zaterdag 6 juli 2019

Sonnettenraadsels



  
Vandaag publiceerde ik elders een essay over een van Luceberts beroemdste gedichten:

sonnet

ik
mij
ik
mij

mij
ik
mij
ik

ik
ik
mijn

mijn
mijn
ik

Mijn tekst is de uitgeschreven en herschikte versie van losse aantekeningen die ik had gemaakt voor een symposium over hoe Lucebert te lezen sinds een biografie en publiciteit schijnwerpers op zijn dweperige jeugdjaren hebben gericht. Ik verweefde er wat nagekomen ideetjes in, die de onder mijn ogen groeiende complexiteit van Luceberts gedicht, gebundeld in apocrief / de analphabetische naam (1952), haast inwreven.
In derde instantie liet ik de Duitse vertaling door Rosemarie Still onbesproken:

Sonett

Ich
Mich
Ich
Mich

Mich
Ich
Mich
Ich

Ich
Ich
Mein

Mein
Mein
Ich

Verder was er iets met mijn geheugen, dat me belette een latere Nederlandse variant aan te duiden. Nu mijn essay is gepubliceerd, weet ik weer welk gedicht ik op het oog had. Het is van K. Schippers en staat in de bundel Een klok en profil (1965):



Ik heb altijd gedacht dat dit een sonnet is. Alleen leek me dit een van mijn vele loze waarnemingen, want wat voegt dat toe aan welke betekenis? Wel grappig dat uitgerekend de zogenaamd barokke dichter Lucebert een minimaal aantal woorden heeft, terwijl de zogenaamd uitgespaarde Schippers er veel inkt voor nodig heeft en de basale sonnetvorm lichtjes verhult door het sextet niet te delen.
Wat surfwerk leert me dat hij die scheiding in zijn voorlopige verzamelbundel Een leeuwerik boven een weiland (1980) alsnog aanbracht. Althans in de editie uit 1996:



Dit kopieer ik uit een artikel dat deze versie van een lightversekalender plukte en dat andere komma’s ziet die minder lijken op donderkopjes.
Zo is op een rare, volgens mij ongewilde manier ook dit Schippers-gedicht met de jaren complexer geworden. Bovendien stelde het een oplossing in het vooruitzicht, die oorspronkelijk aldus ging:



De digitale versie van dit gedicht, en de bundel Een klok en profil in het geheel, op de DBNL heeft echter een veel profaner oplossing in petto, met louter heuse tekst:


De inhoudsopgave van de boekversie belooft bij bladzijde 31 keurig een komma. Maar zowel dit leesteken als dat zinnetje zijn in de digitale inhoudsopgave onvermeld gebleven. Nochtans geeft de DBNL-verantwoording wel een indicatie.
Heeft een medewerker van het prachtproject dus een grap uitgehaald, die maar niet ontdekt werd? Was het een suggestie van de dichter? En hoe komt het toch dat het sonnet te boek staat als oubollig en übertraditioneel? Zelf begon ik deze jaargang met een blogje waarin een, naar ik expliciet zei, ongekend vernieuwend sonnet van Jacob Groot werd aangeduid. Alles blijft kennelijk mogelijk. Later meer. 

donderdag 4 juli 2019

Oorsprongsmanie


  
Elk vogeltje heet te zingen zoals het gebekt is. Wat kan dan nog een probleem zijn?
Bij aanhoudende somberbuien, toegeschreven aan puristen (gallicisme), dat de Nederlandse taal ten prooi zou zijn gevallen aan verengseling (germanisme?), is er iets tegenstrijdigs gaande. Uitgerekend de dit jaar verschenen historische roman De advocaat van Holland heeft een werkwoordsconstructie die futuristisch oogt: ‘Oldenbarnevelt maakt zijn opmerkingen en hij neemt er de tijd voor. Als zij haast hebben, hij niet.’ Bij mijn weten klonk zo’n sprong van meervoud naar enkelvoud alleen in het Engels naturel, maar sinds pagina 135 van het boek, geschreven door Nicolaas Matsier, nu ook in het Nederlands.
(Bijzonder aan De advocaat van Holland vind ik verder dat elke alinea wordt omgord door wit. Alsof deze roman poëzie is. Maar van gedichten wordt steeds vaker gezegd dat ze voor een goed begrip beter kunnen klinken in plaats van in stilte geconsumeerd. Wel zou het vak begrijpend lezen juist geïntroduceerd zijn omdat hardop lezen geen notie van de tekst bleek te hebben gebracht.)
Terwijl in Nederland studenten liever ‘ik hou van je’ blijken te zingen dan ‘I love you’ omdat hun moedertaal diepste emoties beter laat vertolken, hoor ik in België mensen uit dezelfde leeftijdsgroep juist op hun gevoeligste moment gedecideerd Engels inzetten. Mijn vraag naar het waarom vinden ze nog net niet onnozel. Gelukkig geloof ik alles, omdat mij als emigrant besef van oorspronkelijk Nederlands is ontvallen. Het smeltkroes-idee, maar dan in taal. Logisch? Opnames uit 1959 laten Audrey Hepburn horen in een Nederlands dat voor mij veeleer Duits klinkt en simultaan doet vermoeden dat ze in een Engelstalige omgeving heeft verkeerd. Maar dat ze naar eigen zeggen een ‘opportuniteit gehad’ heeft, is voor hedendaags Nederlands onuitzonderlijk.
Reden te meer waarom ik niet goed weet of achter de aangehaalde studentengewoontes louter een oorspronkelijkheidsgedachte schuilgaat. Ergens hangt er iets als etiquette omheen. Men drapeert emoties. Dat kan uit effectbejag zijn, maar ik sluit niet uit dat taal hier een tijdgeest weerspiegelt. Dan zou men er niet meer aan kunnen ontkomen dat de verhoudingen anno 2019 om bepaalde taal vragen. Wat zou betekenen dat Nederland en België meer van elkaar verschillen dan vermoed. Twee tijdgeesten binnen een luttel aantal kilometers!
Ja, dit klinkt idioot, of desgewenst ideologisch. Toch kwamen er recent twee berichten op mijn radar die onbedoeld zo’n schisma openbaarden. De stad Gent, in het u-zeggend België, besloot om in correspondentie burgers voortaan te tutoyeren, terwijl boven de rivieren, alwaar god noch gebod anklang krijgt, Gökmen T. extra consternatie aanrichtte door de rechtbankvoorzitter aan te spreken met je en jou. Twee bewuste taalhandelingen, verschillende intenties – en gevolgen?
Hoe hoort het eigenlijk, Amy? Voor de kleurenkijkertjes onder ons, met die naam doel ik niet op de grootse zangeres Winehouse, en met de vraag niet op het televisieprogramma van Jort Kelder. Wel op een mevrouw die Groskamp-Ten Have heet en die een etiquetteboek schreef waarvan een vroege editie uit 1940, althans volgens Wikipedia, het volgende adviseerde:

Zij, die zich bevinden in een kamer waar iemand telefoneert, dienen uit bescheidenheid dit vertrek te verlaten, tenzij de telefoneerende persoon hen hiervan weerhoudt zeggende: blijf maar gerust. - Meerdere personen tezamen in een kamer waar iemand telefoneert, dienen zich op zachten toon met elkaar te onderhouden, teneinde den schijn te vermijden te luisteren.
Degene, die telefoneerend in een vertrek waar anderen zijn, luide van zijn schrik, ontsteltenis, verbazing of groote vreugde blijk geeft, zonder van plan te zijn de aanwezigen met een enkel woord omtrent de reden van deze gemoedsbeweging in te lichten, doet zich als onopgevoed kennen.

Men hoeft niet erg understatementeel zijn aangelegd om te begrijpen dat dit een andere tijd was. Tegelijk is het te makkelijk om beschavingsconclusies te trekken uit het gegeven dat er generaties opgroeien die niet alleen de zogeheten vaste telefoon nooit hebben gekend maar het ding ook met geen mogelijkheid weten te bedienen. Behalve dat dit belegen feiten zijn, heeft men varianten ervan in de eigen jeugd vast naar het hoofd geslingerd gekregen.
Sterker, van één van de eerste lessen op de universiteit herinner ik me de vrees die uitgesproken werd dat studenten van mijn lichting nooit sjoege van kunst zouden krijgen. ‘We’ hadden immers amper notie van wat er beschreven was in mythologie of Bijbel (de Koran was geen item). Met ‘ons’ zielige restje kennis zouden we tegenwoordig hypergeleerd zijn, al ontmoette ik onlangs iemand uit het beroepsonderwijs die moeiteloos elke Griekse god of godin thuisbracht.
Bovendien houdt de avant-gardist in mij van het zogeheten onbeschreven blad annex schone lei, ooit te koop onder het merk tabula rasa. Ik realiseer me dat weer sinds de gourmande hartverscheurend liedjes aan het zingen is die ze ontleent aan de televisieserie Like Me. Met mijn idioom bestempel ik ze als covers. Maar de gourmande kent ze uitsluitend als originelen, behalve stomtoevallig (door mijn indoctrinatie) ‘Ik ben blij dat ik je niet vergeten ben’ en ‘Het is weer voorbij die mooie zomer’.
Wanneer ik samen met haar zoek naar de oorspronkelijke uitvoeringen, zie ik in de clip van ‘Kon ik maar even bij je zijn’ dat Gordon lang blond permanent heeft gehad, in een bootje met een vrouw. Terwijl ik weet dat verwondering bij popmuziek hoort. Alleen al wat zangers in het Engels zingen versus wat je er van opvangt. ‘Walk on the wild side’ kon ik zelfs op volwassen leeftijd amper volgen en nu blijken alle daarin voorkomende personen overleden.
Ben ik internet bijna dagelijks dankbaar uitkomst te bieden bij de lyrics, het blijft verbazend dat J.J. Cales liedje ‘Magnolia’ opent met het woord ‘Whippoorwills’, dat verwijst naar een vogeltje. Nu ik het daar toch bijna over heb: uit een toelichting over het ontstaan van ‘Blackbird’ valt te snappen dat Paul McCartney de melodie al jong, samen met Lennon, speelde als rudimentaire samenvatting van een Bach-Bourée. En de tekst blijkt te gaan over segregatie in het Zuiden van de Verenigde Staten en in Zuid-Afrika.
‘You we’re only waiting for this moment to arrive’ is een bevrijdingsregel. Voor wie geloof hecht aan auteursintenties, uiteraard.

woensdag 26 juni 2019

Vervellen


  

Eerlijk gezegd vond ik het nog lang duren tot, na de beschamende verkiezingen, iemand op het idee kwam gewoon een nieuwe naam voor een verliezende partij te verzinnen. Grappig argument dat het in dit geval weer bijna twee decennia geleden was dat sp.a zo’n lumineus kunststukje had volbracht. In datzelfde jaar 2001 was het ook CD&V die zich als nieuw herpresenteerde. Groen volgde in 2003 (nog met een uitroepteken) en Open Vld in 2007.
Tussendoor moest Vlaams Belang in 2004 die naam aannemen, na de veroordeling wegens racisme van het Vlaams Blok.
Uiteraard is zo’n plastische chirurgie ook buiten de politiek schering en inslag. Bedrijven en scholen en musea, ze etaleren graag hun nieuwe logo, lettertype, een website, gebouw, een ‘onze missie’, enz. En spekken in eerste instantie de rebrandingsbranche.
De laatste jaren klinkt er een werkwoord dat volgens mij op deze praktijk wijst: ‘vervellen’. Het sloeg op slangen die een nieuwe huid krijgen, net als mensen indien ze te lang in de zon gezeten hebben. Of blootgesteld zijn aan een atoombom, waarvoor Hugo Claus op Nieuwjaardag 1962 waarschuwde met zijn lange performancegedicht Bericht aan de bevolking:

Is er daarna niets meer? Zullen schromelijk
Al onze oog- en tandloze kleinkinderen
Tot op hun zestien tenen vervellen?
Wààr ziet een blinde in het zwart van de nacht een lichter zwart?

Het vervellen is hier de uitkomst van een wetenschappelijk geperfectioneerd wapen. En bij slangen van een proces dat even fysisch is. Hopelijk wordt zo mijn simpele punt duidelijk dat rebranding aan den volke gelegitimeerd wil worden als een even authentieke als onontkoombare vorm van rijping. Imagokenners als artisanale alchemisten!
Ik moet bekennen hier toch met de handen in mijn niet bijster overvloedige haar te staan, omdat het idee van vernieuwing me dierbaar is, zij het als uitkomst van een experiment.
Zo begon ik enthousiast in Arie Storms Het laatste testament van Frans Kellendonk (2015) dat op de voorflap achteloos roman heet. Het geeft meteen een wending aan het genre van de biografie door, inderdaad als in een roman, aan het object zelf het woord te geven en daar de overwegingen en beslissingen tijdens het schrijven in te verwerken:

‘Kijk hem daar nou zitten, mijn biograaf. In het hart van de schepping heb ik een leemte ontdekt waar hij mooi in zou passen (…)’.

Fijn ook dat Storm hier het beroemdste Kellendonk-citaat geeft, waardoor de lezer wordt gecoiffeerd met de illusie een kenner te zijn. En anders dan gemiddelde biografieën is Storms boek dun, bevat het geen noten of secundaire literatuur en is de stijl bovengemiddeld.
Aangehaald begin richt de volgspot eerst op de biograaf, daarna op zijn object. Dat is eerlijk want passend voor wat in Het laatste testament van Frans Kellendonk gebeurt. Het boek vertelt minstens zozeer over Storm. Kellendonk betoont zich simultaan diens biograaf.
Misschien is die aanvulling nodig. De informatie over de persoon Kellendonk, de locaties en de beginnetjes met interpretaties van zijn oeuvre, gelukkig geen hogere inlegkunde, dragen weinig nieuws. Wel veerde ik telkens op als een zin of fragment mij terugleidde naar een roman, interview of beschouwing. Dit opveren vermoeide mijn oude spieren. Ik lees toch niet om het reeds bekende, laat staan om mezelf te complimenteren met een soort geheugen?
Storm schrijft dat hij al sinds zijn studie gegrepen is door de boeken van Kellendonk. Hij gebruikt diens posture om verwantschap uit te spreken, wederzijds. Een coproductie, waarin de beroemde auteur van ‘wij’ spreekt over de ontstaande tekst (dit woord krijgt als zijnde nepwetenschappelijk vertoon hoon). En zich afvraagt of die een dagboek is, memoires, een plakboek van herinneringen, een biografie, een autobiografie, een roman.
Kellendonk kiest voor testament, Storm dus voor roman.
Voor zover het boek al geen opzichtige constructie was, wordt het steeds gammeler. Steeds moet de asymmetrie als gelijkwaardig worden bijgewrikt. Zo kruisen van de twee schrijvers hun blikken elkaar ook letterlijk, in een boekwinkel. Alsof dat niet overduidelijk was, vertelt Storm deze anekdote in het waarschijnlijk nabokoviaans bedoeld nawoord nogmaals. Uit The Real Life of Sebastian Knight had hij voordien geciteerd:  ‘Ik ben Sebastian of Sebastian is mij, of misschien zijn we beiden iemand die we geen van tweeën kennen.’
Het schier geacheveerde nawoord dat culmineert in een pleidooi voor het wegcijferen van eigen belang, kan dienen als relativering omdat Storm door de romanconstructie Kellendonk frases in de mond heeft gelegd die deze, volgens mij, nooit zou gebruiken: van herinneringen die door hem heen flitsen, een droom die uit elkaar spat,…
Wel is de identificatie van Kellendonk met Storm een heel dappere truc. Ik ken onvoldoende boeken van de biograaf, maar vooralsnog ontgaat me de congenialiteit. Wel zijn er vanachter de rug van zijn Kellendonk-figuur aanvallen op giganten uit het actuele Amsterdamse literaire leven – en op een andere, kennelijk concurrerende biograaf.
Op de achterflap wordt Storm geprezen om zijn ‘radicaliteit van een kamikazepiloot’. Hoewel ik met radicaliteit sympathiseer, weet ik niet of kamikazepiloten het onder de leden hebben. In literair verband vind ik de aanprijzing dwaas, want voortkomend uit de biotoop waarop de piloot het heeft gemunt. De laatste tijd zijn me meer boeken onder ogen gekomen waarbij de opstand uiterlijke tekenen draagt, ‘diep van binnen’ conformistisch is en het narcisme van de macht streelt.
Voor mij gaat het boek over gestrande pogingen om de biografie van Frans Kellendonk te schrijven. Natuurlijk meldt dit type tekst dat ook, als een ‘project’ waaraan het ‘verrassend montere karakter’ van Arie Storm een draai heeft gegeven. In die pogingen tot recycling vervelde hij. Vernieuwend is dit mogelijk in het bewijs dat ‘roman’ geen restcategorie is. Welke genrenaam het wel verdient zou ik niet weten. Maar dat is uitgeefpolitiek.

woensdag 19 juni 2019

Verwensingsdrempel


Schelden is een kunst in permanente ontwikkeling. Uit mijn Nederlandse jeugd hebben alleen ‘klootzak’, ‘zeikerd’ en ‘idioot’ het overleefd. Laatstgenoemde zal een compromis zijn geweest, omdat ‘mongool’, ‘imbeciel’ en ‘(rand)debiel’ toen al beledigend werden geacht voor een kwetsbare groep. Het alternatief ‘hufter’ raakte in handen van sociologen om als verhuftering een trend bij de opgang van Pim Fortuyn te duiden. Toen ik naar België emigreerde was ‘halve zool’ in opkomst, waarvan kenners wisten dat het een verbastering uit de Rotterdamse haven was van asshole.
Ik stuurde mijn karretje even naar Memory Lane vanwege het nieuws, dat een geachte afgevaardigde uit het Vlaams parlement op Twitter een collega heeft bestempeld als ‘#viswijf’. Volgens mij spreek je dit uit als hesjtek viswijf. Bedoeld was Groen-leidster Meyrem Almaci, naar aanleiding van haar eedaflegging voor genoemd parlement waarbij ze bewust had toegevoegd te zullen opkomen voor de universele rechten van de mens. De geachte afgevaardigde die haar vervolgens met de hesjtek had gelauwerd, behoort tot het Vlaams Belang.
Op Memory Lane kreeg ik zelf ooit een verbod het woord ‘viswijf’ te gebruiken. Niet dat ik dit gedaan had, maar mijn ouders vonden preventie hier belangrijk. Het ging volgens hen niet eens om schelden. Het woord drukte verachting uit. Mij staat niet bij dat er een punt van werd gemaakt dat het alleen op vrouwen sloeg. Dat ik me het verbod nog herinner, zegt iets over de impact die het begrip voor mij had. In hun vakbijbel Dat boek met die kuttitel. Schelden & vloeken in het Nederlands, een cursus voor beginners en gevorderden (2015) citeren Bindervoet & Henkes een evenmin onpregnant lied dat destijds door Ajax-supporters aan mijn favoriete club werd gewijd en waarvan me niets bijstaat:

Ze zijn zwart, ze zijn geel
Ze zijn homoseksueel

Ik schijt op NAC
Jij schijt op NAC
Hij schijt op NAC
Wij schijten allemaal op NAC NAC NAC NAC NAC NAC NAC

Wat draagt ‘viswijf’ in zich dat het wel een onvergetelijke indruk maakt? Om in voetbaltermen te blijven, het woord degradeert een mens. Die wordt een gebruiksvoorwerp, niet voor niets aangeduid met een onzijdig woord. Ik ben zelden overtuigd van het gebruiksnut van ‘objectiveren’, maar hier is die term inzichtelijk. Volgens mij kleven er aan ‘viswijf’ bovendien associaties die het woord extra beledigend maken: niet-aflatend schreeuwen, markt en vrijhandel, stinkende seks. Het woord klinkt zelfs onsmakelijker dan in collega-talen: fishwife, poissarde/harengère, Marktweib, verdulera/rabanera, pescivendola/lavandaia.
Ik raadpleeg beter het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Dat onthult niet alleen het bestaan van de Friese variant ‘fiskfrelle’, ook heeft ‘vischwijf’ uiteraard een verbluffend aantal voorbeeldcitaten uit de geschiedenis (‘Michelangelo kon als een viswijf te keer gaan’). Toch opent het lemma met het feit dat het woord neutraal begonnen is aan zijn loopbaan en toen duidde op een kleinhandelaarster in vis. Vervolgens meldt het Woordenboek echter dat ‘viswijf’ niet meer bekend is ‘zonder ongunstige bijbeteekenis’, van onbeschaafdheid en grofheid tot praten met nare woorden op een onaangename toon (‘kijven’).
De geachte afgevaardigde van het Vlaams Belang vindt Meyrem Almaci met haar verwijzing naar de mensenrechten derhalve onfatsoenlijk én taalarm. Maar in zijn argumentatie om tot dat oordeel te komen, deed hij iets opmerkelijks. Hij vergat een persoonlijk voornaam woord. ‘Help. Daar gaan weer’, twitterde de geachte afgevaardigde namelijk. Ik vermoed dat er ‘we’ ontbrak. Omdat hij toch al entre nous was? Het idee was waarschijnlijk dat linkse politici zoals Meyrem Almaci moraliseren, preken, deugden opleggen aan onschuldige derden, terwijl ze zich in hun dagelijks leven geen snars beter gedragen en al bij al dus ‘hypocriet’ zijn.
Hier ontstaat een drama dat komisch zou zijn wanneer de aanleiding niet zo triest was geweest. Op de door Almaci ingeroepen Verklaring van de Universele Rechten van de Mens (1948) is inderdaad kritiek gekomen dat ze een exclusief westers standpunt huldigde. Omgekeerd heeft het Vlaams Belang er een specialiteit van gemaakt mensen met een migratieachtergrond te verdenken van alles wat vies en voos is. Door iemand die welbewust een Belgisch en Turks paspoort heeft een oer-Nederlandse kwalificatie te geven ontstaat er tegenspraak met de partijbeginselen. De geachte afgevaardigde bezondigt zich vanuit dat perspectief aan inclusief taalgebruik.
Mij lijkt hesjtek viswijf inmiddels onwillekeurig ook een nodeloos gecodeerde aanduiding voor de ultieme lekkernij in Memory Lane die ‘visstick’ heette. Maar daarmee kom ik op een ander specialisme van Bindervoet & Henkes. Misschien valt er uit hun vakbijbel in eerste instantie hoop te putten dat betekenissen veranderen. Bindervoet & Henkes berichten in hun lemma ‘uitzuiger’ bijvoorbeeld dat de vanzelfsprekendheden van het kapitalisme een andere waardering voor die toch niet minne term hebben opgeleverd: ‘vroeger een scheldwoord, nu een rolmodel’. 

woensdag 12 juni 2019

Festina lente




Ik verkende De toestand in Chili. In dat boek uit 1971, ogenblikkelijk vertaald, sprak activist Régis Debray met de pas aangestelde president Allende. Zo lang duurde dit letterlijk uitgeschreven gesprek, dat het halverwege een wisseling van decor en datum meldt – en tomeloos voortgaat.
Normaliter verdraag ik zulke teksten moeilijk, zo interessant is de homo sapiens ook weer niet, zeker literatuur staat of valt met scherpe uitsneden. Hier voel ik echter de aandrang te willen weten. Dat komt natuurlijk door de afloop. Salvador Allende, die in Latijns-Amerika democratie wou brengen, werd op nine-eleven 1973 vermoord als uitvloeisel van een Noord-Amerikaans vrijheidsbeleid.
Zogezegd in een tijd van onschuld ontwaren lezers een politicus, die zonder terughoudendheid zijn ideeën voorlegt, de omgang met praktische problemen en muiterijen vertolkt en dan al terugkijkt op een leven van interveniëren, lezen en werken. De scheiding tussen publiek en privé is non-existent. Allende lijkt domweg fulltime geëngageerd. En de lezer hoopt.
Dat dit geschiedenis is, meen ik ook af te leiden uit de gebezigde taal. Mogelijk werkt ze nu op de lachspieren, maar mij grijpt de diagnose van misstanden, het optimisme en de ernst die te verhelpen en zich niet te laten piepelen. In Oogsten in de dwaaltuin, waar hij zich eveneens solidair verklaarde met de gevangen Breytenbach (‘maar ze wachten nog op het mooist/ dat je uit dankbaarheid schrijft een ode/ op de beulen die je langzaam willen doden’), dichtte Lucebert:

zijn vijanden waren goed doorvoede vreemden
maar van elkeen zag hij dat vertrouwde gebaar
het naar de konten van de meiden grijpen
toen zij het geweer oppakten en schouderden

dit trieste hoopje boeren of arbeiderszonen
opgekropen uit krotten naar hygiënische legerstallen
als zich bedwelmende padden in een glad bad
hij vergaf hen discipline, het enige dat een ieder had

maar al zijn haat – meer zon dan gloeiende steen –
zond hij uit om de harten van zijn volk te verharden
tegen dat betaalde generaaltje dat alsmaar zijn snorretje opstreek
voor dat groots fantoom op die bloeddoordrenkte sofa
waar dat slagertje heel het volk op dacht te slachten.

Ook dit veelt niet iedereen in onze ontmaskercultuur van links. Contrabalans voor wat destijds even makkelijk werd veroordeeld? Terwijl weinig later Koot en Bie VVD-minister Van der Klaauw zouden aanduiden met ‘die tandenborstel onder zijn neus’, accentueert Lucebert bij Allendes opvolger Pinochet, gepresenteerd door verkleinwoorden, expliciet het snorretje en zet deze generaal zo in een rechtstreekse lijn met Hitler. Wat de democratische president, Salvador dus, des te martelaarderiger maakt.
Aan de rol van Debray in het gesprek als leerling en biechtvader van de ‘kameraad president’ in dit boek ga ik voorbij. Zo kan ik me bepalen tot één zinnetje dat Allende bij wijze van serieuze grap aan ‘Régis’ toevoegt: ‘Kijk, Julius Caesar was dan wel geen marxist, maar zijn motto “Haast u langzaam” was zo gek nog niet.’
Ik besef het motto duizenden keren te hebben gelezen, als oxymoron aangeduid ook, zonder helemaal te weten wat het betekent. Festina lente, zoals de oorspronkelijk nota bene Griekse spreuk luidde, pleit voor bedachtzaamheid. De rustige vastheid van Herman Van Rompuy? Bij politiek is het motto überhaupt verwacht. Te groot de belangen om ze met een moment van onachtzaamheid te omgeven.
Wel doen tijden van formatiebesprekingen, zoals nu in België, naar het tegenovergestelde verlangen, omdat het motto dreigt te ontaarden in uitroking, de heiligheid van sint-juttemis. Hak een knoop door, is de reflex tegen dergelijke narcistische strategieën.
De boodschap van het motto was me wel van jongsaf bekend, in taal die een fractie minder bondig is maar nog wandtegelwaardig: haastige spoed is zelden goed. Volgens de spreekwoordenbijbel zit daar middeleeuws Latijn in (qui festinavit non hunc deus juvabit).
Bij de revolutionair Allende verrast de aanhankelijkheid hieraan misschien, maar ontluistert niet. Hij toont zich in De toestand in Chili vastberaden, voor het bestormen van de hemel acht hij diverse manieren van verzet legitiem, waaronder het gewapende dat hem wel niets voor Chili lijkt.
Naar verluidt is het een klassieke fout van wereldveranderaars om in een mum van tijd wijzigingen door te voeren voor een homogeen gepresenteerd ‘volk’ zonder dat het daarvan weet, laat staan er akkoord mee is gegaan. Wat voorhanden raakt, kan etteren. Filosoof Emmanuel Levinas stelde in het interbellum al vast, dat il y a alleen officieel hetzelfde betekent als es gibt. Dit Duits betoonde zich tussen 1933 en 1945 immers allesbehalve goedgeefs.
Misschien komt het doordat wielerseizoen zijn fijnste tijd van het jaar ingaat, dat ik bij Festina lente ook, in eerste instantie misschien wel, moet denken aan een koersploeg. Met doping toch en Richard Virenque, de bergkoning die niet kon klimmen maar wel lang ontsnappen?
Nazicht leert dat de wijsheid Festina lente niet van Julius Caesar stamt, maar van zijn achterneef Augustus. Hoe komt Allende aan die toeschrijving? De tekst van verslaggever Suetonius heette De vita Caesarum, wat allicht voor verwarring heeft gezorgd (nog los van Régis Debrays talenkennis).
Festina lente schijnt ook het motto te zijn van de stad Venlo, waar misschien nu dan doorgedrongen is dat haar beroemdste bewoner, G.W. – huidige verblijfplaats onbekend – tegenkanting mag krijgen in plaats van gedoogsteun.
Dat brengt me terug naar de parlementsverkiezingen, waarop ik blijf kauwen. Onbegrip mildert niet. Wat is er in België gebeurd? Ik vond een citaat van Teju Cole, die uitlegde waarom hij ooit op Obama had gestemd, ‘ondanks forse bezwaren, zowel tegen een aantal van zijn denkbeelden als tegen een groot deel van het systeem waarin hij functioneerde’. Coles keuze was ‘een verklaring, vooral gericht aan mezelf, dat wij aan iets deelnemen niet omdat het ideaal is maar omdat het dat niet is’.
Sluit dit aan bij Allendes motivatie voor Festina lente?
De toestand in Chili is een boek naar mijn hart. De titel vind ik geweldig, het interview neemt tijd en ruimte, er zijn inleidende teksten en verklarende noten en de heterogene bijgeleverde informaties (droog, ampel en hoopvol) doen de band als geheel, uitgegeven door Bruna, nog het meest denken aan een reader.

maandag 3 juni 2019

Tranen van hars



Er waren dus Europese verkiezingen, maar als niet-stemgerechtigde Nederlander blijf ik kauwen op het Belgische luik. Wat moet er nu van mijn kinderen terechtkomen? Een paar minuten zendtijd stortten me definitief in een chagrijn.
Terwijl de uitslagen binnenstroomden, was het duidelijk dat in Vlaanderen populistisch rechts en links zwaar hadden gewonnen. Prompt begonnen beider leiders op de televisie te schamperen over ‘postjespakkers’. Stel je voor, collega’s van alle gezindten hadden zich maandenlang uit de naad gewerkt voor één dag in vijf jaar, en de hoogstwaarschijnlijke verliezers onder hen kregen alvast een trap na van de hoogstwaarschijnlijke winnaars.
Ergerde ik me extra aan ‘postjespakker’ omdat die term even denigrerend klonk als ‘wieltjeszuiger’, waarmee de defensieve rijstijl van Joop Zoetemelk tegenover kannibaal Eddy Merckx ooit werd aangeduid? De heren politici-overwinnaars bedoelden iets wat boven de Moerdijk vermoedelijk ‘carrièretijger’ of ‘baantjesjager’ heet. Of, allemachtig, ‘plucheklever’.
Altijd weer die taal, altijd weer bij anderen! Terwijl mijn tikvingers jeuken bij aanhoudende discussies in mijn vak.
Even razend maken me communicatie- en marketingexperts die vanaf de hoogdag der verkiezing uit hun buitengewoon interessante kerkspitsen komen om afgesloten campagnes te becommentariëren. En raad eens, alle partijen pakken het helemaal fout aan.
Nee, dan vroeger. Guillaume van der Stighelen prees in een vergelijking oude slogans. Zoals Eigen volk eerst, waarvan zelfs een amateur al de beurse plekken kan aanwijzen. Verder had hij goede woorden veil voor De kracht van de verandering, terwijl ritmisch natuurlijk het lidwoord vóór ‘kracht’ geschrapt had gemoeten en ‘verandering’ vervangen door ‘restauratie’.
Die laatste redactieslag is uiteraard uitsluitend zinvol wanneer de partij eerlijk tegen kiezers wil zijn. Volgens een andere communicatie-expert, Fons Van Dyck, is dat echter een stom idee. Hij weet het teleurstellende resultaat van Groen althans aan een alternatief begrotingsplan voor de toekomst – oppositiepartijen moeten kennelijk louter met de zweep zwaaien.
En welke expert bedacht heden een slogan voor nog een andere partij, waarachter zich nota bene heel wat weldenkende mensen schaarden: Locomotief op links. Een alliteratie, drie lange o’s en een korte, de associatie met industrieel rollend materieel – ik begrijp dat niet.
Anderzijds, toen ik over die taal stoom afblies zei de wegkapitein dat een politieke partij die aan mijn taaleisen voldoet de kiesdrempel niet zou halen. Goed dan, al klaar.
Nee, helemaal niet! Want waarom moeten er achteraf zondebokken worden aangewezen? Zo wist Mark Elchardus het maatschappelijk middenveld in diskrediet te brengen, wier kader geen oor zou hebben voor wat er onder de leden speelt. Vervolgens prees Stijn Oosterlynck dat personeel omdat het die leden zou corrigeren op onder meer racisme.
Zulke teksten doen mij denken aan doktoren die in het bijzijn van de patiënt Latijn spreken (zeker is dit een populistische vergelijking).
Nog een voorbeeld, een verkiezingscommentaar van Thomas Decreus. Hij beriep zich op een historische tekst van Sartre uit 1973, Elections, piège à cons, waarvan ik helaas niet zeker weet of ik hem integraal te pakken kreeg. Sartre betoogt dat verkiezingen niet representatief zijn, veeleer onderdrukkend. Hij noemt ze dus een valstrik. In de beslotenheid van een stemhokje kunnen verraders huizen, traîtres, doordat ze egoïsme en opportunisme laten doorwegen op groepsbelang, of op de toekomst: ‘La méfiance accroît la distance qui les sépare.
Nu is ook het gedrag in het stemhokje onderzocht, met griezelige resultaten trouwens, en was de klimaatverandering een thema dat over de lange termijn gaat. Toch heb ik moeite met Decreus’ voorstelling (onder de noemer ‘analyse’) van de kiezer als verrader. Bij mijn weten is er geen instrument om oprechtheid te meten.
Hij redeneert vanuit een smijdige diagnose van hypocrisie bij – volgens hem exclusief extreemrechtse – burgers die antisolidariteit ontplooien. Maar deze denkbeweging kun je evengoed omdraaien en dan gaat ze over groepsdruk waar Sartre toch ook wel wat van vond. De eis zich te conformeren aan opvattingen die niet helemaal de jouwe zijn. Zoals recent gebeurde bij Zihni Özdil, door de Nederlandse Groenen verstoten. De méfiance van wie is dan in het geding?
Wel is aan Sartre een ongrijpbaar gedicht gewijd door Jan G. Elburg (1919-1992):

Zo kon het ook gebeuren
dat ik eenvoudig een houten bril zou timmeren
om opnieuw bos te zien en
hoe ik weer klein onder berken danste
naakt met de naakte meisjes
wier pa een socialistisch onderwijzer was
ik weet het was negentien vijfentwintig
dan schreide ik tranen van hars

zo kon het ook gebeuren
dat ik dezer dagen geheel een man was
als deze burgerlijke denkers beschrijven
ai, ja, hun geliefkoosd gevoel
dat ons doet slapen in poetslappen

het was winter en de ruige duiven
zwegen.
niets van vrede.
zij kenden mij niet toen ik klein was.
om eerlijk te zijn
zij hebben mij zelfs nu niet bekeken.

Het timmeren van houten brillen – wat een vakmensen moeten dat geweest zijn! Dat ik geen raad weet met dit Bijbels aangezette gedicht komt doordat de ik-figuur voor mij flou is. De tweede strofe introduceert met ‘burgerlijke denkers’ een meervoud waarvan dat ik een object is. Nu had Sartre weinig moeite om anderen als burgerlijk voor te stellen, maar hij deed dat in zijn eentje.
Of viseerde Elburg met zijn titel sartre een hele kliek volgelingen? Het gedicht komt uit De vlag van de werkelijkheid uit 1956. Sartre was voor de Lage Landen, anders in piège-tijden toen hij als 24-uursintellectueel bij open vuur vermoedelijk vlam vatte, misschien niet zozeer een communist die in postideologische tijden werd opgeknoopt (bijvoorbeeld wegens zijn conflict met Camus), als wel een humanist die bij Elburgs toenmalige confraters Lucebert en Kouwenaar ook al op weinig fiducie mocht rekenen.
Welja, een lange zin. En ik haal er nog wat dichters bij omdat ‘poetslappen’ na lang staren een beetje Engels wordt, ook al blijft ‘slapen’ dat erin vervat is volledig zichtbaar.
De ik-figuur van de slotstrofe kan evengoed een hedendaagse kiezer zijn voor wie geen hond oog heeft, maar over wie dezelfde diersoort juist daarom ontelbare meningen plengt. Dan is het handig te weten dat de tekst door zetfoutje jarenlang sprak van ‘ruige druiven’ – die nu extra zuur zijn?

zondag 26 mei 2019

Mijn koningin of de jouwe




Kriskras lezend door de interessante artikelenbundel Pijnlijk mooi van Marc De Kesel en Anne Marijke Spijkerboer, beland ik in een betoog dat opent met tekst en beeld uit Alice in Wonderland. Mijn blik passeert dan Bataille en Maritain, ziet weer een tekening uit Lewis Carrolls klassieker voor jong en oud terwijl iemand me iets vraagt en ik verstrooid antwoord en de lectuur hervat en mijn gedachten teruggaan naar de vraag terwijl ik verder lees tot en met een citaat, dat zo eindigt:

‘De koningin kwam op me afsnellen, zette haar voet op mijn keel en riep met een huiveringwekkend stemgeluid: “Weet jij wie ik ben?” En ik zei: “Of ik dat weet. Je hebt me zo lang verdriet en pijn gedaan, je bent de rede van mijn ziel”.’

Och ja, dacht ik, verrukkelijk nog steeds die koningin, die bij de onnavolgbaarste aanleidingen dieren wilde laten onthoofden. En Alice die dan schipperde en door het toeval van een nieuwe gebeurtenis een handje geholpen werd, niet het minst omdat de koningin haar bevel alweer vergeten leek.
Wel stond me bij dat de koningin vooral iemand van het woord was, op het dadenloze af. Dat ze een voet op andervrouws keel zette! Dat boek zou ik moeten herlezen. Temeer omdat ik het antwoord van Alice ook niet representatief vond, voor de herinnering die ik van haar had. ‘De rede van mijn ziel?’ En was Carrolls boek inderdaad een ik-vertelling?
Tenminste wilde ik de voetnoot in de studie benutten om het citaat terug te zoeken. En toen bleek dat het niet uit Alice in Wonderland kwam, maar uit de Visioenen van Hadewijch (vert. Imme Dros).
Gelukkig ontbreekt het me aan parate kennis, dus ik voel me niet geroepen om verbanden te opperen die mijn mislezing alsnog enige basis verlenen. Als het echt moet weet ik uit Alice in Wonderland wel een citaatje waarvoor ik zelfs op mijn geheugen durf te vertrouwen:

‘It’s a poor sort of memory that only works backwards, the Queen remarked.’

Toen ik dit voor het eerst las, wist ik niet dat ik een soort schrijver zou worden. Wel dat ik het een idee van zo’n tweebaansgeheugen even aantrekkelijk als angstaanjagend vond. Het zinnetje heb ik ongetwijfeld voor me uit gepreveld, zo vaak dat het in mij plaatsnam. En toen het er op een goede dag alle schijn van had dat ik een soort schrijver was, schreef ik het zinnetje met vulpen in een schrift (dit is lang geleden).
Niet dat het nodig was, maar zo behoorde het tot de kandidaten voor een motto van een boek – dat alleen nog eventjes moest worden geschreven. In de toekomst, vrees ik nu. En Alice in Wonderland herlezend in de knappe vertaling van Nicolaas Matsier, blijkt mijn zinnetje in Through the Looking Glass te staan:

‘Het is een armzalig soort geheugen dat alleen maar achteruit werkt, merkte de koningin op.’

In poor had ik altijd meer medelijden gehoord dan ‘armzalig’ voor mij inhoudt. ‘Petieterig’, ‘beperkt’, ‘schrijnend’, of wellicht ‘triest’ of ’treurig’? Maar in Matsiers keuze is het zoetsappige ‘zalig’ efficiënt inbegrepen. Opgelucht dat er stielmensen bestaan.
De vertaling deed me bovendien beseffen alweer lang uit Nederland weg te zijn. Een stuk vroeger in het boek, nog gewoon in Alice in Wonderland, vraagt de kat:

‘Hoe staat het leven?’

Dit is een belangrijke vraag, zeker vandaag hier in België, waar iedereen verplicht naar de stembus trekt om Europees, nationaal en gewestelijk een keuze te maken. Maar zoals Matsier hier laat polsen naar het welbevinden… de kat spreekt een variant uit die ik decennia niet meer heb gehoord. Dit is taal van de ooms uit mijn jeugd (tantes vroegen veeleer ‘Hoe gaat het met je?’) Matsiers vertaling dateert uit 1989, dus deze herinnering zou bewijsgrond kunnen hebben. En het origineel heeft evenzeer wat vriendelijk formeels dat in het midden laat of er interesse is: ‘How are you getting on?’
Dat ‘hoe gaat het met je’ (of: ‘hoe is het met je’) werd vervolgens ‘hoe gaat het’ (of: ‘hoe is het’). En daarna, maar toen woonde ik al in België en klonk alles vreemd, ‘hoe gaat-ie?’.
Zelf begroet ik hier – als Nederlander niet-stemgerechtigd, wel belastingbetalend – medeburgers zekerheidshalve al jaren met ça va? Ronder, nageaapt Vlaams dus, voorbij mijn redelijke vermogens. Zoals Hadewijch de gelukzaligheid van het niet-weten ten deel viel.
In het boek Pijnlijk mooi wordt uitgelegd dat dit een kwestie is van permanente vernieuwing, om een ziel te benaderen die ik maar even een gesprek noem tussen ik en mij. Het heldert aan de wereld op hoe het met het leven staat, daarstraks nog en straks misschien ook. Hopelijk zonder het hoofd te verliezen.

donderdag 16 mei 2019

Een proeve van onverschilligheid





Mijn archiefblog is uitgebreid met de voorlopig definitieve versie van mijn bespreking van De wereld in jezelf. De Nederlandse en Vlaamse literatuur van de 21ste eeuw in 60 essays. Over deze prestigieuze bloemlezing door Nina Polak en Joost de Vries berichtte ik twee weken geleden op Neerlandistiek.nl. Ik heb nog wat onvolkomenheidjes uit dat betoog proberen weg te werken.
Commentaar blijft welkom onder aan deze posting.
Meteen alsnog reageren op het comment dat op Neerlandistiek kwam. Mijn intro over de onbeschikbaarheid van Patricia de Martelaeres werk werd weerlegd met een verwijzing naar Boekwinkeltjes.nl, waar er nog veel tweedehands te koop blijkt te staan. Zo’n reactie blust me.
Ik kan hooguit verantwoorden te zijn afgegaan op recente mededelingen van een tijdschriftredactie en van boekhandelaren over het gemis van De Martelaere-titels. Daarbij had ik een acht jaar oude cultuurindustriële sessie in het achterhoofd waarin die klacht al werd gedaan, en vijf jaar geleden een heuse petitie voor herdruk van De Martelaeres werk, die onlangs herhaald werd, en niet op één plaats.
(Wel vind ik altijd fijn om met nuchtere getallen te worden geconfronteerd. Zo meldde deze maand de Nieuwsbrief van de Schrijverscentrale dat er maar liefst 744 auteurs zijn aangesloten. Onder hen zijn er trouwens 377 vrouw, 365 man en 2 genderneutraal.)
Maar het comment pakte vooral goed omdat ik de bloemlezers had verweten geen deugdelijk onderzoek te hebben gedaan. Als mijn intro al niet klopt, dan zal de rest helemaal niet veel soeps zijn! De pot leek de ketel weer eens te verwijten.
Tragikomisch werd mijn eerste versie zelfs, omdat ze bij Polak en De Vries bijziendheid vaststelde. Ze zagen volgens mij uitsluitend hun eigen provincie. Maar De Vries bleek net promotie te hebben gekregen tot adjunct-directeur bij een weekblad dat juist verder kijkt dan zijn neus lang is.
Toch blijf ik De wereld in jezelf, ondanks soms fraaie fragmenten, een proeve van onverschilligheid vinden. Hoe recenter de keuzes, hoe vaker ik meen te stuiten op een gevaarlijk soort nieuwe routine.
Altijd reëel echter blijft de mogelijkheid dat ik, bijna vijfentwintig jaar boeken publicerend, niet meer begrijp wat jongeren drijft. Dat zou beschamend zijn (voor een vader).

dinsdag 7 mei 2019

Verschrijvingen





Nu het luidruchtigste deel van de Lage Landen werktuiglijk gelooft in Ajax’ herovering van de wereldzeeën, te beginnen met het meertje in de buurt van de fameuze metropool Hotspurs dat Champions League heet, is het zaak de teleologie ook in de taal te bewaren.
Voor 99% was het volstrekt logisch dat de Amsterdammers alvast de Nederlandse beker wonnen, een opwarmertje tegen die slappe sigaren uit Tilburg, maar gelukkig is er altijd een 1% die de geest scherp houdt. Het officiële spandoek bij de prijsuitreiking bewees voor hen dat een f’je zo gevlogen is.
Fuck man.
Toch vond ik bekerinale een mooi en passend woord. Van Ajax’ pretenties levert het op klank en metrum al de heroïek (olympiade), de artisticiteit (biënnale) en de gezondheid (bionade). Het signalerende artikel gaf meer voorbeelden van zulke verschrijvingen uit de sportgeschiedenis. Ze stonden veelal op de achterkant van shirtjes, bevattende het nummer van de atleet en, bovenal, zijn naam.
Hoewel foto’s harde bewijzen gaven, moest ik zelf soms steun zoeken bij het onderschrift. Behalve bij ééntje: andesron. Nochtans had ik nooit van de dienstdoende Engelse voetballer gehoord. Maar allicht moesten die ‘s’ en die ‘r’ andersom. Een poëticaal verstrooidheidje?
Ja, nu heb ik me hangen. Dankzij het geheugen van de zoekfunctie op mijn computer schiet me te binnen dat in Een cheque voor de tandarts (1967) Bernlef over William Carlos Williams schreef dat deze voor diens laatste bundel weliswaar twee prijzen had gekregen maar ‘toch is mijn poëzie nooit erg populair geweest en hebben niet veel jongeren er zich door laten inspireren.’ Het is een soort feit dat Bernlefs poëzie inderdaad nooit zo is gewaardeerd; de jonge Maximalen namen haar zelfs als afschrikwekkend voorbeeld.
Een heus complot! Met een gezonde dosis paranoia heet men altijd een stapje voor te blijven. Vroeg Bernlef er dus om? Of was het de zetter die zijn manuscript in een moment van onachtzaamheid herschreef zonder dat de auteur het in de smiezen had, evenmin in de drukproeven?
Mij valt op dat het zelfs bij ervaren blinde typers aanbevelenswaard is pas de toetsen in te drukken, nadat alle tien vingers op de juiste positie staan. Ik spreek hier uit ervaring, al heeft ze me ooit wel een notitie opgeleverd die in programmatisch tekstje voor een literair tijdschrift belandde:

Nokxpmfrt. yrhr;okl s;hr,rrm rrm ;ovjyr brtdvjiobomh bsm fr jsmf" fr omhrvs;vsi;rrtfr gpiy. nreidy dvjs,[rmfr yss;/

Onder de eerste vijftig inzenders van de goede oplossing verloot ik evenveel stukjes uit de neus van een bekende oud-voetballer of twee zoenende goden naar keuze.
Tegenwoordig, nu spieren en botten strammer worden, kijk ik zekerheidshalve al tijdens het verschijnen van letters op het scherm. En dan verandert een collega net zo makkelijk in een collage. Omdat werken leidt tot wreken?
Ten slot van deze warming-up even melden dat er veel verschrijvingswerk zit aan ‘verfomfaaid’. Het woord blijkt aan te zuigen in Van Dale. Uit die informatie begreep ik eveneens dat bij gebruikers van dat woord zich de ‘r’ opdringt, maar liefst op twee posities tegelijk (hier kan Ajax een voorbeeld aan nemen). De reden zou liggen in onverwante termen als ‘fraai’ en ‘frommelen’.
In het allerverschrevendste geval wordt ‘verfomfaaid’ tot ‘verfromfraaid’. Zeg dat maar eens tegen de mannen van Tottenham. Misschien horen ze fromfright, wat zoals genoegzaam bekend een angst is voor het hebben van een statische afkomst.
Onder groene zoden?

woensdag 1 mei 2019

Freak is een nog veel te chic begrip





Bij mijn opinies bij opinies over wat er allemaal scheelt aan de neerlandistiek – allemachtig, ik zou bijna vergeten voorbeelden te geven van hoe het naar mijn jolly allerbescheidendste mening ook kan.
Pas onlangs las ik de verzamelbundel De lichtheid van literatuur. Engagement in de multiculturele samenleving uit 2015. Zo’n boek maakt me ook op andere dagen dan 1 mei enthousiast, leeslustig, doevaardig. Omdat het teksten met theorie confronteert en zichzelf inclusief onderzoeksobject binnenstebuiten keert met een heikel vraagje: wat hebben wij nu helemaal voor zin?
Logisch. Geen wetenschapper wil buiten de samenleving om werken, geen literator wenst teksten te produceren die verstoken blijven van betekenis voor diezelfde samenleving.
Hopelijk vat ik de bevindingen adequaat samen wanneer de vier auteurs – Maria Boletski, Sarah De Mul, Isabel Hoving en Liesbeth Minnaard – voor de ijdele kunstuiting die literatuur is nog steeds ruimte zien, met handhaving van haar wat in de voetballerij ‘speciale kwaliteiten’ heet. De motor achter lezen en interpreteren kan dan de bijzondere behandeling van taal blijven.
Een opluchting vind ik ook de principiële aporie van analyses in de praktijk, zonder dat de orthodoxie van permanente onbeslisbaarheid leidt tot wapenstilstand vooraf. Sterker nog, literatuur geldt voor deze beschouwers als een slagveld, waarop iedereen welkom is. Vervolgens is het een zaak van vallen en opstaan, net als bij nog wat dingetjes uit het leven.
Dat vallen levert ondertussen heel wat verklaringen op van denkbeelden en tegenstrijdigheden in een literaire tekst, totdat ze met zovelen zijn dat een nieuwe hypothese nodig is. Dit alles met de aanname uit de ondertitel: de multiculturele samenleving, niet van het wijdverbreide failliet ervan. Iedereen is dan gebaat bij de detectie van stereotyperingen, om uitsluiting te voorkomen.
Constante in de artikelen is het notoire begrip ‘nieuw realisme’. Daarmee doelde Baukje Prins ooit op witte burgers, destijds autochtonen geheten, die ervan overtuigd waren dat ze in hun meningsuiting beknot werden. Dat was ook voor de maatschappij reuzejammer, omdat ze misstanden waarnamen, veroorzaakt door zogeheten allochtonen. Dus zat er niets op dan te ‘zeggen waar het op staat’.
De lichtheid van literatuur gaat vervolgens na in hoeverre laaglandse romans deze taal /spreekstijl hebben gevolgd, genuanceerd of bestreden. Jammer is dat het boek al verschenen was, toen Prins moeite kreeg met het nieuw realisme dat als het ware van allochtoon naar autochtoon begon te vloeien en er bredere, ongeduldige steun kwam voor hetgeen het boek geduldig aanklaagt.
Met name trof me het artikel ‘De fantasieën van de onschuldigen’. Daarin behandelt Hoving eerst een dubbelinterview met Robert Vuijsje en P.F. Thomése, en daarna de romans Salomon van Hafid Bouazza en 24/7 van Willem Melchior. Ik geef dat compliment natuurlijk uit luiheid, om me er listig van te ontslaan de redenaties na te vertellen.
Het punt waarop ik hardop over Hovings tekst wil nadenken, ligt namelijk in een mededeling. Ze noemt een rits recente Surinaams-Nederlandse auteurs van wie ik als gediplomeerd neerlandicus nooit had gehoord: Marylin Simons, Annet[te] de Vries, Annel de Noré, Sophie Redmond, Cándani,…
Wat heb ik al die jaren uitgespookt? Alleen de laatste vind ik terug in mijn oude Spiegel van de Surinaamse poëzie. Ze sluit die bloemlezing zelfs af, met gedichten die mijn zelfverklaard kritische blik destijds kennelijk dusdanig zozo hebben gevonden dat ze met schrijfster en al in het vergeetputje belandden.
Tijdens mijn studie, in de jaren tachtig, waren al mijn medestudenten wit. Ik volgde een keuzevak dat zoiets als ‘Caraïbische literatuur’ heette. Daarin maakte ik kennis met romans van Frank Arion en Tip Marugg en, als ik het me goed herinner, Hugo Pos. De laatste liet me koud, de eerstgenoemden vond ik een revelatie.
Nu doet mijn mening er natuurlijk niet toe, wel de constatering dat ‘neerlandistiek’ neerkwam op ‘Nederlandse literatuur’.
Schijnbewegingen en uitzonderingen daargelaten hoorde Vlaanderen daar evenmin bij en ik geloof dat er in de tussenliggende jaren weinig is veranderd in die kennis over de zuiderburen (zelf las ik pas dit weekend een type rouwadvertentie dat hier gangbaar blijkt, van een man die bij nader inzien zijn in kleiner corps gezette vrouw betrof, ‘geboren als xxx’).
Wanneer ik me toespits op Suriname, dan vrees ik dat pas in dit decennium tot me doordrong hoe cruciaal Anil Ramdas’ artikel ‘Moedwil en kwade trouw bij blanke schrijvers’ (1997) is geweest. En in het vak is het inzicht evenmin oeroud dat Hans Faverey nou niet exclusief tot de Nederlandse literatuur behoort.
Enfin, dank aan Isabel Hoving dus, een decennium wijzer dan ik. Prettig ook dat ze zich als lezer en burger nergens wegsteekt en, in een eindnoot, haar poëtica vertolkt. Als literatuur van ‘werkelijk cultureel belang wil zijn’, tekent ze aan, kan het niet anders dan dat deze kunst dominante fantasieën ‘problematiseert, vernieuwt, ontrafelt’.
Ter discussie staat dan vanzelfsprekend wat ‘dominant’ is. Indien literatuur zo’n debat ontketenen kan, is het al heel wat.
Hoving ziet ondermijning van die dominantie bij Melchior door een besef bij een personage. En ze citeert vervolgens uit de roman: ‘Ik ben evengoed een geval (…) Freak is een nog veel te chic begrip.’ Die laatste zin heeft voor mij vreemd genoeg boven alles een intertextuele lading. Als muziekmaniak of als lijdzaam onderdeel van Melchiors generatie?
Het liedje waarnaar hij knipoogt, is geschreven nadat Bernard Edwards en Nile Rodgers letterlijk een staaltje uitsluiting hadden ervaren (uit de fameuze New Yorkse nachtclub Studio 54).