vrijdag 29 september 2023

Het niet-bestendige accepteren

 

 

 

Uitgeverij Valiz viert haar twintigjarige bestaan met Future book(s) / Toekomstboek(en), een uitgave die zoals de titel belooft tweetalig is maar bovenal Engels toont. Conform de verhoudingen in de communicatiewereld? Volgens mij hebben Nederlandstalige auteurs ook rechtstreeks bijgedragen in het Engels. Voor sporadische dubbelteksten tekent ‘KennisTranslations’. Ik vermoed dat schrijver-curator-fotograaf Annosh Urbanke wel wil weten wat dat behelst. Haar bijdrage breekt in het Engels aan het slot abrupt af en eindigt in het Nederlands zo: ‘Dat zou ultiem zijn!’

Doordat dit bijna vijfhonderd pagina’s tellende boek grillig oogt, door maar liefst tien vormgevers in eigen katernen, terwijl het slotdeel met index, biografieën en fondsoverzicht een meticuleuze aanblik biedt, moet ik Future book(s) / Toekomstboek(en) misschien een feestelijke chaos noemen. Dat geeft me meteen een excuus in te zoomen op slechts één bijdrage. Die is wel in twee talen te lezen, maar ook van de Nederlandse versie luidt de titel ‘Who Gets to Play in this Play?’.

Zo’n vraag geeft iets prijs van wat Hicham Khalidi, directeur van de Jan van Eyck Academie in Maastricht, met zijn bijdrage beoogt. Er mag antwoord komen, en daarvoor gebruikt Khalidi de briefvorm. Bestemmelingen zijn de ‘ontwerp- en uitgeverswereld’. Grappig als aanspreekvorm, vind ik, en begrijpelijk door de achterliggende anekdote. Khalidi leidde eind 2022 voor de Stichting De Best Verzorgde Boeken (DBVB) een panel over inclusiviteit in die branche. Een heikel onderwerp, waarvoor hij naar het Amsterdamse Stedelijk Museum was getogen.

 

Losgezongen

Geen idee of Khalidi als panelvoorzitter actief deel heeft genomen aan het debat of, zoals zijn brief voorspiegelt, aan het publiek vragen heeft gesteld. Zijn stellingnames zijn in elk geval helder:

 

‘De jonge ontwerpers, makers en uitgevers met een diverse achtergrond die uitgenodigd zijn aan de paneltafel, voelen zich niet vertegenwoordigd in een systeem dat voornamelijk vertrekt vanuit een genormeerde en dominante esthetiek. Het is een systeem waarin esthetiek en ethiek losgezongen zijn van elkaar, want volgens velen in de kunst- en ontwerpwereld, waaronder u, valt over kwaliteit niet te twisten, kwaliteit is een universeel iets.’

 

Niemand zal hiervan uit zijn of haar stoel vallen. De afspiegelingskwestie speelt al jaren, en kan niet genoeg aangekaart worden. Met die mening bedrijf ik in Khalidi’s blootleggende denken een ‘politiek van onschuld’, die pretendeert alles in het snotje te hebben en zelf geen poot uitsteekt. Dat de maatschappij bonter is samengesteld dan (kunst)gremia is nochtans een feit. De rij met jurynamen voor de Best Verzorgde Boeken klinkt inderdaad behoorlijk laaglands, terwijl de studentenjury voor de editie van 2022 internationaler toeschijnt. Dat laatste hoeft overigens niet te verbazen, vanwege het Erasmus-statuut.

Minder goed volg ik Khalidi’s scheiding tussen ethiek en esthetiek. Ik wist niet eens dat ze mogelijk was! Bovendien giet hij haar in een wij-zij-vorm. Of zou hij dat ‘waaronder u’ bedoeld hebben om reacties af te dwingen? Khalidi gaat dan de confrontatie aan, wat zonder meer te prijzen valt in een samenleving die op zalvende wijze nog altijd zegt te streven naar ‘de dialoog’ en gelijkgezinden in hun bubbeltjes laat.

Bij een industrieel en kapitalistisch thema als inclusiviteit demonstreert Khalidi’s ‘u’ een generalisatie waarmee dit debat naar de vaantjes wordt geholpen. Helemaal omdat hij aan het begin van zijn brief meldt dat er bij inclusiviteit niet wordt geluisterd want ‘privileges verhinderen dat’ (de personen uit zijn aanhef die hij ‘adresseert’ vertonen louter groepskenmerken). En omdat hij aan het eind meldt dat de niet-vertegenwoordigden worden ‘gediscrimineerd’. Die beperkte universele invulling van kwaliteit door uitsluiting verklaart Khalidi dan zo:

 

‘Het is het resultaat van dertig jaar neoliberaal en conservatief politiek beleid in Nederland en daarbuiten en wordt tevens gevoed door noties van universele waarden en normen en daarmee van kwaliteit. Het is de symboliek van de uil van Minerva, zullen we maar zeggen, die voornamelijk van racistisch rechts komt, en in directe lijn staat met een vooral wit-superieure notie van kwaliteit en daardoor alles wat anders is uitsluit.’

 

Ook deze redenatie is overbekend, net als de sneer naar Thierry Baudet, maar ik vrees dat ze niet eens strategisch valt te verdedigen. Uit de lucht gegrepen was dan ook Khalidi’s toeschrijvende stelling over onbetwistbare kwaliteit, die universeel zou zijn. Decennia geleden, toen neoliberalisme nog moest beginnen te infecteren, bewees Pierre Bourdieu het tegendeel. Sindsdien stelt elk tekstje over ‘de canon’, of het nu digitaal is of stamt uit een twaalfdelige encyclopedie, betrekkelijkheid en tijdsgebondenheid en betwisting in het vooruitzicht. Op Facebook geschiedt dat waarschijnlijk zo’n beetje real time.

 

Westerse hegemonie

Het heeft iets van een grap dat Khalidi de diagnose van een universele kwaliteit stelt. Bourdieu brak met zijn ideeën de gevestigde orde en het is geen geheim dat hij van eenvoudige afkomst was. Het canonbegrip dat we nu kennen, is dan veeleer links en academies zetten hun beste beentje voor om curricula te ‘dekoloniseren’. Ook in verband met de Best Verzorgde Boeken is Khalidi’s verwijt bizar. Welwillende lezers worden immers overspoeld met berichten over prijsauteurs, longlists en shortlists – allemaal fenomenen die kwaliteit suggereren. De titels die bij de Best Verzorgde Boeken in de aandacht komen, stammen veeleer uit wat dan zo tergend de marge heet.

Waar haalt Khalidi zijn misleiding van een gefixeerde kwaliteit vandaan? Wellicht benadrukte Bourdieu voor hem onvoldoende dat het kwaliteitsoordeel leed onder ‘het dominante karakter van de westerse hegemonie’. Maar ook zonder die geografische nuance luidt de consensus: kwaliteit is geen statisch begrip want wordt telkens toegekend. In mijn literatuurstiel lijkt de KANTL zelfs haar bestaansrecht annex visibiliteit te ontlenen door vijfjaarlijks ‘de canon’ te herzien en bij die dynamiek pontificaal één plaats open te houden voor de notoire ‘blinde vlek’.

Wanneer Khalidi vervolgens de reden van zijn klacht toelicht, legt hij nota bene de vinger op die toekenning: ‘Wie bepaalt kwaliteit? Wie zijn de zogenaamde poortwachters? Het probleem van normering gaat over wie de norm bepaalt. Normering is een systeem van machtsrelaties.’ Daarmee zou hij zijn probleem historisch kunnen kaderen. Er is door de eeuwen heen altijd een strijd gaande geweest, ook over ethiek trouwens. Het principe van vadermoord bestaat evengoed in kunst. En sinds internet overal aanwezig is, luidt de klacht dat onbevoegden poortwachter spelen. Wordt die strijd tussen poëtica’s nu voortgezet met andere middelen, omdat Khalidi er een etnisch aspect in ontwaart?

vrijdag 22 september 2023

Met veel aandacht voor immersie


 

Welke universiteit willen wij? Zo heette ongeveer vijftien jaar geleden een actie voor zelfkritiek. Ze schoot me te binnen toen afgelopen week KUL-rector Luc Sels een opiniestuk afstak waarin hij allerlei pleidooien hield zonder het achterliggende model te benoemen. Toevallig was de man net in mijn blikveld geraakt bij een naweging van het Standaardnederlands dat onderwijsexpert Dirk Van Damme aanbeval in een bundel – waarvoor Sels de uitleiding had verzorgd.

Sels wil onder meer een coulantere houding tegenover buitenlandse superwetenschappers-docenten die een andere moedertaal hebben. Hun Nederlands hoeft van hem niet te voldoen aan de tot twee cijfers achter de komma vastgelegde niveaus die op de universiteit gelden, terwijl anderstalige opleidingen tegelijk de markt mogen vergroten.

Dat standpunt gaf uiteraard meteen gedoe over Engels als stroopsmeerder over het denken ten koste van het kleine maar dappere Vlaanderen dat moedig stand moet houden. Onvermijdelijk was de reactie van de N-VA onderwijsminister dat ‘de slinger dreigde door te slaan’. Daarbij vermoed ik dat Sels’ titel (zelfbedacht of door een redacteur toegevoegd) aan uitlokking deed: ‘Identair denken remt onze internationale uitstraling’.

Als oude Nederlandse inwijkeling weet ik inmiddels dat het verstandig is voorbij te gaan aan zulke gevoelige debatten, wat niet verhindert om, teneinde dat achterliggende model op te sporen, het tweede deel van die titel te proeven. En tja, bij ‘internationale uitstraling’ ga ik over mijn nek. Zoals Sels in zijn nog geen duizend woorden tellende betoog wel meer aan de lezende mensheid schonk dat me deed sidderen.

Allereerst als vader. Ik wil helemaal geen universiteit die mijn dochters zou opvoeden als excellente mensen om de concurrentiepositie van het dienstdoende geboorteland in de bloemetjes te zetten. Als ‘meerwaarde’? Dan kunnen ze beter bijvoorbeeld loodgieter worden, wat ik sowieso aanmoedig. Daarna protesteer ik als burger. Waarom positioneert Sels zich in de ‘kennissector’? Wat we weten – empirische ervaring gecombineerd met theorie – komt toch van iedereen? Elke persoon binnen de grenzen moet van hem dan weer wel bijdragen aan ‘ons bbp’.

Ten slotte heeft de maniak in mij moeite met Sels’ taal. Dappere Vlamingen hoeven niet bang te zijn dat hij met Engels het paard van Troje binnenhaalt. Het dier staat er immers al. Sels getuigt daar ook van. Hij stelt voortdurend een ‘deal’ voor én zet dat woord opzichtig tussen aanhalingstekens. Aldus ademt het zelfkritiek. Hier bijvoorbeeld:

 

‘Er is natuurlijk meer te bespreken in zo’n “deal”. Zo zou ik resoluut voor een beleid gaan dat alle studenten een reële kans op buitenlandse ervaring garandeert, met veel aandacht voor immersie in de taal en de cultuur van het gastland.’

 

Dat Sels ondertussen ‘gaat voor’ en, conform de taaluniversitaire geplogenheid, ‘immersie’ voorstelt suggereert dat hij zelf al ondergedompeld is. En excellent? Door de term ‘gastland’ valt bovendien op dat hij Vlaanderen steevast als ‘regio’ betitelt. Het zou me benieuwen of Sels er voor zijn academici de ‘inspanningsverplichting’ bij het Nederlands, op een ander overeen te komen niveau, evenzeer wil omzetten tot de ‘resultaatsverbintenis’ waaraan andere nieuwkomers worden onderworpen.

Binnen en buiten de universiteit blijft de duizenddollar-vraag of mensen elkaar begrijpen als ze spreken, luisteren, schrijven en lezen. Toevallig viel deze week ook het nieuwe nummer van De Witte Raaf binnen, waar doorschemerde dat kunstenaars daarbij een status aparte te hebben. De culturele bagage van Joseph Beuys stoelde op fanaat lezen en hij betoonde zich aldus ‘een warhoofd, daarover is geen twijfel mogelijk’.

Zo mogelijk nog gedecideerder is Carel Blotkamp wanneer hij Theo van Doesburgs niet-aflatende kennisdrang evalueert: ‘Hij begrijpt zijn lectuur weleens verkeerd, maar dat zie je vaker in teksten van kunstenaars. Het gaat erom wat die lectuur in hun werk en hun denken heeft teweeggebracht. In de geschiedenis van de avant-garde verdient het concept ‘vruchtbaar misverstand’ een serieuze plaats.’

De passage trof me. Niet eens zozeer omdat ik zelf soms als avant-gardist wordt beschouwd, als wel in verband met recente ideeën over taal. Snel ingeburgerd raakte de wat koloniaal neerbuigende overtuiging dat fouten juist creatief zijn en een verrijking. Mijn eigen warhoofd wenst dit niet te verwarren met serendipiteit.

Ik weet het niet, ik moest denken aan een vroeg gedicht van Osip Mandelstam. Hij schreef het vlak voor de Eerste Wereldoorlog en dus ook voor de Russische revolutie. Bij herlezing weet ik het nog minder:

 

Amerikaans meisje

 

 

Een Amerikaans meisje van twintig

moet eens op reis naar Egypte,

zij negeert de waarschuwing van de Titanic

die slaapt op een bodem, donkerder dan een crypt.

 

In Amerika zingen de sirenes

en de schoorstenen van rode wolkenkrabbers

kussen met beroete lippen

koude wolken.

 

In het Louvre staat de dochter van de oceaan,

rank als een populier.

Om marmer tot suikerpoeder fijn te trappen

snelt zij als een eekhoorn de acropolis op.

 

Zonder een woord te begrijpen

leest zij in haar treincoupé Faust

en met een zucht vraagt zij zich af waarom

Lodewijk niet meer koning is.

 

(vert. Kees Verheul)

woensdag 13 september 2023

Een schoolvoorbeeld

 

 

In een opiniestuk stelt acteur en schrijver Maryam Hassouni principiële vragen bij de als radicaal te boek staande klimaatbeweging Extinction Rebellion, ook wel: XR. Daarbij voelt Hassouni aangenaam direct aan. Ze gehoorzaamt niet aan de dwaze ongeschreven wet dat links links niet mag wegen of waarbij kritische woorden over collega’s not done zijn.

Hassouni’s bezwaren zijn tweeledig. Allereerst vindt ze de doelen van XR (ik neem die afkorting als een kledingmaat maar over) te smal. Wellicht drukt het woord ‘provinciaal’ haar indruk adequater uit. De bekommernis van activisten ligt volgens haar dichtbij, terwijl klimaatvluchtelingen tonen dat er waarlijk een globaal probleem is – universeel, vanwege ongelijkheid:

 

‘De eurocentrische blik van waaruit XR naar de wereld kijkt is té beperkt en gaat vooral over witte mensen uit de middenklasse die protesteren tegen iets wat al lang gebeurt. (…) Opvangen van klimaatvluchtelingen zou dé grondpijler van XR moeten zijn. Niet slechts de zorgen over de toekomst van ónze kinderen.’

 

Het tweede bezwaar van Maryam Hassouni betreft de truttige zelfverheerlijking van Nederlandse activisten. Of ze nu naïef of stompzinnig zijn, ze laten zich naar haar smaak te Instagrammatisch arresteren bij betogingen. Een vorm van luxe, meent ze, die iets verraadt over hun huidskleur. Wie niet wit is, kan zich zulke heroïek niet permitteren. De arrestatiestrategie zou geen toegang bieden aan ‘gemarginaliseerde groepen’.

Hassouni’s bezwaren hangen duidelijk samen en zijn een pleidooi voor wat dan wel dekoloniseren heet. Instemmend vertaalt ze een statement van een Britse XR-afdeling die tot inkeer is gekomen: ‘We erkennen nu dat onze tactiek van arrestatie het makkelijker heeft gemaakt voor mensen met privileges om mee te doen en dat ons gedrag en onze houding het systeem van witte suprematie hebben gevoed.’

In het opiniestuk fungeren twee van Hassouni’s collega’s uit de theaterbranche als kop van Jut. In verband met haar provincialistische bezwaar vonnist ze Sieger Sloot die bij een betoging afwezig was wegens wintervakantie en zich verdedigde daarbij een elektrische auto te hebben ingezet. Maar Hassouni pareert dat voor dat ding kobalt nodig is:

 

‘Voor een paar dollar per dag werken Congolese kinderen in mensonterende omstandigheden in levensgevaarlijke en vervuilende mijnen, zodat wij hier in peperdure auto’s ons geweten kunnen sussen. Dat is een schoolvoorbeeld van neokolonialisme, een systeem dat gebouwd is op onderdrukking en uitbuiting.’

 

En in verband met het zelfverheerlijkingsbezwaar bij arrestaties richt Hassouni haar pijlen op Carice van Houten, even komisch als vilein ‘ervaringsdeskundige’ genoemd. Deze actrice vond het zelfs een ontspannende ervaring waarbij ze zich ‘heel veilig’ had gevoeld. Toch zou Hassouni als anglist kunnen weten dat het woord ‘veilig’, of safe dus, helemaal niets meer betekent.

 

Diakritisch

Dat Hassouni anglist is, weet ik door haar boek Wat de fak (2022). Ik had me voorgenomen er niet over te schrijven, wegens totale ongeschiktheid als man, wit, hetero, kunstwereldgerelateerd, enz. Haar opiniestuk brengt me er nu naar terug.

Voor mij sensationeel en inzichtelijk was namelijk een tekstvergelijkingspassage waarin Hassouni liet zien hoe een bericht van haar subtiel was herschreven in een onderzoeksdossier door toevoeging van diakritische tekens, die moesten doen uitschijnen dat ze een hysterica was. Daarom verbazen me de accentjes nu bij de ‘té beperkt(e)’ blik, ‘dé grondpijler’ en ‘ónze kinderen’.

Voor mij verlenen die dingen Hassouni overigens niet de aura van hysterica, hooguit suggereren ze dat ze overtuigd is van haar gelijk. (Wel ergerde Wat de fak me omdat de uitgever zich half van haar distantieerde door een ‘disclaimer’ in te voegen: ‘Wat de fak bevat uitsluitend het eigen, persoonlijke relaas van de auteur. Met dit boek beoogt zij misstanden binnen de film- en televisie-industrie en de onderzoeksmethoden hiernaar binnen de eigen gelederen aan de kaak te stellen.’)

Als inwijkeling heb ik ook niet meegekeken met Hassouni’s al tamelijk lange loopbaan. Voor het eerst zag ik haar spelen in de film Meskina (2021), waarvan we met het hele gezin genoten hadden als broodnodige multiculturele variant op Alles is liefde maar die blijkbaar wegens stereotypie magere recensies had gekregen.

Daar staat tegenover dat Hassouni’s redenaties in het opiniestuk me bekend voorkomen. Ze gebruikt een register waarin, vrees ik, safe nog een springlevende rol heeft. Mijn citaten verstrekten al een paar van die geurwoorden.

Ik beperk me nu tot ‘eurocentrisme’. Hassouni’s punt daarover is evident en wat mij betreft relevant. Het klimaat gaat iedereen aan en treft al mensenmassa’s die elders op aarde hun heil trachten te vinden. Dat het klimaat rechtstreeks in verband staat met ongelijkheid valt evenmin te ontkennen. De vraag is alleen of je dat kunt samenballen onder ‘eurocentrisme’. Dat woord gaat voor mij althans minder over een kennisperspectief (dat bij te spijkeren is) dan over een evaluatie (dat Europa qua cultuur en wetenschap superieur zou zijn).

Aldus lijkt me iemand als Frits Bolkestein een eurocentrist, of Thierry Baudet, maar Nederlandse XR-activisten?

vrijdag 8 september 2023

If you can’t stand the heat


 

 

In mijn jongste blogstukje betichtte ik, nou niet direct voor het eerst, een auteur, zijn media en uitgever van slordigheid. Na een paar dagen meldde een goede fee dat ik bij die heilige boodschap terloops schreef over de prestigieuze Pascal Verbraekenlezing, die de Paul Verbraekenlezing heet.

Zonder al te veel zweetdruppeling valt er een reden aan te slepen waarom ik die blunder maakte, maar het blijft een blunder. Nog een geluk dat ik niet Bijbelvast ben, anders zou nederigheid mijn lot zijn.

In hetzelfde stukje repte ik van het werkwoord ‘vernaggelen’. Dat blijkt ‘vernachelen’ te moeten zijn. Als ik dat niet wist had ik het kunnen weten. De spellingscontrole zette onder mijn spelling zo’n rood slangetje. Kennelijk ben ik te lui om daarop te reageren en de juiste van zijn suggesties te kiezen (dus niet ‘vernagelen’), maar bovenal is het woordbeeld ‘vernaggelen’ me te vertrouwd.

Mijn computer leert me nu namelijk dat ik dit woord al zo’n kwart eeuw verkeerd spel.

In 1998 debuteerde mijn fout bij De Gids, in een stuk over Erik Bindervoet. Dat belandde herschreven maar met fout in een poëzie-essayboek uit 2006, uitgegeven bij Vantilt. In 2009 publiceerde ik bij Revolver een artikel over Judith Butler, waarin ik de fout repeteerde. De bewerkte versie daarvan belandde ongeschonden in een koffietafelboek uit 2013, uitgegeven bij Wereldbibliotheek. Voor de vijfde keer vergiste ik me in 2014, tijdens een blogstuk alhier. Vervolgens essayeerde ik in 2018 over Marieke Rijneveld op de vakwebsite Neerlandistiek, waarin ‘vernaggelen’ doodleuk weer opdook. In 2020 recidiveerde ik bij een blogstukje dat ‘Blooping’ heette. Dus moest ik in 2022 wel doorstoten met mijn dikste boek, dat twee drukken kent waarin de spelfout blijft gloriëren.

Mijn komende boek verschijnt ook bij het balanseer, en ik ben de eerste proef aan het nalezen. En zo is het gekomen, beminde gelovigen. Voornamelijk uit verveling tikte ik het werkwoord over, voor de Woordenlijst, kreeg geen treffers – en ontdekte waarom.

Nu ik dus verloren ben voor de spellingsmensheid verleg ik graag de aandacht naar studenten die nog te redden zijn. Met een vraag die opkwam bij het corrigeren van hun herexamens: dat ze ‘media’ als enkelvoud opvatten wist ik al jaren, maar waarom geldt ‘de elite’ bij hen ineens als meervoud?

Weest desgewenst welkom in de kitchen.

woensdag 6 september 2023

Het grijze flanel van de middenklasse

 

 

 

Kan een inleiding het hoogtepunt van een boek zijn?

Volgens de regels der retoriek moet ik Anton Jäger de rijzende ster in het opiniewezen noemen. Nog geen dertig jaar, is hij in België maar ook in Nederland te vinden op grote podia. De wetenschapper toont zich slim, erudiet, steeds mee met de actualiteit, betrokken, niet bang voor een gebaar en… wendbaar? Hij durfde in 2022 al de prestigieuze Paul Verbraekenlezing te houden, nadat Tom Lanoye had afgezegd.

Jägers debuut Kleine anti-geschiedenis van het populisme (2018) las ik destijds kennisvergarend met plezier. En sinds een paar maanden is er Des te erger voor de feiten, een schitterende titel voor ‘politieke essays van banken- tot coronacrisis’. Deze bundel brengt een selectie uit artikelen die Jäger schreef voor Apache, De Witte Raaf, De Standaard, De Groene Amsterdammer en De Morgen (waar hij een tweewekelijkse column heeft). Door de daar heersende formats is de ene tekst wat langer en grondiger dan de andere.

Even besmuikt als laconiek stipt Jäger die praktische willekeur aan in zijn inleiding – de charmantste tekst die in tijden mijn blik passeerde. Hij zegt er meteen bij dat hij de afgelopen jaren veel heeft geschreven, ‘misschien te veel’. Maar Jäger heeft geen tijd te verliezen. Liever legt hij het idee uit dat de ruggengraat van de bundeling vormt: ‘hyperpolitiek’. Dit eenentwintigste-eeuwse fenomeen heeft trekken van het verleden en niet: continuïteit en discontinuïteit ineen.

Kiemen ziet hij in de Latijns-Amerikaanse roze vloed, die een eind maakte aan de technocratische consensus uit het voorafgaande decennium, het laatste van de vorige eeuw. Wat er vervolgens gebeurde was dat allerlei ideologische belangengroepen, links en rechts maar buiten de partijpolitiek om, zich begonnen te roeren. Over de bankencrisis, racisme, het klimaat, coronavaccinaties,… Zoeken naar een compromis had hier geen voorrang, ondiplomatieke woede kwam onversneden boven.

Soms waren die protesten langdurig en soms kortstondig (zoals Jäger vreemd genoeg Black Lives Matter opvat): ‘De hyperpolitiek komt en gaat, als een neutronenbom die de mensen in het kader affecteert maar de hele infrastructuur in tact laat’. En daaraan geeft deze bundel duiding, bewust in- en uitzoomend: ‘feiten zonder concepten zijn amechtig, concepten zonder feiten zijn blind’. Dat chiasme geeft Jäger in de inleiding een macro-evenknie door, zoals hij bijna standaard doet, in de slotregel de openingsregel te hernemen.

Jägers inleiding pakt me op meer manieren in. Allereerst opnieuw door wetenswaardigheden. Ik had nooit gehoord dat Poolse dichters de opening van de eerste McDonald’s bijwoonden. Ook bewonder ik het lef om dicht op het heden te zitten, samen met de pertinente relativering van ‘instantanalyses’. Jäger distantieert zich van generalisaties – en pleegt ze, vaak zelfs geloofwaardig.

Vooral ben ik door de inleiding gecharmeerd omdat ze me doet voelen dat mijn houdbaarheidsdatum is verstreken. Ik had, qua leeftijd, de vader van Anton Jäger kunnen zijn. Zijn tekst houdt me voor dat mijn generatie wel erg lang heeft gemekkerd over ‘postpolitiek’ en het einde van de geschiedenis. Daarmee bleven we steken in één gebeurtenis: de val van de Muur, waarna de riedel van Francis Fukuyama. Laatstgenoemde duikt in Des te erger voor de feiten louter op in pensioengedaante. Hij blijkt een selfie met zijn kat te hebben gepubliceerd.