zondag 23 augustus 2026

Het monster onder het kinderbed

 

 

 

Uit het intrieste wedervaren van Jason Arday en alle motieven en conclusies die diverse partijen eruit weten te wrikken, zou elke redelijke mens minstens mogen besluiten dat de kwalificatie ‘hypocriet’, steevast uiteraard voor een ander, niet deugt. Verder moet in het belang van werkelijk iedereen de term woke onmiddellijk worden opgeheven, afgeschaft en weggespoeld. Maar dat zal niet gebeuren.

Iedereen zijn overtuiging en, misschien nog zeggen, in censuur geloof ik niet. Toch heeft dat begrip woke aan zowel voor- als tegenstanders van de uitvoering die daarbij wordt verondersteld louter schade toegebracht. Als dat de macht van het woord is, dan laat ik me nog liever transformeren tot carassius auratus auratus.

Bizar vind ik ook de hardleersheid van betrokkenen en commentatoren. Of vloeide het geheugen net weg in de vissenkom? Zelf heb ik per saldo het beste met de wereld voor, waardoor het verdoemde etiket best op mijn shirtje zou passen. Het is dan ook met schroom dat ik voor de ogen van studenten soms strofen uit een gedicht uit 2022 projecteer, van Babeth Fonchie Fotchind:

 

rechtsonder schreeuwt outlook: ‘meld u nu aan voor de workshop diversiteit’. vanaf flexplekken struikelen blikken goedbedoeld over elkaar, steken elkaar aan en zetten

mijn muisarm in brand, onomkeerbaar gebogen ruggengraat in brand (…)

 

ik scoor met mijn trifecta hoog op de gemarginaliseerdenladder en ben daarom het

aantrekkelijkst voor mijn baas. naast vergaderzalen tellen (…)

staat op mijn to-do-list: ervaringsdeskundigheid

delen in het kader van inclusiviteit

 

En vertelt deze week senator Gaby Perin-Gopie (Volt), tevens zelfstandig adviseur over ‘diversiteit en inclusie op de werkvloer’, wat haar in de Eerste Kamer zoal overkomt tussen en onder en boven de woorden. Wat moeten ze dan nog inhouden?

Afgelopen zomer was er nota bene een debat tussen de taalexperts Freek Van de Velde en Marc van Oostendorp over de mate van wokeheid in de neerlandistiek, waarbij onderweg nog gedefinieerd werd en, bijvoorbeeld bij ecocriticism, afgebakend wat dat precies inhield. Voorlopig kwam het neer op ‘identitair activisme’. Ik vrees dat echter niemand weet wat woke betekent, en dat daarin juist die macht schuilt. Als het monster onder het kinderbed wanneer het lampje uitging en je uit angst begon te praten.

 

Hangplekken

Het debat trok mede mijn aandacht omdat het deels over taal ging, een Amerikaans-Nederlands. Dat is alvast iets om wel vrij zeker van te zijn: het fictieve monster woke baart tastbare woorden. Ze zijn bovendien aan de complexe kant. Vanuit mijn miniperspectief is me opgevallen dat ze zelden worden gebruikt door mensen die de taal adequaat beheersen. De outlookmail die Babeth Fonchie Fotchind ontving bevat een dt-fout.

Daar heb je het al, meteen een vileiniteitje. Ik bedoel dat het wel eens inzichtelijker kan zijn te kijken naar de schrijf- en leespraktijk van doorsnee gebruikers dan de grote tenoren te viseren. Dus bij het debat niet zozeer te turven wat topwetenschappers in een A-tijdschrift plengen, als wel wat hun studenten publiekscommunicerend als evident uitwisselen.

Dat suggereerde ik al, in een comment. Met als toetssteen twee woorden die in het artikel slechts bij hun eerste, trans-Atlantische naam waren genoemd: ‘heteronormativity’ en ‘whiteness’. Mij boeien ze in hun dagdagelijkse laaglandse kloffie: ‘heteronormativiteit’ en ‘witheid‘. Volgens de hyperlinks uit het Algemeen Nederlands Woordenboek duiken ze vanaf 2006 in de Lage Landen op. Zijn er in het vak jongeren die dat kloffie naadloos aantrekken? Ik ging testen op twee hangplekken: De Reactor (sinds 2009) en Jong Neerlandistiek (sinds 2022).

De eerste site gaf bij ‘heteronormativiteit’ slechts vier treffers, uitsluitend van neerlandici en op een veelal beloftevolle leeftijd. De bovenste was in de roos, omdat studenten daar met elkaar in gesprek waren over een bundel en de term geruisloos voorbijkwam. De tweede treffer was minstens zo mooi: daar landde ‘heteronormativiteit’ in een kritisch rijtje met ‘traditionele gezinswaarden en religie’. In treffer drie gebruikte een bekendere jongere neerlandicus het begrip ook in zijn bijvoeglijke vorm. De vierde en laatste treffer bezigde ‘heteronormativiteit’ in één adem met ‘eurocentrisme’.

Bij ‘witheid’ geeft De Reactor achttien recensies, ook best weinig. Door alle generaties bovendien, en niet alleen neerlandici. Ik bloemlees. Bij de bovenste treffer zit het woord al in de titel: ‘De witheidsproblematiek’. Een andere recensie heeft het in de ondertitel van het besproken boek, een letterlijke vertaling van Whiteness and the Literary Imagination. Er blijken ook nuances in ‘witheid’ die, consistent in het register, een ‘constructie’ heet. Op één plek is dat verwerkt tot een definitie: ‘Witheid verwijst (…) naar een dominante positie binnen een geracialiseerd systeem. Witheid is een sociale constructie die een vorm van witte suprematie, of zoals Sibo Kanobana het recentelijk noemde, een witte orde in stand houdt.’ Elders op de site heet ze een ’fundamenteel onderdeel van een breder machtssysteem’. En valt zo’n diagnose ook, zeldzaam op deze site, ten prooi aan schamperheid – van emeritus-socioloog Walter Weyns, die aan zijn opvattingen over het monster een heel boek wijdde.

 

Poenerig

Inzake Jong Neerlandistiek ben ik sneller klaar: geen treffers. Het weinige dat deze site bij ‘witheid’ oplevert komt van oude bokken. Van wie ik zelf de grootste ben, met drie stukken die verbaasd de term in een context aanhalen. Een ander artikel gebruikt ‘witheid’ expliciet in de zin van ‘lichtheid’. In de door mij nagejaagde betekenis valt het begrip in een opsomming die een stand-van-ideologische-zaken-overzicht geeft. Ten slotte vraagt een feuilletonaflevering zich af of in 1996 de witheid van een sneeuwbal literair al andere associaties heeft verwekt. Louter een pas gepromoveerde neerlandica bezigt in een interview het begrip ‘witheid’ zo en passant als ik zocht.

dinsdag 11 augustus 2026

De kampioenste

 

 

 

Als amateurcharlatan in de neerlandistiek vroeg ik me ineens af: hoe zou het zijn met de theorie over poëzie die J.H. de Roder vlak voor de eeuwwisseling ontwikkelde? Zijn hypothese was, hopelijk nu niet te grof samengevat, dat gedichten neigen naar betekenisloosheid omdat ritme dominanter is. Destijds in de hoogtijdagen van ‘het’ postmodernisme baarde die theorie zoveel opzien dat, in mijn herinnering, zelfs dagkranten erover schreven. De Roder nam vervolgens de pamflettaire tekst op in een essaybundel die door de KANTL van de strik der eeuwigheid werd omgebonden. Ook reageerde Jan Lauwereyns uitgebreid en vernietigend met het boekje Splash. Maar toen was het 2005 en was de neerlandistiek blijkbaar al met andere zaken doende die de vergetelheid in moesten.

Ik zou bijna zeggen: en toen leefde iedereen nog lang en geleden. Maar daarmee citeer ik Erik of Eric Bindervoet. Bovendien ging door mijn hoofd nu, een kwarteeuw later, dus de vraag hoe het met De Roders theorie is gesteld. Bij mij werd ze wakker gekust door twee boeken, die niets met elkaar te maken hebben – behalve dat ik ze recent uit stapels viste.

De ene titel is De symfonie van onvrede. Daarin legt politicoloog Catherine de Vries overtuigend uit hoe en waarom een van de deprimerendste feiten uit de recente geschiedenis zijn beslag gekregen heeft: de massale koerswijziging door kiezers-burgers van centrumlinks naar extreemrechts. Wat heeft dat met poëzie te maken? Ik wil even niet polemisch doen. En gelukkig heb ik aan één zin van De Vries genoeg om mijn link te leggen:

 

‘De boodschap van dit boek is dat er onder de melodieën van radicaal-rechts een dieper ritme ligt dat de toon zet: de gestage afbraak van publieke voorzieningen, veroorzaakt door de politieke keuzes van middenpartijen – het afschudden van hun ideologische veren, de uitverkoop van de staat aan de markt en het herdefiniëren van de kiezer als consument.’

 

Deze zin is sowieso interessant. Tot en met haar boektitel heeft De Vries gekozen voor een centraal beeld dat haar stelling aanschouwelijk moet maken. Er horen terugkerende submotieven bij, zoals ‘noten’, ‘orkest’, ‘componisten’ en ‘dirigenten’, waarboven de abstractere titels van de drie delen evengoed de consequente aanpak schragen. Dat bevordert het begrip en de samenhang, maar heeft in een niet-literaire tekst ook iets verkrampts.

In het citaat laat het korte stukje vóór de dubbelepunt die tegenstrijdigheid zien. Maar liefst drie termen hebben met muziek te maken. Daarbij duwde wat mij betreft het adjectief ‘dieper’ vóór ‘ritme’ net ietsje te hard. Tot, sorry dat de uitleg zo lang duurde, het pamflet van De Roder me te binnenschoot waarbij, meen ik, ritme inderdaad de toon overweldigt.

Nu ja, het was maar een detail dat mijn blik allicht stuurde bij de tweede titel. Na De Vries las ik namelijk het zalige boek Erratapedia. Daarin bundelde Erik of Eric Bindervoet niet alleen een nieuw setje grillige leutergedichten, ditmaal annoteerde hij ze ook uitbundig heterogeen. En zoals te verwachten viel, overwoekeren al de noten de hoofdtekst nagenoeg volledig. Het gedicht ‘The importance of being speels’ blijkt bijvoorbeeld kaal te zijn voorgepubliceerd en telt vier bladzijden, terwijl het in Erratapedia, met eenentachtig voetnoten, veertien pagina’s beslaat.

Maar De Roder heeft hier nog steeds niets mee te maken. Toch legde ik het verband wel degelijk, in de jungle van annotaties. Murw door alle meer of minder relevante informatie die Bindervoet daar op lezers los bombardeerde, kwamen ook amper geïntroduceerde regels voorbij die voortijdig leken te zijn afgebroken en die soms rijmden:

 

(…)

Maar luister dan ook goed naar de klank van je eenzaamheid

Van een hartslag… uit de as

Als de stilte je herinnert aan wat er was

Aan wat je had… aan wat er was… aan wat je had.

Klappen geeft de donder als het regent.

(…) (p. 26, noot 69)

 

Misschien komt het doordat ik de elpee kocht in de herinneringsgevoeligste jaren van de puberteit dat de oorspronkelijke tekst als het ware door mijn aders circuleert. Maar die was nog altijd wel in het Engels, waarvan mijn beheersing matig is. En voor ik het wist of zelfs maar kon herleiden, riep mijn hele ik naar dit fragment terug. Dit is Fleetwood Mac anno 1977, in een echtscheidingslied dat sindsdien talloze keren is gecoverd. Ja, thunder only happens when it’s raining.

En is dit dus ook niet wat De Roder bedoelde? Doordat ik het liedje relatief goed ken, was ik toch nog niet helemaal overtuigd. Verder lezend in Erratapedia, voor zover dat kan, laat staan gestructureerd, dommelde ik in zekere zin in. Amuseerde me, miste ongetwijfeld van alles, blies en slappelachte tot:

 

(…)

En menig keer heb ik gefaald

Ik heb hoe vaak ik ook beet in het stof de top gehaald

En dus moet je doorgaan doorgaan doorgaan…

Wij staan als beste bekend en wij blijven vechten tot het end

Wij zijn de besten.

Wij zijn de goeisten.

De kampioenste!

Geen tijd voor stumpers

Want wij zijn de beste kampioen…

(…) (p. 105, noot 17)

 

Dit is kolder, net als het laarzentrappelend gedachtegoed waar mijn gemoed me naartoe stuurde. Weer een liedje, ditmaal verticaal geklasseerd bij het meurendste denkbaar uit wat ik voor een privétoilet houd. Mercury, het vroege gras van Ajax in De Arena, Van Gaal op het Museumplein,…

Waarom drong Queen door mijn bewusteloze lectuur heen? Dat moet toch een argument pro De Roder zijn? Allicht is popmuziek – vanaf de babyboomers en zeker vanaf ‘mijn’ generatie X – een vanzelfsprekend cultureel referentiekader geworden dat ooit, voor een geringere groep mensen, in literatuur te vinden viel. Volgens mij verwees De Roder ook naar Primo Levi, die had getuigd dat bij het duivelse werk in concentratiekampen gevangenen Dante reciteerden.

Daarnaast is Bindervoet natuurlijk een meestervertaler. Hij beheerst de Nederlandse taal zo goed, van haar highbrowste tot in haar onsmakelijkste trekken, dat hem waarschijnlijk de PC Hooftprijs nooit is gegeven uit mededogen met de reguliere laureaten. Iets verderop in zijn Queen-massage varieert hij op het bovenstaande gekweel met ‘en wij blijven vechten tot het very ergwaartste end’. Daarmee doemt Beckett, of minstens de versie die Erik of Eric Bindervoet van hem gegeven heeft. Van het eind ook van het begrip? Of het begin?