zondag 18 augustus 2019

La douce




God kan wel inpakken. De voltooid toekomende tijd bestaat en bevindt zich in Frankrijk. Achteraf had ik dat kunnen weten uit het bruuske begin van Confessions, wanneer JJ Rousseau zegt dat zijn experiment ‘n’aura point d’imitateur’. Bij mij viel het kwartje pas deze zomer, op campingtoiletten. Waar ik me als Hollander meteen realiseerde dat een van de merkwaardigste taalverzoeken in het Vlaams vermoedelijk een gallicisme is. In België kunnen mails gewenste daden namelijk doodleuk binnensluizen met: ‘Bedankt om voor 8 april…’ In Noord-Nederland staat er dan: ‘Wilt u voor 8 april…’
Wc-aanplakbiljetten tijdens onze fietsreis begonnen steevast met: ‘Merci de…’ Het frequentst was de zekerheid het toilet in de hygiënische staat achter te laten waarin ik hem had aangetroffen, af en toe specificeerde het merci zich tot de garantie dat ik mijn kak ging wegschrobben.
Nu ik het daar toch over heb, in België treedt er geen herkenning op bij de vakterm remspoor. Wel behandel ik in lessen soms het in prototypisch Vlaams gestelde wc-verzoek, zoals ik dat las in een vakbondsgebouw: ‘Gelieve de toilet proper achter te laten en indien nodig de wc-borstel te gebruiken na uw toiletbezoek.
Zouden Fransen wat dat betreft heus explicieter zijn? Op campings heeft de vooruitgang het land bereikt. De kakgaten met voetblokken voor de ruiter zonder paard zijn aangevuld en vervangen door wc-potten. Nu nog de finishing touch. Op een municipal waar volgens de beheerder-ambtenaar iedereen zich familie van iedereen voelt, slenterde een man naar het sanitair blok met een glanzende blauwe bril over zijn schouder.



’s Avonds op de e-reader bladerend door De liedjes van Ome Willem, verzameld door Karel Eykman, ben ik, duizendmaal dit slot gehoord hebbend, totaal ontroerd en verbluft door de Epiloog, van de hand van Willem Wilmink:


Deze vuist op deze vuist,

deze vuist op deze vuist

deze vuist op deze vuist

en zo klim ik naar boven.



Deze vuist op deze vuist,

deze vuist op deze vuist

deze vuist op deze vuist

en zo klim ik naar boven.

Bijna Leopold! Vaak is beweerd dat men poëzie beter kan beluisteren dan op papier te consumeren. Ik heb dat altijd een beetje snobistisch gevonden en bovendien vermoed dat er een tegemoetkoming werd gedaan aan onwillige lezers. Maar ze was natuurlijk niet futiel – ten aanzien van de totaalervaring met gedichten in het algemeen. Na dit voorbeeld veeg ik echter mijn reet af aan die Ome Willem, ten gunste van zijn voornaamgenoot die achter deze tekst onzichtbaar bleef.
Op de andere e-reader doet zich nog een wonder voor: de gourmande is aan het lezen geslagen. Bijna negen had ze niets van haar oudere zus, die van jongs af boek na boek heeft verslonden. Ineens ligt ze in haar slaapzak op haar buik, gespannen turend naar het apparaat dat oplicht in de schemer en dat we haar moeten afnemen wil ze aan slapen toekomen. 
Aan haar eruditie rijgt ze achtereenvolgens Alleen op de wereld, Niels Holgersson en Kees de Jongen. Die titels heb ik opgeduikeld van de DBNL, waar de vertalingen en originelen van vroege makelij zijn. En dus in verouderde spelling. Haar zus (wie ze de betekenis van ‘enfin’ had gevraagd) maakte die al mee, de gourmande nu dus ook. Beiden signaleren slechts de soms afwijkende aanblik van bekende woorden, glunderend, als betreft het een opspringend haasje langs de weg. Hoe is Marita Mathijsen toch op het idee gekomen dat studenten tegenwoordig louter hertalingen aankunnen?
Misschien is de gourmande bevoordeeld. Ze ziet haar beide ouders veel lezen en deze hebben nog in de neerlandistiek gezeten. Maar dat was al even geleden, dus schijnen we geen recht van spreken te hebben.
Ik mag trots zijn dat er een lezertje geboren werd, die de tijd van Ome Willem niet kent. Sinds ze thuis is heeft ze wel geen tekst meer ingezien.



Bij aankomst stuiten wij op een mooi artikel, ‘Swap-bewoners’, door Pieter Lagerwaard. Het redeneert vanuit de stadsrage zich te abonneren op fietsen die bij elk mankement vervangen worden door een soortgelijk exemplaar, te herkennen aan een blauwe voorband. Daarbij is de idee uiteraard dat wanneer mensen geen andere relatie aangaan tot de dingen dan een tijdelijke, de band met de omgeving erg losjes wordt – de swap-fiets blijkt in Amsterdam te worden ingezet door hoogopgeleide kapitaalkrachtige kosmopolieten.
In Frankrijk werden we geconfronteerd met een verwante ontwikkeling: dorpen stromen leeg, winkels maken in het gunstigste geval plaats voor automaten. Na een velgbreuk op het platteland vertelden twee allervriendelijkste dames ons dat fietsenmakers louter nog in steden te vinden zijn. In dunbevolkte streken zijn er wel garagisten die naast auto’s en motors nu ook fietsen proberen te repareren. Daarnaast kan men bij de dichtstbijzijnde shopping mal (niet bij hun dependances die de achternaam Contact dragen) een nieuwe fiets kopen, sportief model.
Lagerwaards karakteristiek associeerde ik eerst met de beweging die vele vingers op smartphones maken, een gebaar van wegschuiven. Dit soort swap-fietsen bestaat immers bij de gratie van een digitale orde, een app of zoiets waarmee leden hun zaken regelen. Dus vond ik, hoogmoedig, ‘swaffel-bewoners’ een passender benaming. Maar swappen betekent iets anders, in een andere wereld.
Ook voel ik de opzichtige aandrang na om aan een schijnbaar nieuw fenomeen een neologisme te wijden. Het stuk Frankrijk dat wij befietsten ervoeren we als verveloos. Het landschap was onder het geweld van de zon vergeeld, zonnebloemen hielden hun kopjes omlaag. Bomen gaven ons in juli al herfstbladeren. De grote brede (La) Loire stond schandalig laag en op plekken zelfs droog, trouwens in tegenstelling tot het zijstroompje (Le) Loir. Over ontworteling gesproken! 
Zo hadden we Europa vorig jaar tijdens een langere Tour ook aangetroffen. En nu, na tien landen, weten we nog maar één type winkel dat op het platteland én in steden floreert: de pharmacie. Ik ken geen dieptepsychologisch gevolg voor deze observatie, over ziektes en zo, maar misbruik voor me eigen neologisme gretig de kleur van het traditionele beeldmerkkruis. Het ding is namelijk niet grasgroen, maar hulkgroen. Alleen, wie kent die knakker nog? Mon dieu.



Rectificatie
Minder zichtbaar dan in de tent heeft de gourmande in haar eigen bed inmiddels een hele Dik Trom gelezen, inclusief uitgestorven naamvallen.

zaterdag 6 juli 2019

Sonnettenraadsels



  
Vandaag publiceerde ik elders een essay over een van Luceberts beroemdste gedichten:

sonnet

ik
mij
ik
mij

mij
ik
mij
ik

ik
ik
mijn

mijn
mijn
ik

Mijn tekst is de uitgeschreven en herschikte versie van losse aantekeningen die ik had gemaakt voor een symposium over hoe Lucebert te lezen sinds een biografie en publiciteit schijnwerpers op zijn dweperige jeugdjaren hebben gericht. Ik verweefde er wat nagekomen ideetjes in, die de onder mijn ogen groeiende complexiteit van Luceberts gedicht, gebundeld in apocrief / de analphabetische naam (1952), haast inwreven.
In derde instantie liet ik de Duitse vertaling door Rosemarie Still onbesproken:

Sonett

Ich
Mich
Ich
Mich

Mich
Ich
Mich
Ich

Ich
Ich
Mein

Mein
Mein
Ich

Verder was er iets met mijn geheugen, dat me belette een latere Nederlandse variant aan te duiden. Nu mijn essay is gepubliceerd, weet ik weer welk gedicht ik op het oog had. Het is van K. Schippers en staat in de bundel Een klok en profil (1965):



Ik heb altijd gedacht dat dit een sonnet is. Alleen leek me dit een van mijn vele loze waarnemingen, want wat voegt dat toe aan welke betekenis? Wel grappig dat uitgerekend de zogenaamd barokke dichter Lucebert een minimaal aantal woorden heeft, terwijl de zogenaamd uitgespaarde Schippers er veel inkt voor nodig heeft en de basale sonnetvorm lichtjes verhult door het sextet niet te delen.
Wat surfwerk leert me dat hij die scheiding in zijn voorlopige verzamelbundel Een leeuwerik boven een weiland (1980) alsnog aanbracht. Althans in de editie uit 1996:



Dit kopieer ik uit een artikel dat deze versie van een lightversekalender plukte en dat andere komma’s ziet die minder lijken op donderkopjes.
Zo is op een rare, volgens mij ongewilde manier ook dit Schippers-gedicht met de jaren complexer geworden. Bovendien stelde het een oplossing in het vooruitzicht, die oorspronkelijk aldus ging:



De digitale versie van dit gedicht, en de bundel Een klok en profil in het geheel, op de DBNL heeft echter een veel profaner oplossing in petto, met louter heuse tekst:


De inhoudsopgave van de boekversie belooft bij bladzijde 31 keurig een komma. Maar zowel dit leesteken als dat zinnetje zijn in de digitale inhoudsopgave onvermeld gebleven. Nochtans geeft de DBNL-verantwoording wel een indicatie.
Heeft een medewerker van het prachtproject dus een grap uitgehaald, die maar niet ontdekt werd? Was het een suggestie van de dichter? En hoe komt het toch dat het sonnet te boek staat als oubollig en übertraditioneel? Zelf begon ik deze jaargang met een blogje waarin een, naar ik expliciet zei, ongekend vernieuwend sonnet van Jacob Groot werd aangeduid. Alles blijft kennelijk mogelijk. Later meer. 

donderdag 4 juli 2019

Oorsprongsmanie


  
Elk vogeltje heet te zingen zoals het gebekt is. Wat kan dan nog een probleem zijn?
Bij aanhoudende somberbuien, toegeschreven aan puristen (gallicisme), dat de Nederlandse taal ten prooi zou zijn gevallen aan verengseling (germanisme?), is er iets tegenstrijdigs gaande. Uitgerekend de dit jaar verschenen historische roman De advocaat van Holland heeft een werkwoordsconstructie die futuristisch oogt: ‘Oldenbarnevelt maakt zijn opmerkingen en hij neemt er de tijd voor. Als zij haast hebben, hij niet.’ Bij mijn weten klonk zo’n sprong van meervoud naar enkelvoud alleen in het Engels naturel, maar sinds pagina 135 van het boek, geschreven door Nicolaas Matsier, nu ook in het Nederlands.
(Bijzonder aan De advocaat van Holland vind ik verder dat elke alinea wordt omgord door wit. Alsof deze roman poëzie is. Maar van gedichten wordt steeds vaker gezegd dat ze voor een goed begrip beter kunnen klinken in plaats van in stilte geconsumeerd. Wel zou het vak begrijpend lezen juist geïntroduceerd zijn omdat hardop lezen geen notie van de tekst bleek te hebben gebracht.)
Terwijl in Nederland studenten liever ‘ik hou van je’ blijken te zingen dan ‘I love you’ omdat hun moedertaal diepste emoties beter laat vertolken, hoor ik in België mensen uit dezelfde leeftijdsgroep juist op hun gevoeligste moment gedecideerd Engels inzetten. Mijn vraag naar het waarom vinden ze nog net niet onnozel. Gelukkig geloof ik alles, omdat mij als emigrant besef van oorspronkelijk Nederlands is ontvallen. Het smeltkroes-idee, maar dan in taal. Logisch? Opnames uit 1959 laten Audrey Hepburn horen in een Nederlands dat voor mij veeleer Duits klinkt en simultaan doet vermoeden dat ze in een Engelstalige omgeving heeft verkeerd. Maar dat ze naar eigen zeggen een ‘opportuniteit gehad’ heeft, is voor hedendaags Nederlands onuitzonderlijk.
Reden te meer waarom ik niet goed weet of achter de aangehaalde studentengewoontes louter een oorspronkelijkheidsgedachte schuilgaat. Ergens hangt er iets als etiquette omheen. Men drapeert emoties. Dat kan uit effectbejag zijn, maar ik sluit niet uit dat taal hier een tijdgeest weerspiegelt. Dan zou men er niet meer aan kunnen ontkomen dat de verhoudingen anno 2019 om bepaalde taal vragen. Wat zou betekenen dat Nederland en België meer van elkaar verschillen dan vermoed. Twee tijdgeesten binnen een luttel aantal kilometers!
Ja, dit klinkt idioot, of desgewenst ideologisch. Toch kwamen er recent twee berichten op mijn radar die onbedoeld zo’n schisma openbaarden. De stad Gent, in het u-zeggend België, besloot om in correspondentie burgers voortaan te tutoyeren, terwijl boven de rivieren, alwaar god noch gebod anklang krijgt, Gökmen T. extra consternatie aanrichtte door de rechtbankvoorzitter aan te spreken met je en jou. Twee bewuste taalhandelingen, verschillende intenties – en gevolgen?
Hoe hoort het eigenlijk, Amy? Voor de kleurenkijkertjes onder ons, met die naam doel ik niet op de grootse zangeres Winehouse, en met de vraag niet op het televisieprogramma van Jort Kelder. Wel op een mevrouw die Groskamp-Ten Have heet en die een etiquetteboek schreef waarvan een vroege editie uit 1940, althans volgens Wikipedia, het volgende adviseerde:

Zij, die zich bevinden in een kamer waar iemand telefoneert, dienen uit bescheidenheid dit vertrek te verlaten, tenzij de telefoneerende persoon hen hiervan weerhoudt zeggende: blijf maar gerust. - Meerdere personen tezamen in een kamer waar iemand telefoneert, dienen zich op zachten toon met elkaar te onderhouden, teneinde den schijn te vermijden te luisteren.
Degene, die telefoneerend in een vertrek waar anderen zijn, luide van zijn schrik, ontsteltenis, verbazing of groote vreugde blijk geeft, zonder van plan te zijn de aanwezigen met een enkel woord omtrent de reden van deze gemoedsbeweging in te lichten, doet zich als onopgevoed kennen.

Men hoeft niet erg understatementeel zijn aangelegd om te begrijpen dat dit een andere tijd was. Tegelijk is het te makkelijk om beschavingsconclusies te trekken uit het gegeven dat er generaties opgroeien die niet alleen de zogeheten vaste telefoon nooit hebben gekend maar het ding ook met geen mogelijkheid weten te bedienen. Behalve dat dit belegen feiten zijn, heeft men varianten ervan in de eigen jeugd vast naar het hoofd geslingerd gekregen.
Sterker, van één van de eerste lessen op de universiteit herinner ik me de vrees die uitgesproken werd dat studenten van mijn lichting nooit sjoege van kunst zouden krijgen. ‘We’ hadden immers amper notie van wat er beschreven was in mythologie of Bijbel (de Koran was geen item). Met ‘ons’ zielige restje kennis zouden we tegenwoordig hypergeleerd zijn, al ontmoette ik onlangs iemand uit het beroepsonderwijs die moeiteloos elke Griekse god of godin thuisbracht.
Bovendien houdt de avant-gardist in mij van het zogeheten onbeschreven blad annex schone lei, ooit te koop onder het merk tabula rasa. Ik realiseer me dat weer sinds de gourmande hartverscheurend liedjes aan het zingen is die ze ontleent aan de televisieserie Like Me. Met mijn idioom bestempel ik ze als covers. Maar de gourmande kent ze uitsluitend als originelen, behalve stomtoevallig (door mijn indoctrinatie) ‘Ik ben blij dat ik je niet vergeten ben’ en ‘Het is weer voorbij die mooie zomer’.
Wanneer ik samen met haar zoek naar de oorspronkelijke uitvoeringen, zie ik in de clip van ‘Kon ik maar even bij je zijn’ dat Gordon lang blond permanent heeft gehad, in een bootje met een vrouw. Terwijl ik weet dat verwondering bij popmuziek hoort. Alleen al wat zangers in het Engels zingen versus wat je er van opvangt. ‘Walk on the wild side’ kon ik zelfs op volwassen leeftijd amper volgen en nu blijken alle daarin voorkomende personen overleden.
Ben ik internet bijna dagelijks dankbaar uitkomst te bieden bij de lyrics, het blijft verbazend dat J.J. Cales liedje ‘Magnolia’ opent met het woord ‘Whippoorwills’, dat verwijst naar een vogeltje. Nu ik het daar toch bijna over heb: uit een toelichting over het ontstaan van ‘Blackbird’ valt te snappen dat Paul McCartney de melodie al jong, samen met Lennon, speelde als rudimentaire samenvatting van een Bach-Bourée. En de tekst blijkt te gaan over segregatie in het Zuiden van de Verenigde Staten en in Zuid-Afrika.
‘You we’re only waiting for this moment to arrive’ is een bevrijdingsregel. Voor wie geloof hecht aan auteursintenties, uiteraard.

woensdag 26 juni 2019

Vervellen


  

Eerlijk gezegd vond ik het nog lang duren tot, na de beschamende verkiezingen, iemand op het idee kwam gewoon een nieuwe naam voor een verliezende partij te verzinnen. Grappig argument dat het in dit geval weer bijna twee decennia geleden was dat sp.a zo’n lumineus kunststukje had volbracht. In datzelfde jaar 2001 was het ook CD&V die zich als nieuw herpresenteerde. Groen volgde in 2003 (nog met een uitroepteken) en Open Vld in 2007.
Tussendoor moest Vlaams Belang in 2004 die naam aannemen, na de veroordeling wegens racisme van het Vlaams Blok.
Uiteraard is zo’n plastische chirurgie ook buiten de politiek schering en inslag. Bedrijven en scholen en musea, ze etaleren graag hun nieuwe logo, lettertype, een website, gebouw, een ‘onze missie’, enz. En spekken in eerste instantie de rebrandingsbranche.
De laatste jaren klinkt er een werkwoord dat volgens mij op deze praktijk wijst: ‘vervellen’. Het sloeg op slangen die een nieuwe huid krijgen, net als mensen indien ze te lang in de zon gezeten hebben. Of blootgesteld zijn aan een atoombom, waarvoor Hugo Claus op Nieuwjaardag 1962 waarschuwde met zijn lange performancegedicht Bericht aan de bevolking:

Is er daarna niets meer? Zullen schromelijk
Al onze oog- en tandloze kleinkinderen
Tot op hun zestien tenen vervellen?
Wààr ziet een blinde in het zwart van de nacht een lichter zwart?

Het vervellen is hier de uitkomst van een wetenschappelijk geperfectioneerd wapen. En bij slangen van een proces dat even fysisch is. Hopelijk wordt zo mijn simpele punt duidelijk dat rebranding aan den volke gelegitimeerd wil worden als een even authentieke als onontkoombare vorm van rijping. Imagokenners als artisanale alchemisten!
Ik moet bekennen hier toch met de handen in mijn niet bijster overvloedige haar te staan, omdat het idee van vernieuwing me dierbaar is, zij het als uitkomst van een experiment.
Zo begon ik enthousiast in Arie Storms Het laatste testament van Frans Kellendonk (2015) dat op de voorflap achteloos roman heet. Het geeft meteen een wending aan het genre van de biografie door, inderdaad als in een roman, aan het object zelf het woord te geven en daar de overwegingen en beslissingen tijdens het schrijven in te verwerken:

‘Kijk hem daar nou zitten, mijn biograaf. In het hart van de schepping heb ik een leemte ontdekt waar hij mooi in zou passen (…)’.

Fijn ook dat Storm hier het beroemdste Kellendonk-citaat geeft, waardoor de lezer wordt gecoiffeerd met de illusie een kenner te zijn. En anders dan gemiddelde biografieën is Storms boek dun, bevat het geen noten of secundaire literatuur en is de stijl bovengemiddeld.
Aangehaald begin richt de volgspot eerst op de biograaf, daarna op zijn object. Dat is eerlijk want passend voor wat in Het laatste testament van Frans Kellendonk gebeurt. Het boek vertelt minstens zozeer over Storm. Kellendonk betoont zich simultaan diens biograaf.
Misschien is die aanvulling nodig. De informatie over de persoon Kellendonk, de locaties en de beginnetjes met interpretaties van zijn oeuvre, gelukkig geen hogere inlegkunde, dragen weinig nieuws. Wel veerde ik telkens op als een zin of fragment mij terugleidde naar een roman, interview of beschouwing. Dit opveren vermoeide mijn oude spieren. Ik lees toch niet om het reeds bekende, laat staan om mezelf te complimenteren met een soort geheugen?
Storm schrijft dat hij al sinds zijn studie gegrepen is door de boeken van Kellendonk. Hij gebruikt diens posture om verwantschap uit te spreken, wederzijds. Een coproductie, waarin de beroemde auteur van ‘wij’ spreekt over de ontstaande tekst (dit woord krijgt als zijnde nepwetenschappelijk vertoon hoon). En zich afvraagt of die een dagboek is, memoires, een plakboek van herinneringen, een biografie, een autobiografie, een roman.
Kellendonk kiest voor testament, Storm dus voor roman.
Voor zover het boek al geen opzichtige constructie was, wordt het steeds gammeler. Steeds moet de asymmetrie als gelijkwaardig worden bijgewrikt. Zo kruisen van de twee schrijvers hun blikken elkaar ook letterlijk, in een boekwinkel. Alsof dat niet overduidelijk was, vertelt Storm deze anekdote in het waarschijnlijk nabokoviaans bedoeld nawoord nogmaals. Uit The Real Life of Sebastian Knight had hij voordien geciteerd:  ‘Ik ben Sebastian of Sebastian is mij, of misschien zijn we beiden iemand die we geen van tweeën kennen.’
Het schier geacheveerde nawoord dat culmineert in een pleidooi voor het wegcijferen van eigen belang, kan dienen als relativering omdat Storm door de romanconstructie Kellendonk frases in de mond heeft gelegd die deze, volgens mij, nooit zou gebruiken: van herinneringen die door hem heen flitsen, een droom die uit elkaar spat,…
Wel is de identificatie van Kellendonk met Storm een heel dappere truc. Ik ken onvoldoende boeken van de biograaf, maar vooralsnog ontgaat me de congenialiteit. Wel zijn er vanachter de rug van zijn Kellendonk-figuur aanvallen op giganten uit het actuele Amsterdamse literaire leven – en op een andere, kennelijk concurrerende biograaf.
Op de achterflap wordt Storm geprezen om zijn ‘radicaliteit van een kamikazepiloot’. Hoewel ik met radicaliteit sympathiseer, weet ik niet of kamikazepiloten het onder de leden hebben. In literair verband vind ik de aanprijzing dwaas, want voortkomend uit de biotoop waarop de piloot het heeft gemunt. De laatste tijd zijn me meer boeken onder ogen gekomen waarbij de opstand uiterlijke tekenen draagt, ‘diep van binnen’ conformistisch is en het narcisme van de macht streelt.
Voor mij gaat het boek over gestrande pogingen om de biografie van Frans Kellendonk te schrijven. Natuurlijk meldt dit type tekst dat ook, als een ‘project’ waaraan het ‘verrassend montere karakter’ van Arie Storm een draai heeft gegeven. In die pogingen tot recycling vervelde hij. Vernieuwend is dit mogelijk in het bewijs dat ‘roman’ geen restcategorie is. Welke genrenaam het wel verdient zou ik niet weten. Maar dat is uitgeefpolitiek.

woensdag 19 juni 2019

Verwensingsdrempel


Schelden is een kunst in permanente ontwikkeling. Uit mijn Nederlandse jeugd hebben alleen ‘klootzak’, ‘zeikerd’ en ‘idioot’ het overleefd. Laatstgenoemde zal een compromis zijn geweest, omdat ‘mongool’, ‘imbeciel’ en ‘(rand)debiel’ toen al beledigend werden geacht voor een kwetsbare groep. Het alternatief ‘hufter’ raakte in handen van sociologen om als verhuftering een trend bij de opgang van Pim Fortuyn te duiden. Toen ik naar België emigreerde was ‘halve zool’ in opkomst, waarvan kenners wisten dat het een verbastering uit de Rotterdamse haven was van asshole.
Ik stuurde mijn karretje even naar Memory Lane vanwege het nieuws, dat een geachte afgevaardigde uit het Vlaams parlement op Twitter een collega heeft bestempeld als ‘#viswijf’. Volgens mij spreek je dit uit als hesjtek viswijf. Bedoeld was Groen-leidster Meyrem Almaci, naar aanleiding van haar eedaflegging voor genoemd parlement waarbij ze bewust had toegevoegd te zullen opkomen voor de universele rechten van de mens. De geachte afgevaardigde die haar vervolgens met de hesjtek had gelauwerd, behoort tot het Vlaams Belang.
Op Memory Lane kreeg ik zelf ooit een verbod het woord ‘viswijf’ te gebruiken. Niet dat ik dit gedaan had, maar mijn ouders vonden preventie hier belangrijk. Het ging volgens hen niet eens om schelden. Het woord drukte verachting uit. Mij staat niet bij dat er een punt van werd gemaakt dat het alleen op vrouwen sloeg. Dat ik me het verbod nog herinner, zegt iets over de impact die het begrip voor mij had. In hun vakbijbel Dat boek met die kuttitel. Schelden & vloeken in het Nederlands, een cursus voor beginners en gevorderden (2015) citeren Bindervoet & Henkes een evenmin onpregnant lied dat destijds door Ajax-supporters aan mijn favoriete club werd gewijd en waarvan me niets bijstaat:

Ze zijn zwart, ze zijn geel
Ze zijn homoseksueel

Ik schijt op NAC
Jij schijt op NAC
Hij schijt op NAC
Wij schijten allemaal op NAC NAC NAC NAC NAC NAC NAC

Wat draagt ‘viswijf’ in zich dat het wel een onvergetelijke indruk maakt? Om in voetbaltermen te blijven, het woord degradeert een mens. Die wordt een gebruiksvoorwerp, niet voor niets aangeduid met een onzijdig woord. Ik ben zelden overtuigd van het gebruiksnut van ‘objectiveren’, maar hier is die term inzichtelijk. Volgens mij kleven er aan ‘viswijf’ bovendien associaties die het woord extra beledigend maken: niet-aflatend schreeuwen, markt en vrijhandel, stinkende seks. Het woord klinkt zelfs onsmakelijker dan in collega-talen: fishwife, poissarde/harengère, Marktweib, verdulera/rabanera, pescivendola/lavandaia.
Ik raadpleeg beter het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Dat onthult niet alleen het bestaan van de Friese variant ‘fiskfrelle’, ook heeft ‘vischwijf’ uiteraard een verbluffend aantal voorbeeldcitaten uit de geschiedenis (‘Michelangelo kon als een viswijf te keer gaan’). Toch opent het lemma met het feit dat het woord neutraal begonnen is aan zijn loopbaan en toen duidde op een kleinhandelaarster in vis. Vervolgens meldt het Woordenboek echter dat ‘viswijf’ niet meer bekend is ‘zonder ongunstige bijbeteekenis’, van onbeschaafdheid en grofheid tot praten met nare woorden op een onaangename toon (‘kijven’).
De geachte afgevaardigde van het Vlaams Belang vindt Meyrem Almaci met haar verwijzing naar de mensenrechten derhalve onfatsoenlijk én taalarm. Maar in zijn argumentatie om tot dat oordeel te komen, deed hij iets opmerkelijks. Hij vergat een persoonlijk voornaam woord. ‘Help. Daar gaan weer’, twitterde de geachte afgevaardigde namelijk. Ik vermoed dat er ‘we’ ontbrak. Omdat hij toch al entre nous was? Het idee was waarschijnlijk dat linkse politici zoals Meyrem Almaci moraliseren, preken, deugden opleggen aan onschuldige derden, terwijl ze zich in hun dagelijks leven geen snars beter gedragen en al bij al dus ‘hypocriet’ zijn.
Hier ontstaat een drama dat komisch zou zijn wanneer de aanleiding niet zo triest was geweest. Op de door Almaci ingeroepen Verklaring van de Universele Rechten van de Mens (1948) is inderdaad kritiek gekomen dat ze een exclusief westers standpunt huldigde. Omgekeerd heeft het Vlaams Belang er een specialiteit van gemaakt mensen met een migratieachtergrond te verdenken van alles wat vies en voos is. Door iemand die welbewust een Belgisch en Turks paspoort heeft een oer-Nederlandse kwalificatie te geven ontstaat er tegenspraak met de partijbeginselen. De geachte afgevaardigde bezondigt zich vanuit dat perspectief aan inclusief taalgebruik.
Mij lijkt hesjtek viswijf inmiddels onwillekeurig ook een nodeloos gecodeerde aanduiding voor de ultieme lekkernij in Memory Lane die ‘visstick’ heette. Maar daarmee kom ik op een ander specialisme van Bindervoet & Henkes. Misschien valt er uit hun vakbijbel in eerste instantie hoop te putten dat betekenissen veranderen. Bindervoet & Henkes berichten in hun lemma ‘uitzuiger’ bijvoorbeeld dat de vanzelfsprekendheden van het kapitalisme een andere waardering voor die toch niet minne term hebben opgeleverd: ‘vroeger een scheldwoord, nu een rolmodel’.