Posts tonen met het label onderwijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label onderwijs. Alle posts tonen

zondag 23 augustus 2026

Het monster onder het kinderbed

 

 

 

Uit het intrieste wedervaren van Jason Arday en alle motieven en conclusies die diverse partijen eruit weten te wrikken, zou elke redelijke mens minstens mogen besluiten dat de kwalificatie ‘hypocriet’, steevast uiteraard voor een ander, niet deugt. Verder moet in het belang van werkelijk iedereen de term woke onmiddellijk worden opgeheven, afgeschaft en weggespoeld. Maar dat zal niet gebeuren.

Iedereen zijn overtuiging en, misschien nog zeggen, in censuur geloof ik niet. Toch heeft dat begrip woke aan zowel voor- als tegenstanders van de uitvoering die daarbij wordt verondersteld louter schade toegebracht. Als dat de macht van het woord is, dan laat ik me nog liever transformeren tot carassius auratus auratus.

Bizar vind ik ook de hardleersheid van betrokkenen en commentatoren. Of vloeide het geheugen net weg in de vissenkom? Zelf heb ik per saldo het beste met de wereld voor, waardoor het verdoemde etiket best op mijn shirtje zou passen. Het is dan ook met schroom dat ik voor de ogen van studenten soms strofen uit een gedicht uit 2022 projecteer, van Babeth Fonchie Fotchind:

 

rechtsonder schreeuwt outlook: ‘meld u nu aan voor de workshop diversiteit’. vanaf flexplekken struikelen blikken goedbedoeld over elkaar, steken elkaar aan en zetten

mijn muisarm in brand, onomkeerbaar gebogen ruggengraat in brand (…)

 

ik scoor met mijn trifecta hoog op de gemarginaliseerdenladder en ben daarom het

aantrekkelijkst voor mijn baas. naast vergaderzalen tellen (…)

staat op mijn to-do-list: ervaringsdeskundigheid

delen in het kader van inclusiviteit

 

En vertelt deze week senator Gaby Perin-Gopie (Volt), tevens zelfstandig adviseur over ‘diversiteit en inclusie op de werkvloer’, wat haar in de Eerste Kamer zoal overkomt tussen en onder en boven de woorden. Wat moeten ze dan nog inhouden?

Afgelopen zomer was er nota bene een debat tussen de taalexperts Freek Van de Velde en Marc van Oostendorp over de mate van wokeheid in de neerlandistiek, waarbij onderweg nog gedefinieerd werd en, bijvoorbeeld bij ecocriticism, afgebakend wat dat precies inhield. Voorlopig kwam het neer op ‘identitair activisme’. Ik vrees dat echter niemand weet wat woke betekent, en dat daarin juist die macht schuilt. Als het monster onder het kinderbed wanneer het lampje uitging en je uit angst begon te praten.

 

Hangplekken

Het debat trok mede mijn aandacht omdat het deels over taal ging, een Amerikaans-Nederlands. Dat is alvast iets om wel vrij zeker van te zijn: het fictieve monster woke baart tastbare woorden. Ze zijn bovendien aan de complexe kant. Vanuit mijn miniperspectief is me opgevallen dat ze zelden worden gebruikt door mensen die de taal adequaat beheersen. De outlookmail die Babeth Fonchie Fotchind ontving bevat een dt-fout.

Daar heb je het al, meteen een vileiniteitje. Ik bedoel dat het wel eens inzichtelijker kan zijn te kijken naar de schrijf- en leespraktijk van doorsnee gebruikers dan de grote tenoren te viseren. Dus bij het debat niet zozeer te turven wat topwetenschappers in een A-tijdschrift plengen, als wel wat hun studenten publiekscommunicerend als evident uitwisselen.

Dat suggereerde ik al, in een comment. Met als toetssteen twee woorden die in het artikel slechts bij hun eerste, trans-Atlantische naam waren genoemd: ‘heteronormativity’ en ‘whiteness’. Mij boeien ze in hun dagdagelijkse laaglandse kloffie: ‘heteronormativiteit’ en ‘witheid‘. Volgens de hyperlinks uit het Algemeen Nederlands Woordenboek duiken ze vanaf 2006 in de Lage Landen op. Zijn er in het vak jongeren die dat kloffie naadloos aantrekken? Ik ging testen op twee hangplekken: De Reactor (sinds 2009) en Jong Neerlandistiek (sinds 2022).

De eerste site gaf bij ‘heteronormativiteit’ slechts vier treffers, uitsluitend van neerlandici en op een veelal beloftevolle leeftijd. De bovenste was in de roos, omdat studenten daar met elkaar in gesprek waren over een bundel en de term geruisloos voorbijkwam. De tweede treffer was minstens zo mooi: daar landde ‘heteronormativiteit’ in een kritisch rijtje met ‘traditionele gezinswaarden en religie’. In treffer drie gebruikte een bekendere jongere neerlandicus het begrip ook in zijn bijvoeglijke vorm. De vierde en laatste treffer bezigde ‘heteronormativiteit’ in één adem met ‘eurocentrisme’.

Bij ‘witheid’ geeft De Reactor achttien recensies, ook best weinig. Door alle generaties bovendien, en niet alleen neerlandici. Ik bloemlees. Bij de bovenste treffer zit het woord al in de titel: ‘De witheidsproblematiek’. Een andere recensie heeft het in de ondertitel van het besproken boek, een letterlijke vertaling van Whiteness and the Literary Imagination. Er blijken ook nuances in ‘witheid’ die, consistent in het register, een ‘constructie’ heet. Op één plek is dat verwerkt tot een definitie: ‘Witheid verwijst (…) naar een dominante positie binnen een geracialiseerd systeem. Witheid is een sociale constructie die een vorm van witte suprematie, of zoals Sibo Kanobana het recentelijk noemde, een witte orde in stand houdt.’ Elders op de site heet ze een ’fundamenteel onderdeel van een breder machtssysteem’. En valt zo’n diagnose ook, zeldzaam op deze site, ten prooi aan schamperheid – van emeritus-socioloog Walter Weyns, die aan zijn opvattingen over het monster een heel boek wijdde.

 

Poenerig

Inzake Jong Neerlandistiek ben ik sneller klaar: geen treffers. Het weinige dat deze site bij ‘witheid’ oplevert komt van oude bokken. Van wie ik zelf de grootste ben, met drie stukken die verbaasd de term in een context aanhalen. Een ander artikel gebruikt ‘witheid’ expliciet in de zin van ‘lichtheid’. In de door mij nagejaagde betekenis valt het begrip in een opsomming die een stand-van-ideologische-zaken-overzicht geeft. Ten slotte vraagt een feuilletonaflevering zich af of in 1996 de witheid van een sneeuwbal literair al andere associaties heeft verwekt. Louter een pas gepromoveerde neerlandica bezigt in een interview het begrip ‘witheid’ zo en passant als ik zocht.

woensdag 29 april 2026

Lippen op elkaar

 


 

 

Wanneer deemstert Komrij, in een aanbevelenswaard boek tot leven gewekt door Lotfi El Hamidi, eindelijk weg uit mijn leven? Mijn vorige stukje over ‘de’ polemiek, pro dissensus, werd gerepost op Neerlandistiek, waarna Micha Hamel en Els Stronks, namens ‘de leerlijn polemiek’ van het Utrechtse SchrijfLab, pro consensus, op dezelfde site een elegante weerlegging schreven. Voor een antwoord ben ik zo vrij trouw te blijven aan mijn openbare privépodium.

 

Hamel en Stronks bekrachtigen mijn vermoeden dat het SchrijfLab reserves heeft bij het genre omdat er verruwing is opgetreden in debatten. Vanwege internet uiteraard. Dat relatief prille medium ijken ze aan wat de publieke ruimte ten beste gaf ‘van pakweg het midden van de 18e eeuw tot het jaar 2000’. Daarmee idealiseren ze naar mijn idee de voorstelling die (de onlangs overleden) Jürgen Habermas van deze periode gaf, met als klassieke locatie het koffiehuis.

Aan dat belangwekkende meningsverschil deed namelijk bepaald niet elke burger mee. Het was een vermaak voor midden- en hogere klassen. Geletterdheid gold een impliciete voorwaarde en omdat Hamel en Stronks ook spreken namens de universiteit, meer in het bijzonder namens de opleiding Nederlands, is het zinvol te vermelden dat de beheersing van standaardtaal de minimumvoorwaarde leek voor deelname. Om een ‘eerbaar compromis’ te bereiken?

Daarbuiten heerste ‘het gelijk van de vismarkt’ – dat niets met het fameuze, precieze fileren van ‘de ’ polemiek te maken had maar met een waarheid die ‘ongezouten’ opklonk. Verder was er in kranten, de gereputeerde echokamers van het koffiehuis als debatpodium, ruimte voor de ingezonden brief, om onderdak te bieden aan rare vogels die hun eigen meningenliedje zongen. Een vermaak feitelijk, voor hen die de mores wel machtig waren en als het ware met mes en vork konden debatteren. Deze welopgevoede mensen gebruiken heden misschien overfrequent de termen ‘graag’ en ‘helaas’, en zijn op sociale media allicht gul met duimpjes en likes.

Hamel en Stronks laken de ‘verbale agressie’ die door blijkbaar minder beschaafde mensen op internet wordt geëtaleerd. Het debat wordt daar inderdaad niet per se beter van. Maar doet de montere, zogeheten constructieve toon van AI dat wel? En bovenal, wat moet iemand dan die, zelfs na het volgen van de leerlijn waarin je jezelf luxueus mag inbeelden om boos te zijn, niet de goede manieren heeft waarmee van mening dient te worden verschild? Terwijl die toch een serieus punt heeft? Bijvoorbeeld over een particulier én algemeen onrecht dat, dankzij medemensen die behalve verfijning ook macht hebben, verholpen zou mogen worden?

 

Banvloeken

Door die opleiding Nederlands is het interessant het literaire bedrijf als voorbeeld te nemen van zo’n scheve werkelijkheid. Het ensceneert kwaliteit en enthousiasme (‘passie’) terwijl gestuurde willekeur regeert. Door het gretig ontvangen pionierswerk van FixDit, dat de aandacht vestigt op vrouwen, raken nu ook buitenstaanders ervan overtuigd dat in de schifting van het overaanbod uitsluiten en verzwijgen cruciale routine-instrumenten zijn. In plaats van over talent of kennis beschikken auteurs beter over een netwerk.

Het SchrijfLab is zo verstandig om tegen die deprimerende realiteit niet de zoveelste man op te voeren die zijn verongelijktheid ter zake leegkiepert. Bij ‘de leerlijn polemiek’ fungeert in eerste instantie Sytske van Koeveringe als spiegel. Dat komt tegelijkertijd ook waarachtiger over dan daar Komrij voor van stal te halen. Als man van het centrum had die in principe immers niets te klagen. Het ontbrak hem feitelijk aan een geloofwaardig punt.

Daarom was het voor Komrij ook zo makkelijk om, met een gevraagde frequentie, confrontaties aan te gaan. Tot Teun van Dijk lastig begon te doen kon hij er zelf geen schade mee oplopen terwijl hij reputaties en toekomstperspectieven van collega’s lustig aan flarden schoot. Alsof hij al op sociale media opereerde, vanachter avatars. Ik zou toch menen: geen voorbeeld voor wat Hamel en Stronks in het verlengde van de overwegend brave neerlandistiekpraktijk voorstaan.

Raar vind ik dus dat het SchrijfLab plots gemaakte reclame voor de leerlijn opgehangen heeft aan Komrij als ultrafileerder. De verschijning van zijn biografie, rond de Boekenweek ook nog, gaat gepaard met een polemiekwedstrijd voor jongeren. Alsof onrecht eerst valt te veinzen en daarna te ervaren. De gebakken uien met bonen zijn gedoseerd voor de scheet van de week! Capitulatie aan de markt. Uitgezonderd de polemieken uit de jaren zeventig ontplooiden Komrijs banvloeken-in-opdracht dan ook macht. Misbruik van macht, allicht – of ‘de mens Gerrit’ in het alledaagse leven een schat was, is irrelevant.

 

Wissewasje

Die ontplooiing van macht is geen detail. Evenmin is dat het blijkbaar evidente spreekrecht, verleend ooit door de poortwachters die redacteur heetten en nu rechtstreekser door moderators in een AI-kleedje. Het (populistische) verwijt aan het adres van een ‘elite’ wordt nog net niet uitgelokt! Om het gelijk van de vismarkt te mijden, mag slechts verantwoord aan flarden worden geschoten. En daar is hij dan, de fameuze wereld waarin veel mensen zich niet gehoord weten en dan op sociale media beginnen te schreeuwen, en vervolgens door de tone police worden bekeurd omdat ze de verbinding verbraken. Hier strijdt de ‘parrèsia’ (Foucault) maar weer de oude strijd met het concept vrije meningsuiting.

Ook Hamel en Stronks raden terughoudendheid aan. Onze wereld is te kwetsbaar. Leerlingen bijten beter op hun lippen om geen schade toe te brengen. Dat op zichzelf verstandige advies dunkt me zuur in vergelijking met wat millennials gewend zijn, als waarschijnlijk eerste generatie die in het onderwijs de ‘eigen mening’ moest ventileren. In literatuur zijn ze niet-polemisch uit overtuiging, en zetten dezelfde lippen wijd open om elk wissewasje en trauma in de richting van een lezer te spugen. Mochten ze een goed netwerk hebben, dan haalt dat binnenvocht zelfs de openbaarheid.

In het huidige cultuurklimaat blijft hier ook vraag naar. Sterker nog, ik zie inmiddels oudere auteurs buigen voor deze in se polemische overvaltactiek die klaarblijkelijk wel gepermitteerd is. Normaliter zou ‘de literaire kritiek’ zulke onnavolgbaarheden of trends signaleren, duiden en eventueel van een ‘striemende’ aanklacht voorzien volgens de wetten der polemiek. Maar dat gebeurt dus niet.

zaterdag 18 april 2026

Boos en overspelig

 


 

 

Waar begon het? Er verscheen een betrokken boek van Lotfi El Hamidi, dat met de titel Stakkers en wolven Gerrit Komrijs bashing van ‘de islam’ citeerde, situeerde én bekritiseerde. Diens biograaf Arie Pos opende een meerdelig debat op HP-De Tijd en Neerlandistiek, waarbij laatstgenoemde site, ook via comments, melding maakte van een ‘leerlijn Polemiek’ op het onvolprezen Utrechtse SchrijfLab. Met een heuse wedstrijd voor jongeren, te ontbranden rond de verschijning van Komrijs biografie in de Boekenweek van 2027.

Uiteindelijk legde ik er ook mijn kakje bij. Het leek me toen niet opportuun te vermelden dat iedere bewering een polemisch ingrediënt bevat. Een dooddoener, maar door gewenning en herhaling kan een schijn van neutraliteit ontstaan die je er niet snel afkrabt. Onlangs gebruikte vakbondsman Bert Engelaar een heel boek, Kort door de bocht, om samen met slammer Bekvegter en nog wat vrienden keerzijden van zulke losse quasi-waarheden te tonen, inclusief ideologische herkomst. Wel viel die evengoed te ontwaren in hun eigen weerleggingen; polemiek bereikt niet snel een eindhalte.

Zelf ben ik allergisch voor de term ‘leerlijn’ en tegelijk fascineerde me de omzichtigheid waarmee de polemiek, die in Komrij een ongekroonde koning zou hebben gekend, werd benaderd. Dat had niet eens te maken met de literaire afkeer die voor het genre is ontstaan sinds de millennials. Crucialer was een maatschappelijk fenomeen dat het Utrechtse instituut (die aan de medewerkerslijst de naam Pos toegevoegd had) expliciet in de presentatie betrok: ‘polarisatie’.

Het begrip geldt als antipode van een ander veel gebezigd taalmerkteken: ‘verbinding’. In de vele bespiegelingen die het duo heeft verwekt wordt dan een oorzaak gevonden in sociale media waar men veeleer contact breekt dan verstevigt, maar evenzeer in groeiende ongelijkheid. Polemiek zou hoe dan ook tonen dat expliciete meningsverschillen contraproductief zijn, en een barrière opwerpen tegen ‘verbinding’.

Ten voordele van polarisatie geldt dan weer dat ze ‘de vrije meningsuiting’ zou dienen. In debatten is ook daar een antipode te vinden: ‘intolerantie’. Teruggekoppeld naar de aanleiding van ‘de islam’ zou dan een gevoeligheidje bovenkomen, dat het seculiere Westen na een beschamende traditie van ‘censuur’ zou hebben overwonnen. In de wereld daar weer naast, op TikTok vooral, bestaat rage bait domweg om producten aantrekkelijker te maken voor klanten.

 

Heel precies

Vanwaar de haast intuïtieve afkeer van een meningsverschil dat open ligt? Tot Trump zijn tweede termijn van acquit ging met een spervuur aan decreten, functioneerde ‘het’ westen op basis van consensus. In Nederland heet daar, historisch na de gepolariseerde jaren zeventig, de techniek van het ‘polderen’ mee gemoeid te gaan. Dat is een keuze. Zoals ik zelf altijd, bijvoorbeeld om die ongelijkheid beter te bestrijden, de voorkeur heb gegeven aan dissensus. En al vóór de millennials ondervond dat vele collega’s dit te grimmig achtten.

Grimmigheid lijkt in het polemiekgenre op twee manieren haar beslag te krijgen, waarbij hetzelfde strijdmiddel dienst doet in twee uitvoeringen. Het gaat om een steekwapen. Bij polemieken kan een ‘hakmes’ worden gebruikt of een ‘fileermes’. Bij de eerste variant ziet men ook wel een ‘botte bijl’, wat de geringe appreciatie al verraadt. De echte polemist fileert en doet dat idealiter virtuoos.

Het Schrijflab heeft voor die ambachtelijke activiteit in zijn leerlijn een aparte stap ingeruimd, bij wijze van oefening. Ze schetst eerst risico’s, die berusten op wat ‘snel scoren’ wordt genoemd, naar ik vermoed een leerlingvriendelijke versie van populisme: rumoer aanrichten om het rumoer. Dat gaat ten koste van een medemens. Met dat besef stelt het Schrijflab leerlingen voor een keuze:

 

Stel dat je meer wilt met een polemiek: de lezer geen ophef bieden, maar stof tot nadenken. Dan moet je de tekst van de tegenstander heel serieus nemen. Die heel precies lezen en fileren op gedachten, aannames en argumenten: dus niet alleen op wat er staat, maar ook op waar het vandaan komt dat het er zo staat. Zoals een visboer met een mes een vis fileert en de graten van de vis blootlegt. De basis van een polemiek die stof tot nadenken geeft is dan die precieze lezing van de tekst én de achterliggende motieven van de schrijvers. Hoe je je punt daarna opschrijft, is stap twee. In deze oefening kijk je hoe je fileertechnieken je kunnen helpen bij de eerste stap, en hoe je daarna je punt kunt maken. Met of zonder snel scoren, want scoren is natuurlijk wel scoren als je bezig bent lezers te overtuigen.

De schrijver, dichter en criticus Gerrit Komrij kon als geen ander teksten van anderen fileren.

 

Een curieus betoog, waarin mij de taalversterker ‘heel’ ontroert die blijft waarschuwen. Het is net alsof men vóór de introductie van Komrij al zegt dat het altijd mis kan lopen, zelfs als het goed gaat. Ook wie virtuoos fileert kan verbinding verbreken. Scoren als naast het doel schieten? Intrigerend vond ik elders te begrijpen dat het verbrokenverbindingsresultaat in het bijzonder vrouwen wordt aangerekend als ze harde kritiek leveren op andere vrouwen. Er speelt hier iets mee van solidariteit, dat na aan mijn hart ligt en dat ik in dit verband niet goed snap.

 

Nudistisch

Mij valt verder op dat de getroffen partij niet aan het woord komt. Over slachtoffers en eventuele sympathisanten is eerst door de polemische dader gesproken, en daarna door derden. Dat bleek in België onlangs nog bij de uitvoering van SANCTA, Florintina Holzingers beruchte opera tijdens de uitvoering waarvan toeschouwers onwel waren geworden van het bloed en seksueel geweld. Er traden naakte nonnen in op, ‘een nudistische persiflage van het religieuze leven van zusters’ volgens de Antwerpse bisschop Bonny die bezwaar aantekende namens katholieken. Toch riep hij hen op niet te protesteren, maar hun gekrenktheid om te zetten in paasvieringen.

Een getergde Holzinger meende strijdlustig: ‘what the fuck is wrong with shock?’ Haar voorstelling, die volgens de trailer een prachtige uitwerking gekregen had, kaderde ze zelf in brede westerse onrechtmatigheden. Maar volgens Gwendolyn Rutten was dat het punt niet. De oud-leider van de liberale OpenVld die inmiddels Anders heet, meende dan wel dat de bisschop een katholieke relaps beleefde, maar bovenal dat hij met vermeende lange tenen zijn geloof had laten kapen door extreem-rechts. Ze riep Bonny op tot verdraagzaamheid.

Meer kanttekeningen spoelden aan. Daarbij kwam één type argument mij bekend voor uit de lange geschiedenis van polemieken. Ik noem het deftigjes de substitutietechniek: voor het ter discussie staande object zet je iets anders in dat zijn controverse bewezen heeft. Vaak gaat het om ‘de jood’ of ‘de moslim’. In dit geval waren de blote nonnen dan te vervangen door besneden piemelaars of door blote meneren met ‘arafatsjaals’ en bomvesten.

In het debat zag ik wel geen blote paters voorbijkomen. Mogelijk omdat de SANCTA-regisseur een vrouw is, speelde hier blijkbaar geen seksisme. En waar velen geen begrip hadden voor bisschop Bonny’s protest tegen het hergebruik van christelijke symbolen, lag dat even later anders bij Trumps zoveelste narcistische provocatie, toen hij zichzelf door AI liet afbeelden als door handoplegging helende Jezus.

 

Uithangen

Uit mijn kwalificatie ‘zoveelste narcistische provocatie’ blijkt al dat, voor mij, polemieken niet als één geheel zijn op te vatten. Ik neem Florintina Holzingers shocktherapie veel serieuzer dan Trump. Dat brengt me in het vaarwater van de Utrechtse leerlijn Polemiek. Hoe schuchter en objectief de tien stappen daar ook zijn beschreven, ze tonen bij nagenoeg iedere fase voorbehoud. Wat Trump doet, zou volgens het SchrijfLab vallen onder ‘sarren’. Voor mij ontbreekt de intellectuele en geëngageerde basis die het choqueren door Holzinger wel heeft.

Maar bisschop Bonny’s protest wil ik evenmin opzijschuiven. Enerzijds zal dat uit ergernis zijn over de vanzelfsprekendheid waarmee Rutten religieuze instituties als dusdanig gedateerd beschouwt dat ze beter op de lippen bijten en het spreekrecht ongelimiteerd acht voor breuken met één specifiek geloof dat katholicisme is. Het doet denken aan de arrogantie anno 2008 van haar destijds door Verhofstadt aangestuurde partij en artistieke partners bij de euthanasie van Hugo Claus, tegenover aartsbisschop Danneels.

Aan de andere kant bevalt me aan Bonny dat hij opkomt voor bovenpersoonlijke waarden die hij tot nader order persoonlijk onderschrijft. Dat die moralistisch (kunnen) zijn, doet er niet toe. Ik zou het erger hebben gevonden wanneer de bisschop had gezwegen uit imagoredenen of omdat zijn strijd al vruchteloos gestreden zou zijn. Daarmee verschil ik alvast van het Utrechtse SchrijfLab dat een stap heeft ingeruimd voor ‘belangenafweging’. Mij is dat te strategisch, te pragmatisch.

donderdag 26 maart 2026

De aanbevelingen van experten

 

 

 

Op werkelijk alle tafeltjes van de Agora lagen meerdere exemplaren van een folder. Gepromoot werd daarin een lezingenreeks rond Stephen Hicks. Verspreid over vier aprilavonden zou die mij weer eens onbekende maar blijkbaar met faam omhangen Canadees-Amerikaanse filosoof spreken en in debat gaan met gerenommeerde Belgische wetenschappers. De organiserende Vrijzinnige Dienst van de Universiteit Antwerpen leek een leuk evenement te hebben bedacht.

Toen ik de folder nader bekeek, stokte mijn blik bij de titel: Hoe het koekoeksjong de verlichting ondermijnt en wat we ertegen kunnen doen. Welk snood beest werd hier bedoeld? Gelukkig is mij begrijpend lezen geleerd zonder markeerstift, dus ik zag meteen wie de boosdoener bleek: ‘het postmodernisme’. Met de literaire afvaardiging daarvan word ik zelf geassocieerd en ik meen er net voldoende van te weten om te denken: arm koekoeksjong, omgeven door dronken aardbeien!

 

Boventoon

In navolging van koningin Máxima over Nederlanders zeg ik het maar eerlijk: bij postmodernisme geeft een essentialistisch bepaald lidwoord geen pas. En al helemaal niet in universitaire kringen! Maar ja, ook bij ‘de verlichting’, zonder hoofdletter inderdaad, dringen clichés zich op. Wel blijkt ze volgens de folder idealen te hebben verbreid van ‘vrijheid en gelijkheid’. Daarbij wordt wel de centrale rol van Hicks duidelijk. Hij zal tonen hoe die idealen ‘nog altijd de beste troeven hebben en hoe we de postmodernisten van antwoord kunnen dienen’.

Een wij-zij-onderscheid! Ze blijkt urgent, vanwege ‘de negatieve impact van het postmodernisme op de universiteit en daarbuiten’. Wow, dat types als ik perfide waren wist ik, maar zo invloedrijk? Het kan nooit kwaad om onder ogen te zien waarom:

 

Het postmodernisme begon in de universiteit als een kritische reflectie op macht en kennis, maar groeide in de tweede helft van de twintigste eeuw uit tot een koekoeksjong. Het zal de verlichting, het nest waarin het groot werd, radicaal in vraag stellen en aanvallen. De verlichting zou namelijk niet op vrijheid en gelijkheid gericht zijn, maar slechts een voorwendsel zijn voor het veiligstellen van privileges. Niet het streven naar een gedeeld burgerschap, maar eerder structurele discriminatie zou haar kenmerken.

Ondertussen is dat koekoeksjong uitgevlogen en beïnvloedt het velen in de manier waarop ze over zichzelf en de samenleving nadenken. Of het nu gaat over de verschillen tussen mannen en vrouwen, de neutraliteit van de overheid, de (on)wenselijkheid van NIPT (Niet Invasieve Prenatale Test), de omgang met het koloniale verleden of de aanwezigheid van transvrouwen in sportcompetities: postmoderne ideeën voeren vaak de boventoon. Ze vormen het filosofische hart van de discussies over diversiteit, wetenschap en rechtvaardigheid. Daarbij maken ze de verlichtingsidealen verdacht en zetten ze aan tot een identitair opbod. 

 

Als taalmenneke valt me op dat de koekoeksmetafoor niet alleen negatief is maar ook venijnig. Het bijbehorende werkwoord ‘uitvliegen’ heeft normaliter melancholieke bijklanken, terwijl ze in deze folder schril zijn, dwingend – expansief. Ook wordt het slotwerkwoord ‘aanzetten tot’ dankzij de automatische piloot gemeenlijk ingevuld met ‘haat’. Verder lijkt me dat de spelling ‘transvrouwen’ treitert. Of je het daar nu mee eens bent of niet, het woord wordt al jaren om redenen die voor betrokkenen belangrijk zijn verdeeld door een spatie.

Bovenal hoef je weinig geleerd te zijn om niet lichtzinnig, zoals onder meer Adorno & Horkheimer en zoals Zygmunt Bauman in ‘de tweede helft van de twintigste eeuw’, aan positieve verwezenlijkingen van ‘de’ verlichting ook keerzijden te zien. Dat ze een mannenclub behelsde met witte huidskleur uit Europese opleidingen, is evenmin een heel erg revolutionaire constatering, al blijven tot op de dag van vandaag betrokkenen de bal terugkaatsen. Deze foldertekst veroordeelt waarschijnlijk dan ook een recentere, activistische variant die door koele minnaars ‘doorgeschoten’ heet.

Daarmee vegen ze ‘het postmodernisme’ op één hoop met woke. Als je het grote lettertype, het vele wit en de dikke pagina’s verdisconteert valt dat geërgerde cultuurpessimisme bondig na te lezen in het pamflet Over woke (2023) door Bart De Wever. Het werpt zich op als behoeder van het project van ‘de moderniteit’ waarbij de drie zojuist genoemde filosofen kanttekeningen hebben geplaatst vanwege de Holocaust, die bij De Wever ontbreken. Zijn neutrale titel, in de onderzoekende geest van Montaigne, kan evenmin verhelen dat het pamflet het wij-zij-onderscheid tot in de taal uitrolt. Al was het omdat hij het bezittelijk voornaamwoord ‘onze’ in vitriool doopt als hij weer eens fulmineert tegen ‘onze kwaliteitsmedia’.

Impliciet zegt deze aanduiding al dat de N-VA-leider zich, niet voor het eerst, in een underdogpositie manoeuvreert. Hij hoont in Over woke ‘de intellectuele elite’, paradoxalerwijs met bij vlagen antieke taal die onderwijs van culturele verfijning doet vermoeden. Zijn activistische stenen des aanstoots gelden als ‘revendicatief’ – een kwalificatie met heuse joods-christelijk beschaafde wortels? Verder kan een pleidooi bij De Wever ‘niet zonder rationale’ zijn en doen CEO’s bij hem ‘de promesse’.

woensdag 28 januari 2026

Zwoesj-zwoesj

Voor W.N.

 

 

 

Ziezo, de papers van het eerste semester zijn weer van punten voorzien. Een monsterinspanning die ik al jaren met liefde doe. Deels uit nieuwsgierigheid naar de jongste ontwikkelingen in taal, deels omdat het me een plicht lijkt waarvan ik zowaar het nut zie. In een tijd waarin ‘mentaal welzijn’ geen pleonasme is staan studenten onder druk, naar verluidt de grootste EVER, en ze verdienen het om adequaat begeleid te worden. Door steun, maar evengoed door schoolmeesterlijke correcties.

De plicht van het punten geven (quoteren, in het Vlaams) had ik al bijna met de term ‘essentieel’ bekroond, ware het niet dat ChatGPT daar als pepernoten mee blijkt te strooien. Met het noemen van de Artificieel Intelligente intrigant beken ik meteen maar dat ik de plicht ditmaal deprimerend vond en de sensatie onderging een vergeefse, om niet te zeggen bespottelijke inspanning te hebben geleverd.

Natuurlijk, sporadisch was ik weer groos en van mijn melk wanneer een student voortreffelijk schreef en iets te melden had. Maar ik betrapte me er voor het eerst op, dat ik bij het nalezen niet meer aan het leren was maar aan het wantrouwen. In plaats van dat ik studenten met mijn betweterigheden kon stimuleren, was ik hen aan het controleren. Fraude of geen fraude, dat is voor de Hamnetten in de docentenstiel de kwestie geworden.

In de praktijk komt het er zo’n beetje op neer dat iedere door mijn laserogen ontwaarde tricolon – een retorische drieslag met een geschiedenis van heb ik me jou daar – een stigma van mijn digitale markeerstift te verduren krijgt. En als de gedachtestrepen uit de vorige zin me te breed zijn en door geen wit worden omgeven, dan komt er nog zo’n fluogeel litteken bij. Onder meer de uitdrukking ‘Onderzoek toont aan’ verwekt inmiddels mijn argwaan en de notoir bluffende ‘niet alleen, maar ook’-constructie. Zelfs voorzetsels staan onder verdenking. Kreeg ik al de pestpokken van ‘rond’ als er ‘aan’ of ‘over’ werd bedoeld, mijn treurigste ontdekking van 2026 is alvast dat ChatGPT ‘in’ heeft vervangen door ‘binnen’.

Zware concurrentie aan het front, ongetwijfeld, maar ik ervaar de regulier geworden polyetherfrase ‘binnen deze context’ als een belediging. Al was het omdat ik er toch van wil blijven uitgaan, dat studenten hun papers herlezen voordat ze die inzenden. Zo’n realiteit blijkt niet langer haalbaar. En mogelijk begrijp ik dat wel. De druk die studenten beleven komt allicht inderdaad van sociale media, en misschien van familie die hoge verwachtingen heeft én zich zorgen maakt over de financiën. Maar volgens mij is er iets aan dit noodpakket toegevoegd.

Het betreft de zogeheten academische studie. Daartoe moet ik aan mijn publiek passend Nederlands bijbrengen. Omdat het bestaat uit toekomstige kunstenaars mag hun taal persoonlijk zijn. Haast gebruikte ik de term ‘creatief’, maar die is door de communicatie-industrie naar de kloten geholpen. En studenten voelen dat. Ze worden ook onzeker van gepraat door taaldeskundigen uit een jonge niche die symposia, enquêtes en acties spuwt en waarin mede pedagogen en kwaliteitscontroleurs zitting hebben. Hun zogeheten dialogen gaan dan over ‘meertaligheid’ en ‘inclusie’, over reacties op dt-fouten, van veroordelend over relativerend naar vergoelijkend.

Naast dit evangelisme horen en lezen studenten een bokitotaaltje van docenten die verklaren ChatGPT te gebruiken voor hun lessen en voor hun examenvragen en correcties en becijferingen. Het zou me niet verbazen dat tussen hun ETCS-fiches al de kerncompetentie ‘goed leren prompten’ te vinden is. Als het afschrikwekkend gebetonneerde pad naar goede taal in ijltempo alsmaar drassiger wordt, wat let de studenten dan nog zelf exclusief ChatGPT te gebruiken?

 

donderdag 10 april 2025

Permanente internering in het staatsasiel


 

 

Als brompot lijkt het me heilzaam te worden geconfronteerd met werkelijkheden die onomkeerbaar zouden zijn. Zoals met poëzie van de broodnuchtere milieuvernietiging genaamd Generatieve AI. In een vakartikel stonden twee gedichten, waarbij je mocht raden welke was gemaakt door iemand van vlees en bloed (‘echt’) en welke het resultaat was van algoritmes (‘nep’).

De echte bleek geschreven door Sonja Prins en was getiteld ‘Chaotisch’:

 

het was nooit mijn bedoeling
om gedichten te schrijven
wat ik schreef ging vanzelf

dat wat men poëzie noemt had in mijn ogen
iets triviaals en benepens
vooral wanneer het iets uitstaande had
met de ivoren toren

die gelukkig ook nergens
in mijn omgeving opdook
ter verfraaiing
van het bestaande

of ter vernietiging
van de onderste lagen
die ons dragen

maar wel was ik zelf
chaotisch
altijd maar turbulent
en leerstellig

pas later voerden waarachtiger
lijnen

naar iets dat zich daarachter
min of meer blijvend

had opgesteld

 

Als gediplomeerd lezer moet ik ongemak bekennen. Ik geloof best dat dit handgeschreven is en ook dat dit technisch in orde is (hooguit vind ik ‘maar wel’ na een witregel te dik). Toch zien mijn ogen niets waar ze wakker van worden. Ze ontwaren bekentenispoëzie, waar ik altijd moeite mee heb gehad. Eenvoudige, betogende woorden gebruiken in hun polemiek zelfs een beeld van ‘de ivoren toren’. Ook beschrijft het gedicht een ontwikkeling met behoud van eenheid van het ik; de titel zegt al genoeg.

Dat Prins’ redenatie angstig dicht mijn eigen ideologische programma nadert, dunkt me geen argument voor de indruk dat dit gedicht, als taalkunstwerk, evengoed had kunnen zijn gemaakt door een computer. Wat dan met de prettig eenzame kwalificatie ‘leerstellig’? De pot verwijt de ketel! Ook doet de woordschikking in korte regels, veeleer karig dan breeduit, zelfs quasi-poëtisch aan, al besef ik met zulke verregaande vormaanspraken (die ik onlangs impliciet deed bij het wit in Lara Taveirnes roman Wolf) me op glad ijs te wagen.

Of zit ik me nu bij voorbaat te verdedigen voor mijn overtuiging dat in de wetenschappelijke test een omgekeerde uitslag me niet had verbaasd? Het volgende was namelijk het – door Siebe Bluijs uit het Engels vertaalde – gedicht dat door AI voortgebracht bleek en dat de titel ‘Een baard laten groeien’ draagt:

 

ik laat een baard groeien
omdat ik mijn respect moet betuigen
aan alle belangrijke tragische mannelijke dichters uit de geschiedenis
en door dat te doen betuig ik respect aan
mijn eigen ware genie
dat zich niet zal aandienen totdat het is gevoed en aangekleed,
tot het is schoongemaakt, onder huisarrest geplaatst,
en bedreigd met permanente internering in het staatsasiel,
totdat zijn met poep bedekte schoenen zijn vernietigd,
elke van zijn slechte gewoontes zijn verscheurd, en zijn lichaam mishandeld
door de mentale zweep van mijn eigen spottende minachting;
dan, en alleen dan, zal ik het dwingen de wereld te betreden in boeien,
om geld te stelen uit de portemonnee van je moeder en dan met haar te vrijen op de vloer

 

Hier meen ik op mijn wenken bediend te worden. Onalledaagse registers en een muzikale stapeling via ‘dan’ activeren een concept als ironie. De dwaasheid van de manosphere die het mediagevoelige deel der mensheid inpakt! Als beroepslezer krijg ik praatjes. Met als vooronderstelling dat een gedicht voor mij geen directe waarheid hoeft te herbergen, zodat ik ook wat in de interpretatiepap te brokkelen krijg.

donderdag 13 maart 2025

Toch nog even dit

 

 

Voor de Vijftig Beste Nederlandstalige Boeken van de Eenentwintigste Eeuw, het vakantie-event van Mediahuis-kranten NRC Handelsblad en De Standaard, bleek de opdracht onrealistischer dan mijn eerste indrukken durfden te articuleren: de gekwalificeerde passionato’s moesten slechts tien titels opgeven. En als om de werkelijkheid nog grondiger te ondermijnen peilde de niet te vermijden publieksvraag naar vijf boeken. Allicht voor een nieuw rubriekje over leesplezier, na de Boekenweek.

Had ik het dus goed aangevoeld dat iets onmogelijks als evident werd gepresenteerd? Ja en nee. Nadat ik achteraf de concrete toplijstjes ontdekte, snapte ik soms de plank danig mis te hebben geslagen. Maar ook in mijn vulgaire-blufvonnis mild te zijn geweest voor een attractie die al in haar arenarituelen gaten liet vallen. Vergeleken met het roffelscenario van NRC, dat dagelijks tien hoger gesitueerde titels bleek te hebben onthuld, leek De Standaard te opteren voor zelfkritiek door in een podcast Tom Lanoye te laten becommentariëren. Maar omdat hij dat deed als ‘eerste Vlaming’ op de lijst was het duidelijk dat de lachspiegel in de kleedkamer was achtergebleven.

Natuurlijk ontkwam Thomas de Veen er namens NRC niet aan te bekennen dat ‘turven en tellen’ een eenentwintigste-eeuwse manie is geworden om verhoudingen bloot te leggen. Geboren in een stad die het turfschip eert zal ik daar proberen aan mee te doen, maar anders dan De Veen belicht ik wat wegviel in de enquête en wat daar mogelijke oorzaken van zijn (en passeer de kwestie waarom zijn artikel zelf werd gecategoriseerd als ‘essay’).

Mijn eerste reactie legde een verband met de cultuur van de wortelkleurige, die alles hiërarchiseert, en met de schrille neoliberale expertsboulimie. Achteraf daagde het me dat het event past bij een digitale soufflé van likes en retweets en volgers. Gisteren viel me pas op dat het googelen van een schrijversnaam gepaard gaat met zelf geopperde vragen van deze zoekmachine, zoals ‘Wat is het beste boek van…?’ Lag de uitslag dus min of meer vast en waren de respondenten marionetten? Hoe ongemakkelijk hun positie was, bleek al uit een waaier van benamingen: kenners, experts, veellezers, professionele lezers, deskundigen,…

Misschien nog meer dan de resultaten (‘Jantje staat er niet op, Rachida blijft onvermeld’) liepen zij als dataleveranciers het risico om afgeserveerd te worden. Als autoriteiten metamorfoseren ze dan in een kwaaie pier, moreel en kennismatig. De ironie wil dat enkelingen hadden gekozen voor familie, vrienden, collega’s en zichzelf – hopelijk onverplicht oprecht. Ook gold als beste boek van deze eeuw onder meer Auke van der Wouds De Nederlanden. Het lege land uit 1987 – het werd in 2022 heruitgebracht. Of Connie Palmens De wetten, uit 1991.

Begrijpelijker slordig waren aanbevolen titels uit 1999, eventueel als lofwaardig statement zichzelf niet serieus te nemen, maar toch wat blasé voor professionals. Dat is comfortabel gezegd vanaf de zijlijn. Na mijn improvisatie op de vijftig eenzaamste boeken schoten me dag na dag meer bijzondere titels te binnen die een vermelding verdienden. Verder werd ik door sommige lijstjes aangenaam verrast – maar vaker bevestigd in horrorverdenkingen. Enerzijds was het eindresultaat opzienbarend voorspelbaar, een foto van een stationsboekhandel. Anderzijds sprak er een teneur uit die ik, wellicht door alle branden in de actualiteit, niet eens zozeer tuttig als wel gedwee moet noemen. Afgaand op een motivatiesmontage verbaast het dat mensen die zich bezighouden met taal hun enthousiasme zo vertolken. Niet voor het eerst vrees ik dat verkopers van tweedehands auto’s geloofwaardiger overkomen.

 

Zaligmakend

Terecht merkte Jaap Goedegebuure op dat de echte macht in enquêtes ligt bij de opdrachtgevers. Uit de teksten die NRC en De Standaard erbij leverden, viel poëticaal geen chocola te maken. De invalshoek van generaties door Goedegebuure, zelf babyboomer, was even flou. Op zich is het te voorzien dat ouderen menen dat jongeren weinig weten van het bestaande, maar ook dat jongeren menen dat ouderen weinig weten van het recente. Dus valt het toe te juichen dat de enquête aan minder gerodeerde deskundigen het woord gaf. Van sommigen had ik als grijze belangstellende nooit gehoord.

Aan Goedegebuures redenatie kan ik wel iets ontlenen dat mij in de uitslag verwonderde. Hij wijst er bijvoorbeeld op dat babyboomer Maarten ’t Hart nergens voorkomt (nou ja, 1 keer), terwijl hem onlangs de P.C. Hooft-prijs werd toegekend. Dit semi-overheidsinitiatief is inderdaad een verheven onderscheiding. Omdat ik eerst dacht dat prijzen een leidraad waren voor de lijst, schrok ik dat dit laureaat het tegenovergestelde heeft uitgericht.

De P.C. Hooft-prijs blijkt hier meestal vergetelheid te garanderen: Gerlach, Krol, Dresden, Bastet, Ten Berge, Biesheuvel, De Swaan, Verhagen, Hofland, Heijne, Minco, Lampe. Andere namen uit deze eeuw vielen te mondjesmaat om bij de laatste vijftig te raken: Ter Balkt, Oosterhoff, AFTh, Roemer, Wijnberg, Februari, Goldschmidt, Schaffer. Op het nippertje overleefden: Nooteboom, Otten, Mutsaers. De uitzondering die deze regel bevestigt: Grunberg. Ook de misschien nog prestigieuzer, want tweelandelijke Prijs der Nederlandse Letteren biedt geen soelaas. Hoewel schrijvers deze overheidseer op gevorderder leeftijd krijgen, wat ik verdisconteer door pas te ijken vanaf 2010, vind ik de kloof wonderlijk. Geen Nolens, Campert, Herzberg, Roemer. Alleen Lanoye telt bij NRC en De Standaard.

Waarschijnlijk is mijn zoeklicht gedateerd. Sponsorprijzen, waarvan de namen onderweg meer dan eens veranderden, worden met krachtiger publiciteit omgeven. Geen idee of er andersoortige jury’s actief zijn, maar het bijbehorende begrip ‘nominaties’ legt een survival of the fittest bloot die de kloof tussen winnaars en losers verabsoluteert en een meritocratische touch geeft, in plaats van een expliciet ideologische of poëticale. Niet toevallig ontstonden deze prijzen in de jaren tachtig, toen neoliberalisme voet aan de grond kreeg.

Maar eenentwintigste-eeuwse kronen van sponsorprijzen blijken eveneens dof geworden. Populaire winnaars als Mortier en Benali doorstonden de laatste schifting niet, net als Schröder, Van der Meulen, Hooijer, Van Leeuwen, Hagar Peeters, De Moor, Driessen, Koen Peeters, Gerritsen. Geen enkele stem was er voor Anker, Münstermann, Vantortelboom, Van Woerden, Reugebrink, Vuijsje, Pefko, Scheijen. Is dat raar? Nee, er bleken in totaal slechts 394 titels aangebracht, absurd weinig voor 25 jaar.

Hoe ben ik dan in die konijnenpijp van prijzen beland? Dit moet de consequentie zijn van vele jaren discursief geweld. Zo raakte deze week bekend wie bij de Librisprijs overbleef voor de shortlist. En betrapte ik me erop gewend te zijn geraakt aan onnozele kanttekeningen als ‘Daarbij vielen enkele prominenten af: de eerdere Librisprijswinnaar Mariken Heitman (De mierenkaravaan), evenals de recente winnaar van de BNG Literatuurprijs Leonieke Baerwaldt (Dagen als vreemde symptomen) en de voor de Boon Literatuurprijs genomineerde Thomas Heerma van Voss (Het archief).’

Natuurlijk houden zich ook enige heuse winnaars in het summum van NRC en De Standaard op. Zelfs de publiciteitsschuwe Daanje wordt echter meegezogen door een treurig denken, geëtaleerd in de vijftig introductietekstjes die deze heuglijkheden sowieso opvoerden, met recensentenlof en hoge oplages. En zo niet, dan toch: ‘De veel bejubelde tweede roman van kunsthistorica Sacha Bronwasser werd al snel een verkoopsucces, al greep het net naast de Libris Literatuur Prijs. (…) Lanoye kreeg relatief weinig literaire prijzen, ondanks zijn succes bij het publiek. Pas in 2024 volgde meteen de hoogste in ons taalgebied: de Prijs der Nederlandse Letteren.’ Hier zitten we knel in een tautologisch universum.

 

vrijdag 7 maart 2025

Onder de radar

 

 

 

Niet lang geleden raakte ik in de knoop bij verwijswoorden in de eerste zinnen van een roman. Raar, omdat de verwarring zich pas bij kalme lectuur openbaarde. Op het gehoor was er niets aan de hand. Inmiddels moet ik denken aan soortgelijke openingszet in een duet van Willy en Willeke Alberti uit 1983:

 

Niemand laat zijn eigen kind alleen
Je bouwt het liefst een muurtje om haar heen
Je wilt zo graag haar jeugd bewaren
En haar veel verdriet besparen
Niemand laat zijn eigen kind alleen

 

Dit couplet, uit de mond van Willy, moet ik tientallen keren hebben gehoord. Pas onlangs viel me de tegenstrijdigheid tussen ‘zijn’ kind en ‘haar’ op. Het eerste woord wordt verwekt door ‘Niemand’, het tweede door de werkelijkheid die dochter Willeke is. Nochtans is ‘niemand’ een onbepaald voornaamwoord, maar al vóór de wortelkleurige drukte mannelijkheid topzwaar door het Nederlands heen. Ik vraag me dus af hoe lang het duurt voordat het even correcte ‘Niemand laat haar eigen kind alleen’ geen luisteraar zou verwonderen. Verder is het tragikomisch dat de Alberti’s zich in de nesten werkten (en niet) omdat het probleem zich in het origineel van hun duet helemaal niet stelde:

 

Save your love my darling, save your love
For summer nights with moon and stars above
A serenade I long to sing you
The reddest rose I always bring you
Save your love for Roma and for me

 

Dit bij wijze van opmaat voor een verder strekkend besef. Impliciet degradeerden mijn notities over de verwarring de schrijfster en uitgeverij, maar ze waren in alle opzichten marginaal. Dat lucht me op, en het boek is inmiddels gedeeltelijk proefvertaald voor de Engelse markt, waarbij juist positieve reacties uit het veld een criterium waren. Toch ontkom ik niet aan de jeukerige indruk dat de – aardige, niet hemelschokkende – tekst beter had gekund, door meer tijd te plannen in het traject tussen inlevering van het manuscript en de eerste interviews.

 

Veronachtzaming

Gedetailleerde tekstkritiek kan hooguit een rituele functie vervullen. Geselecteerd worden immers auteurs. Een klein deel onder hen valt ten prooi aan kwaliteitsgaranderender oordelen dan het mijne, vervat in recensies en interviews, in cultuurbijlagen en bij radio- en televisieprogramma’s. Daarnaast lijkt er een highbrow segment dat trager reageert, vooral via literaire tijdschriften, om eventueel de markt te corrigeren.

Directe beoordelaars hebben openlijker dan ooit de gedaante van consumententipgevers; in een cosy lappendeken van rubrieken overleeft de lijstjesvorm. Hoe resoluter het afscheid van ‘de’ canon, hoe luider op de opportuunste vlakken hiërarchieën (‘handvatten’) worden aangeboden. Wel valt een televisieaanbod weken tevoren te raadplegen en bevestigt aldus de paranoïde these dat voor aandacht de concrete tekst van A tot Z geen rol hoeft te spelen, in tegenstelling tot geruchten van mediacollega’s, uitgeverijmedewerkers en boekagenten.

Ik meen dan ook dat Sheila Sitalsing onlangs een open deur in trapte toen ze als juryvoorzitter van de Librisprijs, die moet beschikken over een niet-voorgeselecteerd aanbod dat netjes over de leden verdeeld wordt, constateerde dat media het nodige hadden gemist. De aan slijtage onderhevige metafoor ‘onder de radar blijven’ die Sitalsing daarvoor gebruikte vond ik gepast. Er gaat het gevoel van uit dat selecteren een rationeel, objectief proces is, terwijl een machine uiteraard wordt ingesteld en bediend. In reacties op andere gelukkigen die als nominaties alsnog worden belicht, zijn patronen te ontwaren. Soms wijzen ze juryleden op een puberale inborst, soms op hun fijne smaak en meestal nemen ze voor kennisgeving aan om bij volgende titels te worden verdisconteerd.

Aan een eigen Librisjury-passage werd ik herinnerd door huidige lectuur van Matthijs Van Boxsels Het carnaval van het zijn. Hij noemt de montagecitatenroman Onderlangs van Paul Bogaers, die destijds op de longlist kwam, samen met onder anderen Sybren Polet. Deze jurybeslissing kon rekenen op ongeloof én werd snibbig gepareerd met ‘gehele veronachtzaming van Adriaan van Dis, Arthur Japin, Robert Anker of Herman Franke’ – van destijds vertrouwdere namen, dus.

Dat het andere uiterste ook mogelijk is, bewijst de fameuze receptie van Anjet Daanjes werk. Het bleef een kwart eeuw nagenoeg onbesproken, tot een NRC-journalist er, na een Libris-nominatie, in 2020 lucht van kreeg. Eerst werd de inhaalrace afgeroomd met de Huygensprijs voor haar complete oeuvre, en vandaag mag Daanje kies reageren op, want meegaan in het heroïsche feit dat Het lied van ooievaar en dromedaris uit 2022 door een kennerspanel is verkozen tot hét boek van deze eeuw.

vrijdag 20 december 2024

Adieu

 


 

 

Standaardsituatie: baliemedewerkers kijken op het pasje en dan ongelovig naar mij, hakkelend, bezweet, in korte broek boven sandalen. Is dat een teacher, Lehrer, professeur? Arme studenten. Soms krijgen we inderdaad toegangskorting en soms niet. Maar we kunnen onze fietstassen zeker in de kluisjes kwijt. En met een laatste blik op het pasje, waarvan de foto jaar na jaar bleker wordt, krijgen we ons bewijs van museumprofessional terug.

Dit is voorbij, prehistorie. Omdat het geluk nu eenmaal met de domme is, ontdekte ik pas langs een lange omweg dat de Lerarenkaart per 2025 wordt vervangen door een app. Navraag leert dat er geen alternatief is voor smartphoneloze sukkels als ik. Een opmerkelijk lang antwoord schilderde het hoe en waarom dat ‘het digitaliseren van de Lerarenkaart past binnen het beleid rond digitalisering van de Vlaamse Overheid’.

Zelfs in een vrieskist begin ik bij het woord digitalisering en onderwijs te zweten. Ik zie een minister in een ruitjesonderbroek voor de klas staan (‘pyjamadag’) en hoor hem pochen over zijn Digisprong. Door gesubsidieerde en verplicht te kopen laptops zouden jongere generaties mee zijn met hun tijd en betere resultaten halen. Valt dat laatste keer op keer uit onderzoeken tegen, over de aard en het nut van die toetsingen is discussie mogelijk. Niet valt echter te ontkennen dat die laptops de kloof tussen rijk en arm hebben vergroot en dat ze een zalige inkomstenbron zijn voor ondernemers met contacten.

Maar de app markeert de periode vanaf 2025, dus laten we digitaal vooral vooruitkijken. En dan zien we de col van de Generatieve AI opdoemen, voor zover we ons al niet tussen de heuvels bevinden. En de ene firma na de andere zich aanbiedt om ons tegen een nogal fijne vergoeding naar de top te gidsen. Het onderwijs volgt gedwee en spreekt van ‘een uitdaging’. Dat is een basisingrediënt van de postkatholieke taalratatouille, waarin verder ‘verbinding’, ‘duurzaamheid’ en ‘inclusie’ de smaak bepalen.

Wie misschien wat kieskeuriger is, beleeft bevreemdende tijden. Terwijl men aan de voorkant van onderwijs de rol van de smartphone ter discussie stelt, duwt met het ding er ter achterzijde door. Lekker fris! Nee, ik wil niet lollig doen. Temeer daar mij op het intranet van mijn hogeschool vele comments zijn opgevallen bij een oproep over ‘deconnectie’. De smartphone blijkt menigeen in een zo complexe knoop te hebben gelegd, dat alleen Houdini nog kan helpen.

De ene collega had in haar digitale agenda ‘focustijd’ ingepland om dan ‘geconcentreerd te kunnen doorwerken’. Een ander installeerde de app To Do, die ervoor zorgde dat ze taken ‘gestructureerd kon bijhouden’, plus de app Mijn Dag die onthulde wat telkens ‘de doelen’ waren. Met mijn analoge verstand begreep ik dat winst bleef gaan naar big tech. En naar de werkgever: verhoogde efficiency, productiviteitsgroei! Neoliberaler kun je het niet bedenken. Werkelijk niemand lanceerde het idee om afstand te doen van de smartphone – die voor alles een asociaal en lelijk ding is dat grondstoffen en stroom slurpt.

De app waarmee leraren vanaf 2025 hun weg buiten school afleggen geeft ‘heel wat voordelen’ die je meteen kunt ‘checken’. Voor een eenvoudige ziel als ik bevestigen ze echter mijn overtuiging om geen smartphone aan te schaffen.

Wel daagt in mij het besef dat die positie retorisch hopeloos is. Vanuit een technologisch perspectief oogt de ingreep neutraal en rationeel. Een kaart geldt plots als ‘fysiek alternatief’ dat ‘verwarrend voor de voordeelaanbieders’ zou zijn en dat sowieso een ‘zware financiële impact’ heeft. Dus ben ik niet alleen een dinosaurus in de Spengler-stand maar ook een verwende en dure dwarsligger. Hoeveel de overheid voor de app heeft betaald en welk ICT-bedrijf ervoor heeft ingestaan, bleef ongezegd. Wel werd me bericht dat de Lerarenkaart is bedoeld voor ‘actieve leraren’.

Helaas ben ik maar een actieve lezer. Die een hilarische suggestie vindt uitgaan van de verzekering dat bij de app ‘fraude niet mogelijk is’. Wat? Zou dat dan een probleem kunnen zijn? En waarom zoal zouden sommige mensen geen smartphone willen?

dinsdag 17 december 2024

Of je dat nou leuk vindt of niet

 


 

1.

Door een opdracht heb ik de laatste tijd geconcentreerder gekeken naar essays. En me erover verbaasd hoe frequent ik dat vermeend elitaire genre tegenkwam in dag- en weekbladen, op basis van zelfcategorisering. Kranten publiceren er aldus meerdere per week; De Groene Amsterdammer poneert standaard per nummer één essay te herbergen, terwijl me er uit de complete afgelopen periode welgeteld één is bijgebleven: van Zadie Smith. Daarover aanstonds meer.

Eerst een noodverbandje om mijn verbazing. Er is bijna zeker begripsverwarring. In mijn hoofd zit de Franse versie van essay (klemtoon op de tweede lettergreep), in media regeert de Engelse versie (klemtoon op de eerste lettergreep).

Dit plots wijdverbreide frame staat bijvoorbeeld in Maud Vanhauwaerts roman Tosca (2023), waarin de hoofdpersoon docent vertalen is. Ze geeft haar studenten opdracht ‘een kort essay te schrijven waarin ze fragmenten uit de lesinhoud moeten verwerken.’ Hoe gekleurd deze opdracht is door het Engels, bewijst het essay-lemma uit de Oxford Learning Thesaurus: ‘a short piece of writing by a student as part of a course of study’. En de even prestigieuze collega uit Cambridge: ‘a short piece of writing on a particular subject, especially one done by students as part of the work for a course’.

Omdat uiteraard evengoed autodidacten en professoren deze variant kunnen beoefen, komt het essay dan neer op een artikel van enige lengte, dat over de actualiteit informatie overdraagt en analyse paart aan een fiks standpunt.

Vanuit dit perspectief is een essay een veel zakelijker genre dan de artistieke rimram die in het genre meetrilt en de highbrow reputatie zal hebben aangericht. Het Engelstalige associeer ik met non-fictie, het Franstalige met poëzie. Dat laatste rijmt met het klassieke beeld van de dichter, à la Valéry, die in proza gedachten ontwikkelt en laat stollen. Onderliggende criteria: stijl en experiment. In mijn allicht claustrofobische universum stammen essayisten sowieso uit de afdeling fictie.

Als ik de genretradities doorvoer, dan verwacht men bij poëzie iets persoonlijkers te krijgen dan bij non-fictie. Toegepast op het essay van de eenentwintigste eeuw lijkt het omgekeerde te gebeuren. De op het Engels geïnspireerde vind ik soms zelfs ontboezemend, terwijl zeldzame traditionele proeven van het genre verhoudingswijs rationeel overkomen. Die kloof gaapt al bij De Groene Amsterdammer. Vertrouwde essayistiek wordt daar gepraktiseerd door hoofdredacteur Xandra Schutte (toch geen fictieauteur), en de nieuwere versie door boekenchef Marja Pruis (wel een fictieauteur).

Misschien valt dit verschil schematisch zo te begrijpen: bij ‘mijn’ versie wordt een onderwerp op persoonlijke wijze uitgeplozen, bij de recentere variant gaat subjectiviteit vooraf aan het onderwerp. Korter: bestudering versus bekentenis. Bij Schutte blijft de verteller sfinxachtig, bij Pruis een personage dat naar lezers buigt.

Ik denk dat je literatuur niet nauwlettend hoeft te volgen om te beseffen dat de tweede variant alomtegenwoordig is geworden want aansluit bij de digitalisering. Van blogs tot TikTok – de navel is het centrum van de wereld. Waar leidt dat toe, op termijn? ‘Met de introductie van “zelfkennis” en “eigenliefde” betreedt men een eindeloze spiegelzaal: hoe kan het zelf gekend worden door het zelf, en waardoor wordt het dan gekend? Als we van onszelf houden, wie houdt er dan precies van ons? Dat is de onvermijdelijke paradox van zelfreflectie: hoe kan het zelf zowel kenner als inhoud zijn van wat gekend wordt, zowel subject als object, zowel minnaar als beminde?’ Aldus Barbara Ehrenreich in 2018, toen corona nog op onze deur moest kloppen voor meer beklag over luxebeperkingen terwijl mensen die daar geen tijd voor hadden het vuile werk bleven doen. Een vriend suggereert me dat de toekomst van het essay mogelijk in memes ligt.

Wie literatuur wel volgt, kan in de Lage Landen op de naveltendens zelfs één uitgeverij plakken: Das Mag. Daar moet ik bij opbiechten dat haar egoliteraire fonds mij niet ligt en dat haar tekstredactie, helaas ook van Vanhauwaerts Tosca, me ondermaats dunkt. Maar zelfs dan kan ik niet ontkennen met wat voor een ideologische en publicitaire kracht ze de Grachtengordel versterkten. De lijntjes met bijvoorbeeld De Groene Amsterdammer zijn aan de korte kant.

Aan die Engelse essayvariant, tot nader order the fittest, heeft door de toevloed van non-fictieauteurs gewenning kunnen optreden. Wat aan het begin van de eeuw in een egomapje zat met restmateriaal, krijgt in een verlifestyliseerde kritiek een literatuurstempel. Dan is het wachten op het ogenblik dat de neerlandistiek inpikt. Is het symbolisch dat Pruis’ opiniebundel Boos meisje onlangs door de Maatschappij van Nederlandse Letterkunde werd bekroond als essay? Mijn genreaanduiding is natuurlijk denigrerend, naar ik vrees in de geest van de bekroonde. De bekommernis om zichzelf oogt groter dan die om de maatschappij.

 

2.

Ervaar ik niet gewoon heiligschennis? Is mijn versie van het essay, die ik uiteraard zelf evengoed probeer waar te maken, oerconservatief en heb ik haar geïdealiseerd? Over dichters klonk lang de verzuchting dat ze elitair waren, want zich met hun hermetisme aanbevolen bij een beperkt, desnoods gediplomeerd publiek. Maar sinds Slam Poetry is iedereen dichter, zoals sinds non-fictie iedereen zonder voorbehoud schrijver is. En nu is het aantal essayisten in de Engelstalige stijl dus geëxplodeerd.

Als eenmansguerrilla ontbreekt me elke gatekeepers-gave om aan de populairdere versie, die ‘mijn’ markt potverdriedubbeltjes vernachelt, een halt toe te roepen. Als aan iedereen is ook tot mij doorgedrongen dat kwaliteit geen absoluut begrip is. Het hoort evengoed bij deze tijd dat macht en spreekrecht uit een zogenaamd kennerscorps van literatuurpausen niet zozeer zijn gedemocratiseerd als wel geprivatiseerd. Beslissingen vallen nog steeds achter gesloten deuren. Macht en spreekrecht zijn simpelweg verhuisd naar netwerken van families, vrienden en geestverwanten die niet per definitie ‘professionals’ zijn. Afhankelijk van je adaptatievermogen en temperament kun je hen seizoenspopulair of boeiend noemen.

(‘Er zijn woorden die met mij doen wat ze willen. Ze zijn heel anders dan ik en denken anders dan ze zijn. Ze schieten me te binnen zodat ik denk dat er eerste dingen zijn die het tweede al willen, ook al wil ik dat helemaal niet.’ Herta Müller)

Die op Franse leest geschoeide essays, zijn ze dan per definitie impopulair en zo ja, waarom? Mij lijken ze twee lastige componenten te hebben: hun ‘poëtische’ grilligheid van denken dat acrobatisch lezen vergt, plus rust en dus traagheid bij de analytische component. Dat maakt zulke essays even persoonlijk als ontoegankelijk. Weer een voorbeeldje: op de recensiesite DeReactor, ik kan het louter herhalen, excelleert al jaren Joris Note. Zijn kritieken kleuren Frans in weloverwogenheid en vergelijking op basis van belezenheid. Dat betekent ook dat hij al bestaande kritieken tegen het licht houdt, bij vertalingen varianten beoordeelt en zich niet onder de indruk toont van consensus.

Voor mij ademen dergelijke inspanningen vitaliteit, terwijl Note van een respectabele leeftijd is en op DeReactor wordt omgeven door jongeren die voor mij ouwelijke braafheid van millennials etaleren, in de Engelse trant. Ze bezigen wel dikke woorden. Maar waar ‘mijn’ postmodernistische generatie zo het verwijt van intellectuele snoeverigheid kreeg, raakt hun jargon aan ethiek, meer dan ooit het kwetsbaarste domein denkbaar. Ze debiteren een moraal, die zich uitstrekt van racisme over validisme tot seksisme. Wanneer ik dat constateer moet ik er conform de huidige zede bij vermelden dat ik een halfoude witte heteroseksuele hoogopgeleide man ben. Erg hemelschokkend kan ik dat feit niet vinden en dat zal precies mijn bijbehorende blinde vlek uittekenen.

woensdag 18 september 2024

Uit de werkplaats (9)


 


1.

Sinterklaas nadert blijkbaar. De HEMA verkoopt al ‘gevuld speculaas’. Thuis blijk ik niet de enige die met de ogen knippert bij de ontbrekende slot-e in ‘gevuld’. Maar volgens de digitale woordenlijst is ‘speculaas’ mannelijk en onzijdig, dus het kan wel degelijk.

Ik moet denken aan een verhaal dat F. van Dixhoorn vertelde: dat hij dubde tussen ‘gele poeder’ en ‘geel poeder’ – om een complete poëziepagina mee te kruiden. Wel hoor ik in ‘gevuld speculaas’ een soortnaam, terwijl ‘gevulde speculaas’ van zich laat snoepen.

 

 

2.

Uit de brochure voor studenten blijk ik tot de uitstervende diersoort te behoren die voor de klas staat en zich dus ‘on campus’ bevindt. Bijna al mijn collega’s verzorgen ‘online contactonderwijs’. Feitelijk moeten die laatste twee woorden volgens de Darwins van de spelling aaneengeschreven worden, maar dat is allicht gemurmel van iemand die geen ware ‘passie voor taal’ heeft.

 

 

3.

Volgens mij word ik onder meer verondersteld aan te leren hoe academisch appetijtelijk om te gaan met teksten van wie ons vóór ChatGPT voorgingen. Eens kijken hoe anderen dat in België doen.

In zijn mooie studie Witte orde liet Sibo Rugwiza Kanobana dit jaar weten perfect tweetalig te zijn, anders dan ik Nederlands én Frans dus te beheersen, maar nam in zijn bibliografie Roland Barthes’ klassieker Mythologieën op in de Amerikaanse versie.

Zelf koop ik hier bij de (in Duitsland gestichte) Aldi een potje met het opschrift: zure room / crème fraîche. Dat waren in Nederland, indien ik het me goed herinner, verschillende producten.

 

 

4.

Nagekomen mail over de AI-recensie op mijn jongste bundel De vriendelijke mens. Behalve dat de flaptekst is gekopieerd, blijkt er iets subtiels toegevoegd.

Bij mij stond er: ‘Studenten houden zich bezig met onbegrijpelijke kwesties als rechten.’ Daarvan maakte de machine: ‘Studenten houden zich bezig met voor hem onbegrijpelijke kwesties als rechten.’ Inleving in het hoofdpersonage is verruild voor een universele morele zekerheid. Begrijpen complottheoretici vervolgens dat die AI-toestand ‘politiek correct’ is?

Afgaand op mijn recentste ambachtelijke poging in dit genre zou dat geen verschil mogen geven. Reproduceren of niet-gereproduceerd worden, dat is de kwestie.

 

 

5.

Oude aantekeningen kunnen, na het geheugenslikken, best opfrissen. In verband met mijn reeks vertaalknipogen aan Nederlanders – die zich van Houellebecq over Rushdie tot Haidt had uitgestrekt – lag er nog iets over een bijzonder boek, dat de hoogste eisen aan een cultuurbemiddelaar moet hebben gesteld. In Fran Ross’ roman Oreo (1974) staat bijvoorbeeld dit vraag- en antwoordspel:

 

‘Q. A girl can clean her room in 46 minutes, and her roommate can do the job in 22 minutes. How long will it take them to figure out that they are wasting their time because the house has been condemned?

A. Two shakes of Charles Lamb’s tale.’

 

Bijna twintig jaar later maakt Anna Helmers-Dieleman van dat antwoord: ‘Drie vloeken en een vlucht regenwulpen’. De roman van Maarten ’t Hart begint hier een gelegenheidsduo met een spreekwoord waarvan de helft zich voor de lol heeft geofferd aan iets dat erop rijmt. Maar vanwaar het getal drie?

 

maandag 3 juni 2024

In eigentijdse, associatieve stijl


 

 

Slimme machines hebben mijn poëzie in de peiling gekregen! Mijn recentste bundel kreeg een AI-signalement voor het Biblion-project Bookarang. Dit geeft bibliotheekmedewerkers advies of een nieuwe titel de aanschaf waard is. Toen deze innovatie, alweer twee jaar geleden, aangekondigd werd, ontstond er tumult. Het project oogde als een besparing op mensen van vlees en bloed die tegen een bescheiden vergoeding jarenlang culturele investeringen hadden overwogen. Ook oogde het beroep op kunstmatige intelligentie als een risico dat niet eens berekend kon heten.

Kunnen algoritmes aan de vraag van informatie en evaluatie voldoen? Wat gebeurt er bij artistieke taal die om interpretatie vraagt? Ik test het aan de hand van het signalement over mij. De beperkte omvang maakt alvast het geknipt om integraal te citeren:

 

Een verhalende dichtbundel over globalisering, migratie en de relatie tussen een vader en zijn dochter. Na de val van de Muur trekt een migrant naar het westen. Hij beproeft zijn geluk in Patagonië, en werkt nu alweer jarenlang bij cateringbedrijf Senseo Planvacuüm. Zijn collega's zijn van dezelfde generatie als zijn dochter, die hij in zijn eentje heeft opgevoed. Zij houden zich bezig met voor hem onbegrijpelijke kwesties als rechten. De vriendelijke mens wil gewoon werken, voor de toekomst van zijn dochter. Ondertussen krijgt hij brieven die reppen van achterstallige betalingen. Hoe lost hij dit op? De bundel bestaat uit één lang gedicht in strofes van telkens acht regels, geschreven in eigentijdse, associatieve stijl. Met name geschikt voor geoefende poëzielezers. Marc Kregting (1965) groeide op in Nederland en woont in België. Op zijn naam staan zestien titels, van prozagedicht ('Dood vogeltje') tot pamflet ('Zij zijn niet van Jeremia') en salontafelwerk (‘Koffie'). Zijn recentste boek 'De encyclopedieën van de val' werd lovend ontvangen.

 

Bij eerste lezing kreeg ik het gevoel door mijn eigen hersenen te zakken. Ik pakte mijn bundel erbij en begreep waarom. Vanaf de tweede regel tot en met het zinnetje dat eindigt op een vraagteken, is het signalement een minieme variatie op de achterflaptekst. En die heb ik van A tot Z geschreven. Het sluitstuk van de bio- en bibliografische beschrijving is zelfs onvervalste copy-paste.

Moet ik trots zijn zo’n invloed op een machine te hebben? Bescheidenheid lijkt gepaster. Papieren recensies voltrekken zulke stilzwijgende overnames soms evenzeer en dan ben ik verongelijkt en wil ik betaald. Bovendien is dit signalement helderder dan mijn achterflaptekst. Korter, in krachtiger zinnen, minder ironisch en uitweidend. Hier bevredigt AI als tegenwoordig zo welkome taalhulp. De toegevoegde acquitstoot situeert de bundel in vijftien woorden – een tijdsbesparing voor mensen die belangrijke dingen hebben te doen en ter zake willen komen.

Toegevoegd zijn natuurlijk ook de oordelen, na de vraagtekenzin. Het begint met een detail waartoe evenzeer het binnenwerk moet zijn gescand: dat alle strofes ‘telkens acht regels’ tellen. Dergelijk opvissen van patronen is de core business van AI. Maar wat kan een bibliotheekmedewerker met deze schier objectieve informatie beginnen? Wanneer de slimme machine exact was geweest, had ze tot zevenenhalf geteld. Alle slotregels van alle gelijkmatige strofes kapte ik namelijk vroegtijdig af – vermeldenswaard? Mijn angstige vooroordeel over AI was nota bene dat ze zo aan de buitenkant blijft dat er irrelevante wetmatigheden kunnen worden afgeleid.

In het directe vervolg dekt het etiket ‘eigentijds’ mijn stijl gedeeltelijk. In de bundel zitten heel wat citaten die op hun beurt naar de geschiedenis verwijzen. Waarom laat AI het afweten? Door alle metadata is ze onwaarschijnlijk belezen én toont zich hier geheugenloos. Of duidt ‘eigentijds’ erop dat de bundel frequent meertalig is? En wil de leesmachine zo suggereren dat deze poëzie getuigt van superdiversiteit? Wanneer dat de bedoeling zou zijn, dan heeft ze bibliotheekmedewerkers dubbelzinnig en onvoldoende ingelicht.

Peanuts, uiteindelijk? Er zit iets veel discutabelers aan het signalement. Weer gaat het dan om iets wat de onberispelijkheid en kracht van AI zou zijn: eindredactionele hulp. Die zogeheten meerwaarde valt in duigen omdat de leesmachine mijn plaats van handeling heeft veranderd. Mijn bundel speelt in het niet-bestaande land Patatonië (waarin menselijke lezers België herkennen) dat AI hier opvoert als Patagonië. Een correctie die dienstwillig lijkt maar die slaat als een tang op een varken.

In het tekstbestand blijkt Patatonië, en afleidingen daarvan, negen keer voor te komen. Statistisch lijkt de kans dan nog klein dat ik slordig was. En stel dat de machine werkelijkheidskennis zou bezitten, dan werd haar correctie helemaal bizar. Patagonië behoort helemaal niet tot het westen. En zouden arbeidsmigranten naar dat dun bevolkte land in het weinig vermogende Zuid-Amerika trekken? Het dunkt me veeleer de bestemming van toeristen die tijd en vooral geld hebben om zich aan de weergaloze natuur te laven.

Heeft een arbeidsmigrant in België iets te zoeken? Dat was de inzet van de bundel en daar gaat het signalement door de AI-correctie aan voorbij. Tegelijk mist de vermelding dat de hoofdpersoon zijn dochter in zijn eentje heeft opgevoed grond – de prille moeder werd al fietsend naar Lier op zo’n schandalige Belgische steenweg doodgereden. Daartoe moest de slimme machine bij het scannen reeds mijn openingsstrofe negeren die zich kant tegen moordstrookjes.

Commercieel is dit signalement voor mij niet eens onvoordelig. ‘Met name geschikt voor geoefende poëzielezers’ oppert allicht elitarisme, maar ook kwaliteit (Dertig jaar terug boorde een gereputeerde criticus mijn debuut voor het toenmalige NBLC, de voorganger van Biblion, de grond in.) Wel voldoet de geringe, door AI gestelde doelgroep aan een cliché dat het genre door de eeuwen heen is gaan aankleven. En maakt dit oordeel een besluit over aanschaf, blijkt evenzeer in de praktijk, niet echt makkelijker.

Per saldo misleidt het signalement bibliotheekmensen voor wie het bedoeld is, en geïnteresseerden die dit via catalogi als eerste informatie over mijn bundel krijgen. Hoe onlogisch en wereldvreemd het AI-product echter ook is, wie er snel kennis van neemt ziet een minibetoog zich ontvouwen in een keurige taal. Om de bruikbaarheid ervan in te schatten zou een cursus begrijpend lezen nodig zijn. Tel uit je winst.


Naschrift (bron: uitgeverij)

Het AI-signalement heeft de Nederlandse bibliotheken bewogen tot drie bestellingen.