Probeer het maar te ontkennen. In de kwarteeuw dat we ’s zomers door Europa fietsen nooit zulke temperaturen beleefd. Vaker dan ooit dus: voor een ijskoude imperialistische cola stoppen bij een supermarkt. Op de parkeerplaats hitteblaffende auto’s, inzittenden in een tenue te krap voor alle ongetwijfeld grondig voorbestudeerde tatoeages. Met wat geluk is er een overdekte oplaadzone. Zoals nu, terwijl voor ons een koppel parkeert pal naast een invalidestandplaats en onwaarschijnlijk smakeloos gekleed naar ons toe loopt – om een sigaret te roken. We worden bekeken als aliens, waarna ons antwoord op de vraag waarvandaan doet fronsen van onwetendheid, ook bij onze bruggetjes Brussel en Antwerpen. Wel zegt het koppel dat hun dochter in Utrecht woont.
Kunnen we met de
kaart betalen, vragen we zekerheidshalve op de eerste camping. Natuurlijk,
luidt het antwoord, we zijn hier niet in Duitsland. Daar schijnt niet simpel te
registreren en te bemonitoren baar Geld
alles te zijn.
In Nancy bestaat
er de rue du Joli Coeur. De verrukking daarover taant snel als we de
laatste brede weg naar de camping befietsen, zo steil dat we met de fiets in de
hand gaan lopen. Bovenaan blijkt het een gevalletje van 10%, ontdekken we tierend,
in de hoop dat we bij de tent verkoeling vinden, ware het niet dat op de ons
toegewezen plaats, onder een boom, een Belgische auto staat, een Dacia Duster,
met onder het portier in het gras niets minder dan een Bialetti. We mogen een
ander plekje zoeken, waar zachtaardige Franse buren ons inlichten vanavond weg
te gaan en met zo min mogelijk bruit
te zullen wederkeren. Die avond winnen Les Bleus met 2-0 van Marokko, vuurwerk
alom.
Gestaag lees ik
Montaigne integraal, in de soepele vertaling van Hans van Pinxteren. En stuit
op het woord ‘malvezij’, dat ik ooit in Kopstem
gebruikte. Waarschijnlijk opgepikt uit dit oeuvre, dankzij een opstel dat het
betreffende essay Over de opvoeding
behandelde. Op gelijkaardige wijze ontleende ik aan
Over de eenzaamheid misschien de
titel van mijn
debuut: ‘jij en een metgezel, of jij en jezelf vormen voor elkaar een groot
genoeg publiek. Laat de menigte één man voor je zijn, en één man een hele
menigte.’
Sanitaire blokken
als insectenplagen. Overal liggen en hangen aan draden smartphones op te laden.
Ik doe er mijn tablet bij, en houd van een afstandje de ruimte in het oog. Het taalkundig genie zegt dat ik vertrouwen
moet hebben – wat met de grootst mogelijke moeite lukt, tot ik me te nerveus voel.
Verder loop ik geregeld om zo’n blok, met een pre-emptive huppeltje tegen
stuitliggingen. Die Franse toiletten blijven zonder bril, dus moeten de
hangspieren niet nodeloos belast wanneer je, hoorbaar tussen anderen, snel afdrukt.
Trillend van concentratie ontkom je evenmin aan gesprekken. ‘NEEEH, Papa!!!
‘Stel je niet aan, ik heb er geeneens zeep op gedaan.’
Het taalkundig
genie krijgt mailtoelichting op haar relatief magere cijfer voor Schrijfvaardigheden.
Naar universitaire maatstaven had ze in haar tekst te weinig structuur aangebracht,
met woordjes als ‘ten eerste’ en zo. Die hemeltergende taal had ze er inderdaad
uit weggekeild, op advies van mij. Een vriendin kreeg te horen dat ze onnodig
jargon had gebruikt. Zoals ‘neokolonialisme’.
België wordt
uitgeschakeld en richt de routinegal nog maar eens op haar Franse coach Garcia. Hij had het
bestaan om keeper Courtois te wisselen, die geen lange bal meer kon spelen;
zijn vervanger liet een afstandsschot van zijn borst kaatsen en hop, goal. Het argument
luidt dat, met zijn begaafdheid en ervaring, een halve Courtois had volstaan.
Wat een Belgisch compromis!
Onze buren van vandaag hebben om hun fietsstuur dezelfde tas
gehangen, met een slogan over just doing
sportive. Beide e-bikes. Dit op een camping die alle borden in vier talen
heeft, over toegang uitsluitend voor gasten, waarbij de Nederlandse versie andersom
framet, ‘niet voor buitenstaanders’. Zo handelt de in blauwe stofjas gestoken
beheerster allerminst, die ons met flesjes water had onthaald en mijn vraag of
onze fles champagne even in haar vriesvak mocht pareerde met het aanreiken van
een koelbox, waarvoor ze uit dat vriesvak wat hulpmiddelen haalde. Haar man
hinkt en leegt geregeld de vuilnisbakken.
De camping daarna is geen municipal meer. Dat betekent dat
oud sanitair verkommert en nieuw sanitair beperkt open is. En dat fietsers
bijeen worden gedreven op één wei. Het bedoelde reservaat is echter boomloos en
geelwit geblakerd, zodat we samen op iets kleiners komen en, ontdekt de wegkapitein, meer moeten betalen dan de
website zegt. Enkele fietsers mogen wel apart en hebben toevallig Frans als
moedertaal. Vandaag herdenkt
het land voor het eerst officieel de Dreyfus-affaire. Op een camper een sticker
met een valse vriend: angles morts
(geen Hells Angels)
In de schaduw geeft de thermometer 37 graden, in de zon 44
graden. Onze bidons zijn lauw en bijna leeg. De eerste camping waar we passeren
is nagenoeg verlaten en heeft vuil sanitair. Als we tappen komt er een jongen
aangehold die zegt dat dit verboden is. We moeten ofwel overnachten ofwel het
water betalen. Hij loopt weg, de wegkapitein tapt opnieuw en hij keert weer en
scheldt haar de huid vol. Ze zegt dat de chaleur nogal groot is vandaag, maar
volgens hem draait dit om politesse.
Als we verbluft wegfietsen, besef ik dat het Quatorze Juillet is. Was dat ook
de dag van de fraternité? Over het
aanpalende item hospitalité weet ik
onvoldoende. Onze volgende pleisterplaats blijkt een oase. Aan Les Lacs
d’Osselle ademt alles welkom, tot en met de loketambtenaar met het spleetje
tussen haar tanden. Dezelfde avond wordt Frankrijk uitgeschakeld door Spanje,
zien we op de tablet. De hele match blijft het doodstil, behalve bij de twee
vijandelijke doelpunten en na het eindsignaal – steeds dezelfde camper claxonneert.
Op de fiets schiet me het fameuze openingswoord van Ubu Roi te binnen: ‘merdre’. Samen met mijn gelegenheidsvertaling: ‘plotver’.


