in de richting van Tholen en Zuid-Beveland helemaal onbenoemd blijft, maakt allicht evenmin iets uit voor de fascinerende hoofdstelling van Superbrabants: dat er onder jongeren in die provincie een taal is ontstaan die werkelijk een melting pot blijkt. Doreleijers noemt het, onder meer, een hyperdialect. Omdat ‘het’ Brabants, wat dat ook moge zijn, er verzeild geraakt is in een soort deeltjesversneller. Eigenaardigheden van het dialect zijn erin uitvergroot en komen er anders uit: in strikt genomen ongrammaticale gedaante.

 

Popiejopie

Overtuigend laat Doreleijers zien dat haar variant allerlei clichés en stereotypen over de provincie heeft opgeslurpt, afkomstig uit een andere machtige driehoek die we de Randstad noemen. Daartoe had ze zelfs kunnen refereren aan het oer-Haagse duo F. Jacobse en Tedje van Es, dat in 1980 bij de hertekening van Nederland als apartheidsstaat onder meer het landsdeel Brarabant ontwierp, waarin de provincie ten gunste van Surinamers en Arabieren fuseerde met Limburg, ‘altijd weer een paar graadjes warmer, denk aan de vrolijkheid, denk aan carnaval’.

Doreleijers spreekt van een ‘herkenbaar Brabanderschap’ als

 

‘een optelsom van het beeld dat buitenstaanders van Brabant hebben of aan Brabant toeschrijven (het imago van Brabant), het beeld dat Brabanders van zichzelf hebben (het zelfbeeld), en de manier waarop Brabanders zichzelf presenteren’.

 

Zo kan een adembenemend actie-reactiespel ontbolsteren, met soms onwrikbare principes, al dan niet uit de spreekwoordelijke onderbuik opgeborreld. Zonder dat ze de term appropriaton laat vallen zegt Doreleijers dat er in haar provincie bijvoorbeeld mensen zijn conform het dogma ‘Braobander da worde nie, da bende’. Op dezelfde pagina meldt ze dat anderen zich zo schamen voor hun accent, dat ze de hulp van een logopedist inschakelen.

In Doreleijers’ nieuwe taal zit, wanneer ik haar goed begrijp, evengoed een bijdrage van import-Brabanders. Het netto resultaat veroorzaakt een grappig refrein in Superbrabants. Ouderen klagen over de teloorgang van ‘hun’ dialect dat zij wél zuiver houden – de ondergang nabij! Daarin staan ze, op hun manier puristisch, niet alleen. Doreleijers geeft een wetenschappelijke bron: Arjen Versloots artikel ‘Streektaaldood in de Lage Landen’, waartegen ze stelling neemt.

Doreleijers bouwt verder op noties als ‘gevelbrabants’ (Hoppenbrouwers). Daar zat wel kritiek in, als zijnde een quasi-bourgondisch neptaaltje waar de kassa mee werd gespekt. Op een hyperdialectisch benaamde zaak tekent ze de reactie op: ‘Dòr hebben ze ’n bietje popiejopie, ’n bietje populair meej willen zen’. Zoals Superbrabants zelf slim de kwalificatie ‘carnavalesk’ gebruikt voor noorderlingen die taal bazuinen die wel erg overdreven is en de provincie gelijkstelt aan folkloristische clichés. Van dergelijke uitstoot zijn ouderen de uitlaat, maar waar zit precies het verschil met die jongerentaal?

Is superbrabants toch ook een commercieel project, waarvan tegeltjes en memes al op de markt blijken en waarin ondernemers kansen zien? Waarin onderscheidt het zich van ‘beeldbuisbrabants’ à la Undercover, van het Brabants dialect dat volgens de achterflap het dienstmeisje Petra spreekt in Nootebooms Rituelen of waarmee Thomése zijn Tilburgse personage J. Kessels optuigt? Is het heus louter een knuffeltaaltje waarin jongeren zich prettig voelen, misschien ook door de buitenwereld mild te stemmen zonder de roomse achterlijkheid die de streektaal traditiegetrouw schijnt aan te kleven? De nieuwe versie doet er, als ik het wel heb, ook ingrediënten bij uit uitheemse talen, zoals jongeren gewoon zijn te doen.

donderdag 10 september 2026

Mijn fucking gedicht

 


 

 

En nadat ik publiek had nagedacht over ontwikkelingen in het kapitaal- versus onderkastgebruik las ik: ‘Nu niet meer vragen Naar littekens / van de gevangenis, Brazilië of de kunstacademie.’ Het stond op de zestigste pagina van Het netwerk moest gebouwd worden, in een gedicht dat Maxime Garcia Diaz aansprekend had geopend met: ‘Een totaliteit verloren onderweg.’ Dat debacle leverde het vervolg, met die hoofdletter van het voorzetsel, niet alleen na een dubbele regelafstand die het boek in de greep heeft, maar ook na precies zoveel tabs dat het lijkt alsof er verticaal aangesloten wordt.

Daar gingen mijn hypotheses! De lijvige bundel gaat over virtuele werelden, en bevat gecopy-pastete collages, vertaalmachinewerk, schermafbeeldingen van WhatsAppgesprekken en selfies. Garcia Diaz’ lyrische ik stelt dat Paul Klees schilderij Angelus Novus ‘een meme werd’ door de negende these van Walter Benjamin. Ze bekent dat ze bij het woord ‘veld’ in eerste instantie niet aan de ‘fysieke’ wereld denkt, maar aan een beeldscherm. En in het Engels bij ‘view’ aan een of ander computermenu. Zo’n gemoed roept Jean Baudrillards reisverslag van Amerika in herinnering, uit de jaren tachtig, waarbij film voor hem aan de basis ligt van steden (die voorheen in Nederland en Italië na museumbezoek zijn inziens voortkwamen uit schilderijen).

Kan het dan zijn dat de dichteres schreef op de smartphone – en zich met de hoofdletter vertikte? Ik heb me laten vertellen dat, waar dat schermpje voor mijn onervaren en slechte ogen al helemaal niet bijster groot zou zijn, fouten niet altijd gerepareerd worden.

In een erg korte recensie mokte Mario Molegraaf over naar desinteresse neigende achteloosheid. De dichteres rept bijvoorbeeld van C.P. Cavavy die in de Lage Landen bekend staat onder de naam K.P. Kavafis. Misschien toont zich dan een generatieverschil. Is de Griek, in het Nederlands vertaald door Molegraaf en Hans Warren, door de dichteres wereldwijs in het Engels gelezen? En zou het voor haar onoprecht zijn een andere auteursnaam op te voeren? Zou het zelfs kunnen dat ze haar teksten, of een deel ervan, in het Engels gemaakt heeft en daarna terugvertaald naar het Nederlands? Er staat elders bijvoorbeeld ‘personificeren’ in plaats van ‘personifiëren’.

Tegelijkertijd met de bundel verscheen in 2025 bij dezelfde uitgeverij een editie onder de titel The network must be built. Alleen de onderkasten, zou ik koppig denken, verraden een niet integraal Engelstalige achtergrond.

Molegraafs ongemak, dat door dieptepsychologen schoolmeesterend kan worden genoemd, ervoer ik zelf bij Garcia Diaz’ debuut Het is warm in de hivemind uit 2021. Bij een lang gedicht, expliciet geïnspireerd op Allen Ginsberg, vertrekt Garcia Diaz vanuit een stelling: ‘Audrey schrijft’. Dit staat onderstreept, en wordt in de verantwoording voorzien van een YouTube-link. Gedienstig overtikken leidde me naar: Barbie and the 12 dancing princesses theme but you're one of them dancing in the secret garden.

woensdag 2 september 2026

Jij bent & was


 

Als niets meer zeker is, kan het ook in taal de vraag worden: kapitaal of onderkast? De officiële, op internet toegankelijke Leidraad wijdt er een apart hoofdstuk aan. Volgens mij hoef je ze niet eerst te leren om te voorspellen dat er allerlei regels ter zake zullen zijn doorbroken én onderhevig zijn aan trends.

Om met het allerlaatste te beginnen, In een recent verleden boog ik me over de spelling van voor- en achternamen, waarbij ik als actueel voorbeeld ‘bob vanden broeck’ noemde. Nu, een boek later, heet hij weer ‘Bob Vanden Broeck’. Aanleiding voor mijn stukje was overigens de fantastische bassist Esperenza Spalding die zich had onthoofdletterd. Ik kon meer muziekacts noemen met een dergelijke presentatie, en vergat die met kapitalen. Zoals MARO en ABBA (en, in zekere zin, H.E.R. en P!NK).

Ad infinitum. Of ad interim?

Vergeten was ik de rol van sociale media te verdisconteren. Weliswaar ontsnapte me tussendoor wat routinezuur over de kapitalen die de wortelkleurige en zijn entourage bij digitale communicatie inzetten, maar deze blokletters, het verlengde van bolds, ogen te routineus om bij stil te staan. Wel duizelt het besef dat dit conservatieve geweld formeel in de vakliteratuur met ‘het’ modernisme verbonden wordt.

Naar mijn idee is het gebruik van hoofdletters en onderkasten subtieler geworden. Ik weet niet of ik het ook intuïtief of hoogstpersoonlijk moet noemen, maar in eerste instantie waren het studenten die me voedden met prikkels. Omdat in hun papers, ogenschijnlijk zonder systeem, hoofdletters midden in een zin nogal opvielen, gevoegd bij evenmin consequente onderkasten aan het begin van zinnen.

Hypotheses moeten nog opgesteld, maar het lijkt me dat gebruikers van sociale media getraind zijn in een zo adequaat mogelijke presentatie. Volgens Éric Sadin ‘cureren’ mensen zichzelf op Instagram. Ieder zijn of haar galerie annex museum! Daarbij kunnen taalconventies en voorschriften hinderen, of juist uitnodigen ze aan te passen aan persoonlijker behoeftes.

Probleem is alleen dat die media me onbekend zijn en dat ik volgens mij geen moed en puf heb ze te bezoeken. Gelukkig kon ik uit artikelen twee Instagram-voorbeelden doorkopiëren. In het eerste herdacht zanger-acteur Danny de Munk zijn toneelvader Peter Faber die was overleden. Voor mij was dat tekstje, een open brief eigenlijk, een schot in de roos. Omdat kapitaal en onderkast inderdaad geen systematiek vertoonden en emoties ter plekke weergaven:

 

(…)

Elke Keer als ik je tegen kwam riep je
“HÉ STINKERD” !!!!!!
Jouw positiviteit was Enorm, net als Jouw Empatisch vermogen.
Jij bent & was een mooi en uniek kleurrijk mens

(…)

 

Voor mij is dit weergaloos. Ik meen althans vrij exact te kunnen navoelen waarom De Munk even een hoofdletter invoegde en dan weer een paar maten een kleine. Dit is muziek (waar emoji’s bij horen, maar die voeren te ver)! Alleen krijg ik het benauwd als taaldocent. Hoe kan ik nog uitleggen wat de afspraken zijn, zonder helemaal over te komen als een dodo, laat staan Nederlands als een bastion voor te stellen?

zondag 23 augustus 2026

Het monster onder het kinderbed

 

 

 

Uit het intrieste wedervaren van Jason Arday en alle motieven en conclusies die diverse partijen eruit weten te wrikken, zou elke redelijke mens minstens mogen besluiten dat de kwalificatie ‘hypocriet’, steevast uiteraard voor een ander, niet deugt. Verder moet in het belang van werkelijk iedereen de term woke onmiddellijk worden opgeheven, afgeschaft en weggespoeld. Maar dat zal niet gebeuren.

Iedereen zijn overtuiging en, misschien nog zeggen, in censuur geloof ik niet. Toch heeft dat begrip woke aan zowel voor- als tegenstanders van de uitvoering die daarbij wordt verondersteld louter schade toegebracht. Als dat de macht van het woord is, dan laat ik me nog liever transformeren tot carassius auratus auratus.

Bizar vind ik ook de hardleersheid van betrokkenen en commentatoren. Of vloeide het geheugen net weg in de vissenkom? Zelf heb ik per saldo het beste met de wereld voor, waardoor het verdoemde etiket best op mijn shirtje zou passen. Het is dan ook met schroom dat ik voor de ogen van studenten soms strofen uit een gedicht uit 2022 projecteer, van Babeth Fonchie Fotchind:

 

rechtsonder schreeuwt outlook: ‘meld u nu aan voor de workshop diversiteit’. vanaf flexplekken struikelen blikken goedbedoeld over elkaar, steken elkaar aan en zetten

mijn muisarm in brand, onomkeerbaar gebogen ruggengraat in brand (…)

 

ik scoor met mijn trifecta hoog op de gemarginaliseerdenladder en ben daarom het

aantrekkelijkst voor mijn baas. naast vergaderzalen tellen (…)

staat op mijn to-do-list: ervaringsdeskundigheid

delen in het kader van inclusiviteit

 

En vertelt deze week senator Gaby Perin-Gopie (Volt), tevens zelfstandig adviseur over ‘diversiteit en inclusie op de werkvloer’, wat haar in de Eerste Kamer zoal overkomt tussen en onder en boven de woorden. Wat moeten ze dan nog inhouden?

Afgelopen zomer was er nota bene een debat tussen de taalexperts Freek Van de Velde en Marc van Oostendorp over de mate van wokeheid in de neerlandistiek, waarbij onderweg nog gedefinieerd werd en, bijvoorbeeld bij ecocriticism, afgebakend wat dat precies inhield. Voorlopig kwam het neer op ‘identitair activisme’. Ik vrees dat echter niemand weet wat woke betekent, en dat daarin juist die macht schuilt. Als het monster onder het kinderbed wanneer het lampje uitging en je uit angst begon te praten.

 

Hangplekken

Het debat trok mede mijn aandacht omdat het deels over taal ging, een Amerikaans-Nederlands. Dat is alvast iets om wel vrij zeker van te zijn: het fictieve monster woke baart tastbare woorden. Ze zijn bovendien aan de complexe kant. Vanuit mijn miniperspectief is me opgevallen dat ze zelden worden gebruikt door mensen die de taal adequaat beheersen. De outlookmail die Babeth Fonchie Fotchind ontving bevat een dt-fout.

Daar heb je het al, meteen een vileiniteitje. Ik bedoel dat het wel eens inzichtelijker kan zijn te kijken naar de schrijf- en leespraktijk van doorsnee gebruikers dan de grote tenoren te viseren. Dus bij het debat niet zozeer te turven wat topwetenschappers in een A-tijdschrift plengen, als wel wat hun studenten publiekscommunicerend als evident uitwisselen.

Dat suggereerde ik al, in een comment. Met als toetssteen twee woorden die in het artikel slechts bij hun eerste, trans-Atlantische naam waren genoemd: ‘heteronormativity’ en ‘whiteness’. Mij boeien ze in hun dagdagelijkse laaglandse kloffie: ‘heteronormativiteit’ en ‘witheid‘. Volgens de hyperlinks uit het Algemeen Nederlands Woordenboek duiken ze vanaf 2006 in de Lage Landen op. Zijn er in het vak jongeren die dat kloffie naadloos aantrekken? Ik ging testen op twee hangplekken: De Reactor (sinds 2009) en Jong Neerlandistiek (sinds 2022).

De eerste site gaf bij ‘heteronormativiteit’ slechts vier treffers, uitsluitend van neerlandici en op een veelal beloftevolle leeftijd. De bovenste was in de roos, omdat studenten daar met elkaar in gesprek waren over een bundel en de term geruisloos voorbijkwam. De tweede treffer was minstens zo mooi: daar landde ‘heteronormativiteit’ in een kritisch rijtje met ‘traditionele gezinswaarden en religie’. In treffer drie gebruikte een bekendere jongere neerlandicus het begrip ook in zijn bijvoeglijke vorm. De vierde en laatste treffer bezigde ‘heteronormativiteit’ in één adem met ‘eurocentrisme’.

Bij ‘witheid’ geeft De Reactor achttien recensies, ook best weinig. Door alle generaties bovendien, en niet alleen neerlandici. Ik bloemlees. Bij de bovenste treffer zit het woord al in de titel: ‘De witheidsproblematiek’. Een andere recensie heeft het in de ondertitel van het besproken boek, een letterlijke vertaling van Whiteness and the Literary Imagination. Er blijken ook nuances in ‘witheid’ die, consistent in het register, een ‘constructie’ heet. Op één plek is dat verwerkt tot een definitie: ‘Witheid verwijst (…) naar een dominante positie binnen een geracialiseerd systeem. Witheid is een sociale constructie die een vorm van witte suprematie, of zoals Sibo Kanobana het recentelijk noemde, een witte orde in stand houdt.’ Elders op de site heet ze een ’fundamenteel onderdeel van een breder machtssysteem’. En valt zo’n diagnose ook, zeldzaam op deze site, ten prooi aan schamperheid – van emeritus-socioloog Walter Weyns, die aan zijn opvattingen over het monster een heel boek wijdde.

 

Poenerig

Inzake Jong Neerlandistiek ben ik sneller klaar: geen treffers. Het weinige dat deze site bij ‘witheid’ oplevert komt van oude bokken. Van wie ik zelf de grootste ben, met drie stukken die verbaasd de term in een context aanhalen. Een ander artikel gebruikt ‘witheid’ expliciet in de zin van ‘lichtheid’. In de door mij nagejaagde betekenis valt het begrip in een opsomming die een stand-van-ideologische-zaken-overzicht geeft. Ten slotte vraagt een feuilletonaflevering zich af of in 1996 de witheid van een sneeuwbal literair al andere associaties heeft verwekt. Louter een pas gepromoveerde neerlandica bezigt in een interview het begrip ‘witheid’ zo en passant als ik zocht.

dinsdag 11 augustus 2026

De kampioenste

 

 

 

Als amateurcharlatan in de neerlandistiek vroeg ik me ineens af: hoe zou het zijn met de theorie over poëzie die J.H. de Roder vlak voor de eeuwwisseling ontwikkelde? Zijn hypothese was, hopelijk nu niet te grof samengevat, dat gedichten neigen naar betekenisloosheid omdat ritme dominanter is. Destijds in de hoogtijdagen van ‘het’ postmodernisme baarde die theorie zoveel opzien dat, in mijn herinnering, zelfs dagkranten erover schreven. De Roder nam vervolgens de pamflettaire tekst op in een essaybundel die door de KANTL van de strik der eeuwigheid werd omgebonden. Ook reageerde Jan Lauwereyns uitgebreid en vernietigend met het boekje Splash. Maar toen was het 2005 en was de neerlandistiek blijkbaar al met andere zaken doende die de vergetelheid in moesten.

Ik zou bijna zeggen: en toen leefde iedereen nog lang en geleden. Maar daarmee citeer ik Erik of Eric Bindervoet. Bovendien ging door mijn hoofd nu, een kwarteeuw later, dus de vraag hoe het met De Roders theorie is gesteld. Bij mij werd ze wakker gekust door twee boeken, die niets met elkaar te maken hebben – behalve dat ik ze recent uit stapels viste.

De ene titel is De symfonie van onvrede. Daarin legt politicoloog Catherine de Vries overtuigend uit hoe en waarom een van de deprimerendste feiten uit de recente geschiedenis zijn beslag gekregen heeft: de massale koerswijziging door kiezers-burgers van centrumlinks naar extreemrechts. Wat heeft dat met poëzie te maken? Ik wil even niet polemisch doen. En gelukkig heb ik aan één zin van De Vries genoeg om mijn link te leggen:

 

‘De boodschap van dit boek is dat er onder de melodieën van radicaal-rechts een dieper ritme ligt dat de toon zet: de gestage afbraak van publieke voorzieningen, veroorzaakt door de politieke keuzes van middenpartijen – het afschudden van hun ideologische veren, de uitverkoop van de staat aan de markt en het herdefiniëren van de kiezer als consument.’

 

Deze zin is sowieso interessant. Tot en met haar boektitel heeft De Vries gekozen voor een centraal beeld dat haar stelling aanschouwelijk moet maken. Er horen terugkerende submotieven bij, zoals ‘noten’, ‘orkest’, ‘componisten’ en ‘dirigenten’, waarboven de abstractere titels van de drie delen evengoed de consequente aanpak schragen. Dat bevordert het begrip en de samenhang, maar heeft in een niet-literaire tekst ook iets verkrampts.

In het citaat laat het korte stukje vóór de dubbelepunt die tegenstrijdigheid zien. Maar liefst drie termen hebben met muziek te maken. Daarbij duwde wat mij betreft het adjectief ‘dieper’ vóór ‘ritme’ net ietsje te hard. Tot, sorry dat de uitleg zo lang duurde, het pamflet van De Roder me te binnenschoot waarbij, meen ik, ritme inderdaad de toon overweldigt.

Nu ja, het was maar een detail dat mijn blik allicht stuurde bij de tweede titel. Na De Vries las ik namelijk het zalige boek Erratapedia. Daarin bundelde Erik of Eric Bindervoet niet alleen een nieuw setje grillige leutergedichten, ditmaal annoteerde hij ze ook uitbundig heterogeen. En zoals te verwachten viel, overwoekeren al de noten de hoofdtekst nagenoeg volledig. Het gedicht ‘The importance of being speels’ blijkt bijvoorbeeld kaal te zijn voorgepubliceerd en telt vier bladzijden, terwijl het in Erratapedia, met eenentachtig voetnoten, veertien pagina’s beslaat.

Maar De Roder heeft hier nog steeds niets mee te maken. Toch legde ik het verband wel degelijk, in de jungle van annotaties. Murw door alle meer of minder relevante informatie die Bindervoet daar op lezers los bombardeerde, kwamen ook amper geïntroduceerde regels voorbij die voortijdig leken te zijn afgebroken en die soms rijmden:

 

(…)

Maar luister dan ook goed naar de klank van je eenzaamheid

Van een hartslag… uit de as

Als de stilte je herinnert aan wat er was

Aan wat je had… aan wat er was… aan wat je had.

Klappen geeft de donder als het regent.

(…) (p. 26, noot 69)

 

Misschien komt het doordat ik de elpee kocht in de herinneringsgevoeligste jaren van de puberteit dat de oorspronkelijke tekst als het ware door mijn aders circuleert. Maar die was nog altijd wel in het Engels, waarvan mijn beheersing matig is. En voor ik het wist of zelfs maar kon herleiden, riep mijn hele ik naar dit fragment terug. Dit is Fleetwood Mac anno 1977, in een echtscheidingslied dat sindsdien talloze keren is gecoverd. Ja, thunder only happens when it’s raining.

En is dit dus ook niet wat De Roder bedoelde? Doordat ik het liedje relatief goed ken, was ik toch nog niet helemaal overtuigd. Verder lezend in Erratapedia, voor zover dat kan, laat staan gestructureerd, dommelde ik in zekere zin in. Amuseerde me, miste ongetwijfeld van alles, blies en slappelachte tot:

 

(…)

En menig keer heb ik gefaald

Ik heb hoe vaak ik ook beet in het stof de top gehaald

En dus moet je doorgaan doorgaan doorgaan…

Wij staan als beste bekend en wij blijven vechten tot het end

Wij zijn de besten.

Wij zijn de goeisten.

De kampioenste!

Geen tijd voor stumpers

Want wij zijn de beste kampioen…

(…) (p. 105, noot 17)

 

Dit is kolder, net als het laarzentrappelend gedachtegoed waar mijn gemoed me naartoe stuurde. Weer een liedje, ditmaal verticaal geklasseerd bij het meurendste denkbaar uit wat ik voor een privétoilet houd. Mercury, het vroege gras van Ajax in De Arena, Van Gaal op het Museumplein,…

Waarom drong Queen door mijn bewusteloze lectuur heen? Dat moet toch een argument pro De Roder zijn? Allicht is popmuziek – vanaf de babyboomers en zeker vanaf ‘mijn’ generatie X – een vanzelfsprekend cultureel referentiekader geworden dat ooit, voor een geringere groep mensen, in literatuur te vinden viel. Volgens mij verwees De Roder ook naar Primo Levi, die had getuigd dat bij het duivelse werk in concentratiekampen gevangenen Dante reciteerden.

Daarnaast is Bindervoet natuurlijk een meestervertaler. Hij beheerst de Nederlandse taal zo goed, van haar highbrowste tot in haar onsmakelijkste trekken, dat hem waarschijnlijk de PC Hooftprijs nooit is gegeven uit mededogen met de reguliere laureaten. Iets verderop in zijn Queen-massage varieert hij op het bovenstaande gekweel met ‘en wij blijven vechten tot het very ergwaartste end’. Daarmee doemt Beckett, of minstens de versie die Erik of Eric Bindervoet van hem gegeven heeft. Van het eind ook van het begrip? Of het begin?

maandag 27 juli 2026

Zo ongeveer en ten naaste bij



Probeer het maar te ontkennen. In de kwarteeuw dat we ’s zomers door Europa fietsen nooit zulke temperaturen beleefd. Vaker dan ooit dus: voor een ijskoude imperialistische cola stoppen bij een supermarkt. Op de parkeerplaats hitteblaffende auto’s, inzittenden in een tenue te krap voor alle ongetwijfeld grondig voorbestudeerde tatoeages. Met wat geluk is er een overdekte oplaadzone. Zoals nu, terwijl voor ons een koppel parkeert pal naast een invalidestandplaats en onwaarschijnlijk smakeloos gekleed naar ons toe loopt – om een sigaret te roken. We worden bekeken als aliens, waarna ons antwoord op de vraag waarvandaan doet fronsen van onwetendheid, ook bij onze bruggetjes Brussel en Antwerpen. Wel zegt het koppel dat hun dochter in Utrecht woont.

 

Kunnen we met de kaart betalen, vragen we zekerheidshalve op de eerste camping. Natuurlijk, luidt het antwoord, we zijn hier niet in Duitsland. Daar schijnt niet simpel te registreren en te bemonitoren baar Geld alles te zijn.

 

In Nancy bestaat er de rue du Joli Coeur. De verrukking daarover taant snel als we de laatste brede weg naar de camping befietsen, zo steil dat we met de fiets in de hand gaan lopen. Bovenaan blijkt het een gevalletje van 10%, ontdekken we tierend, in de hoop dat we bij de tent verkoeling vinden, ware het niet dat op de ons toegewezen plaats, onder een boom, een Belgische auto staat, een Dacia Duster, met onder het portier in het gras niets minder dan een Bialetti. We mogen een ander plekje zoeken, waar zachtaardige Franse buren ons inlichten vanavond weg te gaan en met zo min mogelijk bruit te zullen wederkeren. Die avond winnen Les Bleus met 2-0 van Marokko, vuurwerk alom.

 

Gestaag lees ik Montaigne integraal, in de soepele vertaling van Hans van Pinxteren. En stuit op het woord ‘malvezij’, dat ik ooit in Kopstem gebruikte. Waarschijnlijk opgepikt uit dit oeuvre, dankzij een opstel dat het betreffende essay Over de opvoeding behandelde. Op gelijkaardige wijze ontleende ik aan Over de eenzaamheid misschien de titel van mijn debuut: ‘jij en een metgezel, of jij en jezelf vormen voor elkaar een groot genoeg publiek. Laat de menigte één man voor je zijn, en één man een hele menigte.’

 

Sanitaire blokken als insectenplagen. Overal liggen en hangen aan draden smartphones op te laden. Ik doe er mijn tablet bij, en houd van een afstandje de ruimte in het oog. Het taalkundig genie zegt dat ik vertrouwen moet hebben – wat met de grootst mogelijke moeite lukt, tot ik me te nerveus voel. Verder loop ik geregeld om zo’n blok, met een pre-emptive huppeltje tegen stuitliggingen. Die Franse toiletten blijven zonder bril, dus moeten de hangspieren niet nodeloos belast wanneer je, hoorbaar tussen anderen, snel afdrukt. Trillend van concentratie ontkom je evenmin aan gesprekken. ‘NEEEH, Papa!!! ‘Stel je niet aan, ik heb er geeneens zeep op gedaan.’

 

Het taalkundig genie krijgt mailtoelichting op haar relatief magere cijfer voor Schrijfvaardigheden. Naar universitaire maatstaven had ze in haar tekst te weinig structuur aangebracht, met woordjes als ‘ten eerste’ en zo. Die hemeltergende taal had ze er inderdaad uit weggekeild, op advies van mij. Een vriendin kreeg te horen dat ze onnodig jargon had gebruikt. Zoals ‘neokolonialisme’.

 

België wordt uitgeschakeld en richt de routinegal nog maar eens op haar Franse coach Garcia. Hij had het bestaan om keeper Courtois te wisselen, die geen lange bal meer kon spelen; zijn vervanger liet een afstandsschot van zijn borst kaatsen en hop, goal. Het argument luidt dat, met zijn begaafdheid en ervaring, een halve Courtois had volstaan. Wat een Belgisch compromis!

 

Onze buren van vandaag hebben om hun fietsstuur dezelfde tas gehangen, met een slogan over just doing sportive. Beide e-bikes. Dit op een camping die alle borden in vier talen heeft, over toegang uitsluitend voor gasten, waarbij de Nederlandse versie andersom framet, ‘niet voor buitenstaanders’. Zo handelt de in blauwe stofjas gestoken beheerster allerminst, die ons met flesjes water had onthaald en mijn vraag of onze fles champagne even in haar vriesvak mocht pareerde met het aanreiken van een koelbox, waarvoor ze uit dat vriesvak wat hulpmiddelen haalde. Haar man hinkt en leegt geregeld de vuilnisbakken.

 

De camping daarna is geen municipal meer. Dat betekent dat oud sanitair verkommert en nieuw sanitair beperkt open is. En dat fietsers bijeen worden gedreven op één wei. Het bedoelde reservaat is echter boomloos en geelwit geblakerd, zodat we samen op iets kleiners komen en, ontdekt de wegkapitein, meer moeten betalen dan de website zegt. Enkele fietsers mogen wel apart en hebben toevallig Frans als moedertaal. Vandaag herdenkt het land voor het eerst officieel de Dreyfus-affaire. Op een camper een sticker met een valse vriend: angles morts (geen Hells Angels)

 

In de schaduw geeft de thermometer 37 graden, in de zon 44 graden. Onze bidons zijn lauw en bijna leeg. De eerste camping waar we passeren is nagenoeg verlaten en heeft vuil sanitair. Als we tappen komt er een jongen aangehold die zegt dat dit verboden is. We moeten ofwel overnachten ofwel het water betalen. Hij loopt weg, de wegkapitein tapt opnieuw en hij keert weer en scheldt haar de huid vol. Ze zegt dat de chaleur nogal groot is vandaag, maar volgens hem draait dit om politesse. Als we verbluft wegfietsen, besef ik dat het Quatorze Juillet is. Was dat ook de dag van de fraternité? Over het aanpalende item hospitalité weet ik onvoldoende. Onze volgende pleisterplaats blijkt een oase. Aan Les Lacs d’Osselle ademt alles welkom, tot en met de loketambtenaar met het spleetje tussen haar tanden. Dezelfde avond wordt Frankrijk uitgeschakeld door Spanje, zien we op de tablet. De hele match blijft het doodstil, behalve bij de twee vijandelijke doelpunten en na het eindsignaal – steeds dezelfde camper claxonneert.

 

Op de fiets schiet me het fameuze openingswoord van Ubu Roi te binnen: ‘merdre’. Samen met mijn gelegenheidsvertaling: ‘plotver’.

maandag 6 juli 2026

Uit de werkplaats (11)

 


 

 

1.

Redigeren is een concentratiekwestie, wat zich door de hitte, in mysterieuze fasen, laat ervaren als een wegdommelen. Zou ik veel van het scherm hebben gemist? De geweldigste tropische verrassing in elk geval niet. Charles Trenet zong toch werkelijk ‘Douce’ en helaas geen ‘Douche France’.

 

2.

Bart Meulemans roman Een distel in bloei, ‘losjes gebaseerd op het leven van schilder Jan Vaerten’, bevat deze gedachte van de Vlaamse kunstenaar: ‘Vluchten is niet vergeten waar het bestaan ons toe veroordeelt, maar het net verhevigd ervaren.’ Begrijpen Nederlanders dit? Dus ‘net’ als bijwoord, in de betekenis van ‘integendeel’ of, duister voor Vlamingen, ‘juist’? Ondubbelzinniger was geweest om dit bijwoord en het voorafgaande lidwoord ‘het’ van plaats te verwisselen. Een distel in bloei verscheen bij een Amsterdamse uitgever, die riskeert dat ‘net’, met evenveel aforistische kracht, door de meerderheid van het potentiële publiek als zelfstandig naamwoord wordt opgevat.

 

3.

De Johan Polakprijs voor ‘de beste bundel van de afgelopen drie jaar’ ging naar een debuut. Wat als ik vervolgens deze Sarah de Koning toets aan ander institutioneel poëziegeweld? Zij stond op de longlist (niet op de shortlist) van de Grote Poëzieprijs en ze stond op de shortlist van de Herman de Coninckprijs. De GPP ging naar Samuel Vriezen die nergens bij de HdC te bekennen was, en de HdC ging naar Sandrine Verstraete die nergens bij de GPP te bekennen was. Achter deze betrekkelijke willekeur zou je de respectievelijke juryleden kunnen zien. Maar de invloed schuilt bij bestuursleden die jury’s benoemen en daarmee de ideologische en politieke marges van de kandidaten bepalen, plus welke netwerken worden geactiveerd.

 

4.

Als routinier, of de oude man die ik ben, lijkt me dat De Koning past in een trend die vorig decennium werd ingezet met Hannah van Binsbergen, en vervolgens Joost Baars en Radna Fabias: prijzen uit het niet-overheidsgestuurde circuit die naar debuten gaan. Met de suggestie: wij hebben tenminste het lef om ‘kwaliteit’ meteen te bevestigen. Ooit vertelde een jurylid me doodleuk, jaren na dato, dat de essaybundel Bunzing van Daniël Rovers uit 2005, waarvan ik als redacteur alleen maar shit over me heen had gekregen, eigenlijk de Greshoffprijs zou zijn toegekend maar dat men dat te wezensvreemd vond voor een debuut.

 

5.

Tussen neus en lippen door zegt John McWorther dat sensible lang ‘gevoelig’ heeft betekend, maar nu ‘gezond verstand hebbend’. Een equivalent in het Nederlands? Wakker?

 

6.

Arme Carmien Michels.

woensdag 1 juli 2026

Zodra je omslaat


 

Toevallig komt me het gedicht ‘Toch niet helemaal’ van Judith Herzberg onder ogen:

 

Je lijdt, tijdens het lezen al

onder het naderhand vergeten.

Terwijl je ieder woord

en elke zin verinnerlijken wilt

verglijdt de hele bladzij

verdwijnt, zodra je omslaat;

en laat wat je daarnet

nog ijverig bewonderde

op slag verhongerd na.

 

Het klinkt hopeloos snobistisch, maar ik raakte al in de war door de eerste komma. Niets te vroeg, in elk geval! Mijn idee was dat die komma een tweede forceerde, aan het eind van de regel. Maar daar staat geen leesteken. Kennelijk heeft de nieuwe regel dat overbodig gemaakt. Even verderop zie ik dat ook gebeuren. Officieel hoort er tussen ‘wilt’ en ‘verglijdt’ een komma, maar dat wordt onnodig door die positie aan de rand – die al voor een minieme pauze zorgt.

Uiteraard kan men beweren: dit is poëzie, dus waarom zou er een grammaticaal voorschrift worden gevolgd, of zou er sprake moeten zijn van consequentheid of zelfs logica? Ik vrees dat ik toch zo’n onsensationele lezer ben die zonder sociale media al begint te verklaren vanuit een routineparanoia: losse elementen met elkaar in verband (proberen te) brengen. Dan komt het leuk uit dat het gedicht als geheel over een verlies van duiding of grip nadenkt.

Leuk is volgens mij niet de kwalificatie voor een verschil in leesverwachtingen dat ik onderken tussen mijn gewoontes en die in het gedicht staan beschreven. Bij Herzberg draait het om ‘verinnerlijken’, terwijl ik niet eens met zekerheid durf te beweren dat ik een innerlijk héb. Veeleer een sensorische lastpak die laat weten wanneer iets weer onhelder is.

Zoals wat er na ‘de hele bladzij’ gebeurt. Indien de rechtermarge opnieuw een komma zou hebben opgeslokt (samen met de reguliere uitgang ‘-de’ van het genoemde vel papier), dan is ‘verdwijnt’ op de volgende regel een variant van ‘verglijdt’ op de vorige regel. Het vervangt dat werkwoord zelfs, kortheidshalve ditmaal zonder nog het object van die bladzijde te vermelden. Maar dat maakt de komma die dan meteen opduikt erg abrupt.

Ik ben opgegroeid met het schrijven is schrappen-dogma en voel daarom meer er een apokoinou te lezen. Daardoor valt het gedicht hier als een leporello uit te vouwen: verglijdt de hele bladzij, de hele bladzij verdwijnt. Dan is de komma voldoende gestut voor de cruciale handeling in Herzbergs gedicht: het omslaan van de pagina. Wat er daarna geschiedt, kan ze slechts aanduiden met het voorlopigste leesteken aller tijden, de puntkomma.

Tegen de gewraakte grammaticaregels zondigt Herzberg daarna. Haar vervolgzin doet net alsof er een komma had gestaan! Ze miskent de interpunctionele breuk die noopt tot een formulering zonder ‘en’. Zoiets als: ‘je laat wat je (…)’. Bovendien suggereert de dichter dat ze niet in het schrijven-is-schrappen-dogma gelooft: ‘daarnet nog’ en ‘op slag’ zijn hier feitelijk te veel. Maar feiten doen er niet toe in de topsport.

Verder snap ik uit het slotakkoord na de puntkomma het werkwoord ’bewonderen’ niet, dat op het verinnerlijkend lezen slaat. Volgens mij kun je idolen (tegenwoordig: iconen) bewonderen, maar geen gewoontes met goddelijke implicaties. In combinatie met het bijvoeglijk naamwoord ‘ijverig’ ontstaat er veeleer een reflexmatig enthousiasme, zoals misschien aanwezig in lichamen van socialemedia-gebruikers wanneer ze hartjes en duimpjes placeren: neoliberale gelovigen.

Tot slot is er in de laatste zin natuurlijk het ongrijpbare ‘verhongerd’, dat in combinatie met lezen naar geestelijke armoede hint. In Vlaanderen leerde ik de uitdrukking ‘op zijn honger blijven zitten’. Dan moet iedere diepere betekenis, wat dat ook moge zijn, nog de revue passeren. Herzbergs begrip kan ook letterlijk wijzen op het geknor in de maag, nadat je zo geconcentreerd hebt gelezen dat je de tijd uit het oog bent verloren.

In termen van duiding of grip kampt een lezer hier toch sterker met de fameuze aartsvijand Alzi – dementie die het ouder worden bedreigt. Waarmee het gedicht een biografisch perspectief openlegt. Maar toen Herzberg dit publiceerde, in 2013 in de bundel Liever brieven (oplage 155.000 exemplaren!), was ze nog geen tachtig, dus niet erg oud voor een vrouw. En voor zover er twijfel bestond, toonde het recente interview met Heerma van Voss nog altijd een scherpe geest.

Het Nederlands, wat dat ook moge zijn, spreekt van oudsher van ‘de bladzij omslaan’ en in dezelfde beweging later van ’de pagina’. Het Vlaams neigt naar ‘omdraaien’. En dat voor de cruciale actie in het gedicht, waarmee volgens de taal een verleden moet worden begraven. Om te kunnen vergeten, waar Alzi juist zo pijnlijk goed in is. Tussen ‘lezen’ en ‘leven’ zit dan ook niet heel veel verschil in ons dieventaaltje. Vallen ze daarbuiten dan samen? Toch niet helemaal.

maandag 22 juni 2026

Vetrolmodel

 

 

Wat een bizar bericht bereikt België over mijn geboorteprovincie. Een carnavalsvereniging staat in de rechtbank tegenover de mannen van ABBA, omdat ze hun jarentachtigliedje ‘Take A Chance On Me’ niet alleen verhoempade maar de tekst ook vernachelde tot ‘Dikke Pens’. Het Noord-Brabants refrein gaat nu als volgt:

 

Ik ben zo blij, met die pens van mij

Eerst was ik te dik, maar nu heb ik schik

Mun cholesterol nemen ze nu voor lief

Ik ben dik tevreej met 'body positief'

Met een BMI van honderd-en-drie

Was ik eerst obees, meer vet dan vlees

Volgens mijn volgers ben ik vet okee

Al ben ik kapot na d'n derde tree

Ik ben zo blij, met die pens van mij

 

Is de omgekeerde wereld die met carnaval haar beslag heet te krijgen (als ik Bakhtin nu eens minder als confetti had gelezen!) hier een feit? Of ben ik gewoon nooit vertrokken onder de grote rivieren? Mijn geëmigreerde oren combineren rijm, luim en ritme tot een herinnering van een soort humor uit mijn kindertijd, buiten de deur dan. Meligheid gecombineerd met een toefje maatschappijkritiek dat met gemak weggewuifd kan worden. Jaren geleden signaleerde ik het ook bij het nummer ‘Hoemoes Dà Òk Alweer?’ van de Bredase wiskundeleraar die zich Peter Selie noemde.

Kon ik destijds bekennen dat dergelijke spraak had geleid tot het eind van mijn poëtisch project, bij deze carnavalskraker waan ik me betrapt in een essayistische monsteronderneming die voor mijn doen aan de ambitieuze kant is. In De appelmoestuin hoop ik een zogeheten West-Noordbrabant op te roepen waarin paradijs en politieke ontluistering samenpakken. In de immer koddige termen van het liedje doet het verhoopte boek aan ‘om-influencen’.

De vraag is alleen of ik in de juiste richting zit te tasten. Ben ik nog aan het essayeren? Zoals me laatst bij recente gedichten van Verhelst de kwestie overviel: is dit wel poëzie? Nu zijn genres ook niet alles, maar mijn USP is dat ik daarmee speel in plaats van dat ze met mij spelen.

Ik ben allergisch voor autobiografisch schrijven, kan het niet eens. Als geplaagd postmodernist geloof ik bovendien uiteraard niet in een essentialistisch beeld van mijn heimat. Geen enkel Brabants dialect heb ik ooit gesproken. Maar zulke taal probeer ik alsnog te laten resoneren. De verleiding ligt klaar om naar ironie te grijpen, maar zo’n postmodernist ben ik niet. Mij fascineert een woedend melige groteske. Om meer dan één reden lijkt me het moment er rijp voor.

Doordat er na vertaalmachines allicht ook AI-toepassingen op de markt zijn gekomen waarmee je nog beter kan bluffen, werk ik meer dan ooit op gehoor. Ambachtelijk! Daarnaast valt moeilijk te ontkennen dat het politieke klimaat dusdanig veranderde dat nationalisme voor velen een strohalm is geworden. Het zou makkelijk zijn daar denigrerend over te doen, vanuit mijn gerieflijke positie (met onderdak en voedsel, zonder geldzorgen,…).

Toch betrap ik me erop dat ik het nieuws over ‘Dikke Pens’ inschuif in politieke ontwikkelingen. Ik zie op televisiebeelden een man over zijn bierbuik wrijven alsof hij zwanger is, omgeven door consensus. Allicht zie ik met mijn ontwortelde, illusoir onthechte blik ‘mensen onder elkaar’. Een soort harde kern die overal opdraaft waar, met de grootste verontwaardiging, het feest van het uitsluiten kan beginnen.

zondag 14 juni 2026

Twee lezersverwachtingen

 




 

Ooit waande ik zo betrapt in mijn ethische illusies toen Lelystad onder mijn ogen kwam, dat ik er een heel stuk over schreef (nergens op mijn harde schijf terug te vinden). Dus zou het een leugen zijn wanneer ik beweerde dat ik Joris van Casterens jongste boek onbevangen tegemoet treed. Laat de wens dan ten minste de vader van die gedachte zijn. Bij De mensheid zal nog van mij horen. Stemmen uit het dagboekarchief verwijst de ondertitel naar het NDA, een collectie van het Meertens Instituut die door ruimtegebrek inmiddels berust in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Daar begon Van Casteren als writer-in-residence.

Uit talloze dagboeken heeft hij er een handjevol geselecteerd en intens droevige, zogeheten gewone, levensverhalen naverteld. Hij citeert er ampel uit en de achterflap benoemt het eindresultaat: ‘het waanzinnige leven van een mevrouw uit Hoofddorp die overvallen pleegt (…) een homoseksuele storingsmonteur uit Limburg die in spiegelschrift verslag doet van zijn uitspattingen (…) een KLM-purser die in Thailand kunstvoorwerpen steelt, een overspelige vrouw van een VVD-politicus, een kunstenares uit Delden die bij de Jeugdstorm zat, een vrome bouwvakker uit Zwolle die zijn buren begluurt, en talloze anderen’.

Dit lijkt me Randstadvermaak, waarbij zij aangetekend dat bij de VVD-politicus Van Casteren aan Frits Bolkestein een rolletje in de maag tracht te splitsen. Ik ben geen grote fan van hem, maar dit heeft hij niet verdiend. Het boek in zijn geheel exploiteert. Des te vreemder om niet alleen te ontdekken dat De mensheid zal nog van mij horen op de flap aanprijzingen kreeg van echte schrijvers, maar ook dat het ‘als enige non-fictieboek op de shortlist van De Boon’ stond. Raf Njotea rekende het zelfs tot de tien beste titels van deze eeuw. Als zelfverklaard experimentator raakt het me dat het als een nieuw genre wordt gepresenteerd.

Toch snap ik ergens wel waar die lof vandaan komt. Van Casteren heeft meegedeeld dat hij vijf jaar aan het boek heeft gewerkt, en dat het gefaseerd tot stand kwam: ‘Van zestien personen heb ik alles gelezen, 114 dozen bij elkaar, per doos gemiddeld twintig schriften. Per persoon maakte ik een uittreksel van zeker dertigduizend woorden’. Inzake het ambachtelijke van de onderneming rijst dus het beeld van een herculesarbeid.

Daarnaast bevat De mensheid zal nog van mij horen een verantwoording waarin Van Casteren meldt dat hij aan het contract van het NDA in overleg met het Meertens Instituut een addendum heeft laten toevoegen, zodat hij de namen van zijn tragische personages kan noemen. In het slotdeel bezoekt hij bovendien de nabestaanden, die veelal onverschillig zijn, of de in schemer verkerende personen zelf. Door de tekst heen reflecteert Van Casteren bovendien op het wezen van zijn project. Dit zijn niet echt verrassende alinea’s.

Privacyschending is hoe dan ook afgedekt, wat ethische tegenwerpingen sneu maakt. Temeer daar de verhalen de constructie legitimeren dat mensen van vlees en bloed die nooit de media halen, helden zijn die postuum extra eer worden bewezen. De mensheid zal nog van mij horen dus. Geen voyeurisme maar erkenning van obsessief noterende mensen die blijkbaar gelezen willen worden. Toch typisch dat op het internet NDA in eerste instantie niet naar het Nederlands Dagboek Archief voert, maar naar een juridische term over vertrouwelijkheid van informatie: Non-Disclosure Agreement.

Bovenal profiteert De mensheid zal nog van mij horen van inspanningen door derden, vooral met dwaze details die plaatsvervangende schaamte niet laten concurreren met empathie maar met uitlachlust, leedvermaak. Ook vertelt Van Casteren de levens niet één voor één, maar afwisselend, in een dramatische opbouw. Hij maakt er muziek van, met bijbehorende snobistische kitsch onderstreept door de titels van zijn delen: crescendo, sostenuto, unisono en coda. Dit boek stinkt.

 

Werden mijn verwachtingen bij Van Casteren helaas dus bevestigd, Plooi u in tweeën stelt me voor verrassingen. Ik meende dat Joke van Leeuwen een succesvolle, veelbekroonde schrijver is met een jaloersmakend breed lezersbereik en een imposant netwerk, maar uit dit boek blijkt dat ze vooral tegengewerkt is. Het strekt zich wel slechts uit over pakweg haar eerste dertig levensjaren. Daarbij doet de ondertitel Een memoir voorbarig en bescheiden aan, vergeleken met wat de drie jaar oudere Christien Brinkgreve even tevoren zonder lidwoord publiceerde.

Toch neemt Van Leeuwen net als de sociologe maatschappelijke structuren onder vuur, zij het veel fragmentarischer. En als een subtiel, maar soms behagend formulerende ambachtsvrouw, met tempowisselingen en aandacht voor het geringste detail dat wetenschappelijk futiel zal zijn. In de sfeer van het Vergeetwoordenboek (1992), waaraan ze destijds meedeed en haar toekomstige boektitel al wist te ontfutselen. Doordat Van Leeuwen ook plaatjes en foto’s invoegt heeft Plooi u in tweeën iets van een kijkboek van de kunstenaar die ze ook is. De vergelijking met Mutsaers’ Kersenbloed en Zeepijn dringt zich op maar die kan Van Leeuwen, met alle respect, niet aan.

donderdag 4 juni 2026

Een hollende inflatie

 


 

 

Alweer een tijd geleden had ik een simultaanlezing. Er was iets aan Als de dieren van Lieselot Mariën waar ik geen vat op kreeg. Wat precies, dat bleek mij uit Het verhaal van mijn schaarste van Marieke Groen. Nu las ik razendsnel Beladen huis. Ik voelde me ongemakkelijk met welk een efficiency ik dat recente boek van Christien Brinkgreve behandelde. Omdat het een bestseller is? Bijna schuldbewust greep ik naar iets wat ik voor een snelle associatie hield maar dat in de titel echoot: het drie decennia oudere Gesloten huis van Nicolaas Matsier.

Al uit de achterflap diende de vergelijking zich aan. Bij Matsier strekt zich een tekst uit van een lengte die nu wat overdreven zou zijn. Vier alinea’s vol lange zinnen, alsof hier een openingshoofdstuk van een beetje roman wordt voorgepubliceerd! De slotalinea zou inmiddels kunnen volstaan voor op een omslag: ‘Gesloten huis is Nicolaas Matsiers eerste, autobiografische, roman. Een ontroerend, geestig en tot nadenken stemmend boek over ouderschap en kindzijn, over waanzin en rouw.’ Daaronder ogen ook de auteursgegevens eindeloos, omdat ze slechts uit titels bestaan, zonder nominatie- of prijsvermeldingen. Ze monden uit in irrelevant geworden poortwachtersinformaties: ‘Fragmenten van Gesloten huis verschenen eerder in het tijdschrift Tirade. Matsier is redacteur van Raster.’

We schrijven 1994, het jaar waarin ik ‘in boekvorm’ debuteerde.

 

Bedriegertje

Bij Brinkgreve weet ik niet of de achterflap de oorspronkelijke uitgeversintenties nog weergeeft. Ik raadpleegde de achtste druk, verschenen na vier maanden. Die geeft geen enkele informatie (meer?) over Beladen huis zelf, alleen een klein citaat uit de eerste pagina. Verder is de flap gevuld met vier loftuitingen van bekende lezers. Van hen houden Lotte Houwink ten Cate en Marli Huijer zich op aan de rand van literatuur. Als publieksacademici, net als de auteur zelf? Haar ondertitel luidt Memoir, zonder lidwoord, en laat zich gevoelsmatig combineren met de omslagafbeelding. Een schilderij door Brinkgreves Amerikaanse generatiegenoot Jim Holland van een nagenoeg lege kamer, met stoel, naar de muur gekeerd fotolijstje en scherpe schaduw door lichtinval: introspectie, geen sensatie. Het boek wordt afgesloten met een lijst secundaire literatuur.

Op Gesloten huis ontbreekt dus elke aanprijzing, terwijl ik toch de zevende druk raadpleegde (na elf maanden). De ondertitel Zelfportret met ouders rijmt met de omslagafbeelding Bedriegertje waarop de zeventiende-eeuwer Samuel van Hoogstraten nauwgezet losse voorwerpen toont. In die dubbele suggestie van kunstgenre plus aanpak ligt een andere, esthetischer ambitie. Brinkgreve en Matsier schelen maar vier jaar. Vanuit een andere levensfase gebruiken ze rouw – om respectievelijk een echtgenoot en ouders – als aanleiding voor een terugblik. Terwijl Gesloten huis daarbij echter unieke gebeurtenissen opvoert aan de hand van details op de locatie, schildert Beladen huis patronen die niet noodzakelijk bij de locatie horen en evengoed voor anderen toegankelijk zijn.

Brinkgreves terughoudendheid is gepast. Na haar twee zonen toont ook zij haar versie van Arend Jan van Voss. Als linkse intellectueel beseft ze tegenover hem een traditionele vrouwenrol te hebben gespeeld, die wat hem betreft nog dienender had mogen zijn. Zo is het boek ook het verslag van een ontluistering, ziet ze nu pas hoe inschikkelijk ze is geweest. Ze ontwaart het drama dat, terwijl zij nog volop en erkend in de wetenschap en publicistiek functioneert, manlief na pensionering zijn culturele topfuncties verliest en geen zinvol alternatief vindt. Ooit klaagde hij er al over, ‘een combinatie van lijden als het aan de gang is en heimwee wanneer het verleden tijd is geworden’.

donderdag 28 mei 2026

De fluogele vlinder

 

 

 

 

Ik ben de eerste lezer! Dat dacht ik met mijn slechte karakter dat af en toe naar de catalogus surfte om te kijken of de bundel al was uitgeleend. Nu verloste ik het uitbundig ontvangen Nachtatlas van deze maagdelijke staat. Het had iets koddigs dat ik aldus een handje toestak aan Peter Verhelst: ‘Voor zijn poëzie kreeg hij onder meer de Jan Campert-prijs, de Paul Snoekprijs, de Ida Gerhardt Poëzieprijs, de Awater Poëzieprijs, de Grote Poëzieprijs en driemaal de Herman de Coninckprijs. Voor zijn gehele oeuvre ontving hij de Constantijn Huygensprijs.’

Superieur aan deze achterflapopsomming is natuurlijk het achteloze ‘onder meer’. Het ademt een literair-historische logica die ik al eens probeerde te duiden. Nu wilde mijn gemoed gewoon rust. Door kennis te nemen, of beter: een gerucht te toetsen dat Verhelst zich in deze bundel bekreunde om apostrofes, een aanspreektechniek waar ik al een zwak voor heb sinds ik dacht van de onnozele promovendus-status af te moeten.

Inderdaad bevat Nachtatlas passages die het gerucht bekrachtigen. In de eerste afdeling mijn liefste ze spreekt zoals stilte heerst een soort gebod, dat ‘Zeg ja’ luidt. Even later klinkt dit een fractie dwingender: ‘Zeg: ja’. Iets later nog korter aan het eind van gedichten: ‘(…): ja’. De derde en laatste afdeling tegen het uitdoven van het licht is bijna helemaal gericht aan een ‘Gij.’ Vóór een schijn van heiligheid ontstaat, meld ik dat achter die aangesprokene uitlopende fenomenen schuilgaan.

Mijn ontspanningstochtje door de bundel, ongeveer spiegelbeeldig opgebouwd, had wel een maffe bijvangst. Uiteraard wist ik niet te ontkomen aan het geïsoleerde begingedicht, noch aan het dito slotgedicht. Ze heten respectievelijk L.S. en Envoi, titels die het apostrofische benadrukken. Maar de dominerende stijl van die gedichten maakt nog een dikke vakterm wakker: de anakoloet. Daar ben ik al gevoelig voor sinds Luceberts ‘maar mij het is blijkbaar is wanhopig (…) in een stem te sterven’.

Wel raakte ik zo, voor de verandering bij het begin beginnend, al tijdens de Verhelst-tocht op een dubbelspoor. In de eerste afdeling eindigt een gedicht al stamelend met ‘het kan toch niet dat we nooit?’. De tweede afdeling wil: ‘We staan op de oever en we.’ Een gedicht later: ‘We denken: we zijn doordrenkt en we.’ Wat te doen? Ik was en ben niet van plan een nagekomen recensie of zoiets te brouwen, maar toch.

Laat ik L.S. minstens integraal citeren:

 

Ik had je willen vragen om één keer,

als was het voor de laatste keer en dan

 

voor eeuwig niets

als zouden wij nooit meer dan nu, nooit eerder

 

heeft er iemand iemand zo gewild,

heeft iemand zo verlangd als was het

 

voor de eerste keer, net voor het niets begint

had ik je één keer willen vragen.

 

In distichons serveert Verhelst één lange, onvoltooide zin. Hetgeen de ik ‘had (…) willen vragen’, een grammaticale constructie die sowieso voorbehoud schept, blijft buiten zicht. De spreker lijkt meer bezig om uit te drukken wat precies gezegd moet en onderbreekt en corrigeert zichzelf steeds. Wel is er de suggestie dat het om iets definitiefs gaat, dus fouten komen niet van pas. En aangezien de titel traditioneel een onbekende lezer groet, brengt dit gedicht tegelijk een poëticaal statement.

Is dit echt nog Verhelst? Ik beken, na de gepolariseerde ontvangst van zijn vroegere werk, delen uit zijn uitdijende oeuvre te hebben gemist. Afgaand op deze acquitstoot rijst de indruk dat hij nieuwe lezers zoekt. Kan werken. Onlangs was ik bij een concert van Paul Simon, waar veel reclame was gemaakt voor diens superdrummer Steve Gadd. Menigeen ging inderdaad door de knieën maar de drums werden verzorgd door Matt Chamberlain die knap ongeveer als Gadd klonk.

Bij Verhelsts L.S. moet ik denken aan Remco Camperts Lamento, voor velen een hoogtepunt in de Nederlandse literatuur waar ik blijkbaar niets van heb begrepen. In dat lange gedicht is muziek, meer in het bijzonder de illusie van jazz, het leidende principe. Verhelst heeft minder woorden nodig, maar de pretentie dunkt me minstens zo groot. Juist omdat L.S. zo bescheiden is en in dezelfde beweging het onzegbare langs de achterkant alsnog meent binnen te halen.

De dichterlijke lat ligt hoog, zoals dat al jaren in het onderwijs heet. Maar de middelen waarvan de spreker zich bedient zijn bekend. Het definitieve dat in ‘niets’ zit – eerst zonder lidwoord, later met – krijgt gezelschap van ‘de laatste keer’ maar met een paradox evengoed van een ‘de eerste keer’. Een professionele stamelaar! Geen wonder dat deze op het slot van Nachtatlas een Envoi aanricht, waar ‘de laatste keer’ technisch mee wordt voltrokken:

 

Als de eerste zon na een lange winter zal ik altijd

in de hoge grassen en de fluogele vlinder en de mezen zal ik

altijd in de kat die zich ontrolt en zich uitrekt zal ik altijd

in je blik over de glinsterende, avondlijke zee zal ik altijd

zal ik wachten tot ook jij en de zee en de nacht zal ik altijd zal ik.

 

Het centrale beeld van de expanderende kat spiegelt voor poëticale lezertjes het gedicht als geheel. Ditmaal zonder witregels en veeleer met herhalingen dan met correcties spint deze zin zich uit. De vele voltooid werkwoorden en komma’s in L.S. zijn vervangen door ‘en’ en door adjectieven die hun beste tijd gehad hebben – de eerste regel lijkt wel te dollen met een cliché. En waar initieel eenmaal ‘eeuwig’ stond, repeteert ‘altijd’ heftig met een toekomende tijd.

Alleen het adjectief ‘fluogele’ ondermijnt de indruk dat dit een gedicht uit de vroege twintigste eeuw is. Toen schreef postuum Paul van Ostaijen het grandioze Melopee dat plots, mogelijk onbedoeld gereanimeerd door Verhelst, nog opener en moderner wordt. Pollekes slotvraag van weleer lijkt juist overbeantwoord. Dit Envoi bevat geen onvoltooide zin. De laatste vijf woorden suggereren al iets nieuws te beginnen.

Probeer het zelf! Of formuleer adequate prompts in AI, die deze toch wat plichtmatige regels moet kunnen benaderen. Beter nog kun je misschien eerst even naar de bibliotheek gaan. De ‘mijne’ heeft een poëziecollectie om u tegen te zeggen. Lezen en leren, dwepen en vloeken, verzamelen en selecteren. En dan beginnen en niet opgeven. En opsteken dat het nooit te laat is om opnieuw opnieuw te beginnen.