woensdag 27 april 2016

Tell the world


 

Als juridische leek zal ik er te simpel tegen aankijken, maar geredeneerd uit mijn literairhistorische kennis zou alles wel eens met een sisser kunnen aflopen. Jan Böhmermann hoeft zich geen zorgen te maken te worden veroordeeld. Hans Teeuwen en Theo Maassen kunnen zelfs rustig slapen. Bij Ebru Umar staat de kwestie me nog niet helemaal helder voor ogen.


Op welke jurisprudentie beroep ik me? In 1951 kreeg Willem Frederik Hermans een proces aan zijn broek omdat hij in zijn roman Ik heb altijd gelijk katholieken zou hebben beledigd. De auteur werd vrijgesproken omdat de tirades kwamen uit de mond van zijn personage. Dat kon niet zomaar gelijkgesteld worden aan zijn schepper. En daartussen zat bovendien een vertellende instantie, die in- en uitzoomde: 


Hij beefde zo sterk in zijn kaken, of zijn wangen bezig waren te bevriezen. Maar hij bewoog zijn kin op en neer en de woorden sprongen over zijn tanden en werden door iedereen verstaan die zich in de gestadig groeiende menigte om hem heen bevond.

‘De katholieken! Dat is het meest schunnige (…) en rotte kiezen van het ouwels vreten!’
Hij wilde lachen maar het leek alsof hij kokhalsde. Niemand is het met mij eens, niemand, niemand. Zij kunnen mij overwinnen, zij kunnen mij vermoorden. Maar ik heb gelijk!

Het vonnis was een triomf voor de autonomie van kunst en een nederlaag voor de maatschappelijke waarde van kunst.

De belediging die Böhmermann zou hebben gericht aan het adres van president Erdogan, heeft technisch een soortgelijk fictief gehalte. Aanstootgevendheid zat in een gedicht dat testmateriaal vormde binnen een gesprek over de juridische status van schimpkritiek.

Dat metabewustzijn raakt nog een tikje verder ingezwachteld door Erdogans aanklacht – en nogmaals door Merkels erkenning daar weer van.

Uit de uitgeschreven tekst van de scène blijkt ten overvloede dat Böhmermann het gewraakte gedicht als illustratie gebruikte in een op zichzelf al geënsceneerd gesprek. Uiteindelijk valt er dus niet anders over te oordelen dan dat het zich op een ander vertelniveau bevindt, met een ander werkelijkheidsgehalte: 

JB: Laten we het eens met erg kort voorbeeld uitleggen. Ik heb een gedicht, dat heet schimpkritiek. [...] Wat nu komt, dat mag men niet doen.
RK: Dat mag men niet doen.
JB: Het zou in Duitsland verboden zijn dat in het openbaar op te voeren.
RK: Dat niet.
JB: Dat niet. Het gedicht heet schimpkritiek.
Sackdoof, feige und verklemmt,
(…)
das ist Recep Erdogan, der türkische Präsident
JB: En dat zou in Duitsland nu mogen....
RK: Vreselijk. [Tegen het publiek:] Niet klappen!
JB: Niet klappen. Dat is me wat. Wat zou er nu kunnen gebeuren?

Hans Teeuwen borduurde vervolgens voort op de seksuele insteek van het gedicht en bedde de ingebedde belediging verder in. Doordat Theo Maassen daar op zijn beurt op reageerde en dat verhaal dus herschrijvend voortvertelde, raakte hij alleen maar verder verwijderd van de belediging.

Waarom hierover gesproken wordt in termen van gewaagdheid, ontgaat me.

Daarbij kan de perverse geslotenheid van het kunstuniversum al worden aangetoond met een termpje als ‘geiteneuker’. Iedereen die het nu gebruikt, kan het verantwoorden als een citaat (uit het oeuvre van Theo van Gogh).

Sterker nog, het liedje ‘Erdowie, Erdowo, Erdowan’ waarmee de confrontaties hun aanvang namen, knipoogt naar Nena’s ‘Irgendwie, Irgendwo, Irgendwann’, maar roept bijvoorbeeld in mij een andere referentie op, ‘Alexandrie Alexandra’ van Claude François.

Om die vroegpostmodernistisch te noemen impasse te doorbreken, zou je nog gaan snakken naar een draconisch proces waarin woorden iets mogen betekenen.

Bij Ebru Umar verkeer ik in twijfel, omdat ik de geplogenheden van Twitter niet ken. Ze plaatste haar krachttermen in eerste instantie richting Turkse president. Toen dit een trending topic werd, kreeg dat de verwijzing @umarebru. Natuurlijk is dat haar twitternaam, maar daarmee treedt, net als bij Hermans, onderscheid op met de mens van vlees en bloed.

Misschien moet die door een apenstaart geflankeerde naam opgevat worden als ‘dubbele punt, aanhalingsteken openen’. Dan lijkt Umar met terugwerkende kracht niet-ontvankelijk voor welke klacht dan ook.

Dat ze gevangen heeft gezeten en vooralsnog Turkije niet kan verlaten, is bitter. Maar dat ze haar eigen personage lijkt geworden, heeft ronduit iets tragisch. Daar is geen gesneer vanuit de ‘policorwatch’ tegen opgewassen.

Of hoeft het paradoxale lot van Hermans niet gedeeld te worden door opinisten?

Vooralsnog moet ik bij al deze teksten denken aan een carnavalsliedje van André van Duin uit de jaren zeventig. Het heet ‘Ta-ta-ta’ en hij schreef het als vervolg op ‘Willempie’, waarover hem was verweten er ‘gehandicapte mensen’ mee te beledigen.

In ‘Ta-ta-ta’ bestaat de tekst louter uit klanken, alsof Van Duin de mogelijkheid wou uitsluiten dat hij nog naar de wereld verwees. Maar in de internationaal begrijpelijke slotzin, die overigens een citaat uit eigen werk was, kon hij het toch niet laten:

I’m invisible
Tell the world you want to know that I’m invisible 

 

vrijdag 22 april 2016

Een loopje


 

Hoe goed moet een musicus wel niet zijn dat twee mensen een televisieoptreden van hem op honderden kilometers afstand van elkaar hebben gezien, in hun jonge jaren, en twee decennia later, als ze elkaar ontmoeten en het gesprek er toevallig op komt, simultaan lyrisch worden over één pianoloopje van een paar seconden?


Volgens mijn handschrift op mijn cassettebandje speelde de gedenkwaardigheid zich op 9 september 1988 af  in Düsseldorf, maar ze blijkt in Dortmund te hebben plaatsgehad.

Ik vond er in eerste instantie op YouTube niets van terug, behalve een drumsolo van Sheila E., in een arrangement dat laat beseffen hoe dicht Prince aan lag tegen dat andere genie: Frank Zappa (de link zal diens toetsenman George Duke zijn die de percussioniste had opgeleid).

Wel blijkt er zoiets als YouKu te bestaan, een Japans filiaal, en daar is het hele concert terug te zien

Het fragment dat aan mij en tenminste één ander is blijven kleven begint op 93:06. De zanger-gitarist-pianist beweegt zich achter een lichtblauwe vleugel. Dat bewegen mag letterlijk worden genomen, want even later voert hij wat ballet uit en een grand écart.

Ook herinterpreteert hij in dat fragment eigen muziek. Het dienstdoende nummer ‘Strange Relationship’ vond ik zelf althans een minpuntje op Sign O' The Times, te rechttoe, maar nu wordt het echt en denk ik het te begrijpen.

Prince heeft daar trouwens nog het meest weg van Mozart. Cliché!

De huiskamervraag: dat de musicus nogal goed in zijn vak was, lijkt onbetwist. Maar kan een effect als hier vermeld, dat op delen berust, van alle kunsten louter worden voortgebracht door muziek? En hoe komt het dat de herinnering een gevoel van, ahum, dankbaarheid verwekt?

De sensatie iets te hebben meegemaakt?

P.S. Twee stervelingen bleken niet de enigen, et voilà: YouTube (aldaar vanaf 5:47). 

dinsdag 19 april 2016

De kneep zit ’m erin de kluts kwijt te raken zonder aanleiding (Don Quichote)


 

Volgens Mineke Schipper hangt het gevoel voor eigenwaarde in hoge mate af van de ander. Goedkeuring en waardering, bewonderende blikken en complimenten – welkom! Misschien is dat de reden, vervolgt ze, ‘waarom we ons vaak houden aan regels die we niet zelf bedacht hebben en waar we als individu lang niet altijd belang bij hebben’.

Heet zo’n conclusie niet ontnuchterend?

Na zo’n vijftien jaar België en ontelbare glazen daagt me dat een alcoholpercentage anders wordt uitgedrukt dan in Nederland. Hier spreekt men van ‘graden’, in de geboortenatie van ‘procent’. Ook bij wielerreportages waar serieuze cols in betrokken waren, moet ik het lang niet hebben willen weten. Nederland heeft het over het ‘stijgingspercentage’, terwijl dat bijna zeker slaat op een ‘hellingshoek’.

Belangrijker dan het raadsel hoe ik zo lang aan dat taalverschil ben ontsnapt, dunkt mij de vraag of mijn particuliere beleving valt te abstraheren. Dan hoop ik dat het antwoord nee wordt, en ik hum voorbij de anekdote een liedje mee met de trompet.

Hevig rondjes lopend gaat de gourmande rijmen. Onlangs berichtte ze:
 
De scheet was te warm
Toen ging het alarm
 
Het taalkundig genie vertelde dat op het internet een opgestoken middelvinger valt te vinden. En dat deze fuck you betekent. Ik schrok de uitdrukking plots uit haar mond te horen, maar ze zei zelf dat die woorden naar klinken. En was ik in mijn reflex calvinistisch geworden of gewoon roomser dan de paus – die tegenwoordig veeleer communistisch lijkt?

dinsdag 12 april 2016

Is it me you're looking for?


 
Vandaag misschien over achterafvoorspellingen. Er is al even geleden vastgesteld dat John Lennon zeker Twitter zou hebben gebruikt. Onlangs las ik dat Walter Benjamin dat, volgens Grunberg, ook zou hebben gedaan. En blijkt, volgens Tim Parks, dat Giacomo Leopardi een blogger zou zijn geworden.

Nee, dan W.F Hermans. Hij viel bij leven terug in mythische tijden. Dat maak ik op uit onofficiële foto’s van het koninklijk huis die zijn vrijgegeven door Vincent Mentzel. Ik raakte geboeid door een actiefoto uit 1985 van de huidige koning en toenmalige kroonprins terwijl hij De donkere kamer van Damokles leest. Bijna dan, het kan elk moment gebeuren. Met zijn vingers is hij al op de helft van Hermans’ meesterwerk.

Zichtbaar in de eigen, lichte kamer van de prins zijn onder meer woordenboeken van Wolters-Noordhoff voor Nederlands (Koenen) en Engels (Ten Bruggencate). Die hadden wij thuis ook! Maar we hadden geen hond. Als meelezer neemt de hond van Oranje driekwart van Willem Alexanders fauteuil in beslag en heeft zich in de Hoogheid genesteld die op zijn beurt goedmoedig en voorzichtig een flank als leuning gebruikt.

Herman Brood beweerde altijd dat de kroonprins fan van hem was, maar daar biedt deze foto geen bewijs voor. Ik detecteer wel een prentje van een andere zanger (Duran Duran?) en, zeer groot, van Lionel Richie. Hij is zelfs is gekartonneerd. Naast zijn hoofd staat He does it all. Dat dunkt mij een toekomstvoorspelling, zij het over iemand anders.

zondag 10 april 2016

Footloose


Wat een week! Helpt het om te zoeken naar één noemer? Met de Panama Papers openbaarden zich vermogende types die de grenzen van de wettelijkheid hadden laten aftasten. De mannen van GeenPeil richtten een referendum aan over iets wat hun niet interesseert om een grotere gemeenschap te vernaggelen. En de meest gezochte terrorist van de westerse wereld, te herkennen aan een hoedje, zou dat hoedje doodleuk hebben doorverkocht.

Is het verband een zekere mentaliteit? Graag een alternatief voor mijn voorstel: footloose.

Mijn aantekeningen over dat begrip begonnen met een betekenis die aanschurkte tegen wat kosmopolitisch heet: ‘able to travel freely and do as one pleases due to a lack of responsibilities or commitments’. Mijn associatie kwam mede voort uit de voorbeeldzin: ‘I am footloose and fancy-free – I can follow my job wherever it takes me.’

Tegelijk zat in die zin, dankzij een koningskoppel, de titel besloten van een elpee van Rod Stewart uit 1977. Daaruit volgde in mijn brein een uitloper naar lichamelijkheid; het openingsnummer was ‘Hot Legs’. Of kwam die assocatie voort uit informatie over een trend in Amerika? Van Afro-Americans die bewust te veel eten en dik willen zijn, om ook hoogstpersoonlijk afscheid te nemen van de slavernij en welvaart uit te stralen?

Van die trend blijkt trouwens ook een tegendeel te bestaan, orthorexia nervosa, dat noopt tot een antoniem van footloose. Daarin zouden onvrijheid en afhankelijkheid moeten regeren, al kun je je natuurlijk afvragen hoe vrij en onafhankelijk bunkeren is.

Footloose heeft daarnaast een uitloper naar een kunstenaarschap dat zichzelf als antiburgerlijk beschouwt. Ilja Leonard Pfeijffers Brieven uit Genua lijken daar een lange afrekening mee. Het boulimisch ogende boek valt te beschouwen als poging om van een ‘beroepsbohemien’ te veranderen in kwetsbaar persoon die niet per definitie ‘alles in dienst van de kunst’ stelt. In de eerste helft presenteert Pfeijffer zichzelf als iemand met veel ideeën die geen aansluiting vindt bij ‘de praktijk’ van allerminst footloose burgerlijkheid:

vaste werktijden, hypotheeklasten, een gezinsleven, tarieven van energiebedrijven, persoonlijke hygiëne, huisartsenposten, recreatie, verhuizingen, ouderavonden, familiebezoek, halfjaarlijkse controles bij de mondhygiëniste, verzekeringen, belastingaangiften, gesorteerde was, groenten, stofzuigen, kerstversiering, notariële akten, gazonsproeiers, wachttijden voor kinderopvang of bejaardentehuizen, kortingskaarten, afvloeiingsregelingen, pensioengaten, bakfietsen, inentingen, afwas, fruit, inruilwaarde, overwerk, kappersbezoek, wasstraten, bezwaarschriften, verjaardagskalenders en winterschilders

Omdat Pfeijffer steeds aankomt met voorbeelden, krijgt footloose bij hem evenzeer financiële betekenis. Hij noemt een kunstemployé die tot ‘de elite’ gerekend zal worden een virtuoos in het aanboren van fondsen, die hem in staat stellen om twee weken onderhouden te worden en ’s avonds voor te dragen à 5000 tot 8000 euro netto.

Of is dit juist niet footloose en genereert het oertype zelf inkomsten?

vrijdag 1 april 2016

De ware clash


 

Alweer een tijdje ondergaan de quicksteps van de laaglandse literatuurkritiek een prettige gesel: de Lezeres des Vaderlands. Alleen al die naam is een vondst, gelet op het inkapselend gehalte van de Dichter, Denker, enz. des Vaderlands – en juist nu de natiestaat haar ‘grondvesten voelt trillen’ door vluchtelingenstromen en de Europese Unie. En wat deze Lezeres uitricht is minstens zo actueel. Structureel gaat zij (hij?) na in hoeverre de literatuurkritiek, in de breedste zin, plaats heeft ingeruimd voor vrouwen.

Het gesneer op haar werkzaamheden is niet van de lucht. Doordat de Lezeres telkens begint met tellen, worden de resultaten van haar onderzoekjes per week meer ontnuchterend. Dus richt wederkritiek voorbij de getalletjes zich op haar uitgangspunt. Is dit een grap? Anno 2016 een focus op vermeende achterstelling van vrouwen? Blijkbaar wel. De gebelgde reacties bewijzen dat de verhoudingen omgekeerd worden. Dat slechts 12,5% van de Wikipedisten uit vrouwen bestaat, verklaarden ze eruit ‘zich er niet goed bij te voelen het werk van anderen aan te passen, iets waar mannen minder problemen mee hebben’.

Daarbij is het opmerkelijk dat in het omkaderende literaire bedrijf meer vrouwen werken dan mannen. De branche drijft op communicatieve arbeid, waarbij virtuoos representatief klanten (auteurs, en boekhandelaren en recensenten) tevreden moeten worden gehouden. Daar ligt zelfs op opleidingsvlak de m/v-verhouding scheef.

Bijna vilein versloeg Dubravka Ugrešić in 2012 haar optredens op fora en festivals. Ze wordt steevast begeleid door vriendelijk zwijgende en met de creditcard zwaaiende meisjes die ‘literaire kritiek en filosofie’ studeren – een stage die hen zal brengen tot de hoogste kringen. Hetzelfde jaar benoemt Ugrešić dat de boekenbranche een wereld is waarin vrouwen het werk doen en waarin mannen de haan uithangen in polemieken en paneldiscussies. Vrouwelijke auteurs worden volgens haar ook altijd naar persoonlijke zaken gevraagd, in combinatie met gezin, terwijl mannen grootse visies moeten ventileren.

Wat de professionele schrijfster daar met schwung doet, doet de Lezeres des Vaderlands wat verbetener. Dat maakt haar project gevoelig voor aantijgingen, en voor nieuwsgierigheid naar haar (zijn) identiteit. Nu ja, ik kan louter voor mezelf spreken. Normaliter laat het me koud wie ‘de mens achter de schrijver’ is; biografieën en interviews interesseren me matig. Toch schreef ik iemand aan die ik ervan verdacht de Lezeres te zijn.

Gelet op de breedte en historische uitdieping van haar onderwerpen dacht ik vervolgens aan Maaike Meijer. Sinds ik echter heb begrepen dat de Lezeres erg actief twittert, geloof ik dat het iemand anders moet zijn (al zegt deze hypothese vooral iets over mij en mijn beeld van Meijer). En deze week volgde dan de ‘onthulling’. Ik vond het een passend tijdstip, omdat toen in Trouw een sympathiek manifest verscheen van 182 academici, filosofen, schrijvers en kunstenaars over het vluchtelingenvraagstuk. De tekst had een betamelijke m/v-verdeling, maar ik verbind hem vooral met de Lezeres door de aanpak en door de reacties.

vrijdag 25 maart 2016

Pauzemomentje



Bij een boterham en een bordje vitaminenpap (om de overheersende smaak van de failed state te neutraliseren) lees ik op een Nederlandse nieuwsopiniesite: ‘Belgische politie geeft toe: epic fail bij zoektocht naar Salah Abdeslam. “Geen sprake van opzet”’ Als illustratie is een deel van het omslag gebruikt van Het verdriet van België.

Natuurlijk komt dit na het nieuws van het rituele ontslagaanbod door de federaal minister van Binnenlandse Zaken, dat door de premier niet werd aanvaard, wat de zondebok zelf verklaard had in termen van verantwoordelijkheid: In een oorlogssituatie kun je het terrein beter niet verlaten.

De website van The New York Times presenteert momenteel centraal een reportage over Brussel, waarin de dienstdoende getuigen op een of andere manier allemaal student zijn en de wettelijk volwassen leeftijd van 21 jaar niet hebben bereikt. Daarnaast is er een vrouw van 32 ‘who is of Moroccan origin and has three children but declined to give her last name for fear of reprisals’. En een man van 73 die demonstratief zijn boodschappen op de markt van Molenbeek blijft doen: ‘If Donald Trump calls us a hell hole, I feel proud.’ Zijn voornaam zou Leiven zijn.

Woon ik in dit land? En mijn kinderen? En hun vriendjes en vriendinnetjes? Waarom komen al die wereldwijsheden vandaan?

‘Voor onze naastenliefde gaan wij over lijken.’ Dat staat in een andere tekst waar Hugo Claus zijn naam aan verbond, Reconstructie, een moraliteit.

donderdag 24 maart 2016

Nietzien




Naar verluidt zijn de laatste uren in ijltempo gegaan, maar zou Johan Cruyff zich nog hebben uitgelaten over de aanslagen in Brussel? Had hij ze als ‘logisch’ kunnen bestempelen?

Een sportkenner heeft al berekend dat het legendarische rugnummer 14 de som is van de afzonderlijke cijfers in de definitieve leeftijd 68. Dat laatste getal geeft bij velen andere associaties, en het feit dat JC niet op Goede Vrijdag maar op Witte Donderdag het tijdelijke voor het eeuwige heeft verwisseld, zal allicht ook wat commentaar losmaken.

Mij schiet slechts te binnen dat zijn neutrale gelaatsuitdrukking een toets had die niet anders dan vriendelijk kan heten. En dat mij geen foto’s van hem voor de geest staan, waarop hij een zweem van ongeschorenheid vertoont (i.t.t. tot de vermeende voorganger, die altijd zoon is gebleven).

Wie geen woorden heeft, kan altijd nog beschrijven.

De ongelooflijke film Son of Saul houdt de camera bijvoorbeeld bij één personage. Dat geeft een betrokken standpunt, geen overzicht. Er is gerept van een ‘sensimotorische beproeving’ voor de kijker. Een ander gevolg is dat 107 minuten lang gebeurtenissen op enige afstand van het personage vaag worden, inclusief de geluiden die ze verwekken.

In het begin ziet de kijker de hoofdpersoon terwijl op de achtergrond gehijg klinkt. Seks? Het kan evengoed een worsteling zijn. Het enige wat op een gegeven moment zichtbaar wordt, is dat, na nadering van Duitse troepen, twee gestalten uit een soort kuil kruipen.

Het camerastandpunt heeft iets discreets in een film die expliciet is. De vele naakte lijken ziet de kijker nooit scherp. Behalve eentje, van een jongen die de gaskamer heeft overleefd en dan door een dokter wordt verstikt.

Ondanks andere prangende zaken voor hem en voor zijn mede-Kapo’s, wil de hoofdpersoon deze jongen op traditionele wijze begraven.

Het meest aangrijpende voorbeeld van een discrete camera zit aan het slot. Dan lijkt het onmogelijke gebeurd: de Kapo’s zijn het kamp ontvlucht. Ze rusten even in een houten barak. Als enige van het gezelschap ziet de hoofdpersoon, die de hele film een effen blik vertoond heeft, een jongetje voor de ingang verschijnen.

Voor het eerst lacht hij.

Dan breekt de camera met het vertrouwde perspectief en begint het jongetje te volgen. Deze rent weg en wordt gesnapt door een Duitse patrouille die zijn juist genomen pad inslaat. Maar de kijker gaat het jongetje achterna dat verder de andere kant op rent – en de kijker en het jongetje horen schoten.

Nu worden de Kapo’s dus afgemaakt, maar ook dat blijft onzichtbaar. Is dit wel discreet? Of efficiënt? Of onverschillig?

zaterdag 19 maart 2016

Schapen en herdershonden


Er zit iets treurigs in het detail dat elke tekst afstevent op een slotzin, een laatste woord. Als maaksel van een sterfelijk wezen moet het dat punt kunnen ontwijken. Daarom zal heel wat literatuur cyclisch zijn opgezet, bij wijze van haalbaar compromis: oké, we hebben het einde bereikt maar daarmee kunnen we meteen bij het begin beginnen.

Mij schiet dit floddertje mede te binnen na een vorsende blik op leesaantekeningen. Bijna alle heb ik in de steek gelaten. Een notitie van ongewisse datum gaat over de essaybundel Genieten voor miljoenen. Over populaire cultuur van Carel Peeters. Ik begrijp dat de uitkomst van zijn boek, dat mij heeft geamuseerd, daadwerkelijk op de slotpagina staat. Thans leven we in een ‘hysterische monocultuur. Een religie met één afgod’. Volgens de wetten van de goede smaak mag de lezer dan zelf de naam van die religie invullen: de vrije markt.

Waarom ben ik hier niet op doorgegaan? Vermoedelijk omdat die diagnose me even evident leek als het negatief ervan: voor wie wil, bestaan er meer culturen, waarheden, gedragslijnen, enz.

Een andere reden voor mijn onbepaalde pauze lijkt een citaat dat ik uit Peeters gevist had: ‘De remake is de populairste vorm van bedrijvigheid’. Ik vrees dat ik zo de pot de ketel wou laten verwijten, omdat Genieten voor miljoenen  – opgetrokken rond gebruiksvoorwerpen, kledingstukken e.d. – me vooral ingaf hoe geweldig Roland Barthes’ Mythologieën toch zijn.

Peeters’ klacht over de huidige maatschappij luidt dat ze op het verkeerde been is gezet door democratiseringstendensen in de jaren zestig en zeventig. Nepgelijkheid, commodificatie,… Maar waarschijnlijk is een reden waarom ik ‘de jaren zeventig’ onderzoek, mijn ongeloof in het idee dat een bepaalde tijd uniform beleefd is en uniforme gevolgen heeft. Er is terecht opgemerkt dat Engeland, dé wereldmacht van de negentiende eeuw, nauwelijks iets gevoeld heeft van twee nabije, allerminst geruisloze revoluties in 1789 en 1848.

Ook de cultuurkritiek doet volgens Peeters mee aan de vervlakking. Hij laakt de gevolgen van opgelegde creativiteit:
 
‘Kritiek is instemming geworden, verschillen zijn overeenkomsten. De superieure gedachte van Nietzsche dat men altijd wantrouwend moet staan tegenover al te veel instemming, is nog nooit zo afwezig geweest. De wereld bestaat uit kudden schapen die door de herdershonden van de commercie de gewenste kant op worden gedreven.’

De suggestie is onontkoombaar dat Peeters daar de uitzondering op is. Maar alleen al het citaat wasemt clichés en verraadt een wereldbeeld dat ik liever niet uit wil schrijven. Al was het omdat ik vermoed dat dan de container ‘humanistisch’ aan komt denderen, zoals alleen al afgelopen week een anti-vluchtelingenpartij zich de term ‘alternatief’ heeft toegeëigend, een politicus die voortdurend in het nieuws is kan beweren dat hij ‘monddood’ wordt gemaakt en de EU in naam van beschaving een akkoord sluit met een staat waar precies die vrijheid van meningsuiting een lachertje is.

Wat een überrealisme! Dokter, lijd ik echt aan de angst voor het einde?

donderdag 10 maart 2016

Stempelen tot onwaarheid


Eén van de leukste spelletjes die ik ken, is het woordenboekspel. Deelnemers schrijven ieder voor zich een definitie bij hetzelfde lemma uit Van Dale dat hun onbekend is. Voor het eerst deed ik dat als puber in een huiskamer vol mensen van wie ik vermoedde dat ze gestudeerd hadden. Mij staat bij dat ik me met schrandere zinswendingen wilde bewijzen en gaande de avond steeds vaker gehinderd werd door de slappe lach.

Het spel vormt de opening van Het nieuwe verdwijnwoordenboek van Ton den Boon, onder de naam verdwijnwoordenspel. Mij bekroop weemoed, die wegvloeide bij de kennisname van de lemma’s. De meerderheid ervan komt voort uit de betere klassen en suggereert een dubbele moraal.

Over hun onderbuikgevoelens, met talloze termen rond prostitutie en geilheid, uiteraard minachtend. Over hun minnaressen (later ‘hulpverloofden’ geheten) die ze ‘mainteneerden’, en bij wie zich een heel huisvestings- en financieringsgamma openbaart. Over hun personeel, dat in een onbeschermd soort loondienst de meest gedetailleerde deelfuncties uitoefende en van wie de vrouwen de vergaarnaam ‘meidengoed’ droegen.

Natuurlijk zijn er eveneens woorden die met andere uitgestorven beroepen te maken hebben, al dan niet wegens de voortschrijdende techniek. De ‘draaischijf’ van een telefoon uit het pre-gsm-tijdperk bijvoorbeeld. Den Boon bundelt logischerwijs ook zeer recente termen, feitelijk eendagsvliegen. Engels uit de computerbranche, die zich de laatste decennia spectaculair ontwikkelde en waarvan telkens de eindtijd voor de menselijke efficiency nabij leek.

Ik zou benieuwd zijn of de naam leppie die Mbark Boussoufa aan een laptop geeft verbreid is en zo ja, in hoeverre deze naam kans maakt op een plaats in een verdwijnwoordenboek van de nabije toekomst. Of dat de aandacht moet verlegd naar grotere eenheden, zegswijzen en grammaticale mallen, zoals in een uitspraak van een voetbalanalyticus over Davy Klaassen: ‘Die jongen heeft voetbalgogme van hier tot Tokio. We hebben het dus over de internationale top.’

Het nieuwe verdwijnwoordenboek serveert soms termen die me zijn bijgebleven uit het werk van J.B. Schuil en Multatuli. ‘Liplap’ bijvoorbeeld, de koloniale versie van ‘bastaard’. Verdwenen omdat we allemaal liplap geworden zijn, zeker na een gruwelijk nazi-intermezzo ten gunste van zogeheten raszuiverheid inclusief Sprachregelung?

woensdag 2 maart 2016

Ratiocinatie



Wat een bizar bericht van het Cubaanse communistische partijorgaan dat de Rolling Stones gaan optreden in Havana. Het paard van Troje, komt dat zien! Gratis nog wel. Handig dat deze pers onder de bijbehorende foto uitduidt hoe die vier mannen van links naar rechts heten.

Echt verbazen doet het bericht natuurlijk ook weer niet. Zoals de koninklijke medaille voor de anti-esthablishmentjournalist toch eventjes op zich liet wachten na zijn ereonderscheiding uit België. Maar zou bij de dooi in de betrekkingen met Cuba, waarschijnlijk voorbereid door Harry Mulisch, het besef doordringen dat die vier arenden van het kapitalisme buiten de foto worden omringd door vele musici die het werk doen? Dat bleek ten overvloede uit een film van een Stones-concert. Voordien kwam senator Hillary langs om haar moeder aan de mannen voor te stellen.

Alles heeft zijn logica, desnoods door een beetje tegen die logica aan te tikken. Van de Duitse kunstenaar Jan Pieter Hammer bestaat een geënsceneerd interview met een CEO. Het serveert het format van persoonlijkheden tegenover elkaar, de een gesticulerend, de ander met peinzende blik, beiden een glaasje water erbij. En de CEO krijgt langzaam wat zweet op de bovenlip, als hij uitlegt dat zijn bonus een daad van anarchisme is, de welvaartstaat het tegendeel van vrijheid en de vrije markt het begin van de heilstaat.

Een verhaal zonder einde, lijkt het, maar het bleek onversneden fictie. De bron was Fernando Pessoa. Hij publiceerde in mei 1922 in het tijdschrift Contemporanea het verhaal ‘De anarchistische bankier’, inderdaad een tweegesprek, om precies te zijn tussen twee vrienden, waarbij de ene de rol van journalist vervult om de motieven scherp te krijgen van de titelheld.

De anarchistische bankier onderscheidt zichzelf nadrukkelijk van anarchisten omdat zij het slechts in theorie zijn, terwijl hij er de praktijk bij neemt. Een anarchist definieert hij als iemand die in opstand komt tegen de onrechtvaardigheid dat door afkomst niet iedereen in sociaal opzicht gelijk is.

Om die reden strijdt hij tegen conventies die ongelijkheid mogelijk maken: gezin, geld, geloof, staat. Dit zijn sociale ficties, die hij perfide acht wegens hun onnatuurlijkheid. Het zuivere anarchisme wil ze niet vervangen – dan komt er een ander systeem – maar afschaffen. De man ziet kansen om dit uit te voeren, alleen niet abrupt.

Verder betoogt hij dat altruïsme en zelfopoffering evenmin natuurlijk zijn. Hij zegt veeleer in superioriteit en ondergeschiktheid iets spontaans en instinctmatigs te proeven. Dan komt hij tot het nietschzeaanse inzicht dat hulp neerkomt op incapabel verklaren: beknotting van de vrijheid of verachting van de te helpen persoon.

Hulp verwekt dus een nieuwe tirannie, die hij onaanvaardbaar vindt voor de onderdrukten. Deze tirannie zou zich voegen bij de bestaande sociale ficties en aldus belemmeren wat ze wenst te bevorderen.

Zodoende is volgens de anarchistische bankier één mogelijkheid onontkoombaar: zich gemeenschappelijk inzetten voor hetzelfde doel, zij het afzonderlijk. Door apart te opereren leert men bovendien meer in zichzelf te vertrouwen, niet op een ander te hoeven steunen en zelfs vrijer te worden.

Met eigen middelen en geloof, verstoken van geestelijke steun, bereidt men zich voor op de toekomst. Het ideaal van de te bestrijden sociale ficties volstaat. Plus directe actie, gericht op de praktijk van het leven. De daad bestaat eruit sociale ficties te overwinnen door ze ondergeschikt te maken, ze te manen tot actieloosheid.

donderdag 25 februari 2016

Totaal onverwacht


Ik erken nog nooit een hele uitzending van het televisieprogramma Jinek te hebben gezien. Wel heb ik weet van een opvatting over journalistiek volgens welke je nooit objectief kunt zijn en daarom beter je subjectiviteit kunt benadrukken. Nu lijkt een fragment uit deze talkshow een nieuw stadium in te luiden.

Het ging over de voormalige CDA-politicus Camiel Eurlings, om wie van allerlei intiems te doen is dat tot op de bodem moet worden onderzocht door bevoegde mensen. Bij Jinek heette hij echter ‘Kamikaze Camiel’. Binnen een kwartier werd zijn doopceel gelicht door een mij onbekende tafelgast die zich presenteerde als dieptepsycholoog van de Haagse stolp.

Wat hij over Eurlings wist te melden in samenspraak met de presentatrice, die soms zelf antwoorden gaf als een expert, overtrof het amerikanisme dat deze politicus scheen aan te kleven.

Eva Jinek zei ten overvloede dat iemand onschuldig is totdat het tegendeel is bewezen en dat ze naar aanleiding van een aangifte een gesprek voerden. Dat noemde ze een ‘reconstructie’, die voortkwam uit praktische beperkingen: Eurlings’ advocaat wilde niets zeggen, Eurlings kon niets zeggen en de aanklaagster was ondergedoken.

Pas uit de toelichting op de website begreep ik wat er scheelde. Over Eurlings stond onder meer te lezen: ‘Camiel zwoor trouw aan de partij, maar toen het slecht ging met het CDA besloot hij totaal onverwachts om te stoppen.’

Wacht even, ‘zwoor’ hij trouw? Hier wordt opgebiecht dat de Jinek-redactie de man een etterbak vindt. Een goed recht, daar niet van. Ik geloof alleen dat hier ook de subjectieve journalistiek rechts gepasseerd wordt. Bevoegde mensen hebben daar wellicht betere woorden voor.

woensdag 17 februari 2016

Asociaal, immoreel en destructief


Kan het beste nog uit me komen nu ik al tijden geen fictie meer consumeer? De theorie is bekend: lezers van fictie bouwen empathische ervaring op, door zich telkens in andere personages in te leven. Bovendien begreep ik uit Het boek en het badwater van Lisa Kuitert dat die scheuten intelligentie, fijngevoeligheid en attentie een even wetenschappelijk bewezen bijeffect hebben. Ze maken van mannen (behalve zij die horror, porno en sciencefiction lezen) betere minnaars. Dit volgens 78% van de ondervraagde Engelse vrouwen, wier partners kennelijk geen boek meenemen in bed.

Voor zover ik nog een incentive nodig had, ried een vriendin me – platonisch – een roman aan waarin fictie mijn begrip van de buitenliteraire werkelijkheid zou vergroten. In Dave Eggers’ De Cirkel boomt een gelijknamig privébedrijf door een ‘ideaal’ na te streven: onbeperkte toegankelijkheid. Door dit ‘beschavingsoffensief’, de Tweede Verlichting genoemd, verbetert de mensheid. In concretere vorm heet dit ideaal transparantie, bewerkstelligd met camera’s en continue rekenschap online van gebeurtenissen en meningen. Exit privacy.

Ik denk te weten waarom de vriendin me deze roman aanried. Ze kent mijn hebbelijkheid om met paard en proppenschieter tegen een elektrische stroomtrein te foeteren. Inzake privacy heeft ze weet van zowel mijn huiver voor Facebook als mijn onbekendheid met het medium dat door meer dan 1 miljard mede-aardbewoners gebruikt wordt. Die ervaringsachterstand kan fictie inhalen. De Cirkel volgt de jonge Mae Holland die het gelijknamige bedrijf relatief blanco binnentreedt. Als lezer leer ik naarstig met haar mee wat delen van alledaagsheden behelst. Tot aan het slot een zogeheten Doemocratie in werking treedt, gebaseerd op volledige participatie. Iedereen kan voortdurend over alles ongefilterd stemmen, waardoor parlementen overbodig lijken.

Een griezelige dwaasheid, maar door de romanvorm valt dat misschien minder op. Het is maar fictie! En Mae overschrijdt haar grenzen geleidelijk. In het begin krijgt ze te horen dat door camera’s misdaad slinkt. En ze bieden bewijsmateriaal. Vervolgens went Mae aan het omgekeerde: ‘Geheimen maken asociaal, immoreel en destructief gedrag mogelijk.’ Ten slotte gelooft ze in het frame dat camera’s haar bevrijden van slechte gewoontes. En dat ze zo haar beste ik bovenhaalt.

Live bij een bedrijfsoptreden heeft ze dan al een credo geformuleerd: ‘Delen is mee-leven’. Dit wordt meteen een van de bedrijfsslogans en lijkt een nogal instrumentele invulling van empathie. Mae is ook getuige van een innovatief plan om van nieuwe mensen antecedenten te verspreiden onder straatbewoners, zodat buurtkinderen bijvoorbeeld gevrijwaard blijven van ooit vertoonde pedofiele neigingen. Wacht, is dat nog fictie?

donderdag 4 februari 2016

Hulp


In haar belangrijke en veelbesproken open brief aan Nederland schrijft verslaggever Nadia Ezzeroili over de speelse bijdehante stem uit mijn jeugd’. Mijn spellingscontrole zet een vermanend golvend lijntje onder ‘bijdehante’, Maar wat is er mis met dat woord?

Ik weet het niet. Een blik op Van Dale leert me evenmin iets.

Door lang naar het woord te staren begin ik het wel enigszins vreemd te vinden. Waarom worden bijvoeglijk naamwoorden als goed en rond, verstoord, onderkoeld wel verbogen als goede en ronde, verstoorde, onderkoelde? Wat is er dus zo bijzonder aan ‘bijdehand’ dat het niet ‘bijdehande’ wordt?

(En waarom denk ik meteen dat ik iets elementairs over het hoofd zie? Ben ik ‘bang dat ik op een gegeven moment ontmaskerd word’? Of dat Het is begonnen nu ik bij reflexmatig gebruik steeds vaker de namen van mijn twee dochters door elkaar haal?)

Het verbaast me dan weer niet dat Ezzeroili voor een brief heeft gekozen om haar punt te maken. Ooit berichtte ik al over de om zich heen grijpende aandrang om verontwaardiging in die vorm te stileren; gisteren besefte ik dat deze neiging een traditie heeft van pakweg Kafka’s Brief aan vader over Het einde van Amerika door Naomi Wolf tot Ta-Nehisi Coates’ Tussen de wereld en mij.

Ezzeroilis betoog, en de consequentie die ze eruit trekt, vertoont een paradox van meer strijdteksten tegen racisme: ze generaliseren dusdanig vanzelfsprekend over daders dat het verwijt een beetje terugslaat (de boemerang van het gelijk). Toch beroert deze open brief mij. Ezzeroili onderscheidt de stem uit haar jeugd van ‘de behoedzame, zakelijke stem die ik gebruik in de buitenwereld’ – die ze verbindt met de hogere blanke middenklasse.

Ik moest denken aan de film Caterina va in città van Paolo Virzi. Over een dertienjarig meisje uit de provincie dat in de grote stad met die klasse in aanraking komt. Zonder uitgesproken eigenschappen laat ze zich meeslepen, maar nooit te veel. Ze komt uit een eenvoudig gezin, waarin een bijna karikaturale vader veel wil maar machteloos fulmineert tegen ‘kliekjes’ die alles beslissen.

Volgens mij speelt deze film in de tijd, vroege jaren tachtig, waarin Cherry Wijdenbosch het liedje ‘De kleine man’ bracht. Daarin ontwaart dezelfde hogere middenklasse gewoonlijk het gedachtegoed van Wilders al. Misschien wel het grootste drama in Ezzeroilis betoog is dat ze verklaart te zijn opgegroeid tussen mensen die denigrerend Tokkies worden genoemd.

Haar solidariteit ligt daar waar ze is afgewezen, niet daar waar ze is binnengehaald. Nadia Ezzeroili heeft naar eigen zeggen een droombaan bij een kwaliteitskrant.

zondag 31 januari 2016

Marginaal

Zo snap ik het weer! Dat dacht ik, toen in De Zondag deelnemers aan Temptation Island werden gemerkt met het woord ‘marginaal’. Ik herinner me althans dit televisieprogramma als wat ranzig; het was de bedoeling dat koppels met behulp van zon, drank en laaghangende badkleding uiteenvielen door overspel.

Bij wie zich daar publiekelijk toe leent, is de waarde van de geliefde én het zelfrespect ongeveer nihil. De camera’s benadrukken dat alles waar niemand iets mee te maken heeft wordt uitverkocht. Dan articuleert ‘marginaal’ het gevoel niets te verliezen te hebben. Het zou onbemiddelde mensen betreffen: amper geld, opleiding, werk. ‘Tegen de bestaansgrens aan’, zegt Van Dale. Ze kunnen gewelddadig zijn. Er bestaat zelfs een overkoepelende term voor: een ‘randgroep’.

De Temptation Island-connotatie draagt een moreel en moralistisch facet in zich mee: smakeloos. Maar ‘marginaal’ kan natuurlijk ook een geuzennaam zijn. Met name in kunst is het een teken van kwaliteit en geloofwaardigheid geweest in het type van de bohème. Een belangenvrije positie aan de rand van de maatschappij verleende niet alleen street credibility, ook het produceren van andersoortig werk deed dat. De mainstream stroomde nooit in de goot.

Tegenwoordig is zo’n visie bij kunst dubbelhartig. Succes van enkelingen hangt zozeer samen met massamedia en kwantificatie, dat marginaliteit het overgrote deel van artiesten treft, ook uit de mainstream. Zich erop beroepen ‘marginaal’ te zijn, dus onzichtbaar en vermoedelijk integer, heeft iets meewarigs. Het lokt een verwijt van zuiverheid die misplaatst is omdat de wereld definitief is veranderd.

Die pragmatische kritiek is bijvoorbeeld in de reeks Barbapapa vervat in het personage van schilder Barbabob. Tussen gladvellige familieleden valt hij op door een ruige vacht. Zijn artistieke marginaliteit wordt bespot in Barbapapa is in vorm. Geïnspireerd door allerhande koekjes belooft Barbabob ‘abstracte kunst’. In de praktijk schept hij geometrische figuren in allerlei kleuren. ‘Dat is mooi, dat is moderne kunst’. Telkens ontdekt hij echter dat die figuren ook in huis voorkomen, en in de natuur en op straat en aan zee en op het voetbalveld. En rusteloos als Barbabob is (‘Alle kunstenaars zijn zo’) wil hij eveneens gaan beeldhouwen, maar zwicht uiteindelijk voor eten.

Zulke betekenissen van ‘marginaal’ lijken te verschuiven. Misschien komt het door de vele vluchtelingen die in Europa het afgelopen jaar zichtbaar zijn geraakt. De morele component in de plots erg relevante term rijmt niet met hun werkelijkheid die de onze te blasé zou maken. Nu klinkt te pas en te onpas ‘marginaal’ op als stopwoordje – net als het bijvoeglijk gebruikte ‘zen’. Wat het mag beduiden is me niet helemaal duidelijk, maar heeft een vanzelfsprekende klank van foutheid.

zondag 24 januari 2016

Bericht tussen de linies

In haar mooie boek Kool! Alles over voetbal haalt Anna Enquist een vriendin aan, volgens wie een zwakke prestatie van Feijenoord te wijten was aan de achternamen van de spelers. De redenering was dat de tegenstander door Heus, Bosz, Maas en Vos te zeer verleid werd tot overrompeling, terwijl alleen al een achterste lijn met Schui-te-man, Bo-a-teng en Zwij-nen-berg moeilijker te kloppen zou zijn.

Het is flauw om achteraf te constateren dat genoemde meerlettergrepige namen niet echt hebben geleid tot betere prestaties. Op Boateng na zijn ze opgeslokt door de geschiedenis, terwijl historische collega’s als Krol en Haan, en heden Vlaar en Kuijt, nog bij velen een bel doet rinkelen. Net als oer-Feijenoorders als Van Ha-ne-gem, Rijs-ber-gen, Is-ra-ël en La-se-roms trouwens.

Toch realiseer ik me dat er over de theorie van Enquists vriendin wat tekstmateriaal is. Dat wijst wel op het tegendeel. Zo legde Victor Klemperer in zijn geweldige Lingua Tertii Imperii (iets krachtiger bekend als LTI) uit dat afkortingen krasse gevolgen hadden bij de nazi’s. Hun zogeheten Lastwagen won eerst aan aantrekkingskracht onder de naam Laster, maar werd pas echt een onverslaanbaar snorrend karretje als LKW.

Ik weet niet of George Orwell die specifieke werkelijkheid kende op het moment dat hij ‘The Principles of Newspeak’ in 1984 uit de doeken deed. Maar ook zijn totalitaire en theoretisch onklopbare regime had die gedrongenheid in haar taal verwerkt: 

‘The words COMMUNIST INTERNATIONAL call up a composite picture of universal human brotherhood, red flags, barricades, Karl Marx, and the Paris Commune. The word COMINTERN, on the other hand, suggests merely a tightly-knit organization and a well-defined body of doctrine. It refers to something almost as easily recognized, and as limited in purpose, as a chair or a table.’

In die Newspeak zag Umberto Eco dan weer een verband met oude nazistische en fascistische schoolboeken, die zich bedienden van een pover lexicon en een basale syntaxis. Daarmee zouden complexe en kritische redeneringen kunnen worden vermeden.

Ik formuleer die gedachte expliciet voorwaardelijk, omdat er inmiddels zoiets is gekomen als Globish. Met die gestripte versie van het Engels, veeleer fungerend als tool dan als taal, communiceren inwoners uit snel opkomende economieën van Brazilië tot India met elkaar en met traditionele kapitalisten.

Mist deze meerderheid van de wereldbevolking per definitie de nuance? Heet Globish dus met recht ‘cafeïnevrij Engels’? Zo geformuleerd lijkt het antwoord ontkennend voordat de vraag uitgegalmd is. En los van ideologische voor- en nadelen, zouden er juist westerse kindjes mee worden gediscrimineerd. Steeds harder klinkt hier immers de roep om Engels op prille leeftijd, opdat het rendement in de survival van ‘het curriculum’ zo groot mogelijk is.

Ook denk ik dat in de niet-metaforische jungle Tarzan en Jane elkaar best aardig begrepen. Een tikkeltje inlevingsvermogen en fantasie volstaan. Eventueel kan na kennisname uit boeken nog het een en ander aangescherpt, maar de ervaring is reeds opgedaan. Onvergetelijk.

Dat weten ook Anna Enquist en haar vriendin, alleen al getuige die boektitel Kool! Opdracht voor de aanvalslinie van Feijenoord: ga buitenom en geef een voorzet door die titel definitief te veranderen van taal en scoor door hem te laten rijmen op tool.