Nu het
grote geld een keer niet heeft gewonnen wil ik vanuit de hobbyhoek, jaren na dato, eens een vergelijkend warenonderzoekje doen. Mijn
test gaat over hoe twee literatoren deelnemen aan het publieke debat, ook wel ‘de
ideeënmarkt’. Aanleiding zijn hun recente bundelingen, verzameld van hetzelfde podium:
de Vlaamse krant De Morgen. Maud
Vanhauwaert stond er op de voorpagina, Ilja Leonard Pfeijffer op de
opiniepagina. Hun boeken heten respectievelijk Leven in Mootjes en Absolute
democratie. De verschillen lijken meteen enorm.
In Absolute democratie,
waarin hij meermaals het begrip ‘visie’ gebruikt, bekent Ilja Leonard Pfeijffer
zich als extreemlinks en ziet hij ‘het kapitalisme’ terecht als dé oorzaak van
de tergende ellende die onze wereld bezoekt. Hij zette zijn onderneming
nochtans adembenemend lucratief op, in de geest van zijn geboortenatie die het
waagde te reppen van een Gouden Eeuw. Aan de Belgen wist Pfeijffer pontificaal politieke
columns van minstens 1500 woorden over het complete wereldgebeuren te slijten die
hij twee jaar lang tweewekelijks schreef. Welk een inkomsten, en na ongetwijfeld
goed in de markt gezette
bundeling nogmaals!
Maud Vanhauwaert
onderkent als West-Vlaamse weliswaar de prototypische commerçant in zichzelf,
maar haar teksten zijn bescheiden. Ze tellen nooit meer dan 200 woorden.
Enerzijds zal die geringe omvang te maken hebben met de voorpagina, anderzijds
onttrekt Vanhauwaert zich expliciet aan meningengewoel. Ze verklaart niet links
of rechts te zijn, geen ‘hokjes’ te erkennen. Geloofwaardig is haar bekentenis nooit aan prides te hebben meegedaan én, fascinerend, als lesbische moeder gaandeweg
de noodzaak in te zien een queer-positie te verdedigen.
Bijzinnen
Bewust houdt
Vanhauwaert, in de krant op dezelfde plaats als waar Bernard Dewulf dat deed, haar wereld klein. Meer mensen dan twee
kinderen en haar geliefde duiken zelden op, naast sporadisch een ouder of een
vriendin. Als het niet zo denigrerend en determinerend zou
klinken, had ik zonder voorbehoud gezegd dat ze huis-, tuin- en keukenstukken schrijft.
Het contrast met Pfeijffer is
in elk geval groot. Diens beweringen strekken zich uit over landsgrenzen en
tijden – van hier en nu tot de Oudheid. Wanneer hij spreekt over ‘Stella’,
veronderstelt hij als evident dat lezers zijn privésituatie kennen, om die te
extrapoleren naar de wereldpolitiek. Het is moeilijk voorstelbaar dat Pfeijffer
zou vertellen dat hij een gat in de muur boort of een aardappel schilt. Daar
zal personeel voor ontworpen zijn alsmede restaurants, in de openbaarheid
waarvan hij desgewenst audiëntie verleent.
Vanhauwaert krijgt
wel eens wat hulp van gevluchte Oekraïners. Echt spreken doet ze niet met hen,
ze stelt zich hun oorlogsellende voor. Ongaarne uiteraard, voor een
verwonderingspoëtica. Ze voert zichzelf op als het aandoenlijke zachtaardige
type dat onhandig en chaotisch is en daardoor op de verrassendste ideeën komt. Steeds
licht ze tipjes van die sluier op in korte zinnen. Soms vergroot ze die met
telkens meer zinsdelen (zoals in een Lamento-hommage
aan Remco Campert), geregeld eindigt ze met een woordgrap.
Pfeijffer betoont
zich veeleer een visionair, een onverbiddelijke van de grote greep wiens
bijzinnen eindeloos kunnen uitwaaieren. Van een afstandje oogt zijn stijl
virtuoos en die van Vanhauwaert kinderlijk, passend bij frisse ontdekkingen.
Haar titel Leven in Mootjes steunt
dat fragmentarische gevoel, zoals Absolute
democratie Pfeijffers stelligheid weerspiegelt. Zijn autoriteit moet wel
een selling point zijn, want voor zover ik het kan beoordelen bevat het boek geen
nieuwe inzichten.
Boekstaven
Ik zou liegen wanneer ik Vanhauwaert wel origineel zou
noemen. Toch vist ze, volgens de paradox die het leven volgens haar zou
tekenen, onbescheiden naar dat oordeel. Haar boek bevat als object een
programmatische rechthoekige uitsparing. Niet alleen wordt ze toegelicht op de
achterflap met kleine raampjes op een
grote wereld, in het boek zit, met exact dezelfde vorm, een doorzichtig plastic
houdertje waaruit een zeer klein gevouwen papier valt te peuteren. Dat draagt
de quasi-ondeugende titel Het verhaal van
mijn gat. Een lange tekst die boeit, omdat het format van de krant er even
geen rol speelt – de auteur geeft een opdracht in plaats van in opdracht te
leveren.
Feitelijk gaat het om een dagboekrelaas, waarin Vanhauwaert een
periode van veertien maanden weergeeft die de moeizame genese en realisatie van
dit idee met ‘haar’
vormgever Jelle Jespers toont. Vlak voordat de kogel door de kerk gaat, kan
ze bovendien boekstaven dat Trump Iran is binnengevallen. Daar had Pfeijffer
raad mee geweten. Zijn ondertitel luidt namelijk Kroniek van een aangekondigde afrekening en elk van zijn
opiniestukken wordt plechtig besloten door een datum. Zou dat in de toekomst
bewaarheid kunnen zijn? Als een Ter Braak van onze tijd, wiens permanent in
kranten en brieven en essays neergelegde gedachten inderdaad een kroniek
vormden, van de jaren dertig?
Ik vrees er een beetje voor. Het heeft niet alleen te maken
met de tweedehandsheid van Pfeijffers inzichten. Het is uitgerekend zijn stijl,
die als het ware voor de werkelijkheid gaat staan. De auteur is nog bezig zijn
gevoelens te rationaliseren. Als samenvatting van de laatste jaren werkt Absolute democratie allicht wel.
Pfeijffer kan goed een punt maken. Wel spreekt hij onderweg soms ook van ‘essays’, wat ik niet begrijp. Vanhauwaert karakteriseert haar teksten
dan weer als ‘cursiefjes’, wat me aannemelijk dunkt zolang de associatie met de
genremeneer Carmiggelt niet ontstaat. Ach wat, wijlen
Rudi Fuchs had het over ‘stukkies’.

