woensdag 7 april 2021

Ondanks alles

 

 

 

Van Audre Lordes beginselstukkenbundel Sister Outsider (1984) verscheen vorig jaar een nieuwe vertaling. Al in 1985 was er een bij de feministische uitgeverij Sara verschenen, onder de titel Oog in oog. Toen representeerde één essay, Eye to Eye, het geheel. Dat de recentste vertaling Audre Lordes overkoepelende titel ongewijzigd overneemt, vind ik treffend.

‘Oog in oog staan’ is geconfronteerd worden met iets onaangenaams. Dat vraagt om actie die altijd een reactie is en dus ondergeschikt. Het ‘Sister Outsider’-idee vertrekt evengoed vanuit een verschil, maar dat is horizontaal. Bovendien nodigt de familiale persoonsaanduiding uit om mee te doen. En in het Nederlands klinkt die zus niet vreemd meer; Amerikaans-Engels is daar, zeker na de domesticatie van het internet, een gestage invloed op.

Voor de vertaling van Oog in oog tekende Tilly Schel. Zij blijkt sinds het eind van de jaren zestig vooral Hitchcock-scenario’s in het Nederlands te hebben overgezet, maar ook heel wat boeken van vrouwen en in de jaren negentig Lenteriten van Modris Eksteins. De nieuwe vertaling Sister Outsider komt van Jenny Mijnhijmer. Zij is een beleidsmaker en adviseur, die zich heeft bekwaamd als theaterschrijver en actrice. Volgens de KB-catalogus is Sister Outsider, op zestigjarige leeftijd, haar eerste boektitel.

In de marge van de Gorman-Rijneveld-ontploffing was er wel degelijk al iets veranderd. Het colofon van de Nederlandstalige Sister Outsider dankt Gilde Alphabet Street. Van dit zwarte schrijfcollectief had Neske Beks zich bij de Baldwin-n-woord-kwestie al geprofileerd; nu blijkt het aan een toch wel witte uitgeverij de Lorde-vertaler te hebben aangedragen. Bij dit boek heeft de uitgever symbolisch ruimte gemaakt.

Omdat ik de Schel-vertaling niet heb kunnen inzien, is het helaas onmogelijk de keuzes te vergelijken die in het Nederlands moeten zijn gemaakt. Wel is Mijnhijmers prestatie duidelijk omgord. Naast het collectief tekent namelijk de podcast Dipsaus voor deze vertaling, door haar mogelijk te maken ‘voor gemarginaliseerde vrouwen in Nederland, in al hun verscheidenheid’ (en België?).

Dipsaus verantwoordt de redactionele ingreep om uit Lordes oorspronkelijke bundel twee teksten weg te laten. Mij spijt het dat zo een prachtige schrijverscongresreportage over de Sovjet-Unie in de jaren zeventig kwam te vervallen, uitgerekend met het argument dat die wereld niet meer bestaat. Wel vertaald is de slottekst over het bezette Grenada, een ‘rapportage’ die Lorde zelf als voorlopig kenschetste want schreef terwijl de rest van Sister Outsider al bij de zetter lag.

 

Dikke laag

Heeft Mijnhijmer specifieke woorden gebruikt? In de tekst Poetry is not a luxury (1977) pleit Lorde voor ‘true knowledge and therefore lasting action’, wat anno 2020 ‘echte kennis en dus duurzame actie’ is geworden. Dit duurzaam klinkt inmiddels uitgekauwd, maar valt volgens mij mooier in de plooi dan alternatieven als blijvend en bestendig.

Mij viel de oplossing op voor het zelfstandig naamwoord ‘empowerment’ dat, met zijn bijvoeglijke en werkwoordafleidingen, door Lorde voortdurend wordt ingezet. Maar pas nadien maakte het een steile opgang en ik weet niet wanneer het in het Nederlands gangbaar werd. Mijnhijmer laat het onvertaald, wat grappig uitpakt in een advies als: ‘“Verdeel en heers” moet in onze wereld “definieer en empower” worden’. Toch acht ze eenmaal, bij een lezing, een cursief gepaster. Dan is het effect toverachtig: ‘een bed waar ik verlangend naar uitzie, dankbaar in stap en empowered weer uit opsta’.

Lorde gebruikt nog een term die heden geregeld opklinkt, en die heeft Mijnhijmer wel omgezet, op twee manieren in één alinea:

 

‘De meeste vrouwen hebben geen vaardigheden ontwikkeld om woede constructief onder ogen te zien. (….) Er werden geen gereedschappen aangereikt voor het omgaan met de woede van andere vrouwen, behalve door die te vermijden of af te buigen, of haar te ontluchten door weg te kruipen onder een dikke laag schuldgevoel.’

 

Het gaat hier om tools, waarvoor eerst ‘vaardigheden’ dient en daarna ‘gereedschappen’. Mij treft hier verder Mijnhijmers ‘aangereikt’ dat developed moet dekken.

Die ‘dikke laag schuldgevoel’ lijkt me een forse vertaling van een blanket of guilt maar toont iets van Lordes metaforiek. Daarin zit namelijk vaak textuur, letterlijk, tussen individu en wereld. Vrijheid wordt bemoeilijkt en dat onderstreept Lorde, begonnen als dichter, op een speciale en bovenal fysieke manier. Een prachtig voorbeeld staat in het al genoemde Eye to Eye, uit 1983:

 

‘Alle moeders zien hun dochters vertrekken. Zwarte moeders zien het gebeuren als een offerande [sacrifice] door het gordijn van haat [veil of hatred] dat als lappen lava [sheets of lava] voor hun dochters op de paden neerhangt. Alle dochters zien hun moeder vertrekken. Zwarte meisjes zien het gebeuren door een gordijn van bedreigd isolement [veil of threatened isolation] waar geen vertrouwd vuur [fire of trusting] doorheen komt.’

 

Datzelfde essay maakt melding van huidblekende crèmes, de bleaching dus waar Unilever, namens bijvoorbeeld l’Oréal, in 2020 schroomvallig afstand van nam.

Voordat de indruk ontstaat dat Lorde ook talig haar tijd vooruit was, moet ik vermelden dat het nu, in bepaalde kringen, vanzelfsprekende begrip ‘misogynie’ bij haar geen standaard lijkt. Ze heeft het wel over ‘woman-hating’ (vertaald als: vrouwenhaat). Ook stuit ik, in een sympathiserende speech over Malcolm X uit 1982, op ‘peoples of Color’. Niet die hoofdletter vraagt aandacht, want dat doet Lorde steeds zelfbewust met kleur, maar het meervoud dat genuanceerder oogt dan waar heden de voorkeur ligt.

En zonder dat ze de term gebruikt kondigen zich in een getuigenis over het opvoeden van haar zoon safe spaces al aan: ‘I feel the want and need often for the society of women, exclusively. I recognize that our own spaces are essential for developing and recharging.’ Dat laatste werkwoord heeft het Nederlands opgezadeld met ‘de batterijen opladen’. In hetzelfde essay spreekt Lorde van ‘coming in our power’, wat tot niets anders meer kan leiden dan ‘in onze kracht komen staan’.

donderdag 25 maart 2021

Een eigen taalbeheersing

  

Ben ik rijp voor het gesticht? Zelfs een oude film leidt me naar taal. Onlangs zag ik voor de derde keer Zwart als roet (2014) van Sunny Bergman en waande me doorverwezen naar de splinternieuwe brochure Woorden voor een nieuwe taal. Zoals iedereen spreek en schrijf en lees ik dagelijks (hooguit tob ik beroepshalve wat vaker achteraf over woorden), dus mijn onmiddellijke associatie tussen taal en film, in een klinische reflex bijna, lijkt me niet normaal.

Ik moet het hier zelfs uitschrijven om te ontdekken waar de parallel precies ligt. Maar ook waarom ik bij vroegere kijksessies van Zwart als roet nooit van die besliste gedachtes kreeg als nu. Temeer daar ik nog altijd vind dat Bergman honderd procent gelijk heeft: Zwarte Piet moet worden verlost van zijn stigmatiserende kleur!

Om te beginnen bevreemdt het me om nu pas te ontdekken dat deze film niet over Zwarte Piet gaat. Logisch, want Bergman heeft geen echt onderzoek gedaan naar dat fenomeen. Ze gebruikt het om, volkomen terecht, racisme aan de kaak te stellen. Raar vind ik inmiddels te menen dat ze daarin wel slaagt, maar zonder ambivalenties weg te werken die haar door kwaadwillenden met evenveel recht tot een racist kunnen stempelen.

Die ambivalentie tref ik ook in de taalbrochure. Ze staat in het teken van ‘diversiteit en inclusie’, twee amerikaanslatijnsige woorden die ik tussen aanhalingstekens zet omdat ze een bijeffect sorteren: van uitsluiting bij een groeiend aantal laaggeletterden. Tragisch, omdat Woorden voor een nieuwe taal ‘meerstemmigheid’ vooropstelt en, anders dan de film, het product is van een resem medewerkers, plus een ‘klankbordgroep’.

Wel schept de brochure een voorbehoud door haar doelpubliek te beperken tot ‘iedereen in de kunst- en cultuursector’. Maar zou zelfs binnen die niche iedereen de concrete resultaten van die ambitie kunnen volgen? Zelf kreeg ik lucht van het bestaan van Woorden voor een nieuwe taal door een column van Jamal Ouariachi die gewoonlijk diametraal anders opinieert dan ik zou doen. Maar ditmaal was ik het met hem eens – en ik vrees niet de enige uit de beoogde sector te zijn.

 

donderdag 18 maart 2021

Engageren tot meerstemmigheid (4)

 


 

Bij herlezing bleek me dat J.B. Schuils controversiële jeugdroman De Artapappa’s (1920) volstrekt ambivalent is. De tekst zit vol beurse racistische plekken, terwijl onderhuids een antiracisme lezers besmetten wil.

Natuurlijk, het is superieurderig te zeggen dat de geschiedenis zich herhaalt (als je iets onderzoekt lijken alle binnenkomende berichten er verband mee te houden), maar onlangs was er een rel die een soortgelijke ambivalentie in zich droeg. In de Vlaamse soapserie Thuis had een personage een mislukte grap gemaakt met het woord flietjes. Daarover deed op Instagram een Vlaamse actrice met Chinese roots haar beklag. De opinie-industrie stootte vervolgens twee signalen uit. Een historisch exposé maakte vanuit de abstractie komaf met zulk racisme, een close reading van de soapaflevering verklaarde dat het gewraakte woord zowel de achtergrond van het personage als de situatie tekende.

Kan ik domweg niet kiezen dat ik beide standpunten houdbaar vind? Ik redeneer dan mede uit mijn jongste ervaring met De Artapappa’s. Om het jeugdboek, tussen vele andere, achter slot en grendel te zetten zal voor sommige lezers het spervuur aan K- en N-woorden volstaan, maar die stigma’s krijgen wel een veroordeling. Verwoed wordt er, niet altijd even handig, geprobeerd om, zoals dat nu heet, bruggen te bouwen tussen wit en zwart. En daartoe dienen respectievelijk Pukkie en Bloemhof, de centrale personages. Hoe bijzonder is hun relatie?

Bloemhof toont een warm karakter, met een overdosis altruïsme. In Pukkies geestdrift daarover zit een mysterieuze lichamelijke component die hem met trots vervult: kracht, passend bij Bloemhofs granieten ernst – zijn halfbroertje Paul is bovenal lenig. De oudste Artapappa wijkt niet. Hij etaleert een dergelijk fysiek vermogen opnieuw bij een avontuur dat ze beleven in een onderaardse gang op een landgoed van een baron. Ditmaal zijn andere jongens er ook bij en wanneer er gevaar dreigt blijkt Bloemhof ‘van de laatste plotseling de eerste geworden’. Zelfs vervaarlijke honden deren hem niet (omdat hij steeds vergelijkingen met dat dier ondergaat?).

Bloemhofs kordate optreden maakt indruk op iedereen, maar vooral op de wees Pukkie: ‘Eigenlijk had hij nooit grote, innige hartelijkheid van iemand ondervonden, omdat hij geen eigen “tehuis’ had gekend. Taks en Mopske waren goed voor hem, maar zij waren even goed voor Spekkie en de Lijn. Nooit was er iemand in de wereld geweest, die van hem alleen het meest had gehouden.’

Niet voor niets zal het landgoed Reeveroord heten, het Franse woord voor droom zit erin opgesloten. De volgende gelegenheid waarop Bloemhof zich manifest onderscheidt, is op Koninginnedag, als in het dorpje de festiviteiten beginnen op het Reeverplein. Nadat de zwarte jongen een sabelslag van de politie voor hem heeft opgevangen, is Pukkie uiteraard bezorgd over zijn gezondheid en vraagt of Bloemhof pijn heeft. Deze schudt zijn hoofd en drukt zijn hand, waarna er ten overvloede vermeld wordt dat hij, De Stomme, ‘geen jongen van grote woorden’ is.

Ik kan me uiteraard vergissen, maar binnen de verhouding krijgt de krachtige Bloemhof zo nog meer iets van een handelende ridder. In Verheij, de officiële achternaam van de witte jongen, hoor ik dan plots ’ver hij’. Pukkie weigert maar een moment van Bloemhofs zijde te wijken, maar als hij bloed uit de wond ziet vloeien valt hij flauw. Een goedhartige buurtbewoner die het tweetal een logeerbed ter beschikking stelt, verwondert zich tegenover Taks over deze vriendschap tussen ‘zo’n zwarte en zo’n blanke’. En de huisbaas annex etnisch intermediair streelt Bloemhof en laat een traantje als hij verneemt wat deze gedaan heeft. De jongens zelf vinden het allang best. Pukkie beaamt Bloemhofs uitroep ‘Wou altijd wel zo samen in bed!’

Prompt begint De Artapappa’s een ander verhaal: dat Paul verliefd is. In een cabaretesk hoofdstuk toont Bloemhofs antipode zich van zijn oppervlakkigste kant. Ook talig, omdat hij nog meer babbelt dan voorheen en voor het ‘poesjesalbum’ van zijn verhoopte meisje Bep een gedicht moet schrijven en door het rijm wordt verleid door de stelling: ‘Ik ben een baviaan’. Schuil forceert dus een bijna ondraaglijke breuk met het sabelvoorval, dat ongekende gevoelens naar boven bracht. Paginalang laat hij Paul tobben met het gedicht, tekstadviezen in de wind slaan en opvolgen, zich reduceren tot ‘maar kafferjong’ en tot slot overgaan tot een Hollandse methode: geld investeren. Maar hij krijgt zijn cadeau retour, omdat Beps moeder het niet wenst aan te nemen, zodat Taks ‘zacht’ en ‘kies’ tegen de jongen moet spreken om diens teleurstellingen te kaderen. Een dansfeest geeft vervolgens de genadeslag aan deze verliefde. Paul beweegt weer totaal dierlijk door de ruimte, als een paard ditmaal, en is in zijn flapuitheid oncomplimenteus. Had hij maar de gave om als zijn broer spaarzaam met woorden om te gaan.

Bij Pauls voortijdig verlaten van de danszaal bromt Lijn dat hij ‘maar ‘n kaffer’ is, wat Pukkie kwetst die door ‘die woorden meer [wordt] gehinderd dan hij wilde bekennen’. De witte jongen heeft immers in Bloemhof meer dan een geestverwant gevonden – de zwarte jongen werd voor hem oninwisselbaar, ontstegen aan een groep. Van ‘een’ is hij gemetamorfoseerd tot ‘de’. Oplettende lezers hadden dat kunnen weten uit het voorwoord van De Artapappa’s, waarin Schuil aankondigt dat het drama tussen de twee jongens waargebeurd is. Hij had het in Borneo namelijk gehoord van Pukkie zelf, ‘en ik herinner mij nog altijd, hoe hij met een trilling in zijn stem op een avond tot mij zei: “Ik heb nooit beter en trouwer vriend dan deze kafferjongen gehad!”’

donderdag 11 maart 2021

Engageren tot meerstemmigheid (3)

 

 

Hier dan mijn leesverslag over De Artapappa’s van J.B. Schuil. Recent herlas ik dit lievelingsboek uit mijn jeugd dat fout bleek. Het speelt tijdens het regentschap van koningin Emma, tussen 1890 en 1898. Plaats van handeling is het Hollandse dorpje Vliedrecht. Klonk bekend in mijn door België inmiddels ontwende oren, maar blijkt fictief. Google verwijst integraal door naar De Artapappa’s.

De titel refereert aan twee zwarte halfbroers, Paul en Bloemhof, die op last van koning Artapappa, tevens hun vader, van Zuid-Afrika naar Vliedrecht zijn overgebracht. Daar komen ze in een huis van een kinderloos echtpaar: de leraar natuurwetenschappen de Taks en zijn vrouw de Mops. Ze zorgen al voor drie andere kostgangers, de witte jongens Pukkie, Spekkie en de Lijn.

Zoals vaak in Schuils werk regeren de bijnamen. Alleen over het centrale personage Pukkie krijgen we vaker te horen dat de burgerlijke stand hem heeft geregistreerd als Rob Verheij. Zijn bijnaam slaat op zijn geringe gestalte en wellicht op het feit dat hij vroeg wees werd. De zwarte jongens blijven echter heten zoals ze heten. Toch wordt Bloemhof, het andere centrale personage, uiteindelijk liefkozend Bloem genoemd. Die bijnaam krijgt hij exclusief van Pukkie.

In een voorwoord waarschuwt Schuil dat dit boek niet vrolijk eindigt (zijn enige andere voorwoord, bij Hoe de Katjangs op de kostschool van Buikie kwamen, veegt een verder inderdaad gelukzalig oeuvre bijeen). De uitzondering voor De Artapappa’s ligt aan ‘de trouwe, hechte vriendschap’ tussen Pukkie en Bloem, culminerend in ‘het droeve slot’. Simpelweg omdat het ‘waargebeurd’ is, terwijl Schuil erkent er veel omheen te hebben verzonnen.

Waarom De Artapappa’s voor vele hedendaagse lezers een fout, want racistisch boek is, wordt snel duidelijk. Van begin af valt het K-woord, dat blijkbaar niet exclusief naar de vreselijke ziekte verwijst. Bovendien verwekt de aankondiging dat er in Vliedrecht twee Zuid-Afrikaanse jongens komen wonen al een keur van vooroordelen. Het gaat daarbij om uiterlijkheden, die we nog terugvinden in het zwartepietendebat, maar ook bijvoorbeeld om toeschrijvingen van kannibalisme. Wordt het dorp heus opgezadeld met duivels?

Tragisch is De Artapappa’s antiracistisch wil zijn. Maar om dat te doorzien, moet het boek van A tot Z worden gelezen, terwijl het zich leent voor cherrypicking die de foutheid kan tonen. Dat dubbele zit er meteen in. Vóór de komst van de zwarte jongens dist een gepensioneerde matroos racistische anekdotes op over gedrag en zeden in Zuid-Afrika. Hij ontleent zijn autoriteit uit het feit dat hij er ooit was aangemeerd en dus ‘de kaffers kende “van haver tot gort”.’ De interpunctie distantieert zich hier van vooroordelen. Ze worden echter klakkeloos overgenomen door een vrouwelijke dienstbode ‘voor wie kaffers blijkbaar geen mensen waren’.

De witte jongens begrijpen dat niet alle verhalen kloppen en twijfelen wat ‘eigenlijk waarheid en wat verdichting was’. Ze vinden dat romantisch. De Taks ontkracht vervolgens expliciet dat Artapappa’s menseneters zijn. Hij voorspelt wel dat ze ‘heel anders zijn dan jullie. Maar ik zou ze nooit in huis nemen, als ik er niet zeker van was, dat het goeie jongens waren.’ Hun andere gedrag wijt de Taks aan hun opvoeding, waarbij ze niet bij hun moeder mochten blijven. Krijgt dat genderdetail verderop in het boek een lading, nu al gebruikt de Taks een curieus cultuurrelativistisch argument dat niemand minder dan de Sjah van Perzië zijn neus in een gordijn zou snuiten.

Schuil laat in al zijn jeugdromans sterke verhalen regeren, om ze vervolgens te ontmantelen. In De Artapappa’s levert hij posities op diverse vertelniveaus en laat meer over aan lezers. Ze kunnen zien wat ze wensen, tenzij ze niet willen kiezen. Verder is in deze roman een cruciale rol weggelegd voor de taal zelf. Ook dat blijkt al vóór de komst van de halfbroers. Voor hun eventuele ‘radbraken’ van de taal vraagt de Taks begrip. Hij verzoekt zijn witte jongens er niet om te lachen, omdat ze dan voor hun ongelukkige gasten ‘vreemdelingen’ zouden blijven. Meteen doet de Taks een empathisch experiment. Hij vraagt de jongens zich in te denken dat zij in Zuid-Afrika moeten wonen. Wat indien er dan de spot met het hen gedreven werd? Aan het eind van deze voorbereidselen prijst de verteller hem: ‘Beste Taks, wat wist je altijd de juiste snaar te treffen, wat kende je de jongensharten toch goed.’

De Artapappa’s is dus ook een verslag van een pedagogisch project. Bij de kennismaking vindt Pukkie de twee jongens lelijk. Dit onfijne oordeel past bij de ontwikkeling die het boek hem laat doormaken: hij zal een extreem innige band met Bloemhof opbouwen. Tekenend lijkt me ook dat Paul vertelt op de bootreis naar Nederland grappen te hebben uitgehaald waarna matrozen hem uitmaakten voor aap. Onaanraakbaar noemt hij zichzelf ‘het kafferjong’. Zo faciliteert hij een blik van zijn huisgenoten als ‘merkwaardig exemplaar van een koningszoon’ dat, door wat smoesjes, aan de buitenwereld wil getoond. Maar daar steekt Taks een stokje voor.

De Artapappa’s bewerkstelligt van stonde af een botsing van opinies en correcties over het bizarre concept ‘gewoon mens’. Aan die determinatie doet elke verhaallaag mee – van directe rede tot en met vertellerstekst. Er is racisme, paternalisme en rehabilitatie. Daaronder ligt een schijndiscussie: of Zuid-Afrika nog moet worden beschaafd. Een dermate idiote vraag, dat de roman deze taak aan de dorpsbewoners van Vliedrecht geeft. Ondertussen tracht de tekst voorbij zwart karikaturalisme te raken. De Taks is bij deze ontsensationalisering een intermediair, dat ‘verstandige maatregelen’ treft en wiens uitbranders voor de goede zaak ‘volkomen verdiend’ zijn.

Voor Paul is bemiddeling lastig omdat hij, clichématig, impulsief is. Hij heeft dan wel geen last van wat anderen over hem denken, vooralsnog wordt hij aangegaapt ‘alsof hij een wonderdier was’. Het zal zijn aard typeren dat hij Hollanders daarom maar raar vindt. Voor het inburgeringsproject van Taks is dat een hindernis, omdat hij hun taal moet overnemen om beweging in de zaak te krijgen. Dus zegt hij na uren soebatten met een kwaadwillige buurman, bij wijze van offer, ‘dat een jonge kaffer niet in een vloek en een zucht tot een wel opgevoede jongeheer kon worden gebombardeerd’.

Ook voor de drie kostjongens verandert Paul niet snel. Ze zien hem als kermisattractie. Dus buigt de tekst eerst mee met hun verbazing: ‘Een kaffer was al geen alledaags mens, maar wat te zeggen van een zwarte koningszoon, die op zijn handen wandelde en zich op zijn hoofd liet vallen, alsof hij August de Domme in eigen persoon was?’ Er wordt aansluiting gezocht bij beelden uit de nabije cultuur, waarna de jongens moeten wennen aan het feit dat er een individu bij hen leeft. Dat heet ‘lijdend voorwerp’ in een werkelijkheidstest waarbij Paul zich door hen op zijn gezicht laat timmeren en geen krimp geeft. Als Taks zich laat bijlichten, richt hij zijn emancipatiepogingen evengoed op de zwarte: ‘Jij moet je niet op je gezicht laten slaan!’

donderdag 4 maart 2021

Engageren tot meerstemmigheid (2)


 

 

Halverwege jaren tachtig was ik verrast en gechoqueerd door het bericht dat een van mijn lijfboeken achter de tralies zat. Bibliotheekmedewerkers vonden het raadzaam het niet langer aan het oog van jonge lezers bloot te stellen. Een eigen initiatief, voor de goede orde, want tegenwoordig is op de DBNL het boek digitaal beschikbaar.

Het gaat om De Artapappa’s (1920), van J.B. Schuil, dat het stempel ‘racistisch’ is opgedrukt. Dat ik daar destijds ontdaan van was, lag er in de eerste plaats aan dat ik het niet direct begreep maar me wel met dat boek verbonden voelde. Aldus waande ik me een getal in de Gorter-formule o god ik sta aan de verkeerde kant. Ik zou de eerste niet zijn die niet waarmaakt wat hij preekt.

De enige scène die me, zoals vermoedelijk elke lezer van De Artapappa’s, onmiddellijk voor ogen kwam was die waarin de verwonde witte hoofdpersoon Pukkie uren op de rug wordt gedragen door zijn zwarte kameraad Bloemhof die zelf enorme blaren op zijn voeten heeft. Overweldigend, in alle opzichten: een voor het gemoed explosief teken van vriendschap dat wel getuigt van een hiërarchie.

Bizar vind ik, achteraf, mijn weigering om De Artapappa’s te herlezen. Angst, mevrouw en meneer de dieptepsycholoog! Vorig jaar, voor een tijdschriftartikel over het Oerboek, durfde ik nog steeds niet. Ik erkende dan wel dat Schuils oeuvre mijn Hollands wereldbeeldje in de steigers had gezet, maar aan de hand van zijn nog dierbaardere, minder discutabele roman Rob en de stroper van Tjot-Idi. Tegelijk had ik weet van een vernietigend oordeel over De Artapappa’s van Arthur Japin, wiens werk ik evenmin heb doorgenomen.

Negeren, die handel! Dat werkwoord gebruik ik mede, omdat ik voor mijn artikel wel Schuils debuut Jan van Beek (1910) herlas en daar ontdekte dat er twee vervoegingen en uitspraken bestaan van negeren. Ooit blijkt de klemtoon op de eerste lettergreep te hebben gelegen, in een betekenis die Van Dale beledigend en verouderd noemt.

Ja, ik protesteer graag tegen gescherm met blinde vlekken bij de ander, maar hier waren er toch een paar waar ik niet omheen kon.

Ook moet ik nog altijd mijn positie bepalen tegenover mijn twee dochters, die De Artapappa’s lazen en voor wie het, vrees ik, even beklijvend is als voor mij. Ik slaag er niet in hen te confronteren met de argumenten voor het racisme.

Hun Belgische moeder las de tekst nooit maar hoort wel hun gesprekken erover, inclusief eindeloze uitwisselingen van passages die nóg pijnlijker en grappiger zijn. Als Schuil-buitenstaander kan ze zo eenvoudiger vragen stellen. Of onze kinderen, veertien en tien, eerder hadden gehoord van het begrip ‘kafferjongen’ of dat ze het werkwoord ‘uitkafferen’ kenden, bijvoorbeeld. (Het antwoord was tweemaal nee.)

Ik op mijn beurt begrijp dat het oeuvre van J.B. Schuil, een voormalig legerofficier die nog in Indië was gestationeerd, van buitenaf lastig anders dan als ‘eurocentrisch’ valt te betitelen. Tegelijk weet ik dat mijn dochters integer in het leven staan – de kwalificatie kritisch weiger ik ijdel te gebruiken – en wil ik geen butsen slaan in hun oprechte oordeel over deze roman. Ook omdat ik de preker in mij wil onderdrukken, al helemaal wanneer zijn vaderlijke wijsheden ondoorvoeld zijn. Voornaamste reden voor mijn terughoudendheid is echter dat ik jonge lezers serieus wil nemen.

Voor mijn dochters is De Artapappa’s één lange opslokkende pleitrede voor trouw. Omdat er aan het eind letterlijk de dood op volgt, vond de gourmande het wel een schandalig boek. Lezers mag zoiets niet worden aangedaan, vond ze woedend en verdrietig – ik nam haar mee op een fietstochtje om haar emoties tot bedaren te laten komen. Toch pleitte ze Schuil uiteindelijk vrij, toen ze in zijn voorwoord herlas dat het verhaal was geënt op ware gebeurtenissen (die Japin inspireerden tot De zwarte met het witte hart).

Wat een poëtica, en wat een leesempathie en wat een vergevingsgezindheid! Het gekke is dat dit alles rijmt met mijn eigen herinneringen aan dit boek. Zodat ik me onlangs verplicht heb gevoeld De Artapappa’s alsnog te herlezen.

Wie misschien nieuwsgierig is naar mijn actuele indruk van het boek, moet ik teleurstellen: ik weet het niet.

Natuurlijk frapperen me nu passages die volstrekt denigrerend zijn ten opzichte van de twee ‘zonen van Zijne Majesteit Artapappa III, koning van wilden in Zuid-Afrika’. Tenenkrommend zijn dikwijls de beschrijvingen van deze zwarte halfbroers, in hun taal en dierlijk geachte bewegingen. Ik snap best waarom vorig jaar nog het verdict fout over het boek is uitgesproken en is gesuggereerd om er een racismewaarschuwing op te plakken, een procedure die onlangs dus eveneens aan de stad Gent is aanbevolen.

Toch zit ik hopelijk niet in de ontkenningsfase bij de indruk dat die waarschuwing voor de tekst als geheel functioneert als een brute noodrem. Een symbolische daad, die het bestaande maar half erkent en niet bijstuurt. Hierbij waan ik me geïnspireerd door een prachtig essay van de Nigeriaans-Amerikaanse filosoof Olúfẹ́mi O. Táíwò over standpuntepistemologie. Daarin doen geprivilegieerden schroomvallig afstand van hun positie, om een gemarginaliseerde te laten spreken.

Táíwò heeft, in een complex betoog waarin mij hoogstwaarschijnlijk van alles is ontgaan, twijfels bij die welgemanierdheid. Hij noemt haar ‘elitekaping’ bij monde van de ‘kletsende klassen’. Zijn doel is namelijk ‘collectieve bevrijding in plaats van parochiaal voordeel’. En mij is de waarschuwingssticker tegen De Artapappa’s te pontificaal en gemakzuchtig voor de tekst als geheel.

Genoemde noodrem doet alvast geen recht aan wisselende snelheden. Minstens zou ik voor Schuils belichting van de zwarte halfbroers het begrip objectiveren onbruikbaar vinden. Het boek is daarvoor te ambivalent. Geregeld gaapt er een vacuüm tussen verteller en personages. Tegensprekende overtuigingen, sentimenten, moralen zelfs, vind ik nu in De Artapappa’s terug. Denigrerend denken en benoemen wordt soms terechtgewezen.

Bovenal blijven de verteller en bepaalde personages pogingen doen tot identificatie en solidariteit, die steevast stranden. Niet voor niets is het belangrijkste motief volgens mij: sprakeloos zijn, geen taal vinden.

Schuils controversieelste boek heeft me in verwarring achtergelaten. Ik pinkte minder tranen weg dan mijn dochters, maar emoties waren er nog altijd. Ik ergerde me vaker dan zij, maar ervoer ook ontzag. Waarom? Kan ik echt niet concreter worden? Een volgende keer.

donderdag 25 februari 2021

Engageren tot meerstemmigheid (1)

 

Deze week reageerde het Gentse stadbestuur op Dekoloniseer mijn stad, dat een maand tevoren nogal in de publiciteit was gekomen. Dit rapport met aanbevelingen telde 31 bladzijden, maar het opinievuur brandde er een halve pagina uit. Ze ging over bibliotheekbeleid, opperde racistische boeken uit het aanbod voor de jeugd te verwijderen – maar waarlijk betwist werd een titel tussen haakjes, in een passage van zo’n vijftig woorden: 

‘In het bestaande aanbod wordt onderzocht hoe via labeling of het voorzien van duiding bij sommige boeken, aangeduid kan worden welke boeken racistische content bevatten, of welke net een breder en meer divers beeld bieden. Veel boeken hebben historische of literaire waarde, maar bevatten racistische elementen (bv. Pipi Langkous). Het is belangrijk om de context te tonen en deze elementen te benoemen, hierover met mensen het gesprek aan te gaan en hen hierover te laten nadenken.’

Na ampele studie belooft het stadsbestuur nu inzake de dekolonisering van de bibliotheek zich ‘te engageren tot meerstemmigheid’.

Ziezo.

Toch vond ik het debat, dat aanvoelt alsof het eeuwen geleden is gevoerd, aan de adembenemende kant. Zeker door wat ongezegd bleef. Vanuit de zaak Pippi Langkous viel er nochtans heel wat te leren. Over bibliotheekbeleid, over boekconsequenties, over dekolonisatie, over jeugdliteratuur, over ouders die voorlezen, over een ecologische relance,… Na deze invalshoeken liet ook de uitgever van Astrid Lindgrens personage zijn licht schijnen.

Eén perspectief vond ik echter niet terug: dat van kinderen, wit en geel en rood en bruin en zwart, die Pipi Langkous hebben gelezen.

Ik ben daar oprecht nieuwsgierig naar. Als vader, als lezer (die deze titel compleet heeft gemist), als neerlandicus (de Sapir-Whorfhypothese), als docent, als auteur, maar ook, en misschien wel vooral, als tijdgenoot. Daarmee bedoel ik dat de Pippi Langkous-boeken, waarvan de eerste dateert uit 1945, in mijn kleuterjaren een televisieserie en films beleefden. Tevens percipieer ik visies op die teksten, zo’n vijftig jaar later, vanuit mijn levens- en kennisontwikkeling, die op haar beurt onontkoombaar mede is gevormd door de tussenliggende decennia.

Door de hiaat tussen het debat en de reactie van het gemeentebestuur heeft bijvoorbeeld deze vraag, gesteld door Vanessa Joosen, extra lang in mij kunnen gisten: ‘Hoe kon Astrid Lindgren, die progressief was op het vlak van gender en opvoeding, zo ver meegaan in een koloniaal denkkader?’ Een terechte bedenking, die er zich bovendien rekenschap van geeft dat Pippi gold, en voor velen wellicht nog geldt, als een meisje dat hiërarchieën juist doorbreekt. Zonder dikke woorden was ze geëmancipeerd: Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan. Simpelweg leek Pippi, net als haar geestelijk moeder Lindgren (1907-2002), overal lak aan te hebben, zonder het gevoel voor rechtvaardigheid te verliezen.

Ik wil niet beweren Joosens vraag te kunnen beantwoorden. Wel dat er een andere vraag aan kan voorafgaan: Hoe hebben destijds kinderen en volwassen lezers gereageerd op dat denkkader? Is het hun überhaupt opgevallen?

Hoewel ik dus nooit een Pippi-boek heb gelezen, heb ik er wel óver gelezen. De observatie van het koloniale kader is tamelijk recent tot de erven-Lindgren doorgedrongen. Nadat in 2014 het N-woord werd aangepast in Pippi-films, gebeurde dat in 2015 ook met het N-woord in de boeken.

Nu ik dit opschrijf, schiet me te binnen dat het woord ‘N-woord’ evenmin erg lang de ronde doet, of alvast niet in de Lage Landen. Van Dale heeft het toegevoegd in juni 2020. Stilzwijgend. Er was wel commotie dat de term waarnaar N-woord in de betekenisomschrijving verwijst opengenomen bleef: ‘verouderd zwarte Afrikaan (met kolonialisme geassocieerde en daarom door een groeiend aantal mensen als onwenselijk ervaren term)’.

Vanuit dit micro-perspectief zie ik overigens mijn stelling bevestigd dat het West-Europese debat nog altijd gedomineerd wordt door de Verenigde Staten. Noch in de digitale Van Dale, noch in de grotebozemensenwereld ben ik namelijk al logisch verwante termen tegengekomen als ‘het E-woord’ of het ‘het Z-woord’. Maar dat kan mede het gevolg zijn van het feit dat we bijna allemaal achter de feiten aan lopen. Niet iedereen heeft de helderheid van geest om op relatief ongerept ideologisch terrein onrechtvaardigheden waar te nemen. Bovendien bestaat een kritiek pas wanneer ze mag bestaan. Zonder reproductie door uitvergroting in media verandert er niets. Heet dat in het boeren-Hollands tegenwoordig niet gewoon framen?

Ik heb zelf ondervonden hoe vernauwing van perspectief optreedt, juist door intensieve, voor mijn part welwillend te noemen aandacht. De discussie over Pippi Langkous en dekolonisering valt immers op een voorspelbaar moment in de tijd. Die arrogante bewering durf ik te doen na jarenlange studie naar het publieke debat, die ik anno 2017 vastlegde.

Door een recente bewering van Corina Koolen moest ik aan een voetnoot uit dat boek terugdenken. Destijds had ik bij wijze van bewijs voor de toen schier onoverbrugbare kloof tussen kosmopolitisme en provincialisme dit aangetekend: 

Als directeur van debatcentrum deBuren deelde Dorian van der Brempt eens duizend gratis combitickets uit voor de Thalys plus een voorstelling of een museum in Amsterdam, Rotterdam, Brussel en Antwerpen. Hij verklaarde die actie uit een mentale barrière voor het nabije: ‘We gaan op citytrip naar New York maar komen nooit in Mechelen.’ (De Standaard 12-12-2009)

Enige debatten later vallen hier toch wat omissies te formuleren. Over de kleur van de medewerkers (‘dekolonisering van het personeel’) en hun doelpubliek in deze actie (‘witte geprivilegieerden’). Over de ecologie van het vervoermiddel bij hun reguliere citytrips (‘kerosinebelasting’). Over tien jaar kan ik mijn kritische bril waarschijnlijk nog beter opblinken.

Inzake Pippi, snap ik tegelijk de verbijstering bij sommige lezers dat dit Lindgren-werk in een kwade reuk staat. Een zoekopdracht in GoPress leert dat het personage zich vlak voor het debat in media ook van haar vertrouwde kant liet zien.

Nieuwsanker Birgit Van Mol noemde zichzelf bijvoorbeeld ‘een soort Pippi Langkous, omdat ze als kind al ‘een hang naar onafhankelijkheid’ had. Actrice-regisseuse Halina Reijn verbond haar vroegste jeugd met een hippiesfeer, warm en creatief: ‘We woonden in een soort Pippi Langkous-huis in Wildervank, een raar dorpje ergens in het noorden van Nederland dat destijds veel kunstenaars aantrok. Een heel fijne gemeenschap, eigenlijk.’

Nu wil ik, in vervolgafleveringen van deze blogpost Engageren tot meerstemmigheid, nagaan hoe het zit met een notoir ‘fout’ kinderboek dat ik wél heb gelezen, en onze twee dochters ook. Dus pomp ik mijn zelfvertrouwen als redacteur maar alvast op door in het rapport voor de stad Gent, waarmee de discussie begon, toch even de correctiestift te gebruiken. Zoals dat de naam van de heldin oer-Vlaams spelt, als hierboven geciteerd – nee, daar zou Pippi urinegeel van kleuren. Niet dat ze zich daarvoor zou schamen vermoedelijk. 

 

Naschriftje

In mijn vermelde studie uit 2017, De ware marsrichting, spelde ik ook ‘Pipi Langkous’ (p.203). En de twee lettertermen die ik naast het N-woord niet vond, lijken zo’n beetje toevallige omissies. Minstens tot in de jaren negentig van de vorige eeuw blijken volgens Marc de Costers ook digitaal toegankelijke Woordenboek van Eufemismen wel te hebben bestaan: het A-woord, het B-woord, het C-woord, het D-woord, het F-woord, het H-woord, het O-woord, het P-woord, het S-woord en het W-woord. Ook was het er K-woord, maar daar gaan de komende postings over.

dinsdag 16 februari 2021

Van stekkers, tenoren en coronaprojecten

  

Er is ophef ontstaan over het voornemen de subsidie voor Zacht Lawijd, het enige literair-historische tijdschrift van Vlaanderen, stop te zetten. Zonder er, als vakgenoot nota bene, ooit een pagina uit te hebben gelezen, denk ik dat ongeloof te begrijpen. Ik duim ervoor dat er een oplossing komt.

Toch zitten er facetten aan de kwestie die behoorlijk grappig zijn en die intense maatschappelijke veranderingen blootleggen.

Om te beginnen blijkt de commissievoorzitster van het negatieve advies net een essay te hebben gepubliceerd waarin ze pleit voor diversiteit. Zou daarom, binnen de niche die literaire tijdschriften zijn en waarbij de geldstromen veeleer drooggevallen beekjes behelzen, de mininiche van Zacht Lawijd geen continuïteit mogen verdienen? In principe wel natuurlijk, maar indien het blad troep had gepubliceerd dan stond de commissie in haar volste recht het af te wijzen. Het hoort sowieso tot de beginselen van de democratie dat geen enkel besluit tevoren kan vastliggen.

Het diversiteitsbegrip dat het essay huldigt vertrekt bovendien vanuit een inclusieve benadering van de ons omringende wereld. Zoiets werpt licht over een op de Knack-website gepubliceerd pleidooi om ‘de stekker niet uit Zacht Lawijd te trekken’. De namen van de ondertekenaars (32 mannen en 4 vrouwen) imponeren, net als hun argument dat literatuurgeschiedschrijving zeldzaam is geworden. Zonder die kunde zou het landschap verschralen.

Wel hebben de ondertekenaars een paar dingetjes met elkaar gemeen. Ze zijn, als ik me niet vergis, allemaal hoogopgeleid en wit en, eh, hoe zeg je dat over leeftijd zonder met het stigma ‘middelbaar’ op de proppen te hoeven komen… Verreweg de meesten zijn zelfs nog ouder dan ik!

Deze combinatie van factoren maakt hun punt wankeler dan een soortgelijk initiatief, een lustrum terug. Toen schreef Dimitri Verhulst bij de subsidiestrijd een wat frivoler geformuleerde open brief ten gunste van het literaire evenementenbureau Behoud de Begeerte, ‘mede-ondertekend door 194 schrijvers, zangers, professoren, uitgevers, boekhandelaren en tenoren uit de literaire en culturele wereld’.

Beweer ik nu dat het ene netwerk het andere niet is? Dat weet ik niet. Evenmin kan ik een ideaal subsidiestelsel tevoorschijn toveren. Alweer tien jaar geleden heb ik daarover nagedacht en mijn redenaties vergden maar liefst drie blogafleveringen, culminerend in het voorstel om slechts ‘25 topauteurs’ met een fondssubsidie te steunen. Ik versta nog waarom, maar voel inmiddels meer voor een zogeheten flankerend beleid van het basisinkomen.

Heden valt me op dat Behoud de Begeerte geen en Zacht Lawijd wel medestand krijgt van Pol Hoste, over wie het stil bleef toen werkbeurzen voor zijn cruciale oeuvre werden beëindigd. Vooral meen ik dat de tijden zijn veranderd, waarin de neutraal ogende voorstelling  van Zacht Lawijd een nadeel kan zijn. De tijdschriftencommissie liet zich immers evengoed kennen in haar toekenningen. Maar liefst drievoudig honoreerde ze één type ideologiekritische neerlandistiek, in België bedreven bij DWB, nY en DeReactor.

In de wetenschap dat andere subsidies in den lande vloeiden naar Ons Erfdeel en debathuis DeBuren, ‘actoren’ die evengoed hoogopgeleid en wit zijn, bestaan er simultaan kennelijk meer gevoelens van inclusiviteit. In hun outsourcing bieden de vijf begunstigden een podium aan een jongere generatie. Hun medewerkersbestanden overlappen elkaar dermate, dat de subsidiegevers een mattheuseffect hebben bewerkstelligd.

Daarnaast is er volgens mij iets wezenlijks veranderd met het object van Zacht Lawijd, geschiedenis. Het wordt meer dan ooit à la carte geschapen. Waar tot voor kort bronnenonderzoek moest voeren naar interpretaties waarin fictie een omweg had gemaakt en gedienstigheid zogezegd het leidende principe was, kennen mediaal dominante jongere auteurs vanaf de millennialgeneratie slechts één centrum, dat het materiaal bijlevert.

In veel prestigieuze media tegelijk presenteerde Bregje Hofstede onlangs bijvoorbeeld haar nieuwe boek over slapeloosheid, inclusief zelfgemaakte foto’s van haar huis te Frankrijk waar ze sinds een jaar tot rust komt. De Standaard liet haar niet in de letterenbijlage aan het woord, maar reserveerde daar pagina’s uit de lifestylebijlage voor. De interviewster, ook een millennial, had op dit plek zelf al eens verteld over haar vergeefse pogingen een appartement te kopen, nadat ze dat verhaal eerder in de letterenbijlage gedaan had, gelardeerd met een citaat van een Nederlandse generatiegenoot.

De geschiedenis begint en eindigt dus nu, waardoor de diversiteit van de verhalen moet schuilen in de identiteitssporen van de getuige die per definitie authentiek is. Daarmee kan het argument van tafel, dat Zacht Lawijd als enige Vlaams literair tijdschrift geschiedkundig onderzoek verricht. Iedere oprechte burger doet dat, voortdurend! De nadruk op historische bronnen die zo neutraal mogelijk voor het voetlicht komen, wordt in deze niche bovendien al gelegd door De Parelduiker. Dat dit blad Noord-Nederlands is oliet vreemd genoeg de redenatie.

zaterdag 6 februari 2021

Kannibalenzuigelingen

 

Op twee plekken zijn gedachteoefeningen van mij verschenen. Ze zijn verwant en ze liggen in het verlengde van wat ik recent al meende te moeten uitstoten. Gemeenschappelijk hebben ze een heikel thema: uitsluiting en diversiteit. Dat is immers iets waar totaal verschillende mensen en groepen zich in kunnen herkennen en misschien ook miskennen.

De partijen die uitsluiting tot stand zouden brengen en per definitie uit individuen bestaan, hebben immers essentialistische kenmerken gekregen: wit, mannelijk, heteroseksueel, westers. Van daaruit zijn veroordelingen te smeden met ‘-centrisch’ en ‘-normatief’.

 

Mijn ene gedachteoefening gaat over een mooi boekje van Warda El-Kaddouri uit oktober 2020. Het is helaas, bij mijn weten althans, onbelicht gebleven. Toch gaat Dominantie. Waarom we denken wat we denken over veel waar iedereen, publiekelijk of op het werk of in de huiskamer, zich om bekommert.

El-Kaddouri eindigt haar betoog met een blik op ‘de’ literaire canon. Die verdient wel wat reparatie. Dat vindt zij en dat vind ik ook. Toch blijken we het niet helemaal met elkaar eens.

Hoe relevant dit onderwerp is, bewijst ook de commotie die Akwasi recent heeft verwekt met de opmerking dat Tupac en Kendrick Lamar ‘de Shakespeares van onze tijd’ zijn. Daarmee schept hij toch een geweldige opening? Al was het omdat we daarmee onze blik op ‘de’ canon kunnen verfrissen en ons eens afvragen wat we waarom waarderen?

Wie al dan niet verontwaardigd antwoordt dat Akwasi appels met peren vergelijkt, geef ik gelijk. Volmondig zelfs. Dat is namelijk wat een canon doet, appels met peren vergelijken.

Ook feitelijk begrijp ik de ophef niet. Akwasi zei alweer bijna drie jaar geleden bijna exact hetzelfde:

De mensen die Ibsen, Shakespeare of Homerus gaaf vinden moeten weten dat Tupac een hedendaagse Shakespeare is. Als de Pulitzerprijs-winnende Kendrick Lamar met een plaat komt, luister ik niet zo maar naar die plaat. Ik zoek de teksten erbij. En ik ga er voor zitten. Dan luister ik diep. Weet je hoeveel je daarvan kunt leren?

Hij brengt dus iets in de praktijk over zogenaamde low culture waarvan het postmodernisme toch al heel wat decennia terug de legitimiteit bepleitte. Dat we Akwasi serieus moeten nemen bewijst nog een passage uit dat oude interview, waar een gedicht van hem, Citos(c)ores, wordt geciteerd: 

havo of vwo

maar mijn basisschool zei liever niet

eerder vmbo

want hij lijkt me toch het type dat

niets gaat doen

met zijn leven

En dan durven mensen bij de schrijnende tegenstellingen die de recente documentairereeks Klassen aan het licht bracht nog te beweren te zijn verrast!

Tegelijk begrijp ik de ophef misschien ook wel. Er zijn momenteel zoveel identiteitsdebatten gaande dat het zelfs voor de welwillendste mens op eieren lopen is geworden om niemand te kwetsen. Dat merk ik evengoed aan mijn schrijfseltjes. Ondanks mijn aversie tegen opinisme pogen ze de wereld te begrijpen en te bereiken. Ik moet daarbij van mezelf eerlijk zijn; vroeger heette dat ‘streng maar rechtvaardig’.

 

Mijn tweede gedachteoefening vertrekt vanuit Saskia de Costers geruchtmakende maatschappelijk project De Sekte van Saskia. Het sluit hyperbewust mannen uit om tot een grotere diversiteit te raken. Uiteindelijk sneeft mijn sympathie voor dat idee, omdat er, een fiks eindje doorredenerend, enge risico’s aan verbonden zijn die niet alleen uitsluiting bevorderen maar nu al de ruimte voor diversiteit hebben verkleind.

Die indruk is onfijn. Misschien verwek ik zo de onverschilligheid van de weerzin bij mensen uit mijn eigen kamp dat sowieso voor lastige keuzes staat. Daarnaast zou het mogelijk zijn dat mijn stellingen bijval kunnen krijgen van mensen met wie ik niet zou willen worden geassocieerd.

Dat soort ambivalenties moet ik accepteren en niet van te makkelijke woede en schaamte voorzien. Door een lange studie naar het maatschappelijk debat leerde ik al complete groepen opiniemakers herkennen: wanneer persoon A iets ondertekende deed persoon B dat sowieso ook en persoon C sowieso niet. Wat een bullshit!

Gelukkig stuurde een belezen vriendin me een citaat van Walter Benjamin: ‘Echte polemiek neemt een boek even liefdevol onder handen als een kannibaal die een zuigeling toebereidt’. Ik vind daar troost in. Temeer daar ik vanwege het debat over ongelijkheid al een tijdje meer vrouwelijke en zwarte auteurs lees. Wanneer ik vervolgens over hen schrijf en het noodzakelijk blijkt kritische kanttekeningen te plaatsen, wekt dat in mij weerstand en moet ik aan de langere termijn denken.

Het diversiteitsdebat is zo complex omdat iedereen eigen definities heeft van een rechtvaardigere wereld. Ik vind dat bizar, maar verwonderen kan het me niet, gelet op de huidige dominantie van identiteitspolitiek. Overdreven? Dezelfde hedendaagse student die moeiteloos ‘geprivilegieerd’ en ‘misogynie’ kan spellen, zonder de geringste twijfel weet wat othering behelst, maakt dt-fouten en heeft nooit van een metoniem gehoord.

Elke deelgroep (kleur, geslacht, seksuele voorkeur, regio) dus heus een eigen ideaal en dus een eigen versie van diversiteit? Dat zou sektarisch worden en De Coster weet dat, vandaar de homeopathische naam die ze voor haar project bedacht – dat gratuit en cultuurindustrieel werd.

 

Nu de grote finale, zonder prijzen maar met vooruitzichten. Een constructief alternatief dus: mijn diversiteit verruilen voor onze diversiteit. Dat beweer ik, tegen jou. Eat it!

maandag 1 februari 2021

Spampoetry

 

 

Hoewel ik als ‘hermetisch dichter’ word geacht boven het poëziegepeupel te staan, helemaal tijdens een Poëzieweek, en hoewel ik het genre om diverse redenen al bijna tien jaar niet meer beoefen, heb ik de laatste week aandrang gevoeld Er Weer Mee Te Beginnen En Misschien De Openbaarheid Op Te Zoeken. Uit een banaal motief overigens, waarmee ik ook weer niet doel op een poging tot meesurfen op het eclatante succes dat Amanda Gorman met haar slampoetry had.

Nee, ik dreigde te relapsen vanwege iets wat ik anderen zou afraden: om weg te raken uit een angst. De toestand is nu eenmaal zo dat een westerling grote delen van een dag digitaal doorbrengt, en die vreemde houding heeft zich door corona louter verergerd. Daarbij is het feit nauwelijks nog latent te noemen dat computersystemen met elkaar verbonden zijn en dat we volharden data te plengen die misschien niet razend interessant zijn maar wel privé.

Mijn gevoelige plek is, vrees ik, taal. Voor zover mijn gedichten kritische aandacht hebben gekregen werd daarbij zo’n beetje standaard opgemerkt dat ze uit heterogene elementen bestonden. En dat er in mijn poëzie de wonderlijkste woorden te vinden waren, die weliswaar op een spreektoontje in de richting van een lezer werden geslingerd maar waarvan de betekenis bepaald niet direct bekend was bij een miljoenenpubliek. En omdat mijn gedichten heel veel van die woorden bevatten, tegen elkaar uitspeelden wellicht, raakte al bij voorzichtige consumptie een lezer dronken van onbegrip.

Is taal daarmee ook mijn dingetje, zit ze in het dna van het dichterschap-Kregting? Natuurlijk, ik ben de meer dan trotse vader van het taalkundig genie en weet ook heel zeker dat haar jongere zus de gourmande, inmiddels tien jaar, onlangs in de discussie tussen neus en vingers gewaagde van ‘een replica’, maar in de dagelijksheid is er best wat afstand tot het alomtegenwoordige woord. Zelfs op de computer, waar ik vaker naar YouTube en Voetbal International surf dan naar Van Dale.

Tot vorige week. Toen vielen er tussen de reguliere spammails ineens berichten binnen die weliswaar nog wel een plaatje van een aantrekkelijke dame leverden, maar daaromheen een zondvloed van weinig ingeburgerde woorden waartussen telkens één keer mijn naam opdook.

Verschijningen?

Ik heb besloten mijn naam te verwijderen en hieronder eenmalig te herdebuteren met een forward: vijf spamgedichten. Wat er ook nog moge volgen in mijn mailbox – ik ben er niet meer.

  

zaterdag 23 januari 2021

Sisaltouw



Meer nog dan poëzie kan een liedje mij totaal in bezit nemen. De afgelopen tijd was dat ‘All I Need’ van Jacob Collier, die op zijn manier, heel verstandig, aan social distancing deed door het nummer in een multi-instrumentale solo-uitvoering te brengen. 
Enigszins uitgeput probeerde ik homeopathie op me los te laten, door een liedje erbij te pakken dat volslagen onbenullig moest zijn: ‘Volare’, in de oorspronkelijke versie van Domenico Modugno. Mijn verlossingsdaad was bepaald hypothetisch, want het nummer is me grotendeels onbekend. 
Ik heb er nooit ongeveer gelijkluidende woorden bij verzonnen. In Per ongeluk expres vertelde Bianca Stigter eens over die kindermagie. De titel van haar tekstje ‘Lady Mondegreen’ ontleende ze aan de schrijfster Sylvia Wright die dit had begrepen uit ‘laid him on the green’. Als algemeen verbasterd voorbeeld nam Stigter ’Ma ma se, ma ma sa, ma ma coo sa’ van Michael Jackson. Nu zou ik daar vooral de non-significatieve poëzie van K3 in horen, maar destijds moet de variant ‘Mama appelsap’ logisch hebben geklonken. 
Bij ‘Volare’ verbaast me dat het in mijn hoofd bestond uit welgeteld de twee openingsregels van het refrein: ‘Volare, o, o / Cantare, o, o, o o’. Ligt het eraan dat dit songfestivalliedje, uit het eind van de jaren vijftig, zo ver voor mijn tijd was, dat mijn lichaam nooit behoefte heeft gehad tenminste het refrein met eigen taal te voltooien? 
Bizar vind ik te ontdekken dat twee regeltjes meer mijn wereld zouden hebben veranderd. Na de Volare-uitroepen volgen namelijk: 

Nel blu dipinto di blu
Felice di stare lassu 

Intertekstualiteit voor low culture! Bijna onmiddellijk kon ik die regeltjes, in een ander ritme en vooral met een afwijkende dictie, herleiden tot het liedje ‘Kathleen’ van Randy Newman. Ik draaide het veel in mijn puberteit en prevelde er graag op mee. Vooral deze passage, met onbegrijpelijke taal dus, die wel prompt werd verklaard: 

That means you love him 
And he loves you 

De moeilijkheid was alleen dat Newman daarna meer vreemde woorden zong, die geen toelichting kregen (en die evenmin door Mudugno werden voortgebracht): ‘Piu bel ci sono / Ci sei tu’. Voor dit raadsel had ik een praktische oplossing, die ik bij meer gelegenheden toepaste. 
Geen magische taal meer, zoals hier iets had gepast als ‘Poedel ziet zonen / Sisaltouw’. Deed ik dat niet omdat ik inmiddels met de tekst mee kon lezen, op de hoes van Little Criminals, de elpee die ‘Kathleen’ had ingesloten? Dan zou leesvaardigheid meteen een verlies zijn. 
Mijn oplossing was hoe dan ook: gewoon geen aandacht besteden aan mijn onbegrip. Wat stelden popteksten ook helemaal voor? ‘Kathleen’ bevatte al voldoende bedwelmende ingrediënten. Het liedje combineert op een aparte manier funk met blues, en Newmans structurerende pianoriffje is licht dissonant. Zoveel was sowieso duidelijk dat het titelpersonage aan het eind een Irish girl bleek, een fenomeen waar de ik-figuur altijd crazy op was geweest.
Klaar als een klontje! Ik wist niet dat Newman een dermate grote reputatie had in het scheppen van misverstanden dat de muzieksite Pitchfork hem niet heel lang geleden een compleet album, nummer per nummer, van verklaringen liet voorzien.
Heden valt me de curieuze ondertitel van het liedje op: Catholicism Made Easier. En dat de dipinto-woorden worden uitgesproken door een ‘old Spanish priest’ om een huwelijk te bekrachtigen tussen Kathleen en de ik-figuur. Het is na zo’n veertig jaar moeilijk een liedje te heropenen dat zelfs voor de welwillendste criticus nog altijd een vreemde eend in de bijt is. 
Voor Randy Newman, geboren in 1943, moet ‘Volare’ jeugdsentiment zijn geweest, toen hij er eind jaren zeventig in ‘Kathleen’ op hintte. Maar de liefde tussen het titelpersonage en zijn ik-figuur, daar is nooit iets van terechtgekomen. Niet heel gek, want die Spaanse priester had hen er ingeluisd. Hij sprak niet eens potjeslatijn, maar Italiaans, nadat hij naar het songfestival had gekeken. 
Hopelijk is het een troost dat zijn onopgehelderde woorden betekenden volgens GoogleTranslate: ‘Mooier zijn er / Je bent hier’. Wat heeft iemand nog meer nodig?

maandag 11 januari 2021

Groene cafeïnemannen

 

 

Mag het ophouden – het zich beroepen op een stem van iemand die er niet om vraagt? Zou het ook mogelijk zijn iets te doen of te vinden zonder extern beginsel, van marktonderzoek tot en met moral support?

Volgens mij zijn politici ermee begonnen. Ik kan me niet anders heugen dan dat er een fenomeen ten tonele werd gevoerd dat ‘de gewone man’ heette of, zoals Ivan Heylen zong, ‘de werkmens’. Maar terwijl deze persoon niet echt een interessante of minstens een te beschaven bron bleek, inspireert hij inmiddels als geen ander omdat hij zegt waar het op staat. Nou ja, in elk geval inspireert hij officieel.

Hij, ja, want tot nader genderneutraal order dit zijn mannen.

Van Dale leert me dat het Noord-Nederlands voor de voornaam van deze figuur erg vaak unisono is geweest: ‘Jan de loodgieter’, ’Jan met de pet’, ‘Jan Boezeroen’, ‘Jan Modaal’, ‘Jan Patat’, ‘Jan Publiek’, ‘Jan Rap en zijn maat’. In die zin deed Wilders aan innovatie toen hij met het personage ‘Henk’ op de proppen kwam – van Ingrid die zijn liefde voor Anja in de schaduw stelde.

Hoe gaat deze figuur door het leven in Vlaanderen? Als Piet, Jos, Sjarel? Deze drie schieten me mede te binnen omdat ze koosnaampjes zijn voor het mannelijk geslachtsdeel, dat in Noord-Nederland ook ‘Jan’ heet (en in Duitsland ‘Johannes’, niet te verwarren met Otto). Want uiteindelijk ervaar ik al die benamingen als verkapte scheldwoorden, samengevat onder de diplomatieke uitdrukking ‘Jan-met-de-korte-achternaam’, explicieter aangeduid als de ambachtsman Lul de Behanger.

Uit Marc De Costers Woordenboek van eufemismen en politiek correct taalgebruik (2001) blijkt dat dit onderbuikhoofdstuk een vracht aliassen herbergt: Zebedeus, Bello, Gerrit, Frederik. Mij bekruipt het gevoel dat de sprekers van zulke liefkozingen niet direct onder de gewone mannen te vinden zijn, maar veeleer onder Vindicat-prominenten en Reuzegommers.

Hetzelfde woordenboek openbaart dat dit hoofdstuk een Engelse pendant kent: Big Steve, Cecil, Charlie, Fritz, Giorgio, General Custer, Harry, Jack, Jean-Claude, John Thomas, Mickey, Tommy, Willy. De wereldberoemdste doorsneeburger ‘Joe Sixpack’ verwekt dus minder dubbelzinnigheid. Maar hij was evengoed een schepping, van Sarah Palin uit de tijd dat ze kandideerde voor het vicepresidentschap van Amerika. Haar superieur John McCain sprak liever van ‘Joe the Plumber’ en verwees daarmee naar een empirische persoon, een vrije jongen die zijn handen durfde te laten wapperen.

Raar of voorspelbaar dat dit soort stereotypen voortleeft?

Nog een anonimiserende manier om zich te verzekeren van spreekrecht namens een ongekende meerderheid biedt taal in, wederom, ‘de man’ gecombineerd met een locatie. Die kan gaan van ‘op de werkvloer’ tot in de straat’ (the guy next door). Onlangs voegde Lodewijk Asscher daar een spectaculaire plek aan toe, waar ik nochtans niemand over heb zien oreren.

Misschien was de PvdA-voorman door de toeslagenaffaire wat gespannen, toen hem de toch wat bizarre aanduiding de man in de fietsenstalling ontglipte. Ze is minstens apart. Bedoelde Asscher een kantoormedewerker bij de koffieautomaat, die in precoronatijden het hart op de tong had? Of iemand met ecologische aspiraties die de auto aan de kant heeft gezet en de trein pakt in combinatie met de barmhartig niet aan het bureau geparkeerde vouwfiets, over wie Japke-d.Bouma meer kennis heeft?

Hoewel Asscher hem wilde positioneren tegenover ‘de Haagse werkelijkheid’ en dus out of the box wilde denken, lijkt me ‘de man in de fietsenstalling’ een engerd, die ter plekke collega’s opwacht om dingen uit te proberen waar ik geen woorden voor wil zoeken. Want laten we elkaar geen Liesbeth noemen, of geen Mietje: bepaalde grensoverschrijdende experimenten horen nergens thuis, op de kap van wie ook voltrokken.

maandag 4 januari 2021

Pasta met tevredenheid

 

 

Vanwaar de gewoonte om rond een nieuw jaar lijstjes op te stellen? Voor wie zijn ze bedoeld? Ik ben vermoedelijk niet het type consument dat aanbevelingen volgt. Zeker ontbreekt het aan overzicht en autoriteit om mijn rangordes met onbekenden te delen.

Dus zwijg ik na de vakantie over mijn woord van het afgelopen jaar (‘mainstream’). Het is me niet eens gelukt te herinneren welke boeken ik zoal tot me nam in 2020. Dat zal mede komen door een coronabijwerking: bevoorrechtingsgewijs stond het jaar vooral in het teken van eindeloze diners, zwaar besproeid ook, zodat mijn vergeettalent extra prikkels kreeg en de uren nadien werden gevuld met films.

Wanneer ik al een auteur van het jaar moet uitroepen, dan kan dat dus alleen Yotam Ottolenghi zijn die wel literatuurwetenschapper is.

Veel belangrijker lijkt me de toekomst van het boek. En dan moeten schijnwerpers op het onderwijs waar een substantieel deel van leerlingen helaas onvoldoende leest en schrijft.

In de neerlandistiek is men lang in de ontkenning blijven hangen. Volgens mij was Thomas Vaessens de eerste die in Ongerijmd succes (2006) echt aandacht besteedde aan gewijzigde leesvaardigheid onder studenten, die hij monter tegemoet trad. Wel bevatte zijn boek allerlei losse paragraafjes en weetjes, een confettivorm die, achteraf, treffend heeft voorspeld in welke richting het lezen ging.

Tamelijk recent publiceerde Vaessens’ collega Geert Buelens De jaren zestig, een cultuurstudie waar ik naar had uitgekeken. Ze ging bij mij na honderd bladzijden terzijde omdat de confettivorm het betoog ondermijnde. Samen met een jofele toon zullen die lijstjes warm willen maken. Maar lezers zijn geen volgelingen. Buelens’ ontzagwekkend dikke studie verwekte interviews die bespreekarbeid moesten camoufleren, zodat er geen leesgesprek ontstond, wellicht wel verticale klassering als standaardwerk.

Om lezers te behouden moet je niet in hun plaats veronderstellen dat ze te dom zijn om voor de duvel te dansen. Ik beroep me voor die pertinentie op mijn ouderschapservaring – te veel kinderen lusten geen groente die ze nooit hebben geproefd.

Het was de televisiereeks Klassen die, in combinatie met de aflevering ‘Education’ uit Small Axes, me ervan overtuigde dat zich bij het lezen een standenmaatschappij heeft hervestigd (in België nog erger dan in Nederland). Ik maakte er een soort opiniestuk over, dat bij wijze van kerstoverweging de pater in mij ruim baan bood. Maar waar de laatstgenoemde diender zijn legitimatie hogerop zoekt, neig ik ertoe me tot de kudde te wenden.

Het boek als object blijkt namelijk als dusdanig verstoft te gelden, dat er een magisch jasje omheen is gedaan dat de inhoud heeft doen verdwijnen. In het onderwijs zijn boeken kennelijk elitair voor de competenties die in leerlingen worden gepropt en die de hekel aan het vak Nederlands tot grote hoogten opstuwt.

Daarom suggereerde ik poëzie bij alle vakken in het onderwijs te integreren. Een gedicht is in een mum van tijd samen gelezen en opent gesprekken over vocabulaire, ritme en klank – die niet meteen hoeven te gaan over de aanvaardbaarheid van de boodschap. Het kan evengoed specificaties bieden over wat ‘zakelijke taal’ en hergebruik behelzen.

De actuele toekenning van de P.C. Hooftprijs aan Alfred Schaffer kan bijvoorbeeld aanleiding zijn om spelenderwijs discoursen in zijn heterogene versregels bloot te leggen. De montagecyclus van Peter Verhelst over de N-VA maakt het mogelijk registers te onderscheiden en soorten populisme. Enz.

Literatuur is van ons allemaal, meen ik, die tijdens de feestdagen driemaal The Dead van James Joyce las, in het origineel (1914), in de vertaling van Rein Bloem (1968) en in die van Erik Bindervoet & Robbert-Jan Henkes (2016).

donderdag 17 december 2020

Nearly too much

 

 

Hoe je ze ook beoordeelt, Sunny Bergmans documentaires maken iets los. Haar jongste rolprent Oproerkraaiers doet dat evengoed, bij mij. In eerste instantie ving een taaldetail bij geportretteerde boeren mijn aandacht. Al namijmerend meen ik dat zij antagonisten verbeeldden tegenover een paar activisten die Bergman, met ontegenzeglijk meer sympathie, volgt om haar punt te maken.

Het idee is dat iemand soms wetten moet breken voor de goede zaak. Zo dient het controversiële individu uiteindelijk het belang van de gemeenschap. Schoolvoorbeeld is Rosa Parks, wier weigering in de bus op te staan voor witte reizigers in de Verenigde Staten de segregatie aan het wankelen bracht. Een terechte redenering, waarbij voor mij wel het feit ontbreekt dat Parks ook publicitair de juiste persoon op de juiste plaats was. De jongere Claudette Colvin ging haar immers voor maar werd minder geschikt bevonden om druk te zetten op de publieke opinie.

Dat de een kennelijk de ander niet is, merkte ik aan mijn reacties op Bergmans protagonisten. Voor Kick Off Zwarte Piet – door betrokkenen consequent KOZP genoemd – groeit mijn ‘respect’ naarmate hun geschiedenis en onverzettelijkheid scherper aan het licht komen.

De aanhalingstekens in de vorige zin willen een typisch woord markeren. Want aan KOZP, en aan al Bergmans activisten die zich niet op het milieu richten, viel op dat er een jargon gemeengoed wordt dat naturel lijkt. Naar analogie van het wetstratees noem ik het cultuurstudees. Mij trof al eerder dat mensen die eenvoudige, veelgebruikte termen niet kennen wel met de grootste vanzelfsprekendheid deftige, geïmporteerde strijdkreten in de mond nemen als ‘privilege’ en ‘objectiveren’.

Complexer leek de taal van een man die door Bergman als beroepsactivist werd gepresenteerd, niet alleen omdat hij na zijn alomtegenwoordigheid bij ethisch prangende regenten en bedrijven geen woning meer had, maar ook omdat hij kennis etaleerde van wetten en rechten. Zoals Louis Sévèke en Volkert van der Graaf? Hij vertoonde soms wel wat zelfspot. Vanwege zijn megafoon voor gebouwen deed hij met uiteindelijk het sterkst denken aan Wim de Bie als oud-leraar Duits.

Maar dat beweer ik natuurlijk vanuit mijn luie stoel. Als halve digibeet ervoer ik sowieso afstand tot de uiteenlopendste activisten omdat ze constant een smartphone in de aanslag hadden. Gelukkig liet die bevreemding onverlet dat ze me konden overtuigen met hun argumenten. Ronduit innemend en imposant vond ik een dierenbevrijdster, juist toen ze aan symboolpolitiek deed door zich in een kooitje op te sluiten, met het opschrift: ‘WORD VEGAN’.

Die imperatief had ik toevallig net aan studenten voorgelegd om het concept nudging te verklaren dat in dit geval de betwiste maar succesrijke frase ‘ELKE DONDERDAG VEGGIEDAG’ verbreidde. Plots wist ik dankzij de dierenbevrijdster weer waarom een pragmatische houding me ongemakkelijk stemt (nu nog mijn flexitarisme bijbuigen). Dankzij haar ontdekt ook Sunny Bergman iets: het eten dat ze haar protagonist in de kooi brengt, blijkt niet helemaal verantwoord en wordt afgewezen.

Die scène vormt de opmaat voor een aangrijpend moment in Oproerkraaiers: de regisseuse beseft dat ze voor de goede zaak van de identiteitspolitiek al jaren kwesties vergeet die evenmin futiel zijn. Naast dierenrechten gaat het dan om het milieu. Ik waande me terug in een studietje van een oude lul over millennials, waar aan het eind twee hoogopgeleide witte Nederlanders racistisch onrecht tot drie cijfers achter de komma vertolken nadat ze uit het vliegtuig naar Londen zijn gestapt.