vrijdag 24 januari 2020

Een gerecht met kikkererwten



Na een jeugd, taalstudie, weer een stuk leven, werkzaamheid in taalbranches en een zonovergoten najaarsfietstocht door mijn geboorteland, vogelperspectievend als aanstaand vader, ontdekte ik, amper terug over de grens in de buurt van Hoogstraten, wat mijn taal is. We waren ons op een terras moed aan het indrinken voor de snok naar huis, toen een groep fietsbejaarden in fluohessen onder luid gebabbel neerstreek.
Gekwek.
Mijn vermoeide lichaam luisterde niet en maar sprong onmiddellijk op door een toonhoogte, ritme en gelach in de pauzemomenten. Recent berichtte ik over onbegrijpelijke uitdrukkingen van weleer als ‘Dat zei m’n vrouw ook vannacht’ en daar sloot het terrasgekwek, zonder woorden nog voor mij, naadloos op aan.
Vacuümzuigend.
Mijn ontdekking was simultaan dat ik mijn eigen taal nooit heb gesproken omdat ik haar niet beheers. In mijn jeugd achtten mijn ouders het opwaartsemobiliteitshalve verstandiger elk dialect uit te bannen, waarna mijn hulpeloze soortement Standaardnederlands tijdens de studie aan de andere randkant van het land evenmin aansloot bij de directe omgeving, zoals ik in België taal uitstoot die ook al niet overeenkomt met mijn biotoop (Vlamingen misprijzen bovendien zwakke imitaties).
Wat ik op het terras in Hoogstraten meende te horen was die verboden taal uit mijn jeugd, waaruit ik vervolgens heb geprobeerd mijn dichterlijke zwanenzang Onze Nietzsche op te trekken. Ik vrees dat die op buitenstaanders, net als het Vlaams, ‘sappig’ en ‘gezellig’ overkomt en waarschijnlijk een beetje dom. Toen ik het spoor eenmaal geroken had moest ik verder, zodat ik dit landseigen in een vertaling uiteindelijk wist te lokaliseren als West-Noordbrabants.
Het klinkt verschrikkelijk snobby zo precies te zijn. Maar onlangs vertoonde de geboortelandtelevisie de prachtige film Hemelrijken, die zich afspeelde rond Eindhoven en waarvan de acteurs lof kregen voor hun authentieke taalgebruik. Mij kwam hun Oost-Noordbrabants inderdaad niet integraal vertrouwd voor. Wel werd de hele film ondertiteld. Zo kreeg ‘houdoe’ de verklaring ‘groetjes’, ‘doei’ en ‘tot ziens’.
Misschien klonk dit patois voor de doorsnee kijker als Esperanto. Uit het immens belangrijke Gutenbergproject valt op te maken dat die gemeenschapstaal nog een beetje alive and kicking is. Bijvoorbeeld de eerste inaugurele rede van Barack Obama, uit 2009 dus, heeft een versie in het Esperanto.
Ook voorradig in die taal is Hendrik Consciences mij onbekende roman Rikke-tikke-tak. Daarin vindt mijn oog spoedig dit gedichtje:

Rikke-tikke-tak, Rikke-tikke-tu!
Fero varmiĝas,
Brako leviĝas.
Frapu vi, nu!
Rikke-tikke-tu.

Al doorsurfend op de DBNL is dit de vertaling van:

Rikke-tikke-tak, Rikke-tikke-toe!
IJzer warm,
Hoog den arm!
Slaat maar toe,
Rikke-tikke-toe.

Het blijkt een liedje. Toevallig? Wat ik wel zeker weet is dat ik recent even helemaal terug was thuis bij de kennismaking met een kakelverse carnavalshit uit mijn geboortestad die Hilversum blijkt te hebben gehaald. Ik besefte andermaal dat het dan niet alleen om taal gaat, maar evenzeer om een sublieme meligheid. Het onderwerp is veganisme, de zanger heet hoogst voorspelbaar Peter Selie en de refreinregel luidt ‘Ik heb een gerecht met kikkererwten maar hoemoes dà òk alweer’.
Eigenlijk toont het liedje hogere woordgrapkunde, door etenswaren op te sommen waar een dier in vernoemd is. Was zoiets niet de specialiteit van Battus met zijn Opperlans, of toch die van een leraar biologie te Breda? De clip serveert bovendien een specialiteit van het feest die mij nooit is geworden: meedoen. Alle carnavalisten ogen tenminste naturel en vrolijk bij hun gehos.
En passant beslecht Selie een spellingkwestie over het bezongen gerecht. Blijkbaar geen houmous, noch humus, maar onomatopoëtisch vanuit het West-Noordbrabants: hoemoes.

donderdag 16 januari 2020

De gevangen indirecte rede



Nog even over stijl. Terwijl Thomése een overdreven niet-aflatend orerend vertellerspersonage inzette, sluipt door Robert Vuijsjes Salomons oordeel, waarvan de cover net tot mooiste van het afgelopen jaar uitgeroepen is, een verteller zonder onderscheidende kenmerken. Maar sporadisch is deze extreem vatbaar voor registers.
Er zijn voor dit virus twee bronnen. Allereerst het titelpersonage, een opgroeiende jongen die de taal van zijn klasgenoten en vrienden overneemt. Maar ook vader Max zorgt voor taalinstroom, wanneer hij zich al wereldverbeterend tracht aan te sluiten bij een antiracismebeweging. Alleen moeder Alissa, de derde informatiebron in Salomons oordeel, toont zich immuun voor zulke taalinvloeden.
Wat heeft dat voor effecten? Normaal is het bij een vrije indirecte rede onduidelijk wie er spreekt, maar in deze roman neemt het personage er het voortouw:

‘De kinderen gingen op de bank zitten. Hoe moest Alissa ze noemen? Jongeren? Kids? Vanuit de keuken kon Alissa ze horen praten. Het ging over waar ze vanavond heen wilden. In de Melkweg was een Encore-feest. Volgens Salomon was dat feest hard en dik en vadsig en sick en ook ziek en misschien zelfs lekker ratched, hij sowieso zin om daar te shinen met zijn dansies, maar hij moest in de Milky Way niet dezelfde kaolo boelers zien die vorige keer tof probeerden te doen bij hem, anders zou hij ze klappen.
Max zat nog op zijn werk, het was half zeven op vrijdagavond. Hij belde dat het iets later werd en dat hij hoopte zo naar huis te kunnen. Alissa wilde niet tegen Salomon zeggen dat hij moest ophouden met die straattaal voordat zijn vader thuiskwam. Maar ze hoopte wel dat hij ermee zou ophouden voordat zijn vader thuiskwam.’

Halverwege de eerste alinea verschuift het taalperspectief en kan Alissa noch verteller, terwijl er bepaald overbodig ‘volgens Salomon’ staat, niet langer de bron zijn. Wel dient de vraag zich aan of zoonlief helemaal zelf spreekt, of compleet zijn omgeving imiteert waartoe hij wil behoren.
Via Max komt er in de roman dan weer informatie binnen van zijn geëngageerde oud-klasgenoot Safara (die eigenlijk Sara heet), bijvoorbeeld over haar Surinaamse adoptiekind Denzel (die eigenlijk Dennis heet). Als enige zwarte kind op een basisschool krijgt het in de eindmusical de enige kwaaie rol, van inbreker. Daarna stapt Safara naar de directeur, die Martijn de Vries heet en dus ‘een witte man’ is:

‘De directeur hing een lang verhaal op tegen Safara. Niemand had erbij nagedacht tijdens het verdelen van de rollen. En waar ging het nou eigenlijk over, het was maar een rol in een musical. Martijn de Vries stelde dit niet op prijs, hoe Safara hem ervan beschuldigde een racist te zijn. Het werd een shameful vertoning, een cocktail van male fragility, white innocence en toxic masculinity, uitgevoerd door een schooldirecteur die haar probeerde te silencen, terwijl hij het juist was die de basics van machtsverhoudingen nog steeds niet begreep.’

In deze vrije indirecte rede kan vanaf de racismebeschuldiging iedereen aan het woord zijn behalve de verteller. Wat een paradox van dit delicate literariteitje: geen interferentie te bespeuren. De vraag is dan of Vuijsje hier een technische innovatie doorvoert of dat hij voor de gemakkelijkste weg kiest door een volstrekt ongeloofwaardig taalgebruik binnen te sluizen.
Zo hoog de densiteit van het jargon ineens is. Wel daagt me ineens wat het begrip ‘overtoerisme’ ongeveer betekent (meer ketchup dan worst).
Personages worden er marionetten van. Behalve Alissa dan, het enige echte zwarte personage. Ze kreeg van haar moeder twee deprimerend clichématige lessen:

‘Les één: vanuit witte mensen geredeneerd kijken zwarte mensen altijd boos. En dan praten ze ook nog gepassioneerd en met hun handen. Dus doe je best om overdreven rustig en niet-bedreigend te praten.
Les twee: als je zwart bent kun je geen fouten maken. Ze worden je niet vergeven en de fout die jij maakt is automatisch van toepassing op alle zwarte mensen. Als jij één keer te laat op je werk komt is het een bevestiging: zie je wel, ze zijn altijd te laat. Als je een spelfout maakt is dat niet een spelfout, maar een signaal dat je de taal niet beheerst.’

Mij lijkt dat witte schoolmeesters met een beetje talent voor empathie de slotregel van les twee ter harte mogen nemen.
Vuijsje hoedt zich in Salomons oordeel ondertussen voor taalfouten door zo elementair te stileren dat de kans op een misser nihil wordt. Een decennium eerder had hij met de roman Alleen maar nette mensen dezelfde strategie. En al sluit hij zo vlekjes van grammaticale aard uit, de personages blijven buitenkantelijk. Marionetten, schreef ik routineus. Maar misschien zijn het ideeëndragers.

maandag 6 januari 2020

Het tegemoetkomend voornaamwoord





Stileert Tommy Wieringa kunstig of handig? In zijn roman Dit zijn de namen (2013) mijdt hij verbuigingen van een persoonlijk voornaamwoord waarvoor de taaltelefoon geraadpleegd zou moeten worden: ‘Het had ze nooit aan iets ontbroken’. Maar ook wie de hun-henkwestie niet als gedateerd beschouwt, wordt zo tegemoetgekomen. Die aandrang blijkt evengoed uit de verdoezeling van het reflexief pronomen: ‘Langzaam vouwde de dag open achter hen.’
Op de Behaagschaal van Nul tot Tien twijfelt mijn oordeel nog over beeldspraak als ‘De ataman was te groot voor tunnels, hij zou erin vast komen te zitten als een kurk in een fles’ en ‘Zijn hart sprong als een kikker rond in zijn borst’.
P.F. Thomése vluchtte op een andere manier naar voren in Ik, J. Kessels (2018): ‘Jazeker, het greep me bij de kladden. Of bij de strot. Of waar dat verrotte gevoel zich ook verborgen hield.’ Een parodie op een vlottebabbelstijl, die hij decennia eerder had gelaakt, mede door te ageren tegen bemiddelaars die literatuur samenvatten in andere woorden. Zo vertaalt het vertellerspersonage ‘wat in de kantiaanse esthetica “het sublieme” wordt genoemd’ als ‘een overdonderend hete donder’. Wanneer die dan opduikt in de gedaante van een oversekste gescheiden vrouw, evalueert hij een lauw triootje: ‘Zo onvrij in zijn obsessieve doelgerichtheid, zo eendimensionaal van de penis geacht, deze meelijwekkende mannelijke machtsfantasieën. Alsof ik bang voor de hele vrouw was en haar daarom wilde kleineren tot borsten en billen. Elke bladzijde getuigde van de reductie van de vrouw tot object van obligate masculiene onderdrukkingsmechanismen.’
Raar is wel dat een parodie over the top wil zijn, terwijl het citaat under the top blijft. Springend als een kikker, of moet de kurk nog uit de fles komen?

vrijdag 27 december 2019

Alles in de wereld




Soms kan een uitnodiging zo onbegrijpelijk gul zijn, een gebeurtenis zo ingrijpend, een analyse zo complex dat er louter redding annex toevlucht te vinden lijkt in een ‘NEE’. Het hoeft niet eens te worden uitgesproken – in België is zwijgen het omgekeerde van toestemmen.
Interessant vind ik het wanneer het nee wordt betwist. Dat krijgen ouders voor hun kiezen wanneer de wens bij het dienstdoende kind te veel als feit overkomt. Sommigen zetten dan hun hakken in het zand, en wel zo diep dat het lachwekkend wordt. Met ‘nooit ofte nimmer’ bijvoorbeeld, dat van het toch prachtige nimmer (vgl. de Nimmer Dralend Reeks) een treurwillige maakt. Of ‘geen denken aan’ en ‘geen haar op mijn hoofd’, die geen tot een gutturaalzwemmer degraderen.
Ambrose Bierce ontwierp voor zulke ontkenningen een naar niets doorverwijzend lemma: Deny, see Hurl back the allegation, door Bindervoet & Henkes schitterend vertaald als ‘De aantijging verre van zich werpen’.
De ontkenning kan ook in omgekeerde pedagogische richting gaan. Dan bekruipt ouders sterk de indruk dat monstertjelief heeft gelogen. In de twintigste-eeuwse prehistorie, toen ik officieel jong was, werd die insinuatie gepareerd met ‘nietes’ of ‘heus niet’. Of met ‘nooit geen’ dat het beproefde zwemwoordje op het droge trekt. Nu zal de ontkenning ‘echt niet’ luiden, of ‘absoluut niet’, ‘no way’, ‘van je nooit niet’, ‘never nooit’. Behalve dat de twee laatste uitdrukkingen oerlelijk zijn, dragen ze onlogica in zich. Tweemaal ontkennen is bevestigen, zoals min maal min plus heet, behalve bij ‘I can’t get no satisfaction’.
Alles van dat vind ik toch nog altijd draaglijker dan kwalificaties die met on- beginnen. Met ‘ongezien’ flipperde ik al eens, ‘ongehoord’ behoeft geen krans meer – en ‘onzalig’, ach.
Ook heeft het Nederlands fijne alternatieven. Woordjes als ‘evenmin’ en ‘noch‘, ze zijn wonderen van efficiency, in het besef dat hét liedje in dezen al articuleerde: ‘Nee kost dubbel denken’. Hoe spilziek en onzeker zijn dan gebruikers die hun zinnetjes funderen op ‘noch… noch’.
Versterkende ontkenningen hebben desalniettemin nochtans niettegenstaande best iets wat charme mag heten. Die bovendien een stuk groter is dan de ontkennende bevestiging die de litotes wordt genoemd en naar verluidt ironische, zeg maar niet onleuke bijklanken heeft. Ik ergerde me er al aan voor ik kennisgemaakt had met die term. Omdat collega-pubers er de kerk mee in het midden wilden houden, bang als ze waren een foute mening te plengen. De litotes bleek de diplomaat tussen de stijlfiguren.
Later, toen ik studeerde en behoorde te weten, leek de litotes toe te behoren aan wetenschappers die per woord werden betaald. Aardige schrijvers die ze ‘niet onverdienstelijk’ noemden, yeah right.

donderdag 19 december 2019

Het theewater





Hopelijk zal er flink gelachen worden, nu men na zijn dood herinneringen begint op te halen. J.A. Deelder was een aansprekende dichter, die een publiek bereikte dat normaal niet bovenmatig in poëzie was geïnteresseerd. Zo’n actieradius had zijn kompaan Herman Brood ook, met wie hij samen werd vastgelegd in een van de bekendste gedichtsongs uit de recente geschiedenis.
Van Deelders poëzie ben ik geen kenner, wel een stille bewonderaar. Om precies te zijn trok ooit het boek Vrijwel alle gedichten aan mijn oog voorbij als in een trip met gegarandeerd positieve effecten. Mij overviel vooral verbazing. Ik dacht dat Deelder een Zestiger was, maar zijn beginperiode deed me aan Lucebert denken.
Fijn vond ik verder dat zinsneden na lustra en decennia konden terugkeren. Da’s compositie en die verbind ik met jazz, het ogenschijnlijk zo geïmproviseerde en ratioloze genre waarop Deelder tuk was. En waarmee hij ten slotte nog iets bijzonders uitrichtte.
Nu heb ik het boek opgesnord om bij potloodstreepjes een paar van zulke catchphrases te noteren: ‘De schoonmaker past de schoen die hij aantrekt’, ‘De werkelijkheid is een schaap met vier poten’, ‘Kijk eens in mijn reet of het theewater kookt’.
Passend ook dat hij die waarheden als koeien telkens anders op het blad ordende. Jazz zoekt zonder tegenbericht naar de ideaalste oplossing.
Bij de dood van een bekendheid hoort de frase dat deze zijn of haar tijd ver vooruit was, waarna een uitspraak tot bewijs dient. Ik ben daarom blij dat bij J.A. Deelder ook een ongelijk valt op te halen. Door de jaren heen bevatten zijn gedichten meermaals de observatie ‘Daar rijdt langs de wolken een boer op zijn fiets’. Dat mocht die boer willen. Vooralsnog dokkert een tractor.

dinsdag 17 december 2019

Per vierkante meter





Bij Constant Kusters op tafel staat een potje Maggi. Dat bleek uit een even retorische als schokkende documentaire over deze extreme nationalist uit Gelderland. Het potje kwam in beeld nadat Kusters, schort voor, de finishing touch had gegeven aan een gevulde groentesoep met balletjes, beginselvast getrokken uit een schenkel. Wat moet Maggi daar?
Ik ben zo lang in België dat ik dat zoute spul een beetje vergeten was. Hier is extreemnationalisme anders ook niet van de lucht, bleek ten overvloede verderop uit de documentaire, maar kennelijk zijn er grenzen aan de smaakversterking.
Uit mijn leerjaren herinner ik me dat er een onderscheid werd gemaakt tussen studenten die ieder groepsmaal (‘macaroni’, ‘chili’, ‘nasi’) begoten met Maggi en zij die daar ketjap voor gebruikten.
Aan het begin van mijn leven, ik vermoed op de grens van de jaren zestig en zeventig, was er een onbegrijpelijke grap over een stel in een tent, die veel soep aten omdat de man telkens riep ‘Maggi d’r in?’. Die vraag werd in beboterd West-Noordbrabants uitgesproken, door mannen die op dezelfde toon na een uitroep konden zeggen ‘Dat zei m’n vrouw ook vannacht’.
Vreemd is dat we wel Maggi in de kast hebben staan ergens. De wegkapitein vindt het smerig dat ik er heel soms ineens best van houd om dat op een beschuit te sprietsen en die dan in iets soeperigs te dopen. Wat zou ik onder de leden hebben? Atavisme? Wansmaak? Betekenis?
Onlangs kwam het liedje ‘Het land van vriendschap’ op de markt, waarin Lange Frans en Baas B iets onthulden over wat nog altijd mijn nationaliteit is:

Kom uit het land met de meeste culturen per vierkante meter
Schuif lekker aan om bij de buren te gaan eten

Ontroerend schampend rijm! Verraad ik me nu als taalgefixeerd? Een beluste, terechte detailkritiek rekende door dat er met de gegeven oppervlaktemaat hooguit ruimte is voor twee mensen – in een omstrengeling.
Uit een stoomcursus had ik toen al begrepen dat dit een geactualiseerde versie is van een anderhalf decennium oude klassieker, waarin het duo rapte:

Kom uit het land met de meeste culturen per vierkante meter
Maar men is bang om bij de buren te gaan eten

Dat moet gaan over de tijd dat Constant Kusters nog van de gestampte pot was. In de documentaire wil zijn dochter hem laten proeven van een Surinaams broodje, wat hij pertinent weigert. Kennelijk geurt het voldoende dat hij alsnog een piepklein hoekje afbijt en die viezigheid verder bekritiseert.
Even later, als zijn dochter niet kijkt, neemt zijn hele lichaam een onbeschaamd grote hap van dat broodje.

donderdag 5 december 2019

Gaan we sentimenteel worden?



Afscheid nam ik van twee fenomenen wier aanwezigheid me eeuwig had toegeschenen.
Na 86 jaar stopt het cultuurmaatschappelijk tijdschrift Streven zijn gedrukte versie. Ik wilde het ‘onvolprezen’ noemen, maar van een oud-redactiesecretaris verkleurt elke aanduiding. Bovendien wemelt onrecht onder het papieren graf. Enkele jaren geleden besloot de Vlaamse overheid stilletjes de subsidie voor dit blad te beëindigen, wat noopte tot tweemaandelijkse in plaats maandelijkse nummers.
Na de aangekondigde bezuinigingen in de cultuursector is het misschien ongepast zich te buigen over een dodelijk gewonde. Toch tracht ik in de geest van Streven argumenten te snappen die de mijne niet zijn. Daartoe surfte ik naar Doorbraak, waar Johan Sanctorum zich vrolijk maakte over het schier onvermijdelijke.
Zijn verkneukeling verbaast me niet. Hij is een meester van de jij-bak en bestookt de sector dus met eigen allergieën: l’art pour l’art, incrowd, bubbel, culturo, ‘ideologisch paternalistische tunnelvisie’, pensée unique, het schampere bijvoeglijk naamwoord ‘weldenkend’ waar bij Sanctorum altijd ‘links’ op volgt. Hij veelt niet dat mensen worden uitgesloten als ‘extreem-rechts’, terwijl hij de ‘extreem-linkse’ uitgeverij EPO vernoemt (jij-bakken kun je trainen!).
Natuurlijk zijn deze overtuigingen mede gestoeld op onleuke ervaringen. Zijn klacht dat hij voor een tournee over Mei ’68 geen podium kreeg in mainstream bladen en gesubsidieerde podia geloof ik best.
Wanneer onze maatschappij iets kan gebruiken is het wel wat socioloog Helmut Rosa ‘resonantie’ noemt. Ze klinkt alleen bij ‘zich kwetsbaar opstellen’ tegenover kritiek en verandering, en verstomt door zich strijdvaardig doof te houden voor het vijandige. Heden geschiedt dat tweezijdig. Ook met aanspraken van racisme & seksisme die het equivalent zijn van onbewezen complotten over linkse pers waar bezuinigingsaankondigingen voor cultuur dan kunnen gelden als revanchisme.
Polarisatie tiert slechts vruchtbaar op loopgraven, niet er quasi-veilig in.
Enige zelfkritiek zou Sanctorum sieren. Het is tevoren wel erg duidelijk wat hij over Mei ’68 te melden heeft. Mensen met idealen zijn volgens hem per definitie hypocrieten, met een trauma van hier tot aan de oudheid. Kunstenaars zijn bij voorbaat kansloos en worden subsidieslurpers, zoals G. Wilders dat noemt. De even denigrerende term ‘subsidieruif’ – alsof dieren basisrechten van een homo sapiens inpikken.
Édouard Louis heeft gewezen op de siddering bij een niet-bezittende klasse wanneer comfortabeler levende anderen zeggen even ‘geen geld meer’ te hebben. Maar wat weten we van omstandigheden elders? Valt het mensen te verwijten dat ze optimale voorwaarden proberen te scheppen? Wie bepaalt wat geschikt is voor wie?
Kordaat noemt Sanctorum de gesubsidieerde kunst van Arno Quinze anti-volks. Met als voorbeeld de controversiële oranje blokken op de Oostendse dijk. Toch maken die niet alleen mij vrolijk. Ook het hum van het taalkundig genie en de gourmande, die lastig verdacht kunnen worden van politiek-theoretische bevooroordeeldheid, stijgt er zichtbaar bij.
Gepokte verdedigingen van kunst blijven ondertussen uit. Facebookgeel zonder urgentie van de hesjes, stickertjes op de mond alsof de vrijheid van uiting weer dreigt… Beschamend dat vooralsnog narcisme alles is. Misschien moet het naar de kloten geholpen woord ‘gepassioneerd’ in zijn luister worden hersteld. Mstislav Rostropovitsj ging in 1989 tenminste niet de straat op om te lullen, maar om te poetsen! Om te laten zien wat hij kon en kunst vermag.
Laten zien moet gepaard gaan met durven aanhoren. Voorbijgaan aan preken voor eigen parochie – zie Streven. Ik durf niet te garanderen dat er zo veelstemmigheid ontstaat of dat het zelfkritisch vermogen toeneemt. Het geeft in elk geval meer kansen voor iets als een gemeenschap. Maar dat zou moeten worden uitgewerkt in een essay, genre waarvoor het blad de broedplaats was.
Nu mijn ander little rouwmakertje.

zondag 1 december 2019

Ritme




a) Een boodschap wordt geloofwaardiger door te culmineren in één lettergreep. Die verwekt doortastendheid. Bijvoorbeeld protest tegen het feit dat er in gremia vaak maar één vrouw wordt opgenomen, klinkt het beste in excuustruus. Bij sorrycorry dreigt het gevaar van moralisme. Bij pardonmadelon wordt het sneu.
b) Veel all American songs van Johnny Cash geven een elementaire, naslepende maat. Wij hoorden die opklinken, toen wij op teenslippers door droog gras liepen.
c) Om ons te mild te stemmen had de lerares besloten om bij moderne literatuur te beginnen en declameerde: ‘Ik ben geboren uit zonnegloren/ En een zucht van de ziedende zee’. Ze prees meteen de schoonheid. Fake, dachten wij vervolgens. Maar diep in ons lag het besef dat niet de tekst maar haar enthousiaste oordeel onze afkeer had opgeroepen. De lerares sprak prachtig uit als trochee (niet als spondee).

dinsdag 5 november 2019

Deel je taalkwestie en maak kans op een beloning




Vandaag is het, met of zonder Brexit, aan de overzijde van de Noordzee weer Guy Fawkes Night. In Nederland zal een enkeling de geboortedag van Herman Brood memoreren. En alsof het niet genoeg is voor 2019, beleef ik zelf evenzeer iets. Exact 25 jaar geleden werd mijn boekdebuut in Amsterdam uitgegeven en gepresenteerd bij Perdu, dat zelf inmiddels 35 jaar bestaat.
Godverdomme, een kwarteeuw! Het lijkt een eeuwigheid geleden, lalt het cliché dan. En naar de aard van dit beestje klopt het nog ook. Heel wat mensen die in deze bundel De gezel meeklonken zijn overleden, net als een enkeling die toen nog mijn leven moest komen verrijken. Gelukkig resteert er menig men en wordt het soms aangevuld.
Terwijl Brood in mijn debuutjaar bezig was met zijn zoveelste comeback, staarde ik dus naar De gezel. Hoe hoog waren mijn verwachtingen! In de eerste plaats over mijn kunde en originaliteit, vrees ik, maar toch ook over de partijen die deze grillige eigenschappen objectief en onafhankelijk zouden herkennen: de boekhandel, de kritiek, de wetenschap,… Van de lezer had ik me dan weer geen voorstelling gemaakt.
In de tussenliggende eeuwigheid zijn er wat dingetjes voorgevallen in het vak. Mijn bouwjaargenote J.K. Rowling maakte miljoenen jongeren verslaafd aan lezen. De digitalisering kreeg haar beslag, met zaligheden als e-books, halfslachtige grandioziteiten als blogs en Wikipedia, maar ook met bizarrismen als Facebook en Twitter. Ten slotte veranderde het statuut van literatuur. Ik vermoed dat mijn pretentie iets nieuws te doen, weliswaar in allerkleinste kring, nog valabel was.
In wat voor een interessant ogende transhumane termen het herkauwen van programma’s heden ook gegoten wordt, mij prikkelen ze niet. Dat vind ik hierom zo jammer, omdat het contact met jongere generaties voedend kan zijn. Voor alle betrokkenen – mij ontgaat andermaal de ratio van safe spaces, wat ongetwijfeld mijn gekleurde privileges slechts onderstreept.
Helpt het wanneer ik uit de diepste intimiteit dan beken dat 25 jaar lang mijn liedje hetzelfde is gebleven? Wel hield de originaliteitsillusie louter in mij stand bij gebrek aan belezenheid. Trans-Atlantisch bleek de Language-beweging al een tijdje doende.
Misschien wordt de tegenwoordig voor mij belangrijkste dichter der Lage Landen niet als dichter beschouwd. Dat maakt Typhoon geen snars minder relevant, en van zijn impulsen leer ik telkens wanneer zijn muziek door ons huis schalt of onderweg in mijn oortjes klinkt.
Dit beweer ik als gepensioneerd dichter, die destijds overigens minstens zo intensief worstelde met het prozagenre. Ik herinner me een verhaal over een dorpje op Kreta waar de hoofdfiguur niet weg raakte. Mij ontbrak het aan besluitvaardigheid en literair inzicht of deze figuur definitief achterbleef of juist kon ontkomen. Ten einde raad liet ik hem instappen in een bus, waarna hij een hand op zijn schouder voelde. Mij is het nog steeds een raadsel wat dat moest betekenen, laat staan wat dat in de verhaalwerkelijkheid voor een gevolg zou hebben. Door de televisieserie De luizenmoeder is me wel duidelijk dat zo’n hand-aan-het-slot kan fungeren als cliffhanger.
Enfin, niet elke wijsheid groeit met de jaren. En wat ik hier vooral wil meedelen is dat ter gelegenheid van mijn jubileum een boek verschijnt met een selectie uit mijn columns en notities over taal. Het heet Zilverlingen en het wordt op 1 december gepresenteerd – voorgesteld, heet dat in België – in de mooiste boekhandel van het land.
Bij die feestelijke gelegenheid zal ik me uitgeven voor taaldeskundige. Ik weet nog niet of ik dan een pet, een hoed of een fez moet opzetten, maar even ernstig als moeiteloos zullen mij antwoorden ontglippen op prangende kwesties uit Nederland en België. Die taalopmerkingen kunnen tevoren worden ingestuurd op dit mailadres. Naar de drie meest bijzondere observaties, of beter naar degenen die zo vriendelijk zijn geweest ze te formuleren, gaat gratis een exemplaar van Zilverlingen, desnoods met onleesbare handtekening.

woensdag 23 oktober 2019

Trick or treat




Sinds deze maand is een voor mij dierbare plek in Den Haag een nieuw leven begonnen. Het Gemeentemuseum heet nu Kunstmuseum. Die naam was al bij een enquête in 2000 opgedoken. Maar nu heeft een merkenbureau er zijn zegen aan gegeven.
Pas toen ik dat las, begon het in mij te bibberen. Zo’n bureau is in mijn branche eens op de proppen gekomen met de naam Selexyz. Pas nadat de betreffende klant, een boekhandelsketen met een respectabele geschiedenis, failliet was gegaan terwijl ik de naam nog altijd niet kon spellen, begreep ik dat er de slotletters van het alfabet in waren gedemonstreerd.
Volgens de museumdirecteur was de verandering onvermijdelijk. Wanneer hij zich aan collega’s in het buitenland voorstelde, dacht men met een heemkundig huis van doen te hebben (‘Municipality Museum’). Ik zou denken dat die naam dan een handig schiftingsvraagje in zich droeg. Wie het Gemeentemuseum niet kent, voor de een geliefd en voor de ander berucht om de Victory Boogie Woogie, is op dat niveau geen tijd en aandacht waard.
Een tweede argument voor de naamsverandering vond de directeur in het publiek dat zijn museum aandeed, soms na aankondiging per telefoon. Men dacht er geboorteaktes, rijbewijzen en paspoorten te kunnen halen. In die inderdaad onverwachte praktijk zou ik veeleer reden zien om de naam te handhaven. Zo komen er nog eens mensen in een museum, die normaliter wegens waanbeelden over elites wegblijven. En gelukkig is de Haagse collectie van dien aard, dat niemand er zich zal vervelen.
Bij nader inzien is het de vraag of zo’n gebouw dan optimaal functioneert. Voor een antwoord trek ik een parallel die mogelijk niet helemaal recht loopt.
In mijn woonplaats was er een erg fijne bibliotheek met een grote collectie. Maar omdat het er soms lekte en de gemeente gelden wist te verwerven om een prachtig ruïneklooster te renoveren, verhuisde de hele onderneming. Sindsdien is het aantal bezoekers spectaculair gestegen.
Mijn vraag moet ik herformuleren. Moet een bibliotheek een toeristische trekpleister zijn? Op de begane grond is er bijvoorbeeld een groot rustiek restaurant, waarover de burgemeester meteen heeft gezegd dat hij er na zijn pensioen elke dag koffie zal komen drinken.
Volgens mij kan hij beter boeken komen lezen. Oei, ik verraad mijn obsessie met het verschijnsel bibliotheek. Ik was gewend er te zoeken en te vinden. Ideaal voor het werk dat ik doe, dat kennis verlangt die niet altijd uit internet te knippen is.
In de monumentaal gerenoveerde bibliotheek zijn boeken decor geworden, wel mooi uitgelicht. Er staat ook niet erg veel meer, wat het extra treurig maakt dat aan deze renovatie en bestemming veel politieke steun is gegeven door de Groenen, die diversiteit willen nastreven.
Een grote collectie zou wellicht storend zijn, en misschien resulteren in een rommelige aanblik. Ik heb al moeten uitwijken voor een jong koppel dat er zijn bruidsreportage liet maken; daarna bestelde ik een titel uit het magazijn en ontving binnen een week een mail dat het boek op te halen was.
In een tijd waarin scenario’s over de toekomst van het lezen zich in Armageddon afspelen, verwacht deze nieuwe bibliotheek van kinderen dat ze naar de allerbovenste verdieping gaan. Mogelijk om een spannend sfeertje te scheppen onder het historische houten dak. Of toch om volwassenen niet tot last te zijn bij het drinken van hun allerindividueelste koffie?
Gelukkig moet ik soms in de oude, eveneens herbestemde bibliotheek zijn, om ons groentepakket op te pikken. Gezond en verantwoord sentimenteel worden, er zit niks anders op.
Wel word ik alsnog gegrepen door de nieuwe naam voor het Haagse patrimonium. Wie noemt een museum nu Kunstmuseum, dacht ik eerst met een hoog smaalpercentage. Je spreekt toch ook niet over broodbakkers en vleesslagers? Maar gebakkenluchtbakkers zijn van alle tijden en in Nederland bestaat al een vegetarische slager. Zouden er op termijn dus naast nu zo gewaardeerde experience- annex welnessbibliotheken ook boekenbibliotheken verschijnen? Als niche voor zonderlingen, zeg maar, desnoods vintage?
Overigens dunkt me dat de werkelijkheid zich in deze kwestie van haar grappigste zijde toont. De Haagse directeur heet Tempel, even toepasselijk als toen een Belgisch telecombedrijf werd geleid door iemand op wiens geboorteakte Bellens stond.
Daarnaast wil ik het soortelijk gewicht van het Kunstmuseum gratis verhogen door deze naam metaleptisch te noemen. Zo krijgt een naakte gedachtesprong van mij tenminste een jasje aan. De Haagse innovatie deed me in laatste instantie namelijk grijpen naar de Van Dale. En verrek, sinds oktober 2006 is daar het volgende lemma beschikbaar:

Van Dale
zelfstandig naamwoordde mVan Dales
1 omvattend en gezaghebbend woordenboek dat in spelling- en semantische kwesties als scheidsrechter wordt aangehaald, m.n. van het merk Van Dale
volgens Van Dale
de Dikke, Grote Van Dale

Ik weet alleen niet of ‘aangehaald’ hier het juiste woord is. Mogelijk is ‘ingezet’ net iets exacter. Maar dat is de indruk van iemand die naar mijn idee al te graag victorie kraait.

woensdag 9 oktober 2019

Moet je entameren leren?






Goeie bal! Dat dacht ik bij het nieuws dat het tijdschrift DWB een nummer had gewijd aan Het literair klimaat 2010-2019. Fanate lezers als ik missen het bredere perspectief waarin we opereren. Voor het poëziegenre bestaan daarover al twee boeken, die ik trouwens niet zo geweldig vond, maar nu wordt er waarlijk een gooi gedaan naar een Olympisch overzicht. Inspiratie voor hun onderneming vonden de samenstellers in de nuchtere contemporain-historische reeks Het literair klimaat, ontsproten aan het strikt tekstanalytische Literair lustrum, en in het bredere en gewaagdere Nederlandse literatuur. Een geschiedenis.
Conform de opzet van laatstgenoemd werk is voor DWB elk van de tien jaren tussen 2010 en 2019 opgehangen aan een betekenisvolle aanleiding. Samen weerspiegelen de teksten veranderingen in literatuur die in de inleiding worden herleid tot drie ‘constellaties: (literaire) infrastructuur, verbinding en activisme’. De stelling is dan dat deze kunstvorm het juk van de autonomie heeft afgeworpen en in het afgelopen decennium haar heteronomie aan lezers toonde. Voor ‘nieuwe niches en gemeenschappen’.
Literatuur zou dus werelden openleggen die eindelijk rijmen met de samenstelling van de gehele bevolking in Nederland en België. Bizar is dat de artikelen zelf de suggestie wekken dat sinds 2010 eenzijdigheid is ingetreden, qua geboorteland, leeftijd, poëtica en zelfs politieke voorkeur. Maar al tijdens mijn lectuur van het nummer bekroop me de sensatie dat ik sinds de millenniumwisseling op een andere planeet leef, verkokerd en al. Anders heb ik bijvoorbeeld geen verklaring voor ‘de belangrijke positie die het essay als genre inneemt in de 21e-eeuwse literatuur’. Mij staat nog de crowdfunding bij om Peter van Liers poëzie-essayboek Geachte afwezigen mogelijk te maken, na verschijning waarvan het wederom stil werd.
De samenstellers berichten dat in het nummer de nadruk meer op Nederland ligt dan op Vlaanderen. Dat is een understatement. Van de tien bijdragen gaan er twee over het kleine broertje, met wiens gezondheid het barslecht blijkt gesteld. Een derde bijdrage over de fondspromotie van laaglandse literatuur zegt meer dan eens dat België achterbleef. Tussen de elf medewerkers aan dit nummer zitten twee Belgen, die in Nederland werkzaam zijn. En dat allemaal in het Vlaamse tijdschrift DWB.
Wanneer ik probeer te recapituleren wat er uit het gigantische boekenaanbod volgens dit nummer wel toe doet, dan gaat het om een klein aantal Noord-Nederlandse millennials. DWB situeert hen in collega-media De Groene Amsterdammer, De Gids, De Correspondent en Dag Mag(azin), die ‘hubs’ worden genoemd. Aan de rand is plaats voor nY en Samplekanon. Laat ik die blik dan ook maar verkokerd noemen, zich openbarend in een commentaar op de dichtregels: ‘De pinautomaat is kunststof dat alleen maar geld gaf / om te kunnen doordromen, de mannen met baarden / zagen het al’. Geduid worden deze meneren als bankbestuurders of intellectuelen.
De belangrijkste auteurs van het nu bijna afgelopen decennium zijn volgens dit nummer Niña Weijers en Nina Polak. Beiden publiceerden twee romans. Dat ze vrouwen zijn, geeft nog een verandering aan in het decennium. Drie bijdragen signaleren de opkomst van jonge schrijfsters, met verwijzing naar een artikel van de nogal onvermijdelijke Marja Pruis – dat Herman Stevens er een heel, niet onomstreden boek aan wijdde blijft buiten beeld. We leren bijvoorbeeld dat deze schrijfsters een kookclub hebben die De Herenclub van Harry Mulisch degradeert tot ‘voorgoed verleden tijd’. Niks te vroeg! Toch vraag ik me af of die vestiging van schrijfsters een kwantitatief argument is, voor met name proza.
Weijers en Polak fungeren exclusief in de titel van een bijdrage die vijftien namen als vernieuwende generatie karakteriseert. Wanneer ze op een rijtje staan, frappeert allereerst dat er één Vlaming tussen figureert (die volgens mij naar Amsterdam verhuisde). Toch zijn de vijftien ‘opgegroeid en woonachtig in de Randstad’. De vraag dringt zich op wat hen verbindt. Dat blijkt verbondenheid zelf te zijn, op affectief niveau, ook wel ‘permanente connectivity’ genoemd. Zo kunnen in het betoog digitale media meedoen, die over ‘scenario’s’ gaan en de wereld dreigen te vervangen.
Als auteur en lezer die het postmodernisme nog moest incorporeren, herken ik zulke observaties. Maar telkens vraag ik me af wat er nieuw aan is. In de door DWB aangedragen roman Wormen en engelen heeft Maarten van der Graaff zich bijvoorbeeld als dichteres geportretteerd die slogans mengt met ‘concrete situaties, herinneringen en journalistieke en wetenschappelijke informatie, waarvan ze het jargon bestudeerde (...) Voor haar bestond schrijven niet bij de gratie van of, of, maar van en, en. De aaneenschakeling van komma’s. Alles gelijktijdig, zonder eindpunt.’ Uitlatingen van Weijers over haar romanuitoefening hebben een soortgelijke originaliteit.
Verder snap ik niet waarom kwaliteitsvragen ontbreken, die voor de behandelde generatieromans van Ouariachi en Marsman opportuun lijken. Het verschil groeit met het DWB-artikel dat me het meest bekoorde. Het gaat over Insta-poëzie die jaloersmakend veel volgers aanspreekt, precies door authenticiteit en onmiddellijkheid en die gemeenschapsvormend blijkt. Tragischerwijs snakken ook deze dichters naar papieren erkenning. Het lukt hun niet een bundel gepubliceerd te krijgen. Omwille van de kwaliteit dus, die tevens een rol speelt in de gênantste bijdrage aan dit nummer. De zoveelste analyse van Griet Op de Beecks succes mondt zelfs uit in een denigrerend psychologiserend citaat. Hier wreekt zich de idee dat mensen steeds bezig zijn met ‘entameren’. Sommige wetenschappers zien in een object een type dat iets ‘heel mooi laat zien’ en ‘goed past bij’ wat zij willen parafraseren. Juist in een nummer dat steeds dezelfde auteurs opvoert, zouden andere namen in aanmerking mogen komen voor zo’n reputatiegeschiedenis.
Kwaliteitsvragen nopen tot esthetiek én ethiek. In een fijn artikel over Jef Geeraerts wordt dat helder. Discriminerende aspecten van diens Gangreen-cyclus bleven lang onbelicht, objecten bleven objecten. Waarom eindigt dit artikel dan met een droog signaleren van de bloemlezing Zwart, waarin eindelijk Afro-Europese literatuur uit de Lage Landen is gebundeld? Stemmen klinken nu op ja, maar worden alsnog op één hoop geveegd door niet te luisteren naar wat ze ieder voor zich zeggen.
Natuurlijk kunnen artikelen niet alles uitwerken, zeker niet in deze evenementiële opzet die linkt aan één jaar. En misschien volstaat het vernoemen. Zoals Van der Graaff in zijn roman een catalogus opent met gekende spelers (Acker, Lorde, I Love Dick en Luiselli tegenover ‘Roth, Hermans, Whitman, Kellendonk, Melville, Foster Wallace’), dito voorvallen (jongen kleedt zich als meisje) en opvattingen (Zwarte Piet, ‘de vrouwelijke genderrol’). Zoals ik het nu opschrijf is het krenkend. Ik bedoel dat politieke voorkeuren meer kaatsen in een spiegelpaleis dan dat ze worden uitgewerkt.

woensdag 2 oktober 2019

Tussentijds





Los van Greta Thunbergs toespraak stuit ik op een artikel uit 2014 van Zadie Smith over klimaatverandering. De schrijfster was toen net geen veertig. Ze probeert zich in te denken hoe een kleinkind later vraagt naar haar klimaatgedrag. Haar sanctioneert feitelijk, want alle verzachtende omstandigheden en verklaringen in acht genomen kan Smith zich niet voorstellen dat het meisje haar zal vergeven. Dus evenmin voor dat ‘zelfs de overmoedigsten onder ons niet hadden kunnen denken dat we het oorspronkelijke ritme en karakter van de aarde ook konden veranderen, net als een klein meisje dat de hele dag tegen haar vader heeft lopen gillen en brullen niet verwacht dat hij op een gegeven moment zelf op de keukenvloer gaat liggen’. Smith vreest dat haar toekomstige kleindochter dit niet eens als excuus aanvaardt. Onverbiddelijker dan Thunbergs verwijt dus dat volwassenen haar dromen uit haar kindertijd hebben gestolen.

Terwijl ik al vertrok voor de supermarkt, duwde een man zijn karretje naar me toe: ‘Alstublieft, een gratise kar.’ Wat aardig! Jammer dat ik er niets mee kon doen, terwijl in mijn portemonnee nota bene de geschikte munten om zo’n kar los te klikken vaak ontbreken. Ik dacht onderweg nog dat de man consequent geweest was. Wanneer hij het synoniem ‘kosteloos’ had gebruikt, of wanneer de kar ‘duur’ was geweest, dan had hij alle daarmee gemaakte adjectieven op een e laten eindigen. Heeft ‘gratis’, meer dan vier eeuwen al leenwoord uit het Latijn, nog niet helemaal die status bereikt? Of is het zo onbetaalbaar inflexibel dat het in de stellende trap niet te verbuigen valt?

Bij het recente fenomeen die-in vallen demonstranten voor dood neer in de publieke ruimte. In mij ontstaan daarbij meer gezellige dan griezelige associaties, wellicht ook ouderwetsige. Want het klinkt als ‘drive-in’, ‘sit-in’, ‘sleep-in’ en ‘teach-in’. Ik wou meer. Dankzij de Woordenlijst Nederlandse taal, waarbij een zoekactie tot de i reikte, kwam: ‘all-in’, ‘buy-in’, ‘check-in’. Verder bracht een andere site, ideaal voor eenzaatspuzzels: ’love-in’, ‘opt-in’, ‘plug-in’, ‘pop-in’, ‘stand-in’, ‘step-in’, ‘tie-in’ en ‘walk-in’. Toen meende ik dat er meer zou zijn te achterhalen, omdat ‘opt-in’ mij ooit werd uitgelegd samen met tegenhanger ‘opt-out’, zonder dat ik het begreep wat wat was. Bij de uitgang -out gaf de woordenlijst echter amper sjoege. Genoeg nieuwe woorden, daar niet van, maar geen tegenhangers, en ‘buy-in’ was al genoteerd. Nu ja, wegens ‘bail-out’ ontdek ik dat er ook ‘bail-in’ bestaat. En ‘fade-in’ en ‘lock-in’ kunnen op mijn lijstje. Nederlands blijft ontbreken. Wel krijgen vele dieren door het suffix -in een prettige vrouwelijke gedaante en nogal wat beroepen worden er empathischer van. Nu wachten op een demonstratievorm die die-out heet? Dan heeft Greta Thunberg gelijk gekregen.

woensdag 25 september 2019

Zo verdomd




Door omstandigheden heeft ‘Ik voel me zo verdomd alleen’, de debuutsingle van Danny de Munk, nogal uitbundig door ons huis gegalmd. Ik herinner me uit de Hollandse jaren de omkaderende film Ciske de Rat als fijn maar zwaar op het herengemoed inspelend. Ook dacht ik het liedje woordelijk te kennen. Maar al bij vers twee tastte ik mis.
Had ik vermoed dat Ciske de mensheid verwenste ‘Val voor mijn part half dood’, hij is draconischer: ‘Val voor mijn part allemaal dood’. Metrisch vergde dat wat meer van De Munk, maar hij slaagt met glans. Wel vraag ik me af waar ik mijn versie vandaan heb. Ergens moet ik hebben geworsteld met de ongrijpbare zegswijze ‘meer dood dan levend’.
Nu weet ik wat het betekent. Nagekomen leeswerk leert me dat dit de toestand is waarin Griet Op de Beeck zal verkeren na de boekenbijlage van De Morgen, haar oude werkgever. Daar leverde Dirk Leyman aflevering nummer zoveel van zijn Op de Beeck-bashing, ditmaal door zogeheten watchers haar nieuwe roman te laten duiden.
Mannen vanzelfsprekend, die psychologisch doorzicht hebben in ‘hormonale herkenbaarheid’ bij het andere geslacht. Ook stellen ze hun diagnose in samenhang met ‘de heersende mediacultuur’.
Zo citeert Leyman een Nederlandse recensent: ‘Ik hou ook van Dostojewski (lacht), maar het leed dat Op de Beeck tegenwoordig over ons uitkiepert, dat kan tellen.’ De toevoeging tussen haakjes is vilein, het stuk na de komma kan onmogelijk uitgesproken zijn want is zo Vlaams als Leyman.
Eveneens aan het woord komt een ‘Nederlandse literatuurwetenschapper’ die in een tijdschrift waarvan Leyman secretaris is net ‘een helder essay publiceerde over haar riskante succesverhaal’. Deze Noordelijke kenner mag de vakterm geframed bezigen, hij spreekt evenzeer Vlaams:

De DWDD-uitzending is in haar gezicht geëxplodeerd. Het moet afschuwelijk voor haar geweest zijn. Toen besefte ze wellicht dat ze een grens had overschreden. Had ze beter moeten nadenken wat ze wel of niet prijsgaf? (…) Ook Jan Wolkers is destijds eerst op het schild gehesen en werd immens populair. Maar op een bepaald moment ging het bergaf en lustten de critici hem totaal niet meer.’

Ten slotte warmt Leyman het broodje aap op dat een Gentse boekhandel Op de Beecks werk weigert te verkopen. Vervolgens citeert hij de eigenaar: ‘Mensen kunnen het wel bestellen. Noem het dus geen censuur. Maar we laten Griet liever over aan de ketens. (…) Haar romans zijn een soort slecht georkestreerd poppentheater. Pas op, ik heb geen persoonlijke vete met haar. Maar wij mogen onze klanten toch gewoon coherente kwaliteit aanbieden?’
Einde duiding. De vraag is zo onderhand wel wie wie orkestreert. Temeer daar Leyman zijn slotalinea opent met de observatie dat de boeken van zijn voormalige collega Op de Beeck polariserende effecten sorteren. Hij verdient hopelijk een boterham met warm beleg aan zijn inspanning.
In tegenstelling tot Ciske, die in zijn lijflied alleen kan terugvallen op ‘m’n pa’. Die aanduiding valt me inmiddels ook op. In België hoor ik ‘onze pa’, in Noord-Brabant destijds ‘ons pa’ of ‘ons vader’. Maar nergens ‘onze vader’? God beware iedereen die verder ontbreekt.

donderdag 19 september 2019

Een boerkamuseum?


 
Ik heb geleerd om anderen tegemoet te komen en om anderen te respecteren. Omdat ik weet dat in verschil en verscheidenheid kracht zit, maar helaas vinden anderen het moeilijk mij te accepteren. Mijn niqaab wordt als een gevaar gezien en ik mag niet zijn wie ik ben. Ik ben niet uw vijand en ook niet een gevaar, daarom bewapen ik mij met de pen! Terwijl mijn niqaab mijn ziel koestert en mij beschermt hoor ik dat mijn niqaab anderen afschrikt. Ik ben gewoon een vrouw die een andere keuze heeft gemaakt. Maar weet u dat uw norm mij schrikt? De niqaab is een keuze die bij mij het beste past. Ik voel mij er vrij in en het is een vrijheid waar ik voor vecht. Ik heb recht om die keuze te maken, want uw recht is mijn recht!’
Dit schreef arabiste S. Lakbiach in 2015. Inmiddels heeft het vaderland het dragen van zulke kleding in wetten vastgelegd en komen de gevolgen daarvan telkens in mijn nieuwsblikveld. In de marge waarvan ik benieuwd ben wie waarom doorheeft dat bovenstaand citaat een heel gedicht is. Desgewenst zijn de regelafbrekingen hier te vinden, waarmee duidelijker wordt dat er vaak rijm is. Die aloude lezerslijm wordt wel gesmeerd op woorden die niet direct als poëtisch worden ervaren, te beginnen met ‘respecteren’ en ‘accepteren’. En dan zwijg ik nog over ‘verschil’ en ‘verscheidenheid’, die wegens grosgebruik door de meeste uiteenlopende spelers retorisch zijn gaan klinken.
Doet zo’n technische kanttekening ertoe? Voor mij niet, omdat hetgeen Lakbiach zegt autonome waarde heeft en het een aspect van vrijheid vertolkt dat ongeloof blijkt te genereren. Afgelopen weekend weer bij Dirk Verhofstadt, die in een pleidooi voor individuele vrijheid boerka’s rijp voor het museum achtte,  ‘als relieken van een tijd waarin mensen het recht werd ontzegd om zichzelf te zijn’.
Mij emotioneerden these en vergelijking, ook nog gedetecteerd bij ‘de massa’. Natuurlijk polemiseren ze en heb ik door studie van teksten, voor een vorig boek, deze partijideoloog leren kennen als een verbeten strateeg die in Nederland sympathie vindt bij Paul Cliteur. Ik denk dat Verhofstadts redenatie me zo onaangenaam trof omdat een overtuiging samen met een praktijk gedateerd verklaard werd – zoiets gebeurt in literaire kritiek ook.
Verhofstadt opereert hier louter vanuit een onwrikbaar vijandbeeld (zoals zijn tegenpool Peter Mertens). Bij deze vrijzinnigheid heet de gebeten hond religie. Zelf heb ik daar ook geen affiniteit mee, net als met nationalisme waarvan Verhofstadt walgt, maar mij ontgaat het waarom deze fenomenen verboden zouden moeten worden. Helemaal in een betoog voor individuele vrijheid dat mensen juist niet wil terugbrengen tot ‘constructen’.
Handig is het waarschijnlijk onwelgevalligheden conservatief te noemen, maar bij een dergelijke reactie op godsdienst lijkt het me grote lenigheid te vergen daar zelf aan te ontsnappen. Wat hebben die zelfverklaarde atheïsten meegemaakt dat hun allergie nog in de eenentwintigste eeuw zo quarantainerig is? Blij dat me elk psychologisch doorzicht ontbreekt.
Verontrustend vind ik dat Verhofstadts rabiate teksten de inspiratie blijken te vormen voor de jonge liberale burgemeester van Gent, Matthias De Clercq, die zelf beweert polarisering te willen tegengaan. Wat voor een gidsfiguur kan dat wezen wanneer deze klaagt over ‘een teveel aan gedwongen solidariteit’? Zouden deze mannen bijvoorbeeld van Lakbiach principieel niet willen aannemen dat ze zich vrij voelt in een niqaab, voor haar een teken van emancipatie? Is zoiets in 2019 nog steeds  ‘achterlijk?
Zelf reageerde Lakbiach overigens, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, op een lang gedicht van Theodor Holman, daags tevoren als Het Parool-column gepubliceerd. Het prefereert strofe na strofe 60.000 exemplaren van groepen die de dichter niet aanstaan, maar altijd nog meer dan ‘islamieten’:

Want ik hou zo van mijn vrijheid.
Ben je islamiet en woon je hier,
geniet – ik zal je geen haar krenken,
maar je wel van je geloof af redeneren.

Mijn wapens zijn de logica en rationaliteit.
Ik zal je vragen mijn ongelijk te bewijzen.
Ik zal niet schelden, maar ik zal de draak moeten steken
met je god en je godsdienst.

Tja. Misschien is het dat imperatiefje ‘geniet’ dat deze tekst voor mij definitief ongenietbaar maakt. Verandert het al die particuliere expressiedrang niet in een consumentendingetje, voor het straatbeeld? Holmans provocatie kan inderdaad één grote grap zijn, en onder de vlag van vrijheid moet ook dit kunnen worden gezegd. Maar of het iets oplost?
Ik meen dat Holman de grenzen van de meningsuiting wilde opzoeken en dat hij er niet tegen kon dat kritieken als deze hem voor de buitenwereld automatisch in het kamp van de PVV deden belanden. Het ene onrecht is kennelijk het andere niet.