maandag 27 juli 2026

Zo ongeveer en ten naaste bij



Probeer het maar te ontkennen. In de kwarteeuw dat we ’s zomers door Europa fietsen nooit zulke temperaturen beleefd. Vaker dan ooit dus: voor een ijskoude imperialistische cola stoppen bij een supermarkt. Op de parkeerplaats hitteblaffende auto’s, inzittenden in een tenue te krap voor alle ongetwijfeld grondig voorbestudeerde tatoeages. Met wat geluk is er een overdekte oplaadzone. Zoals nu, terwijl voor ons een koppel parkeert pal naast een invalidestandplaats en onwaarschijnlijk smakeloos gekleed naar ons toe loopt – om een sigaret te roken. We worden bekeken als aliens, waarna ons antwoord op de vraag waarvandaan doet fronsen van onwetendheid, ook bij onze bruggetjes Brussel en Antwerpen. Wel zegt het koppel dat hun dochter in Utrecht woont.

 

Kunnen we met de kaart betalen, vragen we zekerheidshalve op de eerste camping. Natuurlijk, luidt het antwoord, we zijn hier niet in Duitsland. Daar schijnt niet simpel te registreren en te bemonitoren baar Geld alles te zijn.

 

In Nancy bestaat er de rue du Joli Coeur. De verrukking daarover taant snel als we de laatste brede weg naar de camping befietsen, zo steil dat we met de fiets in de hand gaan lopen. Bovenaan blijkt het een gevalletje van 10%, ontdekken we tierend, in de hoop dat we bij de tent verkoeling vinden, ware het niet dat op de ons toegewezen plaats, onder een boom, een Belgische auto staat, een Dacia Duster, met onder het portier in het gras niets minder dan een Bialetti. We mogen een ander plekje zoeken, waar zachtaardige Franse buren ons inlichten vanavond weg te gaan en met zo min mogelijk bruit te zullen wederkeren. Die avond winnen Les Bleus met 2-0 van Marokko, vuurwerk alom.

 

Gestaag lees ik Montaigne integraal, in de soepele vertaling van Hans van Pinxteren. En stuit op het woord ‘malvezij’, dat ik ooit in Kopstem gebruikte. Waarschijnlijk opgepikt uit dit oeuvre, dankzij een opstel dat het betreffende essay Over de opvoeding behandelde. Op gelijkaardige wijze ontleende ik aan Over de eenzaamheid misschien de titel van mijn debuut: ‘jij en een metgezel, of jij en jezelf vormen voor elkaar een groot genoeg publiek. Laat de menigte één man voor je zijn, en één man een hele menigte.’

 

Sanitaire blokken als insectenplagen. Overal liggen en hangen aan draden smartphones op te laden. Ik doe er mijn tablet bij, en houd van een afstandje de ruimte in het oog. Het taalkundig genie zegt dat ik vertrouwen moet hebben – wat met de grootst mogelijke moeite lukt, tot ik me te nerveus voel. Verder loop ik geregeld om zo’n blok, met een pre-emptive huppeltje tegen stuitliggingen. Die Franse toiletten blijven zonder bril, dus moeten de hangspieren niet nodeloos belast wanneer je, hoorbaar tussen anderen, snel afdrukt. Trillend van concentratie ontkom je evenmin aan gesprekken. ‘NEEEH, Papa!!! ‘Stel je niet aan, ik heb er geeneens zeep op gedaan.’

 

Het taalkundig genie krijgt mailtoelichting op haar relatief magere cijfer voor Schrijfvaardigheden. Naar universitaire maatstaven had ze in haar tekst te weinig structuur aangebracht, met woordjes als ‘ten eerste’ en zo. Die hemeltergende taal had ze er inderdaad uit weggekeild, op advies van mij. Een vriendin kreeg te horen dat ze onnodig jargon had gebruikt. Zoals ‘neokolonialisme’.

 

België wordt uitgeschakeld en richt de routinegal nog maar eens op haar Franse coach Garcia. Hij had het bestaan om keeper Courtois te wisselen, die geen lange bal meer kon spelen; zijn vervanger liet een afstandsschot van zijn borst kaatsen en hop, goal. Het argument luidt dat, met zijn begaafdheid en ervaring, een halve Courtois had volstaan. Wat een Belgisch compromis!

 

Onze buren van vandaag hebben om hun fietsstuur dezelfde tas gehangen, met een slogan over just doing sportive. Beide e-bikes. Dit op een camping die alle borden in vier talen heeft, over toegang uitsluitend voor gasten, waarbij de Nederlandse versie andersom framet, ‘niet voor buitenstaanders’. Zo handelt de in blauwe stofjas gestoken beheerster allerminst, die ons met flesjes water had onthaald en mijn vraag of onze fles champagne even in haar vriesvak mocht pareerde met het aanreiken van een koelbox, waarvoor ze uit dat vriesvak wat hulpmiddelen haalde. Haar man hinkt en leegt geregeld de vuilnisbakken.

 

De camping daarna is geen municipal meer. Dat betekent dat oud sanitair verkommert en nieuw sanitair beperkt open is. En dat fietsers bijeen worden gedreven op één wei. Het bedoelde reservaat is echter boomloos en geelwit geblakerd, zodat we samen op iets kleiners komen en, ontdekt de wegkapitein, meer moeten betalen dan de website zegt. Enkele fietsers mogen wel apart en hebben toevallig Frans als moedertaal. Vandaag herdenkt het land voor het eerst officieel de Dreyfus-affaire. Op een camper een sticker met een valse vriend: angles morts (geen Hells Angels)

 

In de schaduw geeft de thermometer 37 graden, in de zon 44 graden. Onze bidons zijn lauw en bijna leeg. De eerste camping waar we passeren is nagenoeg verlaten en heeft vuil sanitair. Als we tappen komt er een jongen aangehold die zegt dat dit verboden is. We moeten ofwel overnachten ofwel het water betalen. Hij loopt weg, de wegkapitein tapt opnieuw en hij keert weer en scheldt haar de huid vol. Ze zegt dat de chaleur nogal groot is vandaag, maar volgens hem draait dit om politesse. Als we verbluft wegfietsen, besef ik dat het Quatorze Juillet is. Was dat ook de dag van de fraternité? Over het aanpalende item hospitalité weet ik onvoldoende. Onze volgende pleisterplaats blijkt een oase. Aan Les Lacs d’Osselle ademt alles welkom, tot en met de loketambtenaar met het spleetje tussen haar tanden. Dezelfde avond wordt Frankrijk uitgeschakeld door Spanje, zien we op de tablet. De hele match blijft het doodstil, behalve bij de twee vijandelijke doelpunten en na het eindsignaal – steeds dezelfde camper claxonneert.

 

Op de fiets schiet me het fameuze openingswoord van Ubu Roi te binnen: ‘merdre’. Samen met mijn gelegenheidsvertaling: ‘plotver’.

maandag 6 juli 2026

Uit de werkplaats (11)

 


 

 

1.

Redigeren is een concentratiekwestie, wat zich door de hitte, in mysterieuze fasen, laat ervaren als een wegdommelen. Zou ik veel van het scherm hebben gemist? De geweldigste tropische verrassing in elk geval niet. Charles Trenet zong toch werkelijk ‘Douce’ en helaas geen ‘Douche France’.

 

2.

Bart Meulemans roman Een distel in bloei, ‘losjes gebaseerd op het leven van schilder Jan Vaerten’, bevat deze gedachte van de Vlaamse kunstenaar: ‘Vluchten is niet vergeten waar het bestaan ons toe veroordeelt, maar het net verhevigd ervaren.’ Begrijpen Nederlanders dit? Dus ‘net’ als bijwoord, in de betekenis van ‘integendeel’ of, duister voor Vlamingen, ‘juist’? Ondubbelzinniger was geweest om dit bijwoord en het voorafgaande lidwoord ‘het’ van plaats te verwisselen. Een distel in bloei verscheen bij een Amsterdamse uitgever, die riskeert dat ‘net’, met evenveel aforistische kracht, door de meerderheid van het potentiële publiek als zelfstandig naamwoord wordt opgevat.

 

3.

De Johan Polakprijs voor ‘de beste bundel van de afgelopen drie jaar’ ging naar een debuut. Wat als ik vervolgens deze Sarah de Koning toets aan ander institutioneel poëziegeweld? Zij stond op de longlist (niet op de shortlist) van de Grote Poëzieprijs en ze stond op de shortlist van de Herman de Coninckprijs. De GPP ging naar Samuel Vriezen die nergens bij de HdC te bekennen was, en de HdC ging naar Sandrine Verstraete die nergens bij de GPP te bekennen was. Achter deze betrekkelijke willekeur zou je de respectievelijke juryleden kunnen zien. Maar de invloed schuilt bij bestuursleden die jury’s benoemen en daarmee de ideologische en politieke marges van de kandidaten bepalen, plus welke netwerken worden geactiveerd.

 

4.

Als routinier, of de oude man die ik ben, lijkt me dat De Koning past in een trend die vorig decennium werd ingezet met Hannah van Binsbergen, en vervolgens Joost Baars en Radna Fabias: prijzen uit het niet-overheidsgestuurde circuit die naar debuten gaan. Met de suggestie: wij hebben tenminste het lef om ‘kwaliteit’ meteen te bevestigen. Ooit vertelde een jurylid me doodleuk, jaren na dato, dat de essaybundel Bunzing van Daniël Rovers uit 2005, waarvan ik als redacteur alleen maar shit over me heen had gekregen, eigenlijk de Greshoffprijs zou zijn toegekend maar dat men dat te wezensvreemd vond voor een debuut.

 

5.

Tussen neus en lippen door zegt John McWorther dat sensible lang ‘gevoelig’ heeft betekend, maar nu ‘gezond verstand hebbend’. Een equivalent in het Nederlands? Wakker?

 

6.

Arme Carmien Michels.

woensdag 1 juli 2026

Zodra je omslaat


 

Toevallig komt me het gedicht ‘Toch niet helemaal’ van Judith Herzberg onder ogen:

 

Je lijdt, tijdens het lezen al

onder het naderhand vergeten.

Terwijl je ieder woord

en elke zin verinnerlijken wilt

verglijdt de hele bladzij

verdwijnt, zodra je omslaat;

en laat wat je daarnet

nog ijverig bewonderde

op slag verhongerd na.

 

Het klinkt hopeloos snobistisch, maar ik raakte al in de war door de eerste komma. Niets te vroeg, in elk geval! Mijn idee was dat die komma een tweede forceerde, aan het eind van de regel. Maar daar staat geen leesteken. Kennelijk heeft de nieuwe regel dat overbodig gemaakt. Even verderop zie ik dat ook gebeuren. Officieel hoort er tussen ‘wilt’ en ‘verglijdt’ een komma, maar dat wordt onnodig door die positie aan de rand – die al voor een minieme pauze zorgt.

Uiteraard kan men beweren: dit is poëzie, dus waarom zou er een grammaticaal voorschrift worden gevolgd, of zou er sprake moeten zijn van consequentheid of zelfs logica? Ik vrees dat ik toch zo’n onsensationele lezer ben die zonder sociale media al begint te verklaren vanuit een routineparanoia: losse elementen met elkaar in verband (proberen te) brengen. Dan komt het leuk uit dat het gedicht als geheel over een verlies van duiding of grip nadenkt.

Leuk is volgens mij niet de kwalificatie voor een verschil in leesverwachtingen dat ik onderken tussen mijn gewoontes en die in het gedicht staan beschreven. Bij Herzberg draait het om ‘verinnerlijken’, terwijl ik niet eens met zekerheid durf te beweren dat ik een innerlijk héb. Veeleer een sensorische lastpak die laat weten wanneer iets weer onhelder is.

Zoals wat er na ‘de hele bladzij’ gebeurt. Indien de rechtermarge opnieuw een komma zou hebben opgeslokt (samen met de reguliere uitgang ‘-de’ van het genoemde vel papier), dan is ‘verdwijnt’ op de volgende regel een variant van ‘verglijdt’ op de vorige regel. Het vervangt dat werkwoord zelfs, kortheidshalve ditmaal zonder nog het object van die bladzijde te vermelden. Maar dat maakt de komma die dan meteen opduikt erg abrupt.

Ik ben opgegroeid met het schrijven is schrappen-dogma en voel daarom meer er een apokoinou te lezen. Daardoor valt het gedicht hier als een leporello uit te vouwen: verglijdt de hele bladzij, de hele bladzij verdwijnt. Dan is de komma voldoende gestut voor de cruciale handeling in Herzbergs gedicht: het omslaan van de pagina. Wat er daarna geschiedt, kan ze slechts aanduiden met het voorlopigste leesteken aller tijden, de puntkomma.

Tegen de gewraakte grammaticaregels zondigt Herzberg daarna. Haar vervolgzin doet net alsof er een komma had gestaan! Ze miskent de interpunctionele breuk die noopt tot een formulering zonder ‘en’. Zoiets als: ‘je laat wat je (…)’. Bovendien suggereert de dichter dat ze niet in het schrijven-is-schrappen-dogma gelooft: ‘daarnet nog’ en ‘op slag’ zijn hier feitelijk te veel. Maar feiten doen er niet toe in de topsport.

Verder snap ik uit het slotakkoord na de puntkomma het werkwoord ’bewonderen’ niet, dat op het verinnerlijkend lezen slaat. Volgens mij kun je idolen (tegenwoordig: iconen) bewonderen, maar geen gewoontes met goddelijke implicaties. In combinatie met het bijvoeglijk naamwoord ‘ijverig’ ontstaat er veeleer een reflexmatig enthousiasme, zoals misschien aanwezig in lichamen van socialemedia-gebruikers wanneer ze hartjes en duimpjes placeren: neoliberale gelovigen.

Tot slot is er in de laatste zin natuurlijk het ongrijpbare ‘verhongerd’, dat in combinatie met lezen naar geestelijke armoede hint. In Vlaanderen leerde ik de uitdrukking ‘op zijn honger blijven zitten’. Dan moet iedere diepere betekenis, wat dat ook moge zijn, nog de revue passeren. Herzbergs begrip kan ook letterlijk wijzen op het geknor in de maag, nadat je zo geconcentreerd hebt gelezen dat je de tijd uit het oog bent verloren.

In termen van duiding of grip kampt een lezer hier toch sterker met de fameuze aartsvijand Alzi – dementie die het ouder worden bedreigt. Waarmee het gedicht een biografisch perspectief openlegt. Maar toen Herzberg dit publiceerde, in 2013 in de bundel Liever brieven (oplage 155.000 exemplaren!), was ze nog geen tachtig, dus niet erg oud voor een vrouw. En voor zover er twijfel bestond, toonde het recente interview met Heerma van Voss nog altijd een scherpe geest.

Het Nederlands, wat dat ook moge zijn, spreekt van oudsher van ‘de bladzij omslaan’ en in dezelfde beweging later van ’de pagina’. Het Vlaams neigt naar ‘omdraaien’. En dat voor de cruciale actie in het gedicht, waarmee volgens de taal een verleden moet worden begraven. Om te kunnen vergeten, waar Alzi juist zo pijnlijk goed in is. Tussen ‘lezen’ en ‘leven’ zit dan ook niet heel veel verschil in ons dieventaaltje. Vallen ze daarbuiten dan samen? Toch niet helemaal.