Posts tonen met het label vertaling. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vertaling. Alle posts tonen

maandag 24 april 2017

De gouden kalveren van Jimmy Carter



In de prachtfilm 20th Century Women wordt een fragment uit de ‘malaisespeech’ van Jimmy Carter vertoond. De toenmalige president diagnosticeerde op 15 juli 1979, meer dan een halfuur lang live op de televisie, een ‘crisis of confidence’. Hij zag genotzucht en ongebreidelde consumptie hand over hand toenemen. Als een Mozes klaagde Carter tegen de aanbidding van een gouden kalf (in hetzelfde jaar bracht ayatollah Khomeini elders een soortgelijke boodschap).
Ik had ooit gelezen dat de president als voorbereiding op zijn speech een diner pensant in het Witte Huis had gehouden. Daarvoor maakten intellectuelen als Daniel Bell, Jesse Jackson en Christopher Lasch hun opwachting. Ze moeten geen blad voor de mond hebben genomen, want Carter geeft in zijn toespraak geen erg vrolijk beeld van zijn land. Hij doet dat overigens naar aanleiding van de energiecrisis, die bijna het hele decennium van de jaren zeventig heeft gedomineerd.
Nu ik dankzij het internet de hele speech heb kunnen bekijken en lezen, valt me de relevantie van het betoog des te meer op. Wat Carter zegt lijkt me dermate actueel, dat ik hieronder wat fragmentjes heb vertaald.
Ik weet niet hoe zijn huidige imago is, na zijn koppige bemiddelingspogingen voor vrede en na een vooralsnog overwonnen ziekte, maar Carter gold als een slapjanus. Hij hield zich bezig met een schier decenniumbeperkt onderwerp als mensenrechten, heette het. Deze preoccupatie, merkte Ian Buruma al eens op, heeft in elk geval heel wat levens gered. En vanuit de huidige tijd voeg ik er de evidentie aan toe dat het bijna ongelooflijk is: dat een politicus zijn electoraat de les leest, al was het vanwege een dalende productiviteit. En dat hij aan datzelfde electoraat offers vraagt, tot in hun alledaagse handelingen.
In 20th Century Women vindt Carters pleidooi geen genade bij de personages. Na een resoluut verwerpen, putten ze zich uit in bekentenissen over menstruatie en ontmaagding. Het zal een onbeduidend detail zijn dat ze daarmee het kakelverse betoog van de president bevestigen.


'In de afgelopen drie jaar heb ik bij vele gelegenheden voor u gesproken over nationale kwesties, de energiecrisis, de hervorming van de overheid, de economie van het land en over zaken van oorlog en, vooral, vrede. Maar gedurende die jaren verengden de onderwerpen van die toespraken, de gesprekken en de persconferenties. Ze raakten steeds meer gericht op wat de afgezonderde wereld van Washington belangrijk vindt. Gaandeweg hoorde u meer en meer over wat de overheid vindt of wat de overheid zou moeten doen en minder en minder over de hoop van ons land, onze dromen en over onze blik op de toekomst. (…)
Ik nodigde mensen uit bijna elk deel van onze maatschappij uit om naar Camp David te komen – zakenlui en arbeiders, leraren en priesters, bazen, burgemeesters en gewone burgers. En daarna verliet ik Camp David om naar andere Amerikanen te luisteren, mannen en vrouwen zoals u. Het zijn tien bijzondere dagen geweest en wat ik heb gehoord wil ik met u delen.
Allereerst kreeg ik persoonlijke tips. Ik zal er een paar aanhalen die ik heb genoteerd. (…)
“Zwijg toch over politiek of over het wezen van de overheid, zeg liever iets over het begrip voor wat we samen bezitten.” “Meneer de president, we hebben het moeilijk. Vertel ons over bloed, zweet en tranen.”
Veel mensen vertelden over zichzelf en over de staat waarin ons land verkeert. Een jonge vrouw in Pennsylvania bijvoorbeeld: “Ik voel me zo ver verwijderd van de overheid. Alsof gewone mensen uitgesloten zijn van politieke macht.” En een Mexicaan zei: “Sommigen onder ons lijden al hun hele leven onder de recessie. Sommigen mensen hebben nodeloos veel energie gebruikt, maar anderen hebben niets gehad om te verspillen.” (…)
Mij sprak vooral dit advies aan, van een zwarte vrouw die toevallig burgemeester van een stadje in Mississippi is: “De grote jongens zijn niet de enigen die belangrijk zijn. Vergeet niet dat je niets op Wall Street kunt verkopen voordat niet iemand anders het eerst ergens anders heeft opgegraven.” (…)
Ik ben er weer op gewezen dat wat fout is aan Amerika door geen enkele wetgeving ter wereld kan worden hersteld. Daarom wil ik vanavond eerst voor u spreken over een onderwerp dat zelfs nog ernstiger is dan energie of inflatie. Ik wil u meteen vertellen over een essentiële bedreiging voor de Amerikaanse democratie. Ik doel dan niet over onze politieke en burgerlijke vrijheid. Die zullen wel voortduren. En ik verwijs ook niet naar de uiterlijke kracht van Amerika, een land dat vanavond overal ter wereld in vrede is, met ongeëvenaarde economische sterkte en militair machtsvermogen.
De bedreiging is op gewone manieren bijna niet te zien. Het is een crisis in het vertrouwen. Het is een crisis die het hart en ziel en geest van onze nationale wil vol in de kern treft. We kunnen deze crisis ontwaren in de groeiende twijfel over de betekenis van ons leven en in het verlies van een eensgezind doel voor ons land.
De afbrokkeling van onze vertrouwen in de toekomst dreigt het sociale en politieke weefsel van Amerika te vernietigen. Het vertrouwen dat we altijd hebben gehad als een volk is niet domweg een of ander romantische droom of een spreekwoord uit een stoffig boek dat we uitsluitend op 4 juli lezen. Het is het idee waarop ons land is gebouwd en dat de weg heeft gewezen voor onze ontwikkeling als volk. Vertrouwen in de toekomst heeft al het andere ondersteund – openbare instituten en zelfstandige ondernemingen, onze eigen gezinnen, en de grondwet van de Verenigde Staten. Vertrouwen heeft onze loop bepaald en heeft tussen generaties als een schakel gefunctioneerd. We hebben altijd geloofd in iets wat vooruitgang wordt genoemd. We hebben altijd geloofd dat de dagen van onze kinderen beter zouden zijn dan de onze.
Ons volk valt van dat geloof af. Niet alleen de overheid zelf moet dat bekopen maar ook de mogelijkheid om als burgers te functioneren als de ultieme heersers en scheppers van onze democratie. Als een volk kennen we ons verleden en we zijn daar trots op. Onze vooruitgang is een deel geweest van de levende geschiedenis van Amerika, en zelfs van de wereld. We hebben altijd geloofd dat we deel uitmaakten van een grote beweging van menselijkheid zelf die democratie wordt genoemd, betrokken in de zoektocht naar vrijheid; en dat geloof heeft ons altijd gesterkt in ons doel. Maar uitgerekend nu we ons vertrouwen in de toekomst aan het verliezen zijn, sluiten we ook nog de deur naar onze verleden.
In een land dat trots was op zware arbeid, sterke families, hechte gemeenschappen, en ons geloof in God, neigen te velen onder ons gemakzucht en consumptie te aanbidden. De menselijke identiteit wordt niet langer bepaald door wat men doet, maar door wat men bezit. Maar we hebben ontdekt dat zaken bezitten en consumeren onze verlangen naar betekenis niet bevredigt. We hebben geleerd dat het hamsteren van materiële spullen de leegte niet kan vullen van levens die geen vertrouwen of doel hebben.

zaterdag 13 december 2014

Een watermeloendebat


Voor The Atlantic vertelde historicus William Black dat activisten die protesteerden tegen de moord op Michael Brown tijdens hun tocht van Ferguson naar Jefferson City ergens een wel erg apart onthaal kregen – met onder meer geroosterde kip, een vlag van de Geconfedeerde Staten en een watermeloen. Dat laatste object brengt Black in verband met andere recente voorvallen. De man die over de afrastering van het Witte Huis was geraakt, blijkt volgens een cartoon in Obama’s badkamer tandpasta met watermeloensmaak te hebben aanbevolen. En een trainer had het ritueel ontwikkeld, om met zijn footballteam de overwinning te vieren door een watermeloen kapot te slaan onder het slaken van apengeluiden.
Deze bizarrerieën relateert Black aan raciale verhoudingen in de Amerikaanse geschiedenis. Ik was gelijk gegrepen. Dit had ik met mijn koffieboek ook gewild: hoe een ogenschijnlijk betekenisloos detail politieke conflictstof herbergt. Black deed dat dus via de meloen. En daarmee zat ik definitief knel, wegens een eigen poging om iets over die vrucht te schrijven, twee decennia geleden in mijn debutantenjaren toen ik nog twijfelde een mening te willen hebben. Van Blacks belangrijke invalshoek ontbreekt elk spoor, hoewel ik nota bene begin met ‘Watermelon Man’ van Herbie Hancock.
Wist ik het toen niet of wilde ik niet weten? Vergeten of nooit over gedacht? Mijn stukje van weleer ademt hoe dan ook eurocentrisme. Kritiek daarop vanuit eigen boezem, zoals ik nu lever, is zo gratuit en clichématig geworden dat het zelffeliciterend wordt. Maar feiten zijn feiten en ook die oude tekst staat op mijn naam. Hierbij ververs ik hem met voor de gelegenheid vertaalde fragmenten van een betere tekst, door William Black:


(...) In de vroegmoderne Europese verbeelding is de typische watermeloeneter een Italiaan of een Arabische boer. De watermeloen, schreef een Britse officier die in 1801 in Egypte gelegerd was, was “een schamel Arabisch feest”, een karige vervanging voor een echte maaltijd. In de havenstad Rosetta zag hij de bevolking watermeloenen “verslinden... alsof ze bang waren dat een voorbijganger ze weg zou grissen”, en watermeloenschillen hoopten zich op in de straten. Daar symboliseerde dit fruit vele van de eigenschappen die het in het postemancipatoire Amerika zou krijgen. Onreinheid, omdat watermeloen eten zo rommelig gaat. Luiheid, omdat het zo eenvoudig is om watermeloenen te kweken en zo lastig is om watermeloen te eten terwijl je doorwerkt – het is een fruitsoort waarvoor je moeten gaan zitten om het te eten. Kinderachtigheid, omdat watermeloenen zoet zijn, kleurig en verstoken zijn van veel voedingswaarde. Ongewenste aanwezigheid in het openbaar, omdat je een watermeloen moeilijk alleen kunt eten. Deze tropen verspreidden zich door Amerika, maar de watermeloen had nog geen raciale betekenis. Amerikanen associeerden de watermeloen even goed met blanke hillbillies uit Kentucky of boerenpummels uit New Hampshire als met slaven uit South Carolina.
Dit kan verrassend zijn, gelet op het feit dat watermeloenen op de voorgrond stonden in de levens van Afrikaans-Amerikaanse slaven. Slavenbezitters lieten hun slaven vaak hun eigen watermeloenen kweken en verkopen, en gaven hun in de zomer zelfs een dag vrij om van de eerste watermeloenoogst te eten. De slaaf Israel Campbell legde een watermeloen op de bodem van zijn katoenmand toen hij zijn dagelijkse hoeveelheid niet had gehaald, en kreeg hem aan het eind van de dag terug en at hem op. Campbell leerde de truc aan een andere slaaf die vaak afgeranseld werd omdat hij zijn hoeveelheid niet had gehaald, en spoedig was de truc bekend in de wijde omgeving. Toen dat jaar de katoenoogst een paar balen minder opleverde dan de meester had becijferd, bleef het eenvoudigweg een 'mysterie'.
Maar blanken in het Zuiden beschouwden het genoegen dat hun slaven hadden aan de watermeloen als teken van hun eigen welwillendheid. Slaven paradeerden normaliter niet met de vrucht en gehoorzaamden aan de gedragscode die door blanken was opgesteld. Toen een opzichter in Alabama watermeloenen opensneed voor de slaven, verwachtte hij dat de kinderen zouden komen aanrennen om een stuk te bemachtigen. Een jongen, Henry Barnes, weigerde te rennen en toen hij zijn stuk kreeg rende hij weg naar de slavenverblijven om te eten buiten het zicht van de blanken. Toen kreeg hij een pak slaag van zijn moeder, herinnerde hij zich, “om die stijfkoppigheid”. (…)
In 1869 publiceerde Frank Leslie’s Illustrated Newspaper misschien wel de eerste karikatuur van zwarten die zwolgen in watermeloenen. Het begeleidende artikel legde uit: “De neger uit het Zuiden spreidt zijn epicuristische smaak zelden tastbaarder tentoon dan met zijn buitengewone zwak voor watermeloenen. De jonge geëmancipeerde slaaf is vooral krachtig in zijn voorliefde voor dat verfrissende fruit.” (...)
De belangrijkste boodschap van het watermeloenstereotype was dat zwarte mensen niet op hun vrijheid waren voorbereid. Tijdens de verkiezingen van 1880 beschuldigden de democraten de wetgevende macht van South Carolina, waar tijdens de Reconstructie de meerderheid zwart was, van misbruik van belastinggeld door zich zelf te laven aan watermeloenen; dit verzinsel haalde zelfs schoolboeken voor het vak Geschiedenis. (...)
Aan het begin van de twintigste eeuw was het watermeloenstereotype overal te vinden – op pannenlappen, presse-papiers, bladmuziek, peper-en-zoutstelletjes. (...) Het lange verhaal van blank geweld om de raciale hiërarchie te behouden speelde in op de lach.
Het heeft iets onnozels om zoveel betekenis te hechten aan een stuk fruit. En het klopt dat er intrinsiek niets racistisch aan watermeloenen is. Maar culturele symbolen hebben het vermogen om onze wereld en de mensen daarin te herscheppen, zoals toen politieagent Darren Wilson in Michael Brown een bovenmenselijke “demon” zag. Zulke symbolen zijn geworteld in historische gevechten – in het bijzonder, bij de watermeloen, met de angst van blanke mensen voor het zwarte geëmancipeerde lichaam. Blanken gebruikten het stereotype om zwarte mensen te beschimpen – om hun iets af te nemen dat ze gebruikten ter bevordering van hun vrijheid, en er iets van te maken om de spot mee te drijven. Uiteindelijk doet het er niet toe of iemand bewust wil krenken door uit het watermeloenvaatje te tappen, omdat het stereotype een eigen leven leidt.

maandag 17 juni 2013

Ontspamming


Eigenlijk is een woord dat je eigenlijk niet mag gebruiken van Frans Kellendonk – eigenlijk bestaat een dag uit ontspamming. Het gaat dan niet over dimensies die voor mij way beyond zijn, maar over zich aandienende prikkels die in de ter beschikking staande werelden moeten worden omgezet. Daar lijkt het verschil tussen gevraagd of ongevraagd betrekkelijk, omdat in de communicatie zoiets als ‘maatwerk’, zeker bij pretenties het aan te leveren, amper mogelijk is, en waarbij Hollanders en Vlamingen bij het spreken en luisteren onderling een paar pedaalslagen extra moeten geven.
De omzetting van prikkels leidt in gunstige gevallen tot helderheid of tot verbreding van de context, geregeld tot onbegrip, en het vaakst zullen ze worden genegeerd.
Ik dacht hier laatst aan toen een artikel liet zien dat de inhoud van spam meeverandert met de noden van de tijd. Waar die noden precies zitten, durf ik niet te zeggen. Dat zou een vertaling zijn van de tijdgeest, waarvan ik deel uitmaak. Zelfs nadat ik aan de prinsessen na het hoofdgerecht had gevraagd of ze nog wat wilden en het taalkundig genie riep: ‘Hegelschleck’. Waarna de gourmande: ‘Koffie met plasseks’. Amper dialectische navraag leerde dat het laatste ‘yoghurt met cassis’ betrof.
Omdat het noden soms even onbillijk vergaat als voedsel, leek het me een idee om voor elk humeur onbetwistbare spam ook eens te lezen:

Lieve *** banking gebruikers

Wij maken gebruik van een systeem reactivering van alle *** PC banking te wijten aan enkele technische problemen in ons systeem.
Om je account te controleren en opnieuw te activeren, volg dan de link:
Veiligheid Let op: kan niet in beschouwing nemen lead uitschakelen om blijvende beperkingen.

Dank je wel,
Klantenservice.


Wat is hier voor Google Translate (een aannemersbedrijf dat de toren van Babel restaureert) de bron geweest? Toch Engels? Da’s de taal die de Vietnamese dichter Linh Dinh zich eigen moest maken toen hij in het beloofde land kwam wonen. Misschien heeft zijn volgende gedicht daar iets mee te maken, waarvan in een bijrol het repeteergeweer van de witregel knap werk verricht – hopelijk ook voor mijn ontspamming:

Alter alter-egostudies

(lange versie, goed opgespannen, zoals bij paarden en dieven)


Dadelijk vertaal ik je in je.

Ben je onlangs nog vertaald?

Hoe lang geleden werd je vertaald?

Wanneer werd je voor het laatst vertaald?

Hoeveel geleden, tijdsspanne, vanaf dat je voor het laatst vertaald werd door iemand, een persoon, een menselijk wezen, tweevoetig, je andere je?

Haal diep adem. Ben je vertaalbaar?

Studenten zijn het erover eens dat deze vertaling eerlijker, exacter, waarachtiger is dan het origineel.

Bij het vertalen zoekt hij ieder woord na, ook ‘een’ en ‘de’.

Da’s geen spiegel, vriend, da’s een vertaling.

Twee unieke vertalingen, naast elkaar, allebei zonder nut.

Ik vertaal heel veel, ik besef niet eens dat ik aan het vertalen ben. Ben ik aan het vertalen?

Sorry dat ik weer vertaal. Nu jij, nee, ik sta erop.

Ik vertaal alles, Grieks, dolfijnen, presse-papiers, de gemeente Philadelphia.

Het enige dat ik niet weet te vertalen is eekhoorn. Van zinsgeknaag en slang gaat mijn harde schijf kapot.

Poëzie is de clandestiene buit, die wordt binnengehaald door de krachtig flemende kunst van het vertalen. Nu heb ik hem, eindelijk. (Ik vertaalde het gewoon van eekhoorn).

Vertaling is eigenlijk de motor van heel wat poëzie in de wereld.

Zonder vertaling zou poëzie beperkt blijven tot een paar schlagers die je bovenbuurman zingt, op zijn balkon, om drie uur ’s nachts.

We hebben de coördinaten van onze poëzieproductie nodig, om onze zelfvernietigende verslaving aan vertaling te beperken.

Vertaling is, net als jazz, een vorm van wraak.

Vertaling is, net als jazz, een imperialistisch instrument.

Vertaling is, net als jazz, een gelegenheidsgranaatplan.

Ik kan niet verkeerd vertalen, ik zou niet weten hoe dat werkt.

Hij denkt dat het betaamt om het origineel buiten bereik te vertalen.

Puh, mijn vertaling is veel langer en groter dan de jouwe.

Hoewel geen van beide op zichzelf hilariteit verwekken, doen twee identieke gezichten ons schateren, vanwege hun gelijkenis – Pascal

maandag 11 juni 2012

Master Blaster


Charles Bernstein schreef dit:

Don't Be So Sure
(Don't Be Saussure)


My cup is my cap
& my cap is my cup
When the coffee is hot
It ruins my hat
We clap and we slap
Have sup with our pap
But won't someone please
Get me a drink.


Niet te doen, zoals ze in Vlaanderen zeggen.

Da’s niet niets zunne
(Da’s niet Nietzsche)


Mijn mok is mijn mik
& mijn mik is mijn mok
Als de koffie warm is
Kraakt hij m’n darmnis
We plakken en plukken
Temmen kak tot drukken
Maar kan iemand niet
Wat te leuten halen.

vrijdag 2 december 2011

Meeneemverhaal

Een op drie lijken voldoet niet aan veiligheidseisen ’, gewerd me bij het koppensnellen, maar dat had ik niet helemaal goed gelezen. Fort-da-toestanden van mij als elders woonachtige kaaskop? Natuurlijk is Hansje Brinker mijn oerlandgenoot. Ik herinner me dat sinds kort, dankzij iets van de mij onbekende Doug Dorph: 

When the gloomy sea threatens, you’re there 
with your trusty finger. The bicycle lies forlorn 
on the gravel bicycle path in the shadow of the dike. 
The family windmill is brittle and blue as a scene on a plate. 

Da’s nog eens reclame! Ondertussen stijgt het zeeniveau, en maant zowel het bericht als het gedicht naar de lange termijn te kijken, vlak voor Durban. Maar in het eerste zag de staatssecretaris van Infrastructuur geen direct probleem (wel in de vogels rond Schiphol die hij, en het journaal leek ermee te openen om geëngageerde verenigingslevens op hun achterste poten te krijgen, wil laten vergassen). Hij heeft dan ook een coalitiepartner die tegen onverbiddelijke kritiek aan onverbiddelijke theorievorming doet. Is dat eveneens ‘typisch Hollands’? 
Voor ik het wist was ik tastende naar een antwoord, in het besef dat er geen enkelvoudige natie bestaat, laat staan een identiteit, mede omdat ze door de technologie achterhaalde concepten lijken. Toch dunkt me door het aanhoudende gestechel binnen de Europese Unie de vraag relevant
Dus wat behelst Holland zoal dat er een Dutch Boy als van Dorph uit te voorschijn vliegt? Opgepast, een zin met komma’s. Onlangs reciteerde op de uitreiking door prinses Máxima van de Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs 2011 aan Anton Corbijn, Bono, met op de achtergrond foto’s van het idool, Herman Broods ‘Get Lost’ als was het een gedicht in plaats van een liedje. Heel onwezenlijk en ook een beetje tragisch. Uitgerekend wanneer er een wereldster onversneden aandacht aan dit werk geeft, pakt het averechts uit (Brood had een hoes zullen ontwerpen voor U2). 
Dat net-niet-bij-aanwezigheid-van-competentie spreekt zeker uit het misschien wel grootste Hollandse wereldnieuws: de bestuursperikelen bij de beursgenoteerde tobclub Ajax, die erin slaagt simultaan twee eminenties, Cruijff en Van Gaal, op te blazen. Och ja, dacht ik ineens, die veelbesproken vicewereldkampioenschapsmandaten passen Oranje. Winnen zullen ze nooit. 
Dag vogels, dag bloemen, ik heb een mening.
Dan is er die complexe club zonder leden die, net als de N-VA, onverantwoord gedrag legitimeert met een kiezersaantal (herlees hierover Coen Simon, die ook ambivalente uitspraken van Wilders-advocaat Moszkowicz weegt). Daar zit iets hondsbrutaals in, wat niet hetzelfde is als cynisch, dat mij van achter de grens inmiddels als landsaardig begint toe te schijnen. 
Maar wellicht ben ik te zeer uit mijn niche de wereld in aan het kijken, waar een immens belangrijke én precaire zaak als van de klimaatconferentie niet speelt, mogelijk wegens te druk door op elke relativering van de felste kritiek elegieën aan te heffen. Ze zijn me te gelijkaardig aan het taalkundig genie die me deze weken, waarin die zak van een Sinterklaas weer is aangekomen, bestookt met verzoeken om snoep. Wanneer ik dat weiger, zegt ze: ‘Dan ben ik jouw vriendin niet meer.’ Waarop ik zeg: ‘Grote mensen noemen dat chantage.’ Waarna zij weer: ‘Da’s nie eerlijk.’ Maar ja, even Hollands oogt de wens om niet ‘zuur en verongelijkt’ over te komen. Ook stof voor een inburgeringscursus, waartoe Silliman reeds in Tjanting twee motto’s gaf: ‘How the Dutch think to spell.’ + ‘How think to spell the Dutch?’ 
Het waren zowel grote als kleine geleerden die vaststelden dat betekenissen en gebruik van woorden fluctueren. Toch verbaast het me dat een gsm-maatschappij zich durft aan te prijzen met Freedom of speech. Dat komt doordat er één term de laatste jaren soeverein aan de top staat: ‘economie’. Dus wordt de Hollander nu wereldburger, verkokerd in de euro die niet van de bevolking blijkt maar van de banken, de korte termijn zonder de oplossing waarvan geen milieuprobleem schijnt te kunnen worden verholpen. Tot waar
Op mijn initiële vraag werd overigens het beste antwoord me van zeer dichtbij ingefluisterd: Hollanders zijn mensen die het woord ‘banketstaaf’ weten te bedenken en het dan nog opeten ook. 
De dagsluiting kan ’s morgens al aan de poëzie. Ik heb getracht iets te vertalen van Ida Börjel, helaas niet uit het Zweeds maar, zoals hier vaker is gebeurd, uit het Engels tussen de brontaal en hetgeen Hollands moet heten: 

Een meeneemverhaal 
Ik kan doen wat ik wil maar wat. Als iemand om hulp roept kan ik helpen. Daarna ga ik schaatsen op de vaart. Ik laat het gaan. Ik ben de Hollandse student en ik heb veel ervaring met schaatsen op ijs, ik heb hard gereden en ook tochten gemaakt. Ik kan zo snel gaan als ik wil en waar dan ook. Niemand zal me tegenhouden. Ik kan mezelf tegenhouden. Als de Engelsen een zeker punt bereiken dan kunnen ze zichzelf niet tegenhouden. Spaanse mensen houden niet op totdat het feest voorbij is. De Fransen houden alleen op om opnieuw te beginnen. De Portugezen houden niet op omdat ze niet begonnen zijn. De Luxemburgers blijven binnen de Luxemburgse grenzen. De Belgen houden op en beginnen met tussenpozen tussen de Belgische gordijnen. Ik kan beginnen en ophouden wanneer ik wil. Ik kan sterven of leven op de manier die ik wil. Ik kan gaan waar ik wil maar waar is dat. Hollandse mensen zijn aardige toegankelijke mensen die altijd een handje helpen. Wij zijn deugdelijke en nette mensen die nooit enige moeilijkheden veroorzaken zolang we kunnen doen wat we willen. De vraag is niet wat of wanneer maar hoe. Ik rijd snel, ik vertrouw mezelf maar het lijkt alsof er altijd iemand achter of voor mij is. In mijn taal zijn vele lege oppervlakken, krachtig en kwetsbaar boven het wak, waar men niet veel over alles kan zeggen. Ik schaats drie vier uur per dag. Soms voelt het alsof het ijs gaat breken. Ik ga een beetje verder

maandag 17 oktober 2011

Democratie

Bankiers en belastinggeld komen momenteel voor hun eigen bestwil beter niet in elkaars buurt. Het laatste lijkt een geïnstitutionaliseerde bonus voor de eerste, en dat zit niemand lekker. Behalve bankiers zelf? Zelfs echte bonussen appelleren minder aan prestaties dan aan wereldbeelden die de laatste weken, gelukkig, openlijk bakkeleien.
Vrij recent heeft Hans Wiegel zo’n man verdedigd die uitstekend werk had verricht, en daarom toch best volgens afspraak een beloning mocht? De vraag is waarom in zo’n gastvrij land die afspraak gemaakt is. Minder dan aan de rat in het experiment van Skinner herinnert mij de zo gemotiveerde mens aan het drama dat ons taalkundig genie graag ten beste geeft, als ze beweert dat ze recht heeft op een chocoladewafel omdat ze flink haar boterhammen heeft opgegeten.
Een ander precair puntje staat ter achterzijde van dat bonusbiljet: de gouden handdruk. Daar is een groot zogeheten afbreukrisico de ratio van. Indien het misloopt, zit men zonder inkomen. Een doorsnee sterveling valt dan in een werkloosheidsuitkering, maar die staat onder druk wegens vermeend misbruik na historische wasdom.
Tja, binnen twee van zulke vangnetten kan zich gedrag ontvouwen dat aan de voorspelbare kant is. Dat de CEO van een met belastinggeld geredde bank na vaste vergaderingen geen huurappartement of Thalys pakt, maar een hotelkamertje à 545 euro per nacht. Dat de concerncommunicatiedienst dit bedrag herroept tot 150. Dat dit voor collega-media voer voor stennis is in de metacultuur (die ik hier dan signaleer), en passant de teller op 185 zettend. Dat in een onthullinginterview een insider weet dat de CEO prototypisch handelde: ‘Hij beslist alles, samen met een meute van experts en consultants. Dat is typisch Frans. Dat loopt van Lodewijk XIV over Napoleon.’
Het kader rond de voorgaande nieuwsfeiten en redenaties is natuurlijk het neoliberalisme. Langjarige kritiek daarop wordt ‘lifestyle’ genoemd door uitgerekend Bas Heijne, wel heel erg vreemd. Maar laat ik me niet opwinden en prettig verrast zijn dat er nu jongeren opstaan en zich verenigen. Fijn ook dat zij, in tegenstelling tot vooralsnog breder ondersteunde fenomenen als de Teaparty, en in de Lage Landen de N-VA en PVV, eenheid niet regionaal zoeken maar letterlijk wereldverbeterend proberen te zijn.
Die ambitie valt te begrijpen uit de globale aard van problemen, zich uitstrekkend van bancaire systemen tot en met ecologie. Aldus aangerichte ellende grijpt overal in huishoudens in, op meerdere niveaus. De opstand daartegen moet zelf procentueel een groeimarkt aanspreken. Logisch, omdat de vrije markt indruist tegen een intuïtie van wat eerlijk kan uitpakken, waardoor deze ideologie met dermate zwaar geschut moet worden gelanceerd dat ze een weergaloos godsbewijs in herinnering roept, als verwoord door Richard Dawkins: ‘De meerderheid van de wereldbevolking gelooft niet in het christendom. Dat is precies wat Satan in de zin had. Dus God bestaat.’
Welke nuance je ook in de protesten kunt aanbrengen, ze wijzen niet de richting op van een comfortabele weg en blijken concreet. De indignados in Europa zijn verwant met de occupybeweging in Amerika, die zich op haar beurt wist geïnspireerd door de Arabische Lente.
Gelukkig mag universalisme lonken. Ook verheugt me dat, contrair aan neoliberale evidence-based policy van de stille diplomatie, woede expliciet de drijfveer is. Tot naburig genoegen trof ik als afzetpunt ‘het systeem’ aan, de term niet-ironisch ingezet, laat staan verworpen op basis van laptopwaarheden en non-events bij naar eigen getuigenis gepokte types, die misschien de staat van hun toch wat blasé of bangelijk ego weerspiegelen.
Goh, wat raak ik van die protestberichten in een goed humeur. Zelfs het idee dat Facebook in de verbreiding een cruciale rol heeft gespeeld, kan ik verdragen. Misschien is het een groter wonder dat er, behoudens in Rome, amper geweld aan die demonstraties kleeft. De samenstelling van deze a-hiërarchische gemeenschap is toch heterogeen en het gedachtegoed moet nog uitgekristalliseerd. Het middel van de ludieke actie zal menigeen doen terugdeinzen, maar bewijst op dit punt nut – zou de als grotegelijkhebber min of min uitgekotste Michael Moore, die in Capitalism. A Love Story bijvoorbeeld Wall Street met een geel politielint omgordde, alsnog een voorbeeld zijn?
Vanzelfsprekend heb ik bij die indrukken makkelijk praten. In een verwarmde studeerkamer, zelden geconfronteerd met financiële verleidingen. Slechts eenmaal, staat me bij, heb ik me een houding moeten geven tegenover overvloed. Dat was op een receptie na uitreiking der Vlaamse Cultuurprijzen waarvoor ik, Nederbelg, was ‘genomineerd’. Eerder die avond had ik bedacht dat voor het geld van de theatershow met al die uitreikingen vele sans-papiers een jaar verder hadden gekund, maar de aanblik, tussen alle fine fleuren door, van het eten en drinken deed me besluiten even geen gedachten te willen. Achteraf bezien pikte ik mee van eigen belastingcentjes, die voor een (werkbeurs)deel op hun beurt van de belastingbetaler komen.
O, besef van de eigen positie en het vak en de context waarin dat maatschappelijk meedraait, al dan niet tegen heug en meug! Een collega noemde Tomas Tranströmer een ‘een zo goed als onbekende dichter’. Gelukkig bestaat er ten aanzien van literatuur ook lef en visie.
Als finale een streven tot vertalen uit het Engels van iets wat ik een bloemlezing tegenkwam, en stamt uit de bundel The New World (1993) van Suzanne Gardinier:

Democratie
Niets doet pijn maar de voet is onverzettelijk
De voet sijpelt De voet is nooit genezen
De doorboorde en gezwollen voet blijft niet verborgen
De voet zal inbegrepen zijn bij alle kosten
De voet zal ontlasten De voet zal bewustzijn
en slaap organiseren tot erop wordt gelet
Opgelet De voet heeft iets te vertellen
maar geen snelle praatjes De voet is verzegeld
en bonst op de vloer met stemloze lettergrepen
in code De voet heeft een verslag
dat de voet niet kan doen De voet sleept zich
tegen huilen aan over de zilveren overvloed
van opgestapelde vis ter verbranding tegen amputatie
tegen het verhandelen van koper cacao en tin
tegen het besproeien van voorbijgangers met series
munitie tegen verplaatsing van daden
tegen het spuwen van gemopper van de beproefden
en verdwenen onder berichten van uitzetting
tegen vlechten van zwepen met verzilte handvatten
tegen kalkoen-met-cranberry-etentjes tegen
de scheepsruimen tegen geweld op daken
en op dennennaalden tegen gomorra’s en geweren
tegen huizen voor veilingen en terechtstellingen
De voet klopt het onherkenbare vuil af en wordt
moe maar neemt geen pauze De voet gaat door

zondag 24 april 2011

Brecht zegt (2)

In haar ijzingwekkend mooie herinneringen aan Robert Mapplethorpe vertelt Patti Smith over een visioen waarvan Jimi Hendrix haar bij een eenmalige ontmoeting deelgenoot gemaakt had. In Woodstock zouden zich muzikanten uit de hele wereld verzamelen en dan in een kring gaan zitten spelen. Tempo, toonsoort noch melodie deed ertoe – op termijn zou die ‘discordance’ moeten leiden tot een ‘abstract universal language’. 
Alhoewel niet wordt vermeld of het Pinksteren is en evenmin, zoals naar verluidt vandaag, Pasen dat daarmee spreekwoordelijk slechts op een utopisch punt samenvalt, is het duidelijk dat Smith wel oren heeft naar Hendrix’ visioen. Ze was een Brechtadept. En de auteur zelve? Zijn Herr Keuner heeft zich in elk geval, op zijn manier, uitgelaten over nationalisme. Geen affiniteit heeft hij ermee, tot in een onbekende bezette stad een vijandige officier hem dwingt van het trottoir te gaan. Dan wordt hij verzengend boos op het land van de officier én wordt voor dat moment nationalist: ‘men moet de domheid immers uitroeien, omdat zij dom maakt wie haar ontmoet.’
In het verlengde hiervan dunkt me eveneens interessant, en een poginkje tot vertaling van een fragment hieronder duidt dat verder uit: de notie ‘volks’. In het onvoltooid gebleven Me-ti. Boek der Wendingen zegt Brecht dat het begrip kritiekloos en neerbuigend wordt gebruikt, door heldere uitdrukkingen te verrompelen om veronderstelde luiheid te behagen. Dat noemen we nu populisme. En het treft pijnlijk dat verderop in dit boek aanleidingen voor oproepen tot een grote orde worden gevonden in honger, koude en onzekerheid – slechts het laatste bestaat waarlijk in ons Westen. 
Maar dan moet er misschien simultaan een grote hedendaagse zekerheid bij, waarvan Bertolt Brecht alleen al met zijn basaalste verwachtingen zou gruwen: dat het maakbaarheidsidee failliet is, voorbij, finito. Of, eh, ideologisch verworpen door geen ideologie? In een poging te stijgen tot helikopterperspectief valt mij op dat maakbaarheid praktisch met grote vanzelfsprekendheid voortgaat. Dat geldt reeds voor reclame-uitingen die de lifestylemens tot in detail blijven vormen, en daar doet ons voedsel, ook op kerkelijke feestdagen tot in het DNA op maat, evengoed aan mee
Of leg ik die focus na afgelopen week van een angstig afstandje te hebben kennisgemaakt met de snackhybride de krokidel? De heer heet waarlijk verrezen te zijn, dus laat ik het woord vooral afgeven. 

Volksliteratuur 

Of een literair werk volks is of niet, is geen formele kwestie. Het is in geen geval zo dat men, om door het volk begrepen te worden, ongewone uitdrukkingen moet vermijden en slechts gangbare standpunten moet innemen. Het is niet in het belang van het volk om aan zijn gewoonten (hier leesgewoonten) hegemoniaal gezag te geven. Het volk begrijpt boude uitdrukkingen, billijkt nieuwe standpunten, overwint formele moeilijkheden indien zijn belangen meepraten. Het begrijpt Marx beter dan Hegel, het begrijpt Hegel indien het marxistisch is geschoold. Rilke is niet volks; om dat te zien hoeft men niet zijn ingewikkelde, formeel overdreven gedichten te lezen; ook elk van zijn gedichten die de toon van een volkslied hebben, zijn niet volks. Lukács laat dat zien aan de hand van een zeer pregnante strofe (‘Und wenn ihn Trauer überkam’); ze is formeel te begrijpen, veel begrijpelijker dan Majakovski’s strofen. Maar er zit geen greintje in van wat het volk het verstand zou noemen. Ze is formalistisch omdat er op een medelijdende cadans over beestachtigheden gesproken en het medelijden op de misdadiger wordt afgeschoven. Aldus wordt leed zo vertolkt, alsof iedereen het kan delen, wat niet het geval is. Er wordt, op papier, formeel, door een simpele vormkeuze, door een esthetische truc, de indruk gewekt dat het volk zoiets zouden kunnen zingen, dus bedoelen en voelen. Wanneer het volk aldus zou voelen en bedoelen, dan zou het verraad plegen aan zijn waarden. Bij de ‘ingewikkelde’, ‘gesublimeerde’ gedichten van dezelfde man zou men dezelfde vijandschap tot het volk kunnen bespeuren, in een andere vorm. Dat is de vlucht uit de banaliteit in het snobisme. Daar wordt iets gemaakt uit niets. Vanuit de inhoud is het niets, vanuit de vorm is het iets. Vanuit de inhoud is het oud, vanuit de vorm is het nieuw. Deze gedichten ‘laten het volk koud’, gedeeltelijk op begrijpelijke, gedeeltelijk op onbegrijpelijke wijze. 
[eind jaren dertig]

Het schrijven van gedichten in Californië 

Hier gedichten schrijven, zelfs actuele, betekent: zich in de ivoren toren terugtrekken. Het is alsof men goudsmeedkunst bedrijft. Dat heeft iets buitenissigs, snaaks, geborneerds. Zulke lyriek is flessenpost. De slag om Smolensk gaat ook om de lyriek. [april 1942] 

Formalisme en nieuwe vormen 

De leegloop in de literatuur van de laatkapitalistische epoche toont zich zoals bekend hierin, dat dichters met vertwijfelde transformaties van de oude burgerlijke inhoud onafgebroken proberen nieuwe horizonten te bereiken. Zo treedt een eigenaardige vorm van verval op, namelijk de scheiding tussen vorm en inhoud van een kunstwerk, omdat de vorm, die nieuw is, zich afzet tegen de inhoud, die oud is. Met andere woorden: louter nieuwe inhouden verdragen nieuwe vormen. Ze eisen die zelfs op. Indien men namelijk de nieuwe inhouden in oude vormen zou dwingen, dan was meteen de noodlottige scheiding tussen vorm en inhoud van een kunstwerk weer een feit, omdat ditmaal de vorm, die oud is, zich afzet tegen de inhoud, die nieuw zou zijn. Het leven dat zich overal bij ons, waar de maatschappij tot op haar grondvesten trilt, in nieuwe vormen afspeelt, kan door een literatuur met een oude vorm niet worden verbeeld of beïnvloed. 
[jaren vijftig]

zondag 6 maart 2011

Brecht zegt (1)

Volgens Hannah Arendt kwam de ironie van de Dreigroschenoper niet helemaal aan. Eerbare zakenlieden zagen in het stuk, dat hen als gangsters opvoerde, diep inzicht over henzelf en het reilen en zeilen in de wereld. Gepeupel ervoer een sanctionering van het gangsterdom, terwijl de elite juichte dat hypocrisie superieur werd ontmaskerd. Met ‘Erst kommt das Fressen, dan kommt die Moral’ als correcte samenvatting lag de weg naar het populisme open, suggereert Arendt. Van het épater le bourgeois werd haars inziens de elite de klos. 
Klinkt vertrouwd! Wel stamt Arendts opvatting uit de jaren vijftig en Bertolt Brechts gememoreerde totaaltheater uit 1928. 
De draaischijf is verandering op basis van gemeenschappelijkheid. Recent wist ik me toch gesterkt door een carnavalsdag op de school van ons taalkundig genie: iedereen was vrolijk uitgedost en in elkaar geïnteresseerd. Behalve één meester die zijn kloffie had aangehouden en alleen stond met zijn wereldwijze theorie. Juist inzake haalbaarheid had hij wat kunnen opsteken van een kind dat, vernam ik, een zeerover was nadat het inzag onmogelijk gekleed te kunnen gaan als iPhone. 
Veel is beweerd over carnaval, maar met het principe van de omgekeerde wereld toegepast op verandering raakt Arendts object nabij. Wat wou Brecht anders? Op het legendarische Parijse schrijverscongres in 1935 pleitte hij zelfs niet te ageren tegen nazistische barbarij zonder ‘de eigendomsverhoudingen’ intact te laten. 
Nu heeft Brecht teksten gezweet. Maar voor Hollanders is al lang geselecteerd in de Dagboeken, zodat snel blijkt dat hij collega’s niet moest die schreven uit zelfverklaarde wereldvreemdheid. In een naar verluidt secure arbeiderische coiffure en outfit stortte Brecht zich in het leven, omdat hij ‘weinig bekwaamheden voor de literatuur’ zou bezitten (dikwijls klaagt hij over zijn onkunde met werkwoorden en hij wil ‘moderne jamben’ leren). Maar heeft de techniek ook gevolgen voor het veranderingseffect?
Brecht vindt dat mensen, lezers, slaven zijn zolang ze vreugdeloos moeten arbeiden. Hun brein wordt dan het enige middel waarmee ze kunnen ontsnappen. Daar moet de auteur toe willen doordringen. Maar ‘zowel het standpunt van de schrijver als zijn pogingen die ook aan de lezer op te dringen, zijn doorzichtig als glas. Er zijn geen geheimen, en waar geen geheimen zijn, is geen waarheid.’ Ook koesterde het publiek liever de illusie dan de door de auteur geambieerde verfremdung, en namen uitgerekend de nazi’s hem wel serieus, door zijn Duitse nationaliteit in te trekken vanwege regels als:

Met tsjingboemsasa en tot wederziens! 
En vrouw en hond en paap! 
En tussen hen in de dode soldaat 
Als een bezopen aap. 
(vert. Martin Mooij

Die ambivalentie zit al vervat in de naam van Brechts fameuze (anti)personage Herr Keuner. Enerzijds is deze een ‘keiner’, anderzijds dient hij via de Griekse term ‘koinos’ het algemeen belang. Dit verzacht uit de lebmaag der receptie misschien zowel het zuur van de Leer als van salonsocialisme. In de laatste jaren klonk nog: ‘Principes worden in leven gehouden door ze te schenden.' 
Desalniettemin beoogde Brecht zelfs voor poëzie een breder verband. In september 1920, hij is dan 22 jaar, verzucht hij dat er geen taal is die iedereen verstaat. ‘Beïnvloeding gaat langs een andere weg: ze overmeestert (hypnose)’. Dezelfde maand verwijst hij naar Rodins Burgers van Calais waarin een offer voor de gemeenschap wordt uitgedrukt. Het beeldhouwwerk, zegt Brecht, had van de maker op dusdanig lage sokkel mogen staan dat de levende burgers niet kleiner geweest zouden zijn. Zodat het offer vanuit hun midden plaatsgrijpt. ‘Op zo’n manier dienen de gedichten tussen de mensen te staan.’
Ik kwam deze passage ook tegen in een zalig Duits syllabusboekje met Brechts verspreide teksten over poëzie die, vermoedelijk vanwege het heikele onderwerp, ietwat stroefjes zijn geformuleerd. Gewapend met een woordenboek heb ik geprobeerd er enige te vertalen. 

Over lyriek en de staat 

Destructieve en anarchistische lyriek weerspiegelt zeker een destructieve en anarchistische maatschappelijke orde, wordt daardoor ‘aangestoken’, getuigt ervan – maar tegelijk vernietigt ze vaak deze destructieve maatschappelijke orde, die er immers van afhankelijk is om zich als constructief te presenteren, en de roep om ‘geen heerschappij’ kan in zoverre het bestaande ondersteunen dat hij de roep om iets beters overstemt, hoewel dat in elk geval een slechte dienst is, en de heersers nemen hem met genoegen aan. 
Niet alle menselijke productiviteit wordt in de immers altijd beperkte productie opgenomen. De niet onmiddellijk binnenkomende elementen vallen niet ergens zo ongeveer ernaast, maar ze spreken tegen, zijn niet louter betekenisloos maar hinderlijk. Aldus kan alleen een erg ruim uitgemeten strijdperk rekening met hen houden, en voor het productieve zijn erg goede oren nodig. Het is een hele kunst om ze tegen vernietiging te beschermen, dus tegen dat ze vernietigen en tegen dat ze vernietigd worden.
De staat benadeelt de staatsvriendelijke literatuur, indien hij de staatsgevaarlijke literatuur onderdrukt, hij kortwiekt haar, maakt haar tandeloos, ontdoet haar van feiten. [jaren dertig] 

Uit: Realistische kritiek 

Het is helemaal verkeerd om kritiek als iets doods, onproductiefs, zogezegd langbaardigs te beschouwen. Deze opvatting van kritiek wenst de heer Hitler te verbreiden. In werkelijkheid is de kritische houding de enig productieve, menswaardige. Ze betekent samenwerking, verdergaan, leven. Echt kunstgenot zonder een kritische houding is onmogelijk. 

Tegenwoordig, nu ons naakte bestaan lang en breed tot een vraag voor de politiek is geworden, kan er al helemaal geen lyriek bestaan, als het maken en lezen van lyriek afhangt van criteria die ver afliggen van het verstand. Onze gevoelens (instinct, emotie) slibben volkomen dicht, ze zijn in een voortdurende strijd verwikkeld met onze naakte belangen. 

De kritiek verhindert het genot geenszins, tenzij ze bestaat ze uit humeurige bedilzucht. Zonder de gave van het kritisch genieten kan het proletariaat al helemaal niet de nalatenschap van de burgerlijke cultuur aanvaarden. Historisch besef, waarzonder men niet kan genieten, drijft kritiek aan, zo zal duidelijk zijn. Daar moet de vroegere perfectie van een ding gevoeld worden die, ondertussen in een mindere veranderd, nergens meer in deze perfectie te aanschouwen is, voortaan ongenietbaar in de dodelijke betekenis van het woord geworden is. [eind jaren dertig]

vrijdag 7 januari 2011

Alles

‘Op ’t plein, over taxi’s, / waar niemand meer op wacht’, hoorde ik door de coupé. De relatief lange intro, in stuntelige plechtstatigheid, was me ook bekend voorgekomen. Op het moment dat het refrein inzette wist ik het: 

Triest bier, triest bier, triest bier 
Alles in triest bier 
Triest bier, triest bier, alles 

Mijn favoriete nummer van The Boots! Niet dat ik het repertoire van achteren naar voren ken, misschien juist omdat ik er meteen aan was blijven haken. Vooral dat ‘alles’ pakte mij in. En nu weer! Ik speurde de coupé rond naar wie behalve reisgenoot lotgenoot was. De kandidaten waren legio. Door de intercom had de conducteur verzocht ‘de bagage op de daartoe bestemde plekken te stallen’ en zelfs de talentrijkste acteurs in het humanitate qua nimmer versagende onderdeel breeduit slapen hadden iemand naast zich op de bank moeten dulden. De vorige trein bleek namelijk ‘gesupprimeerd’: niet door afkoppeling van enige wagons verlost, zoals ik (gedrogeerd door mijn woonland?) dacht, maar uit de dienstregeling geschrapt. 
Toen viel me op dat bijna iedereen oorschelpknopjes droeg – of zouden die van een bijzonder type alibiachtig gsm wezen, waarbij de mp3-functie de verleider was? Van de kunsten slaagt, en ik vrees in die ervaring niet alleen te staan, slechts muziek overvallen te plegen als die ik nu beleefde. Jaren die waren verstreken nadat ik Triest bier voor het laatst had gehoord, deden me uiteraard beseffen niet zeer onlangs uit het ei gekropen te zijn, maar zonder sentimenteel moralisme. Wel snapte ik aan het eind van mijn epifanie dat ik, denkelijk met een elleboog tegen mijn jaszak, van mijn iPod de altijd parate shufflefunctie, instigator van narcisme en uiteenvloeiing, had geactiveerd.
Vanzelfsprekend is bier vragen om problemen. Het dunkt me vruchtbaarder om het bij koffie te houden. Sterker, daar vallen pientere en onnozele argumenten voor te bedenken, verzameld in om eens wat te noemen een boek, bijvoorbeeld eentje waaraan stomtoevallig ikzelf alweer iets meer dan een lustrumpje aan het schrijven ben. Het staat wel voor bij benadering 99,99% vast dat het dit jaar afkomt. 
Ik krijg bovendien de indruk een materie aan te boren die in velerlei gedaantes hele stukken van de wereldbevolking in de Lage Landen bespeelt. Het gaat hier om niet minder dan De Trends Voor 2011. Eerst begreep ik dat een alomtegenwoordige televisiepersoonlijkheid ‘uit’ raakt door zijn stem: ‘zo praat je ook niet als je thuis koffie zet’. Vervolgens werd openbaar dat Facebook, het enige poolijs dat aangroeit, het ultieme fanpagepodium zou zijn van een ‘koffieshop’. De wereld op zijn kop! Of zoals Shakespeare in een van zijn astrale composities doorgaf: een hippe vogel of een gehypete vogel, that’s the question. 
Een koffieshop is naar mijn bescheiden mening toch iets anders, unieker onder het huidige gesternte, dan het globale imitatiekoffiehuis dat bedoeld werd. En dat soms, voor de vierde keer in veertig jaar, moet poetsen aan zijn logo, ‘a mirror image of the strategy’. Het bedrijf stamt uit de Verenigde Staten, waar koffie een vloeistof heet te zijn waar een boon overheen gevlogen is, en dat bovenal een land is waarvan andere kakelverse voorspellingen weten dat zijn invloed zal tanen zonder op langere termijn helemaal weg te ebben. De voormalige aartsvijand Rusland kan zich door de klimaatveranderingen dan weer opwerken als voedselproducent vanuit nota bene Siberië niet te verwarren met de gelijknamige, democratischer uitspanning voor warme dranken en wat erbij).
Daarnaast wordt bijvoorbeeld een revolutie verwacht in advertenties en persoonsgebonden marketing. Bij het consumeren van curiosa als boeken legt dat hopelijk gewicht in de schaal. Zegt het voort! Of fluister het door, analoog aan het spelletje waarin ‘Wladiwostok’ na enige niet door mp3-spelers gevulde oren te passeren moeiteloos verandert in ‘knakworstmosterd’. Bij wijze van reclame zou ik een huisgemaakte vertaling uit het Engels willen presenteren, van een gedicht waarvan het origineel in het Deens mij niet onder ogen is gekomen: 

Samenzweringen 

De papegaai trapt. Dat kan men 
zeggen. De papegaai antwoordt zichzelf 
met een zware stem. Dat 
kan men zeggen. Op zijn manier
is de papegaai een genie. Maar niemand is
op zijn manier en hij al helemaal
niet. Maar hoe kan men hem dat meedelen. 

Mijn koffie houdt zich schuil 
in het kopje. Dat kan men zeggen. 
Maar voor wie? Duister spiraalt er wat stoom
als ik in de diepten zie, een soort draad
die zichzelf pal voor mijn ogen
wegtovert, het zuiverste niets 
dat eigenlijk water is. Maar 
hoe kan men dat meedelen. 

Plus dat vele bedenkelijke dromen 
alleen maar dwars door het donker rollen. 
Plus dat de sterren erin bloeien, 
daarboven. Plus dat alle gevolgen hiervan 
zichzelf geniaal beginnen te citeren 
wanneer je ze de rug hebt toegekeerd. 

Met de stilste taal, bijvoorbeeld 
deze, gebeuren zulke enormiteiten 
voortdurend. De papegaaien beginnen te krijsen. 
De koffie speelt stommetje. Te mijner ere herhaal ik 
zijn zwijgen, een levensstijl waarmee ik al bluffend
rondtrek. Op die manier zullen de bezweringen 
 elkaar niet herkennen, maar zich doorlopend 
verenigen. Ja. Dat kan men zeggen. 
Ze verenigen zich tot een machtige theorie.
Sorry dat ik het de hele tijd aantoon.