maandag 25 februari 2019

Met een ijsbijl



  
Natuurlijk is elke historische roman actueel, maar ik heb de indruk dat de veronderstelde parallellen bij Zoeklicht op het gazon van Auke Hulst levensgroot zijn. Hier staat Richard Nixon centraal, in het derde kwart van de twintigste eeuw.
Hulst belicht hem op drie, niet-chronologisch geordende momenten: als door Amerikaanse studenten betwiste president, als verliezend presidentskandidaat een decennium eerder, en als aftredend president. Centraal idee van de roman lijkt dat Nixon een spreekbuis is van de werkelijke noden en zorgen bij ‘het volk’. Dat mag geestig heten, omdat deze president de geschiedenis is ingegaan als oplichter van het volk en alles en iedereen, Tricky Dicky.
Doordat Hulst de nadruk legt op Nixons eenvoudige afkomst en op zijn beproevingen bij de klim naar de top, zonder ooit door ‘de elite’ geaccepteerd te worden, ontstaat dat afwijkende perspectief. Zo kan Zoeklicht op het gazon bovendien de fameuze tegenpool uitspelen, John F. Kennedy, de telg uit gegoede familie voor wie alles geritseld werd en voor wie waarheid een flexibel begrip was – en die ook na zijn dood voor de Nixon van Hulst een plaaggeest blijft.
Toevallig las ik de roman tegelijk met Kleine anti-geschiedenis van het populisme door Anton Jäger. Daarin ontbreekt Nixon, terwijl hij een appel deed op de silent majority. Dat moesten hardwerkende burgers voorstellen die belasting betaalden maar, anders dan hippe, ouderlijk betoelaagde studenten die deel waren van ‘het establishment’ dat ze bekritiseerden, niet aan bod kwamen in de media.
Jägers stelling is dat waarachtig populisme allerlei niet altijd even sonore stemmen aan bod laat komen die bij voorkeur gedempt worden. Hij geeft ze een historische oorsprong, in de negentiende eeuw, wanneer zowel democraten als republikeinen geen ingang bieden voor arme, zwarte burgers. Er dient zich dan een derde speler aan, The People’s Party, van wie sinds 1892 een aanhanger een Populist werd genoemd.
Kleine anti-geschiedenis van het populisme demonstreert dat in de twintigste eeuw door mediale en academische trucs antisemitisme, een onwelriekend facet van deze nobele beweging, uitvergroot werd als zijnde essentieel voor populisten. En van daaruit loopt er een lijntje naar de tegenwoordige, niet helemaal rechtvaardige betekenis van het etiket ‘populistisch’: demagogie door versimpeling en paranoia, een kunst die in de huidige Amerikaanse president (weer een rijkeluiszoon) een grootmeester kent.
In die zin rehabiliteert Auke Hulst, die zelf ooit een literaire elitebehandeling ten deel viel, de figuur van Nixon een beetje. Maar vooral nuanceert hij hem. Tot tweemaal toe vermeldt Zoeklicht op het gazon in het voorbijgaan de bekommernis van de toch ‘rechtse’ president met het milieu. Ook de ideologisch en klassetechnisch aan hem verwante Margaret Thatcher, die bij Jäger wel voorbijkomt, had daar oog voor – en leeft op dat vlak evenmin voort in de herinnering.
Ik speelde met de vorige alinea ietwat vals om te kunnen overgaan naar de actualiteit. Mij fascineert dat het milieu ten prooi is gevallen aan wat nu met ‘populistisch’ bedoeld wordt. Ik doel uiteraard op de reacties die de klimaatbetogingen van scholieren verwekken. Spectaculair is het signalement van Van Dale-redacteur Ton den Boon daarbij, dat ‘klimaat’ recent een betekenisverandering ondergaan heeft. Tot ‘klimaatverandering’.
Ik begrijp wat Den Boon bedoelt, maar kan hem niet helemaal volgen. Naar mijn gevoel betekent ‘het klimaat’ momenteel alles wat een westerse witte mens erin wil zien. Voor de een dus inderdaad een punt van zorg, voor de ander van overdrijving, voor een derde van drammerigheid, en voor nog een ander van een elitecomplot (er zou helemaal geen klimaatverandering bestaan).
Omdat de marsen nog volop bezig zijn vind ik het lastig om grote uitspraken over de reacties te doen. Toch komen er tot nog toe twee zaken telkens terug. Allereerst zijn de hoofdrolspelers vrouwen, en ze worden soms op een voetstuk gezet, al dan niet dieptepsychologisch, maar vaker helaas weinig zakelijk bejegend. Net als in deze materie een tegenspeelster als Joke Schauvliege – destijds sprong dat bijeffect van de an sich terechte kritiek op Liesbeth Homans me ook in het oog.
Ten tweede proef ik een overdreven gekwetstheid bij mensen die zich aangesproken voelen. Zoals in een recent verleden moslimbashers bij tegenkritiek meteen ‘de vrijheid van meningsuiting’ in gevaar zagen, zo voelen mensen zich nu beperkt in hun actieradius. Een mij onbekende BV klaagde erover dat hij al zoveel voor ‘het milieu’ deed en dan nog een vermanend vingertje voelde over het feit dat hij vijftien keer per jaar een vliegretour naar zijn appartement in Barcelona nam. In dit zelfbeklag heerst, vanuit het huidige populisme, volgens mij toch demagogie over een cliché van moralisme.
Bar en boos in dat opzicht dunkt me van journalist Joël de Ceulaer een column in de vorm van een grappig bedoelde open brief over het klimaat, waarin hij zorgen daaromtrent karikaturaliseerde tot apocalyptiek. Maar vermoedelijk wou deze ‘senior writer’ (mijn leeftijd!) van De Morgen taalvirtuoos zijn. Hij ontwaarde in het heden althans: kwikschrik, vliegverdriet, smulschroom, biefstukberouw, plasticpaniek, poolkapparanoia, autorexia, koolstofkramp.
Ik weet niet wat er hier sneuer is: al die alliteraties of de pretentie nu al mee te dingen naar het Woord van het Jaar.
Snel terug dus maar naar de roman Zoeklicht op het gazon. Getuige Trumps niet-aflatende pogingen een muur tegen Mexico te laten oprichten, zal Auke Hulst extra genoegen hebben beleefd aan het gegeven dat Nixon op de historische dag van de verkiezingen in 1960 een ontspannende autorit maakte naar Mexico.
Wel veroorzaakt deze trip kortsluiting in mijn taalgevoel. Hulst laat zijn personage gelukzalig terugdenken aan een huwelijksreis met Pat daar, die de vraag had opgeworpen waarom ze er niet gingen wonen: ‘Omdat Trotski er de hersens waren ingeslagen met een ijsbijl?’ Eerst dacht ik dat hier ‘was’ had moeten staan. Toen besprong me de klassieke grammaticazin ‘De koningin werd het eerste kievitsei overhandigd’. Trotski als meewerkend voorwerp? De logica van de menselijke geest die het meervoud ‘hersens’ enkelvoudig aanvoelt?
Echt onnavolgbaar voor mij was dat Hulst de strenggelovige moeder van Nixon een soort Vlaams of Brabants laat spreken tegen haar zoon, afgaand op de persoonlijk voornaamwoorden ‘ge’ en ‘gij’.

Naschriftje

Naar me nu duidelijk wordt is ‘ge’ een poging om in het Nederlands de Plain Speech te vangen dat de moeder in eigen kring sprak. Quakers van de oude stempel bezigden die (inmiddels uitgestorven) taal, met thou, thy and thee, maar zonder werkwoordsvervoegingen.

zondag 17 februari 2019

Uit de werkplaats (2)




1.
Onuitputtelijk, dit subdebatje. Socioloog Mick Matthys stelt in Waarom Belgen gelijk hebben en Nederlanders gelijk krijgen dat de vermeende achterstand van Zuid tegenover Noord ruimschoots is ingehaald. Voorbij de tijd dat Hollanders met het rode potlood het wereldraadsel oplosten en uitlegden, om te beginnen aan de sappig sprekende Vlamen!
Het zal dus een relaps zijn dat het boek, verschenen bij de Amsterdam University Press, eventjes anders handelt. Bijna aan het eind van zijn tekst rept Matthys over Bart De Wever, baas van de N-VA. Maar deze heet dan: ‘NVA-voorman Bart de Wever’. De corrector zal hebben gedacht dat Matthys in zijn verstrooidheid een koppelteken te veel gebruikte. In dezelfde moeite werd het tussenvoegsel bij de achternaam gewijzigd.
De eerste fout kan voortkomen uit kennisgebrek. Maar de tweede is een vernoordnederlandsing die, vrees ik, als cultuurimperialisme valt te zien.
Ten slotte verraad ik met deze betweterij mijn nationaliteit. Vanuit een gezelligheidspanopticum?

2.
Homo universalis Walter Benjamin kon geen Engels (wel Frans). Een zelfmoordplan werd verijdeld doordat hij Tristram Shandy begon te lezen. Wat een effect van een boek: het omgekeerde van wat Goethes Werther heet te hebben bereikt!
Deze weetjes diste ik op uit in Het tijdperk van de tovenaars door Wolfram Eilenberger. Ik begon dit boek over Benjamin, Cassirer, Heidegger en Wittgenstein gretig, maar kreeg er gaandeweg tegenzin van. Volgens mij doemden er twee bezwaren – die formeel zijn.
Ten eerste binnen elk hoofdstuk te korte, betussenkopte paragrafen, die telkens eindigen met een cliffhanger, veelal een vraag. Zoiets moet hongerig maken naar het vervolg, maar doordat de lezer net op gang is gekomen treedt er verstoring op.
Hoe geforceerd dat procedé is, blijkt wanneer Eilenberger vlak voor zo’n nieuwe paragraaf van de ene filosoof naar de andere overstapt. De brug die hij opzichtig legt, maakt veeleer wankel. Is het verband tussen de vier minder groot dan gesuggereerd?
Ten tweede heeft Eilenberger zijn chronologische opzet, beloofd door de ondertitel Het grote decennium van de filosofie, 1919-1929, ingebed in een debat te Davos uit 1929. Daar discussieerden Cassirer en Heidegger. De andere twee hoofdrolspelers van het boek waren dus afwezig.
Ondanks de martiale termen waarmee Eilenberger het debat samenvat en telkens voorziet van een tussenstand, erkent hij aan het eind dat het nooit van de grond kwam omdat Cassirer en Heidegger hoffelijk langs elkaar heen praatten. Waar wil de compositorische dramatologie dan?
Het tijdperk van de tovenaars markeert voor mij het bezwaar aan non-fictie, die ik na een overdosis romans ging liefhebben. Auteurs met schwung, zeker bij het gebaar van een overzichtelijke geschiedenis, blijken even inwisselbaar als hun titels.
Sneu aan Het tijdperk van de tovenaars dunkt me dat het geen slecht boek is. Eilenberger toont zich slim en vaak onderhoudend. Maar het beklijft niet en het erge is dat de achterflap dat aankondigt:

De jaren twintig van de vorige eeuw zijn cruciaal in de geschiedenis van het Europese denken. In Het tijdperk van de tovenaars wekt Wolfram Eilenberger deze jaren tot leven: het decennium tussen levenslust en economische crisis, vlak na de Eerste Wereldoorlog en aan de vooravond van het Europese fascisme. Aan de hand van vier denkers beschrijft hij de opmerkelijke explosie van geestelijke creativiteit die deze jaren kenmerkte.
Eilenberger vertelt over de pijlsnelle opkomst van Martin Heidegger en diens liefde voor Hannah Arendt. Over de immer dolende Walter Benjamin, die in Parijs op zoek gaat naar de wortels van de moderne tijd. Over genie en miljardairszoon Ludwig Wittgenstein die, terwijl hij in Cambridge als een God aanbeden wordt, in Oostenrijk in armoede als onderwijzer werkt. En over Ernst Cassirer, die in de wijken van de Hamburgse middenklasse het antisemitisme aan den lijve ondervindt.
Wolfram Eilenberger ziet in de levens en de ideeën van deze denkers de oorsprong van onze huidige wereld. Zij hebben tot op de dag van vandaag een beslissende invloed op de filosofie. Eilenbergers terugblik op de jaren twintig is tegelijk een inspiratie en een waarschuwing, maar vooral ook een bron van groot leesplezier.

Conform dit frame ontvouwt zich een koffietafelboek, een cultuurgeschiedenis. Maar juist op dat punt stopt Eilenberger, hij toont zich meer filosoof dan journalist. Wat mag trouwens ’geestelijke creativiteit’ betekenen? Ik vrees het ergste.
De tweede alinea scharniert om ‘vertelt’. Dat openingswerkwoord suggereert smakelijkheid. Wel laat Eilenberger zien dat Heideggers opkomst allerminst ‘pijlsnel’ was en aan de fameuze verhouding met Arendt maakt hij weinig woorden vuil. De onrustige Benjamin registreert hij op meer plaatsen. Net als Wittgenstein. Hamburgs antisemitisme staat me zelfs niet scherp bij.
De flaptekst serveert dus de zogeheten insteek bij het uitzetten van de vertaling, samengebald in de uitsmijter ‘leesplezier’.

3.
Met Een knipperend ogenblik laveerde Mirjam van Hengel tussen biografie, letterkundestudie en sociologie. De ondertitel ‘portret’ is in de roos. Body krijgt de even beminnelijke als enigmatische Remco Campert, die in depressieve genietingen en hardwerkend negeren van verantwoordelijkheid aan Herman Brood doet denken.
Van Hengel bezit alvast één gave. Ze kan fantastisch citeren, waarmee ze dit toch ongelijke oeuvre opblinkt. Wel geeft het recente, integraal aangehaalde gedicht Zaventem de grenzen van Camperts kunnen aan.
Literair-historisch is dit boek volgzaam, maatschappelijke tijdsbeelden zijn summier en bevestigend. Dit bijvoorbeeld: ‘Het waren de alles-moet-kunnen jaren zeventig, jaloezie hoorde er niet bij, je mocht impulsen van het moment volgen, andermans vrouw en andervrouws man begeren en meenemen, niet zeuren maar genieten’.
Tegelijk toont ‘andervrouws man’ een oververzorgde stijl, precieus in achteloosheid. Geen andere karakteristiek weet me te ontsnappen dan een seksistische: meisjesachtig. Zoals Annie M.G. Schmidt die altijd acht schijnt te zijn gebleven, terwijl Van Hengel de leeftijd van achttien programmeert.
Als biografie is Een knipperend ogenblik onwetenschappelijk. Voor het schrijven kreeg Van Hengel een werkbeurs vanuit een journalistiek kader; haar loslippige bronnen beschermt ze met opname in een namenoverzicht. Hier lezen we een schrijver die meer weet dan er staat.
Dat er niet echt wordt gekozen voor een genre, ligt wellicht aan het doel. Van Hengel maakte waarlijk een publieksboek. Het accent ligt op een knappe, invoelende benadering van de hoofdpersoon als publieke figuur en schrijverscliché. Een karrevracht aan steevast typerende anekdotes moet daartoe verplaatst worden.
Bij dat verlangen naar paradoxale ontsluiering blijkt Campert een leger bekende vrienden te hebben. Bijna logisch dat de naam van de belangrijke, niet-tafelspringende fondsauteur Piet Meeuse incorrect wordt gespeld (p. 389).

4.
In Geschiedenis van geweld, de vertaling van Édouard Louis’ amper onafgebroken te lezen roman, worden tot tweemaal toe (p. 62, 64) verwante werkwoorden in verschillende verleden tijden gepresenteerd: zwol op, zwelde aan. Hoe kan dat nou?
De verleden tijd van ‘aanzwellen’ is volgens Woordenlijst Nederlandse Taal en volgens Van Dale ‘zwol aan’. Volgens deze twee bronnen bestaat ‘zwelde’ niet eens.
Ik neem dat voor kennisgeving aan. Niet alleen omdat ik op vele fronten een ezel ben die meer dan twee keer tegen dezelfde steen slaag te lopen, ook omdat ik bij bepaalde werkwoorden altijd de mist inga – wanneer ik de verleden tijd onnadenkend schrijf, en wanneer ik er al mijn concentratie op loslaat.
Zo onderschepte een oplettende redacteur pas in de proef van een boek van mij ‘scheerde’ waar ik, met een barbiersmes van hier tot Ockham, ‘schoor’ bedoelde.

donderdag 7 februari 2019

Jubileum




Is het heus tien jaar geleden dat ik hier, op een om privéredenen altijd heuglijke dag, mijn eerste schreden zette op het pad der bloggologie? De spreekwoordelijke dag van gisteren ervaar ik nu ook weer niet, maar het posten van een tekstje, met een zekere regelmaat, doet het tijdsbesef kennelijk een beetje vervagen.
En, mensheid, wat er ondertussen allemaal niet is veranderd! Vier jaar geleden babbelde ik wat in de rondte over een crisispakket van de nabijgelegen frituur, dat inmiddels met 10% opgeslagen blijkt. De inflatiecorrectiepen laat zien dat er kort tevoren een tussenverhoging is geweest van 5%.
Venezolaanse toestanden? Natuurlijk niet. Het zou even populistisch zijn om individuen op te voeren aan wie de wet het kennelijk toestaat honderd crisispakketten per uur te kopen. Over zulke dingen begin ik dus beter niet.
Nee, terugkijken en reflecteren op metaniveau, dat zou wel het minste mogen zijn. Wel heb ik daar minder puf voor dan toen ik vijf jaar geleden zo’n tussenstop maakte.
Nog steeds heb ik volgens mij moeite met bloggen, omdat het uitnodigt tot confidenties. Ik onderken tegelijk iets wat niet anders te benoemen valt dan als een verslaving. De aandrift om iets te doen met de kwantiteit van taal die dagelijks het gewaande timmermansoog passeert, dat dan maar bewijzen moet geconcentreerd te lezen. Minstens herken ik me in Marc van Oostendorp, die niet lang geleden om goede redenen stopte met dagelijkse postings – en die inmiddels is hervallen.
Dat wil niet zeggen dat ik zijn tempo zou kunnen volgen, laat staan een kwaliteit bieden die constant is. Maar de prikkel om iets de virtuele ether in te smijten is me bekend. Het is voor mij wel zaak om niet te snel te opereren (‘kort op de bal te spelen’), al pakt te veel arbeid en herziening evenmin erg gunstig uit voor mijn gestel.
Ook blijf ik gefascineerd door effecten van taal en verkeer ik graag in de illusie door een blog te zijn opgenomen in een circuit, dat per definitie internationaler is dan dat van boeken die bij tijd en stond onder mijn naam verschijnen. De wens een smeltkroes te zijn, die vooral mijn poëzie gekenmerkt heeft, gaat op internet gemakkelijker in vervulling.
Of zit dat heterogeniteitstrekje ingebakken in taal? Maxim Februari memoreerde:

Een redacteur van een literaire uitgeverij sprak me ooit toe over het gebruik van Germaanse en Romaanse woorden. Volgens hem moest je in Nederlandse teksten een juiste balans tussen de twee zien te vinden, een juiste afwisseling van robuustheid en melodie. Zijn lievelingsvoorbeeld haalde hij uit het Engels: de beroemde eerste zin van Keats’ gedicht ‘Endymion’: A thing of beauty is a joy for ever. Daarin heerst een werkelijk volmaakte harmonie. Thing, Ding, ding is Germaans. Beauty, beauté: Romaans. Joy, joie: Romaans. Ever, immer: Germaans.

Ophouden dus met somberen over verengelsing en helemaal met het naspeuren en terechtwijzen van germanismen, anglicismen en gallicismen? Ik weet wel, mama mama, dat die redacteur – het openingshoofdstuk van – De glanzende kiemcel heeft gelezen. S. Vestdijk had het daar over Saksisch in plaats van Germaans, en hij zei dat we als Hollanders het verschil niet konden navoelen.
Van één Engels woord vind ik het niet leuk dat het gangbaar is geworden, omdat het een compleet mensbeeld met zich meetrekt dat mij niet ligt. En het erge is, in de klas van de gourmande , vol acht- en negenjarigen, is het een normale aanduiding, onder elkaar, voor elkaar, over elkaar: loser. (De spelling is anders.)
Mijn allereerste Honingpot-posting bestond uit poëzie die in Onze Nietzsche zou belanden. Dat bleek mijn laatste boek te zijn waarover met enige goede wil te zeggen was dat het dichtkunst herbergde. Inmiddels heb ik het genre verraden. Maar het was op voor mij.
Wat meer van een afstand probeer ik, precies zoals literatoren op leeftijd van wie ik nooit veel moest hebben, hapsnap wat laaglandse gedichten te volgen. En uit vakidiotie vooral teksten daarover, een behoorlijke klus omdat het merendeel over kanshebbers op long- en shortlisten gaat.
Thans lees ik woorden temmen van Kila & Babsie, dat poëzie voor een groot publiek ontsluit. Het enthousiasme spat van de pagina’s, de uitleg is van een helderheid waarvan ik alleen kan dromen.
Toch ben ik, zoals het een oude zeur betaamt, ook teleurgesteld. Kila & Babsie zetten namelijk aan tot het schrijven van poëzie. Daar ben ik tegen! Niet alleen vanwege de postume concurrentie, maar ook omdat zo’n drang naar mijn overtuiging alleen van binnenuit kan komen (waarbij in mijn poëtica dat innerlijk wordt afgelegd). Ze sluit wel aan bij de populariteit van schrijfscholen en cursussen creativiteit allerhande.
En bij een trend waarbij er, gestimuleerd door het internet waar zelfs gekken als ik een blog kunnen beginnen, meer wordt gezonden dan ontvangen. Een twitterisering van complexe materie? Dat sluit dan weer aan bij het literatuuronderwijs, in het zogeheten Curriculum Nu waar een meningenformat voorkruipt voor kennis. Maar daar heb ik al over gedramd.
Natuurlijk kan goede voorlichting een hoop ellende voorkomen. Kila & Babsie geven die, zij het dat hun voorbeeldgedichten nogal eensluidend zijn. Van het zich verwonderende type, met details van de bijgeschoolde observator die tragikomisch zijn, in een taal waar weinig spanning op staat want ‘oooh’ impliceert. Niet voor niets kent de Nederlandse poëzie meer dan één gedicht over het waargebeurde verhaal dat er speelgoedbeesten uit een scheepslading raakten en over oceanen dreven.
Dat maakt de keuze van Kila & Babsie natuurlijk wel aantrekkelijk. Verder frappeerde het me dat ze eerst hun eigen indruk bij de geselecteerde gedichten geven. Alsof ze willen zeggen dat elke lezer gelijk is, want even kwetsbaar en onzeker. Ik geloof niet dat dit helemaal klopt, maar die implicatie rijmt met een fris artikel dat Marieke Winkler over podiumpoëzie publiceerde. Dit ooit verdoemde genre, zegt zij, stelt nu de literatuurwetenschap voor identiteitsproblemen.
Ingewikkeld is dat Winkler daarbij Tom Lanoye, als schrijver van het Gedichtenweekgeschenk, tot exemplarisch voorbeeld promoveert. Meteen al het gebruik van spreektaal, dat hem van papieren dichters zou onderscheiden, zit ook bij Faverey en jongere, uitputtend geanalyseerde hermetici. De voorkeur voor evenementen boven bundels lijkt me evenmin van gisteren (wat me van Poetry International bijstaat is de verbazingwekkend geringe opkomst van betalend publiek).
Winkler spant zich in om bij Lanoye een genuanceerde, diepere poëtica bloot te leggen. Ze gebruikt daarvoor zijn beeld van de toverbal, dat het statische en het eeuwige zou relativeren en, net als bij een wat schematische versie van het postmodernisme, een ‘betekenisgevend centrum’ ontberen zou.
Maar als ik het trefwoord ‘toverbal’ loslaat op mijn files, dan blijkt die zowel bij Jacq Vogelaar voor te komen als in de titelsong van Pipo de Clown. Zou Lanoye dus werkelijk een upgraded performer als verhuller zijn, zoals Winkler voorstelt? Ik weet ook niet of Lanoye zijn populariteit aan poëzie dankt. En indien ik moet vorsen naar zijn traditie van een schrijverstype, dan schiet me de metabewuste kunstmiddenstander te binnen, zoals die benoorden de rivieren door Gerard Reve uitgevent is.
Ik wil geloven dat ‘oraliteit’, waaraan poëzie uiteraard haar ontstaan dankt, een revival doormaakt, maar mij overtuigt het niet om daar de acceptatie van het banale in te ontdekken. Laat staan slam te zien als voorhoede of tegengeluid. Kila & Babsie geven nota bene een fraaie performance van Martijn Teerlinck als voorbeeld, dat tegelijk kan dienen als instructietekst over hoe restloos poëzie te maken.
Tot nader bericht kennen gedichten een biotoop van het schrift. Waaraan een aantal liefhebbers behoefte blijft hebben omdat ze een betekenis gevende witregel onmogelijk kunnen horen.
Een tastbaarder ontwikkeling vind ik dat Antoon Coolen heden een ‘Brabantse schrijver’ genoemd wordt. Wellicht komt dat door het aanhoudende identiteitspolitieke gekrakeel, waar ik als witte hoogopgeleide man beter over zwijg, maar ik voel daar meer gewicht in dan er aan podiumpoëzie wordt gegeven. Dus hoe kostbaar ‘de momentane magie van het orale woord’ en ‘exclusieve authenticiteit’ ook voor de huidige instituties mag zijn, zonder context slaat dat woord dood.
Precies die context heeft op mijn weblog van stonde af grotendeels ontbroken. Schrijven beschouw ik althans als een openingszet van een partij waarvoor tegenstanders nodig zijn. De Honingpot heeft kennelijk niet de toon of de vertrouwdheid die verleidt tot reacties. Ik krijg ze wel, maar mondeling en per mail.
Langzamerhand ben ik ervan overtuigd geraakt dat hier iets fout loopt. ‘Vroeger’ weet ik de publieke stilte aan het feit dat ik niet op Facebook zit (of op Academia.edu of zoiets, dat mailen kan dat ik ‘gementiond’ ben). Inmiddels lijkt me dat ik domweg geen goede barkeeper ben. Dat is ook wel een opluchting, want hoe in het openbaar, met inachtneming van alle verschillen, een goed en scherp gesprek gaande te houden zonder bezopen te raken?
Toen De Honingpot begon, was de opiniërende poëzienieuwssite De Contrabas dé speler in het virtuele veld. Nu lijkt Tzum dit te zijn – dat ogenschijnlijk afstandelijker opereert. Vreemd genoeg was ik als onmiskenbare polemist beducht voor de animositeit, die soms terug opspeelt. En ik weet nog altijd niet of het fenomeen van de woedezoeker, dat vanzelfsprekend steevast anderen betreft, werkelijk voorbehouden is aan internet.
Misschien is mijn onderkoelde verslaving aan postings te danken aan stilte, die een fijne illusie kan scheppen van onverstoorbaarheid. Het zou me zelfs niet verbazen wanneer ik, met een poging tot datadeterminerende blik, amper bezoekers heb. Mijn publiek zou dan wel uit Nederland komen en vervolgens uit België, waar ik leef, maar deze naties hebben het moeilijk tegen runners up als de Verenigde Staten, Frankrijk, Oekraïne.
De Honingpot als zalige prooi van zoekmachines!
Alle reden dus om per direct deze onderneming te stoppen. Maar juist de laatste tijd ben ik optimistisch en strijdlustig gestemd, waarover aanstonds meer. Eerst, conform de geplogenheid bij mainstream media en bij mijn vorige jubileum, een overzicht van de meest gelezen postings:

15 mei 2012, 27 opmerkingen









24 jun. 2014, 2 opmerkingen









30 jun. 2016, 1 reactie









9 mei 2011, 1 reactie









5 mei 2010, 36 opmerkingen









26 mrt. 2010, 4 opmerkingen









3 jan. 2015, 2 opmerkingen









12 mei 2017









19 mei 2016, 2 opmerkingen









27 jan. 2012, 4 opmerkingen










Nog steeds zijn de populairste teksten op dit blog vooral door anderen geschreven. Interesse weet ik zelf blijkbaar het meest te wekken met in memoriams, alsof ik een insider ben.
Wel is dit een ranglijst met wat volgens mij unieke hits heten. Meer treffers dan sommige gemelde tekst kregen:

-         Tempora, Mores (LAT, 13 caps)
-         Hans Groenewegen (1)
-         De open bibliotheek van morgen
-         Kleine wasjes, grote wasjes
-         Ja meneer de burgemeester (1)
-         Overal waar de meisjes zijn
-         Nico

Het zal toch niet zijn dat surfers hiernaar terugkeren in de hoop er comments aan te treffen? Daarom ook nog maar even de favoriete zoektermen:

marc kregting









Honingpot









honingpot kregting









Louvre









bertram mourits









Ridder









jeroen mettes









dehoningpot.blogspot.com









het is makkelijker met zijn zestigen









www.dehoningpot.blogspot.com



Voilà, nu heb ik aan elke administratieve plicht voor de eeuwigheid voldaan. Opdat het hoofd leeg kan raken voor het evalueren van een merkwaardige stemming: het optimisme. Ook ik (naast mijn Instagram-collega Leonardo di Caprio vanzelfsprekend) betrap me daarop wegens de aanhoudende klimaatbetogingen door scholieren. Temeer daar ze zo’n beetje zijn gestart in België, waar de plastic zak nog heel gewoon is. En waar zelfs overwegend jonge artiesten in de rubriek Doodgewone dingen van De Standaard Magazine haast steevast iets met auto en vliegtuig vermelden bij wat ter wereld zoal voor geluk zorgt.
Of overschrijdt die oprechte voorkeur alle landsgrenzen? Wilders noemde bij wat hij na 12,5 jaar isolatie mist als eerste: autorijden! Trump had het daar ook over, na honderd dagen stennis trappen. Het kan dus dat dat mijn verbazing voortgebracht wordt door mijn fietsocentristische bril. Vanuit dat parallel universum herinner ik me van autoritten alleen nog het afspelen van muziek. Hoe verder je buiten het centrum kwam, hoe beter het geluid de verplaatsing leek te begeleiden.
Nieuwe poging. Ten minste is België toch wel zeker Olympisch kampioen in marathonrelativeren, uitstellen tot gisteren, afschuivend wegkijken, compromiszwachtelen, en wortel trekken uit een kwadraat. Misschien is het dus niet eens een erg groot wonder dat de jongeren hier, zelfs in de hoedanigheid van spijbelaars/brossers, door hun niet-onderhandelbare eis van structuurverandering brede steun krijgen. Eindelijk!
Dus werken bitse reacties contraproductief. Ze zijn even onthutsend als onthullend in hun diagnose van hypocrisie die, hoe kan het ook anders, bij de ander zit. In mijn recentste – zwaar gesubsidieerde – kaskraker had ik nog geen oplossing hoe de impasse kon worden doorbroken waarin karikaturen van twee partijen (hypocrieten versus moraalridders) elk debat onklaar maakten. Had ik domweg te lang het voorrecht gehad over de conflictstof na te denken? Nu zijn het twee jonge meisjes die de indruk wekken gewoon te doen. Desnoods voelen anderen zich genoopt om in de bres te springen tegen bijkomende onrechtvaardigheden.
Aardkloot en atmosfeer hebben zich in de recente geschiedenis nu eenmaal zo ontwikkeld, dat de jongeren met hun één-minuut-voor-twaalf-houding het gelijk aan hun zijde hebben. Dat verlost hen van pathetisch machismo en van eindeloze middel-doelafwegingen. Bovendien bepleiten ze iets wat werkelijk elke (toekomstige) aardbewoner aangaat. In het klimaat is er geen protocol. Begrijpelijke maar per saldo ietwat dwaas aandoende verboden van schoolbazen en politici om te demonstreren, kunnen met een gerust hart naast zich neer worden gelegd.
Ik ervoer die bevrijdend aanvoelende lichtheid afgelopen week, toen ik met het taalkundig genie in zo’n mars mee mocht. Politieke partijen die langs de kant van de straat de jongeren probeerden te masseren (Ecolo, logischerwijs, maar plots ook PTB/PVDA) liet men begaan. Zoals ouders dat wel kunnen doen met drukke kindjes.
Van het zogenaamde zwakke geslacht wordt de wereld beter. Het knappe is ook dat actieplannen moeiteloos worden bijgesteld zonder de schijn van opportunisme. Deze meisjes stellen er juist een eer in een handreiking aan de tegenstander te doen.
Da’s toch een andere houding dan van mijn witte hoogopgeleide middenklasse die zich vooral aan het wapenen is. Bijvoorbeeld tegen teksten die, getuigend van overbekend klinkende centrismen, niet hoeven te worden gelezen.
Hilarisch dunkt me verder dat gratis marketingadvies aan de klimaatjongeren inzake het momentum overbodig lijkt. De Zweedse Greta Thunberg, bij wie de revolte werkelijk begon, heeft lak aan meer of minder goed bedoelende communicatiewetten. Ze glimlacht niet eens bij haar toespraken en bij het verstrekken van de ik-boodschap spreekt ze namens iedereen, klaagt expliciet ‘jullie’ aan. Of wordt haar dit vergeven vanwege haar Asperger die ze zelf relateert aan haar vasthoudendheid? 
Het spijt me verschrikkelijk, maar bij zulke voorbeelden lukt het me niet de bloglier nu al aan de wilgen te hangen.