zondag 18 november 2018

Wilbert Cornelissen (1958-2018)




Ver van mijn boekenkast vernam ik het droevige, maar niet onverwachte bericht. Het ging gepaard met een fraaie, bijna troostvolle beschrijving van het afscheid. Deze dichter-essayist had kennelijk de regie over zijn dood behouden.
Mij bekroop vooral het verlangen om Cornelissens dichtbundel Kinderlandschappen uit 2002 te herlezen. Dat is nu gebeurd. Hij was nog beter dan ik me herinnerde. 
Bijna in het begin weet de dichter al: ‘Er is van zo veel te veel’. En demonstreert dan een typografisch aardigheidje (de bundel is sowieso verrukkelijk vormgegeven door Chris Vermaas van Office of CC), opzwellend tussen de regels: ‘Alles? Alles. Alles.’
Kinderlandschappen had wat ik noem ambitie. Genres lopen er door elkaar, registers ook. De toon kan dan wel van episch naar lyrisch gaan en vice versa, de bundel heeft een ordening tot in getallen achter de komma. Zo bedwingt Cornelissen zowel oeverloze jeugdanekdotes (over Brabant) als taalimprovisaties. Essentieel voor dit boek is de onderbreking. Elk verhaal wordt verstoord, wat zijn volheid extra doet uitkomen.
Daarmee ervaart de lezer terzelfdertijd de hand van de dienstdoende schepper. In de reeks Istanbul weet een paragraafje bijvoorbeeld:

‘Voor een God is ’t een vingerknip om een epifanie te bewerken, ook al is ’t toeristenomzwermd. En dan zou hij jou niet zichtbaar kunnen maken! In het hotel nemen we een duik in het algengroene water. Wij drinken raki en dansen ons een buik in de nacht. Aan de bar voorspelden we dat hij, uitgerekend hij, ‘de God van Labranda’, ja juist hij, op alle foto’s zou ontbreken en al zou hij gevat zijn dan was er geen nabestellen aan.’

Dat werkwoord bewerken lijkt me cruciaal. Er staat niet bewerkstelligen, realiseren dus, maar telkens moet een scheppingsdaad bestaan uit een kleine bijstelling, een knipje hier, een verschuiving daar. Al gaat het maar om het afkorten van het tot ’t, opdat de cadans lulliger wordt en er context opdoemt uit een weke poëzie, zonder dat ze wordt veroordeelt. Ze doet mee.
Meedoen is ook het parool bij dansen. In het fragment wordt het exotische werkwoord ‘buikdansen’, dat we officieel niet vervoegen, daartoe getweeëndeeld en wederkerend gemaakt. Uit berichten rond Cornelissens dood bleek dat hij een gepassioneerd danser was en maandelijks evenementen organiseerde waarin mensen bijeen konden komen.
Zelf ben ik geen danser, maar het heeft me altijd gefascineerd te horen dat daar een leidende en een volgende partij in voorkomen die volkomen afhankelijk van elkaar zijn. Die veroordeelde willekeur zie ik terug in een aforisme uit Kinderlandschappen: ‘Bestaan is een vergrijp, de overmoed om naar het zijn te glippen en de plaats in te nemen van wie ook had kunnen zijn.’
En daar bewonder ik de bundel nog altijd om. Er zijn varianten en die varianten tellen serieus. Ik kan de combinatie van verheven en banaal opnoemen, van melig en gesofisticeerd – maar deins terug voor de indruk dat er dan een poëticaal programma regeert. Terwijl er gewoon wordt geleefd, tegen de klippen op.
Voor Cornelissens volheid is het noodzakelijk om te blijven verzamelen en het apocrief materiaal in de bewerking een zetje te geven. Zonder relativering, zonder snobisme:

‘Bij één wiel is er al Fiets, maar nog niet genoeg om het evenwicht zelf aan de fiets toe te vertrouwen en daarom is er een tweede wiel nodig zoals twee de wereld verdeelt in links en rechts, in onder en boven, in voor en na. Deze verdubbeling is het begin van elk leven, de meest nabije herhaling, de verdubbeling van het zich in een zelf. (…) O Rijkdom van het afgeronde, weelde van het Wiel.’

Uiteraard knipoogt de slotregel naar Leopold terwijl een letterlijke lezing mogelijk blijft. Op mij komt Cornelissens poëzie ook on-Nederlands over omdat hij onderbroken fragmenten niet gebruikt in hun suggestie. Even later zegt hij: ‘Blaas tot de juiste proporties op! (Begin een gedicht…) Maar prik elke opgeblazenheid door! (Voltooi het… )’ Zelfs de interpunctie ritmeert.
Volgens de achterflap bevat Kinderlandschappen tekstplassen en tekstpaden. Dat vult de bladspiegel respectievelijk horizontaal en verticaal. Wie de bundel bij de rug pakt en bladzijden langs de vingers laat ritselen, ziet een kruis ontstaan. Alsof er enerzijds een in memoriam gebracht wordt voor de opgedolven werkelijkheid, en anderzijds aanduidt wat de bewerker van het totale bestaande al heeft kunnen afvinken. Hij haalt er steeds een element bij dat mag rekenen op een volwaardige deelname, met een zo hoge inzet dat er louter ruimte is voor een nieuw begin annex de complete acceptatie van een eind.
Zo is Cornelissen een echte experimenteel, die zichzelf de laatste tien jaar van zijn leven beproefde door, onder het heteroniem Mottenfokker, elke dag een gedicht te schrijven. Hij maakte het gelukkig nog mee dat er een selectie uit verscheen onder de genrebepaling proefsleuven.
Wilbert Cornelissen staat niet in Dichters van het nieuwe millennium (2016) en Bundels van het nieuwe millennium (2018). Onlangs berichtte ik, terzijde, over die nazeggende studieboeken die met alle ontplooide werkkracht vooral treurig bleken. Ze ontberen niet eens zozeer smaak als wel durf. Bij mijn weten is Cornelissens werk evenmin ooit bekroond. Zou dat postuum nog kunnen? Welke bundel van de afgelopen jaren kan zich meten met Kinderlandschappen?
Deze dichter weet grenzen te overschrijden op een achteloze, bijna vrolijke manier. Zoals onlangs een spetterende NewOrleans-brassband het ultiem depressieve ‘Love Will Tear Us Apart’ coverde. Want dat moest ik nog zeggen: dat Kinderlandschappen zo’n verkwikkende indruk maakt, druk als deze bundel is met het oprekken en binnenhalen van zijn eindigheid.
Vanuit Cornelissens werk is er verteld over zijn professionele secretaressebestaan, dat hij iedere morgen aanvatte met gesprekken met alle medewerkers. Een ronde die verder voor zover ik weet alleen nachtwakers maken, zij het zwijgend.
De beschrijving van Cornelissens afscheidsviering noemde ik troostend. Ik proefde ook daar namelijk iets verkwikkends in. Door de geliefde naar een rouwcentrum worden gereden in een bakfiets, ter plekke de deksel van de kist eraf, vrienden en bekenden die in de ruimte rondhangen en opkomen en afgaan van een open podium vol verhalen.


zaterdag 10 november 2018

Tweevoud




Toen ik als kaaskop de grens overtrok, werd me, voor een kennismaking met het nieuwe vaderland, Geert van Istendaels Het Belgisch labyrint cadeau gedaan Het viel onder het non-fictiegenre, wat mij moeite kostte te geloven – alleen al die opdeling in parlementen. Dit is inmiddels bijna twee decennia geleden. Eindelijk heb ik nu ook de leesstrijd aangevat met een andere basistekst, ditmaal een echte roman: De leeuw van Vlaanderen. Een zalig jongensboek, zo overzichtelijk! Langdradigheid op een opmerkelijk muzikaal fond! En tot op het bot fictie? Wellicht is mij onlangs iets ontgaan bij de commotie over het gezelschap Schild & Vrienden, maar Hendrik Conscience vermeldt deze toch wat vreemde, uit zijn voetnoten blijkt historische, woordcombinatie. Ze moet aan het Vlaamse vechtvolk de slinkse aanwezigheid van Fransen doen opmerken, want die blijken zowel ‘schild’ als ‘vrienden’ niet onberispelijk over hun lippen te krijgen. Zoals in de bange Hollandse jaren veertig-vijfenveertig, volgens speelfilms waarin Rijk de Gooijer de kwaaie pier speelde, de Duitse infiltrant zich bij verzetsgroepen verried door de uitspraak van het wachtwoord ‘Scheveningen’?

Voor Pallieter, de bourgondiër uit de Vlaamse letterkunde, is schrijftaal niet interessant, gesproken taal al wat meer, maar daden lijken het best. Voor het enige wat dit personage ooit geschreven heeft, gebruikte hij een knipmes dat zijn schepper Felix Timmermans in de roman een lierenaar noemt. Wat zo verschijnt, op een stuk boomschors, duurt precies drie woorden lang: ‘Melk de dag’. Dat zal Pallieters variant wezen op Carpe diem, waarbij de dag van een roos is veranderd in een uier. Daarbij neem ik aan dat melk een werkwoord is, en geen zelfstandig naamwoord (Pallieter ware de wegbereider geweest voor de lucratieve reclamespreuk Melk de witte motor). Dat die optie kan ontstaan, kleurt de tekst echter wel bij. Misschien is dat Pallieters eigen schuld. Op een vroege wintermorgen, nadat hij sneeuwballen heeft gegooid en geroepen wordt om ‘koffe’ te drinken, watert hij namelijk even snel ‘eerst zijn naam in de sneeuw’. Negen letters, wat een blaasinhoud! Hij heet natuurlijk niet voor niets Pallieter. En weet kennelijk het puntje op de i te plengen. Beheersen ook bourgondiërs de kunst van het doseren?

zondag 28 oktober 2018

Herfstaddendum




Thuis moet ik als Hollandse man opboksen tegen een drie vierde meerderheid. Elk van mijn dames spreekt net een ietsje andere taal, ook tegen opzichte van elkaar, maar die drie varianten vallen alle onder het Vlaams. Ik fungeer mijns ondanks dan als de Algemeen Beschaafde Nederlander van dienst (de uitdrukking ‘van dienst‘ heb ik ergens geleend, mijn geheugen weigert te verklappen waar).
Wij vallen, staan op en begrijpen elkaar.
Al een paar keer sprak de gourmande, nu de temperaturen dalen, van haar ´oorverwarmers´. Mij lijkt het beter in gesproken taal geen correcties door te voeren en bovendien vond ik de term prachtig. Ik zag reeds kabouters uit een op batterijen snorrend apparaatje bezig de boel bij de ingang van de buis van Eustachius op te stoken.
Vandaag begon het taalkundig genie echter ook over ´oorverwarmers´, dus wierp ik toch maar eens op dat mij slechts ´oorwarmers´ bekend zijn. Waarna de wegkapitein, die pas echt een deskundige is, zich hardop afvroeg waar ik het eigenlijk over had.
Leve het web. Op ´oorverwarmers´ kreeg ik heel wat treffers, zij het allemaal met de extensie be. En de jonge onderzoeker in mij die ging door, richting de Woordenlijst Nederlandse taal, waar louter ´oorwarmer´ en ´oorwarmers´ te vinden zijn.
Misschien moet de heer Van Dale dan eens een onderhoud aanvragen, want hij kent het woord niet in enkelvoud. Is het dus een Siamese tweeling? Want wat als men een van de twee dingen verliest? Of kan dat niet, omdat ze door een brug van plastic of staaldraad tot elkaar veroordeeld zijn?

Oorwarmers zelfstandig naamwoordmeervoud 
1  kleppen die dienen om de oren tegen de kou te beschermen bij vriezend weer

Ook Van Dales kleppen, die ik associeer met leer, brengen me in onzekerheid. Naar mijn idee kunnen dat ook bollen zijn, pluizig, van wol. Maar dat deed er niet toe voor het familievraagstuk. Ditmaal eindigde de partij onbeslist, en had een kwart evenveel punten als drie kwart.
Mij ontbreekt het talent en de bravoure om een Wikipedist te worden, maar voor één, bij dezen gehyperlinkt lemma, over concrete, voor buitenstaanders mogelijk ‘narcistisch’ overkomende taalverschillen binnen het Nederlands, heb ik sinds vandaag dus een extra voorbeeld.

zondag 21 oktober 2018

Versleten redes




In een als het ware voor de kat heur viool uit de hand gelopen comment was ik zo ijdel te melden Wees onzichtbaar te lezen. Ik heb deze roman van Murat Isik inmiddels uit en blijf bij mijn standpunt onderweg: buitengewoon interessant boek, maar niet voor de taal. Wel kan ik me nu indenken dat een vlakke, berichtende stijl gepast is om onderbelichte geschiedenis te delen.
Wees onzichtbaar vertelt over de legendarische Amsterdamse buitenwijk de Bijlmer – bedacht in de jaren zestig, opgeleverd in de jaren zeventig – waarvan nogal wat grootse bedoelingen reeds op de tekentafel zouden zijn aangepast aan het budget. De werdegang van die publieke ruimte zet Isik af tegen de opgang van zijn hoofdpersoon Metin.
Deze Metin kan in zijn introversie en handelingsluwte een stereotiep huiskamerrealistisch literair personage heten, ware het niet dat hij een Turkse Nederlander is met een migratieachtergrond. Ik hoop dat ik het zo goed uitdruk, in mijn permanente verwarring als Hollander in België (die daar recent nog door een eveneens ingeweken Duitse vrouw werd onderhouden over ‘allochtonen’).
Isiks roman vertelt geschiedenissen die witte provincialen als ik niet kennen. Zo komt de nog immer schokkende Bijlmerramp uit 1992, waarvan ik me herinner dat ze, zoals de roman meldt, in het nieuws insloeg tijdens Studio Sport, naar voren vanuit het perspectief van naaste wijkbewoners die zich naar de plaats des onheils spoeden.
Het was lang geleden dat ik zo heb meegeleefd met het wel en wee van een personage. Zeker Metins middelbareschooltijd enerveerde me zo, dat mijn betweterij annex irritatie over het taalgebruik achterwege bleef. Louter fictie kan zulke gevoelens opwekken. De klinische chirurg in mij veranderde even in een luidruchtig medemoreel wezen, zoals dat ooit bij het kennisnemen van J.B. Schuils boeken in mij actief was
Dit doet vermoeden dat literatuur een opvoedende kracht heeft. Zo stond het ook ongeveer in de tussenversie van Curriculum Nu, de tekst over het middelbareschoolonderwijs waarop mijn lange comment trachtte in te gaan. De tot competentie omgetoverde eigenschap ‘empathie’ valt dan snel. En dat literatuur dit neveneffect kan sorteren, daar bestaat zelfs wetenschappelijk bewijs voor.
Zoiets stemt hoopvol. Toch heb ik me vaak afgevraagd: zijn lezers echt een aparte mensensoort, en zouden literatoren betere mensen zijn dan niet-schrijvers? Ik weet het niet.
Ronduit onbegrijpelijk vind ik zelfs het idee dat poëzie ontoegankelijk en elitair is. Als het klopt dat literatuuronderwijs de laatste decennia gevangen is genomen is door taalbeheersing, om te leren hoe zakelijke teksten te lezen en te schrijven, dan is het ideale breekijzer voorhanden. Gedichten zijn relatief kort en vergen voor een kennismaking dus een concentratieboog die zelfs voor smartphone-verslaafden doenbaar moet zijn.
Zeker klassikaal kan poëzie uitnodigen tot meedenken, tot het uitwisselen van ervaringen en kennis. Ze vraagt om interpretatie van een gecondenseerde boodschap. Daarbij is het een handig instrument voor geschiedenisonderwijs, om gebeurtenissen of vroegere gedichten bloot te leggen waarnaar de tekst kan verwijzen. Er komen wellicht wat andere kunstvormen bij, wat politiek, aardrijkskunde, biologie… Pure democratie dus, poëzie, dankzij taal ‘die van ons allemaal is’.
Isiks Wees onzichtbaar bevestigt die indruk. Metin zou op basis van zijn afkomst een jongen met een taalachterstand moeten zijn, maar juist lezen en schrijven gaan hem het best af – reeds op de lagere school heeft hij een wiskundefobie die hem tot een heuse alfa maakt. Pas op de middelbare school krijgt hij ook in dat specialisme last, vanwege zijn uitspraak.
Dan zit hij al op het vwo, het hoogste denkbaar, waartoe zijn vader de beslissende zet gegeven heeft omdat deze geen genoegen nam met het bekende voorzichtige advies voor de havo.
Toch is de vaderfiguur de steen des aanstoots, voor zijn hele gezin eigenlijk. Tegen het einde meldt de roman: ‘We wezen hem er keer op keer op dat hij geen dialoog met ons voerde, maar in eindeloze monologen tot ons sprak, versleten redes die doorspekt waren met dogma’s uit het begin van de jaren tachtig.’ Hier stond ik paf. Al tijden probeer ik de beeldvorming over het decennium te volgen dat voorafgaat aan wat Metin hier hekelt. Het blijken telkens ‘de jaren zeventig’ die schier naturel een monsterverbond aangaan met ‘dogma’s’.
Naar mijn gevoel gingen juist in de jaren tachtig posities schuiven, doordat pragmatiek de overhand kreeg. Uit dat decennium ook stamt in Nederland bijvoorbeeld het bami-akkoord waar, door de uitruil van loonmatiging en arbeidstijdverkorting, werkgevers en vakbonden eendrachtig tot een vergelijk kwamen over de middellange termijn.
Hier werd dit weekend nog aan herinnerd, bij het overlijden van Wim Kok, een architect van dat akkoord. De oer-architect van de Bijlmer was duidelijk een andere.
Werkelijkheid en beeldspraak, verdragen ze elkaar? Ik weet niet of de onvermijdelijkheid komisch of tragisch was dat necrologieën van Wim Kok zijn rede vermelden waarin hij, als sociaaldemocraat, de ideologische veren afwierp. Dat beeld stamde immers van de ultraliberale Neelie Kroes, en was via haar toenmalige amant op het allerlaatst bij Kok geraakt.
In zijn versie moest ‘ballast’ afgeworpen worden. Dat verwijst waarschijnlijk naar luchtballonnen, zodat men stijgen kan. Maar de ‘veren’, waarmee Kroes van jongs af gepronk en blabla had bedoeld, zitten veeleer aan vogelachtigen. Ik ben geen ornitholoog, maar kan me voorstellen dat zij met een kaalgeplukte huid neerstorten.
Murat Isik, Wees onzichtbaar, de openingszin: ‘In de tijd dat de eerste springers te pletter vielen van onze flat, begon mijn vader aan zijn nachtelijke pleziertochten door Amsterdam’.

Naschrift
Mijn vermelde comment, dat de aanleiding was tot de bovenstaande posting, werd meegenomen in een latere deelbespreking van Curriculum.Nu, waarop er een aardig debat losbarstte. En daarover volgde zelfs een metadebat, waaraan schijnbaar tot zijn eigen verbazing een van de bedenkers van het Curriculum bijdroeg.

zondag 14 oktober 2018

Aub




Gisteren bij de bakker voltooide een meneer zijn bestelling met ‘a.u.b.’. Schijnbaar niets bijzonders voor een land waar tijdens de dagelijkse uitwisseling van diensten en woorden ‘asjeblieft’ veel vaker weerklinkt dan in Noord Nederland, net als ‘misschien’, zij het dat de meneer het woord als afkorting uitsprak.
Ik voelde me decennia teruggeworpen in de tijd. En hoorde roepen: ‘Schoenen uittrekken, aa-uu-bee!’ Op hoogtijdagen ook wel: ‘Schoenen uittrekken, es-vee-pee!’ Van die verzoeken ging een zachte maar besliste dwang uit, herinner ik me. Ze stemden minder opstandig dan expliciete bevelen als ‘Schoenen uit!’ of ‘Doe je schoenen uit!’. Maar ergens voelde ik dat ik ook in de beleefde verzoekvariant werd geacht te gehoorzamen.
Bestaan soortgelijk behandelde uitdrukkingen nog?
Na een dag piekeren kom ik niet verder dan een hele rij met functionele termen (cfk, fte, gps, IQ, ngo, ZZP’er…), die wanneer ze bij hoge uitzondering volledig worden uitgesproken slechts verwarring zouden stichten.
Verder wint in het communicatiewezen de ‘pee-es’ het nog altijd van het postscriptum, zoals het de aanbeveling verdient iemand ‘in see-see [te] zetten’ in plaats van in carbon copy. In Vlaanderen blijft daarnaast de aanduiding ‘bee-vee’ de ronde doen voor Bekende Vlaming (Bekende Wallonen zijn er helaas amper, zodat ‘bee-wee’ hooguit de associatie oproept met de man die vandaag in Antwerpen een afspraak met de geschiedenis beweert te hebben).
Tot nog toe wil me dus geen uitdrukking te binnen schieten met dezelfde status als ‘aub’. Behoort de techniek dus tot het verleden? En in hoeverre is ze echt een Noord-Nederlandse hebbelijkheid? In mijn jonge jaren kon iets ‘ef-el’ kosten, indien dat erg veel was dan riep men ‘gee-vee-dee’ en moest men sparen om het ‘tee-zet-tee’ alsnog te kopen.
T.z.t.! Er is in schriftelijke communicatie een uitdrukking geslopen die voor mij lang domweg een raadsel was. Maar zelfs nu ik, dankzij geschreven uitleg, begrijp dat ze het tegenovergestelde van ‘tee-zet-tee’ betekent, weet ik nog altijd niet hoe ze moet worden uitgesproken, asap.

donderdag 4 oktober 2018

Oeps




In het geboorteland blijkt Sigrid Kaag, minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, grote indruk te hebben gemaakt. Ik lees op het web althans het nodige terug over haar Abel Herzberglezing. Natuurlijk ligt er ergens in mij een mening te popelen over wat de naar verluidt aanstaande leider van D66 zoal te berde heeft gebracht, maar ik moet ook nog eten geven aan de schoenmaker die bij zijn leest wil blijven.
Dus laat ik me beperken tot het vermoeden dat Sigrid Kaag minstens één woord heeft uitgesproken waarvan ze ofwel de betekenis niet kent ofwel niet overziet.
Dit is mij ook al eens gebeurd, gedurende mijn hele leven tot nog toe om precies te zijn.
Pas onlangs werd mij dankzij mijn dochters bijvoorbeeld duidelijk dat ‘pistache’ eveneens de noemer is voor het natuurverschijnsel onafhankelijk van elkaar op hetzelfde moment hetzelfde te zeggen. Ook haastte ik me als puber eens naar huis om in het woordenboek te zien wat een vriend en vriendin met elkaar uitspookten. Uit een vertrouwelijk gesprek in een café bleek namelijk dat hun verkering in eerste instantie ‘platonisch’ was.
Maar goed, dit zijn vaktermen van anderen.
Uit mijn eigen mond is er geregeld iets gekomen waarvan de strekking me duister was. Zeer jong al, bijvoorbeeld bij verstoppertje spelen, wanneer ik triomfaal ‘buutvrij’ riep. Of toen ik, in ongeveer dezelfde leeftijdscategorie, rond Sinterklaastijd manisch probeerde te rijmen, liefst in gezelschap, en uitkwam bij ‘flikkerdepik’. Mijn veel oudere broer moest daar erg om lachen, dus hield ik het woord in mijn repertoire, als een mantra.
Het beschamendste vind ik tot op heden een woord dat ik gebruikte bij mijn debuut als freelance cultuurverslaggever. Als excuus wil ik nog altijd opvoeren dat het in een recensie was van een avondvoorstelling, dat ik er lang over had gedaan om de wachtwoordprocedure te slechten en dat vanuit een glazen hok de eindredacteur begon te brommen. Maar het is even waar dat ik indruk wilde maken als taalvirtuoos annex autoriteit, als pas afgestudeerd neerlandicus. En zo staat het me nog helder bij dat ik zelfs geen synoniem wilde overwegen voor, tja, ‘op instignatie van’.
Nu ja, ik heb dus compassie met één detail uit minister Kaags recente lezing. En stiekem hoop ik dat ik er naast zit. Laat ik zekerheidshalve het woord in de context citeren:

Wie de gewelddadige geschiedenis van ons Europese continent doodzwijgt en daardoor niet meer weet tot welk menselijk lijden nationalistisch geweld leidt, wie niet meer weet wat voor zinloze armoede en verlies wordt veroorzaakt door economische en monetaire concurrentie tussen landen, hoeveel kansen voor ontwikkeling en welvaart er verloren gaan door achterhaald protectionisme en handelsbarrières, die kan de enormiteit van het slagen van de Europese eenwording niet meer op waarde schatten. En wat niet meer op waarde wordt geschat, kan verloren gaan.

Mochten er mensen zijn die deze redenatie goed kunnen volgen, dan kunnen ze nu wegklikken.

Is daar nog iemand? Tussen ons gezegd en gezwegen kan er door mij ook weer niet voor 100% worden gegarandeerd dat hier iets niet klopt. Ik heb namelijk drie edities van Van Dale nageslagen op het woord. En er bestaat de betekenis ‘overmatige grootte’, die Kaag hier kan hebben bedoeld, in positieve zin wel te verstaan. Als een megasucces dus, en niet als iets wat daaronder bezwijkt.
Dat laat een andere, volgens mij toch wat dominanter betekenis onverlet, in welke variant ook: ‘grote stommiteit’, ‘grote domheid’, ‘verregaande onkunde’.
Voor wat het waard is, lees vanuit die wetenschap de andere passage uit de Herzberglezing waarin de minister het heeft over de enormiteit – en raak ontroerd van haar relativeringsvermogen:

‘Ik ben geboren in 1961 in Rijswijk. Ik ben Nederlandse. Ik ben Europeaan. Een voorrecht dat ik nergens aan te danken heb. Talent, ambitie, hard werken, het heeft er allemaal niets mee te maken. De enormiteit van het voorrecht is er niet minder om.’

dinsdag 2 oktober 2018

Noem het pernicieus, S.





Onlangs bekeken we met het hele team een dvd waarop twee prachtige korte films in de categorie ‘alle leeftijden’. Ze waren van de Franse regisseur Albert Lamorisse. De eerste, Le Ballon Rouge uit 1956, is befaamd. In een zichtbaar naoorlogs Parijs speelt Lamorisse’s zoon Pascal de hoofdrol van een jongetje dat een knalrode ballon uit een lantaarnpaal plukt. Daarna blijft het ding, in de grijze stad extra opvallend, vlak bij hem. Als was het een huisdier – bij kinderen en volwassen fantasten kan dat. Wel bestaat er zoiets als de mensheid, die iets moois geneigd is te vernietigen. Een groepje raddraaiers weet met een katapult de ballon uit de lucht te schieten en te doen verschrompelen. Toch kent Le Ballon Rouge een happy end, want alle ballonnen der wereld verzamelen zich bij het jongetje dat zo kan opstijgen.
Ik noem dat een happy end, in het kader van de verengelsing van de maatschappij natuurlijk. En ook omdat het jongetje, in de lucht boven de huizen, gezegend oogt. Mij stemt de verhaalontwikkeling echter droef. De illusie van het jongetje kan louter voortduren zonder soortgenoten, verheven boven de dagelijkse wereld. Alsof het een heilige is. Maar zowel het taalkundig genie als de gourmande vond het een prettig slot. Laatstgenoemde ducht nota bene elk teken van onheil. Blijkbaar overwoog in haar perceptie de intense tevredenheid van het jongetje.
Nog krasser vond ik hun reactie op de andere Lamorisse-film, Crin Blanc uit 1953. Deze speelt in de Camargue. Wilde paarden draven er door vlaktes van zand en gras en riet en water. Zo ook de titelheld, Witte Maan, op wie drie boeren het hebben voorzien. Het paard wordt in bescherming genomen door het jongetje Folco dat met zijn zus en opa leeft van de visvangst. Hij wil Witte Maan hebben, wat de boeren verleidt tot de grap dat dit mag als hij het dier vangt – en dat Folco dit zoveel tijd zal kosten dat zijn vissen vleugels hebben gekregen. Uiteraard slaagt het jongetje in zijn missie, ware het niet dat de drie boeren hem samen met Witte Maan klemrijden aan zee. En dan gaat het onafscheidelijke tweetal het diepe in. De vertelstem weet dat ze naar een eiland vertrekken waar mensen en dieren in harmonie samenleven.
Opnieuw waren mijn kinderen dolenthousiast. Terecht, daar niet van, maar ze vonden ook deze film goed aflopen. Geen moment hadden ze de indruk dat Folco en Witte Maan voor hun eenwording moeten sterven. Het taalkundig genie zei het mooi te vinden dat zo’n eiland van harmonie bestond. Na mijn ervaring met de eerste film kon ik dat alleen maar beamen, al kraste er een raaf dat ik mijn kinderen de waarheid moest vertellen. Vergeefs, mij ontbreekt ook het talent voor postdoodillusies, hoewel ik week word van de frase ‘En ze leefden nog lang en gelukkig’.
Ik ben er nog altijd niet uit hoe kunstwerken zulke strijdige interpretaties kunnen opleveren. Daarbij durf ik niet te beweren dat de mijne beter is. Mijn kinderen zien wat ze zien en ik geloof hen. Wel is mij de ‘onvergetelijke’ annex ‘verpletterende’ indruk bekend die kunst op jonge leeftijd kan maken. Ik word daar zelfs dagelijks aan herinnerd, nu ik samen met de gourmande Alleen op de wereld lees. Van Hector Malots klassieker stonden me slechts twee fragmenten bij: uiteraard het slot waarin alles goedkomt (voor zover mogelijk na alle dierbare doden) en een logeerpartij van Remi, vrij aan het begin, op een boot bij een verlamde jongen en diens moeder. Ooit verdroeg ik het amper dat Remi, die zielsblij was op het water, dat tweetal al snel moest verlaten. Elke herlezing paarde zich aan de hoop dat het ditmaal koek en ei bleef op de boot.
Bij het einde zijn de gourmande en ik nog lang niet, maar de bootpassage hebben we al gehad. En nu frappeert het me, hoezeer Malot de verlamde jongen en moeder vanuit de wees Remi beschrijft in familietermen. Ik kan het amper knipogen of aankondigingen noemen – het slot duikelt achterover in de tekst! Zag ik destijds niet? Vermoedelijk overweldigden mij de sentimenten zodanig, dat de losse woorden waarmee ze verteld werden me ontgingen.
Natuurlijk wist ik destijds evenmin dat literatuur de usance kent lezers meteen te imponeren. De tijd die schrijvers spenderen om een achteloos betekeniszwangere openingszin te krijgen! Hier wat beginnetjes met een zekere renommee:

(a)     Wij verwachten uw antwoord op driekwart mijl afstand van Lausanne in een aardig huis dat ik te leen heb gekregen.
(b)     Ik was tweeëntwintig en had net mijn studie aan de universiteit van Göttingen voltooid.
(c)     Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.
(d)     Iemand moest Jozef K belasterd hebben, want zonder dat hij iets kwaads gedaan had, werd hij op een ochtend gearresteerd.
(e)     Traag en onverschillig, met gemak de ruimte van zijn vleugels schuddend, zijn weg kennend, vliegt de reiger over kerk onder de hemel.
(f)      Ik herinner mij niet precies meer hoe en wanneer de vreemdeling in huis gekomen is, maar hij loopt hier nu voortdurend rond.
(g)     De portier is een invalide.
(h)     In het begin wilde het meisje van de Dauphine per se de tijd bijhouden, al kon het de ingenieur van de Peugeot 404 niet meer schelen.
(i)      Op de dag dat Inni Wintrop zelfmoord pleegde stonden de aandelen Philips 149.60.
(j)      Toen Joana Carda met de olmtak een streep trok op de grond, sloegen in Cerbère alle honden aan, wat de plaatselijke bevolking vervulde met angst en ontzetting, want men geloofde al sinds de oudste tijden dat het eind van het universum nabij was als die dieren daar, waar ze nimmer een kik hadden geven, zouden blaffen.
(k)     Hij had er beter aan gedaan van al zijn zinnen uitsluitend de reuk en smaak te vertrouwen en dan nog alleen voor zover ze hem zijn eigen verrotting lieten ruiken en proeven: wat zijn oor ving was onherkenbaar vervormd door de angst, onder zijn aanraking kregen de dingen onmiddellijk een andere huid, terwijl zijn ogen ook wijd open niet veel anders meer zagen dan het schouwspel dat zijn vergiftigde brein voor zichzelf opvoerde.
(l)      Voortgestuwd door de stroming bewoog de praam zich snel oostwaarts over de brede rivier, die door de boeg in tweeën leek te worden gespleten.
(m)   Ik ken hem niet eens, denkt Esther, terwijl hij zijn hand verder onder haar rok schuift.

Een goed begin is het halve werk, heet het. Schrijvers ervaren bovendien dat het lastig is te stoppen, wanneer over plotopties onvermijdelijk een besluit moet vallen, desnoods met een open einde. Toch vind ik juist de meeste boven geciteerde zinnen, als ik zo vrij mag zijn, geforceerd. Wat dan te denken van de bijbehorende slotzinnen?

(a)     Door mij te dwingen, mijnheer, u dit zo droevige verhaal te vertellen, heb ik in zekere zin gemeend haar zin te doen en haar te gehoorzamen; om dezelfde beweegreden, dezelfde tedere eerbied voor haar nagedachtenis, zweer ik, al kan ik u ook geen vriendschap beloven, althans elk gevoel van haat af.
(b)     Zulke relaties aangaan is niet de manier om gelukkig te worden in het leven; wie zich eenmaal op die weg heeft begeven, heeft nog slechts de keuze tussen verschillende kwaden.
(c)     Maar mijn leven, mijn hele bestaan, onafhankelijk van wat er met me kan gebeuren, en elk ogenblik daarvan, is van nu af aan niet meer zoals vroeger zonder zin, maar is zinvol geworden door het goede waarmee ik het vullen kan.
(d)     ‘Als een hond!’, zei hij, het was alsof de schaamte hem zou overleven.
(e)     Traag en onverschillig keert de reiger terug; de hemel trekt een sluier voor zijn sterren; en onthult ze dan weer.
(f)      Zet dat kind in zijn stoel en laat die tekst met vrede, op hoop van zegen.
(g)     Maar geen enkel bewijs voor de hypothese die ik bewijzen moest.
(h)     En aan de radio-antenne fladderde het vlaggetje met het rode kruis wild heen en weer; ze reden nu tachtig per uur in de richting van de lichten die langzaam groter werden, zonder dat ze nog goed wisten waarom zo veel haast, waarom dat gejacht in de nacht tussen onbekende auto’s waarin niemand iets van de anderen wist, waarin de mensen strak voor zich uit keken, alleen maar voor zich uit.
(i)      Er bestonden dus kennelijk twee werelden, een waar de Taadsen wel, en een waar ze niet vertoefden, en gelukkig bevond hij zich nog in de laatste.
(j)       De olmtak is groen, misschien bloeit hij volgend jaar.
(k)     Hij was nog maar net begonnen aan zijn zelfmoord – mondjesmaat.
(l)      Op dat moment wist ik één ding zeker: hij zou me nooit meer verlaten.
(m)   Of het een kat is, of een vorm, uitgesneden als het lichaam van een kat – en of het nog leeft en spint binnenin, of al volop dood is, opgelost en ontladen – maar dan breekt het eindelijk door de deur, en het antwoord is: ja, hoe dan ook, helemaal, volslagen: ja.

Een steekproef van niks natuurlijk, maar het peil ligt hier volgens mij hoger dan bij hun aanstichters. Alsof de dienstdoende genii al doende in vorm raakten. Geef mij dus maar liever een trap na, zoals Lamorisse ten overvloede deed.

maandag 24 september 2018

Waarom?




Bij een festival in Utrecht bleken voor een voorleesmarathon van Anna Karenina exclusief vrouwen aangezocht, omdat Tolstoi’s hoofdpersoon ‘navigeert tussen haar rollen als minnares, echtgenote, moeder en prominent lid van een gemeenschap ’. Dat verwekte een ingezonden brief van Lieke Snelling. Stof van de archetypische Moeder de Vrouw-rel opwerpend, vond deze literatuurwetenschapster dat de voorlezeressen ‘een soort harem’ vormen ‘ter meerdere eer en glorie van een mannelijke auteur’. Auteur Pieter Waterdrinker proefde in die kritiek censuur (‘Es kotzt mich an’) en leesbevorderaarster Lidewijde Paris zag andere bedoelingen bij vrouwen die ‘gewoon met plezier en passie een mooie roman willen voorlezen, uit eigen vrije wil, gratis voor iedereen’.
Het was alsof men in Noord-België een genretoneeltje wou opvoeren dat Rudi Laermans net had geanalyseerd. De Leuvense socioloog ontwaarde cultureel-artistieke stellingoorlogen, waarbij gemeenplaatsen onvermoeibaar leken. Opmerkelijk was dat hij zijn pijlen richtte op linkse bijdragen aan stormpjes over identiteitspolitiek. De wens om onrecht bloot te leggen liet langs de achterdeur ‘een homogeniserend groepsdenken’ binnen. En het gepraktiseerde 'tekstivisme', waarin tekst en activisme samentrekken, huldigde de spektakellogica. Naar mijn gevoel poogde Laermans zo een balans te herstellen die ongewild was doorgeslagen. In 1997 had hij ‘neokritiek’ aan de kaak gesteld, geruisloos, totdat vijftien jaar later dit concept werd gerecupereerd in een Jeroen Mettes-uitgave. Waar neocritici ‘hypocrisie’ bij machtiger geachte Gutmenschen bespeurden, doen tekstivisten vanuit een diametraal ander gezichtspunt hetzelfde, begrijp ik. De verleiding van demystificatie blijft onverminderd.
Het kunstwerk dat ten prooi valt aan kritiek, stelde Laermans, doet er in het betoog eigenlijk niet zo toe. Hooguit is het de aanleiding, waarna steekwoorden (‘intersectionaliteit’) voor mede- en tegenstanders volstaan om te weten hoe de vlag erbij hangt. Snelling stapte in het Karenina-geschil met wat schetsen over identiteit en vrouwen en geschiedenis inderdaad soepel over naar de aanklacht. En haar oplossing, voorlezen uit Virginia Woolf, leek even schematisch. Tegelijk bezigde Paris termen die hooguit geschikt zijn voor mijn omzeillexicon in aanbouw. En wakkerde Waterdrinker een beschamende reflex aan dat de vrijheid van meningsuiting gevaar zou lopen.
Misplaatst vind ik het slot van Paris’ repliek. Niet zozeer omdat ze met haar gebod ‘Niet mekkeren’ insinueert dat Snelling een geit is, als wel omdat ze, in een week dat de neerlandistiek wereldnieuws was wegens een schamel aantal inschrijvingen, een vals onderscheid schept tussen soorten lezers waarbij academici aan de verkeerde kant staan: ‘Je bent een literatuurwetenschapper, laat ons nou maar lezen en dan doe jij de wetenschap.’ Paris doet van alles uitschijnen dat ik liever niet overzie. Maar het zal plakken van wereldvreemdheid, levenskunst en subsidies. Het neerlandistieknieuws bleek nota bene columnistische glunder losgemaakt te hebben in dankbare herinnering aan Karel van het Reves broodje-balwijsheden over ‘de’ literatuurwetenschap uit de jaren zeventig.
Waarom toch? Misschien moet ik vanuit Paris nagaan wat literatuurwetenschappers in de Lage Landen doen met vrouwen in een genre dat me bezighoudt, poëzie. Indicaties geeft dan een lofwaardig tweelingproject: Dichters van het nieuwe millennium (2016) en Bundels van het nieuwe millennium (2018). Vrouwen zijn er uitstekend in vertegenwoordigd, zowel onder de besprekers als onder de besprokenen. Wel is het niveau van de bijdragen ongelijk, wat deels zal voortkomen uit de kwaliteitsverschillen tussen de gekozen dichters. Citaten kunnen onbedoeld doen terugdeinzen, zoals bij Maud Vanhauwaert. Haar oeuvre, dat twee bundels beslaat, wordt nota bene in beide studies belicht, door de ervaren wetenschappers Jan Konst en Elke Brems.
Alles wat geïnteresseerden van en over Vanhauwaert te horen krijgen, voldoet veeleer aan de bevinding van plezier en passie. Het doorprikken van het alledaagse, onverwachtheid, de aparte leeshouding die poëzie zou vergen, diepgang, het onvanzelfsprekende, grapjes, spel met conventies, leegte en eenzaamheid, verstoorde communicatie, raadsels, het onaffe, associatie en analogie en, naar het schijnt, de kritische blik. Daartussen staan netjes opmerkingen van collega-beschouwers. Plus iets over interactie die Vanhauwaerts gedichten gelukkig aantrekkelijk maakt voor meer lezers dan dit genre gewend is. En die de keuze legitimeert voor haar als Antwerps stadsdichter, wars van tekstivisme en, getuige haar standaardfoto met een koffer op de schouder, onderweg naar arcadia. Daarover zwijgt deze literatuurwetenschap. Net als over het enigma waarom Vanhauwaert eveneens geconsacreerd is (tot in de redactie van het vernieuwingsgezinde tijdschrift DWB).
Zekerheidshalve: ik vind Vanhauwaert geen zwakke maar onbijzondere dichteres. Haar bewieroking dwingt schrijfsters tot het type onschuld waarbij raffinement wordt verondersteld, tot conformistisch non-conformisme. Waarom toch? Kan het anders, wel degelijk in de richting die Lieke Snelling wilde? Misschien moeten er voorwaarden worden geschapen waaronder literatuur de grootste kans heeft in het ongrijpbare ding dat we maatschappij noemen. Is het format van de bundel dan minder geschikt dan het evenement? Zo werd ik attent gemaakt op het poëzieprogramma Dichteressen na #metoo waarvan de korte aankondiging dat tenminste belooft:

‘De nieuwe generatie dichters staat zelfverzekerd op het literaire podium, geëngageerd en bevrijd van ieder juk. En oh ja, het zijn vaak vrouwen. Een jaar nadat het #metoo schandaal uitbarstte, laat BOZAR vijf dichteressen stevig terugslaan met poëzie. Tijdens de internationale dichtersavond Transpoesie lezen ze voor uit eigen werk, terwijl de Nederlandse, Franse en Engelse vertaling verschijnt op groot scherm.’

Over homogeniserend groepsdenken gesproken! Er werd niet eens geprobeerd een idee te formuleren, laat staan dat er uitleg was over de vijf dichteressen die het mochten invullen. Louter algemeenheden over de actualiteit, over vrouwen en over poëzie, op een toontje dat taal zelf beledigt (‘stevig terugslaan‘, ‘juk‘: materiaal voor mijn omzeillijst). Duister blijft of poëzie hier een spektakel dient of toch als ongewenste intimiteit geldt of als grensoverschrijdend. Er kan, hopelijk correcter dan in Bundels van het nieuwe millennium, geciteerd uit Vanhauwaert:

Wat doen we met het lichaam waaraan
een man zich optrok die zich daarna in
de mond drong en zei ‘je hebt het bij het
rechte eind’.

Met het verkrachte meisje en de mensen
die zeggen ‘zo mooi is ze toch niet’_

Sinds auteurs publiceren is het de hamvraag of hun teksten voorbij de esthetische conventie iets teweeg kunnen brengen. Het antwoord was meestal ontkennend, soms kwam er scepsis, sporadisch hoop. Maar voor deze gelegenheid is de vraag tevoren vermorzeld. Ook stuit het me tegen de borst dat dit programma prestigieus is, uit de koker van organisaties van naam en – het werd al aangeraakt – met aanzienlijke budgetten dankzij belastingbetalers. Bestaat het begrip ‘institutioneel cynisme‘ al?

maandag 17 september 2018

Uit de werkplaats





Uit samengestelde voornaamwoordelijke bijwoorden kan in België ‘er’ wegvallen. Het heeft even geduurd voordat ik de systematiek doorkreeg en mijn rode potloodje opbergen kon. Slordigheid noch personificatie regeerde. Een recente headline weet bijvoorbeeld: ‘Anonieme performer getuigt: “Fabre is als praline met rattenvergif in”.’ Hier staat het voorzetsel moederziel alleen efficiënt te zijn.
Iets van deze gewoonte moet zijn overgewaaid naar Nederland. Achter in een achteloze zin kan daar een voorzetsel aan komen sukkelen, dat was losgeraakt van bijwoordelijke bepalingen. Alsof de spreker tot slot alle stukjes verstrekt waarmee een correcte frase bijeen kan worden gelegd. Zo verklaarde afgelopen weekend de coach van PSV: ‘Aziz en Guti ben ik uiterst tevreden over.
Is dat exclusief spreektaal? Ooit verbreidde zich de merkwaardige uitdrukking ‘Daar is niks mis mee’. Ze verloor haar koplamp: ‘Niks mis mee’. Misschien heeft de ruimte van Twitter met dat beperkte zicht te maken. De ultieme formule in dezen is hoe dan ook: ‘Blij mee’.
Wat belandt daarvan in literatuur, dé plek waar registers botsen of in elkaar vervloeien? In Diepe aarde laat Maria Vlaar een egocentrische papa bekennen: ‘(…) ik genoot echt wel van hoe Masha en George samen over de vloer kropen met houten autootjes die zij voor hem kocht (…)’. Ondanks jaren gewenning in België mis ik in dit zinsfragment ‘er’, om precies te zijn tussen ‘genoot’ en ‘echt’. Of is dit een spreekgedachte? Zeker ben ik (er) niet (van).

Tekstbestanden op de computer geven rust, omdat je voortdurend kunt surfen naar woordenboeken en feiten controleren. In bijschriften zijn voor de auteur typeletters bovendien leesbaarder dan welk handschrift dan ook. Da’s niet te onderschatten bij suggesties, zeker wanneer je besmuikt poogt een onmogelijk beeld te signaleren, anders dan met een kringeltje.
Bij mij staat de computer, een desktop, op een bureau. Rug, schouders en nek laten zich al vrij snel gelden. Een pak papier is gezonder om te redigeren. Je krijgt er bovendien meer afstand tot de tekst door, en dus minder kans op schermblindheid.
Wel komen er naslagwerken om je heen te liggen, voor de controles. Minder praktisch buitenshuis. Op windgevoelige plaatsen, in het bijzonder op het strand, heb ik sowieso afgeleerd te redigeren; vele treinen hebben smalle opzettafeltjes waarop het pak papier schuift, wat bij een scherpe bocht ongewenste gevolgen heeft. Toch maar thuisblijven dan, in ruimtes die meer uitnodigen tot ontspannen dan een studeerkamer?
Ik ben afgunstig op Nikki Dekker die in een generatiebundel onthulde: ‘Tieten zijn twee zichtbare hompen die je overal met je meesjouwt – die je zelfs als boekensteun kunt gebruiken wanneer je op je rug op de bank ligt te lezen’.

Rivieren van Martin Michael Driessen vind ik een van de tamelijk geweldigste Nederlandse literaire boeken van de laatste jaar. [Opdracht: herschrijf deze zin.] Ik vraag me wel af hoe dicht de redacteur op deze verhalenbundel zat. Het fijne vind ik dat ze doorgecomponeerd is, wat meer overlegrondes vergt. Door steeds nieuwe tips en ideeën kan een auteur eigen tekst gaan doorgronden en dan onderdelen naar elkaar toe schrijven. Bij de eindes van Driessens drie verhalen veranderen namelijk verteltempo en tijd steevast. Ze worden drastisch, zoals in lagereschoolopstellen waar tijdens de ultracreatieve daad buiten de zon kon gaan schijnen of de pols domweg pijn kon doen.
Een ander bedrijfsongeval bij zo’n grondige aanpak is dat spellingsdingetjes blijven staan, mogelijk uit het idee dat er nog een redactieslagje komt. Op blz. 116 staat er over fruitboompjes dat ze worden ‘gepland’. Krijg nau wat! Toch valt die spelling met wat bochtige redenaties te verdedigen. In het geheel van teksten per dag leest een vermoeide persklaarmaker bovendien vaker over plannen (je seg plennen) dan planten. Mij was de fout ook niet meteen opgevallen. Een wakkere bibliotheeklezer had in de marge het potlood gehanteerd, met een overigens sympathieke grijstoon.

zondag 9 september 2018

De telefoon



Behalve dat woorden van betekenis veranderen, ontwikkelen de voorwerpen waarnaar ze kunnen verwijzen zich evengoed. Hoe gaan woordenboeken met die nimmer versagende metamorfoses om? 
Ik nam de proef op de som en belde naar de heer Van Dale:

telefoon zelfstandig naamwoordde mtelefoons, verouderd telefonen 1886 Frans téléphone, gevormd van Grieks tèle [ver] + -foon 

1 toestel om geluid, m.n. de menselijke stem, over te brengen d.m.v. galvanische stromen, die in geluidstrillingen worden omgezet
mobiele telefoon toestel voor mobiele telefonie
vaste telefoon toestel voor vaste telefonie
in iemands telefoon staan met zijn telefoonnummer in het adresboek staan dat is opgeslagen in iemands (mobiele) telefoon
informeel voortdurend op zijn telefoon zitten er steeds mee bezig zijn, bv. door te sms’en of te appen

2 aansluiting op het telefoonnet
draadloze telefoon = looptelefoon
publieke telefoon openbare gelegenheid waar je kunt telefoneren tegen inworp van een of meer geldstukken of na invoering van een betaalkaart in een automaat
de rode telefoon rechtstreekse verbinding tussen de president van de Verenigde Staten en die van Rusland

3 hoorn waarin telefonisch spreek- en hoorapparaat gecombineerd zijn
de telefoon opnemen, van de haak nemen, neerleggen
uitdrukking de hele dag aan de telefoon hangen voortdurend opbellen

4 telefonische oproep
de telefoon aannemen als er opgebeld wordt de hoorn opnemen en luisteren (en de boodschap overbrengen)
er is telefoon voor u



Dit lijkt me redelijk up to date. Bij het eerste betekenisveld ligt de nadruk op het handapparaatje zoals dat tegenwoordig overweldigend voorkomt. De klassieke telefoon met snoer vertegenwoordigt slechts één van de vier voorbeelden en staat niet bovenaan.
Het zal aan mijn zogeheten dada’s liggen dat ik in voorbeeld vier van het eerste betekenisveld een moralisme proef dat wel achterhaald lijkt. Tegenwoordig immers ‘zit’ iedereen voortdurend ‘op zijn telefoon’. Het is geaccepteerd om – bij vergaderingen, in cafés en restaurants – in aanwezigheid van anderen de blik te richten op het magische scherm. Bij die nieuwe sociale code mag er gezwegen worden.
In het tweede betekenisveld worden digitaal angehauchte jongeren bijgelicht. ‘De rode telefoon’ stamt uit een tijd dat de wereld dichotomisch was ingericht; China had nog niet de halve wereld opgekocht. Voor de communicatie dienden er verder dingen als telexen en typemachines. De ‘draadloze telefoon’ is voor latere generaties een gegeven, geen zombieachtige noviteit die er ooit toe noopte het woordenboek aan te vullen.
Hilarisch dunkt me de omschrijving bij ‘publieke telefoon’. Mastodonten noemden die namelijk een telefooncel. In het westelijk deel van de EU mag dat fenomeen uit het straatbeeld zijn verdwenen, onlangs heb ik er gezien in Polen, Italië en in Spanje. Sommige Italiaanse telefooncellen bieden zelfs de mogelijkheid om een fax, e-mail of sms te sturen.
Het besef dat er generaties zijn die niet hebben ervaren hoe het voelt om, met name bij ingewikkelde gesprekken, de wijsvinger door de snoer te wringelen. Hoeveel literatuur zal op basis van dit simpele ervaringsgegeventje binnen welke tijd als historisch worden aangemerkt?
Het derde betekenisveld gaat voort op achterhaalde technologie. Omdat ze in de voorbeelden staande uitdrukkingen laat zien, is er in het onderwijs wellicht uitleg nodig. Ik herinner me uit mijn eigen schooltijd tijdens de Engelse les zulke verheldering bij ‘to turn on the light’.
In het vierde betekenisveld wordt het voor mij nog interessanter omdat er, voorbij individualisme op maat, derden bij betrokken raken. Aan een docent het voorrecht te vertellen dat de telefoon een sociaal medium is geweest, dat zich, onbeweeglijk, bevond in een ruimte gedeeld met mensen die familie waren. Daarbij hoort het oprakelen van de gewoonte dat men zachter ging praten of de hand voor de mond hield wanneer er privékwesties aan bod kwamen.
In deze flashback valt te monteren dat er tijden zijn geweest waarin mensen niet ‘24 op 24’ bereikbaar waren, laat staan op één nummer. En dat met die tijden pas recent is gebroken, waarna een paradoxale toestand ontstond die Byung-Chul Han benoemde: ‘Het prestatiesubject is bevrijd van een externe macht die het tot werk kan dwingen of het zou kunnen uitbuiten. Hij is “eigen baas” en onderneemt zichzelf. Hoewel er dus geen machtsinstantie en geen externe drang meer is, leidt dit niet tot echte vrijheid, want het prestatiesubject buit nu zichzelf uit. De uitbuiter is de uitgebuite geworden. Dader en slachtoffer vallen samen.’
Klink ik nu bejaard? Toch ben ik volgens mijn identiteitskaart niet zo heel erg oud. Ik herinner me zelfs een revolutie op telefoongebied, die antwoordapparaat werd genoemd. Daar zaten cassettebandjes in, die ik helaas weggegooid heb terwijl de opgenomen stemmen me grenzeloos fascineerden.
Zo liet ik mijn piano stemmen door één winkel te Arnhem, die daar twee blijkbaar concurrerende mannen voor had. De ene stotterde, wat zijn ingesproken berichten aan de lange kant maakte. Wel kon hij tien soorten water van elkaar onderscheiden. De ander viel vooral op door de kwantiteit van zijn berichten. Zodat ik capituleerde en aan de deur een nepleren bruin jasje trof dat zei: `Hi there, ik ben Webster'. Binnen legde hij uit waarom zowel het klimaat van Johannesburg (te droog) als dat van Durban (te nat) funest was voor piano's.
Terug naar Van Dale. Het vijfde betekenisveld zal voor jongeren evenmin evident zijn. Voor mij roept het informatie op (één per oproep) over nummers die ontbraken in het regionale telefoonboek waarvan elke abonnee jaarlijks de recentste versie in de bus vond. Het tussenstadium werd, heel even, gevormd door het nationale telefoonboek op cd-rom. Daarna nam internet het over. Waarbij de ironie natuurlijk wil dat daar vele nummers onvindbaar zijn geworden* omdat weinigen nog een ‘vaste lijn’ schijnen te hebben.
Van grote schoonheid vond ik in die prehistorie de wederdienst, wanneer iemand telefonisch vroeg de naam te spellen. Zelf nam ik steevast de letterverklaringen van mijn vader over: Karel-Rudolf-Eduard-Gerard-Izaak-Nico-Gerard.
Overigens is de zesde betekenis die meneer Van Dale van ‘telefoon’ geeft mij onbekend. Heb ik iets gemist? Zijn omschrijving ‘telefono’ blijft hoe dan ook kort. Daarom klikte ik door: ‘foltermethode waarbij de folteraar met vlakke hand op de oren van het slachtoffer slaat, waardoor het trommelvlies gemakkelijk kan scheuren’. Hier staat bij dat dit woord een understatement is, wat het begrip zeker ten goede komt.
Hallo? Hallo!

*Dat rijmt met de recentste zeden. Smartphones blijken niet gebruikt te worden om te telefoneren. Voor communicatie met intimi dient de chat, en met onbekenden de e-mail.