Ooit waande ik zo betrapt in mijn ethische illusies toen Lelystad onder mijn ogen kwam, dat ik er
een heel stuk over schreef (nergens op mijn harde schijf terug te vinden). Dus
zou het een leugen zijn wanneer ik beweerde dat ik Joris van Casterens jongste boek
onbevangen tegemoet treed. Laat de wens dan ten minste de vader van die
gedachte zijn. Bij De mensheid zal nog
van mij horen. Stemmen uit het dagboekarchief verwijst de ondertitel naar het
NDA, een collectie van het
Meertens Instituut die door ruimtegebrek inmiddels berust in het Internationaal
Instituut voor Sociale Geschiedenis. Daar begon
Van Casteren als writer-in-residence.
Uit talloze dagboeken heeft hij er een handjevol
geselecteerd en intens droevige, zogeheten gewone, levensverhalen naverteld. Hij
citeert er ampel uit en de achterflap benoemt het eindresultaat: ‘het
waanzinnige leven van een mevrouw uit Hoofddorp die overvallen pleegt (…) een
homoseksuele storingsmonteur uit Limburg die in spiegelschrift verslag doet van
zijn uitspattingen (…) een KLM-purser die in Thailand kunstvoorwerpen steelt,
een overspelige vrouw van een VVD-politicus, een kunstenares uit Delden die bij
de Jeugdstorm zat, een vrome bouwvakker uit Zwolle die zijn buren begluurt, en
talloze anderen’.
Dit lijkt me Randstadvermaak, waarbij zij aangetekend dat bij
de VVD-politicus Van Casteren aan Frits Bolkestein een rolletje in de maag tracht
te splitsen. Ik ben geen grote fan van hem, maar dit heeft hij niet verdiend. Het
boek in zijn geheel exploiteert. Des te vreemder om niet alleen te ontdekken
dat De mensheid zal nog van mij horen op
de flap aanprijzingen kreeg van echte schrijvers, maar ook dat het ‘als enige
non-fictieboek op de shortlist van De Boon’ stond. Raf
Njotea rekende het zelfs tot de tien beste titels
van deze eeuw. Als zelfverklaard experimentator raakt het me dat het als
een nieuw genre wordt gepresenteerd.
Toch snap ik ergens wel waar die lof vandaan komt. Van
Casteren heeft
meegedeeld dat hij vijf jaar aan het boek heeft gewerkt, en dat het gefaseerd
tot stand kwam: ‘Van zestien personen heb ik alles gelezen, 114 dozen bij
elkaar, per doos gemiddeld twintig schriften. Per persoon maakte ik een
uittreksel van zeker dertigduizend woorden’. Inzake het ambachtelijke van de
onderneming rijst dus het beeld van een herculesarbeid.
Daarnaast bevat De
mensheid zal nog van mij horen een verantwoording waarin Van Casteren meldt
dat hij aan het contract van het NDA in overleg met het Meertens Instituut een
addendum heeft laten toevoegen, zodat hij de namen van zijn tragische
personages kan noemen. In het slotdeel bezoekt hij bovendien de nabestaanden, die
veelal onverschillig zijn, of de in schemer verkerende personen zelf. Door de
tekst heen reflecteert Van Casteren bovendien op het wezen van zijn project.
Dit zijn niet echt verrassende alinea’s.
Privacyschending is hoe dan ook afgedekt, wat ethische
tegenwerpingen sneu maakt. Temeer daar de verhalen de constructie legitimeren
dat mensen van vlees en bloed die nooit de media halen, helden zijn die postuum
extra eer worden bewezen. De mensheid zal
nog van mij horen dus. Geen voyeurisme maar erkenning van obsessief
noterende mensen die blijkbaar gelezen willen worden. Toch typisch dat op het
internet NDA in eerste instantie niet naar het Nederlands Dagboek Archief
voert, maar naar een juridische term over vertrouwelijkheid van informatie:
Non-Disclosure Agreement.
Bovenal profiteert De
mensheid zal nog van mij horen van inspanningen door derden, vooral met dwaze
details die plaatsvervangende schaamte niet laten concurreren met empathie maar
met uitlachlust, leedvermaak. Ook vertelt Van Casteren de levens niet één voor
één, maar afwisselend, in een dramatische opbouw. Hij maakt er muziek van, met
bijbehorende snobistische kitsch onderstreept door de titels van zijn delen: crescendo, sostenuto, unisono en coda. Dit boek stinkt.
Werden mijn
verwachtingen bij Van Casteren helaas dus bevestigd, Plooi u in tweeën stelt me voor verrassingen. Ik meende dat Joke
van Leeuwen een succesvolle, veelbekroonde schrijver is met een jaloersmakend
breed lezersbereik en een imposant netwerk, maar uit dit boek blijkt dat ze
vooral tegengewerkt is. Het strekt zich wel slechts uit over pakweg haar eerste
dertig levensjaren. Daarbij doet de ondertitel Een memoir voorbarig en bescheiden aan, vergeleken met wat de drie
jaar oudere Christien Brinkgreve even
tevoren zonder lidwoord publiceerde.
Toch neemt Van Leeuwen net als de sociologe maatschappelijke structuren onder vuur, zij het veel fragmentarischer. En als een subtiel, maar soms behagend formulerende ambachtsvrouw, met tempowisselingen en aandacht voor het geringste detail dat wetenschappelijk futiel zal zijn. In de sfeer van het Vergeetwoordenboek (1992), waaraan ze destijds meedeed en haar toekomstige boektitel al wist te ontfutselen. Doordat Van Leeuwen ook plaatjes en foto’s invoegt heeft Plooi u in tweeën iets van een kijkboek van de kunstenaar die ze ook is. De vergelijking met Mutsaers’ Kersenbloed en Zeepijn dringt zich op maar die kan Van Leeuwen, met alle respect, niet aan.

