vrijdag 27 november 2020

Gewoon stante pede

  

 

 

Niet heel erg onverwacht desintegreert Forum voor Democratie, al verbaast de topsnelheid waarmee het gebeurt, nu partijleden eindelijk zich geshanghaaid weten. Alsnog wordt een haiku van Willem Schinkel bewaarheid:

 

Twitter. Gelukkig

legt iemand het allemaal

nog eens rustig uit.

 

Evenmin een verbindend effect sorteerde de spraakmakende open brief van Annabel Nanninga, die wel opmerkelijk was gestileerd voor een politica, een Eerste Kamerlid nog wel. Niet alleen was de taal expliciet, ze was ook soepel en retorisch. Nanninga’s belangrijkste stelling over FvD formuleerde ze bovendien in een traditie: ‘De rokende puinhopen van wat ooit de grootste partij van Nederland was, walmden onfrisse bruine dampen.

Net zoals Theo Francken een paar jaar terug in polemische nood, ent Nanninga zich op een beeld van Pim Fortuyn. Bij hem kleurden de puinhopen toen paars, bij de FvD een helaas gekend bruin dat zowel rookt, walmt als onfris is. Maar doordat Nanninga er de eigen gelederen mee benoemt, is de beschuldiging heftiger. Daarbij dringt zich wel de vraag of haar taal kan ontsnappen aan hetgeen ze anderen aanwrijft.

Die vraag lijkt een beetje guilt by association, omdat Nanninga nu eenmaal een bedenkelijke staat van dienst heeft bij het aanduiden van mensen met wie ze zich blijkbaar niet verwant voelt – haar excuus ‘humor’ valt niet te controleren zonder intentieprocessen te voeren.

Uit Nanninga’s open brief blijkt bijna onmiddellijk dat ze theatraal haar punt wil maken. De partij ‘hinkstapspringt’ volgens haar van begin af door de controverses. En inmiddels heeft ze, behalve natuurlijk op de weergaloos egomane Baudet, haar pijlen gericht op ‘nazistische relpubers’ die tot de JFVD behoren en wier leeftijd niet per definitie de sympathie van de partijleider geniet.

Die kwalificatie relpuber klinkt vertrouwd, maar erg oud is ze niet. Van oudsher kent het Nederlands de ‘relletjesmaker’ en de ‘relschopper/reltrapper’, en dankzij Reve de ‘relletjesvoyeur’, maar volgens mij is het pas sinds de brede verbreiding van het internet dat samenstellingen met ‘rel-‘ gemeengoed zijn. Van Dale voegde in oktober 2007 het lemma van de ‘reltoerist’ toe. Om diens scala van daden te dekken was de hooligan kennelijk te monomaan en beriep de ramptoerist zich nog op oude media.

Eén zin uit Nanninga’s open brief, gepubliceerd op dinsdag, bevat alle ingrediënten van theatraliteit. Ze blikt daarin terug op het zeer nabije verleden:

 

Een weekend waarin de partijleider liever de hele partij in de open haard flikkert, dan gewoon stante pede overgaat tot het uitroken, ontslaan en royeren van foute elementen.

 

Geen diplomatiek taalgebruik, zou mijn moedertje hebben gezegd. Maar in zekere zin is het dat juist wel, omdat Nanninga hier uitgekiend formuleert. Het ordinaire ‘flikkert’ strijdt tegen het deftige ‘royeren’, de polariteit ‘gewoon stante pede’ die strikt genomen helemaal overbodig is, het kopiëren van uitgerekend het linkse oerverwijt ‘fout’…

vrijdag 20 november 2020

Saillant

 

  

Gedienstig vul ik mijn bibliografie aan, wanneer er een nieuw stukje is verschenen. Tot zover veelal de ruchtbaarheid, maar onlangs gebeurde er tweemaal iets met teksten op Neerlandistiek.

Eerst schreef ik een lange beschouwing over De langste adem, het boek dat Arielle Veerman had gewijd aan haar voormalige echtgenoot Joost Zwagerman. Een onthutsend boek, omdat het verhaalt hoe het met manvrouwverhoudingen en met de cultuurindustrie gesteld is.

Mijn tekst ontlokte een wemeling van comments. Ze gingen zelden over mijn beweringen, noch over die van Veerman. Wel over de dichter Nijhoff, een overeenkomst die ik zelf veeleer zag als verschil – dat ik tot overmaat van ramp beroette door in een reactie te stellen dat Nijhoff door zijn collega’s werd gewaardeerd.

Ik bedoelde: Nijhoffs werk.

Unvollendet bleef nog een raadsel dat de comments opriepen: dat er over Zwagerman een biografie in de maak is. Uit het vele dat reeds over zijn privéleven naar buiten is gekomen blijkt immers dat hij vooral een kantoorleven leidde. Maar ook dat hij heel wat contacten onderhield –misschien wil de biografie een tijdsdocument worden?

Verder recenseerde ik uitgebreid (deel 1 - deel 2) de studie Dit is geen vrouwenboek van Corina Koolen. Daarover bleef het stil. Hoewel, van wat ik als niet-lid kon zien werd op de Facebook-account van Neerlandistiek geprotesteerd tegen de ‘racistische en validistische titel’ van mijn artikel.

Die titel luidde: ‘De beate mongoloïde glimlach van de wereld’. Tussen aanhalingstekens, want het betrof een citaat. En wel van een tekstfragment dat door een groot testpubliek van Koolen als hoog literair was ingeschaald. En waarover de literaire kritiek soortgelijk oordeelde.

De Facebookster zag dat, net als ik, kennelijk heel anders. Maar wat er racistisch is aan het citaat, ontgaat me. Dat steekt. Als witte persoon mag ik geen ervaringsdeskundigheid met racisme hebben, mij bekruipt wel degelijk verontwaardiging bij het zien van, actueel, de televisie-episode Mangrove, uit de reeks Small Axe door Steve McQueen.

Hoe zou de auteur van het citaat de racismediagnose van de Facebookster opvatten? De moeilijkheid was bovendien dat er een emoji achter stond van een boos of huilend gezichtje. Een plaatje in plaats van een argument voor een zware aantijging.

Er doemt nog een ethische hinderpaal op: hoe kan ik als niet-Facebooker mijn democratische recht gebruiken om te reageren? Ironischerwijs moest mijn recensie weer melding maken van de (door Koolen geraadpleegde) Lezeres des Vaderlands, die aan personen soortgelijke morele verwijten kon maken, zij het vanuit de anonimiteit. De naam van de Facebookster was gelukkig zichtbaar, maar onontkoombaar is dat ik haar ethische bezwaar evenmin kan beantwoorden, tenzij ik me aanmeld bij Facebook.

No way! In het publieke domein, onder het stuk, had ze haar kritiek toch ook kunnen uiten? En had elke burger desgewenst toch mee van gedachten kunnen wisselen?

Verder was het Facebook-commentaar voor mij nuttig omdat ik me moest inlezen in het tweede verwijt. Nu ik weet wat validisme inhoudt – ‘discriminatie, marginalisering en stigmatisering van mensen met een functiebeperking op grond van hun lichamelijke, verstandelijke en/of psychische gesteldheid’ – bespringen me twijfels. Doet het tweede bijvoeglijk naamwoord in mijn titel kwaad? Heb ik dat, door te citeren, verbreid? En zo ja, wat zijn de gevolgen voor literatuur van de Oudheid tot Morgen?

In de marge van haar studie gaf Corina Koolen enige leestips. Ik kende geen enkele titel. Dat tekort kon ik rationaliseren, omdat het volgens Koolen geen boeken zijn uit de hoogculturele niche. Toch hoop ik een ruime blik te hebben. Dus las ik alsnog de roman Marsepeinen vingers van Öznur Karaca, door Koolen aldus aangeprezen:

Dit is de meest ‘literaire’ van mijn selectie, want sterk geschreven en met een onderwerp dat zeer relevant is voor deze eeuw. Het verhaal is naargeestig en bevreemdend, over een Turkse migrantenfamilie in België die simpelweg probeert te overleven. Ik krijg het beeld van de marsepeinen vingers niet meer uit mijn hoofd. Voor de aanhangers van hoge literaire kwaliteit is dit werk van de Vlaamse auteur Karaca een om op het lijstje te zetten.

Het boek speelt grotendeels in Gent en heeft een gezichtspunt dat in laaglandse literatuur helaas nog altijd zeldzaam is. Na enige tientallen pagina’s komt de vaart er goed in en vertelt Karaca een gezinsrelaas dat tot nadenken stemt.

De literariteit die Koolen in Marsepeinen vingers ziet, proefde ik minder. Wel vertoonden de meest dramatische momenten in de tekst een herhaald procedé, waarbij de pijn als het ware verdeeld en doorleefd wordt door een personaal perspectief en ik-vertelling af te wisselen. Ook leerde ik een vakterm nadat een dominante moeder het zwijgen wordt opgelegd door ‘polaire vragen’.

Het belangrijkst aan Marsepeinen vingers dunkt me het wedervaren van een Turkse familie in een vreemde cultuur die makkelijk ‘de onze’ wordt genoemd. Zelf weet ik daar bar weinig van, zelfs niet uit lectuur. Ik vind de recensie-exemplaren niet meer die me lang geleden doorgegeven waren om, als stagiaire bij een kunstredactie, Halil Gür te interviewen. In mijn herinnering waren zijn verhalen basaler – Karaca kan ondanks de schrijnende toestanden een zeker vertelgenot niet onderdrukken.

Google Ngram maakt aanschouwelijk dat ‘migrant literature’ zich pas in 1986 in de collectieve taal nestelde en toen aan een klim onder de onwetenden begon.

In mijn bespreking sympathiseer ik met Koolens houding tegenover literatuur. Vond ik het al leuk dat ze met onconventionele leestips kwam, de aanleiding ertoe is nog leuker. De Groene Amsterdammer wijdde namelijk een nummer aan ‘de beste eenentwintig boeken van de eenentwintigste eeuw’ en op verzoek mochten stervelingen daar suggesties voor aandragen:

Onder de 81 respondenten waren er 34 vrouwen en 47 mannen. Saillant: een stuk of twintig mensen mailden terug zichzelf niet genoeg gekwalificeerd te vinden om een oordeel te vellen, omdat ze vonden dat ze niet genoeg hadden gelezen, of twijfelden aan hun overzicht van de contemporaine literatuur. In deze bescheiden groep zaten gerenommeerde schrijvers, recensenten, hoogleraren en uitgevers. Op twee na waren dit allemaal vrouwen.

De top 5 van superwinnaars was voorspelbaar: Sebald, Houellebecq, Cusk, Littel, Uphoff.

Des te geweldiger dus dat Koolen kwam aanzetten met Öznur Karaca. En met Vijftig tinten grijs als schoolvoorbeeld van fan fiction die dankzij het internet wordt voortgebracht. Het zal wel geheim blijven wat de andere respondenten bewoog. En de redactie? Tussen de autoriteiten stond Koolen vermeld als ‘Koole’.

dinsdag 10 november 2020

Sociale remediëring

 

 

Kunnen hoofdletters en uitroeptekens worden beschouwd als grafische statements met de kracht van een solo en ritmisch accenten? Het getwitter van Donald Trump zal ook na zijn verlies bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen voer voor discussie zijn. Naar mijn idee – maar ik ben geen kenner of ervaringsdeskundige – is hij voorbij de woorden aan het raken en wordt zijn kinderachtige verontwaardiging I WON THE ELECTIONS gestaag muziek.

Dat idee heeft in mij kunnen garen door de lectuur van Vuur en woede, het snackboek van Michael Wolff waarvan mij bijna niets is bijgebleven. Behalve dat Trump wordt opgevoerd als een radicale anti-intellectueel. ‘Genie’ is in zijn superlatievenrijke idioom een scheldwoord, net als ‘professor’. Trump liet zich er ook op voorstaan nooit een cursus te hebben gevolgd, een studieboek gekocht, een aantekening gemaakt.

In het verlengde daarvan presenteert Wolff hem als een niet-aflatende, incoherente improvisator. Dus valt het te begrijpen wanneer Trump vanuit een muziekbril wordt gekarakteriseerd: ‘Hij was jazz, alle anderen waren serieuze folk’. Maar toch, slik het maar als onbemiddelde liefhebber van het genre. Met meer begrip citeerde ik hier ooit Trumps antipode, de betreurde David Graeber, die tijdens Occupy jazz, beweeglijk als geen andere muziek, hét middel tegen de gevestigde orde achtte.

Trump is een guerrillastrijder, die van alle luxe is voorzien en als belangrijkste wapen een batterij advocaten heeft. In het essay ‘The White Negro’ (1957) duidde Norman Mailer het verschijnsel dat blanken hip, door jazz geïnspireerd taalgebruik van zwarte idolen imiteerden. Daar zat een net van projecties omheen gespannen, vermoedelijk net als toen, jaren later, in Frankrijk de zogeheten verlan, rederijkersachtige taal van de banlieus, ook door sommige gegoede blanken gesproken werd.

Maar wie projecteert precies wat? Na de winst van Joe Biden is al allerwegen gewaarschuwd voor het voortbestaan van sentimenten bij de ‘basket of deplorables’. Daarmee komt Trumps vorige tegenstander in het vizier, wier taal bij een LGBT for Hillary Gala allerminst jazzy oogde. Maar de context van het citaat wijst een andere richting uit dan het SO INSULTING gebrek aan empathie dat uitgerekend Trump haar aanwreef.

Jazz laat het moment bepalen en heeft plaats ingeruimd voor de herhaling. Betekent dit dat Trump per definitie een opportunist is met een plastic smaak? Wolff onthulde dat de reden waarom Trump graag naar McDonald’s gaat alvast niet heel erg voornaam was: het eten is daar tevoren in het groot bereid, dus kan hij als uitverkorene niet vergiftigd worden. NO WAY! STOP COOKING! ASPIRING TOWARDS TRANSITION!

zaterdag 31 oktober 2020

Thuisonderwijs

 

Met de Belgische lockdown terug in voege denk ik aan kinderen, die zich andermaal in de grootste bochten moeten wringen om de dag leefbaar door te komen. Mazzel voor degenen onder hen die als hobby lezen.

Het is me nooit helemaal duidelijk geworden of het taalkundig genie en de gourmande bevoordeeld zijn dat hun beide ouders beroepslezers zijn. Tegenover imitatietheorieën sta ik wat wantrouwig en mij zou het niet verbazen dat over het hele huis verspreide boeken agressie opwekken.

Veeleer geloof ik in de kracht van muziek, helend en waarlijk ‘verbindend’ en boven alles een bron van vertier. En misschien, hopelijk, een weg naar het ademloze lezen. Zo heb ik het docentschap van de grote Rein Bloem althans opgevat: hij schijnt teksten altijd te hebben gezongen.

Ergens moet dat idee hebben meegespeeld toen ik jaren geleden een speellijst ben gaan aanleggen van Nederlandstalige liedjes. Het eigenbelang stond dan wel voorop omdat ik in België een nieuwe traditie wou leren kennen, maar mij leek dat mijn dochters er evenveel plezier en kennis aan zouden ontlenen.

Dus zongen we minimaal elke woensdaglunch, als de wegkapitein van huis was, luid mee met de uiteenlopendste klassiekers in een taal die ongeveer de onze was. En ik weet niet of het daardoor komt dat het taalkundig genie een veellezer is geworden en de gourmande een muziekfanaat, maar de lol die we beleefden ‘pakt niemand ons nog af’.

Qua muziekgenres en boeken hebben we ook nooit getwijfeld over wat wel of niet geschikt is voor een bepaalde leeftijd. Zo luistert de gourmande zowel naar schlagers als naar avantgardejazz. En zo gaf ik onlangs aan het taalkundig genie, dertien jaar, Salman Rushdies Haroen en de zee van verhalen, in de vertaling van Marijke Emeis.

Ze heeft het nu bijna uit, vindt het sprookje fantastisch en wilde me al deelgenoot maken van een ontdekking. Na het horen daarvan ben ik extra trots, omdat ze er geen enkele moeite voor gedaan heeft en het lezen haar ‘iets extra’s heeft gebracht’ dat theoretisch een vorm van intertextualiteit zal zijn.

Het betreft een passage waarin de gruwelijk vals zingende Batchaet, bij Emeis Batsjiet geheten, een lied aanheft voor de prins, de oliedomme Bolo. In haar tekst hoort de papa van Haroen, dé bron van verhalen die bij Rushdie tijdelijk drooggelegd is, iets bekends wat hij niet meteen thuisbrengen kan. In het origineel staat er:

 

Oooh I’m talking ‘bout my Bolo

And I ain’t got no time for nothin’ else,

Lemme tell you ‘bout a boy I know,

He’s my Bolo and I love him so

 

He won’t play polo

He can’t fly solo,

Oo-wee but I love him true,

Our love will grow-lo,

I’ll never let him go-lo,

Got those waiting-for-my-Bolo

Blues

 

His name ain’t Rollo,

His voice ain’t low-lo

Uh-huh but I love him fine,

So stop the show-lo

Pay me what you owe-lo

I’m gonna make that Bolo

Mine.

 

Wat moet het Nederlands met deze bakvisserij? Marijke Emeis komt tot dit:

 

Wie maakt dat ik niets meer lust,

Wie verstoort mijn rust,

Ja, dat is Bolo,

Ja, dat is Bólo!

 

Waarom doe ik alles fout,

Ben ik warm of koud,

Dat komt door Bolo,

Dat komt door Bólo!

 

Bolo is mijn ideaal,

Grijze wambuis, rode sjaal,

Bruine ogen, donker haar,

Groot en knap en achttien jaar.

 

Bolo, Bolo, zie je niet,

Dat ik ziek ben van verdriet,

Boló, ik ben verliefd!!!

 

Toevallig beweerde ik twee weken nog met de grootste arrogantie dat ik een tekst een fractie eerder beluister dan dat ik hem zie. En het taalkundig genie beleefde hier exact hetzelfde. Dit hebben we, bij benadering, tijdens de lunches gezongen! Vanaf het begin is voor ons Emeis’ referentiepunt duidelijk: het liedje ‘Peter’ (1960) van Sweet Sixteen.

Extra treffend lijkt me dat de eminente vertaalster, geboren in 1943, zo zinspeelt op een klassieker uit haar jeugd. Mijn generatiegenoot Martin de Haan deed iets soortgelijks, door een liedje uit onze puberjaren in een Franse vertaling binnen te smokkelen.

Ieder zijn eigen taaltijd? Benieuwd wat corona dan oplevert. Online bestaat er al een woordenboek dat permanent kan worden aangevuld.

De bekendste vakterm, die overigens al bestond, is ‘huidhonger’. Mij moest het al van het hart dat ik er een beetje van begon te rillen, mede vanwege die inwendige alliteratie. Toen kon ik uiteraard niet bevroeden dat er iets klinkerders aankwam dat zelfs in de regelgeving van de lockdown opgenomen is: ‘knuffelcontact’.

‘Knuffel’ en zijn afleidingen hoorde voor mij, inmiddels onmogelijk oud, bij de kindertijd. Bijna zeker was het echter mijn geboortestadgenoot Ruud die aan het eind van de twintigste eeuw in Big Brother deze bezigheid tot een nationale sport voor alle leeftijden promoveerde. Dat lijkt het gebleven. Als ouder leerde ik bijvoorbeeld ‘de groepsknuffel’.

‘Contact’ heeft ook wat betekenisverandering doorstaan. Door een neoliberale bril ben je niks indien je niet netwerkt en medemensen als potentiële klanten en opkontjes ziet. Door de opkomst van de mobiele telefoon werd ‘contact’ bovendien een telefoonnummer met een e-mailadres bij een naam. Een gegevenscombinatie die je vervolgens ‘kwijt’ kon raken, wanneer het apparaat in de wc viel.

Ik wil maar zeggen: wat corona ook moge brengen, er zal zeker zoiets tussen zitten als zielzorg.

donderdag 22 oktober 2020

Dertien spijkers

 

Als Nederlander te Vlaanderen hoor ik al jaren verwardheid benoemen als ‘het Noorden kwijt zijn’. Dus niet meer weten waar de vijand te vinden is? En indien iemand een moreel verwerpelijk ding doet of zegt, heet het hier dat het ‘erover is’. Waarover, de landsgrens? En zo ja, welke?


Die vertaling van Bourdieu is toch maar mooi tot stand gekomen dankzij het Franse ministerie van Cultuur.

 

Ik hak je in emoties.

 

Herinner ik het me nu goed dat in Nederland verschil in porto werd gemaakt voor post in open dan wel gesloten enveloppen?

 

Het moet inderdaad wel apart zijn om zoals Dubravka Ugrešić, de Joegoslavische die tot Kroatische werd gebombardeerd, in Amsterdam een restaurant Lissabon te ontdekken dat Turkse specialiteiten serveert.

 

Haastig lezend door een slechte roman word ik verrast door mijn achternaam. O nee, het is het woord ‘kregelig’.

 

Dit was tenminste een politicus die de problemen durfde te benoemen bij hun voornaam.

 

Misschien is een wurgslang eigenlijk een knuffelbeer, wiens goede bedoelingen niet naar waarde worden geschat.

 

Ofschoon het overgeorganiseerde Nederland me vaak de keel heeft uitgehangen, ontroert het me te lezen dat het in 1972 als eerste natie nutsvoorzieningen gegeven heeft aan krakers. Dit dan wel om organisatorische redenen: elektriciteitsroof en brandgevaar.

 

De ervaring leert dat er iets faliekant is misgegaan wanneer een Vlaming beweert dat hij of zij ‘ook maar mijn best heb gedaan’. Maar dat concludeer ik inmiddels vanuit een luie stoel.

 

Zij was zo verdiept in het boek dat de steam of consciousness uit haar oren kwam.

 

De spellingscontrole geeft een waarschuwend rood kringeltje onder ‘maternalistisch’. Gegeven optie: ‘paternalistisch’. Wie programmeert dat ding?

 

Lang verstond ik ‘schijnbeweging’ als ‘schuimbeweging’. Misschien omdat Adèle Bloemendaal in die tijd een reclame had voor het chocolademerk Bros, waarin ze in bad met haar moeder belde. ‘Nee, daar zie je niks van’, riep ze vanuit een ondoorzichtige laag water.

woensdag 14 oktober 2020

Not ‘clever’ ones

 



In vakkringen was er al onenigheid over Begrijpend Lezen, maar nadat Arjen Lubach er een televisie-item aan wijdde zwollen de opinies aan. Daarbij slokte één ding alles op: de markeerstift.

Omdat de onderwijsontwikkeling dateert van na mijn schoolleven waarin een geodriehoek nog werd gebruikt als leesliniaal én flosser, moet ik telkens recapituleren wat er gaande is. Heden fluoresceren leerlingen ‘signaalwoorden’, opdat de tekst helderder raakt. Zelfs nu ik het opschrijf geloof ik die magie niet, mede omdat er allerlei taal wordt uitgesloten.

(Ik wil het epitheton ‘literair’ niet ijdel gebruiken en acht het denkbaar retorisch minder gewelddadig te zijn.)

Ik vraag me af of deze ontwikkeling samenhangt met economische wetmatigheden. Zonder van een militair-industrieel markercomplex te willen spreken – wanneer kwamen die dingen in de handel? En zetelden ze vervolgens in het woordenboek?

In ons huis noemt de twaalfde druk van Van Dale (1992) een markeerstift en verwijst door naar het synoniem accentueerstift. Bij dat lemma is er verlossing: ‘stift die een kleurige substantie bevat waarmee men bep. woorden of passages in boeken of geschriften kan releveren’.

Sikkeneurigheid! Waarschijnlijk zette deze auteur in kantlijnen een potloodstreepje.

In de huidige, digitale editie van Van Dale heeft markeerstift een eigen omschrijving: ‘brede viltstift die een fosforiserende [sic] inkt bevat, om tekstpassages te laten opvallen’. Er staat een ongeveer-gelijk-teken bij (≈), dat verwijst naar ‘accentueerstift’. Daar staat nu effen: ‘markeerstift’. Verder is er plaats ingeruimd voor de markeerpen, toegevoegd in oktober 2011.

Onze twintigste-eeuwse papieren Van Dale duchtte verengelsing niet want onthulde al de marker: ‘voorwerp dat iets markeert, dat extra aandacht op iets vestigt’. Dit kan van alles zijn, tot en met een kattenoog op de weg. Maar na de millenniumwisseling vernauwde de betekenis. Daar staat nog een toepassing bij:

 

permanent marker

stift met onuitwisbare inkt

alcoholstift

 

Dit vetgedrukte woord blijft beperkt tot België en werd toegevoegd in oktober 2013. Zijn broer heet fluostift. Het oogverblindende voorvoegsel bevolkt in den lande meer samenstellingen, zoals fluovest, bedacht na de gênante toename van auto’s waartegen zachte weggebruikers zich maar zelf moesten wapenen.

Betekenisvernauwing valt alleen te verklaren uit het aanbod van de markt. Op zijn beurt hangt dat samen met geplogenheden van de tijd.

donderdag 1 oktober 2020

Inzake bitches en beetjes

 




Waarschijnlijk is de formulering van Conner Rousseau op Instagram al duchtig becommentarieerd en zal dat terugketsen nog wel aanhouden. De voorzitter van de socialisten had zulke taal voorbereid door, voor de in amper 500 dagen al bijna geformeerde regering, een minister te voorspellen die ‘absoluut een bom’ zou zijn (loste in zijn eindboodschap de emoji van een biceps, niet te verwarren met het kakje, dat het meest in?). Ook mag zijn accountnaam niet onderschat worden. Wie zich op Instagram afficheert als kingkonnah, is de fameuze Hollywood-film uit de twintigste eeuw in alle opzichten voorbij. Deze naam is een communicatieprogrammapunt.

Ik wil maar zeggen dat Rousseau de wederkeer van Frank Vandenbroucke als minister in zekere zin treffend aankondigde: ‘He’s back, bitches.’ Hoe langer ik echter naar die vier woordjes keek, hoe mysterieuzer de aangesprokenen werden. Wie bedoelde Rousseau eigenlijk? Partijgenotes, onwillige tantes, stalksters? Journalistes, puristes, Erinyen? De geliefden van Arnold Schwarzenegger, Hepie en Hepie, vrouwelijke taalnazi’s?

Ten einde raad raadpleegde ik de Urban Dictionary, zonder verlost te worden. Tenzij het zou gaan om de laatste betekenis die deze online straattaalmarkeerder vooralsnog serveert: ‘Probably anyone who is reading this’. Met als voorbeeld: ‘Hey bitches!

Komisch dat Conner Rousseau, hoe hyperbewust ook, deze taal bezigt. Begin september verplichtte hij ‘nieuwkomers’ in Vlaanderen nog Nederlands te leren. Zo niet, dan konden die mensen van hem retour. Dit nieuwsfeitje was niet controversieel. Een ervaringsdeskundige viel het bij en van overheidswege is de ‘inspanningsverplichting’ voor het leren van Nederlands al lang aangescherpt tot een ‘resultaatsverbintenis’ – blijkbaar niet voor degene die dit zevenlettergrepig gedrocht verzon zonder sancties.

Het dossier is net opgerakeld door Knack dat enige meer of meer bekende nieuwe taalgebruikers aan het woord laat, vergezeld door inlandse deskundigen. De teneur is eensluidend: het is ondoenlijk om op latere leeftijd een onbekende taal perfect uit te spreken en Belgen geven zelf allerminst een onberispelijk voorbeeld terwijl ze zichzelf überalfa’s wanen. Zo verwijt de pot de ketel maar weer eens, bevestigt in het artikel Alona Lyubayeva:Veel Vlamingen gebruiken constant dialectwoorden, kappen woorden af, vervoegen werkwoorden verkeerd en spreken erg onverzorgd. Maar als ík eens een verkeerd lidwoord gebruik, heeft iedereen het gehoord.

Wat hoort men dan precies? Ooit gaf ik les aan Waalse studenten die gewend waren Nederlands te krijgen van Vlaamse collega’s. De eerste week staarden ze me bij mijn lipbewegingen aan alsof ik from outer space was. En ik sprak na jaren in den vreemde niet eens meer Nederlands-Nederlands! Andersom vertelde Sinan Çankaya, in een boek dat meer interessante informatie biedt, dat hij te Amsterdam wegens zijn Nijmeegse accent voor een Belg werd gehouden.

Ieder zijn code, ook in mijn vaderland? In Stephan Enters roman Pastorale staat dat Ambonezen de ‘vreemde eigenschap’ hadden geen ‘je’ of ‘me’ te zeggen maar ‘jij’ en ‘mij’, waardoor ze iets kregen ‘van een ouderwetse nieuwslezer’. Daarvan geeft de lopende spreektekst vele voorbeelden:”

 

‘Jij weet toch wel dat wij eerst in het kamp woonden?’

‘En wat heb jij dunne polsen’ [Roodkapje!]

‘Weet jij waarom ik hier ben?’

‘Het is prachtig, bedankt dat jij mij dit laat zien’

 

Ik meen uit een andere bron te hebben opgemaakt dat het je-jij-verschil verder verbreid is. Op het randje van geloofwaardig, zelfs met inachtneming van de suspension of disbelief, balanceerde voor mijn taalgevoel: ‘Excuseer jij mij’. Dat stileert Enter wel op dezelfde pagina als een ontboezeming van een Ambonees die me buiten de fictie, in elk land dat kolonies heeft gehad, waarheidsgetrouw dunkt: ‘Maar ik loop al meer dan tien jaar rond in dit dorp er is nooit één keer door een Hollander aan mij gevraagd hoe het met mij gaat, of hoe het mij hier bevalt.’ Pastorale is gesitueerd in de jaren tachtig van de twintigste eeuw.

Heden blijken in Vlaanderen de strenge eisen voor een Algemeen Beschaafd Nederlands vooral te worden gesteld door een oudere generatie, die nog taalcampagnes heeft meegemaakt, gevoerd in een tijd dat ik zo’n beetje geboren moest worden. Onlangs zag ik er op YouTube wat voorbeelden van en waande me in een prehistorie. Dezelfde sensatie bekroop me trouwens bij een ludiek protest tegen vooroordelen over hoe gekleurden spreken, in een dialectenverzameling die ‘viraal ging’. Onmenselijk virtuoos. Met terugwerkende kracht spraken wijlen mijn ouders – hoogopgeleid noch uit deftige familie – schier bekakt. Als schoolmeester betwijfel ik wel of dat ook betekent dat realiteitshalve dt-fouten voortaan ongecorrigeerd mogen blijven. Dat is immers schrijftaal, die ongetwijfeld meebeweegt met spreektaal.

Het blijkt al vreemd genoeg te lezen dat je je eigen oren niet kunt geloven. Ik las dat een unieke uitspraak die lang geleden een Nijmeegse tante tegen me deed, ‘En gie geleuft dat’, al werd gedaan door de overgrootmoeder van Marjoleine de Vos uit Harderwijk. Bovendien betrap ik me er steeds vaker op dat ik Nederlandse fictieprogramma’s op de televisie met ondertiteling bekijk, zoals ik dat op de BBC geneigd ben te doen. Niet dat ik er niks van kan volgen, maar ik wil me niet bovenmatig inspannen. Beter, ik wil een beetje ontspannen met taal. En op dat punt snap ik de verzuchtingen van nieuwkomers best. En misschien zelfs het patois van Conner Rousseau, de bitch.

vrijdag 25 september 2020

Van uw plaatselijke opportunist

 

 

 

 

Het is herfst en het origineelste debuut van het jaar is al verschenen. Uit een recensie begreep ik dat Lisa Huissoon met Alle mensen die ik ken een roman heeft gepubliceerd die bestaat uit voornamen op alfabet. Ze worden ter plekke toegelicht met korte en lange verhalen. Dat klinkt fijn! Weer een titel voor in mijn Te-Lezen-Bestand dat anderen misschien in Excel weten op te zetten of bucketlist noemen.

Een paar dagen na indaling van de recensie begon iets in mij zich te roeren. De critica had lof gehad voor de vorm die, door vermelding van andere namen in een verhaal, dwong tot sprongetjes voor- en achteruit in de tekst, spannend doorbladerwerk. Tegelijk ervoer ze twee bezwaren. Bij de namen was de grootte van het verhaal wel erg variabel en eigenlijk was ze bij de L al bladermoe geraakt.

Nog vóór de helft van het alfabet! Volgens de aftiteling telt het boek maar 231 bladzijden.

Het begon me dun door de broek te lopen. Al een paar jaar ben ik in de gelegenheid te werken aan De encyclopedieën van de val. Geweldig leerzaam om te doen, leuk ook, maar Huissoons roman past minstens driemaal in mijn huidige omvang. Bovendien zijn mijn dwarsverbanden niet expliciet en op een toegankelijke stijl ben ik nooit betrapt.

Waar ben ik in godsnaam mee bezig?

Minstens ben ik jaloers op Wikipedia, waar met één simpele klik op de muis lezers zichzelf van het ene lemma bij het andere kunnen brengen. Dienstverlening voor nieuwsgierigheid, voor de lenigheid van een geest. Wat kan stram papier daar tegenover stellen? Is het fenomeen e-book buigzamer?

Ik weet het weer eens niet. Behalve dan dat ik deze posting eens flink wil misbruiken door op mijn archiefblog een voorpublicatie uit De encyclopedieën van de val te simuleren. Nou ja, uit de versie september 2020 heb ik wat lemma’s geselecteerd die naar mijn indruk enige samenhang vertonen. Voor de totale lengte van die uitsnede durfde ik niet echt door te pakken. Ik stopte rond 4.000 woorden, waar serieuze tijdschriften zo’n beetje de finishlijn schijnen te leggen.

Bestaan er vervolgens misschien lezers op de virtuele aarde die me willen helpen? Door deze quasi-voorpublicatie eens door te nemen wanneer ze even niets (beters) te doen hebben? En onder aan deze posting, of in een e-mail, hun ervaring en verbeteringssuggesties te delen? Mijn dank zou immens zijn. Ook wil ik als leesproleet best een incentive schenken: wie dat wenst kan een lemma in de encyclopedie krijgen, met een eigen verhaal over een val.

dinsdag 15 september 2020

Blooping

  

 

Zoals je je kunt verstappen, zo kun je je verlezen. Een uitgekauwd voorbeeld is ‘bommelding’ – een woord dat sinds het personage van Marten Toonder nooit meer hetzelfde is geworden. Ik snap alleen niet dat die verlezing blijft domineren. Je kunt er kennelijk niet op trainen, terwijl er wel het een en ander met enkels en voeten zal zijn te doen waardoor het verstappen zelfs over eieren minder vaak gebeurt.

Een soortgelijk probleem heb ik bij ‘afdeklappen’, dat dus tot het eind van mijn tijden onopgelost zal blijven, alsof ik het elke keer voor het eerst tref. Dat verbaast me, hoewel ik me allerminst slimmer acht dan een ezel. Mij verbaast de koppigheid waarmee mijn lichaam steeds voorrang geeft aan de verkeerde betekenis. Alsof in het eend-konijnplaatje slechts één mogelijkheid telt.

Op de grens van verschrijven en verspreken bevindt zich voor mij de voornaam van Laurence Sternes legendarische hoofdpersoon uit de achttiende eeuw. Ik had ooit een wetenschappelijkachtig opstel al bijna ingestuurd toen ik ontdekte dat hij geen Tristan heette, maar Tristram. Er moet een legende zijn voorgedrongen die zo’n tien eeuwen ouder was; bovendien had zich in mijn omgeving een tijdschrift met die naam opgehouden. Toch verleent deze vanzelfsprekende verschrijving me een cultuurhistorisch cachet dat ik niet verdien. De titel van Sternes roman was ook eindeloos vaak mijn blik gepasseerd, ik had het boek gelezen, dus de verdringing van de correcte naam moet ultrakrachtig zijn geweest.

Het kan dat ik onbewust geen tongbreker wenste binnen te laten: spreek ‘Tristram’ maar eens netjes op zijn oer-Hollands uit en herhaal deze sport na een paar glazen alcohol. De naam past bij dit vroegexperimentele boek waar zelfs het voorwoord niet aan het begin staat. (Ad ten Bosch, die de vertaling uitgaf in 1990, heeft verteld dat boekhandelaren exemplaren terugstuurden, overtuigd misdrukken te hebben gekregen. Zelf was hij er ook maar over in kennis gesteld door de vertalers, aan wie hij zo praktisch was een computer cadeau te doen zodat de kans op zetfouten slonk.)

Recenter brak de punt van mijn rode potlood in Robbert Tilli’s boek Koos. Het verhaal van de manager van Herman Brood. De eerste ontmoeting met Nina Hagen werd gememoreerd: ‘Herman kon meteen goed met haar opschieten; er was echt een klik tussen die twee.’ Hoewel ik best geporteerd ben voor het idee dat de mens een koffer is, leek me hier dat het click moet zijn, in het vermoeden van een connectivity die eventueel met de linkermuisknop kan worden bevestigd. Toch gaf zowel de adviesdienst van Onze Taal als het Verwarwoordenboek van Jan Renkema geen uitsluitsel. En Van Dale blijkt pas in oktober 2018 het lemma click te hebben toegevoegd, met als verbijsterende uitleg: ‘klik3 (2)’. De muis voert vervolgens linea recta naar:

 

gevoel dat je bij elkaar past, op één lijn zit, echt contact met elkaar hebt

match

een klik hebben, voelen met iem.

 

Maar hoe zit het met verhaspelde afkortingen? Ik weet nog pijnlijk precies dat we een paar van die efficiënte dingen zelflerend moesten ontdekken op de lagere school. In een verhaaltje over een slang duidde ik de frase ‘m.a.w. hij’, na interpretatie en heroverweging, als ‘met aroma wilde hij’. Ik kon niet geloven dat dit niet klopte. En ‘aroma’ klonk ook beter dan ‘gif’. Wat een klotetaal!

Toch bereikten sindsdien een paar afkortingen me ongeschonden. Wel zijn er uiteraard heel wat bij gekomen, vooral door de digitalisering. En dan stoot ik me geregeld meermaals aan dezelfde steen, omdat de ontcijferingsarbeid andermaal links wordt gepasseerd door een lichaamseigen associatie, kennelijk uit mijn jongere jaren, die niet eens kán kloppen. Dit is ‘sterker dan mijzelf’.

Voorbeelden kan ik lastig geven, omdat ze telkens wegebben. Maar gelukkig vond ik op het web een lijst met afkortingen, waarop ik een paar angstgegners herontmoette:

 

Bff: bifiworst

Kmk: Kamer van Koophandel

Ntb: nota bene

Omg: Orchestral Manoeuvres in the Dark

Wtf: Wereldnatuurfonds

 

Erg vaak kruisen ze de race van mijn leven niet. Hoe anders vergaat het een afkorting, die in zakelijk e-mailverkeer schering en inslag lijkt: ifv. De betekenis ‘in functie van’ vergeet ik steevast, wellicht omdat me ontgaat wat doelmatig handelen is. Ondertussen vernaggelt mijn reflexverklaring zelfs de spelling van ‘in-vitrofertilisatie’.

woensdag 2 september 2020

Vrij en visionair


 

Maanden geleden las ik de roman La carte et le territoire (2011) van Michel Houellebecq. Nou ja, ik pakte de vertaling De kaart en het gebied, verzorgd door Martin de Haan. Eén passage bleef me bij, over een liedje. Een couplet feitelijk. Ik ben het inmiddels tegengekomen in een lang essay, dat er geen commentaar op gaf. Maar nog steeds bekruipt me het gevoel dat De Haan in welgeteld vier regels iets aparts heeft gedaan.

De scène behelst de uitreiking van een literaire prijs. Een zekere Jed Martin treft daar een beroemd auteur, en biecht aan hem dat hij kunstenaar is. Daarop schiet de biechtvader in de lach en zingt het couplet dat bij De Haan uit het nummer ‘Businessman Blues’ komt:

 

O was ik maar een kunstenaaaaar

Dan lag de wereld voor me klaaaaar

Dan was ik vrij en visionaiiiiir

En leefde als een miljonaiiiiir…!


Ik ben te lui om het origineel van Houellebecq op te snorren, maar het web bracht wel het liedje ‘Le blues du businessman’ uit 1978, uit een musical. Daarin beklaagt een zakenman zich erover dat hij materiële successen mag boeken en de aarde rondreizen om deals te sluiten, maar dat iets diep in hem onbevredigd blijft. Hij doet domweg niet wat hij zou willen doen. Een artiest zijn, een zanger, een schilder, een schrijver, ‘pour pouvoir dire pourquoi j'existe’.

Het kwatrijn dat de Nederlandse vertaling geeft, verwijst naar deze regels:


J’aurais voulu être un artiste
Pour avoir le monde à refaire
Pour pouvoir être un anarchiste
Et vivre comme un millionnaire

De vertaling is dus wel heel vrij. Merkwaardig, temeer daar Martin de Haan niet bekendstaat als een beunhaas. Nog merkwaardiger vind ik dat zijn vertaling wel goed in mijn oren klinkt, vanzelfsprekend bijna, alsof ze appelleert aan mijn particuliere collectief geheugen.

De Haan werd geboren in 1966 en is dus, als ik het correct becijfer, één jaar korter afgebakken dan ik. Tot en met de puberteit zullen we hetzelfde culturele repertoire hebben opgebouwd.

We schrijven 1982. Zelf was ik bijna van de middelbare school toen de radio, zeker het programma De Avondspits, vaak een leuk Nederpopplaatje draaide. Het heette ‘Gijzelaar’ en was gemaakt door een vrij nieuwe groep, Het Goede Doel. Ik denk dat het refrein zich niet alleen in mijn, maar ook in Martin de Haans geheugen heeft genesteld:

 

O was ik maar een gijzelaar
Dan stond altijd m'n eten klaar
Dan kon ik altijd klaverjassen
En hoefde nooit meer af te wassen
En nooit meer op mezelf te passen


Tijdens zijn arbeid aan de Houllebecq-roman moet de vertaler zijn kans schoon hebben gezien deze kennis te delen. En veranderde het Frans des te meer in Nederlands.

donderdag 20 augustus 2020

Oude meuk

 

 

De misschien wel spectaculairste publicatie van de afgelopen maanden trof ik aan in De Witte Raaf nummer 206: een lezersbrief van Robrecht Vanderbeeken. Daarin vraagt deze filosoof, auteur en vakbondssecretaris aan de redactie om diepgravende protestartikelen tegen de wijze waarop N-VA het kunstdebat monopoliseert, nationaliseert en reduceert.

Mag de inhoud van dit voorstel niet onverwacht zijn van Vanderbeeken, die al jaren op dit aambeeld hamert, ik vind het verbluffend dat hij in het openbaar lanceert. Bij mijn gevoel speelt mee, dat ik in België gewend raakte aan onexpliciete uitlatingen die bij voorkeur en petit comité worden gepleegd. Mijn brein kan daaraan nog een jij-bak toevoegen: dat Vanderbeeken vreest dat meerstemmigheid ten onder gaat én pleit voor unisono geluiden. Maar het meest verbaast mij dat van buitenaf wordt gepoogd ‘een agenda te bepalen’.

Het kan dat ik bij die indruk wordt gestuurd door een recente lectuur. Zoals meer mensen tracht ik het corona-isolement te vullen met toepasselijke teksten, waarvan Alle mensen zijn intellectuelen een voorspelbare bleek. Die bloemlezing uit het werk van Antonio Gramsci (1891-1937) betrof het deel dat hij tijdens zijn ruim zesjarige opsluiting in de gevangenis schreef. Het moet hem een one-way-screensensatie hebben gegeven, polemisch zonder reactie te krijgen, zonder kans op publicatie ook.

Ik las notities, waar samenhang zich moet openbaren door weglating. Een centraal begrip wordt dan ‘hegemonie’. Overmacht in het denken van een meerderheid, die maatschappelijke veranderingen zo niet vergemakkelijkt dan toch minstens legitimeert. Gramsci huldigde de strategie van een belegeringsoorlog met ideeën: mensen wou hij aan de basis verzamelen en tot gelijkgestemdheid krijgen. Voor die brede alliantie moest er top down worden gepusht met het goede dat van onderaf leek te komen.

Vanderbeeken hoopte een extra podium te krijgen waarop, in een sowieso bizar fantasma over subsidieslurpen, de droevige standpunten van N-VA over kunst overstemd worden. Antwoordde De Witte Raaf, bij monde van Christophe Van Gerrewey, dat het blad onmogelijk op die suggestie kon ingaan omdat het niet aan symptoombestrijding doet maar aan kritiek, Gramsci laat uitschijnen dat ideologische tegenpolen deze methode van meerderheidsverwerving net zo makkelijk kunnen toepassen. Bij hem is de intellectueel een medicijnman die argumenten levert als zetpillen en ze tot gekwordens toe inplugt: ‘het meest efficiënte didactisch middel om de volksmentaliteit te bewerken’. Daarbij hoort dat je argumenten van tegenstanders niet weglacht of verdacht maakt, maar openbaar blijft weerleggen. Monopluralisme?

Tegenwoordig heet die methode framing en is ze een pr-zaak. Het aardige is dat Gramsci noodzaak ziet om taal te veranderen. Dan fungeert ze als breekijzer dat het doel van een hervormde samenleving beter uitdrukt. Gramsci pleit ervoor dat de herhaling geduldig en systematisch gaat in plaats van mechanisch, omdat er steeds aanpassingen moeten zijn ‘van elk concept aan verschillende hoedanigheden en culturele tradities’. Ook erkent hij dat collectieve actie offers en stamina vergt.

In identiteitspolitieke tijden is duidelijker dat taal hegemoniaal denken herbergt. Een willekeurig voetbalverslag observeerde over een verdediger dat hij ‘op mannelijkheid afgetroefd [werd] in een kopduel’. Zou een mainstream medium dat over tien jaar nog publiceren? En hoe is Gramsci’s eigen taal? Ze komt me robuust over. Maar daarmee bluf ik uiteraard, ik lees een vertaling. Daarin viel me één passage extra op:

‘Croces optreden doet zich in essentie voor als kritiek. Het begint met het vernietigen van een reeks traditionele vooroordelen, met het ontkrachten en ontzenuwen van een reeks problemen die het komische “dada” uitmaakten van eerdere filosofen, enzovoort. Daarin komt Croces positie overeen met de houding die common sense altijd heeft aangenomen jegens zulke oude meuk.’

Een interbellumtekst die ‘dada’ in deze betekenis opvoerde? ‘Common sense’ zonder lidwoord? En ‘meuk’? Toen ik vlak na de millenniumwisseling Nederland verliet, bestond dat woord bij mijn weten niet eens.

woensdag 12 augustus 2020

Het retorische harnas

 

 

Midden in de komkommertijd schreef Marc van Oostendorp een posting waarvoor de potsierlijk geworden kwalificatie term ‘gepassioneerd’ nu eens treffend was. Hem was bij een vakvergadering te verstaan gegeven dat door technologische vooruitgang het lezen van literatuur passé raakt en dat deze neergang geen halszaak is. Voor zulke onvermijdelijkheid wenste Van Oostendorp niet te capituleren.

Ondanks of dankzij de tropische temperaturen ontspon zich onder de posting een slepend en venijnig debat, waarin intentieprocessen werden gevoerd. Ook ik pleegde een comment, te snel en chaotisch, zodat een tweede poging me wel het minste lijkt.

In mijn leventje speelt lezen een hoofdrol, en ik zou willen weten waarom. Temeer daar de corona-uitbraak meteen noopte tot een welbewust andere tijdsindeling. We kijken hier nu al maanden ’s avonds naar speelfilms, terwijl we voordien in die uren boeken lazen. Aan het eind van een dag, die meer voor computerschermen is doorgebracht dan gewoonlijk, willen we zoiets als ontspanning.

Is lezen dan een inspanning? Ja en nee, vermoed ik.

In coronatijd biedt film een verantwoorde investering waarvan vaststaat dat ze gekaderde effecten geeft: humor, spanning, ontroering, enz. Esthetische middelen? Het lijken doses, nogal aangenaam, en toch werken ze niet verslavend zoals literaire teksten dat voor mij zijn.

Ik ben geen filmkenner, maar inmiddels zou ik zo’n product best kordaat in een decennium kunnen plaatsen. Daarbij steggel ik, omdat filmmuziek tijdgebonden blijkt. Maar toch, beslissend voor de datering dunkt me de montage. Verhalen worden in deze beeldtaal steeds sneller verteld. Ze tonen zich naar mijn gevoel ongedurig. Mijn stelling zou zijn dat film zo reageert op de markt, op publiek dat geen geduld heeft. Als onnodig ervaren afleiding kan fataal zijn.

Dit poneer ik mede doordat ik momenteel (vakantie, hitte) een leesexperiment doe. Ik ben begonnen in een lijvige psychologische roman. Simone de Beauvoirs debuutboek L’invitée telt in de vertaling althans bijna vijfhonderd bladzijden. Nu ik ervan kennisneem, voel ik me uit de actualiteit vallen. Wat een laag tempo, hoe prettig draalt het verhaal! Alles beperkt zich bijna exclusief tot gedachten en opties bij integraal geciteerde gesprekken.

Wanneer dit boek naar de geest zou worden verfilmd, haakten hedendaagse kijkers, vermoedelijk stomverbaasd dat zo’n schrijfster als goeroe heeft gegolden, snel af. Op mijn beurt zou ik L’invitée niet lezen in de werkroutine, op kamertemperatuur. Dan grijp ik liever naar fictie waar de taal onder spanning staat. Of naar non-fictie die me directer inlicht over de tijd en ruimte waarin L’invitée speelt.

Een poëticaal hebbelijkheidje uiteraard. Ik lees graag stuiterende boeken waarin taal de neerslag toont van eeuwen laboreren aan het woord. Precisie die gepaard gaat met keuzes uit registers en zo met breuken tussen taalbronnen – zo keek Michail Bachtin al tegen de Menippische satire aan. Ik denk niet dat ik daarmee iets elitairs opper. Literatuur is een tekst waarvan iedereen altijd coauteur is geweest. Een vat vol stemmen, meteen reden waarom luisterboeken, in een ander comment op Van Oostendorp opgevoerd, literaire teksten nooit helemaal kunnen vervangen zolang ze door één persoon worden voorgelezen, al is het nog zo’n goede acteur.

Zo is literatuur voor mijn part het tegenovergestelde van elitarisme of intellectualisme. Ik kan me alleen maar baseren op ervaringen met het spreken en schrijven die me inprenten wat nuances zijn, en wat complexiteit en tegenspraken inhouden. Uit dergelijke afgewogen én ongebalanceerde taal bestaat literatuur voor mij, want is werkelijkheid, en zou geen onderwerp van de debat mogen zijn of het in het onderwijs thuishoort.

Waarom literatuur, een boek, niet-zakelijke taal bij voorbaat hoogdravend, oninteressant annex wereldvreemd zijn zou: het is me allemaal een raadsel.

In mijn comment noemde ik Rosa Luxemburg reeds als niet-elitaire schrijver. Haar brieven uit diverse gevangenissen offeren taal van een echte gebruiker. Ze vertelt en leest (en raadt mij als immigrant Tijl Uylenspiegel aan, en Le sang rouge des Flamands van Pierre Broodcoorens en De Vlasschaard van Streuvels). Een hoogopgeleide vrouw, zeker, maar in de eerste plaats iemand die helaas karige belevenissen en veelvuldige herinneringen wilde delen. Die geen ‘literatuur’ wilde schrijven, maar enthousiasmeren.

Ook schamperde ik in mijn comment op literaire kritiek, want meer dan ooit mis ik die. Ik kan althans de lof niet volgen waarmee sommige boeken worden opgetuigd, noch de stelligheid waarmee men bij het onafzienbare aanbod beweert het beste te selecteren. Was het vroegâh beter? In elk geval had ik houvast aan critici wier smaak de mijne niet was: afkeuring betrof geregeld titels die mij bovenmate bleken te boeien.

Ooit stopte ik met het lezen van romans na jurering van een jaargang bellettrie. Niet dat die boeken slecht waren geweest, ze bleven aanvaardbaar – en inwisselbaar. Stijl was kennelijk een breekpunt. Inwisselbare literatuur ervaar ik als een product dat ik moet consumeren. En dat, net als bij film, erna dus ‘op’ is.

Het type lezen waaraan ik verslaafd ben, onttrekt zich aan deze economie. De teksten die mijn ogen ontmoeten, blijken herbruikbaar. Soms kort na het treffen stralen ze al een ander licht uit. Ik moet er ook geregeld in terugbladeren. Met die weigering tegen een restloze economie sluit ik aan bij Van Oostendorp. Hij trok ten strijde tegen het democratisch klinkende idee dat bepaalde vormen van communicatie door technologische ontwikkelingen overbodig zouden zijn en dat de reductie van taal tot informatie geen verlies zou behelzen.

Dat doet niets af aan de winst van, bijvoorbeeld, internet dat ons leven van gemak heeft voorzien en de efficiency heeft vergroot. In mijn studietijd: een cataloguszaal, vol kaartenbakken, ter grootte van een voetbalveld! Ook de bereikbaarheid van teksten is vergroot. Luxemburg stond patsboem op mijn e-reader, nieuws is razendsnel beschikbaar. Maar dat doet op zijn beurt niets af aan het feit dat – dixit Marleen Stikker, elders herhaald door Van Oostendorp – internet, mocht het een land zijn, de zesde energieverbruiker van de wereld is. Verder blijft er de treurigheid van de informatiestroom vol onwaarschijnlijk banaal vertelde en herhaalde feitjes die niet waar hoeven te zijn.

Mij ontgaat waarom dit niet zonder cultuurpessimistisch stigma benoemd mag worden als wat het is: verstoring. Lezen vergt concentratie, geen non-stop toevoer van impulsen die moet ingedamd met swipen. Ik snap dus evenmin de aubade op de smartphone, een technologisch hoogstandje én het instrument waarmee men een absurde penetratie van WhatsApp toestaat in privélevens, en taal laat domineren die letterlijk incorrect is.

Laat staan dat mij de kwantitatief verbijsterende troepenbewegingen opmonteren richting Facebook en Twitter. Gevallen voor de verleiding van de dorpspomp zijn ook zij consumentistisch en anti-literair, in een uitkiepering van belevenissen en van oordelen. Alleen daarom al zal het lezen niet helemaal uitsterven; er schuilt iets van een morele verplichting om die ego-uitstoot op te zuigen. Hoe unzeitgemäß dat literatuur ervoor zorgt dat je juist even van jezelf verlost bent, in een nader in te vullen tijd en ruimte.

dinsdag 4 augustus 2020

Tweelandelijk



 


België kende een kwestie ‘Brussel-Halle-Vilvoorde’. Ik besef nooit in de kern van dat probleem te zijn geweest. Maar nu is het vakantie en doorkruisen we het. Halle blijkt een lommerrijk reserveparcours voor Parijs-Roubaix, al zullen de inwoners best contacten hebben om zo’n drukbezochte wedstrijd voor de deur af te wenden. Maar toch, wat een hoeveelheid verdwaalde kasseien! En hoe Vlaams is het arcadische gebied vernield voor panden van een bepaalde architectuur waarvan de parkings soms zo diagonaal op het landschap staan dat auto’s zonder handrem bij de overbuur zouden binnendaveren. Tijdens het klimmen en dalen tellen we twee andere fietsers, op een E-bike. Verder wat jachthonden die niet zijn aangelijnd (hun eigenaars menen onze dochters te kalmeren met de garantie dat ze niet bijten), een golfterrein en, buiten de idylle, een keur van moordstroken. Een school in het aangrenzende Dworp meldt op een bord: Bedankt om Nederlands te praten. Dat dunkt me een gallicistische constructie.

Wie tegen verengelsing is, moet geloofwaardige alternatieven kunnen aanleveren. Mij is het nooit zo opgevallen dat een gebied voor kiss and ride anderstalige zonden pleegt, maar nu treft me in Vlaams-Brabant een bord ‘Zoen en vroem’. Het klinkt dichterlijker dan het origineel, ik vrees dat ik daar geen liefhebber van ben. Maar de tijd om daarover na te denken ontbreekt, want pal bij het verkeerslicht wordt fietsers en wandelaars wegens corona aangeraden op de pinkgrote voorrangsknop te drukken met de elleboog.

Hoe vaak iets in Nederland ‘helemaal goed’ is. Zelden nooit.

Blijkens het huisreglement van campings en instructies die ze hebben uitgevaardigd wegens corona is er in Nederland een spellingstoestand ontstaan waarvan dt-fouten minor details zijn. Ik verbaas me vooral over de interpunctie. Dat komma’s uit het tekstbeeld verdwijnen wist ik, maar is het verschil tussen een dubbelepunt en een puntkomma echt zo complex? Vertrouwd zijn de bizarre soloposities van woorddelen – aaneenschrijven blijkt een gymnasiale hebbelijkheid. Prachtig om in een brandend schoon sanitair boven een knop te lezen: LICHT UIT DOEN.

Aan het eind van afgelopen schooljaar vroeg het taalkundig genie naar het voordeel van Grieks. We mompelden toen over de betrekkelijkheid van nut, dat structuren te doorgronden zijn en potentiële betekenis. Dit bleef krachteloos gebabbel. Tot de regen ons naar een B&B dwingt, waar een muur weer eens een leerrijk opschrift draagt: Mejor es sufrir pasion y dolores que estar sin amores. En zie, we mogen de gegeven bron Juan del Enzina (1468) dan wel niet kunnen thuisbrengen, maar weten meteen waar de bewering over gaat. En met internet erbij blijken we nog geleerder te worden, het citaat staat inderdaad op YouTube.

Haar zalige donkere hagelslag heeft de koninklijke De Ruyter inmiddels de onderscheiding ‘intens puur’ verleend.

Op de Sallandse Heuvelrug valt ons hetzelfde op als in Montferland: dat de naaldbossen geen geur afgeven. De tweerichtingsfietspaden ogen dan juist weer als uit de jaren vijftig, toen sturen smaller waren en men niet zo breed bepakt van voor en achter rondreed. Passeren is nu een kwestie van manoeuvreren. Sommige ouderen stoppen in de berm, hobbyende renners klappen de linkerhand op bij wijze van halt, maar verreweg de meesten scheiden tijdens het net-niet-raken een parfumdampje af. Op de e-reader vertelt Manon Uphoff in Vallen is als vliegen over alarmferomonen bij de mier. Ze zijn huidreacties op angst.

Aan een mobiele friturist uit Drenthe vraag ik hoe hij corona ervaart. Hij vindt het een randstedelijk fenomeen. En bovendien heeft hij niet de indruk eraan te kunnen sterven want hij ‘zal pas geroepen worden wanneer het mijn tijd is’.

De fiets-gps voert ons over een domein dat verboden toegang gebiedt. Het blijkt een resort, met auto’s van Halle-allure. Bij de ingang verbeelden drie steentjes een hunebed. Ertegenover bevindt zich onze dagcamping, die de duurste van de hele vakantie blijkt. Wel draait de niet-werkende Wifi volgens de Coach Van Dijk-achtige eigenaar ‘op 5G’. Hij snapt dat wij als fietsers graag een stoeltje hebben, en adviseert achter een haag wat emmers te pakken en die om te draaien. We wijzen op een vrijstaand tafeltje en stoelen verderop, volgens hem onmogelijk te verplaatsen want loodzwaar. Een minuut later rolt de gourmande deze voormalige haspel door het gras en kunnen we aperitieven, terwijl rondom ons medekampeerders naar de caravan gaan met hun blinkende afwas.

In een bepaald gebied van Nederland geven campings te kennen bestemd te zijn voor senioren en zogeheten medioren. Hun sites gaan gepaard met een sectie ‘gezinswaarden’, maar kinderen blijken onwelkom.

In Noordoost-Nederland gaan op zondag de supermarkten om 12 uur open. Zodat men tevoren de kerk kan aandoen? In België sluiten de supermarkten op zondag juist om 12 uur. Zodat men de katholieke mis niet kan bijwonen, wegens overmacht? De Albert Heijn geeft antwoord. Daar blijkt de achterkant van het boodschappenkarretje ingericht voor reclame. Ik kijk in de vriendelijk bebrilde ogen van een uitvaartverzorgster die haar diensten op maat aanbiedt.

Zomergasten met mijn held Typhoon. Op de camping is televisie in de gemeenschappelijke ruimte! En daar is niemand! Net vertellen in het keuzefragment De Sekszusjes die over hun geslachtsdelen, of daar komt een groepje jongens en meisjes binnen, acht tot hooguit veertien jaar. Ik zie me al voor de rechter hakkelen dat het toeval was, maar ze laten zich in de banken ploffen, draperen hun chips en cola en ze brengen smartphones in stelling. ‘Kom, we gaan pornofilms kijken’. Zo brengen bubbels de avond door. Een zwart jongetje vraagt me nog of dit Typhoon is; op mijn bevestiging murmelt hij dat deze ‘een nepper’ is. Waarschijnlijk staat het geluid van Zomergasten even hard als dat van de films, maar wanneer aan het eind Aretha Franklin een grootse Amazing Grace vertolkt hoor ik het jongste jochie zijn smartphone toeroepen ‘Trek die bitch aan haar haar’.

Met een grenzeloos vertrouwen in universele verstaanbaarheid vraagt een Gronings jongetje me of ik een Duitser ben. Ik ontken zo precies mogelijk, door te zeggen dat ik als geboren Nederlander al een tijd in België woon, dus waarschijnlijk een beetje Vlaams spreek. Is dat een taal dan, vraagt het jongetje.

In het Groninger Museum blijkt dat ranja een plaatselijke ontdekking is. Er waren zelfs servetjes bij ontworpen. Werd de fabrieksnaam een soortnaam (met gevolgen voor de spelling)? Zeker is dat zelfs een kleurenblinde als ik nog nooit zo’n bijzonder oranje heeft gezien. Mijn kinderen krijg ik dat niet goed uitgelegd, mogelijk omdat ze nog verbluft zijn door de pas onthulde Nederlandse drankoptie ‘iets fris’. Dan koop ik chipolatapudding, die behalve mij niemand kan bekoren. Volgens mij komt het doordat in België chipolata’s worsten zijn, niet wenselijk voor een dessert. Maar in het Engels kun je die bij het ontbijt krijgen en heten ze pudding.

De vrouw van de natuurcamping vraagt of ik mijn gegevens wil invullen. Ik beken niet zo’n leesbaar handschrift te hebben. ‘Hoezo, heb je gestudeerd of zo?’

Op weg naar huis bereiken ons duistere berichten over onze provincie. Is het oorlog in België? Bijna drie weken hebben we onze huid aan het Noorden blootgesteld zonder het gevoel te krijgen dat we corona opzogen. Zodra we de ring van Hasselt binnenfietsen, wordt ons toegeroepen dat we een mondmasker moeten opzetten. De laatste 1,7 kilometer gorden we andermaal zo’n ding om, want dan rijden we effectief onze provincie binnen. Het donker in. Feitelijk moeten we nu een formulier invullen over onze vakantiezonden in den vreemde. Naar de beste landstraditie vermeldt het tussen vijf opties van mobiliteit de fiets niet. Ik herinner me anders nog een fijn Vlaams bordje onderweg: ‘Bedankt om relax te rijden’.