Voor W.N.
Ziezo, de papers van
het eerste semester zijn weer van punten voorzien. Een monsterinspanning die ik
al jaren met liefde doe. Deels uit nieuwsgierigheid naar de jongste
ontwikkelingen in taal, deels omdat het me een plicht lijkt waarvan ik zowaar het
nut zie. In een tijd waarin ‘mentaal welzijn’ geen pleonasme is staan studenten
onder druk, naar verluidt de grootste EVER, en ze verdienen het om adequaat begeleid
te worden. Door steun, maar evengoed door schoolmeesterlijke correcties.
De plicht van het
punten geven (quoteren, in het
Vlaams) had ik al bijna met de term ‘essentieel’ bekroond, ware het niet dat ChatGPT
daar als pepernoten mee blijkt te strooien. Met het noemen van de Artificieel Intelligente
intrigant beken ik meteen maar dat ik de plicht ditmaal deprimerend vond en de
sensatie onderging een vergeefse, om niet te zeggen bespottelijke inspanning te
hebben geleverd.
Natuurlijk,
sporadisch was ik weer groos en van mijn melk wanneer een student voortreffelijk
schreef en iets te melden had. Maar ik betrapte me er voor het eerst op, dat ik
bij het nalezen niet meer aan het leren was maar aan het wantrouwen. In plaats
van dat ik studenten met mijn betweterigheden kon stimuleren, was ik hen aan
het controleren. Fraude of geen fraude, dat is voor de Hamnetten in de
docentenstiel de kwestie geworden.
In de praktijk
komt het er zo’n beetje op neer dat iedere door mijn laserogen ontwaarde tricolon – een retorische drieslag met een geschiedenis
van heb ik me jou daar – een stigma van mijn digitale markeerstift te verduren
krijgt. En als de gedachtestrepen uit de vorige zin me te breed zijn en door
geen wit worden omgeven, dan komt er nog zo’n fluogeel litteken bij. Onder meer
de uitdrukking ‘Onderzoek toont aan’ verwekt inmiddels mijn argwaan en de
notoir bluffende ‘niet alleen, maar ook’-constructie. Zelfs voorzetsels
staan onder verdenking. Kreeg ik al de pestpokken van ‘rond’ als er
‘aan’ of ‘over’ werd bedoeld, mijn treurigste ontdekking van 2026 is alvast dat
ChatGPT ‘in’ heeft vervangen door ‘binnen’.
Zware concurrentie aan het front, ongetwijfeld, maar ik ervaar
de regulier geworden polyetherfrase ‘binnen deze context’ als een belediging.
Al was het omdat ik er toch van wil blijven uitgaan, dat studenten hun papers
herlezen voordat ze die inzenden. Zo’n realiteit blijkt niet langer haalbaar. En mogelijk begrijp ik dat wel. De druk
die studenten beleven komt allicht inderdaad van sociale media, en misschien
van familie die hoge verwachtingen heeft én zich zorgen maakt over de
financiën. Maar volgens mij is er iets aan dit noodpakket toegevoegd.
Het betreft de
zogeheten academische studie. Daartoe moet ik aan mijn publiek passend Nederlands
bijbrengen. Omdat het bestaat uit toekomstige kunstenaars mag hun taal
persoonlijk zijn. Haast gebruikte ik de term ‘creatief’, maar die is door de
communicatie-industrie naar de kloten geholpen. En studenten voelen dat. Ze
worden ook onzeker van gepraat door taaldeskundigen uit een jonge niche die
symposia, enquêtes en acties spuwt en waarin mede pedagogen en
kwaliteitscontroleurs zitting hebben. Hun zogeheten dialogen gaan dan over
‘meertaligheid’ en ‘inclusie’, over reacties op dt-fouten, van veroordelend
over relativerend naar vergoelijkend.
Naast dit
evangelisme horen en lezen studenten een bonobotaaltje van docenten die verklaren
ChatGPT te gebruiken voor hun lessen en voor hun examenvragen en correcties en
becijferingen. Het zou me niet verbazen dat tussen hun ETCS-fiches al de
kerncompetentie ‘goed leren prompten’ te vinden is. Als het afschrikwekkend gebetonneerde
pad naar goede taal in ijltempo alsmaar drassiger wordt, wat let de studenten
dan nog zelf exclusief ChatGPT te gebruiken?
Believers
Laat ik eerst even
zeggen dat ik niet weet waar ik het over heb. Bij ons thuis blijft de deur voor
AI potdicht. Enerzijds weiger ik in mijn hoedanigheid van zich per fiets en
trein verplaatsend groen riddertje dat het niet kan verkroppen dat de klimaatcrisis wordt verergerd door vrienden als ChatGPT. Anderzijds weiger
ik als marginaal auteur wiens Nederlandstalige blog, een steigertje voor
gezapigheid, steeds vaker scheepsladingen bezoekers krijgt uit de Verenigde
Staten, Singapore en Hongkong, en soms rechtstreeks van chatgpt.com.
Blijf met je
scrapefikken van mijn ideeën en emoties! Multinationaliseer mijn kennis niet! En
betaal me om te beginnen voor mijn rechten!
Ook heb ik op mijn
hogeschool ongevraagd als mailfunctie AI-samenvatten gekregen. Daar heet de
vriend Ko Piloot. Een testje wees uit dat hij redelijk werk levert, maar niet
wereldschokkend en met één blunder die mij onslim en respectloos leek. Al
langer kan ik bij de mail op antwoordsuggesties klikken, maar die zijn gesteld
in een reliblij communicationalisme (‘Top, bedankt!’). Het zal van mij wel
ouderwets en inefficiënt time management
zijn, maar wanneer ik mensen te eten krijg schotel ik hun geen opgewarmd blik
hondenbrokken voor.
Wanneer anderen AI
gebruiken, bekruipt me huiver die ik tracht te dragen. Ik houd me voor dat er
bijvoorbeeld nieuwe medicijnen mee worden ontworpen tegen ziektes die
ongeneeslijk heetten. Bovendien is het niet aan mij iets te verbieden. Het dunkt
me aan de wet om restricties te stellen aan schadelijk gedrag. Maar als
medemensen me persoonlijke berichten en analyses mailen die ze door een
algoritme hebben laten opstellen, voel ik me moreel bedot. Ik zou het fijner
vinden wanneer ze hun praktijken zouden voortzetten op Mars, onder de
geïnspireerde financiële leiding van meneer Musk.
Ik begrijp nog
steeds niet hoe AI zo stilzwijgend en vanzelfsprekend in het dagelijks leven
wist door te dringen. En al helemaal niet in het onderwijs. Daar beweren we
jongeren op te leiden tot ‘kritische burgers’ en leven we tussen curricula
waarin het woord ‘dekolonisatie’ een stamgast is. Tegelijk hebben we ons afhankelijk gemaakt van uitheemse servers
van monopolisten. Niet
eens bewust, maar door vermijding van elke voor de hand liggende ethische
discussie en terloops akkoord te gaan met kilometerslange teksten vol
gebruikersvoorwaarden.
Daar ben ik niet
alleen verbaasd over. Eigenlijk ben ik ook verdrietig en bovenal boos. Dus deed
het deugd om van datawetenschapper Paola Verhaert uit haar toegankelijke
boek Technologie is politiek te
begrijpen hoe tragisch het is dat believers
op hun rug gaan liggen voor AI. Omdat ze, na de ‘digitale kloof’ van weleer die
met ‘digitale vaardigheden’ moest worden overbrugd, wéér ‘onvermijdelijk’ zou
zijn. Omdat deze mensen anders natuurlijk ‘de trein missen’. Dat is een
metafoor, maar ik wil er toch even de hypothese aan toevoegen dat ze zelf significant vaak per auto en vliegtuig
reizen.
De metafoor zelf is deel van een ideologie die bestaat bij
de gratie van ‘uitdagingen’. Hun believers én CEO-goden doen alsof ze Hercules
zelf zijn. Ik ben maar een watje, maar hun taal is evengoed slap. Alleen heeft
ze zich zo hardnekkig in ons discours vastgezet dat beleidsmakers op
hogescholen en universiteiten met droge ogen beweren dat ze uniform
AI-beleid ‘uitrollen’. Alsof het een tapijtje is, om de ruimte te decoreren.
Blijkbaar is het besef hier niet meer actief dat AI economische
belangen dient. En daar begin ik de reliblijheid van de AI-mailhulp al wat minder gratuit te
vinden. Sterker, ze heeft haar oorsprong in een neoliberalisme dat,
paradoxalerwijs samen met de taaldialoogniche, communicatie de nek heeft
omgewrongen tot eenrichtingsverkeer dat domweg polariserend is. Zodat vakdocenten
als ik in een spagaat worden gedwongen, wanneer ik me ontpop als collagemaker
en uitsneden uit mededelingen op ons intranet als lesmateriaal
gebruik.
WEIRD
Academisch België
werd recent opgeschrikt door twee zaken waarbij AI geen glorieuze rol speelde:
zowel Petra De
Sutter (de huidige rector van de universiteit Gent) als Rik
Torfs (de voormalige rector van de KULeuven) had gefoefeld met citaten.
Ongemak was er wel de zachtste reflex er, veel vaker regeerde leedvermaak. Voor
mij jeukte het dat Torfs in een reactie het
genre van het essay geschikt achtte voor flexibel misbruik – dat wetenschap
niet zou aankleven. Zou ‘goed leren prompten’ daar inderdaad de hostie zijn
voor een onzondiger eeuwigheid? Wat doen we dan met de ondermaatse taal die
ChatGTP uitslaat?
Niet alleen vind
ik AI een nepleraar doordat hij zelf slechte voorbeelden aanlevert, volgens mij
schiet hij ook als redacteur tekort. Want zo iemand stelt juist vragen bij
woorden, zinnen, passages, waarop de auteur kan antwoorden met verfijningen of
complete herzieningen. In feite doet de niet gek lang vóór Chat opgeleverde
digitale Leuvense Schrijfhulp dat, maar dat instrument, ondubbelzinniger
gefinancierd door de overheid, wordt bij mijn weten amper gebruikt. Te
tijdrovend? Schrijven hangt immers samen met lezen. Ik kan daarom een recente
observatie van Wiel Kusters bijvallen dat steeds vaker onderwerp en persoonsvorm incongruent zijn. Daarin voert het gevoel de
boventoon.
Moeiteloos zou zo’n foutje te herstellen zijn door oefening.
Door geredigeerde teksten tot zich te nemen. Dat daar, conform het idee van de diplomademocratie,
niets elitairs aan is, bewijst Ester Naomi Perquins Tot alles in beweging komt. In die recente roman volgde het
hoofdpersonage als meisje de HAVO en toen wilde een oudere, cultureel
doorspekte man haar bijkneden. Maar uit alles blijkt dat ze superslim is en
wordt opgeleid door haar zintuigen waarin haar taal vervolgens neerslaat. Ik
las dat boek bewust traag ’s avonds na het quoteren, en voelde me getroost. Wie
de moeite neemt om zorgvuldig de werkelijkheid te lezen, wint taal. Als kind
benoemt het meisje het geluid dat auto’s achter een geluidswal produceren als ‘zwoesj-zwoesj’. Later, als cipier in een
gevangenis, in een geweldige passage over geuren, ontdekt ze dat een verse
zelfmoordenaar anders ruikt dan rotting. Veeleer vaag, ‘zelfs vermengd met de
geur van urine’, naar zwavel. Academisch waarnemen, academische taal.
Als we van
studenten iets willen, is het wel dat ze zelfstandig denken. Daartoe moeten ze
een proces doormaken van vallen en opstaan. Van proberen dus, voor mijn part beckettiaans falen. En schrijven is toch gewoon hardop
denken? En nu leren ze van hun hogescholen en universiteiten om efficiënt te
outsourcen? Quoi? Serieus? Ze zouden er wel een maatschappelijk-politieke trend
mee volgen die al zo lang klopt in het hart van het publieke bestuur, tot
op de dag van vandaag, dat ze aanvoelt als ‘het nieuwe normaal’. Ik las er
onlangs een
studie over, die me aangreep: De
consultancy-industrie door Mariana Mazzucato & Rosie Collington.
De afgelopen weken
tijdens het quoteren waren er momenten dat ik hoopte alsnog berouwvol en gelovig
te worden. Dan kon ik namelijk bidden. O
goden van de academische wetenschap, schenk me tien dt-fouten in één minuut in
plaats van elk kwartier de uitsmijter over een kunstenaar die ‘op het snijvlak
van waanzin, berusting en overmoed een krachtig protest creëert tegen’ de
huppeldepupsigheid die het algoritme bij elkaar heeft weten te diagnosticeren.
Niet dus.
Dat maakt het
extra onrechtvaardig dat er evengoed studenten bestaan die wel zelf proberen te
schrijven en te denken – en teksten kunnen inleveren die op het eerste gezicht
veel zwakker zijn. Ze krijgen dan een lager punt dan de idiote
kortetermijn-studenten die zich richting de grens van het toelaatbare bewegen door
in hun verantwoording op te biechten ChatGPT te hebben gebruikt ‘voor de
spelling’. Ja sorry, ik druk me mild uit en vind die studenten idioten. Van mij
mogen ze, met het laatste restje liefde, het allerhoogste punt en een diploma.
Als ik ze dan maar niet meer hoef te zien en beslag leg op hun kostbare tijd.
Een minder
pragmatische oplossing zou zijn om de druk op het fenomeen ‘academisch’ te verlichten
met een spiegel. Wellicht zijn er minder mensen geschikt voor dan die nu het
hoger onderwijs bevolken, en zouden ze er verstandiger aan doen om zich aan te
sluiten bij het structureel onderschatte legioen van ‘praktisch geschoolden’
die makkelijker werk vinden.
Ondertussen
worden er nog altijd taaldebatten gevoerd over verengelsing.
Achterhoedegevechten! ChatGPT leert aan dat er niets anders is dan Engels. Ik gok:
95% van de geraadpleegde bronnen die in de papers van het semester werden
opgegeven. Dat zorgt voor een
monocultuur, een andere dan die waarvoor in mijn studentenjaren werd gevreesd.
Toen lazen velen Franse poststructuralisten in het Engels. Inmiddels zijn er best
wat Nederlandse vertalingen, maar die blijven ongeraadpleegd. Minder makkelijk
te krijgen op pdf of nog niet gescrapet? De vermelde invasie op mijn blog kon
ik dan ook niet waarderen. Ik mag daardoor eindelijk officieel WEIRD zijn(Western, Educated, Industrialized, Rich,
Democratic), daar is wel een prijs voor betaald die we die we vroeger ‘de
toekomst’ noemden.
Pejoratieve toestanden
Waarom zo grumpy?
Verschuil ik me achter ‘het milieu’ en ‘de globalisering’ om angst voor
innovatie te verhullen? Ik herinner me toch dat AI bijvoorbeeld die geweldige
medicijnen weet te ontwerpen? In het kalme
boek AI, wat niemand ons vertelt,
dat net als Verhaert in 2025 verscheen, gaf techniekfilosoof Lode Lauwaert allerlei
historische parallellen met mijn grondhouding. Ik schoot in de lach – ik ben zo’n
kwast die de wereld al zag vergaan toen de stoomtrein in het landschap opdook. Zulke
azijnpisserij situeert Lauwaert in de geschiedenis, met bevreesde wegwuivingen
tot en met pakweg internet en de iPhone. Alsnog naar excuses zoekend voor mijn intuïties
boeide het me dat hij ze verbindt aan het brein. Net als de natuur zijn we
gewend aan lineaire ontwikkeling (1,2,3,4,5) en evolueren we gewoontegetrouw stapsgewijs.
Maar revoluties zoals AI pakken exponentieel uit (1,2,4,8,16).
Toch redt Lauwaert die retorisch smadelijke positie van Luddiet. Nuchter
stipt hij aan dat er zonder hosanna en consultancyoptimisme geen investeerders zouden
komen voor peperduur onderzoek dat AI vereist. Dat, zoals we weten, in de
Verenigde Staten door de Trump-miljardairs over de rug van burgers wordt
gefixt. Ook bestaat er zoiets als FOMO en hebben we evengoed andere angsten: dat
we zouden achterblijven bij de jongste ontwikkelingen. En dus ‘de trein
missen’. Daarom is het zinvol naar Lauwaert te luisteren als hij meedeelt dat Artificiële
Intelligentie kan ‘chanteren, manipuleren en liegen’. In het ergste geval,
bewijst hij, heeft dat catastrofale effecten voor de planeet (klimaat,
kernaanvallen) en haar bewoners (virussen). Op dit moment hebben de honorabele geleerden
daar geen controle over – ze kunnen risico’s vooralsnog niet
uitsluiten.
Een gebrek aan controle tekent zeker de omgang met het
Nederlands bij mijn studenten. Met alle respect voor hun beheersing van het
Engels, ik las vooral een soort terugvertalingen die de docent verbannen naar de
vluchtstrook. Het Engels klinkt te luid wanneer ze schrijven over ‘context’,
en over ’contributie’ (in de exclusieve betekenis van inbreng) en over ‘connectie’
(in de exclusieve betekenis van verstandhouding). Het Nederlands lijkt er
neutraler door geworden, verlost van pejoratieve toestanden, en dat is precies
het punt. Deze uitgepuurde taal toont louter nog een hegemonische ideologie, in
wat Lauwaert ‘waardenvergrendeling’ noemt.
Af en toe kijkt Lauwaert ook door een glazen bol. Dan
voorspelt hij dus wat er gaande zal zijn. In zijn boek gebeurt dat met diverse jaartallen. Zoals 2057, waaruit ik dit
licht: ‘Onderwijsinstellingen gebruiken op AI gebaseerde leersystemen om de
prestaties van de studenten real time te monitoren en curricula aan te passen
aan hun capaciteiten’. Klinkt dat goed? Maatwerk? Ik was toch opgelucht om in
de roman van Ester Naomi Perquin te vernemen over een briefje dat een gevangene
op zijn deur had geplakt: Komt heden
stemmen in mijn hoofd.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten