Toevallig komt me
het gedicht ‘Toch niet helemaal’ van Judith Herzberg onder ogen:
Je lijdt, tijdens het lezen al
onder het naderhand vergeten.
Terwijl je ieder woord
en elke zin verinnerlijken wilt
verglijdt de hele bladzij
verdwijnt, zodra je omslaat;
en laat wat je daarnet
nog ijverig bewonderde
op slag verhongerd na.
Het klinkt
hopeloos snobistisch, maar ik raakte al in de war door de eerste komma. Niets
te vroeg, in elk geval! Mijn idee was dat die komma een tweede forceerde, aan het
eind van de regel. Maar daar staat geen leesteken. Kennelijk heeft de nieuwe
regel dat overbodig gemaakt. Even verderop zie ik dat ook gebeuren. Officieel hoort er tussen ‘wilt’ en ‘verglijdt’ een komma,
maar dat wordt onnodig door die positie aan de rand – die al voor een minieme
pauze zorgt.
Uiteraard kan men
beweren: dit is poëzie, dus waarom zou er een grammaticale voorschrift worden
gevolgd, of zou er sprake moeten zijn van consequentheid of zelfs logica? Ik
vrees dat ik toch zo’n onsensationele lezer ben die zonder sociale media al begint te verklaren vanuit een routineparanoia: losse elementen met elkaar in verband
(proberen te) brengen. Dan komt het leuk uit dat het gedicht als geheel over
een verlies van duiding of grip nadenkt.
Leuk is volgens
mij niet de kwalificatie voor een verschil in leesverwachtingen dat ik onderken tussen mijn gewoontes en
die in het gedicht staan beschreven. Bij Herzberg draait het om
‘verinnerlijken’, terwijl ik niet eens met zekerheid durf te beweren dat ik een
innerlijk héb. Veeleer een sensorische lastpak die laat weten wanneer iets weer
onhelder is.
Zoals wat er na ‘de
hele bladzij’ gebeurt. Indien de rechtermarge opnieuw een komma zou hebben opgeslokt
(samen met de reguliere uitgang ‘-de’ van het genoemde vel papier), dan is ‘verdwijnt’
op de volgende regel een variant van ‘verglijdt’ op de vorige regel. Het vervangt
dat werkwoord zelfs, kortheidshalve ditmaal zonder nog het object van die
bladzijde te vermelden. Maar dat maakt de komma die dan meteen opduikt erg
abrupt.
Ik ben opgegroeid
met het schrijven
is schrappen-dogma en voel daarom meer er een apokoinou
te lezen. Daardoor valt het gedicht hier als een leporello uit te vouwen: verglijdt de hele bladzij, de hele bladzij
verdwijnt. Dan is de komma voldoende gestut voor de cruciale handeling in
Herzbergs gedicht: het omslaan van de pagina. Wat er daarna geschiedt, kan ze
slechts aanduiden met het voorlopigste leesteken aller tijden, de puntkomma.
Tegen de
gewraakte grammaticaregels zondigt Herzberg daarna. Haar vervolgzin doet net
alsof er een komma had gestaan! Ze miskent de interpunctionele breuk die noopt
tot een formulering zonder ‘en’. Zoiets als: ‘je laat wat je (…)’. Bovendien suggereert
de dichter dat ze niet in het schrijven-is-schrappen-dogma gelooft: ‘daarnet
nog’ en ‘op slag’ zijn hier feitelijk te veel. Maar feiten doen
er niet toe in de topsport.
Verder snap ik uit
het slotakkoord na de puntkomma het werkwoord ’bewonderen’ niet, dat op het verinnerlijkend
lezen slaat. Volgens mij kun je idolen (tegenwoordig: iconen) bewonderen, maar geen gewoontes
met goddelijke implicaties. In combinatie met het bijvoeglijk naamwoord ‘ijverig’
ontstaat er veeleer een reflexmatig enthousiasme, zoals misschien aanwezig in
lichamen van socialemedia-gebruikers wanneer ze hartjes en duimpjes placeren: neoliberale
gelovigen.
Tet slot is er in
de laatste zin natuurlijk het ongrijpbare ‘verhongerd’, dat in combinatie met
lezen naar geestelijke armoede hint. In Vlaanderen leerde ik de uitdrukking ‘op zijn honger
blijven zitten’. Dan moet iedere diepere betekenis, wat dat ook moge zijn,
nog de revue passeren. Herzbergs begrip kan ook letterlijk wijzen op het geknor
in de maag, nadat je zo geconcentreerd hebt gelezen dat je de tijd uit het oog
bent verloren.
In termen van duiding
of grip kampt een lezer hier toch sterker met de fameuze aartsvijand Alzi – dementie
die het ouder worden bedreigt. Waarmee het gedicht een biografisch perspectief
openlegt. Maar toen Herzberg dit publiceerde, in 2013 in de bundel Liever brieven (oplage 155.000
exemplaren!), was ze nog geen tachtig, dus niet erg oud voor een vrouw. En voor
zover er twijfel bestond, toonde het recente interview
met Heerma van Voss nog altijd een scherpe geest.
Het Nederlands,
wat dat ook moge zijn, spreekt van oudsher van ‘de bladzij omslaan’ en in dezelfde
beweging later van ’de pagina’. Het Vlaams neigt naar ‘omdraaien’. En dat voor
de cruciale actie in het gedicht, waarmee volgens de taal een verleden moet
worden begraven. Om te kunnen vergeten, waar Alzi juist zo pijnlijk goed in is.
Tussen ‘lezen’ en ‘leven’ zit dan ook niet heel veel verschil in ons
dieventaaltje. Vallen ze daarbuiten dan samen? Toch niet helemaal.

