woensdag 30 september 2026

Toereikend

 


 

Moeder, ik heb een mening! Naar aanleiding van de recent verschenen Nanne Tepper-biografie en ook een brievenboek dat snel na zijn vroege overlijden verscheen, schreef ik een hele lap tekst die aan het slot een idee lanceert om uit de shit te raken: een maatschappelijke tegenprestatie voor geld dat ampel beschikbaar blijft om cultuurindustriële doden eer te bewijzen met dissectie.

Vreemd feitelijk, in een tijd van budgetbeknibbelingen. Daartegen klinkt dezer dagen in Nederland en België protest op. Ik wilde in dat zinnetje het galmende woord ‘alom’ zetten, maar dat zou getuigen van blikvernauwing of beslagen spiegel waar het de sectie cultuur aangaat. Heel wat mensen zien die het liefst gisteren al begraven, juist vanwege kapitalen die eraan besteed zouden worden.

Voordat de indruk rijst dat ik het dan over zogeheten onbeschaafde medeburgers heb, verwijs ik naar een stellingname van criticus en curator Hans den Hartog Jager dat kunstenaars dan wel de sluitpost zijn op een begroting maar dat hun kritische autonomie getuigt van wensdenken. Bovendien was er recent een scherpe analyse van componist en regisseur Görges Ocloo waarin hij de cultuursector maant tot zelfkritiek.

Financieel beleven we tegelijk tijden van AI-exploitatie. De koloniale waar is werk dat ooit met inzet van ziel en zaligheid voor een appel en een ei op witte velletjes papier werd verricht en dat later via een toetsenbord de digitale wereld in werd geslingerd. Ik weet zowaar waar ik het over heb. Alleen al dit brabbelplekje werd afgelopen halfjaar aangedaan door waanzinnig veel bezoekers – uit landen zoals de VS, Singapore, Brazilië, Duitsland en Vietnam, die niet bekendstaan om hun beheersing van het Nederlands dat bij mij de voertaal is.

Laat de protesten maar komen. Tegen shadow libraries waarin online auteursrechtelijk beschermde teksten zonder toestemming en vergoeding zijn verspreid. Tegen besparingen van 10% in een sector die deels ruimtes wil vergroten én die een miniem hapje uit de begroting neemt. Voor deze acties is gelukkig aandacht.

Onder de radar bleef een ander feit dat in zijn gortdroogheid onspectaculair een nooit bevraagde ontwikkeling toont. Dat in Vlaanderen het maximum aantal maandeenheden voor een literaire schrijfwerkbeurs is teruggebracht. Er zijn sinds 2020 (164 aanvragen) namelijk zo ontzettend veel auteurs gekomen, dat nu (326 aanvragen) het budget niet meer toereikend zou zijn.

woensdag 16 september 2026

Da worde nie

 


 ‘Maar hij zei ook Niets kan haar vervangen’

(Jacob Groot)




Uiteindelijk bleek ik de klok hebben horen luiden. Maar ja, die klepel. Wat hier etappegewijs over recent gebruik van hoofdletters heeft gestaan, kan alsnog worden gespiegeld aan vakliteratuur. Het gaat dan over veranderende taalvormen ’sinds de vroege socials’ tussen 2000 en 2010, zoals ‘(…) HeT wIlLeKeuRiG aFwIsSeLeN vAn KleInE eN gRoTe LeTtErS voor een spottende toon’. Totaal willekeurig lijkt me deze orthografie niet, maar ik snap wat er wordt bedoeld en ga in mijn mand liggen.

Het citaat staat in het dit jaar verschenen Superbrabants van Kristel Doreleijers. Over een taal die ‘niet alleen kunstmatig, maar ook best kunstzinnig’ zou zijn. Ik las deze studie vanonder drie petten tegelijk: een publicist die net iets heeft afgerond met een hoofdrol voor gebabbel in de fictieve enclave West-Noordbrabant, een amateurcharlatan die taal onderwijst en een voormalig inwoner van Breda, de Parel van het Zuiden.

Om met de laatste figuur te beginnen, Doreleijers leert hem dat er ook in Noord-Brabant zoiets als een centrum en een periferie bestaan. Niet omdat zij uit Eindhoven komt en in Tilburg doctoreerde, maar omdat haar voorbeelden die regio bestrijken, met Den Bosch als hoogste punt. Een culturele minidriehoek? Indien ik het me goed herinner, duikt mijn geboortestad alleen op als officiële naam voor het Kielegat en standplaats van NAC. Nou ja, Tom America (afkomstig uit Heerlen, woonachtig in Tilburg) zong al eens dat hij het gevoel had Breda nooit te zullen halen.

Dat het zuigende niemandsland in de richting van Tholen en Zuid-Beveland helemaal onbenoemd blijft, maakt allicht evenmin iets uit voor de fascinerende hoofdstelling van Superbrabants: dat er onder jongeren in die provincie een taal is ontstaan die werkelijk een melting pot blijkt. Doreleijers noemt het, onder meer, een hyperdialect. Omdat ‘het’ Brabants, wat dat ook moge zijn, er verzeild geraakt is in een soort deeltjesversneller. Eigenaardigheden van het dialect zijn erin uitvergroot en komen er anders uit: in strikt genomen ongrammaticale gedaante.

 

Popiejopie

Overtuigend laat Doreleijers zien dat haar variant allerlei clichés en stereotypen over de provincie heeft opgeslurpt, afkomstig uit een andere machtige driehoek die we de Randstad noemen. Daartoe had ze zelfs kunnen refereren aan het oer-Haagse duo F. Jacobse en Tedje van Es, dat in 1980 bij de hertekening van Nederland als apartheidsstaat onder meer het landsdeel Brarabant ontwierp, waarin de provincie ten gunste van Surinamers en Arabieren fuseerde met Limburg, ‘altijd weer een paar graadjes warmer, denk aan de vrolijkheid, denk aan carnaval’.

Doreleijers spreekt van een ‘herkenbaar Brabanderschap’ als

 

‘een optelsom van het beeld dat buitenstaanders van Brabant hebben of aan Brabant toeschrijven (het imago van Brabant), het beeld dat Brabanders van zichzelf hebben (het zelfbeeld), en de manier waarop Brabanders zichzelf presenteren’.

 

Zo kan een adembenemend actie-reactiespel ontbolsteren, met soms onwrikbare principes, al dan niet uit de spreekwoordelijke onderbuik opgeborreld. Zonder dat ze de term appropriaton laat vallen zegt Doreleijers dat er in haar provincie bijvoorbeeld mensen zijn conform het dogma ‘Braobander da worde nie, da bende’. Op dezelfde pagina meldt ze dat anderen zich zo schamen voor hun accent, dat ze de hulp van een logopedist inschakelen.

In Doreleijers’ nieuwe taal zit, wanneer ik haar goed begrijp, evengoed een bijdrage van import-Brabanders. Het netto resultaat veroorzaakt een grappig refrein in Superbrabants. Ouderen klagen over de teloorgang van ‘hun’ dialect dat zij wél zuiver houden – de ondergang nabij! Daarin staan ze, op hun manier puristisch, niet alleen. Doreleijers geeft een wetenschappelijke bron: Arjen Versloots artikel ‘Streektaaldood in de Lage Landen’, waartegen ze stelling neemt.

Doreleijers bouwt verder op noties als ‘gevelbrabants’ (Hoppenbrouwers). Daar zat wel kritiek in, als zijnde een quasi-bourgondisch neptaaltje waar de kassa mee werd gespekt. Op een hyperdialectisch benaamde zaak tekent ze de reactie op: ‘Dòr hebben ze ’n bietje popiejopie, ’n bietje populair meej willen zen’. Zoals Superbrabants zelf slim de kwalificatie ‘carnavalesk’ gebruikt voor noorderlingen die taal bazuinen die wel erg overdreven is en de provincie gelijkstelt aan folkloristische clichés. Van dergelijke uitstoot zijn ouderen de uitlaat, maar waar zit precies het verschil met die jongerentaal?

Is superbrabants toch ook een commercieel project, waarvan tegeltjes en memes al op de markt blijken en waarin ondernemers kansen zien? Waarin onderscheidt het zich van ‘beeldbuisbrabants’ à la Undercover, van het Brabants dialect dat volgens de achterflap het dienstmeisje Petra spreekt in Nootebooms Rituelen of waarmee Thomése zijn Tilburgse personage J. Kessels optuigt? Is het heus louter een knuffeltaaltje waarin jongeren zich prettig voelen, misschien ook door de buitenwereld mild te stemmen zonder de roomse achterlijkheid die de streektaal traditiegetrouw schijnt aan te kleven? De nieuwe versie doet er, als ik het wel heb, ook ingrediënten bij uit uitheemse talen, zoals jongeren gewoon zijn te doen.

donderdag 10 september 2026

Mijn fucking gedicht

 


 

 

En nadat ik publiek had nagedacht over ontwikkelingen in het kapitaal- versus onderkastgebruik las ik: ‘Nu niet meer vragen Naar littekens / van de gevangenis, Brazilië of de kunstacademie.’ Het stond op de zestigste pagina van Het netwerk moest gebouwd worden, in een gedicht dat Maxime Garcia Diaz aansprekend had geopend met: ‘Een totaliteit verloren onderweg.’ Dat debacle leverde het vervolg, met die hoofdletter van het voorzetsel, niet alleen na een dubbele regelafstand die het boek in de greep heeft, maar ook na precies zoveel tabs dat het lijkt alsof er verticaal aangesloten wordt.

Daar gingen mijn hypotheses! De lijvige bundel gaat over virtuele werelden, en bevat gecopy-pastete collages, vertaalmachinewerk, schermafbeeldingen van WhatsAppgesprekken en selfies. Garcia Diaz’ lyrische ik stelt dat Paul Klees schilderij Angelus Novus ‘een meme werd’ door de negende these van Walter Benjamin. Ze bekent dat ze bij het woord ‘veld’ in eerste instantie niet aan de ‘fysieke’ wereld denkt, maar aan een beeldscherm. En in het Engels bij ‘view’ aan een of ander computermenu. Zo’n gemoed roept Jean Baudrillards reisverslag van Amerika in herinnering, uit de jaren tachtig, waarbij film voor hem aan de basis ligt van steden (die voorheen in Nederland en Italië na museumbezoek zijn inziens voortkwamen uit schilderijen).

Kan het dan zijn dat de dichteres schreef op de smartphone – en zich met de hoofdletter vertikte? Ik heb me laten vertellen dat, waar dat schermpje voor mijn onervaren en slechte ogen al helemaal niet bijster groot zou zijn, fouten niet altijd gerepareerd worden.

In een erg korte recensie mokte Mario Molegraaf over naar desinteresse neigende achteloosheid. De dichteres rept bijvoorbeeld van C.P. Cavavy die in de Lage Landen bekend staat onder de naam K.P. Kavafis. Misschien toont zich dan een generatieverschil. Is de Griek, in het Nederlands vertaald door Molegraaf en Hans Warren, door de dichteres wereldwijs in het Engels gelezen? En zou het voor haar onoprecht zijn een andere auteursnaam op te voeren? Zou het zelfs kunnen dat ze haar teksten, of een deel ervan, in het Engels gemaakt heeft en daarna terugvertaald naar het Nederlands? Er staat elders bijvoorbeeld ‘personificeren’ in plaats van ‘personifiëren’.

Tegelijkertijd met de bundel verscheen in 2025 bij dezelfde uitgeverij een editie onder de titel The network must be built. Alleen de onderkasten, zou ik koppig denken, verraden een niet integraal Engelstalige achtergrond.

Molegraafs ongemak, dat door dieptepsychologen schoolmeesterend kan worden genoemd, ervoer ik zelf bij Garcia Diaz’ debuut Het is warm in de hivemind uit 2021. Bij een lang gedicht, expliciet geïnspireerd op Allen Ginsberg, vertrekt Garcia Diaz vanuit een stelling: ‘Audrey schrijft’. Dit staat onderstreept, en wordt in de verantwoording voorzien van een YouTube-link. Gedienstig overtikken leidde me naar: Barbie and the 12 dancing princesses theme but you're one of them dancing in the secret garden.

woensdag 2 september 2026

Jij bent & was


 

Als niets meer zeker is, kan het ook in taal de vraag worden: kapitaal of onderkast? De officiële, op internet toegankelijke Leidraad wijdt er een apart hoofdstuk aan. Volgens mij hoef je ze niet eerst te leren om te voorspellen dat er allerlei regels ter zake zullen zijn doorbroken én onderhevig zijn aan trends.

Om met het allerlaatste te beginnen, In een recent verleden boog ik me over de spelling van voor- en achternamen, waarbij ik als actueel voorbeeld ‘bob vanden broeck’ noemde. Nu, een boek later, heet hij weer ‘Bob Vanden Broeck’. Aanleiding voor mijn stukje was overigens de fantastische bassist Esperenza Spalding die zich had onthoofdletterd. Ik kon meer muziekacts noemen met een dergelijke presentatie, en vergat die met kapitalen. Zoals MARO en ABBA (en, in zekere zin, H.E.R. en P!NK).

Ad infinitum. Of ad interim?

Vergeten was ik de rol van sociale media te verdisconteren. Weliswaar ontsnapte me tussendoor wat routinezuur over de kapitalen die de wortelkleurige en zijn entourage bij digitale communicatie inzetten, maar deze blokletters, het verlengde van bolds, ogen te routineus om bij stil te staan. Wel duizelt het besef dat dit conservatieve geweld formeel in de vakliteratuur met ‘het’ modernisme verbonden wordt.

Naar mijn idee is het gebruik van hoofdletters en onderkasten subtieler geworden. Ik weet niet of ik het ook intuïtief of hoogstpersoonlijk moet noemen, maar in eerste instantie waren het studenten die me voedden met prikkels. Omdat in hun papers, ogenschijnlijk zonder systeem, hoofdletters midden in een zin nogal opvielen, gevoegd bij evenmin consequente onderkasten aan het begin van zinnen.

Hypotheses moeten nog opgesteld, maar het lijkt me dat gebruikers van sociale media getraind zijn in een zo adequaat mogelijke presentatie. Volgens Éric Sadin ‘cureren’ mensen zichzelf op Instagram. Ieder zijn of haar galerie annex museum! Daarbij kunnen taalconventies en voorschriften hinderen, of juist uitnodigen ze aan te passen aan persoonlijker behoeftes.

Probleem is alleen dat die media me onbekend zijn en dat ik volgens mij geen moed en puf heb ze te bezoeken. Gelukkig kon ik uit artikelen twee Instagram-voorbeelden doorkopiëren. In het eerste herdacht zanger-acteur Danny de Munk zijn toneelvader Peter Faber die was overleden. Voor mij was dat tekstje, een open brief eigenlijk, een schot in de roos. Omdat kapitaal en onderkast inderdaad geen systematiek vertoonden en emoties ter plekke weergaven:

 

(…)

Elke Keer als ik je tegen kwam riep je
“HÉ STINKERD” !!!!!!
Jouw positiviteit was Enorm, net als Jouw Empatisch vermogen.
Jij bent & was een mooi en uniek kleurrijk mens

(…)

 

Voor mij is dit weergaloos. Ik meen althans vrij exact te kunnen navoelen waarom De Munk even een hoofdletter invoegde en dan weer een paar maten een kleine. Dit is muziek (waar emoji’s bij horen, maar die voeren te ver)! Alleen krijg ik het benauwd als taaldocent. Hoe kan ik nog uitleggen wat de afspraken zijn, zonder helemaal over te komen als een dodo, laat staan Nederlands als een bastion voor te stellen?