Posts tonen met het label muziek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label muziek. Alle posts tonen

zondag 17 mei 2026

De bui een moesson


 

 

Zou er ook in YouTube al zoveel AI schuilgaan dat de muziek me automatisch bracht bij ‘Águas de Março’? Mijn Braziliaans-Portugees is niet wat het nooit is geweest en in ‘Março’ hoor ik heus mezelf niet, maar het bossanovaliedje uit 1972 weerspiegelde een Hemelvaartsstemming in 2026. Het was herfstachtig koud en nat, en toch wist ik niet grondig somber te raken.

Zoals vele liedjes van Antônio Carlos Jobim is ‘Águas de Março’, improvisatorisch-spreekwoordelijk te vertalen als ‘Maartse buien’, vederlicht en weemoedig. Die laatste component zit allicht in de reeks van dalende akkoorden die onder een stabiele melodie ligt. Alsof de regen blijft vallen, maar zo mooi en harmonieus. Ik zou bijna het woord ‘troostrijk’ gebruiken.

Wat dat betreft is het lastig ‘Águas de Março’ te verbinden met het heden. Destijds was een halfjaar tevoren al, hoe raar het hier klinkt, uitgelekt wat er volgens De Club van Rome met de aarde als ecologisch fenomeen aan het gebeuren was, voordat het officiële rapport Limits of Growth min of meer gelijktijdig met Jobims meesterwerk verscheen. Inmiddels is de bui een moesson.

Evengoed in het rijke België van fermette retteketet. Afgelopen weekend nog kwam de bevestiging dat het land de hoogste bebouwde oppervlakte (32%) heeft van Europa. Hoe moet dat met het grondwater? Met maartse buien die ook in mei de straten en kelders als moeiteloos doen overlopen? ‘Águas de Março’ laat de luisteraar het hoofd schudden en zegt bijna letterlijk: lekker puh.

Dat doet de melodielijn namelijk, een bewijs voor Jobims vederlichte kant, in een kinderlijk klinkend vraag- en antwoordspel dat hij zingt met de geweldige zangeres van het nummer, Elis Regina. Ook is er iets met de tekst, waarvoor vertaalprogramma’s echt van dienst kunnen zijn. Het lied blijkt één lange opsomming. Van stonde af:

 

É pau, é pedra,
é o fim do caminho
É um resto de toco,
é um pouco sozinho

 

É um caco de vidro,
é a vida, é o sol
É a noite, é a morte,
é o laço, é o anzol

 

De komma programmeert hier wat in het jargon een enumeratio heet. In plaats van een verhandeling over gevoel en oorzakenpalet bij al dat hemelwater noemt Jobim losse dingetjes die er volgens hem en zijn bronnen mee te maken hebben. En die samen voor een voortdurend wisselende buienradar in het hoofd van luisteraars zorgen.

Al eerder was me duidelijk geworden dat ik van jongs af viel voor die techniek. Nu me begint te dagen dat ik in mijn eigen werk vaak verzamelingen aanleg, snap ik zonder tussenkomst van een biograaf-psycholoog beter waar die voorkeur en aanleg vandaan komen. Opsommingen zijn de grammaticale mal waarin verzamelingen de schijn van orde kunnen vertonen.

zondag 12 mei 2024

De toekomst klinkt beloftevol


Vandaag: Bart Van Lierde (1974). Hij publiceerde sinds 2003 een dozijn boeken in uiteenlopende genres en werkt als muzikant, componist en leraar.

  

Zoals de tekenaar in de schaduw staat van de 3D-printer, de meubelmaker wezenloos ronddwaalt in de gestandaardiseerde IKEA, de troubadour verstild met zijn luit thuis naar de radio luistert, zo werden alle componisten, songwriters en uitvoerende muzikanten afgelopen week ingehaald door technologische vooruitgang.

Na tien jaar muziekschool (notenleer, cello, piano, blokfluit), vijf jaar conservatorium in de jazzafdeling (hoofdvak zang en nevenvak piano) en zeven jaar autodidactisch onderzoek naar digitaal opnemen, mixen en masteren, ontdekte ik op een betalende website dat ik na het ingeven van mijn liedjestekst gewoon op ‘genereren’ kon drukken, waarna Artificiële Intelligentie er een perfect opgebouwde, ingezongen en gemixte song van maakte, in welk genre dan ook.

Atmosferische pop? Binnen twee minuten maakte AI een nummer in de stijl van Taylor Swift en Lana Del Rey. Hardrock? AC/DC of Aerosmith had het niet beter gedaan. Zelfs een klassiek koor produceerde AI alsof studenten van King’s College in Cambridge het hadden uitgevoerd.

Bij wijze van test liet ik mijn songtekst door Google Translate omzetten naar het Italiaans en liet AI daar een aria van maken met orkestbegeleiding. Doordat ik de zang en de muziek apart kon downloaden, viel me op dat het orkest onecht klonk; ik hoorde slechts de illusie ervan. Er was weinig ritmiek, en de strijkers gleden af naar synthetische klanken die ik niet thuis kon brengen. Alleen met de zang erbij klonk het als een orkest. Volgens mij ‘componeert’ AI niet. Ze produceert afwisselende frequenties die wij met muziek associëren en geeft weer wat er uit de speakers moet komen om ons te emotioneren.

 

Tien variaties

In de jaren tachtig was er een vergelijkbare (r)evolutie: de uitvinding van de MIDI-soundmodule. MIDI was één synthetische klank, waarvan de attack, sustain en release konden worden gewijzigd om over te komen als een strijker (langzame attack) of een kickdrum (snelle attack). Je moest op een keyboard of digitale piano de muziek inspelen, waarna die door de soundmodule werd gestuurd, om daar gewijzigd te worden in een MIDI-viool, of een MIDI-kickdrum; dat resultaat kon je dan opnemen. Het nadeel: je kon horen dat het fake was. De viool klonk als een synthesizer, de kickdrum als een omvallende stoel. Het voordeel: je had een klankvoorbeeld van je compositie en je wist dat die bij een opvoering en echte opname alleen maar beter zou klinken.

Microsoft maakte dertig jaar later de opstap voor AI in de vorm van Songsmith, een MIDI-softwareprogramma. Een studie had aangetoond dat een muzikant slechts tien variaties kon spelen voordat hij van genre veranderde. Je kon in Songsmith je akkoorden ingeven en een stijl kiezen, zoals rock of pop; telkens wanneer je op ‘genereren’ klikte, speelden de MIDI-muzikanten een andere versie, waarbij ze binnen de tien variaties bleven.

PG Music in Canada kocht dit project op en ging met echte muzikanten muziek opnemen in alle mogelijke (cross)genres. Als je nu je akkoorden ingaf, dan werden stukjes van die echte muziek aan elkaar geplakt om jouw akkoorden binnen de gekozen stijl ‘uit te voeren’. Je kon zelfs een gitaar of saxofoon een solo laten spelen. Het resultaat klonk zo goed dat het niet van echte muzikantenmuziek te onderscheiden was. Deze software werd als Band-in-a-Box over de wereld verspreid.

Toch was de software niet volmaakt. BIAB produceerde wel muziek, maar je moest je nummer zelf schrijven en de zang inzingen, en het geheel mixen op bijvoorbeeld een Macbook, in een programma zoals Logic Pro. Als je dat niet kon, dan moest je een professional inhuren en was je er niet zeker van dat het resultaat zou overeenstemmen met je eigen smaak.

 

Ingeboet

Een halfjaar geleden ontstond er een Muziek AI die je in staat stelde je zang up te loaden en die om te zetten naar die van een andere zanger of zangeres. Normaal is een singer-songwriter gebonden aan zijn eigen stem; hij zingt wat hij schrijft en wordt als ik-persoon geassocieerd met de inhoud. Nu kon ik een AI-stem selecteren die de ik-persoon zou vertolken. Ik denk dat dit het verschil is tussen het waargebeurde verhaal in literatuur en de roman.

Na deze korte aanloop maakte de Muziek AI alle stappen van het proces digitaal: de akkoorden, de melodie, de tekst, de muziek, de opname, het mixen en masteren. Wie op ‘genereren’ drukt, krijgt een afgewerkte song terug.

Nu AI frequenties produceert die een beter resultaat opleveren dan wanneer ik al het genoemde werk zelf doe, zal ik me moeten heroriënteren. Dat is niet de eerste keer.

donderdag 9 september 2021

You don't know

 

Hoe troost ik de gourmande die heeft gehoord dat, ver weg, haar lievelingshondje gestorven is? Dat het toch maar vijftieneneenhalf jaar is geworden, superoud voor deze diersoort? Dat haar bazin, die het nooit meer ’s ochtends zal horen snurken, mogelijk nog meer verdriet heeft? Ik heb nooit erg van relativeringen gehouden, en eindelijk weet ik waarom.

Terwijl de gourmande snikkend zoekt naar foto’s van de paar ontmoetingen die ze met het hondje had, betrap ik mezelf op een onhandig soort liefde: trots dat ze zo verdrietig is om een levend wezen. Ik vertaal dat snel als een initiatie in het grotebozeleven – de blues ervan, wanneer het tegenzit met een dierbare ander.

Dan wil ik de gourmande een liedje laten horen. Maar in welke versie? Mijn iPod blijkt er zeventien te herbergen. Door Chet Baker, Boz Scaggs, Billie Holiday, Chrissie Hynde, Nina Simone, Cassandra Wilson, Elvis Costello, John Martyn, Sting, Marvin Gaye en Rachelle Ferrell, plus instrumentale uitvoeringen door John Coltrane, Sonny Rollins, Lucky Thompson, Misha Mengelberg, Miles Davis en Eric Dolphy.

En da’s nog maar een fractie van de covers waarin het liedje voortleeft en kennelijk appelleert aan vertolking én beluistering. Het valt dan ook met de deur in huis:

 

You don't know what love is
Until you've learned the meaning of the blues
Until you've loved a love you've had to lose
You don't know what love is

 

Een universele waarheid, die bijvoorbeeld ook in onderwijs en wetenschap zit. Leren met vallen en opstaan, trial and error. Op de middelbare school maakten bij Engels twee regels zo’n indruk, op een paar A4-tjes die literatuur van deze taal wilden promoten. Ze beweerden dat je beter kon liefhebben en verliezen dan nooit liefhebben. In mijn herinnering waren ze van een meneer die Pope heette, maar de dader was Tennyson.

Stabieler is mijn kennis dat er van ‘You don’t know what love is’ een Nederlandstalige versie bestaat. Cherry, de geweldige dame uit Suriname, bracht dat kunststukje op haar elpee Als Je Dat Maar Weet (1984). Opmerkelijk is dat de aanpassingen aan de tekst, noodzakelijk om rijm en ritme te bewaren, heel wat verder strekken:

 

Je weet niets van liefde

Omdat je steeds voorbij gaat aan het verdriet

Het lijkt wel of je steeds het mooiste weggooit

Je weet niet wat lief is

 

In het Engelse origineel is ‘you’, dacht ik althans, een ‘men’. Het spreekt in algemene termen over de liefde, en naar een ‘I’ is het vergeefs zoeken. Zo wordt het lied een overpeinzing achteraf. Bij Cherry Wijdenbosch is de ‘je’ echter een welbepaalde persoon, die tegenover een welbepaalde ‘ik’ staat. De verhoudingen zijn al een tijd gespannen. Cherry’s versie heeft de vorm van een beschuldiging.

Het gaat hier eerder dus om een herschrijving dan om een vertaling. Is dat erg? Momenteel blijkt er in het parallelle universum van sociale media een debat te woeden, waarin die vraag een bijrol speelt. Aanleiding is een NRC-recensie, waarin Quinsy Gario de eindelijk verschenen vertaling van Amanda Gormans inauguratiegedicht tegen het licht houdt. De meningen richten zich vooral op het inhuren, los van de boekenbijlage, van een activist die unverfroren politieke uitspraken doet (een verademing, wat mij betreft, stijl en reductie neem ik dan voor lief).

Mij trof in Gario’s statement dat vertaalster Zaïre Krieger een correctie blijkt te plegen op Gormans nationalisme. Hij signaleert het, alsof herschrijving de normaalste zaak van de wereld is. Ik weet niet of hier meespeelt dat recensent en vertaler ideologisch verwant lijken, maar bij het vele interessante dat Gario in een kort bestek ter discussie stelt, is de rechtmatigheid van een herschrijving voor hem geen overwegen waard.

Dat lijkt me een even interessant als revolutionair standpunt. Wanneer ik het terug toe kan passen op muziek, dan doemt Frank Zappa’s Beatles-medley op. In dat coverreeksje is de muziek identiek, maar worden de teksten van Lennon en McCartney rigoureus veranderd. Zoals alleen deze satiricus-componist kon. Zappa jamde met The Mothers of Invention nota bene ooit met Lennon, vlak nadat deze The Beatles verlaten had. Bij die gelegenheid was Yoko Ono permanent door de liedjes heen aan het krijsen. Een vorm van ontwijding, die misschien wel constructief is.

En nu dan: waf lieve Eddie, verschrikkelijk dat het voorbij is en bedankt voor het geluk dat je hebt gebracht.

woensdag 7 juli 2021

One Man Only

 

 

 

 

 

Aan Wat-Als-scenario’s geeft Yesterday (2019) wel een heel charmante invulling. De film vertrekt vanuit geheugenverlies na een korte stroomstoring. Daarna kent een extreem onsuccesvolle singer-songwriter, die tijdens de seconden van technologisch falen van zijn fiets werd gereden en uit een coma moet ontwaken, als bijna enige ter wereld nog de liedjes van The Beatles.

Hij gelooft het zelf niet, maar Google bewijst het: de bandnaam geeft geen treffers.

En kijk, dat hij de mensheid kan laten kennismaken met hun repertoire zorgt voor een opwinding die ik, amper vijf toen de Fab Four stopte, denk te kunnen begrijpen. Popmuziek werd uitgevonden waar luisteraars bij stonden en het ene liedje klonk nog natureller dan het andere. Bij dat geschenk valt elk bedrog, zoals gepleegd door de man, in het niet, meen ik.

Misschien vind ik dat ook omdat in mijn vak van de taal momenteel niets vanzelfsprekend het oor in- en uitgaat. In de maatschappij woedt al jaren een genderdebat, men rept van vloeibare identiteiten en die zullen hun beslag krijgen in woorden. Bijvoorbeeld in Zweden gebeurde dat jaren geleden en nu zit het Nederlandse taalgebied te hannesen met Amerikaanse import.

Dat zorgt voor een discussie die de naam niet verdient. De ene partij ontkent domweg het probleem, de andere wrijft het er bruut in.

Laat die voornaamwoordenverwarring dan maar gelijk nieuwe helderheid scheppen in het altijd al diffuse gebied van verwijzingen. Over Nederlanders beweert het Noord-Koreaanse hoofdpersonage in Anna Moraals mooie roman Honden huilen niet: ‘Het volk dat aan de verkeerde kant van de geschiedenis heeft gestaan, wiens vaders tegen de onze hadden gevochten.’ Is ‘waarvan’ of ‘welks’ een verbetering die iedereen meteen omhelst?

Daarin schuilt voor mij dé verdienste van The Beatles. Hun liedjes wekken een indruk die volstrekt democratisch is. Een luisteraar is ‘mee’. Mij verraste het aangenaam dat Yesterday daar niet de draak mee steekt. Evengoed had in een aangepast scenario de zanger de vele Beatles-klassiekers kunnen vertolken zonder weerklank.

Voor mij was het ook wel treffend dat de man op Google nog wel The Rolling Stones terugvindt. Doet hem evenmin veel. Zwaarder is hij onder de indruk van het feit dat Coca Cola foetsie is. In zijn wereld van na de stroomstoring wordt van die drank louter nog Pepsi gedronken. Een postume overwinning voor Michael Jackson, tevens een behoorlijke tijd eigenaar van de Beatles-liedjes.

Ontelbare keren heb ik deze songs herbeluisterd, maar dat is slechts verslaafdheid, een wegzakken in de hoop ervaring te herwinnen die medeaardbewoners ooit meteen moeten hebben beleefd. Een generatiekwestie? Het zal mijn Wat-Als-scenario wezen, zoals er momenteel families zijn die hun geliefde gisterenavond rond halfacht op een andere plek hadden willen zien opduiken.

Kennis achteraf speelt Yesterday op een koddige manier uit. Zoals een suggestie van Ed Sheeran om ‘Hey Jude’ te veranderen in ‘Hey Dude’. Of bij een marketingvergadering over de titel van het album waarmee de wereld moet veranderen: Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band is te lang, Abbey Road is een straat waar men aan de verkeerde kant rijdt en The White Album is niet divers genoeg.

De uitkomst One Man Only mag dan wel de andere keerzijde heten.

Gelukkig ontwaakt de bedrieger uit de ultieme nachtmerrie dat hij, uitgerekend in een show van James Corden, geconfronteerd wordt met de twee nog levende Beatles. Zo kan hij wel degelijk zijn album uitbrengen, bovendien met goedkeuring van een middelbaar heterokoppel dat zich de liedjes nog wel herinnert en alleen maar blij is dat ze blijven klinken.

En natuurlijk acteert de zanger ook in een liefdesverhaal, waarin het eind-goed-al-goed regeert nadat het bedrog is erkend. Aan de vrouw van zijn leven vertelt de zanger zich even opgelucht te voelen als Harry Potter na het verslaan van Voldemort. Maar van die gast heeft ze nooit gehoord; op het Google van Yesterday geldt hij als een Brits soldaat. Terecht.

woensdag 16 juni 2021

The Sweetest Inversie I Could Sing

 

 

Wat een hitte ineens! En uitgerekend nu beslist Windows in zijn oneindige updatewijsheid om onder aan het scherm voortaan de temperatuur te tonen, inclusief icoon en omschrijving van het weertype. Zon in woord, getal en gebaar.

Troost het dat er predigitaal langere periodes van hetzelfde zijn geweest?

Over de legendarische snikhete zomer van 1976 is veel geschreven, er zijn menigvuldige beelden van te vinden maar pas sinds kort weet ik dat er een euforisch soulnummer bij hoort. Ik was toen nog wat jong om dat helemaal bewust te zijn en bovendien, begrijp ik achteraf, was het genre impopulair in kringen die wisten wat goede smaak behelsde.

Impliciet moet ik daar een paar jaar later als puber aan hebben gehoorzaamd toen ik een ander liedje van deze band, ‘Can You Feel The Force’, absoluut onappetijtelijke disco vond.

Een recente documentaire wees op het bestaan van de vierkoppige band The Real Thing, vernoemd naar een multinationaal drank- en velgontroestingsmerk dat deze week in de problemen kwam toen Christian Ronaldo er iets van zei. En hun muzikale pareltje waar het voor mij in eerste en laatste instantie om ging, bleek al op mijn iPod te staan.

‘You To Me Are Everything’ had ik in de Verenigde Staten gesitueerd, wolkeloze Phillysound met de wahwahgitaar, violen, het parelende zweet van Barry White… Had gelukzaligheid bedekt dat hier een Engels kwartet actief was? Uniform zwart ook, en als zodanig de eerste groep die de hitparade met succes bestormde?

Het liedje gaat over een offer aan de liefde. Sterren, regen, bergen: natuurverschijnselen zet de ik-figuur, puur op wilskracht, naar de hand van zijn geliefde. Haar wish is zijn command. Zo probeert hij haar twijfel over zijn toewijding uit te bannen en een zogeheten knipperlichtrelatie permanent op groen te krijgen.

Met het nummer werd The Real Thing een verzameling posterboys, idolen voor smachtende meisjes en aanklampmodellen voor bepukkelde jongens met ambitie. Aanklachten weinig later tegen racisme, zoals in ‘Children of the Ghetto’, vielen uit de toon. Ze waren te vinden op de chattalerig getitelde elpee 4 From 8, waarbij laatstgenoemd getal verwees naar de arme, overwegend zwarte wijk Toxteth, ook wel ‘Liverpool-8’.

Natuurlijk spreken we hier over de stad van The Beatles, ooit de gelegenheidsbegeleidingsband voor The Chants, een voorloper van The Real Thing. Omgekeerd meen ik harmonische invloed van de Fab Four te horen in het vroege charmante liedje ‘Listen, Joe McGintoo’. Maar wat ik wil benadrukken is dat, net als literatuur helaas, popmuziek niet ontsnapt aan canondrang en smaakonttrekking.

Een reden dat The Real Thing, tot de documentaire, te boek stond als een commercieel bandje is dat de jaren zeventig al bij het zich voltrekken een beoordeling kreeg. Precies vanaf 1976 begon punk, in de gedaante van The Sex Pistols, het beeld van de voorafgaande jaren te bepalen en herdefiniëren: humbug, hooguit in symfonische en jazzrock virtuoos gebracht.

Vanuit hedendaags standpunt is dat maf. In een gemiddelde Top 1000 staan heel wat liedjes uit de jaren zeventig hoog genoteerd. Toen moest je je er waarschijnlijk voor schamen, en wat een groter publiek goed vond was per definitie verdacht. Over de marketing van The Sex Pistols zelf zal ik het maar niet hebben.

Je kunt canonkwesties ook betwisten vanuit de gedachte of de smaaktoekenner een mode volgt of een neusje heeft voor kwaliteit. Hoewel, dan is me nog altijd een raadsel hoe Mick Jagger in te schattten, de high-societyrebel. Als eerste eigen nummer nam zijn band The Rolling Stones ‘I Wanna Be Your Man’ op, uit de mouw geschud door hun vrienden Lennon en McCartney. Bij de historische filmopname van hun latere ‘All You Need Is Love’ in 1967 was Jagger aanwezig, net als in 1972 bij Aretha Franklins ongelooflijke kerkproject Amazing Grace.

Jagger wist de geschiedenis kennelijk een handje te helpen met duwen. Even voorspelbaar is het dat The Real Thing nog slechts ten prooi kon vallen aan herontdekkingen per decennium, bijvoorbeeld met een remix van ‘You To Me Are Everything’. De documentaire kan nieuwe fans opleveren, maar het gros van de belangstellenden is vooralsnog het publiek van toen dat zwelgt in jeugdsentiment.

Dat zou dé zomerhit van 1976 tekortdoen. De zon schijnt zelfs door de opbouw. Er is een couplet waarbij zich in de laatste regel de verlossing aankondigt. Maar dan volgt er nog een couplet met een tweede stem. Na dat uitstel glanst het driestemmig refrein dat in de woordvolgorde ‘You to me’ zelf uitstelt. Daarna komt er weer een couplet, een beetje melancholisch ineens, waarna tweemaal het refrein klinkt en in die herneming vitaal een hele toon hoger schakelt.

Het is dan ook niet niks dat de jij op een troon wordt geheven. Het liedje zou ik poëticaal kunnen noemen, omdat het refrein volstrekt altruïstisch stelt: ‘You to me are everything / The sweetest song that I could sing’.

Ik vrees dat die vooropplaatsing van ‘to me’ me niet snel loslaat. Of je haar nu inversie noemt of deviatie, ze vergroot de aantrekkingskracht van het liedje. Zelf moest het zich in die tijd uiteraard onderscheiden in de markt. Er was een klassieker als ‘You Are Everything’ van The Stylistics, destijds gecoverd door Diana Ross en Marvin Gaye. Voor een kleiner publiek denk ik aan ‘You’re Everything’ van Return to Forever (met Flora Purim).

Ongecompliceerde titels, zeker in vergelijking met wat The Real Thing doet, maar het knappe is dat de antimetrische grammaticale twist in de zomerhit van 1976 volstrekt naturel klinkt.

Dat heeft het liedje gemeen met een van de beroemdste gedichten uit de Nederlandse literatuur, ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’ van J.H. Leopold. Maar feitelijk kijkt volgens mij niemand op wanneer pakweg een volksvertegenwoordiger zegt: ‘Ik voor mij ben van mijn mening’. Zachtaardiger, op het pleonastische af, is de uitdrukking ‘Zelf vind ik’. In Nederland dan, want in België is het heel normaal om te poneren: ‘Persoonlijk vind ik’.

Maar dan is het wel onmogelijk de jij zo goddelijk te verklaren als The Real Thing deed. Me dunkt. Ik krijg het er bij elke beluistering warm van.

zaterdag 23 januari 2021

Sisaltouw



Meer nog dan poëzie kan een liedje mij totaal in bezit nemen. De afgelopen tijd was dat ‘All I Need’ van Jacob Collier, die op zijn manier, heel verstandig, aan social distancing deed door het nummer in een multi-instrumentale solo-uitvoering te brengen. 
Enigszins uitgeput probeerde ik homeopathie op me los te laten, door een liedje erbij te pakken dat volslagen onbenullig moest zijn: ‘Volare’, in de oorspronkelijke versie van Domenico Modugno. Mijn verlossingsdaad was bepaald hypothetisch, want het nummer is me grotendeels onbekend. 
Ik heb er nooit ongeveer gelijkluidende woorden bij verzonnen. In Per ongeluk expres vertelde Bianca Stigter eens over die kindermagie. De titel van haar tekstje ‘Lady Mondegreen’ ontleende ze aan de schrijfster Sylvia Wright die dit had begrepen uit ‘laid him on the green’. Als algemeen verbasterd voorbeeld nam Stigter ’Ma ma se, ma ma sa, ma ma coo sa’ van Michael Jackson. Nu zou ik daar vooral de non-significatieve poëzie van K3 in horen, maar destijds moet de variant ‘Mama appelsap’ logisch hebben geklonken. 
Bij ‘Volare’ verbaast me dat het in mijn hoofd bestond uit welgeteld de twee openingsregels van het refrein: ‘Volare, o, o / Cantare, o, o, o o’. Ligt het eraan dat dit songfestivalliedje, uit het eind van de jaren vijftig, zo ver voor mijn tijd was, dat mijn lichaam nooit behoefte heeft gehad tenminste het refrein met eigen taal te voltooien? 
Bizar vind ik te ontdekken dat twee regeltjes meer mijn wereld zouden hebben veranderd. Na de Volare-uitroepen volgen namelijk: 

Nel blu dipinto di blu
Felice di stare lassu 

Intertekstualiteit voor low culture! Bijna onmiddellijk kon ik die regeltjes, in een ander ritme en vooral met een afwijkende dictie, herleiden tot het liedje ‘Kathleen’ van Randy Newman. Ik draaide het veel in mijn puberteit en prevelde er graag op mee. Vooral deze passage, met onbegrijpelijke taal dus, die wel prompt werd verklaard: 

That means you love him 
And he loves you 

De moeilijkheid was alleen dat Newman daarna meer vreemde woorden zong, die geen toelichting kregen (en die evenmin door Mudugno werden voortgebracht): ‘Piu bel ci sono / Ci sei tu’. Voor dit raadsel had ik een praktische oplossing, die ik bij meer gelegenheden toepaste. 
Geen magische taal meer, zoals hier iets had gepast als ‘Poedel ziet zonen / Sisaltouw’. Deed ik dat niet omdat ik inmiddels met de tekst mee kon lezen, op de hoes van Little Criminals, de elpee die ‘Kathleen’ had ingesloten? Dan zou leesvaardigheid meteen een verlies zijn. 
Mijn oplossing was hoe dan ook: gewoon geen aandacht besteden aan mijn onbegrip. Wat stelden popteksten ook helemaal voor? ‘Kathleen’ bevatte al voldoende bedwelmende ingrediënten. Het liedje combineert op een aparte manier funk met blues, en Newmans structurerende pianoriffje is licht dissonant. Zoveel was sowieso duidelijk dat het titelpersonage aan het eind een Irish girl bleek, een fenomeen waar de ik-figuur altijd crazy op was geweest.
Klaar als een klontje! Ik wist niet dat Newman een dermate grote reputatie had in het scheppen van misverstanden dat de muzieksite Pitchfork hem niet heel lang geleden een compleet album, nummer per nummer, van verklaringen liet voorzien.
Heden valt me de curieuze ondertitel van het liedje op: Catholicism Made Easier. En dat de dipinto-woorden worden uitgesproken door een ‘old Spanish priest’ om een huwelijk te bekrachtigen tussen Kathleen en de ik-figuur. Het is na zo’n veertig jaar moeilijk een liedje te heropenen dat zelfs voor de welwillendste criticus nog altijd een vreemde eend in de bijt is. 
Voor Randy Newman, geboren in 1943, moet ‘Volare’ jeugdsentiment zijn geweest, toen hij er eind jaren zeventig in ‘Kathleen’ op hintte. Maar de liefde tussen het titelpersonage en zijn ik-figuur, daar is nooit iets van terechtgekomen. Niet heel gek, want die Spaanse priester had hen er ingeluisd. Hij sprak niet eens potjeslatijn, maar Italiaans, nadat hij naar het songfestival had gekeken. 
Hopelijk is het een troost dat zijn onopgehelderde woorden betekenden volgens GoogleTranslate: ‘Mooier zijn er / Je bent hier’. Wat heeft iemand nog meer nodig?

vrijdag 24 januari 2020

Een gerecht met kikkererwten



Na een jeugd, taalstudie, weer een stuk leven, werkzaamheid in taalbranches en een zonovergoten najaarsfietstocht door mijn geboorteland, vogelperspectievend als aanstaand vader, ontdekte ik, amper terug over de grens in de buurt van Hoogstraten, wat mijn taal is. We waren ons op een terras moed aan het indrinken voor de snok naar huis, toen een groep fietsbejaarden in fluohessen onder luid gebabbel neerstreek.
Gekwek.
Mijn vermoeide lichaam luisterde niet en maar sprong onmiddellijk op door een toonhoogte, ritme en gelach in de pauzemomenten. Recent berichtte ik over onbegrijpelijke uitdrukkingen van weleer als ‘Dat zei m’n vrouw ook vannacht’ en daar sloot het terrasgekwek, zonder woorden nog voor mij, naadloos op aan.
Vacuümzuigend.
Mijn ontdekking was simultaan dat ik mijn eigen taal nooit heb gesproken omdat ik haar niet beheers. In mijn jeugd achtten mijn ouders het opwaartsemobiliteitshalve verstandiger elk dialect uit te bannen, waarna mijn hulpeloze soortement Standaardnederlands tijdens de studie aan de andere randkant van het land evenmin aansloot bij de directe omgeving, zoals ik in België taal uitstoot die ook al niet overeenkomt met mijn biotoop (Vlamingen misprijzen bovendien zwakke imitaties).
Wat ik op het terras in Hoogstraten meende te horen was die verboden taal uit mijn jeugd, waaruit ik vervolgens heb geprobeerd mijn dichterlijke zwanenzang Onze Nietzsche op te trekken. Ik vrees dat die op buitenstaanders, net als het Vlaams, ‘sappig’ en ‘gezellig’ overkomt en waarschijnlijk een beetje dom. Toen ik het spoor eenmaal geroken had moest ik verder, zodat ik dit landseigen in een vertaling uiteindelijk wist te lokaliseren als West-Noordbrabants.
Het klinkt verschrikkelijk snobby zo precies te zijn. Maar onlangs vertoonde de geboortelandtelevisie de prachtige film Hemelrijken, die zich afspeelde rond Eindhoven en waarvan de acteurs lof kregen voor hun authentieke taalgebruik. Mij kwam hun Oost-Noordbrabants inderdaad niet integraal vertrouwd voor. Wel werd de hele film ondertiteld. Zo kreeg ‘houdoe’ de verklaring ‘groetjes’, ‘doei’ en ‘tot ziens’.
Misschien klonk dit patois voor de doorsnee kijker als Esperanto. Uit het immens belangrijke Gutenbergproject valt op te maken dat die gemeenschapstaal nog een beetje alive and kicking is. Bijvoorbeeld de eerste inaugurele rede van Barack Obama, uit 2009 dus, heeft een versie in het Esperanto.
Ook voorradig in die taal is Hendrik Consciences mij onbekende roman Rikke-tikke-tak. Daarin vindt mijn oog spoedig dit gedichtje:

Rikke-tikke-tak, Rikke-tikke-tu!
Fero varmiĝas,
Brako leviĝas.
Frapu vi, nu!
Rikke-tikke-tu.

Al doorsurfend op de DBNL is dit de vertaling van:

Rikke-tikke-tak, Rikke-tikke-toe!
IJzer warm,
Hoog den arm!
Slaat maar toe,
Rikke-tikke-toe.

Het blijkt een liedje. Toevallig? Wat ik wel zeker weet is dat ik recent even helemaal terug was thuis bij de kennismaking met een kakelverse carnavalshit uit mijn geboortestad die Hilversum blijkt te hebben gehaald. Ik besefte andermaal dat het dan niet alleen om taal gaat, maar evenzeer om een sublieme meligheid. Het onderwerp is veganisme, de zanger heet hoogst voorspelbaar Peter Selie en de refreinregel luidt ‘Ik heb een gerecht met kikkererwten maar hoemoes dà òk alweer’.
Eigenlijk toont het liedje hogere woordgrapkunde, door etenswaren op te sommen waar een dier in vernoemd is. Was zoiets niet de specialiteit van Battus met zijn Opperlans, of toch die van een leraar biologie te Breda? De clip serveert bovendien een specialiteit van het feest die mij nooit is geworden: meedoen. Alle carnavalisten ogen tenminste naturel en vrolijk bij hun gehos.
En passant beslecht Selie een spellingkwestie over het bezongen gerecht. Blijkbaar geen houmous, noch hummus, maar onomatopoëtisch vanuit het West-Noordbrabants: hoemoes.

maandag 12 maart 2018

Een high


  

Het overkomt me geregeld dat ik twee teksten lees die niets met elkaar te maken hebben, maar in mijn brein dusdanig klutsen dat ze elkaar verhelderen.
Onlangs had De Morgen een aangrijpend interview met Inge Vervotte, dat vele collega-media haalde: ‘Toen mijn geliefde zelfmoord pleegde, zakte de grond onder mijn voeten weg’. Toen dit relaas me onder ogen kwam, was ik bezig in de aanstekelijke studie Filosofie van de jamsessie door Jurriën Rood. En voilà, het was weer zo laat.
Aan Vervotte, begonnen als vakbondsvrouw, zit volgens mij iets atypisch. Als minister betoonde ze zich solidair. Ze verbond haar lot aan premier Leterme toen deze na een theaterstuk moest aftreden en weinig later, na een hilarische carrousel, zijn opvolger moest opvolgen.
Inmiddels is Vervotte bestuurder. Ze was mij in die functie opgevallen door een ander boek. Het bevatte lunchgesprekken met allerlei managers, waarbij de culinaire kostenstaat was afgedrukt. Een krachtig middel tot karakterschets, omdat de zeker door Hollanders geduchte Vlaamse lunch bij Vervotte bestond uit, meen ik, twee speculoosjes en twee koffies.
Die ascetische schijn kwam terug in het interview met De Morgen. Niet zozeer omdat Vervotte zich tegen voedselverspilling uitsprak, maar omdat burgers zich volgens haar bescheidener mochten opstellen. Groepsbelang ging voor.
Hier begonnen mijn bellen te rinkelen. Jurriën Rood beschouwt de jamsessie als de publieke zaak in een notendop. Een liedje wordt er uitgevoerd met een minimum aan afspraken en een maximum aan vrijheid. Rood vreest nu dat een teveel aan zelfexpressie de samenleving ondermijnt. 
Cruciaal aan de jamsessie vindt hij de ‘vrijwillige onderschikking’ (bereidheid mee te werken). Dat kan verbazen, omdat zulke bijeenkomsten het teken lijken te dragen van de verrassing. Maar de kans daarop is het grootst als muzikanten elkaar ruimte geven en op elkaar reageren. Positieve vrijheid, noemt Rood dat naar Isaiah Berlin, die een gezamenlijk doel aangeeft. En die door ‘afstemming’ meerderen kan bereiken in een scheppende vrijheid.
Zo niet, dan wordt het liedje een etalage voor het individu, hoe virtuoos ook, en moeten aanwezigen bovendien ellenlange solo’s doorstaan. Ironischerwijs leek dat de bedoeling van het Vervotte-interview, in de reeks De vragen van Proust (Trouw had ooit de rubriek Lastige vragen, gebaseerd op Max Frisch). De koptekst eindigde zo: ‘Wie is zij in het diepst van haar gedachten?’
Maar Vervotte behield afstand doordat ze, mét het inzicht dat lijden niet hoeft te worden verstopt, notities had gemaakt en haar openhartigheid niet paarde aan details. Zo willigde ze Roods terugverlangen in naar een scheiding tussen privé en publiek. Filosofie van de jamsessie volgt Richard Sennett namelijk in het idee dat het anti-establishmentsgedachtegoed van Rousseau vele kwaaie pieren opleverde. Zij tonen zich in hun authenticiteit vooral ontremd.
In meerdere parallellen die Rood trekt aan de hand van het begrip vrije meningsuiting evoceert hij dan de delging van een bijeenkomst waarop louter de hardnekkigste spreker gehoord. Daarbij telt het verschil en blokkeert het individu samenwerking. Een ego-jam, die kan uitmonden in wat Rood noemt een bad jam. Het tegendeel van een debat, zonder minimale overeenkomst zichtbaar te maken.
Op haar beurt gelooft Vervotte in een dialoog ‘en dat is niet hetzelfde als de ander willen overtuigen van je gelijk, maar net wél de verschillende perspectieven willen zien en begrijpen, en zoeken naar wat wel gemeenschappelijk kan zijn.’
Hoe dan te handelen? Rood wijst erop dat bij een jam de sessieleider helpt. Deze kan door niet-uitsluitende keuzes richting geven aan uitvoeringen. Vervolgens helpt de muzikant door bewust die autoriteit te ondergaan. De grootsten bevrijden zich radicaal van hun ego. Het gaat dan allang niet meer om regels, maar om opgaan in muziek én collectief (dat volgens Roods voorbeelden al een trio kan zijn).
Deze vorm van overgave huldigt Vervotte ook. Wel vult zij het begrip autoriteit anders in. Ze meldt een neiging tot het aangaan van confrontaties. Mij verheugde het te begrijpen dat deze niet per definitie vernietigen (evenmin als polarisatie). Indien mensen elkaar vertrouwen kan zo’n overgave productief zijn. Men geeft het maximale en vangt desnoods elkaar op – falen mag.
Met die aanpassing lijkt de jamsessie een gepaste metafoor. De beperkingen die Rood stelt, kunnen deels worden opgegeven. Een jamsessie biedt immers de kans om voluit te experimenteren, met het risico dat het misloopt. Gelukkig vormt de band een ruggensteun en dient het experiment het liedje.
Rood refereert aan Herbie Hancock die memoreerde als jong pianist een verkeerd akkoord aan te slaan dat door zijn bandleider Miles Davis prompt werd nagedaan – en dus opgevangen, voor mijn part uit burgerplicht.
Zo groeit de verantwoordelijkheid van de omringenden. Het woord ‘meerderheid’ heeft lang een burgerlijke bijsmaak gekend. Maar Vervotte kant zich tegen zulke labels, omdat ze simplificeren. Ze houdt er niet van zich te schikken, indien dat een verkeerd systeem bekrachtigt. Tegenwoordig is bijvoorbeeld het tegengaan van pesten een zaak voor een groep, die de dader corrigeert door een overtal dat geen immoraliteit duldt.
Is dat niet evengoed een kracht van de ‘jam-maatschappij’, waarin het resultaat de som der delen overtreft? ‘Het betekent spel, avontuur en verantwoordelijkheid tegelijk’, zegt Rood. En hij belooft een high. Een routinebeloning voor een trippende muzikant, maar niet vanzelfsprekend voor een ‘vergaand geatomiseerde wereld’.
Bij debatten kan Roods sessieleider een moderator zijn, maar de sleutelrollen lijken voor de opinist en commentatoren. Juist hun samenspel is geen evidentie, al was het omdat de reactiemogelijkheid op vele sites werd uitgeschakeld. En op plaatsen waar debat wel mag, vinden heel wat opinisten het niet de moeite te reageren op commentaar. Dat is pas bizar, alsof na een solo het thema niet meer hoeft gespeeld – alsnog ego-jamming.
Wie werkelijk vrijheid van meningsuiting wil ervaren, adviseert Rood, sluit zich beter af van elk contact, voor een bestaan in de middle of nowhere.
Heeft Vervotte dat meegemaakt tijdens haar politieke jaren? Toen moest ze in een ‘tactisch en strategisch spel’ berichten, een paradoxale dialoog. Ze laat doorschemeren dat de drive om onrecht te verhelpen misplaatst raakte. Haar afscheid van die kringen rijmt met een uitgesproken voorkeur voor vrijgevochtenheid.
Macht die wil consolideren verdient die naam niet.

zaterdag 23 december 2017

Tjongejonge




Tomtom YouTube vertelt me op basis van mijn zoekopdrachten dat sommige liedjes en reportages zijn ‘aanbevolen voor jou’. Vaak voel ik me betrapt of ben ik te koppig om op goedkope verleidingen in te gaan, maar gisteren klikte mijn muis op een kakelvers liedje en nu ben ik daar gelukkig over.
Het kan zijn dat de titel ‘Smijt een bom’ me aanstaat, of dat de bandnaam Wilderman nieuwsgierig maakt (geen wildeman, geen Wilders’ man). De muziek is alvast fijn, omdat ze eigen is terwijl ze een beroep doet op mijn ijdelheid kennis van zaken te hebben. Want natuurlijk hoor ik van alles in het liedje en daarmee valt te etaleren: Slickaphonics, Raggende Manne, Morphine…
Uiteindelijk is het de tekst waarvoor ik val. ‘Smijt een bom’ blijkt een terugkerende formule die een antwoord biedt op uiteenlopende maatschappelijke kwalen: protest, grondstoffenmisbruik, kritiek, hongersnood, vluchtelingenkampen, oproer, non-conformisme, wanbestuur…
Deze rigoureuze oplossing oogde in 2017 zowel trumpiaans als Noord-Koreaans. Hier komt ze van de zogeheten bovenliggende partij die, uitgedrukt in persoonlijk voornaamwoorden, ‘wij’ kan heten. Maar dan komt er een wending in het liedje, verlucht door een oudestijljazzbloempje van een hihat. En dan verandert de machtige groep in een ‘zij’.

Spreken ze recht, praten ze krom?
Gooien ze zelf ook een bom?

Ook is het leuk om in de zanger een schrijver te herkennen, die onbeschaamd danst terwijl hij zijn mouwen opstroopt én die altijd al durfde (bijvoorbeeld om de geschiedenis niet voorbij te verklaren omdat ‘de dingen nu eenmaal zijn zoals ze zijn’).
Wat een verschil met een liedje uit 1973, o gij jeugd, dat ik hooguit onbeschaamd kan noemen door de inspiratieloosheid van het refrein:

Uche uche uche uche uche, het stikt hier van de muggen
Ieche ieche ieche ieche ieche, het stikt hier van de vliegen
IJe ije ije ije ije, het stikt hier van de bijen
Maar het geeft niet want ik ben bij jou
Ook al sta ik hier dan in de kou

Dit liedje, van Vader Abraham uiteraard, duurt meer dan vier minuten. Het refrein wordt zes keer herhaald, terwijl er maar twee coupletten zijn. Het rare is dat een fragment daaruit suggereert dat de ik een vrouw is:

In m'n haren, in m'n kleren en ze blijven maar proberen
En ze zitten ook al in m’n lingerie

Dan zou de zanger de aanbedene zijn, voor wie deze vrouw plagen van Bijbelse allure doorstaat. Of zegt Abraham hier – conform het clichébeeld van bekentenissen uit de jaren zeventig – dat hij travestitische aandriften kent? Smeekte hij toen al om een vakterm als ‘genderneutraal’?
Liedjes als deze duikel ik op tijd en stond op voor mijn kindergebroed, omdat het mij als immigrant in België belangrijk lijkt een doorgeefluik te zijn van cultuur waarmee ik me eerlijk gezegd niet direct verwant voel maar die onloochenbaar deel van mij uitmaakt.
Daarom wil ik nog een derde songtekst noemen. In 2017 overleed zanger-gitarist-producer Hans Vermeulen die, naast een ruim en knap Engelstalig repertoire vanaf de Sandy Coast, begin jaren tachtig een elpee met Nederlandstalig werk bleek te hebben gemaakt.
Daarop ontdekte ik dankzij YouTube-doorklikkerij het wonderlijke – en ritmisch-melodisch geavanceerde – liedje ‘Rustig aan’. Het zou autobiografisch zijn, omdat Vermeulen toen iets ondervond wat tegenwoordig burn-out heet.
In het liedje spreekt hij zichzelf toe. Terwijl hij zijn oude ik tot bedaren probeert te brengen, wuift hij die kalmte meteen naar luisteraars. Een grootse onbeholpenheid maakt zich van iedereen meester.
Prachtig is het advies ‘Ga een uurtje leggen’, dat in dezelfde tijd door Jacobse en Van Es aan de toenmalige koningin gegeven werd. Maar definitief werd ik gegrepen door de brug in het liedje:

Tjongejonge, moet dat nou zo snel
Lukt het vandaag niet, gaat het morgen wel
Elke dag een heel klein beetje verder uit je bol
Want anders is het mooi niet vol te houden
Lang zal die leven, toch veel te mooi om op te geven
Je hebt tenslotte nog een heel eind voor de boeg
Heb je niet te eten of word je achterna gezeten
Doe maar gewoon, dat is al even gek genoeg

Weergaloze brouhaha. Probeer de tip in de derde regel maar eens na te volgen. Hogere mindfulness.
Het woordje ‘nou’ vind ik in bepaalde verbanden al oer-Hollands, maar ‘tjongejonge’ gaat boven alles. Het relativeert elke resterende tegenwerping voorgoed. Dat woord raakt amper voorbij de keel en blijft diep in de mond.
Gewoon, Gek Genoeg & Zn in een popsong. Da’s ook een bom smijten.

zondag 15 januari 2017

High Five



Het blijft jammer dat Obama pragmatiek liet overheersen en met zijn veranderingsagenda pas in het zicht van de finish begon te versnellen. Er valt meer kritiek op de marathon van zijn beleid te bedenken. Maar altijd stond de wind principieel tegen.
Wat de Republikeinen acht jaar lang tegen de president hebben gedaan, tart elke verbeelding. Als hardcore punkers gedroegen ze zich. Ze ontplooiden, met een term van Abou Jahjah, destructief radicalisme. Normaliter zou er dan van alles in elk geval moeten veranderen. Maar de Republikeinen bliezen hun tegenwind juist voor het behoud van wat Abou Jahjah, hulpeloos, noemt ‘de status-quo’.
Met inbegrip van die tegenkrachten valt er over Obama veel lofwaardigs te vertellen. Ik blijk de laatste weken niet de enige die nog een pluspuntje naar voren schuift: de concerten op het Witte Huis.
Daar zat de verklaarde muziekliefhebber die de president zou zijn niet alleen publiek te wezen, hij bewoog ook echt in de maat! Net als vrouwlief, die de teksten van Stevie Wonder tot en met Missy Elliot bovendien uit haar hoofd kent.
Of komt deze opluchting vooral voort uit een contrast? Ik denk meteen aan Bill Clinton, die bij de geringste trilling bewoog als een ledenpop. Ook leek hij fan van Fleetwood Mac. Het in gebluste wanhoop en escapisme geschreven ‘Don’t stop’ begeleidde althans zijn campagne. Bovenal wist Clinton – net als Hans Dijkstal – geen fatsoenlijke toon uit zijn met liefde geëtaleerde saxofoon te krijgen.
Ik kan het me niet voorstellen dat Clinton bij een funknummer op het podium komt en in de correcte ritmiek subsidies aan kunst aanbeveelt. Laat staan dat zo iemand muzikanten trakteert op high fives en omhelzingen.
Het contrast geldt uiteraard ook de gevreesde toekomst. Velen, inclusief ikzelf, vonden het bizar uitgerekend bij Trump ‘You Can’t Always Get What You Want’ te horen. Iets te slim vindt Bas Heijne in Onbehagen die muziekkeuze logisch, omdat Trump sowieso niets aan de werkelijkheid verplicht zou zijn.
Inmiddels gaan er erg gretig geruchten over artiesten die weigeren de inauguratie luister bij te zetten. Alom vliegen clichés én zogenaamde nuanceringen over countrymuziek in het rond. Misschien toch maar de vooroordelen inslikken en gewoon even wachten wat Trump de ether in slingert?
Met nog een andere president bestaat er bovendien een aantoonbaar contrast. Er zijn beelden van zo’n wittehuisconcert onder Nixon, door de Ray Coniff Singers. De president leidt het gezelschap met een zeldzaam gevoel voor zelfkennis in dat zijn smaak ‘burgerlijk’ (square) zal zijn.
Desondanks werd het een legendarisch optreden, door de onverwachte interventie van een zangeres die Nixons Vietnambeleid aan de orde stelde.
Zit een muzikant bij Obama dan altijd safe? Mij vermoeien zo onderhand de beelden waarop de president weer eens traantje wegpinkt. Maar ik wil mijn wantrouwen opschorten.
Hij is eveneens te zien in betovering door wat toch de zoveelste versie door Aretha Franklin moet zijn geweest van ‘Natural Woman’. Ook de maakster, Carole King dus, was aangedaan en de zangeres, achter de vleugel begonnen met een bontjas aan, wierp bij het laatste refrein alles van zich af.
Op zijn beurt volhardde Obama in zijn slotrede met het verbindende ‘Yes, we can’, naar Allen Toussaint. Kortom, een funky president? Dat zou pas een griezelig cliché zijn: met zwart is het goed dansen.
Wel heb ik na Hiatus Cayote nog een ontdekking gedaan die ‘mijn’ jazzrock uit de jaren zeventig alsnog weet op te rekken: Jacob Collier. Zelfs de aandoenlijk stramme voetjes van Eleanor Rigby krijgt hij van de vloer.
Een jonge witte jongen die in zijn blik al iets van de waanzin van de congeniale Jaco Pastorius heeft. Vanwege die belachelijke observatie is het dus echt beter te zwijgen. Have pity on the working man.

zaterdag 31 december 2016

Really?


Er is veel gezegd en geschreven over de popmuzikale sterfgetallen die in 2016 te betreuren vielen. Aangezien het hier gaat om een gemeenschapscheppend specialisme dat met de babyboomgeneratie pas waarlijk verbreid werd, zal deze weemoed nog wel even aanhouden. Raar idee, dat er, nog los van hun managers, ooit geen Beatle meer op aard’ zal rondlopen.
Wel heeft ieder uiteraard zijn gevoeligheden. Dat op eerste kerstdag George Michael overleed deed mijn temperatuur minder stijgen dan dat Alphonse Mouzon hetzelfde op dezelfde dag gebeurde.
Terugkijken, selecteren, generen.
Prince was natuurlijk hors categorie, maar tot zulke gouden doden hoorde naar mijn gevoel zeker Maurice White. Net als Muhammad Ali blijkt hij ‘Stand By Me’ te hebben gecoverd.
Vanuit mijn jarenzeventigmanie rinkelden er ook bellen bij het nieuws dat Rod Temperton was overleden. Aan het zalig stompzinnige liedje ‘Girls’ van Moments & Whatnauts uit 1975, dat ik op een of andere manier associeer met het decennium, werkte hij bij live-optredens mee.
Hij was de auteur van ‘Star of a Story’ en dé man achter Heatwave. Pas na Tempertons dood dringt tot me door dat ‘Always And Forever’ van die band was. De grootste hit van Heatwave bleek ‘Boogie Nights’. Maar die baslijn kwam me wel erg bekend voor, van Michael Jackson. Totdat ik begreep dat dit ‘Off The Wall’ ook van Temperton was en hij dus autoplagiaat pleegde.
Weinig later kwam ik door het overlijden van Lydia Tuinenburg op het spoor van de megahit Send Me The Pillow’ door Lydia & The Melody Strings, op de rand van 1959/1960. En dat liedje, zelf een cover, brengt me bij een liedje uit mijn jeugd, ‘Ik lig op mijn kussen stil te dromen’ van het legendarische duo Hepie & Hepie.
Ik had dit kunnen weten uit het prachtige project De Cover Top-100 van Vic van de Reijt (2001). De Nederlandstalige bewerkingen van meestal Engelse liedjes stammen bij hem hoofdzakelijk uit Nederland. Hadden generaties Belgische zangers – van Wim De Craene over Louis Neefs naar Zjef Vannuytsel tot Wannes Van de Velde – zich beperkt tot eigen werk?
De vraag stellen is hem beantwoorden. De eerste die me te binnen schiet is Jan De Wilde, met ‘Naakte Man’. Maar dat nummer kwam na Van de Reijts sluitingstermijn. En eigenlijk is mij ‘Naked Man’ door The Pilgrims dierbaarder; die de oorspronkelijke taal handhaafden en dus niet mogen meedoen.
De schrijver van dat nummer, Randy Newman, raakte opnieuw binnen mijn blikveld door de televisieserie Treme. Daar was een rol weggelegd voor zijn ‘Louisiana 1927’, dat ik ooit voor een draak van een nummer hield. Het verwijst naar een ramp in een arme staat die ook weer niet op het repertoire van iedereen staat.
Van de Reijt ruimt wel plaats in voor Raymond van het Groenewoud. Prompt gingen mijn gedachten naar een variant van de cover: de herneming annex bewerking van een eigen nummer. Met ‘Vlaanderen Boven’ deed Van het Groenewoud het zelfs tweemaal. In 2002 steeg daarover het eerste gemor op. De recente versie van ‘Vlaanderen Boven’ liet pas echt een rioolput opengaan over multiculturalisme en politieke correctheid.
De alomtegenwoordige terugkijkcultuur in ronde getallen liet me kennismaken met de naar verluidt allereerste punksingle, uit 1976: ‘New Rosie’ van The Damned. Het liedje begint met de van ongeloof puilende vraag ‘Is she really going out with him’. Was dat twee jaar later niet de titel van een hit van de hyperbewuste zanger-componist Joe Jackson?
En door een piepklein instrumentaal fragment uit de film Boyhood realiseerde ik me pas dat de melanchool trekkende gitaar in ‘Band on the Run’ (Paul McCartney & Wings) uit 1974 even later is gekopieerd door niemand minder dan Peter Maffay in ‘Und Es War Sommer’ – een nummer dat in Nederland meer renommee heeft door Rob de Nijs’ coverversie ‘Het werd zomer’.
Dat er dus ooit geen Beatle meer zal rondlopen, krijgt geen vat op de eeuwige levensdrift van muziek die ertoe doet. Een vrolijk stemmende vaststelling, waarop minstens gezongen mag worden.

zaterdag 9 juli 2016

Kamasi for President



Staan de Angelsaksische landen in brand? De berichtgeving, die hier van oudsher een Angelsaksisch smaakje heeft, doet vermoeden van wel. Tegelijk lijken culture wars naar de Lage Landen overgewaaid. Er woeden allerlei debatten over details die futiel hebben geleken en over tradities die onmogelijk een haar in de boter dachten te kunnen serveren.
Bij die geschillen is er beduidend meer kritiek dan zelfkritiek; er worden vooral diagnoses gesteld zonder geneesmiddelen. Toch kan ik lastig aannemen dat westerlingen te verdelen zijn in hen die een ivoren toren bewonen en hen die betogen vanuit de onderbuik. De crux zou dan liggen in de omgang met angst.
Een recensie bood deze charmante fehlleistung: ‘Het racisme in Nederland rijkt verder dan directe, openlijke beledigingen en zit ingebakken in zowel culturele als politieke structuren.’ In de spelwijze ‘rijkt’ zit een sociaaleconomische positie die, grosso modo, de aanzet vormt voor huidige tegenstellingen. Tegelijk bijt haar hoge generalisatiegehalte de bewering in de staart.
Er lopen meer breuklijnen door Angelsaksië, die de debatten blootleggen. Dat is op zichzelf verhelderend en vruchtbaar, maar het is dikwijls moeilijk te geloven dat die geschillen het fameuze wij-zij-denken beweren te overwinnen. Eerlijk gezegd ontgaat me het volkomen hoe men van weerszijden zo’n alwetendheid demonstreert. Ik snap althans niet hoe een pleidooi voor inclusiviteit gepaard kan gaan met stelligheden over wat anderen waarom over derden denken, vinden en wel of niet bedoelen.
Zelfs vraag ik me af of het dienstdoende standpunt ruimte laat aan de mogelijkheid de ander te overtuigen. In Twitterland blijkt bijvoorbeeld, met referte aan het begrip ‘solidariteit’ dat mij na het hart gaat, een foto van ‘blanke vla met een negerzoen’ het te hebben opgenomen tegen een pannenkoek in de vorm van een hakenkruis en cupcakes die eruitzagen als KuKluxKlanners. Over de aanstichtster van deze culinaire rel berichtte het artikel in stijl: ‘Nu toonde zij eerder al niet het licht der beschaving te zijn, het is dus maar de vraag of ze de kritieken begrijpt.
Misschien blijft de onmin ook sidderen omdat het ontbreekt aan een ‘positief voorbeeld’. Dat ik op mijn oude dag zo’n stichtelijke term durf te gebruiken (had ik in mijn jonge jaren niet gedacht)! Zo’n positief voorbeeld mag geen prooi worden voor rolmodellering of voorbeeldfuncties. En het belangrijkste: het hoeft niet zozeer te gaan om een persoon, als wel om wat deze aan ervaringen teweegbrengt.
Welnu, volgens mij is de redding nabij.
Vanuit de theorie, meer in het bijzonder door een wandtegeltje van Stevie Wonder, wist ik al dat muziek is: een language we all understand. En de plaat had ik al uitgevoerd gezien op het internet. Maar nu ben ik er als levend lijf getuige van geweest, en is mijn campagneadvies af te geven op basis van ondervinding: Kamasi for President!
Er is al veel over The Epic van Kamasi Washington geschreven, maar het project dunkt me op dit moment relevanter dan ooit. In tijden waarin het woord ‘cultuur’ al afschuw opwekt en in Vlaanderen na de toekenning van subsidies de poorten van de rituele verontwaardiging weer opensloegen, verheugt het dat The Epic bij uitstek cultuur is – en toegankelijk blijkt zonder drempels.
Ja, dit is jazz, maar met alle denkbare andere stijlen erdoorheen, in wisselende verhoudingen. Ja, er staat een contrabas bij, maar deze is letterlijk getatoeëerd. Kortom: alle windstreken, weertypes en zonnestanden komen binnen. Eenmaal in deze cultuur geraakt neemt de kennis spectaculair toe.
Evenmin valt te ontkennen dat religies terug een rol spelen in het alledaagse leven die ook voetbal niet weet in te vullen. En dat een concert van Washington de indruk biedt aanwezig te zijn bij een mis, zij het voor alle gezindten. Maf is dat er geen richting wordt gewezen, maar sensaties de kop opsteken van zoiets als gemeenschappelijkheid. De ongewone grootte van Washingtons band werkt dat gevoel in de hand.
Deelnemen (niet: ‘participeren’) lijkt bij hem het parool. Solisten krijgen alle ruimte, zonder dat ze in het narcisme van technische exploitatie kunnen vervallen. Mij deed bijvoorbeeld een drumsolo herademen. In de geschiedenis begon die op kant drie van een dubbelelpee, terwijl Washington twee drummers in dienst heeft die wel op elkaar moeten reageren. Etaleren zou misplaatst zijn.
Als bandleider benadrukt Washington de kleine verbanden, van familie en vrienden die niet alleen bij hem op het podium staan, maar die hem ook hebben geïnspireerd. Vanuit de traditie van de vadermoord is dat toch een ander geluid, om nog te zwijgen van het etiket ‘burgerlijk’ dat in protestjaren vanzelfsprekend werd geplakt op alles wat die vader te vertegenwoordigen leek.
Mijn gedachten gingen even naar een uitspraak van Catherine Ongenae. In Seksisme. Nee, wij overdrijven niet! vertelde ze dat ze er moeite mee heeft aangesproken te worden als ‘mama’ – alsof een vrouw geen andere ‘kwaliteit’ heeft dan het moederschap. Bij Kamasi Washington is dat dus niet eens meer een kwestie. (Ik snap nu waarom er trots in me opwelt wanneer in professioneel pedagogische kringen iemand ‘papa’ tegen me zegt.) 
The Epic wordt intenser naarmate het verhaal langer duurt. Dat is niet bij elk optreden binnen de programmering mogelijk, maar ik vind het geweldig dat het woord ‘uitrollen’ ook eens in deze betekenis mag bestaan. Via de onderbuik verspreidt de muziek zich over het lichaam, tot in de ivoren toren die wel brein genoemd wordt. Kamasi Washington vertoont een inclusief project.