zaterdag 23 januari 2021

Sisaltouw



Meer nog dan poëzie kan een liedje mij totaal in bezit nemen. De afgelopen tijd was dat ‘All I Need’ van Jacob Collier, die op zijn manier, heel verstandig, aan social distancing deed door het nummer in een multi-instrumentale solo-uitvoering te brengen. 
Enigszins uitgeput probeerde ik homeopathie op me los te laten, door een liedje erbij te pakken dat volslagen onbenullig moest zijn: ‘Volare’, in de oorspronkelijke versie van Domenico Modugno. Mijn verlossingsdaad was bepaald hypothetisch, want het nummer is me grotendeels onbekend. 
Ik heb er nooit ongeveer gelijkluidende woorden bij verzonnen. In Per ongeluk expres vertelde Bianca Stigter eens over die kindermagie. De titel van haar tekstje ‘Lady Mondegreen’ ontleende ze aan de schrijfster Sylvia Wright die dit had begrepen uit ‘laid him on the green’. Als algemeen verbasterd voorbeeld nam Stigter ’Ma ma se, ma ma sa, ma ma coo sa’ van Michael Jackson. Nu zou ik daar vooral de non-significatieve poëzie van K3 in horen, maar destijds moet de variant ‘Mama appelsap’ logisch hebben geklonken. 
Bij ‘Volare’ verbaast me dat het in mijn hoofd bestond uit welgeteld de twee openingsregels van het refrein: ‘Volare, o, o / Cantare, o, o, o o’. Ligt het eraan dat dit songfestivalliedje, uit het eind van de jaren vijftig, zo ver voor mijn tijd was, dat mijn lichaam nooit behoefte heeft gehad tenminste het refrein met eigen taal te voltooien? 
Bizar vind ik te ontdekken dat twee regeltjes meer mijn wereld zouden hebben veranderd. Na de Volare-uitroepen volgen namelijk: 

Nel blu dipinto di blu
Felice di stare lassu 

Intertekstualiteit voor low culture! Bijna onmiddellijk kon ik die regeltjes, in een ander ritme en vooral met een afwijkende dictie, herleiden tot het liedje ‘Kathleen’ van Randy Newman. Ik draaide het veel in mijn puberteit en prevelde er graag op mee. Vooral deze passage, met onbegrijpelijke taal dus, die wel prompt werd verklaard: 

That means you love him 
And he loves you 

De moeilijkheid was alleen dat Newman daarna meer vreemde woorden zong, die geen toelichting kregen (en die evenmin door Mudugno werden voortgebracht): ‘Piu bel ci sono / Ci sei tu’. Voor dit raadsel had ik een praktische oplossing, die ik bij meer gelegenheden toepaste. 
Geen magische taal meer, zoals hier iets had gepast als ‘Poedel ziet zonen / Sisaltouw’. Deed ik dat niet omdat ik inmiddels met de tekst mee kon lezen, op de hoes van Little Criminals, de elpee die ‘Kathleen’ had ingesloten? Dan zou leesvaardigheid meteen een verlies zijn. 
Mijn oplossing was hoe dan ook: gewoon geen aandacht besteden aan mijn onbegrip. Wat stelden popteksten ook helemaal voor? ‘Kathleen’ bevatte al voldoende bedwelmende ingrediënten. Het liedje combineert op een aparte manier funk met blues, en Newmans structurerende pianoriffje is licht dissonant. Zoveel was sowieso duidelijk dat het titelpersonage aan het eind een Irish girl bleek, een fenomeen waar de ik-figuur altijd crazy op was geweest.
Klaar als een klontje! Ik wist niet dat Newman een dermate grote reputatie had in het scheppen van misverstanden dat de muzieksite Pitchfork hem niet heel lang geleden een compleet album, nummer per nummer, van verklaringen liet voorzien.
Heden valt me de curieuze ondertitel van het liedje op: Catholicism Made Easier. En dat de dipinto-woorden worden uitgesproken door een ‘old Spanish priest’ om een huwelijk te bekrachtigen tussen Kathleen en de ik-figuur. Het is na zo’n veertig jaar moeilijk een liedje te heropenen dat zelfs voor de welwillendste criticus nog altijd een vreemde eend in de bijt is. 
Voor Randy Newman, geboren in 1943, moet ‘Volare’ jeugdsentiment zijn geweest, toen hij er eind jaren zeventig in ‘Kathleen’ op hintte. Maar de liefde tussen het titelpersonage en zijn ik-figuur, daar is nooit iets van terechtgekomen. Niet heel gek, want die Spaanse priester had hen er ingeluisd. Hij sprak niet eens potjeslatijn, maar Italiaans, nadat hij naar het songfestival had gekeken. 
Hopelijk is het een troost dat zijn onopgehelderde woorden betekenden volgens GoogleTranslate: ‘Mooier zijn er / Je bent hier’. Wat heeft iemand nog meer nodig?

maandag 11 januari 2021

Groene cafeïnemannen

 

 

Mag het ophouden – het zich beroepen op een stem van iemand die er niet om vraagt? Zou het ook mogelijk zijn iets te doen of te vinden zonder extern beginsel, van marktonderzoek tot en met moral support?

Volgens mij zijn politici ermee begonnen. Ik kan me niet anders heugen dan dat er een fenomeen ten tonele werd gevoerd dat ‘de gewone man’ heette of, zoals Ivan Heylen zong, ‘de werkmens’. Maar terwijl deze persoon niet echt een interessante of minstens een te beschaven bron bleek, inspireert hij inmiddels als geen ander omdat hij zegt waar het op staat. Nou ja, in elk geval inspireert hij officieel.

Hij, ja, want tot nader genderneutraal order dit zijn mannen.

Van Dale leert me dat het Noord-Nederlands voor de voornaam van deze figuur erg vaak unisono is geweest: ‘Jan de loodgieter’, ’Jan met de pet’, ‘Jan Boezeroen’, ‘Jan Modaal’, ‘Jan Patat’, ‘Jan Publiek’, ‘Jan Rap en zijn maat’. In die zin deed Wilders aan innovatie toen hij met het personage ‘Henk’ op de proppen kwam – van Ingrid die zijn liefde voor Anja in de schaduw stelde.

Hoe gaat deze figuur door het leven in Vlaanderen? Als Piet, Jos, Sjarel? Deze drie schieten me mede te binnen omdat ze koosnaampjes zijn voor het mannelijk geslachtsdeel, dat in Noord-Nederland ook ‘Jan’ heet (en in Duitsland ‘Johannes’, niet te verwarren met Otto). Want uiteindelijk ervaar ik al die benamingen als verkapte scheldwoorden, samengevat onder de diplomatieke uitdrukking ‘Jan-met-de-korte-achternaam’, explicieter aangeduid als de ambachtsman Lul de Behanger.

Uit Marc De Costers Woordenboek van eufemismen en politiek correct taalgebruik (2001) blijkt dat dit onderbuikhoofdstuk een vracht aliassen herbergt: Zebedeus, Bello, Gerrit, Frederik. Mij bekruipt het gevoel dat de sprekers van zulke liefkozingen niet direct onder de gewone mannen te vinden zijn, maar veeleer onder Vindicat-prominenten en Reuzegommers.

Hetzelfde woordenboek openbaart dat dit hoofdstuk een Engelse pendant kent: Big Steve, Cecil, Charlie, Fritz, Giorgio, General Custer, Harry, Jack, Jean-Claude, John Thomas, Mickey, Tommy, Willy. De wereldberoemdste doorsneeburger ‘Joe Sixpack’ verwekt dus minder dubbelzinnigheid. Maar hij was evengoed een schepping, van Sarah Palin uit de tijd dat ze kandideerde voor het vicepresidentschap van Amerika. Haar superieur John McCain sprak liever van ‘Joe the Plumber’ en verwees daarmee naar een empirische persoon, een vrije jongen die zijn handen durfde te laten wapperen.

Raar of voorspelbaar dat dit soort stereotypen voortleeft?

Nog een anonimiserende manier om zich te verzekeren van spreekrecht namens een ongekende meerderheid biedt taal in, wederom, ‘de man’ gecombineerd met een locatie. Die kan gaan van ‘op de werkvloer’ tot in de straat’ (the guy next door). Onlangs voegde Lodewijk Asscher daar een spectaculaire plek aan toe, waar ik nochtans niemand over heb zien oreren.

Misschien was de PvdA-voorman door de toeslagenaffaire wat gespannen, toen hem de toch wat bizarre aanduiding de man in de fietsenstalling ontglipte. Ze is minstens apart. Bedoelde Asscher een kantoormedewerker bij de koffieautomaat, die in precoronatijden het hart op de tong had? Of iemand met ecologische aspiraties die de auto aan de kant heeft gezet en de trein pakt in combinatie met de barmhartig niet aan het bureau geparkeerde vouwfiets, over wie Japke-d.Bouma meer kennis heeft?

Hoewel Asscher hem wilde positioneren tegenover ‘de Haagse werkelijkheid’ en dus out of the box wilde denken, lijkt me ‘de man in de fietsenstalling’ een engerd, die ter plekke collega’s opwacht om dingen uit te proberen waar ik geen woorden voor wil zoeken. Want laten we elkaar geen Liesbeth noemen, of geen Mietje: bepaalde grensoverschrijdende experimenten horen nergens thuis, op de kap van wie ook voltrokken.

maandag 4 januari 2021

Pasta met tevredenheid

 

 

Vanwaar de gewoonte om rond een nieuw jaar lijstjes op te stellen? Voor wie zijn ze bedoeld? Ik ben vermoedelijk niet het type consument dat aanbevelingen volgt. Zeker ontbreekt het aan overzicht en autoriteit om mijn rangordes met onbekenden te delen.

Dus zwijg ik na de vakantie over mijn woord van het afgelopen jaar (‘mainstream’). Het is me niet eens gelukt te herinneren welke boeken ik zoal tot me nam in 2020. Dat zal mede komen door een coronabijwerking: bevoorrechtingsgewijs stond het jaar vooral in het teken van eindeloze diners, zwaar besproeid ook, zodat mijn vergeettalent extra prikkels kreeg en de uren nadien werden gevuld met films.

Wanneer ik al een auteur van het jaar moet uitroepen, dan kan dat dus alleen Yotam Ottolenghi zijn die wel literatuurwetenschapper is.

Veel belangrijker lijkt me de toekomst van het boek. En dan moeten schijnwerpers op het onderwijs waar een substantieel deel van leerlingen helaas onvoldoende leest en schrijft.

In de neerlandistiek is men lang in de ontkenning blijven hangen. Volgens mij was Thomas Vaessens de eerste die in Ongerijmd succes (2006) echt aandacht besteedde aan gewijzigde leesvaardigheid onder studenten, die hij monter tegemoet trad. Wel bevatte zijn boek allerlei losse paragraafjes en weetjes, een confettivorm die, achteraf, treffend heeft voorspeld in welke richting het lezen ging.

Tamelijk recent publiceerde Vaessens’ collega Geert Buelens De jaren zestig, een cultuurstudie waar ik naar had uitgekeken. Ze ging bij mij na honderd bladzijden terzijde omdat de confettivorm het betoog ondermijnde. Samen met een jofele toon zullen die lijstjes warm willen maken. Maar lezers zijn geen volgelingen. Buelens’ ontzagwekkend dikke studie verwekte interviews die bespreekarbeid moesten camoufleren, zodat er geen leesgesprek ontstond, wellicht wel verticale klassering als standaardwerk.

Om lezers te behouden moet je niet in hun plaats veronderstellen dat ze te dom zijn om voor de duvel te dansen. Ik beroep me voor die pertinentie op mijn ouderschapservaring – te veel kinderen lusten geen groente die ze nooit hebben geproefd.

Het was de televisiereeks Klassen die, in combinatie met de aflevering ‘Education’ uit Small Axes, me ervan overtuigde dat zich bij het lezen een standenmaatschappij heeft hervestigd (in België nog erger dan in Nederland). Ik maakte er een soort opiniestuk over, dat bij wijze van kerstoverweging de pater in mij ruim baan bood. Maar waar de laatstgenoemde diender zijn legitimatie hogerop zoekt, neig ik ertoe me tot de kudde te wenden.

Het boek als object blijkt namelijk als dusdanig verstoft te gelden, dat er een magisch jasje omheen is gedaan dat de inhoud heeft doen verdwijnen. In het onderwijs zijn boeken kennelijk elitair voor de competenties die in leerlingen worden gepropt en die de hekel aan het vak Nederlands tot grote hoogten opstuwt.

Daarom suggereerde ik poëzie bij alle vakken in het onderwijs te integreren. Een gedicht is in een mum van tijd samen gelezen en opent gesprekken over vocabulaire, ritme en klank – die niet meteen hoeven te gaan over de aanvaardbaarheid van de boodschap. Het kan evengoed specificaties bieden over wat ‘zakelijke taal’ en hergebruik behelzen.

De actuele toekenning van de P.C. Hooftprijs aan Alfred Schaffer kan bijvoorbeeld aanleiding zijn om spelenderwijs discoursen in zijn heterogene versregels bloot te leggen. De montagecyclus van Peter Verhelst over de N-VA maakt het mogelijk registers te onderscheiden en soorten populisme. Enz.

Literatuur is van ons allemaal, meen ik, die tijdens de feestdagen driemaal The Dead van James Joyce las, in het origineel (1914), in de vertaling van Rein Bloem (1968) en in die van Erik Bindervoet & Robbert-Jan Henkes (2016).

donderdag 17 december 2020

Nearly too much

 

 

Hoe je ze ook beoordeelt, Sunny Bergmans documentaires maken iets los. Haar jongste rolprent Oproerkraaiers doet dat evengoed, bij mij. In eerste instantie ving een taaldetail bij geportretteerde boeren mijn aandacht. Al namijmerend meen ik dat zij antagonisten verbeeldden tegenover een paar activisten die Bergman, met ontegenzeglijk meer sympathie, volgt om haar punt te maken.

Het idee is dat iemand soms wetten moet breken voor de goede zaak. Zo dient het controversiële individu uiteindelijk het belang van de gemeenschap. Schoolvoorbeeld is Rosa Parks, wier weigering in de bus op te staan voor witte reizigers in de Verenigde Staten de segregatie aan het wankelen bracht. Een terechte redenering, waarbij voor mij wel het feit ontbreekt dat Parks ook publicitair de juiste persoon op de juiste plaats was. De jongere Claudette Colvin ging haar immers voor maar werd minder geschikt bevonden om druk te zetten op de publieke opinie.

Dat de een kennelijk de ander niet is, merkte ik aan mijn reacties op Bergmans protagonisten. Voor Kick Off Zwarte Piet – door betrokkenen consequent KOZP genoemd – groeit mijn ‘respect’ naarmate hun geschiedenis en onverzettelijkheid scherper aan het licht komen.

De aanhalingstekens in de vorige zin willen een typisch woord markeren. Want aan KOZP, en aan al Bergmans activisten die zich niet op het milieu richten, viel op dat er een jargon gemeengoed wordt dat naturel lijkt. Naar analogie van het wetstratees noem ik het cultuurstudees. Mij trof al eerder dat mensen die eenvoudige, veelgebruikte termen niet kennen wel met de grootste vanzelfsprekendheid deftige, geïmporteerde strijdkreten in de mond nemen als ‘privilege’ en ‘objectiveren’.

Complexer leek de taal van een man die door Bergman als beroepsactivist werd gepresenteerd, niet alleen omdat hij na zijn alomtegenwoordigheid bij ethisch prangende regenten en bedrijven geen woning meer had, maar ook omdat hij kennis etaleerde van wetten en rechten. Zoals Louis Sévèke en Volkert van der Graaf? Hij vertoonde soms wel wat zelfspot. Vanwege zijn megafoon voor gebouwen deed hij met uiteindelijk het sterkst denken aan Wim de Bie als oud-leraar Duits.

Maar dat beweer ik natuurlijk vanuit mijn luie stoel. Als halve digibeet ervoer ik sowieso afstand tot de uiteenlopendste activisten omdat ze constant een smartphone in de aanslag hadden. Gelukkig liet die bevreemding onverlet dat ze me konden overtuigen met hun argumenten. Ronduit innemend en imposant vond ik een dierenbevrijdster, juist toen ze aan symboolpolitiek deed door zich in een kooitje op te sluiten, met het opschrift: ‘WORD VEGAN’.

Die imperatief had ik toevallig net aan studenten voorgelegd om het concept nudging te verklaren dat in dit geval de betwiste maar succesrijke frase ‘ELKE DONDERDAG VEGGIEDAG’ verbreidde. Plots wist ik dankzij de dierenbevrijdster weer waarom een pragmatische houding me ongemakkelijk stemt (nu nog mijn flexitarisme bijbuigen). Dankzij haar ontdekt ook Sunny Bergman iets: het eten dat ze haar protagonist in de kooi brengt, blijkt niet helemaal verantwoord en wordt afgewezen.

Die scène vormt de opmaat voor een aangrijpend moment in Oproerkraaiers: de regisseuse beseft dat ze voor de goede zaak van de identiteitspolitiek al jaren kwesties vergeet die evenmin futiel zijn. Naast dierenrechten gaat het dan om het milieu. Ik waande me terug in een studietje van een oude lul over millennials, waar aan het eind twee hoogopgeleide witte Nederlanders racistisch onrecht tot drie cijfers achter de komma vertolken nadat ze uit het vliegtuig naar Londen zijn gestapt.

woensdag 9 december 2020

Jeuk aan het achtervoegsel

 

 

Een lolly voor de boeren! Tijdens hun acties werden ze gefilmd door Sunny Bergman, die daar in haar documentaire Oproerkraaiers ook taalkundig verslag van deed. Aan verschillende protestgangers uit de sector, die in Nederland onder primair wordt gecategoriseerd en in België onder secundair, vroeg ze hoe ze betiteld wilden worden bij hun verzet tegen regeringsbeleid. Hun antwoord verraste me door zijn uniformiteit: ‘actievoerder’, en in geen geval ‘activist’.

Soms hoefde Bergman niet eens door te vragen op die pertinente keuze en hobbelde de verklaring er gratis achteraan: een ‘activist’ zou iemand zijn die geweld gebruikt en agressief is. Denkelijk ben ik volkomen wereldvreemd, maar nooit is deze betekenis door mijn hoofd gegaan. Ik geloof er ook niet in, wat makkelijk gezegd is voor mij: ik geloof wel in activisme én ben een watje.

Gevoelig voor en ondol op de jij-bak lijkt het me evenmin verhelderend om de protesterende boeren te confronteren met hun eigen gedrag dat gaande hun acties fysieker en destructiever oogde. Ik ben vooral geïnteresseerd hoe de afkeer van een activist rijmt met de knieval voor een actievoerder.

Intuïtieve verklaringen heb ik zo. Eén minuut bedenktijd levert woorden die op –ist eindigen en waarvan de bijklank ongunstig is: exhibitionist, extremist, narcist, opportunist, racist, seksist, terrorist, viezentist,…

Ik surfte naar Van Dale en werd gelogenstraft:

 

achtervoegsel waarmee van zelfstandige naamwoorden mannelijke persoonsnamen worden gevormd die betekenen: iem. met een beroep dat, een functie of bezigheid die in betrekking staat met het in het grondwoord bedoelde: bloemist, fagottist, fluitist, parachutist, slavist, telefonist, xylofonist

 

Lekker puh. Dat gebeurt er als je je beroept op een buikgevoel waarover je anderen gispt. Voordat ik het woordenboek wegklikte viel mijn blik op de tweede beschrijving van –ist:

 

achtervoegsel waarmee van uitheemse zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en eigennamen zelfstandige naamwoorden worden gevormd die betekenen: aanhanger van de door het grondwoord bedoelde persoon, beweging of overtuiging: abolitionist, actualist, adamist, annexionist, antinomist, behaviorist, calvinist, casualist, confessionalist, confucianist, empirist, federalist, gaullist, gülenist, marxist, militarist, neokapitalist, neorealist, platonist, radencommunist, staatscommunist

 

Die dekselse boeren! Met een dergelijk achtervoegsel zou hun kwestie van statuut veranderen. Aan de geloofwaardigheid van de laatstgenoemde voorbeeldmensen gaat namelijk een vraag vooraf: ben je het eens of niet met het principe dat hun bezigheden leidt? Dat maakt de betiteling ‘activist’ plots hopeloos kwetsbaar. Terwijl een ‘actievoerder’ een eerste indruk van redelijkheid biedt.

Omdat Van Dale bij dit achtervoegsel forfait geeft, moet ik weer een minuutje zelf nadenken. En kom op bewindvoerder, gezagvoerder, woordvoerder, zaakvoerder,… Geen dilettanten. Laat staan dat bij hen eigenbelang toepasselijk klinkt. Ze zijn veeleer tussenpersonen die een rustige vastheid aan de dag leggen, juist voor het algemeen belang.

Uit de literatuurgeschiedenis staat mij nu ook de explosie van ismen bij waarmee kunst aan het begin van de twintigste eeuw, soms al tijdens de Eerste Wereldoorlog, trachtte een alternatief te bieden voor de grafstemming en lamentabele onrechtvaardigheid die de tijd in petto had. Elk op hun manier beloofden die ismen omwentelingen, revoluties. Zij braken met iets.

Op individuen kon zoiets aantrekkingskracht uitoefenen, op grotere groepen allicht wat minder. Of de bal moest doorgespeeld naar de politiek, waar –ismen door massabewegingen naar de mallemoer werden geholpen: nazisme en communisme.

Dat het eerste een afkorting was van ‘nationaal-socialisme’ sleurt nog een overtuiging mee het moeras in. Al gebeurde het vertraagd, het is geen aanbeveling meer zichzelf ‘socialist’ te noemen. Door iedere associatie met dat etiket uit te bannen maakt Conner Rousseau zich belachelijk met de nieuwe naam Vooruit (die bovendien geen partij maar een beweging moet dekken), maar uit marketingtechnisch oogpunt neemt hij een verantwoord risico.

Bij al die beeldvormingsellende rond –isten zitten christendemocraten en liberalen er ineens maar comfortabeltjes bij. De groenen ook (mits ze zich geen ecologisten wanen). In mijn Nederlandse jeugd, net niet voor het begin van de jaartelling, was er een politieke partij die bestond uit mensen die zichzelf expliciet pacifist noemden. Met terugwerkende kracht wordt duidelijk waarom hun zelfs letterlijk vredelievende bedoelingen op zo onbegrijpelijk weinig medestand konden rekenen.

O, schijn van neutraliteit. Afgaand op Van Dale hadden pacifisten beter bloemist kunnen worden en vanuit die branche…? Nee, bloemenkinderen kregen evengoed van de geschiedenis op de bips. Ook is het afwachten wat de tijd doet met de cartoonist.

vrijdag 27 november 2020

Gewoon stante pede

  

 

 

Niet heel erg onverwacht desintegreert Forum voor Democratie, al verbaast de topsnelheid waarmee het gebeurt, nu partijleden eindelijk zich geshanghaaid weten. Alsnog wordt een haiku van Willem Schinkel bewaarheid:

 

Twitter. Gelukkig

legt iemand het allemaal

nog eens rustig uit.

 

Evenmin een verbindend effect sorteerde de spraakmakende open brief van Annabel Nanninga, die wel opmerkelijk was gestileerd voor een politica, een Eerste Kamerlid nog wel. Niet alleen was de taal expliciet, ze was ook soepel en retorisch. Nanninga’s belangrijkste stelling over FvD formuleerde ze bovendien in een traditie: ‘De rokende puinhopen van wat ooit de grootste partij van Nederland was, walmden onfrisse bruine dampen.

Net zoals Theo Francken een paar jaar terug in polemische nood, ent Nanninga zich op een beeld van Pim Fortuyn. Bij hem kleurden de puinhopen toen paars, bij de FvD een helaas gekend bruin dat zowel rookt, walmt als onfris is. Maar doordat Nanninga er de eigen gelederen mee benoemt, is de beschuldiging heftiger. Daarbij dringt zich wel de vraag of haar taal kan ontsnappen aan hetgeen ze anderen aanwrijft.

Die vraag lijkt een beetje guilt by association, omdat Nanninga nu eenmaal een bedenkelijke staat van dienst heeft bij het aanduiden van mensen met wie ze zich blijkbaar niet verwant voelt – haar excuus ‘humor’ valt niet te controleren zonder intentieprocessen te voeren.

Uit Nanninga’s open brief blijkt bijna onmiddellijk dat ze theatraal haar punt wil maken. De partij ‘hinkstapspringt’ volgens haar van begin af door de controverses. En inmiddels heeft ze, behalve natuurlijk op de weergaloos egomane Baudet, haar pijlen gericht op ‘nazistische relpubers’ die tot de JFVD behoren en wier leeftijd niet per definitie de sympathie van de partijleider geniet.

Die kwalificatie relpuber klinkt vertrouwd, maar erg oud is ze niet. Van oudsher kent het Nederlands de ‘relletjesmaker’ en de ‘relschopper/reltrapper’, en dankzij Reve de ‘relletjesvoyeur’, maar volgens mij is het pas sinds de brede verbreiding van het internet dat samenstellingen met ‘rel-‘ gemeengoed zijn. Van Dale voegde in oktober 2007 het lemma van de ‘reltoerist’ toe. Om diens scala van daden te dekken was de hooligan kennelijk te monomaan en beriep de ramptoerist zich nog op oude media.

Eén zin uit Nanninga’s open brief, gepubliceerd op dinsdag, bevat alle ingrediënten van theatraliteit. Ze blikt daarin terug op het zeer nabije verleden:

 

Een weekend waarin de partijleider liever de hele partij in de open haard flikkert, dan gewoon stante pede overgaat tot het uitroken, ontslaan en royeren van foute elementen.

 

Geen diplomatiek taalgebruik, zou mijn moedertje hebben gezegd. Maar in zekere zin is het dat juist wel, omdat Nanninga hier uitgekiend formuleert. Het ordinaire ‘flikkert’ strijdt tegen het deftige ‘royeren’, de polariteit ‘gewoon stante pede’ die strikt genomen helemaal overbodig is, het kopiëren van uitgerekend het linkse oerverwijt ‘fout’…

vrijdag 20 november 2020

Saillant

 

  

Gedienstig vul ik mijn bibliografie aan, wanneer er een nieuw stukje is verschenen. Tot zover veelal de ruchtbaarheid, maar onlangs gebeurde er tweemaal iets met teksten op Neerlandistiek.

Eerst schreef ik een lange beschouwing over De langste adem, het boek dat Arielle Veerman had gewijd aan haar voormalige echtgenoot Joost Zwagerman. Een onthutsend boek, omdat het verhaalt hoe het met manvrouwverhoudingen en met de cultuurindustrie gesteld is.

Mijn tekst ontlokte een wemeling van comments. Ze gingen zelden over mijn beweringen, noch over die van Veerman. Wel over de dichter Nijhoff, een overeenkomst die ik zelf veeleer zag als verschil – dat ik tot overmaat van ramp beroette door in een reactie te stellen dat Nijhoff door zijn collega’s werd gewaardeerd.

Ik bedoelde: Nijhoffs werk.

Unvollendet bleef nog een raadsel dat de comments opriepen: dat er over Zwagerman een biografie in de maak is. Uit het vele dat reeds over zijn privéleven naar buiten is gekomen blijkt immers dat hij vooral een kantoorleven leidde. Maar ook dat hij heel wat contacten onderhield –misschien wil de biografie een tijdsdocument worden?

Verder recenseerde ik uitgebreid (deel 1 - deel 2) de studie Dit is geen vrouwenboek van Corina Koolen. Daarover bleef het stil. Hoewel, van wat ik als niet-lid kon zien werd op de Facebook-account van Neerlandistiek geprotesteerd tegen de ‘racistische en validistische titel’ van mijn artikel.

Die titel luidde: ‘De beate mongoloïde glimlach van de wereld’. Tussen aanhalingstekens, want het betrof een citaat. En wel van een tekstfragment dat door een groot testpubliek van Koolen als hoog literair was ingeschaald. En waarover de literaire kritiek soortgelijk oordeelde.

De Facebookster zag dat, net als ik, kennelijk heel anders. Maar wat er racistisch is aan het citaat, ontgaat me. Dat steekt. Als witte persoon mag ik geen ervaringsdeskundigheid met racisme hebben, mij bekruipt wel degelijk verontwaardiging bij het zien van, actueel, de televisie-episode Mangrove, uit de reeks Small Axe door Steve McQueen.

Hoe zou de auteur van het citaat de racismediagnose van de Facebookster opvatten? De moeilijkheid was bovendien dat er een emoji achter stond van een boos of huilend gezichtje. Een plaatje in plaats van een argument voor een zware aantijging.

Er doemt nog een ethische hinderpaal op: hoe kan ik als niet-Facebooker mijn democratische recht gebruiken om te reageren? Ironischerwijs moest mijn recensie weer melding maken van de (door Koolen geraadpleegde) Lezeres des Vaderlands, die aan personen soortgelijke morele verwijten kon maken, zij het vanuit de anonimiteit. De naam van de Facebookster was gelukkig zichtbaar, maar onontkoombaar is dat ik haar ethische bezwaar evenmin kan beantwoorden, tenzij ik me aanmeld bij Facebook.

No way! In het publieke domein, onder het stuk, had ze haar kritiek toch ook kunnen uiten? En had elke burger desgewenst toch mee van gedachten kunnen wisselen?

Verder was het Facebook-commentaar voor mij nuttig omdat ik me moest inlezen in het tweede verwijt. Nu ik weet wat validisme inhoudt – ‘discriminatie, marginalisering en stigmatisering van mensen met een functiebeperking op grond van hun lichamelijke, verstandelijke en/of psychische gesteldheid’ – bespringen me twijfels. Doet het tweede bijvoeglijk naamwoord in mijn titel kwaad? Heb ik dat, door te citeren, verbreid? En zo ja, wat zijn de gevolgen voor literatuur van de Oudheid tot Morgen?

In de marge van haar studie gaf Corina Koolen enige leestips. Ik kende geen enkele titel. Dat tekort kon ik rationaliseren, omdat het volgens Koolen geen boeken zijn uit de hoogculturele niche. Toch hoop ik een ruime blik te hebben. Dus las ik alsnog de roman Marsepeinen vingers van Öznur Karaca, door Koolen aldus aangeprezen:

Dit is de meest ‘literaire’ van mijn selectie, want sterk geschreven en met een onderwerp dat zeer relevant is voor deze eeuw. Het verhaal is naargeestig en bevreemdend, over een Turkse migrantenfamilie in België die simpelweg probeert te overleven. Ik krijg het beeld van de marsepeinen vingers niet meer uit mijn hoofd. Voor de aanhangers van hoge literaire kwaliteit is dit werk van de Vlaamse auteur Karaca een om op het lijstje te zetten.

Het boek speelt grotendeels in Gent en heeft een gezichtspunt dat in laaglandse literatuur helaas nog altijd zeldzaam is. Na enige tientallen pagina’s komt de vaart er goed in en vertelt Karaca een gezinsrelaas dat tot nadenken stemt.

De literariteit die Koolen in Marsepeinen vingers ziet, proefde ik minder. Wel vertoonden de meest dramatische momenten in de tekst een herhaald procedé, waarbij de pijn als het ware verdeeld en doorleefd wordt door een personaal perspectief en ik-vertelling af te wisselen. Ook leerde ik een vakterm nadat een dominante moeder het zwijgen wordt opgelegd door ‘polaire vragen’.

Het belangrijkst aan Marsepeinen vingers dunkt me het wedervaren van een Turkse familie in een vreemde cultuur die makkelijk ‘de onze’ wordt genoemd. Zelf weet ik daar bar weinig van, zelfs niet uit lectuur. Ik vind de recensie-exemplaren niet meer die me lang geleden doorgegeven waren om, als stagiaire bij een kunstredactie, Halil Gür te interviewen. In mijn herinnering waren zijn verhalen basaler – Karaca kan ondanks de schrijnende toestanden een zeker vertelgenot niet onderdrukken.

Google Ngram maakt aanschouwelijk dat ‘migrant literature’ zich pas in 1986 in de collectieve taal nestelde en toen aan een klim onder de onwetenden begon.

In mijn bespreking sympathiseer ik met Koolens houding tegenover literatuur. Vond ik het al leuk dat ze met onconventionele leestips kwam, de aanleiding ertoe is nog leuker. De Groene Amsterdammer wijdde namelijk een nummer aan ‘de beste eenentwintig boeken van de eenentwintigste eeuw’ en op verzoek mochten stervelingen daar suggesties voor aandragen:

Onder de 81 respondenten waren er 34 vrouwen en 47 mannen. Saillant: een stuk of twintig mensen mailden terug zichzelf niet genoeg gekwalificeerd te vinden om een oordeel te vellen, omdat ze vonden dat ze niet genoeg hadden gelezen, of twijfelden aan hun overzicht van de contemporaine literatuur. In deze bescheiden groep zaten gerenommeerde schrijvers, recensenten, hoogleraren en uitgevers. Op twee na waren dit allemaal vrouwen.

De top 5 van superwinnaars was voorspelbaar: Sebald, Houellebecq, Cusk, Littel, Uphoff.

Des te geweldiger dus dat Koolen kwam aanzetten met Öznur Karaca. En met Vijftig tinten grijs als schoolvoorbeeld van fan fiction die dankzij het internet wordt voortgebracht. Het zal wel geheim blijven wat de andere respondenten bewoog. En de redactie? Tussen de autoriteiten stond Koolen vermeld als ‘Koole’.

dinsdag 10 november 2020

Sociale remediëring

 

 

Kunnen hoofdletters en uitroeptekens worden beschouwd als grafische statements met de kracht van een solo en ritmisch accenten? Het getwitter van Donald Trump zal ook na zijn verlies bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen voer voor discussie zijn. Naar mijn idee – maar ik ben geen kenner of ervaringsdeskundige – is hij voorbij de woorden aan het raken en wordt zijn kinderachtige verontwaardiging I WON THE ELECTIONS gestaag muziek.

Dat idee heeft in mij kunnen garen door de lectuur van Vuur en woede, het snackboek van Michael Wolff waarvan mij bijna niets is bijgebleven. Behalve dat Trump wordt opgevoerd als een radicale anti-intellectueel. ‘Genie’ is in zijn superlatievenrijke idioom een scheldwoord, net als ‘professor’. Trump liet zich er ook op voorstaan nooit een cursus te hebben gevolgd, een studieboek gekocht, een aantekening gemaakt.

In het verlengde daarvan presenteert Wolff hem als een niet-aflatende, incoherente improvisator. Dus valt het te begrijpen wanneer Trump vanuit een muziekbril wordt gekarakteriseerd: ‘Hij was jazz, alle anderen waren serieuze folk’. Maar toch, slik het maar als onbemiddelde liefhebber van het genre. Met meer begrip citeerde ik hier ooit Trumps antipode, de betreurde David Graeber, die tijdens Occupy jazz, beweeglijk als geen andere muziek, hét middel tegen de gevestigde orde achtte.

Trump is een guerrillastrijder, die van alle luxe is voorzien en als belangrijkste wapen een batterij advocaten heeft. In het essay ‘The White Negro’ (1957) duidde Norman Mailer het verschijnsel dat blanken hip, door jazz geïnspireerd taalgebruik van zwarte idolen imiteerden. Daar zat een net van projecties omheen gespannen, vermoedelijk net als toen, jaren later, in Frankrijk de zogeheten verlan, rederijkersachtige taal van de banlieus, ook door sommige gegoede blanken gesproken werd.

Maar wie projecteert precies wat? Na de winst van Joe Biden is al allerwegen gewaarschuwd voor het voortbestaan van sentimenten bij de ‘basket of deplorables’. Daarmee komt Trumps vorige tegenstander in het vizier, wier taal bij een LGBT for Hillary Gala allerminst jazzy oogde. Maar de context van het citaat wijst een andere richting uit dan het SO INSULTING gebrek aan empathie dat uitgerekend Trump haar aanwreef.

Jazz laat het moment bepalen en heeft plaats ingeruimd voor de herhaling. Betekent dit dat Trump per definitie een opportunist is met een plastic smaak? Wolff onthulde dat de reden waarom Trump graag naar McDonald’s gaat alvast niet heel erg voornaam was: het eten is daar tevoren in het groot bereid, dus kan hij als uitverkorene niet vergiftigd worden. NO WAY! STOP COOKING! ASPIRING TOWARDS TRANSITION!

zaterdag 31 oktober 2020

Thuisonderwijs

 

Met de Belgische lockdown terug in voege denk ik aan kinderen, die zich andermaal in de grootste bochten moeten wringen om de dag leefbaar door te komen. Mazzel voor degenen onder hen die als hobby lezen.

Het is me nooit helemaal duidelijk geworden of het taalkundig genie en de gourmande bevoordeeld zijn dat hun beide ouders beroepslezers zijn. Tegenover imitatietheorieën sta ik wat wantrouwig en mij zou het niet verbazen dat over het hele huis verspreide boeken agressie opwekken.

Veeleer geloof ik in de kracht van muziek, helend en waarlijk ‘verbindend’ en boven alles een bron van vertier. En misschien, hopelijk, een weg naar het ademloze lezen. Zo heb ik het docentschap van de grote Rein Bloem althans opgevat: hij schijnt teksten altijd te hebben gezongen.

Ergens moet dat idee hebben meegespeeld toen ik jaren geleden een speellijst ben gaan aanleggen van Nederlandstalige liedjes. Het eigenbelang stond dan wel voorop omdat ik in België een nieuwe traditie wou leren kennen, maar mij leek dat mijn dochters er evenveel plezier en kennis aan zouden ontlenen.

Dus zongen we minimaal elke woensdaglunch, als de wegkapitein van huis was, luid mee met de uiteenlopendste klassiekers in een taal die ongeveer de onze was. En ik weet niet of het daardoor komt dat het taalkundig genie een veellezer is geworden en de gourmande een muziekfanaat, maar de lol die we beleefden ‘pakt niemand ons nog af’.

Qua muziekgenres en boeken hebben we ook nooit getwijfeld over wat wel of niet geschikt is voor een bepaalde leeftijd. Zo luistert de gourmande zowel naar schlagers als naar avantgardejazz. En zo gaf ik onlangs aan het taalkundig genie, dertien jaar, Salman Rushdies Haroen en de zee van verhalen, in de vertaling van Marijke Emeis.

Ze heeft het nu bijna uit, vindt het sprookje fantastisch en wilde me al deelgenoot maken van een ontdekking. Na het horen daarvan ben ik extra trots, omdat ze er geen enkele moeite voor gedaan heeft en het lezen haar ‘iets extra’s heeft gebracht’ dat theoretisch een vorm van intertextualiteit zal zijn.

Het betreft een passage waarin de gruwelijk vals zingende Batchaet, bij Emeis Batsjiet geheten, een lied aanheft voor de prins, de oliedomme Bolo. In haar tekst hoort de papa van Haroen, dé bron van verhalen die bij Rushdie tijdelijk drooggelegd is, iets bekends wat hij niet meteen thuisbrengen kan. In het origineel staat er:

 

Oooh I’m talking ‘bout my Bolo

And I ain’t got no time for nothin’ else,

Lemme tell you ‘bout a boy I know,

He’s my Bolo and I love him so

 

He won’t play polo

He can’t fly solo,

Oo-wee but I love him true,

Our love will grow-lo,

I’ll never let him go-lo,

Got those waiting-for-my-Bolo

Blues

 

His name ain’t Rollo,

His voice ain’t low-lo

Uh-huh but I love him fine,

So stop the show-lo

Pay me what you owe-lo

I’m gonna make that Bolo

Mine.

 

Wat moet het Nederlands met deze bakvisserij? Marijke Emeis komt tot dit:

 

Wie maakt dat ik niets meer lust,

Wie verstoort mijn rust,

Ja, dat is Bolo,

Ja, dat is Bólo!

 

Waarom doe ik alles fout,

Ben ik warm of koud,

Dat komt door Bolo,

Dat komt door Bólo!

 

Bolo is mijn ideaal,

Grijze wambuis, rode sjaal,

Bruine ogen, donker haar,

Groot en knap en achttien jaar.

 

Bolo, Bolo, zie je niet,

Dat ik ziek ben van verdriet,

Boló, ik ben verliefd!!!

 

Toevallig beweerde ik twee weken nog met de grootste arrogantie dat ik een tekst een fractie eerder beluister dan dat ik hem zie. En het taalkundig genie beleefde hier exact hetzelfde. Dit hebben we, bij benadering, tijdens de lunches gezongen! Vanaf het begin is voor ons Emeis’ referentiepunt duidelijk: het liedje ‘Peter’ (1960) van Sweet Sixteen.

Extra treffend lijkt me dat de eminente vertaalster, geboren in 1943, zo zinspeelt op een klassieker uit haar jeugd. Mijn generatiegenoot Martin de Haan deed iets soortgelijks, door een liedje uit onze puberjaren in een Franse vertaling binnen te smokkelen.

Ieder zijn eigen taaltijd? Benieuwd wat corona dan oplevert. Online bestaat er al een woordenboek dat permanent kan worden aangevuld.

De bekendste vakterm, die overigens al bestond, is ‘huidhonger’. Mij moest het al van het hart dat ik er een beetje van begon te rillen, mede vanwege die inwendige alliteratie. Toen kon ik uiteraard niet bevroeden dat er iets klinkerders aankwam dat zelfs in de regelgeving van de lockdown opgenomen is: ‘knuffelcontact’.

‘Knuffel’ en zijn afleidingen hoorde voor mij, inmiddels onmogelijk oud, bij de kindertijd. Bijna zeker was het echter mijn geboortestadgenoot Ruud die aan het eind van de twintigste eeuw in Big Brother deze bezigheid tot een nationale sport voor alle leeftijden promoveerde. Dat lijkt het gebleven. Als ouder leerde ik bijvoorbeeld ‘de groepsknuffel’.

‘Contact’ heeft ook wat betekenisverandering doorstaan. Door een neoliberale bril ben je niks indien je niet netwerkt en medemensen als potentiële klanten en opkontjes ziet. Door de opkomst van de mobiele telefoon werd ‘contact’ bovendien een telefoonnummer met een e-mailadres bij een naam. Een gegevenscombinatie die je vervolgens ‘kwijt’ kon raken, wanneer het apparaat in de wc viel.

Ik wil maar zeggen: wat corona ook moge brengen, er zal zeker zoiets tussen zitten als zielzorg.

donderdag 22 oktober 2020

Dertien spijkers

 

Als Nederlander te Vlaanderen hoor ik al jaren verwardheid benoemen als ‘het Noorden kwijt zijn’. Dus niet meer weten waar de vijand te vinden is? En indien iemand een moreel verwerpelijk ding doet of zegt, heet het hier dat het ‘erover is’. Waarover, de landsgrens? En zo ja, welke?


Die vertaling van Bourdieu is toch maar mooi tot stand gekomen dankzij het Franse ministerie van Cultuur.

 

Ik hak je in emoties.

 

Herinner ik het me nu goed dat in Nederland verschil in porto werd gemaakt voor post in open dan wel gesloten enveloppen?

 

Het moet inderdaad wel apart zijn om zoals Dubravka Ugrešić, de Joegoslavische die tot Kroatische werd gebombardeerd, in Amsterdam een restaurant Lissabon te ontdekken dat Turkse specialiteiten serveert.

 

Haastig lezend door een slechte roman word ik verrast door mijn achternaam. O nee, het is het woord ‘kregelig’.

 

Dit was tenminste een politicus die de problemen durfde te benoemen bij hun voornaam.

 

Misschien is een wurgslang eigenlijk een knuffelbeer, wiens goede bedoelingen niet naar waarde worden geschat.

 

Ofschoon het overgeorganiseerde Nederland me vaak de keel heeft uitgehangen, ontroert het me te lezen dat het in 1972 als eerste natie nutsvoorzieningen gegeven heeft aan krakers. Dit dan wel om organisatorische redenen: elektriciteitsroof en brandgevaar.

 

De ervaring leert dat er iets faliekant is misgegaan wanneer een Vlaming beweert dat hij of zij ‘ook maar mijn best heb gedaan’. Maar dat concludeer ik inmiddels vanuit een luie stoel.

 

Zij was zo verdiept in het boek dat de steam of consciousness uit haar oren kwam.

 

De spellingscontrole geeft een waarschuwend rood kringeltje onder ‘maternalistisch’. Gegeven optie: ‘paternalistisch’. Wie programmeert dat ding?

 

Lang verstond ik ‘schijnbeweging’ als ‘schuimbeweging’. Misschien omdat Adèle Bloemendaal in die tijd een reclame had voor het chocolademerk Bros, waarin ze in bad met haar moeder belde. ‘Nee, daar zie je niks van’, riep ze vanuit een ondoorzichtige laag water.

woensdag 14 oktober 2020

Not ‘clever’ ones

 



In vakkringen was er al onenigheid over Begrijpend Lezen, maar nadat Arjen Lubach er een televisie-item aan wijdde zwollen de opinies aan. Daarbij slokte één ding alles op: de markeerstift.

Omdat de onderwijsontwikkeling dateert van na mijn schoolleven waarin een geodriehoek nog werd gebruikt als leesliniaal én flosser, moet ik telkens recapituleren wat er gaande is. Heden fluoresceren leerlingen ‘signaalwoorden’, opdat de tekst helderder raakt. Zelfs nu ik het opschrijf geloof ik die magie niet, mede omdat er allerlei taal wordt uitgesloten.

(Ik wil het epitheton ‘literair’ niet ijdel gebruiken en acht het denkbaar retorisch minder gewelddadig te zijn.)

Ik vraag me af of deze ontwikkeling samenhangt met economische wetmatigheden. Zonder van een militair-industrieel markercomplex te willen spreken – wanneer kwamen die dingen in de handel? En zetelden ze vervolgens in het woordenboek?

In ons huis noemt de twaalfde druk van Van Dale (1992) een markeerstift en verwijst door naar het synoniem accentueerstift. Bij dat lemma is er verlossing: ‘stift die een kleurige substantie bevat waarmee men bep. woorden of passages in boeken of geschriften kan releveren’.

Sikkeneurigheid! Waarschijnlijk zette deze auteur in kantlijnen een potloodstreepje.

In de huidige, digitale editie van Van Dale heeft markeerstift een eigen omschrijving: ‘brede viltstift die een fosforiserende [sic] inkt bevat, om tekstpassages te laten opvallen’. Er staat een ongeveer-gelijk-teken bij (≈), dat verwijst naar ‘accentueerstift’. Daar staat nu effen: ‘markeerstift’. Verder is er plaats ingeruimd voor de markeerpen, toegevoegd in oktober 2011.

Onze twintigste-eeuwse papieren Van Dale duchtte verengelsing niet want onthulde al de marker: ‘voorwerp dat iets markeert, dat extra aandacht op iets vestigt’. Dit kan van alles zijn, tot en met een kattenoog op de weg. Maar na de millenniumwisseling vernauwde de betekenis. Daar staat nog een toepassing bij:

 

permanent marker

stift met onuitwisbare inkt

alcoholstift

 

Dit vetgedrukte woord blijft beperkt tot België en werd toegevoegd in oktober 2013. Zijn broer heet fluostift. Het oogverblindende voorvoegsel bevolkt in den lande meer samenstellingen, zoals fluovest, bedacht na de gênante toename van auto’s waartegen zachte weggebruikers zich maar zelf moesten wapenen.

Betekenisvernauwing valt alleen te verklaren uit het aanbod van de markt. Op zijn beurt hangt dat samen met geplogenheden van de tijd.

donderdag 1 oktober 2020

Inzake bitches en beetjes

 




Waarschijnlijk is de formulering van Conner Rousseau op Instagram al duchtig becommentarieerd en zal dat terugketsen nog wel aanhouden. De voorzitter van de socialisten had zulke taal voorbereid door, voor de in amper 500 dagen al bijna geformeerde regering, een minister te voorspellen die ‘absoluut een bom’ zou zijn (loste in zijn eindboodschap de emoji van een biceps, niet te verwarren met het kakje, dat het meest in?). Ook mag zijn accountnaam niet onderschat worden. Wie zich op Instagram afficheert als kingkonnah, is de fameuze Hollywood-film uit de twintigste eeuw in alle opzichten voorbij. Deze naam is een communicatieprogrammapunt.

Ik wil maar zeggen dat Rousseau de wederkeer van Frank Vandenbroucke als minister in zekere zin treffend aankondigde: ‘He’s back, bitches.’ Hoe langer ik echter naar die vier woordjes keek, hoe mysterieuzer de aangesprokenen werden. Wie bedoelde Rousseau eigenlijk? Partijgenotes, onwillige tantes, stalksters? Journalistes, puristes, Erinyen? De geliefden van Arnold Schwarzenegger, Hepie en Hepie, vrouwelijke taalnazi’s?

Ten einde raad raadpleegde ik de Urban Dictionary, zonder verlost te worden. Tenzij het zou gaan om de laatste betekenis die deze online straattaalmarkeerder vooralsnog serveert: ‘Probably anyone who is reading this’. Met als voorbeeld: ‘Hey bitches!

Komisch dat Conner Rousseau, hoe hyperbewust ook, deze taal bezigt. Begin september verplichtte hij ‘nieuwkomers’ in Vlaanderen nog Nederlands te leren. Zo niet, dan konden die mensen van hem retour. Dit nieuwsfeitje was niet controversieel. Een ervaringsdeskundige viel het bij en van overheidswege is de ‘inspanningsverplichting’ voor het leren van Nederlands al lang aangescherpt tot een ‘resultaatsverbintenis’ – blijkbaar niet voor degene die dit zevenlettergrepig gedrocht verzon zonder sancties.

Het dossier is net opgerakeld door Knack dat enige meer of meer bekende nieuwe taalgebruikers aan het woord laat, vergezeld door inlandse deskundigen. De teneur is eensluidend: het is ondoenlijk om op latere leeftijd een onbekende taal perfect uit te spreken en Belgen geven zelf allerminst een onberispelijk voorbeeld terwijl ze zichzelf überalfa’s wanen. Zo verwijt de pot de ketel maar weer eens, bevestigt in het artikel Alona Lyubayeva:Veel Vlamingen gebruiken constant dialectwoorden, kappen woorden af, vervoegen werkwoorden verkeerd en spreken erg onverzorgd. Maar als ík eens een verkeerd lidwoord gebruik, heeft iedereen het gehoord.

Wat hoort men dan precies? Ooit gaf ik les aan Waalse studenten die gewend waren Nederlands te krijgen van Vlaamse collega’s. De eerste week staarden ze me bij mijn lipbewegingen aan alsof ik from outer space was. En ik sprak na jaren in den vreemde niet eens meer Nederlands-Nederlands! Andersom vertelde Sinan Çankaya, in een boek dat meer interessante informatie biedt, dat hij te Amsterdam wegens zijn Nijmeegse accent voor een Belg werd gehouden.

Ieder zijn code, ook in mijn vaderland? In Stephan Enters roman Pastorale staat dat Ambonezen de ‘vreemde eigenschap’ hadden geen ‘je’ of ‘me’ te zeggen maar ‘jij’ en ‘mij’, waardoor ze iets kregen ‘van een ouderwetse nieuwslezer’. Daarvan geeft de lopende spreektekst vele voorbeelden:”

 

‘Jij weet toch wel dat wij eerst in het kamp woonden?’

‘En wat heb jij dunne polsen’ [Roodkapje!]

‘Weet jij waarom ik hier ben?’

‘Het is prachtig, bedankt dat jij mij dit laat zien’

 

Ik meen uit een andere bron te hebben opgemaakt dat het je-jij-verschil verder verbreid is. Op het randje van geloofwaardig, zelfs met inachtneming van de suspension of disbelief, balanceerde voor mijn taalgevoel: ‘Excuseer jij mij’. Dat stileert Enter wel op dezelfde pagina als een ontboezeming van een Ambonees die me buiten de fictie, in elk land dat kolonies heeft gehad, waarheidsgetrouw dunkt: ‘Maar ik loop al meer dan tien jaar rond in dit dorp er is nooit één keer door een Hollander aan mij gevraagd hoe het met mij gaat, of hoe het mij hier bevalt.’ Pastorale is gesitueerd in de jaren tachtig van de twintigste eeuw.

Heden blijken in Vlaanderen de strenge eisen voor een Algemeen Beschaafd Nederlands vooral te worden gesteld door een oudere generatie, die nog taalcampagnes heeft meegemaakt, gevoerd in een tijd dat ik zo’n beetje geboren moest worden. Onlangs zag ik er op YouTube wat voorbeelden van en waande me in een prehistorie. Dezelfde sensatie bekroop me trouwens bij een ludiek protest tegen vooroordelen over hoe gekleurden spreken, in een dialectenverzameling die ‘viraal ging’. Onmenselijk virtuoos. Met terugwerkende kracht spraken wijlen mijn ouders – hoogopgeleid noch uit deftige familie – schier bekakt. Als schoolmeester betwijfel ik wel of dat ook betekent dat realiteitshalve dt-fouten voortaan ongecorrigeerd mogen blijven. Dat is immers schrijftaal, die ongetwijfeld meebeweegt met spreektaal.

Het blijkt al vreemd genoeg te lezen dat je je eigen oren niet kunt geloven. Ik las dat een unieke uitspraak die lang geleden een Nijmeegse tante tegen me deed, ‘En gie geleuft dat’, al werd gedaan door de overgrootmoeder van Marjoleine de Vos uit Harderwijk. Bovendien betrap ik me er steeds vaker op dat ik Nederlandse fictieprogramma’s op de televisie met ondertiteling bekijk, zoals ik dat op de BBC geneigd ben te doen. Niet dat ik er niks van kan volgen, maar ik wil me niet bovenmatig inspannen. Beter, ik wil een beetje ontspannen met taal. En op dat punt snap ik de verzuchtingen van nieuwkomers best. En misschien zelfs het patois van Conner Rousseau, de bitch.

vrijdag 25 september 2020

Van uw plaatselijke opportunist

 

 

 

 

Het is herfst en het origineelste debuut van het jaar is al verschenen. Uit een recensie begreep ik dat Lisa Huissoon met Alle mensen die ik ken een roman heeft gepubliceerd die bestaat uit voornamen op alfabet. Ze worden ter plekke toegelicht met korte en lange verhalen. Dat klinkt fijn! Weer een titel voor in mijn Te-Lezen-Bestand dat anderen misschien in Excel weten op te zetten of bucketlist noemen.

Een paar dagen na indaling van de recensie begon iets in mij zich te roeren. De critica had lof gehad voor de vorm die, door vermelding van andere namen in een verhaal, dwong tot sprongetjes voor- en achteruit in de tekst, spannend doorbladerwerk. Tegelijk ervoer ze twee bezwaren. Bij de namen was de grootte van het verhaal wel erg variabel en eigenlijk was ze bij de L al bladermoe geraakt.

Nog vóór de helft van het alfabet! Volgens de aftiteling telt het boek maar 231 bladzijden.

Het begon me dun door de broek te lopen. Al een paar jaar ben ik in de gelegenheid te werken aan De encyclopedieën van de val. Geweldig leerzaam om te doen, leuk ook, maar Huissoons roman past minstens driemaal in mijn huidige omvang. Bovendien zijn mijn dwarsverbanden niet expliciet en op een toegankelijke stijl ben ik nooit betrapt.

Waar ben ik in godsnaam mee bezig?

Minstens ben ik jaloers op Wikipedia, waar met één simpele klik op de muis lezers zichzelf van het ene lemma bij het andere kunnen brengen. Dienstverlening voor nieuwsgierigheid, voor de lenigheid van een geest. Wat kan stram papier daar tegenover stellen? Is het fenomeen e-book buigzamer?

Ik weet het weer eens niet. Behalve dan dat ik deze posting eens flink wil misbruiken door op mijn archiefblog een voorpublicatie uit De encyclopedieën van de val te simuleren. Nou ja, uit de versie september 2020 heb ik wat lemma’s geselecteerd die naar mijn indruk enige samenhang vertonen. Voor de totale lengte van die uitsnede durfde ik niet echt door te pakken. Ik stopte rond 4.000 woorden, waar serieuze tijdschriften zo’n beetje de finishlijn schijnen te leggen.

Bestaan er vervolgens misschien lezers op de virtuele aarde die me willen helpen? Door deze quasi-voorpublicatie eens door te nemen wanneer ze even niets (beters) te doen hebben? En onder aan deze posting, of in een e-mail, hun ervaring en verbeteringssuggesties te delen? Mijn dank zou immens zijn. Ook wil ik als leesproleet best een incentive schenken: wie dat wenst kan een lemma in de encyclopedie krijgen, met een eigen verhaal over een val.

dinsdag 15 september 2020

Blooping

  

 

Zoals je je kunt verstappen, zo kun je je verlezen. Een uitgekauwd voorbeeld is ‘bommelding’ – een woord dat sinds het personage van Marten Toonder nooit meer hetzelfde is geworden. Ik snap alleen niet dat die verlezing blijft domineren. Je kunt er kennelijk niet op trainen, terwijl er wel het een en ander met enkels en voeten zal zijn te doen waardoor het verstappen zelfs over eieren minder vaak gebeurt.

Een soortgelijk probleem heb ik bij ‘afdeklappen’, dat dus tot het eind van mijn tijden onopgelost zal blijven, alsof ik het elke keer voor het eerst tref. Dat verbaast me, hoewel ik me allerminst slimmer acht dan een ezel. Mij verbaast de koppigheid waarmee mijn lichaam steeds voorrang geeft aan de verkeerde betekenis. Alsof in het eend-konijnplaatje slechts één mogelijkheid telt.

Op de grens van verschrijven en verspreken bevindt zich voor mij de voornaam van Laurence Sternes legendarische hoofdpersoon uit de achttiende eeuw. Ik had ooit een wetenschappelijkachtig opstel al bijna ingestuurd toen ik ontdekte dat hij geen Tristan heette, maar Tristram. Er moet een legende zijn voorgedrongen die zo’n tien eeuwen ouder was; bovendien had zich in mijn omgeving een tijdschrift met die naam opgehouden. Toch verleent deze vanzelfsprekende verschrijving me een cultuurhistorisch cachet dat ik niet verdien. De titel van Sternes roman was ook eindeloos vaak mijn blik gepasseerd, ik had het boek gelezen, dus de verdringing van de correcte naam moet ultrakrachtig zijn geweest.

Het kan dat ik onbewust geen tongbreker wenste binnen te laten: spreek ‘Tristram’ maar eens netjes op zijn oer-Hollands uit en herhaal deze sport na een paar glazen alcohol. De naam past bij dit vroegexperimentele boek waar zelfs het voorwoord niet aan het begin staat. (Ad ten Bosch, die de vertaling uitgaf in 1990, heeft verteld dat boekhandelaren exemplaren terugstuurden, overtuigd misdrukken te hebben gekregen. Zelf was hij er ook maar over in kennis gesteld door de vertalers, aan wie hij zo praktisch was een computer cadeau te doen zodat de kans op zetfouten slonk.)

Recenter brak de punt van mijn rode potlood in Robbert Tilli’s boek Koos. Het verhaal van de manager van Herman Brood. De eerste ontmoeting met Nina Hagen werd gememoreerd: ‘Herman kon meteen goed met haar opschieten; er was echt een klik tussen die twee.’ Hoewel ik best geporteerd ben voor het idee dat de mens een koffer is, leek me hier dat het click moet zijn, in het vermoeden van een connectivity die eventueel met de linkermuisknop kan worden bevestigd. Toch gaf zowel de adviesdienst van Onze Taal als het Verwarwoordenboek van Jan Renkema geen uitsluitsel. En Van Dale blijkt pas in oktober 2018 het lemma click te hebben toegevoegd, met als verbijsterende uitleg: ‘klik3 (2)’. De muis voert vervolgens linea recta naar:

 

gevoel dat je bij elkaar past, op één lijn zit, echt contact met elkaar hebt

match

een klik hebben, voelen met iem.

 

Maar hoe zit het met verhaspelde afkortingen? Ik weet nog pijnlijk precies dat we een paar van die efficiënte dingen zelflerend moesten ontdekken op de lagere school. In een verhaaltje over een slang duidde ik de frase ‘m.a.w. hij’, na interpretatie en heroverweging, als ‘met aroma wilde hij’. Ik kon niet geloven dat dit niet klopte. En ‘aroma’ klonk ook beter dan ‘gif’. Wat een klotetaal!

Toch bereikten sindsdien een paar afkortingen me ongeschonden. Wel zijn er uiteraard heel wat bij gekomen, vooral door de digitalisering. En dan stoot ik me geregeld meermaals aan dezelfde steen, omdat de ontcijferingsarbeid andermaal links wordt gepasseerd door een lichaamseigen associatie, kennelijk uit mijn jongere jaren, die niet eens kán kloppen. Dit is ‘sterker dan mijzelf’.

Voorbeelden kan ik lastig geven, omdat ze telkens wegebben. Maar gelukkig vond ik op het web een lijst met afkortingen, waarop ik een paar angstgegners herontmoette:

 

Bff: bifiworst

Kmk: Kamer van Koophandel

Ntb: nota bene

Omg: Orchestral Manoeuvres in the Dark

Wtf: Wereldnatuurfonds

 

Erg vaak kruisen ze de race van mijn leven niet. Hoe anders vergaat het een afkorting, die in zakelijk e-mailverkeer schering en inslag lijkt: ifv. De betekenis ‘in functie van’ vergeet ik steevast, wellicht omdat me ontgaat wat doelmatig handelen is. Ondertussen vernaggelt mijn reflexverklaring zelfs de spelling van ‘in-vitrofertilisatie’.