vrijdag 26 maart 2010

Coreferenties (1)

Vandaag: redacteur, neerlandicus en publicist Bertram Mourits (1969). Hij werkt als redacteur bij uitgeverij Contact, die geen literair tijdschrift in het fonds heeft. De handelseditie van zijn proefschrift verscheen in 2001 onder de titel Zestig. Een nieuwe datum in de poëzie (uitgeverij Podium). Hij schrijft over poëzie voor Poëziekrant en voor De Revisor. In laatstgenoemd literair tijdschrift boog hij zich onder meer over het fenomeen ‘non-fictie’ en over ‘de canon’. Verwante onderwerpen sneed hij aan in NRC Handelsblad, met artikelen over ‘literaire thrillers’ en over ‘leesbevordering’, en op De Contrabas met een posting over het publieksbereik van poëzie.

Ik heb wel eens een dichter ontdekt in een literair tijdschrift. Een tijdschrift van papier, dat zes keer per jaar verscheen, met standaard een enigszins arrogant gesteld redactioneel. Ik wil maar zeggen: het literaire tijdschrift heeft zich voor mijn redacteurschap als kweekvijver wel eens bewezen. Tenminste een keer, en als die andere auteur het geplande werk ooit nog voltooit, misschien wel twee keer.
Ik ben een nogal ouderwetse redacteur.
‘Ik heb ooit nog wel eens een dichter ontdekt…’ schreef ik in eerste instantie, alsof het een lang vervlogen gewoonte is om dichters in literaire tijdschriften te ontdekken. En ik moet toegeven, vaak gebeurt het me niet – maar voor elke schrijver of dichter die door een tijdschrift is ‘voorontdekt’ kun je dankbaar zijn.
Is het genoeg? Ja, waarom niet? Hadden het er tien moeten zijn?
Is het de rechtvaardiging van het bestaan van tijdschriften? Dat is een andere vraag.

Er is vorig jaar veel te doen geweest over deze vermeende ‘kweekvijverfunctie’ (google het maar, ik heb geen zin te recapituleren, er werd gegoocheld met statistieken en percentages) – maar er is al decennialang geen literair tijdschrift geweest dat niet meer dan slechts kweekvijver wilde zijn. Soms blijven de aanvullende pretenties beperkt (voorpublicatieorgaan van de uitgeverij die het tijdschrift praktisch ondersteunt), soms willen ze wat meer (cultureel-maatschappelijk-politiek debatcentrum zijn, bijvoorbeeld).
Heb je daar een tijdschrift voor nodig?
Nee, lijkt het voor de hand liggende antwoord. Want een debat op internet, wat is er levendiger dan dat? Is internet daar niet bij uitstek voor gemaakt? Toch ben ik ook wat dat betreft ouderwets: ongefilterde debatten die breed uitwaaieren onder korte bijdragen aan weblogs leveren zelden iets op dat ik met genoegen lees, laat staan vaker dan eens. Om nog maar te zwijgen over de mogelijkheid aan dergelijke discussies mee te doen.
Ik zei het al, ik ben waarschijnlijk ouderwets – als redacteur, als lezer.

Bovendien is het literaire tijdschrift verreweg het aangenaamste podium om iets te beweren. Niemand vraagt je een boodschap mínder genuanceerd op te schrijven. Het grootste nadeel – vrijwel niemand ziet wat je schrijft – is misschien juist wel een voordeel. Hoe aangenaam is het niet om voor vrijwel niemand te schrijven, is dat niet de beste plek om te essayeren? Waar kun je iets proberen dat mag mislukken, waar kan de conclusie van een fors essay een daverend ‘Ik Weet Het Niet’ zijn, zonder dat het essay als mislukt beschouwd moet worden?
Natuurlijk is juist dat een reden dat veel van die tijdschriften aan het omvallen zijn – ze zijn er niet om een plek te bieden aan wie ongemerkt wil schrijven. Ze moeten er zijn voor lezers, zeggen de uitgevers, de subsidiegevers, de mensen die nooit een literair tijdschrift lezen.
Waar zijn die lezers gebleven? Het is in elk geval een misverstand ze op internet te zoeken. Daar zitten nu juist diezelfde mensen die het medium zo waarderen omdat ze er zelf voor kunnen schrijven. De vruchten daarvan zijn te vinden in voornoemde discussies op weblogs, waarvan de commentaren niet zelden veel langer zijn dan de oorspronkelijke stukjes. Met als nogal wezenlijk verschil dat die bijdragen niet eerst zijn gelezen door een strenge, elitaire redactie die alleen oog heeft voor zaken waar ze geen oog voor hebben. Dol ben ik, op dergelijke redacties.

Enige tijd geleden opperde ik – kort en ongenuanceerd in NRC Handelsblad, uitgebreider en genuanceerder in De Revisor – dat lezers van literatuur er goed aan zouden doen om zich eens te willen laten verrassen. (Eigenlijk ging het stuk over de steeds grotere invloed van marketing op het literaire bedrijf, en wat dat zegt over de betekenis van de term ‘literatuur’, maar het mondde uit in iets dat als een pleidooi voor onvoorspelbaarheid gelezen kon worden). Dat pleidooi was naïef maar (geloof me) moedwillig naïef. Hoe naïef, realiseerde ik me echter pas toen ik, tegelijk met de vraag of ik het stukje wilde schrijven dat u nu leest, de vraag voorgelegd kreeg of een dergelijke verrassing ‘ook mogelijk zou zijn met literaire tijdschriften’.
Het antwoord op die vraag is bevestigend, volmondig zelfs, want ik realiseerde me onmiddellijk: dat is de beschrijving van een literair tijdschrift op zijn best. Een bekende auteur, een beetje debat, en dan iets raars, iets onbekends, iets dat mislukt, iets wat je hoofdschuddend bekijkt. Dat waren en zijn de meeste literaire tijdschriften ook. Hoe minder lezers, hoe hoger de kwaliteit, des te glorieuzer de mislukkingen.
Maar als redacteur die zich bekommert om acquisitie zit ik niet op die mislukkingen te wachten – hoe verder, is inderdaad de vraag. Dus wat nu?
Ik weet het niet.
De uitgeverij waarvoor ik werk organiseert soms een schrijfwedstrijd; ik geef zelf een schrijfcursus. En als de schijn niet enorm bedriegt: ook dat is een methode om echte schrijvers te vinden. Voor non-fictie zijn krant en opinieblad als bron steeds belangrijker geworden – en dan zijn er in Nederland ook enkele literair agenten actief, niet zoveel (nog), die nu en dan, niet zo vaak (nog) nieuw talent aanboren. In elk geval nauwelijks talent dat literaire tijdschriften bereikt, constateert een verbaasde Paul Sebes: ‘Al jaren proberen wij als literair agenten om nieuwe schrijvers in de literaire tijdschriften te krijgen. Je zou zeggen dat dat voor ons niet moeilijk zou moeten zijn aangezien die redacties worden bevolkt door redacteuren en schrijvers die wij goed kennen. Na vele pogingen om goede korte verhalen geplaatst te krijgen, zijn we maar gestopt omdat we zelden of nooit een reactie krijgen.’ Tijdschriften en agent(en) werken blijkbaar (nog?) langs elkaar heen.

De Revisor is inmiddels bezig haar activiteiten naar internet te verplaatsen. De vorige redactie plaatste wel eens een stuk van mij, als de nieuwe redactie dat wil, zal ik ook graag voor de elektronische Revisor schrijven.
Ik weet het niet.
Ik schrijf ook wel eens voor De Reactor – zullen die stukjes een grotere of juist kleinere impact hebben? Ellenlange discussies hebben zich tot nog toe onder mijn bijdragen (zoveel heb ik nog niet geschreven) niet ontsponnen – dat is me alleen gebeurd toen ik een keer in de krant over literaire thrillers schreef.
Gaat er wat verloren als alle literaire tijdschriften verdwijnen of websites worden? Is het erg dat Raster, Maatstaf, De Revisor, Bunker Hill, enzovoorts verdwenen zijn?
Retorisch gezien zou ik ook nu ‘Ik weet het niet’ moeten antwoorden, maar dat gaat me te ver: ja, natuurlijk is er wat verloren gegaan met het verdwijnen van al deze tijdschriften.
Het is nog even afwachten wat ervoor in de plaats komt. Komen er op internet plekken waar bijdragen van het soort dat in literaire tijdschriften staat, niet alleen een plek kunnen vinden maar ook gelezen worden? Komt er discussie van niveau? Zullen De Revisor, De Reactor, en wie weet welk Literair Tijdschrift Punt NL ooit debatcentra van niveau kunnen worden? Zullen redacties alle bijdragen gaan modereren? Zal dat elke discussie niet juist in de kiem smoren? Valt er eigenlijk wel op normale toon te debatteren op internet? Moeten we dat misschien eerst maar eens leren?

4 opmerkingen:

  1. Mooi stuk. Vooral de onbestemdheid ervan...;-)

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Martijn Benders27 maart 2010 om 08:25

    Ik vind het een slecht stuk. Hoeveel woorden heb je nodig om iets te zeggen wat iedereen allang weet? En dan afsluiten met het typische 'toontje-bronstroep' van de fatsoensrakker. Dit is toch geen literatuur. Het is oeverloos gekakel zonder enige scherpte.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. De kwalificatie ‘onbestemd’ geeft met terugwerkende kracht richting aan een gesprek dat ik onlangs had over Facebook. Ik snapte namelijk niet wat mensen daar naartoe beweegt. Maar nu weet ik het: bestemde boodschappen. Daarom lijkt me een uitspraak als ‘Ik weet het niet’ behalve moedig, en in zekere zin onfatsoenlijk, ook geschikt voor de publieke ruimte.
    Wel een vraag bij het Sebes-onbegrip. Het kan te wijten zijn aan het themanummervirus, maar zou het ook kunnen dat literaire bladen bepaalde maatstaven hanteren? Dit mede vanwege een andere quote van hem: ‘Ik vind het heerlijk om nieuwe mensen te leren kennen die frisse ideeën hebben. […] Maar als ik een half jaar aan een project heb gewerkt, is die interesse wel een beetje over. Het hele proces dat op de aankoop van een manuscript volgt, zoals de bureauredactie en de correcties enzovoort, vind ik afschuwelijk’ (De Morgen, 1-7-2009).

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Martijn Benders27 maart 2010 om 21:21

    "Some people talk in their sleep. Lecturers talk while other people sleep." Albert Camus

    BeantwoordenVerwijderen