Posts tonen met het label gastbijdrage. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gastbijdrage. Alle posts tonen

zondag 12 mei 2024

De toekomst klinkt beloftevol


Vandaag: Bart Van Lierde (1974). Hij publiceerde sinds 2003 een dozijn boeken in uiteenlopende genres en werkt als muzikant, componist en leraar.

  

Zoals de tekenaar in de schaduw staat van de 3D-printer, de meubelmaker wezenloos ronddwaalt in de gestandaardiseerde IKEA, de troubadour verstild met zijn luit thuis naar de radio luistert, zo werden alle componisten, songwriters en uitvoerende muzikanten afgelopen week ingehaald door technologische vooruitgang.

Na tien jaar muziekschool (notenleer, cello, piano, blokfluit), vijf jaar conservatorium in de jazzafdeling (hoofdvak zang en nevenvak piano) en zeven jaar autodidactisch onderzoek naar digitaal opnemen, mixen en masteren, ontdekte ik op een betalende website dat ik na het ingeven van mijn liedjestekst gewoon op ‘genereren’ kon drukken, waarna Artificiële Intelligentie er een perfect opgebouwde, ingezongen en gemixte song van maakte, in welk genre dan ook.

Atmosferische pop? Binnen twee minuten maakte AI een nummer in de stijl van Taylor Swift en Lana Del Rey. Hardrock? AC/DC of Aerosmith had het niet beter gedaan. Zelfs een klassiek koor produceerde AI alsof studenten van King’s College in Cambridge het hadden uitgevoerd.

Bij wijze van test liet ik mijn songtekst door Google Translate omzetten naar het Italiaans en liet AI daar een aria van maken met orkestbegeleiding. Doordat ik de zang en de muziek apart kon downloaden, viel me op dat het orkest onecht klonk; ik hoorde slechts de illusie ervan. Er was weinig ritmiek, en de strijkers gleden af naar synthetische klanken die ik niet thuis kon brengen. Alleen met de zang erbij klonk het als een orkest. Volgens mij ‘componeert’ AI niet. Ze produceert afwisselende frequenties die wij met muziek associëren en geeft weer wat er uit de speakers moet komen om ons te emotioneren.

 

Tien variaties

In de jaren tachtig was er een vergelijkbare (r)evolutie: de uitvinding van de MIDI-soundmodule. MIDI was één synthetische klank, waarvan de attack, sustain en release konden worden gewijzigd om over te komen als een strijker (langzame attack) of een kickdrum (snelle attack). Je moest op een keyboard of digitale piano de muziek inspelen, waarna die door de soundmodule werd gestuurd, om daar gewijzigd te worden in een MIDI-viool, of een MIDI-kickdrum; dat resultaat kon je dan opnemen. Het nadeel: je kon horen dat het fake was. De viool klonk als een synthesizer, de kickdrum als een omvallende stoel. Het voordeel: je had een klankvoorbeeld van je compositie en je wist dat die bij een opvoering en echte opname alleen maar beter zou klinken.

Microsoft maakte dertig jaar later de opstap voor AI in de vorm van Songsmith, een MIDI-softwareprogramma. Een studie had aangetoond dat een muzikant slechts tien variaties kon spelen voordat hij van genre veranderde. Je kon in Songsmith je akkoorden ingeven en een stijl kiezen, zoals rock of pop; telkens wanneer je op ‘genereren’ klikte, speelden de MIDI-muzikanten een andere versie, waarbij ze binnen de tien variaties bleven.

PG Music in Canada kocht dit project op en ging met echte muzikanten muziek opnemen in alle mogelijke (cross)genres. Als je nu je akkoorden ingaf, dan werden stukjes van die echte muziek aan elkaar geplakt om jouw akkoorden binnen de gekozen stijl ‘uit te voeren’. Je kon zelfs een gitaar of saxofoon een solo laten spelen. Het resultaat klonk zo goed dat het niet van echte muzikantenmuziek te onderscheiden was. Deze software werd als Band-in-a-Box over de wereld verspreid.

Toch was de software niet volmaakt. BIAB produceerde wel muziek, maar je moest je nummer zelf schrijven en de zang inzingen, en het geheel mixen op bijvoorbeeld een Macbook, in een programma zoals Logic Pro. Als je dat niet kon, dan moest je een professional inhuren en was je er niet zeker van dat het resultaat zou overeenstemmen met je eigen smaak.

 

Ingeboet

Een halfjaar geleden ontstond er een Muziek AI die je in staat stelde je zang up te loaden en die om te zetten naar die van een andere zanger of zangeres. Normaal is een singer-songwriter gebonden aan zijn eigen stem; hij zingt wat hij schrijft en wordt als ik-persoon geassocieerd met de inhoud. Nu kon ik een AI-stem selecteren die de ik-persoon zou vertolken. Ik denk dat dit het verschil is tussen het waargebeurde verhaal in literatuur en de roman.

Na deze korte aanloop maakte de Muziek AI alle stappen van het proces digitaal: de akkoorden, de melodie, de tekst, de muziek, de opname, het mixen en masteren. Wie op ‘genereren’ drukt, krijgt een afgewerkte song terug.

Nu AI frequenties produceert die een beter resultaat opleveren dan wanneer ik al het genoemde werk zelf doe, zal ik me moeten heroriënteren. Dat is niet de eerste keer.

woensdag 21 december 2022

Voorbij de Orphische Imperatief. Marcel Wesdorp & Rainer Maria Rilke

 

Vandaag: Eric Bolle (1954). Hij is filosoof, docent en vertaler. Naast tijdschriftartikelen publiceerde hij onder meer de boeken Lessen in ontheemding (1993), Filosofie en leiderschap (2009) en Hölderlin & Heidegger. Een andere aanvang voor de filosofie (2017). Onderstaande tekst komt voort uit een filosofische literatuurkring over Rainer Maria Rilke, dit najaar gehouden in de Haagse Houtrustkerk. Op 14 december 2022 was het de vraag of het vanuit Rilke mogelijk is de kunst van Marcel Wesdorp beter te begrijpen en omgekeerd. De deelnemers was gevraagd tevoren Wesdorps film Mind over Matter te bekijken. Als opmaat tot een gesprek met hem – omringd door twintig Wesdorp-werken, tentoongesteld onder de titel Rest– gaf Bolle bovendien een korte lezing. Een verslag van de bijeenkomst.

 


 (Marcel Wesdorp, uit de serie Possible Environments 2020-2022)



Wat is een innerlijk landschap? Hoe kan een landschap onze ziel verbeelden? Is het mogelijk contemporaine kunst als wereldbinnenruimte te kenschetsen?

Het eerste boek waarover ik met u wil spreken is van filosoof Wolfgang Janke[1]. Hij beschouwt Rilke als neo-archaïsche dichter. Wat wil dat zeggen? Archaïsch denken is de erecodex van de Dorische adel omstreeks 600 voor Christus. De grote dichter is Pindarus. Zijn wereldbeeld ziet er als volgt uit. Mensen hebben niets te vertellen over wat hen overkomt. Zij worden geboren, raken verliefd en sterven zonder dat zij dat zelf kunnen beïnvloeden. Mensen zijn sterfelijk en leven maar heel even. Maar sterfelijkheid en kortstondigheid zijn eigenlijk helemaal geen eigenschap van hen. De mensen hebben helemaal geen eigenschappen. Zij worden geraakt door zijnsmachten die hun leven bepalen. Er is op de eerste plaats het lot (Moira) dat hun leven bepaalt. Voor Moira is zelfs de oppergod Zeus bang. Oorlogen en burgeroorlogen kunnen alleen maar worden beëindigd door de gunst van Eirene die vrede brengt. Die vrede is echter niet genoeg, een andere zijnsmacht moet ook willen meewerken: Dikè, de rechtvaardigheid. Heidegger noemt haar de zijnsvoeg. Alleen dan treedt maatschappelijke rust in: Hèsychia.

Men kan deze goddelijke zijnsmachten alleen maar proberen gunstig te stemmen met gebeden en gezangen. Daarvoor zorgt de dichter. Hij zorgt er ook voor dat voor sommige mensen toch een klein beetje onsterfelijkheid mogelijk is. En wel door ze te roemen wanneer zij de Olympische Spelen hebben gewonnen en door een klaagzang voor ze te schrijven wanneer ze sterven. Mensen moeten eenvoudig leven. De dichter waarschuwt telkens voor twee doodzonden: overmoedigheid en mateloosheid. Erken dat de zijnsmachten sterker zijn dan jij, accepteer en vereer ze, en zoek vooral altijd de juiste maat. Probeer eer te behalen door de beste te zijn, maar weet dat uiteindelijk het toeval (Tychè) alles bepaalt. Het leven is een worp van de dobbelstenen. Dat is alles.

Omdat het zo simpel is, is het zo moeilijk om te begrijpen. Het is niet zo dat goden personificaties of allegorieën zijn. De wereld is geen theater en de machten die haar regeren zweven niet boven ons. Integendeel, zij zijn immanent. Er is geen transcendentie, geen ware wereld achter de werkelijkheid die wij waarnemen en waarnaar de idee zou verwijzen. Dit denken staat buiten het platonisme, buiten de filosofie en buiten de wetenschap. Waarheid is niet de overeenstemming van de woorden met de dingen en ook niet vanuit de verborgenheid in verschijning treden (zoals in Heideggers duiding van Alètheia), waarheid gaat ons allemaal aan wanneer wij worden getroffen. En getroffen worden wij op de eerste plaats door de dood. De dichter benoemt dit geraakt worden en geeft daar woorden aan. Dat is waarheid voor het archaïsche denken.

Die archaïsche waarheid komt tot Rilke via collega-dichter Friedrich Hölderlin en diens tekstbezorger Norbert von Hellingrath.[2] Zij bepaalt zijn dichterschap, met name in zijn Elegieën van Duino, maar niet alleen daar. Het lot is volgens Rilke ons bewustzijn. Wij kunnen ons daar niet van bevrijden en staan tegenover de wereld (subject-object). Wij stuiten op de grens die het leven van de dood scheidt. Voor de dieren geldt die grens niet, en ook niet voor het dromende kind of voor de stervende die staart naar het buiten en de openheid. Ook de geliefden ervaren die zuivere openheid, maar zij staan elkaar daarbij in de weg. Zijn is al-eenheid. Zijn is openheid. Zijn omvat leven en dood. Mensen zien dit gewoonlijk niet, zij storen zich alleen maar aan de dood. Toch helpt rouwen de dood te verwerken en wat er is gebeurd te verinnerlijken. Daarmee is de dood de poort tot het gehele leven en de rouw een helend proces dat ons bekend maakt met de al-eenheid, met een kosmische ervaring. Het bewustzijn hindert ons, poëzie helpt ons.

Niet angst leidt tot reflectie, maar reflectie leidt tot angst. Rilke maakt dingen uit angst. Hij doet dat door de angst te verinnerlijken. Op alles wat gebeurt heeft Rilke maar één antwoord: verinnerlijken. Het leven is het enige dat wij hebben, en dat slechts één keer. Men mag over het lot klagen, maar niet zonder het te roemen. De klacht, de elegie, gidst de ziel naar het dodenrijk. De klaagzang die wij de dode achternazenden gaat hem voor op zijn tocht. De dood leidt tot de volledige heelheid van het zijn, het landschap is de ruimte van de ziel. De Orphische Imperatief luidt dat wij ieder afscheid vóór moeten zijn, alles moeten verinnerlijken in het besef dat het alleen in ons zal voortleven en nergens anders. In Rilkes poëzie krijgen wij te maken met een wereld waarin de mens er niet meer toe doet omdat hij één is geworden met de omgeving, met een landschap dat de dichter tot wereldbinnenruimte transformeert waarin de aarde onzichtbaar herrijst. Dat is de waarheid van zijn poëzie, die net als die van Pindarus haar karakter ontleent aan dat zij ons allen als sterfelijke wezens aangaat. Zij geldt voor iedereen. Dit is Rilkes Orphisme, zijn geheel eigen actualisatie van het archaïsche denken voor onze tijd.

Tot zover de interpretatie van Wolfgang Janke. Het tweede boek waarover ik, maar dan zeer kort, met u wil praten ter inleiding van het gesprek met Wesdorp heet Rilke en de wijsheid. De kunstenaar als leraar. Het is geschreven door literatuurwetenschapper en hovenier Jan Oegema. Hij zoomt in op een thema van Rilke dat even fascinerend als raadselachtig is, namelijk een wereld waarin de mens niet meer van belang is. Het gedicht ‘Lied van de zee’ gaat over het lege landschap, een landschap zonder figuren. Het gaat om een gevoel van verlorenheid in de kosmos, om een ervaring van grondeloosheid. Er is geen God, er zijn geen mensen. Er is de wind die alleen lijkt te waaien voor de oeroude steen en ”louter ruimte doorsnijdt…” [3]. Tot zover Oegema.

 

vrijdag 2 september 2022

Sappho’s appel als asymptoot

 


 

Vandaag: Paul Claes (Leuven, 1943). Hij schreef tot nog toe honderdzestig boeken en is onder meer dichter, prozaïst, essayist en literatuurwetenschapper. Ook vertaalt Claes uit het Grieks, Latijn, Frans, Duits en Engels. Onderstaande tekst is ontstaan door Poetry International 2012, gewijd aan het onvoltooide. Toen vroeg ik Claes om in tien minuten tijd Nederlandse vertalingen te bespreken van een drieregelig Sappho-fragment. De toespraak werd vervolgens gepubliceerd in het tijdschrift Filter. Nadien stuitte Claes op meer vertalingen van het fragment. Op de valreep herinnerde hij zich het bovendien zelf nog, als student in Leuven, te hebben vertaald. Zo’n decennium na zijn toespraak heeft Claes zijn nieuwe bevindingen verwerkt in een geactualiseerde versie.

 

 

 

Een asymptoot is een rechte die door een kromme benaderd wordt zonder daar ooit mee samen te vallen. Die limiet lijkt een mooie metafoor voor het vertalen. Hoe goed een vertaling ook is, het origineel blijft onbereikbaar.

Sappho is de onbereikbare bij uitstek. Haar leven is onbekend, haar werk vrijwel verloren, haar poëzie onvertaalbaar. Onbereikbaarheid is ook het thema van een van haar fragmenten. In een bruiloftslied vergelijkt de dichteres een ongenaakbare bruid met een onplukbare appel.

De Laatgriekse filosoof Syrianus citeert het fragment in zijn commentaar op Hermogenes’ literaire studie Peri ideoon, 1.1. In moderne tekstuitgaven staat het bekend als fragment 93 (Bergk), fragment 116 (Diehl) of fragment 105a (Voigt, Campbell):

 

OION TO GLUKUMALON EREUQETAI AKRWI EPUSDWI

AKRON EPAKROTATWI, LELAQONTO DE MALODROPHES

OU MAN EKLELAQONTALLOUK EDUNANTEPIKESQAI

           

Deze drie verzen klonken in de tijd van Sappho ongeveer als volgt:

 

oion to glukumalon ereuthetai akrooi ep’usdooi

akron ep’akrotatooi, lelathonto de malodropèes

ou maan eklelathont’, all’ouk edunant’ epikesthai.

 

Zelfs een ongeletterde Griek herkende de cadans van deze verzen: de homerische hexameter. De versmaat bestaat uit zes voeten, die dactylen (lang kort kort) of spondeeën (lang lang) konden zijn. We kunnen de verzen zo scanderen:

 

      / − ˘ ˘  / −  ˘ ˘ / −  ˘ ˘ / −  ˘ ˘  / − 

  − ˘ ˘  /  − ˘ ˘ / −  ˘ ˘ / −  ˘ ˘ / − ˘ ˘   / −  ˘

      / −  ˘ ˘ / −    / −  ˘ ˘ / − ˘ ˘   / − 

 

Beroemd is de Engelse berijming door de prerafaëliet Dante Gabriel Rossetti:

 

Like the sweet-apple which reddens

On the utmost bough,

A-top of the topmost twig –

Which the pluckers forgot somehow,

Forgot it not, nay, but got it not,

For none could get it till now.

 

Dit ene fragment van Sappho is inmiddels al zo’n twintig keer in het Nederlands vertaald. Elke versie is een greep naar het onbereikbare.

 

 

1

De allereerste vertaler van het fragment is Herman Gorter, de Tachtiger die niet alleen dichter maar ook classicus was. Tussen 1910 en 1924 schreef hij Liedjes over de geest der muziek der nieuwe menschheid (postuum gepubliceerd bij Van Dishoeck, Bussum 1930). Een van die liedjes is deze navolging van Sappho:

 

Zooals één roode appel, in ’t hoogste van den groenenden boomgaard

Bloost in de bladeren, hem vergaten de appelplukkers! –

Neen, zij vergaten hem niet, zij konden hem niet bereiken!

 

De weergave is nogal vrij. Een ‘glukumèlon’ (letterlijk ‘zoete appel’) is geen ‘roode appel’, bij Sappho is er geen sprake van een ‘groenende boomgaard’ en ‘bladeren’.

Wellicht bevredigde de versie Gorter niet, want zijn eveneens postuum verschenen studie De groote dichters (Amsterdam: Querido 1935) biedt een prozaweergave:      

 

Zooals de zoete appel rood wordt aan het uiterste takje, hoog aan het hoogste, hem vergaten de appelplukkers – neen, ze vergaten hem niet, ze konden hem niet bereiken.

           

Gorter zet ten onrechte een punt achter de uitgewerkte vergelijking naar homerisch model. We kunnen de ontbrekende hoofdzin aanvullen dankzij een opmerking van Himerios (Redevoeringen 9.16), die zegt dat Sappho een bruid met een appel vergelijkt. Bijvoorbeeld aldus: ‘zo is ook de bruid die door vele mannen werd begeerd alvorens de laatste haar kon grijpen.’

Gorters proza volgt de oorspronkelijke maat min of meer. Zo is ‘neen, ze vergaten hem niet, ze konden hem niet bereiken’ een zuivere hexameter. De stroeve inversie ‘hem vergaten de appelplukkers’ is zo te verklaren. Sappho herhaalt driemaal een vorm van ‘akros’, Gorter vertaalt voor het metrum afwisselend als ‘uiterste’, ‘hoog’ en ‘hoogste’. De vertaler benadert zijn model, maar bereikt het net niet.

 

2

P. C. Boutens was net als Gorter dichter en classicus. Hij vertaalde het fragment van de Lesbische dichteres onder de titel Oden en fragmenten van Sapfo (Maastricht: Stols 1928). Maar een vertaling van ons fragment stond al eerder in een bloemlezing van W.E.J. Kuyper, Grieksche lyriek (1923).

 

Appel

Zooals ’n volrijpe appel aan ’t uiteind roodt van zijn takje

Hoog in den top van den boom, dien de appelenplukkers vergaten –

Neen, zij vergaten hem niet, zij vermochten hem niet te bereiken....

           

Boutens kiest een weinigzeggende titel en geeft met een beletselteken aan dat het fragment onvolledig is. Hij volgt de oorspronkelijke versmaat angstvallig na. Zo geeft hij ‘glukumalon’ weer als ‘volrijpe appel’, omdat de eind-e door elisie voor de volgende klinker wegvalt. Ook de afkappingen ‘’n’ en ‘’t’ evenals de vreemde vorm ‘appelenplukkers’ staan er alleen maar voor het metrum. Boutens vermijdt een inversie door de relatiefzin ‘dien de appelenplukkers vergaten’, maar het betrekkelijk voornaamwoord ‘dien’ lijkt nu te verwijzen naar ‘boom’ in plaats van naar ‘appel’.

De Vlaamse auteur Marnix Gijsen (pseudoniem van Jan-Albert Goris) neemt dit fragment zonder bronvermelding over in zijn reisboek Odysseus achterna (1930). Hij laat de titel weg en brengt drie kleine retouches aan: ‘een’ in plaats van ‘n’, ‘uiterste’ in plaats van ‘uiteind’ (twee verbeteringen) en een emfatisch ‘Néén’ in plaats van ‘Neen’.

 

3

De graecus W.J.M. Koster, later hoogleraar en rector in Groningen, vertaalde in zijn artikel ‘Leopold en de klassieken’ (Hermeneus, 4e jaargang, aflevering 6, 1932, p. 83-87, zie p. 84) het fragment in proza:

 

zooals de zoete-appel een blos krijgt aan het uiteinde van een twijg, heel aan het uiteinde, en de appelplukkers vergaten hem dan ook; maar neen, zij vergaten hem niet, doch zij konden hem niet bereiken –

 

Koster geeft het tegenstellende ‘de’ in het tweede vers ietwat onhandig weer als ‘en… dan ook’, wellicht om de herhaling van ‘maar’ in het derde vers te vermijden.

 

4

W.E.J. Kuiper, hoogleraar aan de universiteit van Amsterdam, bracht onder meer fragmenten van Griekse lyrici bij elkaar in Griekse varia (Haarlem: Spaarnestad 1956).

 

Zo als een zomerzoet’ appel bloost aan den top van zijn takje,

Toplings aan d’uitersten top, vergeten met al door de plukkers–

Och welnee, niet vergeten op ’t eind, maar niet te bereiken!

 

Net als Boutens probeert Kuiper het metrum krampachtig na te bootsen. Vandaar de elisies ‘zomerzoet’ appel’ en ‘d’uitersten’ evenals de vulsels ‘met al’ en ‘op ’t eind’. Eigenlijk past ‘zomerzoet’ niet in de versmaat: het woord is geen dactylus (lang kort kort), maar een creticus (lang kort lang). Het verzinsel ‘Toplings’ naast het dubbele ‘top’ is een poging om het drievoudige ‘akros’ weer te geven.

 

5

J.D. Meerwaldt publiceerde ‘Gedichten en fragmenten van Sappho’ in het tijdschrift Centaur, 1, 1945-1946; p. 614-664. Die studie werd herdrukt in Vormaspecten (’s-Gravenhage: A.A.M. Stols 1958).

De hooggeleerde classicus, die de Latijnse tekst verzon voor het monument op de Dam in Amsterdam, volgt het homerische metrum van het fragment meticuleus na. De titel ‘De onbereikbare’ geeft de pointe voorbarig weg.

 

De onbereikbare

Zo als een appel zoet bloos-kleurt aan het eind van zijn takje,

Uiter aan uiterste tak en van plukkeren al er vergeten –

Neen, neen, niet er vergeten, maar hoger hij hing dan zij reikten...

           

Deze poëtasterij klinkt nu ridicuul: ‘bloos-kleurt’, ‘Uiter’, ‘plukkeren’. Pijnlijke inversies zijn: ‘niet er vergeten’ en ‘hoger hij hing’. Net als Kuiper verdient Meerwaldt een onvoldoende.

donderdag 5 maart 2020

Van al zo veer (en de kleuters van Éluard)


Vandaag: Philip Ingelse (1943). Hij was leraar Frans en debuteerde bij Meulenhoff met de bundel Gratie (2002). Dezelfde uitgeverij bracht zijn Spiegel van de Franse poëzie van de elfde eeuw tot heden (2004). Momenteel voltooit Ingelse zijn nieuwe bundel Met ontzag naar buiten. Onderstaande autofilologie bevat daar proeven uit.



SEKSISTISCH

In elke mond een luchtig goedje,
legt een vleeskleur op de dingen,
een weekheid in albast.
Het zijn teerhartige Erinyen,
zij vinden prilheid met een mes
en de charmes van de honger,
en nu speuren zij in mijn bloed
naar de opslag van wapens
en willen dat ik boet
voor de gil van een laurier.
Ben ik hun weerga, een welgezinde
die leven keurt op kunne
en haar zift op haar drempel,
zich hoedt voor de maan
en snijdt waar zij bloedt,
haar bekleedt met eer en tralies?
Zo kom ik binnen
en zij ademt door mij heen.

Het is altijd weer een schok voor mij dat wraakgodinnen (Erinyen regel 4) ook welwillenden of welgezinden(r.11) heten (Eumeniden). Zo’n soort schok(je) zou ik ook willen voor plastische chirurgie (r.5), afvaldieet (r.6), het onrecht van testosteron (r.7,8), de verkrachting van Daphne door Apollo (r.9,10), het aborteren van meisjes bij eenkindpolitiek (r.12,13), taboe op ongesteldheid (r.14: nog niet zo lang geleden werden vrouwen als periodiek invalide beschouwd), vrouwenbesnijdenis (r.15), eerwraak et cet (r.16). Een levende verhouding is anders: de laatste twee regels.
Er zit iets vals in zo’n uitleg, want die is achteraf.
In gedichten ben ik het minst gesteld op wat ik het snelst uitleg en het meest op de regels waarvan ik de verklaring niet al heb wanneer ik ze schrijf.
Bijvoorbeeld:

HORTUS: IN PARADISUM

(Hans, Ischa, Ria, Alexandra)

Als wij ons de hortus
ingevochten hebben,
weten we niet wie:
sterven is in speeltijd.
Maar nu in wartijd
versnijd ik
niet weten wie
met weten wie
raakt adem geroerd,
aftelrijm hermetisch,
score zoek,
heugen high,
oude taal versleuteld,
en tuin om tuin
verspreek ik mij.

Hortus en paradisus = allebei tuin. In tuinen spelen en vechten kinderen. In paradisum is een citaat uit het Requiem.
r.4: in speeltijd = de kindertijd waarin je speelt, maar ook zolang de wedstrijd duurt
r.13: oude taal = de taal die je op de middelbare school sprak, maar ook Grieks, Latijn.
Belevenissen van vroeger komen in een ander licht te staan wanneer iemand sterft met wie je in de klas gezeten hebt, onverschillig of hij/zij je lief was of niet (r.9 t/m 13). Daarvoor is geen uitleg nodig.
Maar r.1 t/m 8 en de laatste twee regels omcirkelen een gevoelige plek die misschien moeilijker bereikbaar is, waar het levende kind en de dode vergeefs in elkaar proberen door te dringen in een onmogelijk besef van de tijd van nu in de tijd van toen en omgekeerd. Dat gaat met geweld en zachtheid tegelijk.
Ik heb gespeeld, gepraat, gegeten en gedronken met mensen die nu dood zijn, en toen wist ik het niet. En als ik het wél weet, weet ik niets. Een enkele keer weet ik het heel even met een week besef van meer dan één tijd, en is me dat alweer ontglipt. 

donderdag 27 februari 2020

‘Och joeng, noedels’



Vandaag: Ivo Victoria (Antwerpen 1971). In 2002 emigreerde hij naar Nederland, waar hij werkte voor het Lowlands Festival en waar zijn geruchtmakende debuutroman Hoe ik nimmer de Ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt) verscheen. Ook zijn vier volgende boeken (Gelukkig zijn we machteloos, Dieven van vuur, Billie & Seb en Alles is oké) werden gunstig ontvangen. Victoria was een van de eerste schrijvers die blogden. Hij verzorgt columns voor de Vlaamse krant De Morgen en voor het Nederlandse radioprogramma Spijkers met koppen.
Onderstaande speech gaf Ivo Victoria in het programma Zilverlingen: het verraad of de beloning van taal?, voor Perdu, Amsterdam 21-2-2020.


Ik groeide op in het Antwerpse als de jongste zoon van een Vlaamse moeder en een van oorsprong Franstalige vader die thuis enkel Nederlands sprak, wellicht omdat de vader van mijn moeder een Flamingant was maar op familiefeesten aan mijn vaders zijde werd door de volwassenen Frans gesproken. Nu woon ik alweer achttien jaar in Amsterdam samen met een Franse vrouw die thuis enkel Nederlands praat. Ik moet eigenlijk zeggen: een Bretonse vrouw – dit ligt gevoelig. Bretagne is zoals u weet het Friesland van Frankrijk, inclusief een eigen taal – het Bretons of Brezohneg – een taal die mijn vrouw niet spreekt terwijl haar eigen vader voor zijn achtste levensjaar geen woord Frans kon. Dit terzijde. Die Franse vrouw leerde mij kennen in 2001 – toen Marc Kregting de oversteek naar België maakte – en net op het moment dat zij met veel moeite en pijn het Nederlands onder de knie had gekregen en vrijwel accentloos ook. Wie mijn vrouw spreekt zal denken dat zij Nederlands is behalve misschien wanneer u haar vraagt waar de krant is, dan zal zij zeggen dat deze ‘op tafel staat’. Samen hebben wij twee dochters die geboren zijn in Amsterdam, allebei de dubbele Belgisch-Franse nationaliteit bezitten maar zichzelf als honderd procent Nederlands beschouwen. Omdat mijn vrouw in de eerste jaren van hun leven nog Frans sprak thuis – iets wat ze nu enkel nog doet als ze boos of opgewonden is – begrijpen deze twee dochters perfect Frans, spreken ze het zelf redelijk goed én kunnen zij het Vlaams van hun vader beter imiteren dan elke Nederlander die ik ooit Vlaams heb horen imiteren en geloof mij: dat zijn er nogal wat.
Maar ondanks of juist door deze geschiedenis, heb ik taal nooit echt beschouwd als onderdeel van mijn identiteit. Of beter: ik heb altijd geweigerd om taal als een onderdeel van identiteit te zien. Dit komt waarschijnlijk omdat ik reeds als kind een enorme hekel had aan de taalkwestie die mijn vaderland al zo lang verdeelt en die er de oorzaak van is dat België vrijwel onbestuurbaar is. Ik kan me nog zeer goed de totale verbijstering herinneren die zich van mij meester maakte toen ik als kind besefte dat zowat alle problemen van mijn land waren terug te voeren op taal – iets wat wederom blijkt tijdens de huidige, hopeloos aanslepende, regeringsonderhandelingen. Wat maakt het uit welke taal mensen spreken, dacht ik als kind, als we elkaar maar begrijpen? En dat ben ik in feite altijd blijven denken. Dit schijnt ongelofelijk naïef te zijn.
Ik word er met grote regelmaat op gewezen dat mijn spreektaal door de jaren heen in toenemende mate is vernederlandst of verhollandst. Soms denken mensen zelfs dat ik Nederlands bén. Ik zeg om de haverklap ‘nou’, heb er geen enkele moeite mee zaken ‘kort te sluiten’, dan wel ‘aan te geven’ of via een welbepaalde route ‘aan te vliegen’ en in de kroeg neem ik volkomen naturel woorden als ‘klerelijer’, ‘tyfuszooi’ of ‘opflikkeren’ in de mond. Zodra ik evenwel voet aan de grond zet in mijn voormalige thuishaven Antwerpen praat ik met hetzelfde gemak opnieuw Vlaams alsof ik er nog steeds woon. Ik zou nu dus kunnen gaan beweren dat taal in mijn dagelijkse leven niets meer is dan een middel, een handig stuk gereedschap waarmee ik kan communiceren met de mensen om mij heen en dat ik naar eigen inzicht en vermogen kan aanpassen en bijstellen. Maar dat is buiten mijn lichaam gerekend.

maandag 11 maart 2013

Koffiesofismen



Vandaag een bijdrage van Nico Krols, uitgesproken op 17 februari 2013, bij het Belgische luik van de presentatie van Koffie. Een doeboek. Brute pech dat die tekst daar niet in staat.
Nico Krols (1971) is hoofdredacteur van Weliswaar, het welzijns- en gezondheidsmagazine van Vlaanderen. Hij schrijft over film voor onder meer De Morgen. Als onderzoeksjournalist maakte hij samen met Marleen Teugels een dossier over asbest voor Knack, waarvoor zij de Dexia Persprijs kregen.


Waartoe inspireert koffie? Behalve tot het schrijven van een boek? Romcom, musical, opera? Ik denk graag in termen van sprookjes, omdat er altijd gratis horror bij komt. Dus steek het niet op de media, want ik heb u gewaarschuwd. Er komt, aan wat volgt, geweld te pas.

Als filmrecensent schuilt er vanzelfsprekend een gerateerd regisseur in mij. Hoe vaak ben ik in mijn hoofd niet aan een scenario begonnen over een moegetergde verkoper die door het lint gaat op die ochtend dat zijn koffie met een klontje suiker te veel geserveerd wordt?
Suiker in koffie, ik vind het maar niks, net zomin als koffie met zuivelwaren allerhande. In coffee, as black as my soul, ga ik op zoek naar de finesse in de puurheid. Witte additieven, laat het aan de Italianen.

Het scenario-idee berust op waar gebeurde feiten. Ik heb lang mijn werkplek in het groene, rustige Terhulpen gehad, niet ver van Overijse, met zicht op oude bomen en schichtige eekhoorns. Daar kreeg ik koffie geserveerd, per thermos van twee liter, met zo’n pompje, en waarmee normaal receptiepopulaties mee aan de waggel worden gehouden, zoals koeien aan een drinkbeugel in de wei. Ik kreeg geen bakje, maar een tank troost, elke dag opnieuw.

Dat zorgde ervoor dat ik ’s avonds als een gek de E19 afroste, op de gezwollen soundtrack van Gladiator, met getrokken zwaard en wapperende wimpel. Voorliggers moesten opzij want ik moest naar huis. Dringend. Geen idee wat er dringend was, maar het moest vooruit. Thuis aangekomen ging ik dan trillend op zoek naar iets, niet wetende wat, en langzaam sijpelde het besef door dat het de overdosis koffie was die me mijn eigen staart had doen najagen.

Alle goede dingen, zeggen wijzere mensen dan ik, moeten we, helaas, met mate consumeren. En hoe ouder we worden, hoe meer de maat zich opdringt. Tot dan was ik de koffieteit toegedaan die ik geleerd had in een Starbucks op de kruising van John en Water Street downtown Manhattan: ‘What goes well with coffee? More coffee!’ Schrandere jongens, die yanks, want het is waar.

Toch gaan koffie en beheersing ook goed samen. Een koffiedrinker laat zich zelden op zijn verslaving betrappen, zelfs niet wanneer hij zich zijn gebruikelijke dosis niet heeft toegediend.

Koffie drink je uit een kopje eventueel of zelfs bij voorkeur, maar uit een beker mag ook. Als hij maar uit porselein of glas is. Niet uit karton. Dat is voor hipsters on the go. De democratisering van het koffiedrinken heeft geen nivellering teweeggebracht, noch naakt een bekermatig einde van de beschaving. Lange tijd vond ik dat je beker mee naar je werk nemen een te huishoudelijke gezelligheid introduceerde die daar niet hoorde en zodoende de zakelijke sfeer verpestte. Je gaat toch ook niet in je pyjama naar je werk? Maar ik heb het tegendeel ondervonden. Vergaderen met een beker koffie geeft blijk van werklust en smeedt een onzichtbare band tussen discussiërende vergadergenoten. Sinds de mens koffie drinkt, is zijn evolutie vermoedelijk pas echt goed op gang gekomen, al moet dat nog bewezen worden.

Wat wordt er, behalve melk en suiker, allemaal niet bij de koffie gedaan? Onder gelijkgezinden geleuterd, onder vrienden per ongeluk geroddeld en onder collega’s, in een zeldzaam goede bui, nuttigheden uitgewisseld. Iedereen kan het over koffie hebben, omdat het zo evident tot ons leven en, voor de gelukkigen, ons werk is gaan behoren.

Pas op leeftijd, kunnen we ons veroorloven om het over koffie te hebben en erover te schrijven in plaats van er ons, zonder voor- of nabeschouwing, aan te goed te doen. Maar wijsheid komt met de jaren, zeggen, nog altijd, diezelfde mensen die wijzer zijn dan ik, en dan is het goed om voor het koffie gaan eerst ’t in eigen kopje te kijken. Al was het maar om dat ontsnapte stukje speculaas eruit te lepelen.

Als je sommige schrijvers en journalisten kan geloven hebben we aan koffie de beschaving te danken, wel, laat ons dan – zelfverklaarde koffie-ologen en barrista’s – ons gewichtige prietpraatje gunnen. Ik moet namelijk nog iets bekennen: ik ben een koffiebarbaar. Ik durf mijn namiddagkoffies al eens verdunnen met warm water. Of ik durf op een zwak moment wel eens voor een deca overstag gaan. Ik ben eigenlijk een theedrinker, altijd geweest, en nu meer dan ooit, sinds bij mij de cafeïnegeïnduceerde daver na de middag ongenadig toeslaat. Kan je beiden zijn? Ik drink thuis thee en op locatie koffie. Mijn profiel is bipolair: dat van een gedomisticeerd, sedentair theedrinker, en een nomadisch, avontuurlijk koffiedrinker. Ik voel je misprijzen, maar tot welke soort behoor jij? Mogelijk maak je je wel schuldig aan het posten van koffiestillevens op een van die talloze blogs met instagrams van lepeltje-in-kopje-op-schoteltje onder de juiste lichtinval?

Koffie staat beter dan thee. Toen ik nog rookte, was thee voor jeanetten, of hooligans. Het was de sigaret noch de koffie die voor de sublieme aha zorgde. Het was de combinatie van beide, zeker op vroege ochtenden. Sinds ik gestopt ben met roken is koffie niet meer hetzelfde. Alle eenzijdige sublimiteit van koffie zit nu in dat gelukzalige solomoment van de geur van koffie bij het ontwaken. Maar die vroege ochtenden mét sigaret, dat was toch anders. Om vijf uur, op een verre reis, buiten in de verfrissende dauw turen, over een voor een Belg ongeziene glorende horizon, met een gitanes zonder filter en slurpen uit een inox kop. Klaar was je dan, voor de rest van je leven, die dag.

Roken is verleden tijd, al ben je daar nooit zeker van, maar koffie zal zijn tijd voor mij wel blijven duren. En anders kan ik altijd nog wegdromen naar de tijd dat ik met vrienden koffie morste en dat die opneemvod van een ober ons toesnauwde dat hij extra zou aanrekenen voor de vlek op het witte tafellaken. We hebben dan het voorbeeld van Donald Barthelme’s dwergen in Snow White gevolgd en de rest van de koffie over het tafellaken gesmodderd. Vwalla. Geen vlek meer te bespeuren, enkel een bruin dampend laken. Ober, nog een koffie graag. More coffee. Koffie maakt slim en onoverwinnelijk, al heeft de rest van de mensheid dat niet altijd door.

Hou het glorieuze moment glimlachend voor jezelf, kwestie van koffiequette. Slurp in stilte verder, desnoods van een latté, en bij de geur van een aangebrand toastje.

vrijdag 1 maart 2013

De open bibliotheek van morgen


Vandaag een bijdrage van Saskia Scheltjens. Ze bewerkte haar toespraak bij het Belgische luik van de presentatie van Koffie. Een doeboek, op 17 februari 2013. De tekst had op deze blog evengoed gepast in de reeks ‘Coreferenties’ uit 2010. Toen vertelden gastauteurs vanuit hun expertise iets over een facet van de leescultuur die ik had verkend aan de hand van het fenomeen literair tijdschrift.
Saskia Scheltjens (1970) is faculteitsbibliothecaris Letteren en Wijsbegeerte aan de Universiteit van Gent. Ze werkte eerder onder meer als kunstbibliothecaris bij het Museum voor Moderne Kunst in Oostende en bij het Rijksmuseum in Amsterdam. Ze is ook actief op Twitter.


Een bibliotheek gaat voor mij niet in de eerste plaats over boeken. Of over een gebouw. Als ik dat zeg, dan reageren velen eerder verbaasd. Een bibliotheek gaat voor mij over delen en verbinden. Of dat nu coherente verzamelingen boeken zijn, mensen, computerkabels, kunstobjecten of bij elkaar geschraapte data, dat maakt mij eerlijk gezegd niet zo veel uit. En ook niet waar dat precies gebeurt. Een groot deel van het plezier zit ’m in het koppelen van dingen.
Om te kunnen delen heb je iets nodig dat je wilt en mag delen. Het moet dus iets interessants zijn, en je probeert het zo goed mogelijk te bewaren zodat je het kan blijven delen. Duurzaamheid, openheid en herbruikbaarheid zijn voor een bibliotheek geen holle woorden.

Momenteel werk ik als faculteitsbibliothecaris in de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent. Ik ben daar sinds vier jaar bezig met een hele groep mensen om 49 vakgroepbibliotheken om te vormen tot één Faculteitsbibliotheek. Die komt in een gerenoveerd negentiende-eeuws gebouw tegenover de Boekentoren.


Rozier, Gent – Foto: Torsade de Pointes (CC BY-NC-SA)

De boeken bevinden zich nu op 222 verschillende locaties in Gent, in en rond de Blandijn. Ze staan in leslokalen, afgesloten gangen, oude conciërgewoningen, bureaus van professoren en assistenten, secretariaten, kelders en kleine seminariebibliotheken met allemaal verschillende openingsuren. Het is chaos. En absoluut niet open voor iedereen.
Al die bibliotheken – en het geld en de mensen die daaraan vasthangen – brengen we tegen 2015 samen. In totaal zullen we dan ongeveer 1 miljoen boeken hebben verhuisd, waarvan sommigen meer dan één keer. Dat is veel werk. Des te meer als je beseft dat slechts 52% in de catalogus stond. Dus registreren we deze bulk eerst zodat nadien ook deze boeken kunnen worden opgezocht en uitgeleend. Heel veel werk dus, dat wel wat brandstof kan gebruiken.


Foto: Saskia Scheltjens (CC BY-NC-SA)

Dit is een foto van onze voorlopige personeelskeuken. Bijna het hele team in de bibliotheek is verslaafd aan koffie. En aan chocolade. Maar dat is een ander verhaal.

Op 17 februari 2012 opende de eerste fase van de Faculteitsbibliotheek. Dit is een poster over de huisregels die daar nu uithangt.


Foto: Geert Roels, Lay-out: Gitte Callaert (CC BY-NC-ND)

Als ik die hordes studenten zie die de afgelopen maand uitgeput zaten te studeren in de bibliotheek, kan ik me levendig voorstellen hoe welkom koffie zou zijn.
Ik vind het steeds moeilijker uit te leggen waarom niet. Maar hier komt mijn armzalige reden. Omdat we er momenteel niet voor zijn uitgerust, niet fysiek en niet mentaal. Omdat het in deze fase van de Faculteitsbibliotheek niet past. Nu geopend is een deel van de eerste verdieping van het hele complex, waar het gros van de boekencollecties in open kasten staat. De balies, de studieplaatsen, de administratie, vergaderzalen en personeelskeuken zijn er voorlopig bij geplaatst. Op termijn verhuizen al deze zaken naar de begane grond waar ook andere, meer flexibele ruimtes zullen komen zodat we de huisregels kunnen aanpassen.
En dat is nodig. Tot nog toe hebben we boeken uit een negentiende-eeuwse opstelling gehaald en er een mooie twintigste-eeuwse wetenschappelijke bibliotheek van gemaakt.


Faculteitsbibliotheek LW, UGent – Foto: Thomas Smolders (CC BY-NC-SA)

Deze stap is nodig voor iedereen binnen de faculteit die moet wennen aan het idee van één grote gemeenschappelijke bibliotheek. Maar als we het daarbij laten, gaan we het in de eenentwintigste eeuw niet redden.
Meer nog dan in openbare bibliotheken, voelen we bij wetenschappelijke bibliotheken de invloed van de digitalisering en de impact van technologische veranderingen door het internet. Niet alleen onze collectie wordt onder onze handen virtueler. Ook het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek dat we als Faculteitsbibliotheek willen ondersteunen wordt minder statisch en – intrigerend genoeg – veel minder afgebakend. Iets is nu nooit meer af. Waardoor de noden van de bibliotheekbezoekers verschuiven en we ons als bibliothecarissen dienen af te vragen of ons werk nog zinnig is. Zijn we niet bezig om een fossiel in stand te houden, ten koste van buitengewoon veel gemeenschapsgeld? En hoe verhuizen we onszelf met ons hele hebben en houden naar een nieuwe eeuw, met nieuwe premissen? Zitten niet al onze potentiële bibliotheekgebruikers thuis of in de Mokabon in Gent, met hun eigen kop koffie voor hun eigen laptop of iPad? En blijven dan enkel de studenten over die enkele maanden per jaar de bibliotheken overrompelen omdat ze nood hebben aan een offline omgeving waar zoveel groepsdruk is, dat ze zich wel moeten losrukken van alle online verstrooiing opdat ze zich eindelijk kunnen concentreren?


Foto: Elizabeth Thomsen (CC BY-NC-SA)

Bij bibliotheken doet zich een buitengewoon interessante identiteitscrisis voor – die al een paar decennia bezig is. Maar het is ook een tijd waarbij de oplossingen die worden aangedragen meewaaien met alle denkbare hypes. En sommige bibliotheken waaien daarin meer mee dan andere.
Maar dan denk ik terug aan dat delen en verbinden. En aan de onwaarschijnlijk prachtige collecties waar generaties en generaties van onderzoekers en verzamelaars hun ziel en zaligheid in hebben gelegd en nog steeds leggen. Waar de geschiedenis in zit vervat van alles wat mij dierbaar is aan een universiteit. Maar ook aan bedrijven zoals Google en JSTOR die immense digitaliseringsprojecten opstarten waarbij ze de inhoud van publieke wetenschappelijke bibliotheken gratis digitaliseren. En daarbij en passant het recht verwerven om die inhoud nadien te verhandelen, en – in het geval van JSTOR en anderen – deze voor veel geld terug te verkopen aan diezelfde bibliotheken. Dat is waanzin. Of ik denk aan Aaron Swartz, een internetactivist die onlangs zelfmoord pleegde, en die inzag dat data die tot kort daarvoor nog ‘vrij’ toegankelijk waren via bibliotheken, of op eigen lokale harde schijven, nu in een ijltempo geprivatiseerd worden. Waarbij de toegang beheerd wordt door corporaties die zo onzichtbaar zijn dat ze nauwelijks of niet ter verantwoording kunnen worden geroepen. En dan denk ik: hoe dat zo, bibliotheken en bibliothecarissen niet meer nodig?

Wat deze tijd verder razend interessant maakt, is dat er andere initiatieven ontstaan die de uitgangspunten van de bibliotheek zoals mij die dierbaar is, helemaal herdenken.
Bijvoorbeeld de Occupy-bibliotheken die overal opdoken waar mensen bij elkaar kwamen om te protesteren. Ik ben er zeker van dat er daar, net buiten beeld, koffie wordt gedronken door rogue librarians die vinden dat bibliothecaris-zijn een attitude is, een mindset waarvoor ze niet eens een collectie nodig hebben. Die de wereld tot hun collectie verklaren.


Peoples Library Occupy Wall Street - Foto: Thomas Shankbone (CC BY-NC-SA)

Of zoals een prachtig initiatief in Rotterdam, waarbij buurtbewoners als reactie op de schandalige beslissing van de Nederlandse overheid om blind te snoeien in de culturele sector – en dus ook om een heleboel openbare bibliotheken te schrappen – een eigen Leeszaal hebben opgestart.


Foto: Leeszaal Rotterdam West (2013)

Ingericht in een leegstaand buurtlokaal waar iedereen welkom is. Gratis gebruikmakend van de Wi-Fi van de bovenbuur, met afgevoerde meubels en tweedehandsboeken van de deelnemers zelf. En natuurlijk met koffie.


Foto: http://www.facebook.com/leeszaalrotterdamwest

Maar tussen droom en daad… Dus krijg je ook dit.


Foto: http://www.facebook.com/leeszaalrotterdamwest

Waar dan bijna niemand op reageert…. En heimelijk vraag ik me af hoelang die bovenbuurman het nog prettig gaat vinden dat er lustig wordt meegelift op zijn Wi-Fi zodat hij geen stream tv meer kan kijken wanneer hij dat wil.
Ik wil me niet vrolijk maken over zoiets. Of het bekijken met leedvermaak. Maar als bibliothecaris weet ik wel dat een dienst leveren niet eenvoudig is. Dat het geld en moeite kost. Waarvan ik vind dat de kosten daarvoor gedragen moeten worden door een gemeenschap die het belang inziet van een publieke ruimte waar iedereen toegang krijgt tot informatie en informatiebemiddeling. Waar men kan lezen of studeren als men dat wil. Waar men zorg draagt voor de sporen uit het verleden die ons iets vertellen over onszelf. En maakt dat de wegen naar de toekomst voor iedereen toegankelijk blijven.

En dus zijn we binnen de Universiteit Gent van plan om die mooie twintigste-eeuwse Faculteitsbibliotheek Letteren en Wijsbegeerte die er nu is, binnenkort een eenentwintigste-eeuwse doorstart te laten maken.


Fases Faculteitsbibliotheek LW UGent - Beeld: Mira de Winne (DGFB- UGent)

Met vijf extra verdiepingen buiten die ene die er nu al is. Met een rustige tweede verdieping waar ruimte is voor onderzoekers en mensen die zich voor langere tijd willen concentreren. Maar ook met een begane grond en zelfs een overkapte binnenplaats voor ontmoetingen. Met een digitale werkplaats waar studenten en onderzoekers samen met bibliothecarissen kunnen werken aan projecten en zaken die de collecties van overmorgen zullen worden. Of dat nu databases zijn, websites, geannoteerde gedigitaliseerde manuscripten en kaarten of multimediale boeken zoals wij die ons nu niet eens kunnen voorstellen, dat maakt mij niet uit. Maar waarbij wij als bibliothecarissen hen er wel van trachten te overtuigen dat de zaken die we samen maken het best zo open mogelijk zijn. Met open software en open licenties. Zodat ook anderen na hen de kennis kunnen hergebruiken, en delen en verbinden tot iets nieuws. En bij zulk een dynamiek hoort

Foto: onbekend (CC BY-NC-SA)

woensdag 5 mei 2010

Coreferenties (6)

Vandaag: literatuur- en boekwetenschapper Kevin Absillis (1980). Eind 2009 verscheen bij Meulenhoff/Manteau Vechten tegen de bierkaai. Over het uitgevershuis van Angèle Manteau (1932-1970), de handelseditie van zijn proefschrift. Eerder schreef hij het boekje Een kleine uitgeverij van stand (Demian, 2005) en redigeerde hij met Katrien Jacobs de essaybundel Van Hugo Claus tot hoelahoep. Vlaanderen in beweging, 1950-1960 (Garant, 2007). Hij is als postdoctoraal onderzoeker van het FWO-Vlaanderen verbonden aan de Universiteit Antwerpen en werkt rond (doorgaans op Vlaamse contexten toegespitste) thema’s als het denken over taal/literatuur, culturele identiteit en moderniteit en de geschiedenis van het gedrukte woord. Op internet zijn van hem stukken te vinden als deze, deze, deze, deze en deze. En dit is in opbouw.


De relevantie en de spreidstand 

Ooit stelden schrijvers het fenomeen subsidie ter discussie omdat ze het concept als zodanig ondeugdelijk vonden. Zo betoogde August Vermeylen in 1922: ‘De letterkundige, als persoonlijkheid, dient niet te worden aangemoedigd.’ Elke vorm van overheidssteun ontglansde de authenticiteit van het schrijverschap:

‘De scheppers zijn het zout der aarde, de trots, de onafhankelijkheid en, dikwijls, de opstand! Dat is de schoonheid van hun zending, en die moeten zij volledig aannemen. Zelfs moet men, meen ik, diegenen ontmoedigen die geen roeping hebben; en degenen die niet het voldoende heldhaftige temperament bezitten om aan de moeilijke toestanden te weerstaan.’ 

Na de Tweede Wereldoorlog veranderde het denken over schrijverschap op dit punt. De vooroorlogse economische crisis werd aanvaard als bewijs dat de meest drieste vormen van laissez-faire-kapitalisme niet vol te houden waren. Wie na 1945 nog de alleenheerschappij van vraag en aanbod verdedigde, had niet goed opgelet. Het ideaal was een staat die de markt laat floreren, maar zou ingrijpen als de algehele welvaart in gevaar komt. Welvaart had toen ook een immateriële component: een minimale voedselbedeling voor de geest werd noodzakelijk geacht om de beschaving op peil te houden. Nieuw aan dit cultuurbeleid was dat naast de (beoogde) verbruiker de producent duidelijker in beeld kwam. Hoe gehecht ook aan hun heldenstatus, schrijvers gingen geloven dat ze tegen het ‘schrikbewind’ van de vrije markt en de ‘bekrompen’ smaak van het publiek niet meer bestand waren, of alleszins niet zonder de hulp van een marktcorrigerende overheid. Deze ideeën ontwikkelden zich tot een doctrine.
De doctrine is nooit onweersproken gebleven, maar de laatste tijd lijkt de kritiek aan intensiteit te winnen. Wat mij in dit licht interesseert is een geschiedenis van de discursieve praktijk ‘maatschappelijke relevantie’. De inburgering van deze staande uitdrukking is lang met wantrouwen gadegeslagen door verdedigers van intellectuele en artistieke autonomie. (Het begrip kon toch alleen een verdere infiltratie van het nutsdenken betekenen?) Het streven naar die autonomie, dat in Vlaanderen pas na 1945 enige onvoorwaardelijkheid kreeg, was trouwens – dan is dat ook eens gezegd – geen op zichzelf staande ontwikkeling. Het was een onderdeeltje van het sinds de Verlichting haast allesoverheersende program van de moderniteit, waarin bovenal ‘functionele differentiatie’ als nastrevenswaardig werd voorgesteld (de verkaveling van de maatschappij in aparte domeinen waar met echte of symbolische diploma’s uitgeruste specialisten de plak zwaaien). 
Er bestaat dus een verband tussen de ideologie van de vrije (zo ongecorrigeerd mogelijke) markt en de ideologie van autonome kunst. Het komt onder meer tot uiting in denkpatronen (posthistoricistische bijvoorbeeld), argumentatieve strategieën en tot op zekere hoogte in poëticale opvattingen (o.a. de koestering van vernieuwing en subversiviteit). Toch blijft het vaak onbenoemd, omdat de vrije markt in het discours van culturele autonomisten, zeker sinds het einde van de verzuiling en de vermeende ontideologisering, als publieke vijand nummer één is bestempeld. Terwijl culturele autonomisten commerciële wetmatigheden als de motor van heteronomie bestreden, is de vrije markt in de ogen van haar advocaten echter eveneens een affirmatie van autonomie (wat van de staat afhangt is niet autonoom). Ieder zijn discursieve praktijk dus. Iemand als Pierre Bourdieu is daar vlotjes rondgedrenteld. Zeker in het postscriptum bij Les règles de l’art waarin hij de absolute onafhankelijkheid van kunst en literatuur zowat verheerlijkt, gaat hij ongebruikelijk weinig reflexief voorbij aan de beschavingsmythe waarop zijn betoog is geënt. 
De discursieve praktijk ‘maatschappelijke relevantie’ lijkt intussen buiten de oevers van mainstream media en ministeriële kabinetten getreden. Begrippen als relevantie, urgentie, engagement en betrokkenheid, niet verwisselbaar maar enigszins verwant, zijn ‘in’, ook in academische en in literaire literatuurkringen. Dit geeft aanleiding tot opmerkelijke spreidstandjes. Neem de vierde aflevering van het tijdschrift nY. Die was opgehangen aan de kwestie van het ‘opinisme’, een term die door mijn gastheer is gemunt. De redactie vroeg zich af waarom sommige auteurs tegenwoordig gretig ‘uit het literaire domein’ springen en via krant of weblog allerhande opinies openbaar maken. Schuilt daar een poëtica achter enzovoort?
In de inleiding onderstreepte de nY-redactie eerst dat ze zich ‘niet wenst op te sluiten in het strikt literaire’ en dat ze een literatuur verkiest ‘die zich niet vermeit ende verblijt in haar vanzelfsprekende waarde maar die zich afstelt op haar maatschappelijke context’. Het is toch nadenken geblazen over hoe deze uitgangspunten te rijmen zijn met de al gauw lichtjes kwalijke geur waarin de redactie de beoefenaars van het ‘opinisme’ zette. Want ‘opinisten’ zouden te weinig geloven in wat de literatuur met haar ‘specifieke vermogens’ vermag en het lezersvermogen om literatuur maatschappelijk te begrijpen ‘cynisch’ inschatten. Schat ik mijn eigen vermogen cynisch in als ik voorts lees dat de ‘opinisten’ stielbederf wordt aangewreven? Minstens gesuggereerd wordt alvast dat opinisten hun meningen ‘in kritische mindering [brengen] van hun ficties’ en door hun optreden niet-opiniërende auteurs een schijn van ‘autisme’ bezorgen. 
Verwante denkbeelden en veronderstellingen broeien in de door mijn gastheer op deze stek voorgepubliceerde en in het vermelde nummer van nY verschenen reeks ‘Spreektijd’, die ik overigens buitengewoon lezenswaardig vind en die knappe ontledingen bevat, net als, mmm, opinies. Toch staat naar mijn zin het talig spel, de gezochte betekeniswoekering en de cultivering van het meerstemmige onvoldoende in verhouding tot het netto inzicht. Het lijkt me intellectueel (niet financieel) te comfortabel om vanuit een wolk van literatuur teksten die naar rechtlijnigheid en helderheid streven, te bekritiseren, of schichten af te vuren op Tom Naegels (hij werd hier opgevoerd als een te weinig linkse populist die in dagbladen zijn ‘meninggevoeg’ doet). 
In de voorstelling van dat hele ‘opinisme’ zie ik toch weer een vorm van ‘autonomisme’ doorschemeren. Wat kan er immers worden bedoeld met die ‘specifieke vermogens van de literaire tekst’? Dat er vermogens bestaan die sommige teksten bezitten – de literaire – en niet-literaire teksten niet? Dat ruikt sterk naar, bijvoorbeeld, het Russisch formalisme. Het afwijkende, dat het literaire zou definiëren, heeft tot dusver niemand in de taal kunnen vinden, noch in narratologische en andere structuren – en jongens is er gezocht! Ik kan het literaire niet anders begrijpen dan als een sociale conventie. Ja ja, die deur staat al enige tijd wagenwijd te gapen, maar kennelijk zijn er gangetjes genoeg om ze te ontwijken. Vanzelfsprekend vormt het bovenstaande, gebaseerd op een krankzinnig klein corpus en veel intuïtie, nog geen aanzet voor iets definitiefs. Maar een werkhypothese zou deze kunnen zijn: het literaire spreken over literatuur lijkt de discursieve praktijk ‘maatschappelijke relevantie’ meer te tolereren, maar als punt bij paal komt wordt altijd weer een ‘specifiek’, en wellicht ‘authentieker’ schrijven geprivilegieerd. Het literaire spreken warmt zich aan idealen van een zuiverende differentiatie. 
De kloof met het academische spreken over literatuur oogt alvast verrassend klein. Ondanks een geproclameerde revanche van het engagement zetten op congressen zelfverklaarde saaie pieten de toon. En hun toon vormt een gebiedend wijsje: verwar uw Taak niet met uw hobby! Ook ‘authentieke wetenschap’ lijkt slechts te bestaan bij gratie van differentiatie. Het zal kortom wel even duren voordat niet-literaire literatuur niet alleen legitiem zal mogen heten, maar het ook zal mogen zijn.
Wat mij betreft? Het lijkt me raadzaam dat literaire en literair-wetenschappelijke spreekregimes ermee ophouden hun liefde te acteren voor de actief polyglotte wereld die Mikhail Bakthin een halve eeuw geleden in statu nascendi beschreef. Die liefde heeft behoefte aan geloofwaardigheid. Dat de literairen desnoods inspiratie putten uit het werk van Jeremy Rifkin. Deze econoom en bestsellerauteur (jakkes!) verkondigt overal dat we af moeten van het denkbeeld dat we rationeel, onthecht en autonoom zijn: ‘Die visie stamt uit de tijd van de verlichting. Ze werd 200 jaar lang gehanteerd en ligt aan de basis van de moderne markteconomie. De grote crisis is voor mij dan ook niet de financiële crisis, maar het feit dat wereldleiders twee eeuwen lang een verkeerde kijk op de mensheid hebben gehanteerd.’ 

In de eerste paragraaf parafraseer ik een en ander uit een tekst die ik vorig jaar in opdracht van Parmentier schreef. Mijn bedenkingen bij het ‘opinisme’-nummer van nY ontstonden toen ik eveneens in opdracht van Parmentier aan een tekst werkte voor een in juni te verschijnen dossier over de impact van verrechtsing op de Laaglandse letteren. Dank aan Arnoud van Adrichem voor de stimulans.