zaterdag 13 januari 2018

Ontnozeling (3)




Op een cliffhanger moet een vervolg komen. Hoe essayisme dus te combineren met activisme? Voor mij begint een boek pas wanneer het geen genoegen neemt met een gebruikelijke gang van zaken. En omdat de wereld mijn objectief is, haal ik bij aldaar toegepaste methodes de mosterd.
In hun strijd tegen ggo’s maakten Barbara Van Dyck en Lien Vrijders (mede namens Nina Holland en Anneleen Kenis) een wijziging van strategie bekend. Ze doen niet langer mee aan bezwaarprocedures, wegens schijnparticipatie. Hun interventies willen ze eerder op het traject plegen, door de politiek-economische context bloot te leggen.
Genretechnisch vertaald doen ze afstand van blog-, Facebookpost of opiniestuk. Ze slaan de weg in naar een andere driesprong: pamflet, opstel of essay.
Mentaal gaan ad-hocmeningen opzij, die door hun overvloed zichzelf uitwissen. Deze dienen een neoliberale ideologie, die parasiteert op de schijn ‘tolerant’ een waaier van ‘diverse’ inzichten te faciliteren. Terwijl belangen elders behartigd worden, mogen individuen, zonder naar elkaar te hoeven luisteren, elkaar afslachten in iets wat ze voor een open debat houden.
Genoemde wetenschappers gebruiken er de in België reguliere kwalificatie ‘praatbarak’ voor. Ze hebben besloten hun bijdrage aan het maatschappelijk debat structureler en doeltreffender te maken.
Een voorbeeld van waar zo’n strategie toe kan leiden is voor mij Zwijg, allochtoon! van Rachida Lamrabet. Daarin vertelt deze schrijfster en juriste over de hel waarin ze verzeild raakte nadat ze het scenario had gemaakt voor Project Deburkanisation. Het leidde tot haar ontslag als juriste bij het interfederaal gelijkekansencentrum Unia. Lamrabet verheldert en historiseert in Zwijg, allochtoon! de opvattingen die Project Deburkanisation liet schuren en plaatst ze in het huidige debat.
Iedereen zou het boek moeten lezen. Hartverwarmend pleit het om het fameuze wij-zij-denken op te heffen. Het beargumenteert hoe bepaalde individuen en voorvallen worden uitvergroot tot typisch voor ‘de islam’ en hoe de schijnbaar schuldvrije cultuursector wit is gebleven (en ‘allochtonen’ cast en diversiteit als subsidie-industrieel gegeven benut).
Intrigerend is dat de zetter geen enkele alinea direct door een nieuwe laat volgen maar steeds een hiaat inlast. Alsof het betoog strofische poëzie is.
Lamrabet zet uiteen waarom een democratie rekening moet houden met minderheden. Dat het dragen van een nikab, waarmee ze zelf geen affiniteit heeft, ook zou mogen mogen in plaats van verboden. Voor mij grappig was haar associatie met individuen die bewust geen smartphone hebben en die niet op sociale media zitten.
Bij Lamrabets ontslag, waaraan ze weinig woorden wijdt, speelde Knack een hoofdrol. Dat kopte boven de samenvatting van het interview dat alles in gang zette ‘Unia-juriste Rachida Lamrabet: “Boerkaverbod is een verregaande inbreuk op de vrijheid van vrouwen”’ en tweette het ook zo. Daags daarna luidde de integrale tekst: Mijn kinderen zullen eeuwig “de anderen” blijven. Dat maakt me bang en heette Lamrabet in de intro ‘schrijfster’.
Zo werd de overheidspersoon naar voren geschoven en de politiek, vooral N-VA, uitgenodigd: ‘Kielhalen!’ Misschien was het berouw, of doordeweeks cynisme, dat Knack vervolgens twee breed gesteunde open brieven tegen het ontslag publiceerde waarin het recht op vrije meningsuiting wilde zegevieren.
Was het uit een bang voorgevoel dat Lamrabet tevoren had benadrukt te spreken als kunstenaar? Het onderscheid is voor mij duister en ik zie sowieso niets ongepasts aan de opvattingen die Lamrabet – als mens of werknemer of schrijfster – ontvouwde. Evenmin begrijp ik haar bijbehorende idee: ‘Van kunstenaars verwacht iedereen dat ze de goegemeente choqueren, dat ze tegen heilige huisjes aanschoppen.’
Van daaruit redeneert Lamrabet dat ze de pineut was omdat ze niet tot het autochtone ‘wij’ behoort. Dat mechanisme van uitsluiting herken ik, maar ik zou niet durven beweren dat het exclusief ‘allochtonen’ treft.
Ook weet ik niet of de dienstdoende uitsluiters exclusief bij rechts te vinden zijn, zoals Lamrabet meent. Haar containerbegrip ‘de dominante groep’ bevat volgens mij van alles en nog wat. Wel kan die staat van gedeeltelijke ontkenning op conto worden geschreven van mij in de hoedanigheid van witte ‘autochtoon’.
Mede daarom raad ik dit boek iedereen aan. Want klopt het wel dat ik er een tegenspraak in ontwaar, een regressie misschien andermaal? Bij Lamrabets verheugende anti-essentialisme blijkt namelijk meer dan eens sprake van ‘bloed-en-bodem-Vlamingen’. Ook kan er staan: ‘De moslima wordt altijd gekoppeld aan alle moslima’s overal ter wereld en bovenal, ze wordt gekoppeld aan de moslima die leeft in de verbeelding van witte mensen’.
Zulke uitspraken doemen op in het tweede deel van Zwijg, allochtoon! Daar plaatst Lamrabet de affaire in de actualiteit. Dan frappeert bijvoorbeeld de vertekening als ze nog een hangijzer samenvat, het zwartepietendebat: ‘Wat bepaalde minderheden als krenkend ervaren, wordt niet ernstig genomen. De goegemeente hecht meer belang aan het gevoel van nostalgie dat de dominante groep heeft over een figuur uit een kinderfeest.’
De witregels tussen de alinea’s wekken bij mij dan ineens de associatie met een reeks tweets. Naar mijn gevoel wordt Lamrabets zaak evenmin goed gedaan door sommige van haar parallellen, zoals met de bejegening van de ander door nazi’s (niet met stalinistische showprocessen voordien), of met de communistenjacht onder het mccarthyisme (niet met de verkettering door proteststudenten van rechtsen als fascisten nadien).
Wat had ik dan verwacht van tekstueel activisme? Idealiter de mogelijkheid om meer spreekposities en registers verenigen, in wat dan met recht een dialogische tekst mag heten. Daarin transporteert een schrijver het complexe agonistische model van Chantal Mouffe naar zichzelf. Er is dan geen gefixeerd standpunt en bij vlagen, bijvoorbeeld wanneer er geluisterd wordt, kan het zelfs ontbreken.
In het tweede deel van Zwijg, allochtoon! zie ik anders gezegd alsnog het opiniestuk terug, waarbij een monolithische mening een causaliteit oplevert die onwaarschijnlijk overzichtelijk is en de idee van zelfcensuur oproept.
Wanneer ik de strategie van Barbara Van Dyck e.a. zou toepassen om de hele context ter discussie te stellen, dan blijft Lamrabets boekje als zodanig onbevraagd. Hoe beziet de uitgever zijn auteur wanneer de titel Zwijg, allochtoon! gekozen wordt? Hoe beziet de auteur een lezer bij een pleonasme als ‘de gevestigde kunstbastions’?
De grootste paradox van dit boek over censuur is dat Lamrabet bij verschijning voorpublicaties en interviews kreeg. Daar kan zij niets aan doen en hopelijk heeft die publiciteit haar gederfde inkomsten opgeleverd, maar juist bij een onderwerp als dit, waar media en uitgevers een enorme verantwoording dragen, is de cultuurindustriële rimram ondraaglijk.
In een echte democratie is iedereen expert die in eigen taal onderzoek doet in plaats van te roepen ‘waar het schoentje wringt’.
Gelukkig kent Zwijg, allochtoon! vele momenten waarop het bijeffect bestreden wordt dat elke mening of (dis)like openbaar moet. Feitelijk zorgt dat monologisme voor energieverspilling. Letterlijk wegens stroommisbruik bij alle servers die kwantiteit moeten opslaan. Figuurlijk wegens de tijd die met anderen, inclusief antagonisten, had kunnen worden doorgebracht in plaats van met een scherm.
Dat laatste lijkt me zelfs een voorwaarde opdat iets verandert. Mogen essays het een podium bieden.

zondag 7 januari 2018

Ontnozeling (2)



Vertraagd las ik in 2017 Kees ’t Harts essaybundel Het gelukkige schrijven. Met de boeken van deze schrijver heb ik een gespannen relatie. Meteen begon ik ze eind jaren tachtig te volgen, menend dat dit oeuvre voor mij geschapen was. De essaybundel duidt achteraf uit waarom: ‘dat de heersende moraal steeds opnieuw bevestigd wordt wanneer de schrijfwijze van de roman zelf buiten schot blijft’.
Ik stuitte op de grenzen van mijn lezerschap, of karakter, toen mij ter ore kwam dat er een fanclub voor deze auteur bestond. Stomtoevallig vond ik na dat nieuwtje ’T Harts boeken minder interessant. Betrapt in mijn annexatiedrift? Minstens lag mijn idee van periferie, dat ik verrukt had afgeleid, in de poeier. Ook institutioneel bleek ’T Hart onexcentrisch.
Hij publiceerde ooit het boek De ziekte van de bewondering. In die volgens hem on-Hollandse state of mind lag met terugwerkende kracht mijn bezwaar. ’T Hart dweepte me te veel, was niet echt kritisch. Met ‘niet echt’ bedoel ik dat hij bij sporadische kanttekeningen een leukige jongensboekstijl inzette, waardoor mij ontging wat hij bedoelde. Of hij iets bedoelde.
Aldus was Het gelukkige schrijven een eyeopener, dat ’T Hart minder hardnekkig lofprijst dan vermoed.
Zo kapittelt hij Karel van het Reve, zeker de zogenaamd heldere en onbeschroomd polemische Henk Broekhuis-columns uit de jaren zeventig, tegen pretenties en opscheppers – ook twee hinderpalen voor ’T Hart zelf. Inmiddels maakt zich volgens hem er niemand druk om, behalve ’andere stukjesschrijvers die ook weinig zin (en tijd) hebben zich ergens met volle kracht in te verdiepen’.
Ik denk niet dat die controversialiteitsafname helemaal klopt. Wel ogen die columns heden saai. Al zijn er, juist door die stemming, details waarvoor ik val. Bijvoorbeeld wanneer Broekhuis in 1975 VARA-presentator Joop Koopman citeert, die bij zijn gesprekje met een Twee voor twaalf-kandidaat ontdekt een VVD’er voor zich te hebben: ‘Ik wens u evenveel succes als ieder ander.’
Het meest kritisch is ’T Hart, zoals bekend, over Alain Badiou. Onder de neptitel ‘Altijd die verdomde filosofen’ is hij eerst positief. Maar dan blijkt Badious filosofie volgens ’T Hart helemaal niets aan te tonen en te hameren op hetzelfde aambeeld, tegengesteld aan wat de tekstbezorgers Ernst van den Hemel en Joost de Bloois beweren: ‘Soms krijg je bij deze inleiders het gevoel dat je aan tafel zit bij een vergadering van het Centraal Politbureau in de jaren twintig in Moskou.’
Hier gebeuren meer dingen. Het beeld van rabiaat communisme is klassiek populistisch. Door de bril van ’T Hart wordt het ook een autoriteitsargument. Geboren in 1944 heeft hij de gevolgen beleefd van wat ik in mijn vorige Ontnozeling als een mei ’68-valkuil bezag. Hij vertolkt het zo: ‘Althusser! Wat heb ik lang met hem verkeerd, ik wist zeker dat hij al mijn schrijfproblemen zou oplossen. Foucault! Derrida! Heidegger! Lezen maar jongen, anders wordt het niks met je.’
Geïnsinueerd wordt dat Badiou, in ons taalgebied geïntroduceerd door Yang in 2004, een tijdverschijnsel is (niet: iets modieus of commercieels). Ideeën lijken verklaringen te bieden die van pas komen. Zoals recentelijk pakweg Gloria Wekker.
Die historische relativering plaatst T’Hart bovendien uit zijn notoir rode opleiding aan de Universiteit van Amsterdam, waar de tekstbezorgers onderzoeker zijn. Met die achtergrond is zijn paraderend bewonderen tevens een vlucht uit wat destijds krities heette. De slotperoratie van zijn Badiou-kritiek luidt:

‘Het gaat in de (schrijf)kunst om ruimte, om ademhalen, om perspectief en vergezichten. Om de vrolijkheid of de verschrikkingen van het verlangen, om het nu ook maar eens te zoeken in warrige metaforiek. Om tot Gelukkig Schrijven te komen. Onbevreesd schrijven. Niet gehinderd door schuldgevoel, integendeel, schrijven om je onschuld in stand te houden. Daar gaat het om. Je engagement verbergen in dromerigheid, naïviteit en verlangen naar tegenspraak. Trouw blijven aan wat je niet kunt bereiken. Ongelijk hebben.’

In de revolutiejaren zullen onschuld en naïviteit betwist zijn als burgerlijke wensdromen. De jongensboekenstijl wordt er meteen door verklaard. Ze verdween toen er een fijn internetdebatje over het Badiou-stuk ontstond en ’T Hart zich ernstig begon te weren.

maandag 1 januari 2018

Ontnozeling (1)


Ook in mijn vak viel de hele maand december ten prooi aan lijstjes, met Beste Boeken. Ik heb ze nooit begrepen. Tot aan het laatste uur van een jaar valt er te lezen. En al is een slotsom pas in een nieuw jaar op te maken, dan nog blijft zo’n lijst bizar. Bij de overproductie die de boekenbranche evengoed vertoont, is elk overzicht illusoir.
Zelf vind ik het als simultaanlezer al een klus om op één week teksten uiteen te houden.
Voor literatuurbijlagen kan het lijstjesritueel zelfs pervers heten, getuige het geringe aantal boeken dat er aan de orde komt. Het heeft iets onbeschaamds het mattheuseffect te benadrukken door recensenten en merknamen andermaal aan het woord te laten.
Afgelopen jaar frappeerde me wel een trend, die uitgerekend in één van de lijstjes onderstreept werd. Een boek van Gloria Wekker, eindelijk in vertaling verschenen, was een uitverkorene:

Witte onschuld is een etnografie, een studie van de manier waarop wit Nederland naar zichzelf kijkt, aan de hand van het idee van het cultureel archief. Dat archief is een verzameling praktijken, gevoelens en ideeën die het gevolg zijn van de raciale ordening van de wereld, zoals die vorm kreeg door het imperialisme van naties als Nederland.
Ook het idee dat ‘wij’ een bescheiden land zijn, onschuldig, post-raciaal en rechtvaardig, dat een bijzondere rol in de wereld te vervullen heeft, is onderdeel van het zelfbeeld dat Wekker beschrijft. Het woord ‘onschuld’ betekent hier zowel ‘niet weten’ als ‘niet willen weten’. Wie dit boek leest zou de huidige Nederlandse samenleving beter kunnen begrijpen, met aandacht voor de manier waarop het verleden in het heden aanwezig is.

Ik vind dit ook een belangrijk boek – terecht dat Wekker onlangs onderscheiden werd met de Joke Smitprijs. Wel is het valse zelfbeeld van ‘wit Nederland’ allerminst een ontdekking. Ik zou het een klassieker noemen, een cliché dat rijmt met het boekomslag van een molen op een Delftsblauw tegeltje.
Het is Wekker niet aan te rekenen dat haar studie tegemoetkomt aan witte verlangens van wat als zelfkritiek wordt beschouwd maar essentialisme behelst. Decennia geleden verwees het postmodernisme dat artikel naar de mesthoop. Het is sinds kort herrezen. De genre-aanprijzing ‘etnografie’ onthult (Van Dale: ‘beschrijvende volkenkunde’).
In 2007 baarde Máxima Zorreguietta opzien door de evidentie te verwoorden dat dé Nederlandse identiteit niet bestaat. Tien jaar later wordt die klok teruggedraaid door witte intellectuelen die vooruit willen streven. Tenzij mij iets ontgaat, doet die pertinentie waarmee zij koloniale wantoestanden als bewijsmateriaal opvoeren ijdel aan.

Wekker zegt in White Innocence dat witten terughoudender mogen zijn tegenover ervaringen van zwarten. Goed om zich in te prenten. De trend die ik denk te zien, vervalt echter in het andere uiterste: zwijgen. Ik noem het kritiekloze kritiek.
Ze uit zich in halfwassen recensies. Waar voorheen ideologisch beladen auteurs werden vermeden door hun een interview te bieden, zij ze alsnog object van besprekingen. Deze beperken zich echter tot het gedachtegoed en laten zich erop voorstaan daar vanuit ‘geprivilegieerd wit standpunt’, dat bovendien met onhoudbare criteria als ‘kwaliteit’ schermt, niet over te willen oordelen.
Ook bij de schrijnende #metoo-problematiek bespeurde ik soms die houding. Aanklaagsters kregen bij voorbaat gelijk.
De witte zelfkritiek bestaat er dus uit, expliciet bescheiden te outen niet gerechtigd te zijn tot kritiek op zwakker geachte anderen. Bij die toch wat pontificale solidariteit komen tegelijk verboden aan kleurgenoten die een ander inzicht zijn toegedaan. Het mogen en moeten is terug, met verkrampte taalsamenstellingen die voor een groot publiek slechts toegankelijk zijn als mantra.
Ik ben een voorstander van politieke correctheid, maar begin de motor te begrijpen achter wat beschaafde minachting blijkt te heten.
Wat hier gebeurt is al eens gebeurd, in mei ’68. Helaas kwam de toenmalige protestgeneratie, die evenzeer onrecht wilde tegengaan, uiteindelijk unisono onder vuur. Ik heb die tegenkritiek altijd betreurd en opportunistisch gevonden, gelet op de verworvenheden van studentenprotesten. Maar de achilleshiel lag in de acceptatie van systemen die bewust niet werden onderzocht – kritiek was zelfs de kortste weg naar uitsluiting.
Punt is volgens mij dat je je kunt engageren met elke denkbare zwakkere, maar dat die verklaring in het performatieve blijft steken zolang er niets wordt uitgewisseld. Erkenning is bijna alles. Toch wil je van een vriend niet horen: ‘Je hebt gelijk’. Misschien is het geweldig om anderen onvoorwaardelijk te geloven, maar ik denk niet dat je hen daarmee serieus neemt.
In die overtuiging werd ik gesterkt door een boek (non-fictie). Het heet Spelen in zwarte sneeuw, en is geschreven door kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen. Hij wijst op twee frames waarmee jeugd in een achterstandspositie traditioneel werd bejegend: ‘Het Onschuldige Slachtoffer’ en ‘Het Blok aan het Been’. Beide frames lauwerden de bovenliggende partij, die edelmoedig anderen kon helpen of die hindernissen voor de eigen marsroute uit de weg ruimen.
Volgens Vanobbergen respecteer je kansarme kinderen, wanneer hun ervaringen en kritiek het voorrecht genieten van wederkerigheid. Spreek terug!, maant hij. Wie alleen maar knikt of verwerpt, cultiveert een cliënt-professional-relatie. Pas wanneer je enthousiasme en empathie kan paren aan oprechte vragen en twijfels verleen je aan een ander een autonome status.

Mijn posting wil zo nodig een trend signaleren, maar kunst mag van mij echt de maatschappij in. Ik hoop een ander interessant boek te kunnen misbruiken voor een alternatief.
In de interviewbundel Het laatste taboe. Kunstenaars en inkomen trachtten alle sprekers, tegen het rendementsdenken in, een vanzelfsprekend belang van kunst te vertolken. Maar niemand kwam in de buurt. Wel viel meermaals de klacht dat aan kunstenaars makkelijk wordt gevraagd iets gratis te doen ‘voor de goede zaak’.
Hoe vaag die goede zaak ook mag zijn, de formulering suggereert een betekenis die publiek en zelfs gemeenschappelijk is. Beeldend kunstenaar Hans van Houwelingen signaleert dat de publieke zaak ooit in het teken stond van volksverheffing, en dat kunst nu hooguit wordt ingezet om kiezers te behagen. En zich dus te verlagen.
Van Houwelingen meent dat het gewenste én geproduceerde kunstwerk bewust onnozel is. En dan lijkt de oplossing nabij: ‘Het wordt tijd om weer te ontnozelen.’ Mij trekt dat idee, ook voor letterenbijlagen die lijstjes Beste Boeken van het Jaar wensen.
Wat zou het opleveren als recensenten zich solidair betonen met auteurs én geïnteresseerden door geen opdrachten meer aan te nemen onder 1000 woorden per bespreking? Is dat toekomstmuziek of een valse noot?
Ik durf het bijna niet te zeggen, maar uit 2017 herinner ik me een paar titels. Welja, laat ik het nieuwe jaar beginnen met een vervolgverhaal.

zaterdag 23 december 2017

Tjongejonge




Tomtom YouTube vertelt me op basis van mijn zoekopdrachten dat sommige liedjes en reportages zijn ‘aanbevolen voor jou’. Vaak voel ik me betrapt of ben ik te koppig om op goedkope verleidingen in te gaan, maar gisteren klikte mijn muis op een kakelvers liedje en nu ben ik daar gelukkig over.
Het kan zijn dat de titel ‘Smijt een bom’ me aanstaat, of dat de bandnaam Wilderman nieuwsgierig maakt (geen wildeman, geen Wilders’ man). De muziek is alvast fijn, omdat ze eigen is terwijl ze een beroep doet op mijn ijdelheid kennis van zaken te hebben. Want natuurlijk hoor ik van alles in het liedje en daarmee valt te etaleren: Slickaphonics, Raggende Manne, Morphine…
Uiteindelijk is het de tekst waarvoor ik val. ‘Smijt een bom’ blijkt een terugkerende formule die een antwoord biedt op uiteenlopende maatschappelijke kwalen: protest, grondstoffenmisbruik, kritiek, hongersnood, vluchtelingenkampen, oproer, non-conformisme, wanbestuur…
Deze rigoureuze oplossing oogde in 2017 zowel trumpiaans als Noord-Koreaans. Hier komt ze van de zogeheten bovenliggende partij die, uitgedrukt in persoonlijk voornaamwoorden, ‘wij’ kan heten. Maar dan komt er een wending in het liedje, verlucht door een oudestijljazzbloempje van een hihat. En dan verandert de machtige groep in een ‘zij’.

Spreken ze recht, praten ze krom?
Gooien ze zelf ook een bom?

Ook is het leuk om in de zanger een schrijver te herkennen, die onbeschaamd danst terwijl hij zijn mouwen opstroopt én die altijd al durfde (bijvoorbeeld om de geschiedenis niet voorbij te verklaren omdat ‘de dingen nu eenmaal zijn zoals ze zijn’).
Wat een verschil met een liedje uit 1973, o gij jeugd, dat ik hooguit onbeschaamd kan noemen door de inspiratieloosheid van het refrein:

Uche uche uche uche uche, het stikt hier van de muggen
Ieche ieche ieche ieche ieche, het stikt hier van de vliegen
IJe ije ije ije ije, het stikt hier van de bijen
Maar het geeft niet want ik ben bij jou
Ook al sta ik hier dan in de kou

Dit liedje, van Vader Abraham uiteraard, duurt meer dan vier minuten. Het refrein wordt zes keer herhaald, terwijl er maar twee coupletten zijn. Het rare is dat een fragment daaruit suggereert dat de ik een vrouw is:

In m'n haren, in m'n kleren en ze blijven maar proberen
En ze zitten ook al in m’n lingerie

Dan zou de zanger de aanbedene zijn, voor wie deze vrouw plagen van Bijbelse allure doorstaat. Of zegt Abraham hier – conform het clichébeeld van bekentenissen uit de jaren zeventig – dat hij travestitische aandriften kent? Smeekte hij toen al om een vakterm als ‘genderneutraal’?
Liedjes als deze duikel ik op tijd en stond op voor mijn kindergebroed, omdat het mij als immigrant in België belangrijk lijkt een doorgeefluik te zijn van cultuur waarmee ik me eerlijk gezegd niet direct verwant voel maar die onloochenbaar deel van mij uitmaakt.
Daarom wil ik nog een derde songtekst noemen. In 2017 overleed zanger-gitarist-producer Hans Vermeulen die, naast een ruim en knap Engelstalig repertoire vanaf de Sandy Coast, begin jaren tachtig een elpee met Nederlandstalig werk bleek te hebben gemaakt.
Daarop ontdekte ik dankzij YouTube-doorklikkerij het wonderlijke – en ritmisch-melodisch geavanceerde – liedje ‘Rustig aan’. Het zou autobiografisch zijn, omdat Vermeulen toen iets ondervond wat tegenwoordig burn-out heet.
In het liedje spreekt hij zichzelf toe. Terwijl hij zijn oude ik tot bedaren probeert te brengen, wuift hij die kalmte meteen naar luisteraars. Een grootse onbeholpenheid maakt zich van iedereen meester.
Prachtig is het advies ‘Ga een uurtje leggen’, dat in dezelfde tijd door Jacobse en Van Es aan de toenmalige koningin gegeven werd. Maar definitief werd ik gegrepen door de brug in het liedje:

Tjongejonge, moet dat nou zo snel
Lukt het vandaag niet, gaat het morgen wel
Elke dag een heel klein beetje verder uit je bol
Want anders is het mooi niet vol te houden
Lang zal die leven, toch veel te mooi om op te geven
Je hebt tenslotte nog een heel eind voor de boeg
Heb je niet te eten of word je achterna gezeten
Doe maar gewoon, dat is al even gek genoeg

Weergaloze brouhaha. Probeer de tip in de derde regel maar eens na te volgen. Hogere mindfulness.
Het woordje ‘nou’ vind ik in bepaalde verbanden al oer-Hollands, maar ‘tjongejonge’ gaat boven alles. Het relativeert elke resterende tegenwerping voorgoed. Dat woord raakt amper voorbij de keel en blijft diep in de mond.
Gewoon, Gek Genoeg & Zn in een popsong. Da’s ook een bom smijten.

donderdag 14 december 2017

‘Vraagstukken rond onze seksualiteit’




Zou er in romans een zin staan, waardoor lezers blind doorgaan dan wel voorgoed afhaken? Volgens mij kan zoiets met I Love Dick van Chris Kraus. Ik citeer de vertaling uit 2016: ‘Politiek houdt in dat je accepteert dat niets zonder reden gebeurt. Er zit een zekere causaliteit in de stroom en als we secuur genoeg kijken is het mogelijk haar te begrijpen.’
Terwijl de ene lezer hier een onontkoombare waarheid treft, zal de ander vermoeiende paranoia verwachten. Mij zijn die reacties althans opgevallen voor een decennium waarin alles politiek heette en dat ik probeer in kaart te brengen: de jaren zeventig. Vanzelfsprekend zijn die reacties reflexen, maar de tweede, terugdeinzende is tot nog toe ruim in de meerderheid.
Ze zit soms in details. Zo columniseert Bert Wagendorp bij het terugtreden van Emile Roemer: ‘“Hij kan geen fractie leiden, laat staan Nederland”, zei een anoniem SP-Kamerlid een jaar geleden. Hij was niet de enige met kritiek op de aanvoerder. Toen wist je al: ze zitten de verkiezingen nog even uit met Roemer, maar daarna schieten ze hem op socialistiese wijze af.’
Die spelling socialistiese zet een blok. Ach, die vooruitstrevendheid en haantjesachtige, gewelddadige pretentie onder het mom van een betere samenleving, enz.
Des te prettiger is Chris Kraus’ sympathie voor het lef van de jaren zeventig. Dat betekent geenszins dat ze er kritiekloos aan voorbijgaat. Bijvoorbeeld inzake man-vrouwverhoudingen in kunst: ‘Ik vraag me af waarom alle performances over de geleefde ervaring van de jaren zeventig alleen worden gezien als “samenwerkingsverbanden” en “feministisch”. De Zürichse dadaïsten werkten ook samen maar zij waren geniaal en hadden namen.’
Verderop weet Kraus daar met veel moeite – naast de gerenommeerde heren Ball en Tzara – drie namen bij te geven: Emmy Hennings, Hannah Höch en Sophie Taeuber-Arp.
Weer verderop belicht I Love Dick ‘neodadaïst’ Hannah Wilke, die destijds slim van universeel op persoonlijk overging. Ze bekleedde haar naakte lichaam met kauwgom in de vorm van vulva’s, wat het predicaat ‘kuttententoonstelling’ opleverde. Toch liet ze eveneens pluis uit wasmachines zien, wat agressief ideologisch, saai en oppervlakkig werd bevonden. Dit materiaal had ze uit de was die ze jarenlang had gedaan voor haar partner, genaamd Claes Oldenburg.
Ook binnen de categorie vrouwelijk kunstenaar gold Wilke (1940) als been there, na Cindy Sherman (1954).
I Love Dick is evenzeer persoonlijk, met universele consequenties. Vrouw-zijn blijkt er te betekenen: gevangenzitten in de psychologie van ‘problemen’. Kraus vergelijkt het lot van Janis Joplin met dat van kerels als Cobain, Hendrix en Phoenix die een onstuimige levensdrift zouden hebben geëtaleerd. Zelfdestructie tegenover mannelijke vitaliteit…
Dit boek doet aan participerende observatie van iets wat tegenwoordig effen ‘de culturele elite’ heet. En daarvan doorvorst Kraus het mannelijk smaldeel:

‘En het werd laat en iemand zette wat oude discomuziek op, en alle mensen die jong genoeg waren om deze liedjes gemist te hebben toen ze voor het eerst werden gedraaid stonden op en gingen dansen. “Funkytown”, “Le Freak” en “Upside Down”… de liedjes die eind jaren zeventig in topless clubs en bars werden gedraaid terwijl deze mannen beroemd werden. Terwijl al mijn vrienden en ik, de meisjes, onze huur en tentoonstellingen betaalden en “vraagstukken rond onze seksualiteit’ onderzochten door de hele nacht in topless bars op deze muziek te shaken.’

Historisch is deze liedjesdatering weer eens inadequaat, maar waarschijnlijk onthield de weldenkendheid zich destijds toch van dansen. Disco deugde immers niet. Maar volgens Grace Jones’ biografie Mijn onvertelde leven (oorspronkelijke titel: I’ll Never Write My Memoirs) had het genre een subversieve oorsprong. Ze noemt het mannelijke witte rockpubliek, dat disco verwierp, racistisch, seksistisch en homofoob.
De diva Jones doet aan Kraus denken doordat ze signaleert voortdurend door mannen in hun richting te zijn gedreven, met formules en behangfuncties. Haar echtgenoot annex creative director gebruikt haar grimas bij de geboorte van hun zoon voor de hoes van Slave to the Rhythm.
De reikwijdte onderkent ze als hij voor de wereldtournee A One Man Show haar als Zwarte Vrouw positioneert. Wat voor Jones geen item is, als grensoverschrijder van kleur, geslacht, geaardheid en, vertelt ze, kloven tussen mens en dier. Zijn concept van vrijheid moest echter het hare worden: ‘Het was niet Grace Jones die op het podium stond. Het was Grace Jones die Grace Jones speelde, geholpen door anderen die ook Grace Jones speelden.’
Tegenover haar platenmaatschappij kan ze louter de bitch uithangen: ‘Als ik een man was (…) dan hadden ze mijn gedrag, hoe agressief en veeleisend ook, gezien als normaal voor een leider’. Nu wil Jones bewijzen dat zij wel degelijk weet wat ze doet. Maar de diagnose blijft: krankzinnig en hysterisch, zeker bij tegenwerpingen.
Volgens Grace Jones zijn er beroepen, zoals filmregisseur, die alleen mannen mogen uitoefenen. Ik denk dat Chris Kraus dan de analyticusstiel claimt. I Love Dick , een ware stijlencarrousel, opent als autobiografisch verslag en voegt er persoonlijke essays tussen (en onderstreept welke kansen Lieke Marsman onlangs liet liggen).
Saillant vind ik de anekdote over een panel met Antonio Negri en Heiner Müller, dat door Kraus’ voormalige lief Sylvère moet gemodereerd. Men zoekt nog iemand, en zij stelt dan een vrouw voor. Waarna Negri afserveert: ‘Christa Wolf is geen intellectueel.’
De tristesse dat precies links, zoals Bert Wagendorp nu ook weer suggereerde, het op humaan vlak laat afweten. Dat Kraus de boosdoener ‘Toni’ noemt, lijkt krachteloos terugmeppen.
Evenzo gaan het duidende voor- en nawoord in deze vertaling vóór de lezer staan. Alsof op voor- en achterflap de reguliere superlatieven niet voldoende zijn. Mij trof daartussen uit het geboorteland de term ‘heteronormatief’. En dan verbaast men zich dat het woord ‘genderneutraal’ als het irritantst wordt ervaren?
De controverse van I Love Dick blijkt helaas niet in het universele te schuilen. Bij verschijning in 1997 gold de roman als flagrante privacy-aanrander. Dan spreken we in alle opzichten van een andere eeuw.
Wie leest er inmiddels nog van papier? Door smartphones kan privacy real time de hele wereld in. There’s nothing in that book.

donderdag 7 december 2017

Pigeonholed




Naarmate de publicatie van mijn boek over de literaire opinie-industrie nadert, flitsen er vragen in me op: had ik zus niet moeten vermelden, had ik zo niet moeten toelichten?
Veel illusies over de heilzaamheid van meningmakende auteurs hield ik niet over. Tegelijk groeide mijn ergernis dat de meesten onder hen als ‘gutmensch’ verticaal werden geklasseerd in de map Hypocriet.
In mijn boek klinkt de verzuchting wat er eigenlijk tegen correct is (naar aanleiding van ‘politiek correct’ uit dezelfde map), terwijl ik geen woord spendeer aan het raadsel wat er slecht is aan goed. Thijs Kleinpaste linkte de ‘gutmensch’ nota bene aan het ontstaan van de publieke intellectueel, eind negentiende eeuw, rond de Dreyfus-affaire. Toen al kampten opiniemakers met een wankel imago. Inmiddels is het op internet veroorlogd.
Ze heten tot ‘de elite’ te behoren. Mij ontbreekt bewijs daarvoor; bovenal ontwaar ik de macht dus niet die hun wordt toegeschreven.
Wat is dan mijn alternatief? En waarom valt het nergens in mijn boek te bespeuren? Omdat ik kunst een maatschappelijke rol toedicht, zou buiten-egomaan engagement in fictieboeken mijn geloof moeten wegdragen.
Onlangs interviewde een weekendbijlage een daadkrachtige Lieke Marsman, wier vertering van het toch wat machistische opiniewezen al eerder fris overkwam. Ze had met Het tegenovergestelde van een mens een ambitieuze debuutroman afgeleverd tegen klimaatverandering, inclusief de weg die mensen mogen bewandelen. Dat on-Hollandse uitzicht verheugde me.
In den beginne is het centrale personage Ida een proeve van binnenhuisrealisme. Al jong voelt ze zich depressief, zowel door een gebrek als door een teveel aan levenslust. Lezen is dan de eerste oplossing en op bed liggen een tweede. Een navelstaarder, haar taal is conventioneel.
Een verlangen naar echte mensen en een betekenisvol aandeel aan de wereld speelt op. Het slotdeel van de roman heet dan ook The Great Outdoors, onder het motto ‘Into the wilderness, away from the loneliness’. Ida zit vol voornemens, waar de wereld beter van worden kan. Toch weet ze zich schuldig en machteloos. Haar taal, vrees ik, verandert evenmin. Ook het breekijzer van het lezen blijft, van non-fictie nu.
Het tegenovergestelde van een mens culmineert in een pleidooi voor ecologisch bewustzijn en radicale bescheidenheid, door de hoofdrol op aarde terug aan de natuur te geven. Dat is sympathiek, en de auteur beschouwt het als theorie en filosofie. Zelf verwacht ik van een roman iets originelers.
Bij de engagements- en waarheidsverlangens meldt Marsman bovendien, in een voetnoot, dat er geen archimedisch punt kan bestaan: ‘een universele uitspraak doen, zonder zelf deel uit te maken van die universaliteit, is tamelijk lastig’. Een bladzijde later: ‘Het is onmogelijk om de wereld te bekijken door andermans ogen, hoe empathisch je ook bent.’ Die uitspraken wegen haalbaarheid. Maar ik zou van fictie willen dat ze daar lak aan heeft en reikt naar dimensies die voor mijn part utopisch heten.
Op dat punt biedt Het tegenovergestelde van een mens mij weinig. Vreemd, gelet op Marsmans interviewuitspraken. Zou er dan gewicht aan intenties kunnen worden toegekend, zonder in de val van de ‘gutmensch’ te tuimelen?
Prachtig, en herkenbaar, vind ik dat ze haar achilleshiel heeft benoemd: verhalen vertellen. Deels ondervangt ze dat doordat het boek meer genres bevat – de romantekst heeft er concurrentie van poëzie, non-fictie en opinisme. Marsman benut zo de verworvenheden van het postmodernisme.
De legitimatie van deze hybride gebeurt mede doordat de tekst zelf een harde identiteitskern pontificaal verwerpt en daartegenin het verlangen uit een ander te zijn. Zelfs met die vrijvechtende uitgangspunten blijft Het tegenovergestelde van een mens krampachtig.
In een Italiaans vakantiepark wordt Ida bijvoorbeeld door een landgenoot gevraagd om hulp bij een bingoavond. Die ‘actie’ zou nodig zijn want de verveling is toegeslagen want het regent zo. Dan komt er een citaat van een Britse filosoof dat het voornemen stut iets verantwoorders te ondernemen. Tot slot hersitueert Marsman de regen in een bespiegeling over het klimaat, dat tegenwoordig ‘een reden [is] om de straat op te gaan en te protesteren’.
Ook de bibliografie pakt niet. Marsman vermeldt een lang interview met Joni Mitchell. Er komt één fragment uit aan de orde, als apart hoofdstukje geciteerd. Joni krijgt er voorgelegd te gelden als bekentenisschrijver. Ze antwoordt dan wel tot een (babyboom)generatie te behoren die het meest egocentrisch was, maar het probleem niet te zien. Vooral voelt ze zich pigeonholed, in een hokje gestopt, vloeibaar als ze is.
Weer een postmodernistische geloofsbrief? Marsman laste twee interviewfragmenten aaneen (minuut 58 + 105) en deed in het citaat schrappingen, die ik cursiveer: ‘I’m fluid. You know. And yeah. Everything I am I’m not. Kind of. And that’s the way it is with all people if they really observe themselves.’
De schoolmeester in mij acht die plastische chirurgie van taal zinloos. Juist een boek dat de werkelijkheid onder ogen wil brengen, laat uitlatingen intact. In het interview zegt Mitchell het zelf: ‘The art of art is to be as real as you can within this artificial situation.’
Door de roman heeft Marsman een draad geweven waarin Ida iets met Robin (v) krijgt. En dat loopt mis, zoals in de laaglandse literatuur vaak gebeurt. Maar is er ook een verband met de milieuproblematiek?
Wanneer Robin de relatie opzegt tijdens een kanotocht breekt er, conform een geschetst ecologisch rampscenario, een dam en lijkt Robin te verdrinken. En doordat de schrijfster aan het eind keurig een parallel opzet tussen liefde en taal, is de discrepantie tegenover de werkelijkheid voltooid.
Zo is deze roman voor mij uiteindelijk Marsmans werkverslag. Daarvan resteert de buitenliteraire boodschap. Ondertussen maakt de gutmensch volgens Thijs Kleinpaste ‘deel uit van de collectieve ideeënstrijd van de democratie. Hij bevindt zich tussen de talloze beelden die worden aangeroepen ter rechtvaardiging van een of ander standpunt.’
Het mag schrijnend heten dat dit type een revanchistisch vijandbeeld ondergaat. De citoyen kantte zich juist tegen overgeërfde elites. Wel zou de gutmensch een patent hebben op de moraal. Het tegenovergestelde van een mens wordt dan extra dramatisch omdat Marsman dat patent niet neemt. Tellen alleen haar opinies, waarin het woord ‘hypocriet’ evengoed opduikt?


Naschriftje
NRC komt met een lijstje van 25 genomineerde boeken over het hele jaar 2017 die er vier of vijf ‘ballen’ kregen. En daar staat Het tegenovergestelde van een mens tussen, net als Vroege werken waar ik hier ook al niet erg enthousiast over was. Beide titels behoren eveneens tot de absolute top volgens de Volkskrant. Zegt dat verschil in inzicht iets over mijn beperkingen, over ‘de kritiek’ of over 2017?

donderdag 30 november 2017

Ondertiteling




In het Nederland van 1946, meldt Tim Parks in Waarom ik lees , was 5% van de boektitels vertaald (dit beweren oude aantekeningen van mij, ik kan me niet goed indenken dat er vlak na de oorlog, toen papier op rantsoen was, hierin iets als een markt bestond). Tegen 2005, zegt hij, was dat aandeel gestegen tot 35%, waarvan fictie maar liefst 71% voor haar rekening nam.
Parks bericht in een boekhandel uit het centrum van Amsterdam, Athenaeum, veertig klanten te hebben geïnterviewd over hun keuze. Hij denkt daarmee een representatieve lezer te pakken gekregen te hebben, vooral omdat hij met de leeftijdsklasse van 20 tot 60 jaar sprak en onder hen gelijkelijk mannen en vrouwen.
Die laatste twee parameters geven mij de indruk dat er een vertekening optrad: groslezers zijn oudere vrouwen. Ook lijkt met Athenaeum geen doorsnee boekhandel gekozen, maar veeleer een specifiek, ‘elitair’ publiek dat kiest uit een breder aanbod dan in een winkel normaliter heeft.
Parks’ ontdekking is dat alle proefpersonen, op één na, voornamelijk buitenlandse romans lezen, en dan vooral Engels en Amerikaans. Daaruit verklaart Parks dat er op de Nederlandse markt een strijd zou woeden tussen originele en Nederlandse edities van Engelstalige romans.
Binnen Europa zou er voorkeur zijn voor vertaalde Engelse romans. De Nederlandse lezers blijken zo goed opgeleid dat ze in Nederlandstalige teksten pas aan detailafwijkingen, die hen doen denken aan Engels of Frans of Duits, merken dat ze vertalingen lezen. Yeah right (op de omslagen van die boeken staat zeker geen auteursnaam)!
Hoe dan ook ontbolstert er volgens Parks zo een tweede bestaan. Een specifiek soort wereldwijsheid waar je de deur niet meer voor uit hoeft? Anderzijds legitimeren Parks’ lezers zich, dat ze buitengaats in ‘hét boek van het moment’ een fijn gespreksonderwerp hebben. Deze teksten geven hun het gevoel ‘deel uit te maken van een internationale gemeenschap. Op reis of tijdens contact met vreemden wordt het tweede leven reëel.’
Op hun beurt zouden Engelse lezers, die volgens Parks zelden een tweede taal beheersen, geen behoefte voelen anderstalige schrijvers te consumeren. In de Angelsaksische wereld zou nog wel de politiek geëngageerde roman in de traditie van Sartre bestaan waarmee veel auteurs ‘tot in de jaren 1970’ beroemd werden, maar die zou verdwijnen in veel Europese landen.
Tijdens de mondialisering zijn mensen, verklaart Parks, minder gaan lezen en schrijven over hun eigen leefgemeenschappen.

Parks vertelt dat in Amerika slechts 3 tot 4 procent van alle verschijnende romans een vertaling is. Ze zouden bovendien omgezet worden ‘naar eigen formuleringen en schrijfwijzen’.
Van wat die duistere aanduiding behelst heb ik sinds deze week een indicatie. Waarschijnlijk bestaat de optie al tijden, maar ik werd erop gewezen dat sommige clips op YouTube een rechthoekig icoontje hebben waarmee je ondertitels tevoorschijn kunt toveren. Het lijkt dan niet te gaan om vertalingen, maar om een registratie van het gezegde.
Zo herbekeek ik althans een fameus lang interview met Joni Mitchell uit 2013. Wat daar in het begin nog een grapje leek, was structureel: een discrepantie tussen wat er stond en wat ze zei. Alleen Joni zelf al diende zich bij momenten aan als Joanie, Joani en Jenni.
Vanuit het land van Lernout & Hauspie dacht ik toen ineens: hier zal toch geen spraaktechnologie actief zijn?
Pas verderop in het interview zette ik het beeld soms op pauze om frappante verschrijvingen te noteren. Ze kwamen in eerste instantie voor bij namen:

like Wayne Shorter > like waiting shorter
Warren Beatty > more and beatty

Hoofdletters en onderkasten betoonden zich de hele rit sowieso grillig.
Daarnaast bleek het spraakprogramma moeite te hebben met wat ik maar benoem als een aardig mondje buitenlands. Joni Mitchell, van geboorte Canadese, sprak op zulke momenten Frans en Duits:

Debussy > do Busey
Zarathustra > spec ceressus to
Nietzsche’s Ubermann > neat you Zuber man
joie de vivre > water vivre

Geen verklaring heb ik ten slotte voor één werkelijk schitterende verschrijving:

philosophical > Asafa kuzava cool

Rare jongens, die trans-Atlantici. Joni bracht het niet overal gesmaakte woord ‘filosofisch’ hooguit wat ironisch voort, met een lagere stem dan gewoonlijk.
Na een eerste kennismaking vind ik deze YouTube-dienst fantastisch. De uitvinding zorgt voor een secundaire epifanie. Ik ging althans scherper luisteren naar wat me voorgeschoteld werd. Of er zo ook een wereld voor me openging, moet ik misschien elders nog eventjes nalezen.

zondag 26 november 2017

Broodje Dubbele Standaard




‘Pietendiscussie ontspoort in Nederland’, kopte de Vlaamse kwaliteitskrant afgelopen week.
In de tussentijd liet bij de schuifdeur de gourmande voor de Sint (ook na Conchita Wurst onbetwist een man) een verlanglijstje achter: scoubidoo, gitaarhouder, een hele grote knikker, een kat, pompstep, trompet in een kist, inktwisser. Het taalkundig genie weet op haar beurt, bijna christelijk, in eerste instantie niets te bedenken omdat ‘ik alles al heb wat ik zou willen’.
Ze zijn nog jong en kijken dagelijks naar het Vlaamse jeugdjournaal dat, minder pretentieus dan in het noorden, Karrewiet heet. Ik vermoed dat het Nederlandse drama er niet aan bod is gekomen.
Hen zou ik best kunnen bijpraten over het zwartepietendebat en zijn voorgeschiedenis, omdat ik me daar een beetje in heb verdiept voor mijn nakende bestseller. Maar ik betrap me op een schandaal, want heb geen puf voor een ongevraagde uitleg.
Vlak voordat ik de tekst definitief moest loslaten, kon de variant van de ‘Spaanse edellieden uit de zestiende eeuw’ nog vermeld. En de zetter ging aan de slag waarna de reactie kwam van het Landelijk Platform Slavernijverleden waarna de Belgische staatssecretaris van Twitterzaken zijn zegje deed.
Toen wist ik dat mijn stelling helaas aan kracht zou winnen: dit debat wordt niet opgelost zolang men bij elkaar, schermend met kinderen als bewijs, een empathietekort blijft diagnosticeren.
Het zouden immers (eigen) kinderen zijn waarom in Friesland een demonstratie tegen zwarte Zwarte Pieten op de openbare weg werd geblokkeerd. En het zou uit naam van (alle) kinderen zijn dat die demonstratie, waar ook kunstenaars bij waren betrokken, Mars voor Beschaving werd genoemd.
Op een of andere manier – en welja, nu doe ik mee aan het wij-zij-paradigma – raakt het laatste me meer. Raar, want ik verdraag het amper dat Herman Vuijsje zijn kans schoon heeft gezien om na het Friese debacle zijn barricaden weer te betreden. Ben ik geraakt omdat ik van links meer zelfinzicht verwacht? Omdat ik met het standpunt van die Mars instem?
Sedert jaar en dag mijn helden in deze materie: Jerry Afriyie, Quinsy Gario, Sylvana Simons. En als tragisch personage: Sunny Bergman, de misschien wel belangrijkste documentairemaakster van Nederland.
Als geen ander weet Bergman blinde vlekken in de samenleving zichtbaar te maken. Haar kritische engagement staat buiten kijf. Maar alleen al voor mezelf heb ik bladzijden vol aantekeningen die kunnen laten zien dat Bergman per project allerlei eigen blinde vlekken etaleert.
Daarmee zeg ik niets nieuws. De moeilijkheid is wel dat hoe evident en helder de voorbeelden daar ook van kunnen worden verstrekt, ter tegenbekritiseerde zijde ongeloof in minder geslaagde kanten van Bergmans missie alles smoort.
Op dit punt vrees ik ook mijn allergie bevestigd te zien tegen Twitter. Omdat de ruimte voor argumentatie ontbreekt, kan kritiek worden weggewuifd als zijnde de zoveelste dommigheid van potentiële PVV’ers. Met wat retweets onder gelijkgestemden is dat dan zelfs een uitgemaakte zaak.
Kennelijk verwacht ik van links behalve meer zelfinzicht toch ook vooral nuchterheid. Misschien is het namelijk niet relevant om, noem eens iets, eigen argumenten te categoriseren als ‘wetenschappelijk’. Of om een actiegroep Kick Out Zwarte Piet te noemen. Tenzij men wil praten tegen, in plaats van te praten met andersdenkenden.
Ik weet niet hoe de wereld werkt, maar ik denk dat het gaat zoals Tonnus Oosterhoff het bedichtte, die het kennelijk ook niet weet:

Een boom valt op een dak
nooit zomaar
maar ook nooit met een reden

Raar, nogmaals, dat me alweer een mening besluipt: ik ben bepaald koppig (elk jaar stonden op mijn verlanglijstje een tafelbiljart en Bessy-hond bovenaan) en ik huiver van pragmatisme – en toch lijkt het me geen nederlaag om, zoals gebeurde, de naam van het project Zwarte Piet is Racisme te wijzigen in het zalvende Nederland Wordt Beter.
Een getuigenis helpt waarschijnlijk zeker om te overreden. In haar bijdrage aan het belangrijke boek Sinterklaasje, kom maar binnen zonder knecht (1998) begon Lulu Helder met anekdotes waarin zwarten werden geacht specifieke rollen te vervullen. Zo vertelde ze over een zwarte universitair docente die moet spreken op een conferentie, bij binnenkomst op een man afloopt om zich voor te stellen en van hem vervolgens zijn jas krijgt aangereikt.
Zelf kende ik dit horrorverhaal uit White Innocence van Gloria Wekker die hier het lijdend voorwerp was. Wel was ze toen pas afgestudeerd beleidsmedewerker op het ministerie van WVC en betrof het een vergadering. Ook kwam ze binnen toen de mannen al met elkaar in groepjes stonden te praten. Ten slotte vermeldde ze de reactie van de man: hij werd purperrood.
Het blijft even pijnlijk dat Wekker wordt aangezien voor een garderobejuffrouw, maar betaamt het dat ik de context geef? En vermoed dat de man wellicht de les van zijn leven heeft geleerd? Of verzacht of ontken ik op deze manier iets?
Verder vraag ik me als taalmannetje af of het zou helpen wanneer er, zoals na de Friese rel geschiedde, geen gewag wordt gemaakt van een ‘institutioneel machtsmisbruik’.
En als we dan toch even wat kosmopolitischer gaan denken, wat een vooruitgang zou het zijn wanneer het inzicht komt dat Nederland één grote Randstad annex provincie inhoudt. En wanneer de jij-bakkerij met zijn broodjes Dubbele Standaard voorgoed wordt gesloten.
‘Zal de discussie over Zwarte Piet ooit beslecht worden?’, kopte een Nederlandse kwaliteitskrant. Ik kan niet beslissen of die vraag retorisch was, maar met alle media-aandacht zouden de termen ‘vrije meningsuiting’ en ‘censuur’ niet meer ijdel mogen worden gebruikt.
Het ergste is wel is dat de meeste populariteit afgelopen week zal zijn vergaard door het standpunt om, wederom in naam van de kinderen, het debat te laten rusten tot na het feest. Dat suggereert een neutraliteit die niet bestaat – voor zover het debat dat al niet duidelijk had gemaakt.
De bal ligt in het kamp van de regering. Zou ze hebben geleerd van het communicatief mislukte, maar intentioneel lovenswaardige Pietenpact van de zuiderburen vorig jaar? Nu er zelfs een Nederlandse vlag in de Tweede Kamer staat, moeten Oranje Pieten mogelijk zijn.


zondag 19 november 2017

Voorzetselduister




Hoe komt het dat veel van de geïnterviewden in Joost Vullings’ De kinderen van Pim, politieke nazaten van Fortuyn, bij hun terugblik op het kortstondige avontuur als tegenpartij het taalgebruik in ‘Den Haag’ hekelen en daar dan vaak een zegwijze uit Rotterdam tegenover stellen: ‘niet lullen maar poetsen’?
Kennelijk zit er een kinkje in de kabel die van zender A naar ontvanger B loopt. Van Dale geeft dan een Hans van Mierlo-citaat: Het probleem in Nederland is niet dat we te veel praten, maar juist dat we te weinig communiceren’. Dus niet louter de publieke zaak van spreken is inefficiënt?
Lang geleden, toen de vissen nog Latijn spraken, keek ik als redacteur terug op de ontwikkeling van een werkwoord waarvan het gebruik in een werkbiotoop explosief was toegenomen:

‘Communiceren deed je mét iemand, in een dialoog. Inmiddels blijkt het een overdrachtelijk werkwoord, zeker in de boekenbranche. Je communiceert “iets”, ook nog “naar” iemand, in de richting van, dus. En dan, zou je zeggen, wordt het afwachten.’

Ai meneertje, ‘overdrachtelijk’ moet ‘overgankelijk’ zijn. Niet iedereen met een vakdiploma is dan ook een autoriteit, zelfs niet inzake het eigen leven. Bovendien bestond het overgankelijk gebruik van ‘communiceren’ al veel langer. Het heeft wel zo’n beetje een monopolie verworven.
Toch heb ik ergens een vermoeden wat ik heb bedoeld met ‘overdrachtelijk’, dat verwijst naar een figuurlijke betekenis.
We schreven 2004. Internet en e-mail hadden zich in dagelijkse levens genesteld, op mobiele telefoons was het middel van de sms ingeburgerd. Misschien is het raar, zeker voor late adopter als ik, om meteen die technologische details aan te brengen, maar na herlezing van Jannah Loontjes memoire Roaring nineties realiseerde ik me weer hoe ze aan taal verklonken zijn.
Loontjes, een decennium jonger dan ik, herinnert er zelf al aan dat het medium de message is. Ze laat zien wat er in de recente geschiedenis is veranderd in de omgang, in het begrip van privacy. Meestal onbereikbaar zijn! Beid je tijd als er op een afgesproken tijdstip niemand opdraaft! Mateloze brieven schrijven en herschrijven!
Communiceren richtte zich dus op een welomschreven ander als object van handelingen en beweringen. Dat bedoelde ik zeker in mijn citaat. Ook praten ging ‘met’ – of evengoed ‘tegen’ – iemand.
Dan krijgt het nieuwe ‘communiceren spatjes. De overload aan copy-paste-informatie heeft alleen een abstract publiek. In hoeverre mensen er daarin eigenlijk toe doen, in buitenconsumenteel opzicht, lijkt een vraag voor cynici.
Zelf verkeer ik door deze absorberende reductie in een voorzetselduister. Met welke woordschakel betrek ik de ander bij het postideologische communiceren?
Deze kwestie diende zich recent aan, op nog een voor mij betrekkelijk recent medium, het intranet (ik veronderstel dat mijn adoptievermogen vertraagd is door een activiteit bij het opstarten van mijn e-mailprogramma: ‘gegevensintegriteit controleren’). Op die plaats werd aandacht gevraagd voor een vacature van beleidsmedewerker in de kunst van de communicatie:

-          Je gaat actief aan de slag met de externe communicatie en wervingmomenten naar studiekiezers
-          Je vormt, in samenwerking met relevante partners, het communicatiebeleid, zowel naar gedrukte als niet-gedrukte media.

Vielen mij eerder het containerwoorden ‘momenten op of meende ik inderdaad onmiddellijk te weten dat ‘naar niet klopt? Reeds opgericht had zich in elk geval mijn hoonzintuig, inclusief notoire historische boosdoeners uit de welzijnssector. Toen vroeg me af wat hier wel een correct voorzetsel is.
Schrijven doe je ‘aan’ een specifiek iemand. Richard Sennett suggereerde dat dit bij e-mails niet opgaat omdat ze een middel zouden zijn om de ruimte voor interpretatie te beperken. Een baas deelt een bedoeling mee, en geen werknemer kan beweren daarvan niet op de hoogte te zijn. Bovendien zou het tekstbericht een onttakeld gesprek zijn, omdat er geen gelegenheid is voor twijfels of bezwaren, ironie, uitweiding, enz.
Vertellen kan volgens mij nog wel ‘aan’ iemand. Ik kan tevens vertellen ‘tegen’ een ander. Maar communicatie?
De intranetvacature deed me tegelijk beseffen dat de informatieoverload een echokamer heeft ingericht van een volstrekt homogeen discours. Onder het vereiste profiel stond namelijk:

-          Je schrijft taalkundig correct, hebt een vlotte pen

Het deel vóór de komma biedt geweldige kansen voor teksten met waarheden als ‘Colorless green ideas sleep furiously’. Helaas worden ze om zeep geholpen door wat er achter de komma staat. Dat een pen, die volgens mij trouwens nauwelijks nog gebruikt wordt, ‘vlot’ moet zijn tart elke minimale beheersing van taal.
Ik vrees dat hier ‘beeldend’ taalgebruik wordt geëist, inderdaad van een communicator, dat ooit aan kunstenaars was voorbehouden voor wie correctheid burgerlijk zou zijn. En het zou me niet verbazen dat deze functie in de plaats is gekomen van de aloude tekstredacteur die ik, al te ijdel, ooit meende te zijn. Daar was de missie om gemeenplaatsen te onderscheppen, die voor het nieuwe paradigma juist zijn gewenst.
Node ontbreekt ‘communiceren’ dan ook in het Klein lexicon van het managementjargon (2016) door Laermans, De Cauter en Vanhaesebrouck, dat het neoliberalisme dacht te fileren. Gelukkig is daar wel de ‘content’ te vinden die naar buiten moet komen.
Hoe hoog het percentage betekenis in zo’n boodschap ook precies mag liggen, helder is dat een communicator de subjectiviteit moet verlaten. Hij/zij is de bemiddelaar van een boodschap uit een consensus, na ‘constructieve’ bijdragen van collega’s, over een merk of imago.
Nu nog de status vaststellen van deze beleidsmedewerker. Laat ik er een artistiek omweggetje voor nemen. Volgens Ben Lerner moet je in poëzie ‘Walt Whitman’ tussen aanhalingstekens zetten omdat deze niet zozeer een historische persoon is geworden als wel een aanduiding voor democratisch dichterschap. Wie onder dat gesternte ‘ik’ bescheidenheidshalve inruilde voor ‘je’, kreeg van vakdiplomatici te horen dat er een ‘verhuld ik’ werkzaam was.
Maar wanneer de communicator, zoals topvoetballers dat zo mooi kunnen, over zichzelf ‘je’ zegt, dan is dat volgens mij een gevallen ik.
Tot slot richt diens zoektocht zich alsnog op een publiek. De Haagse wijsgeer F. Jacobse, van de Universiteit van de Straat, had er deze formule voor: ‘Ik ben niet ik nou, ik ben een spreker’. Dat communiceerde hij bij een oefening voor het Kamerlidmaatschap, om een punt te leren maken. 

zondag 12 november 2017

Meneertje vwo




Net nu ik door de bestandsnaam ‘def’ afstand heb gedaan van het voorrecht een boek te herschrijven, gebeurt er iets wat in die tekst aan bod had kunnen komen. Of het met identiteitspolitiek te maken heeft of met instituties of met geen van beide, weet ik eerlijk gezegd nog steeds niet. Maar feit bleef dat afgelopen week voor De Groene Amsterdammer Christiaan Weijts een standenmaatschappij heeft bevestigd in laaglandse literatuur.
Naar aanleiding van de jongste roman van Alex Boogers waren dit de frappantste passages:

‘dit soort literaire buitenbeentjes. Ik denk aan Henk van Straten, Jan van Mersbergen, Auke Hulst, Walter van den Berg… dat soort mannen. Of jongens eigenlijk. Hoe verschillend ze ook zijn, in grote lijnen delen ze dit verhaal: ze zijn opgegroeid in achterstandswijken of plattelandsdorpjes, hadden een jeugd van gebroken gezinnen, ontsporingen, vulden hun cv’s met baantjes voor ongeschoolden (…)
Ook de uiterlijke overeenkomsten zijn meer dan bijkomstig. Ze beoefenen ruige sporten, hebben tatoeages of spelen in gitaarbandjes. (…)
Ook stilistisch is hier een verwantschap: geen mooischrijverij, geen stilistische virtuositeit, maar een directheid, een rauwheid, die je volks zou kunnen noemen. Mannen van weinig woorden. De blueszangers van onze literatuur. Ironie zul je hier evenmin aantreffen als geraffineerd gegoochel met fictie en werkelijkheid. Geen diepere lagen, intertekstuele verwijzingen of experimentele vormen. We hebben hier te maken met een andere literaire familie dan de tak Flaubert-Nabokov-Couperus-Nooteboom’

Heuse chavs in Holland! Ik vind Weijts exercitie nogal wat. Academisch populisme, populistisch would-be academisme of journalistiek die de eigen tijd weerspiegelt?
‘Vroeger’ konden laaglandse literatuurgeschiedenissen periodiseren naar beroep: dominees, juristen, schilders, copywriters, neerlandici, beeldend kunstenaars, filosofen… Bij het Manifest voor de jaren zeventig, dat grof samengevat pleitte voor toegankelijkheid en heroverweging van werkbeurzen, is wel aangetekend dat hun makers niet uit een academisch milieu kwamen.
Nu gaat het echt om sociale klasse, in uiterlijkheden, met alle vooronderstellingen an sich. Aan de andere kant spreek ik zelf net zo makkelijk van een witte middle class.
En natuurlijk, de betreffende editie van De Groene vierde een jubileum door zich te werpen op het fenomeen ‘de elite’ en Weijts staat mij, die zijn romans niet ken, bij om studentikoze columnistiek, maar het is licht verbijsterend om zulke generalisaties voorgeschoteld te krijgen. Temeer daar Weijts redeneert vanuit de faketerm ‘volksschrijver’ van Gerard Reve, die toch werkelijk uit een intellectueel gezin kwam.
Zelf heb ik van de aangehaalde auteurs alleen Van Mersbergen en Van den Berg gelezen, één roman per persoon om precies te zijn. Die ik me herinner als (wat ik kennelijk beschouw als) ‘literair’.
Nog vreemder vond ik het dezelfde week in NRC dezelfde namen te zien in de hoedanigheid van ‘volkse schrijvers’, aan wie nog Dimitri Verhulst werd toegevoegd.
Goed dat – voor zover het binnen mijn gezichtsveld kwam – Jan van Mersbergen, Henk van Straten en Walter van den Berg meteen reageerden. Wel doneerden ze een portie tegenclichés:

‘die auteur van De Groene (die ook maar van werkbeurs naar werkbeurs gaat, amper boeken verkoopt en hoopt dat de mensen hem om zo’n artikel zullen applaudisseren, zodat hij zich weer heel even compleet en goed kan voelen, waarna het allemaal meteen wordt vergeten en tot stof vergaat). Zo deprimerend en voorspelbaar allemaal, zo zinloos, en vooral: zo sáái.’
Chris, meneertje vwo dat je bent
dat culturele slag dat met enge pianohandjes en vlotte zinnetjes de hokjes bepaalt’

Schaamte nam mij in bezit. Temeer daar ik onlangs uit een naslagwerk begreep dat Van den Berg de eerste blogger was die doordrong tot het literatuurwezen, wat betekent dat hij een principieel andere weg bewandelde dan via het papieren literaire tijdschrift. Ook las ik dat Hulst een exponent zou zijn van een mediacultuur waarin fictionaliteit verdrukt is door een schematisch genoemd onderscheid tussen waar en niet-waar.
Vooral besefte ik, schoolmeesterige semi-academicus, notie te hebben genomen van de zin ‘Hij sponste saus op met zijn brood en maalde het zompig geworden deeg’, uit Auke Hulsts mooie roman En ik herinner me Titus Broederland (2016), naar aanleiding waarvan ik over spellingseigenaardigheden wilde gaan bloggen.
Tegelijk zijn voor mij weinig boeken zo ‘urgent’ geweest als De lezer is niet dood van Alex Boogers, uit wiens werk Weijts in instantie zijn wijsheden haalde. Hij signaleert in dat pamflet dat er een groot potentieel leespubliek over het hoofd wordt gezien, ook voor de ‘de tak Flaubert-Nabokov-Couperus-Nooteboom’.
Volgens Boogers is er nood aan gidsen, bemiddelaars. Hij toont overtuigend dat bij ontstentenis van hen cultuur helaas culturen blijven – eilandjes waar vanaf naar overzijden wordt geblaft.
Daarin valt de treurigheid van Weijts’ bevindingen louter te historiseren. Het onderscheid dat hij maakt, komt namelijk bekend voor uit de vermaledijde jaren zeventig (die in hetzelfde Groene-nummer minstens zo voorspelbaar en a-solidair worden gekraakt). De ‘tak’ zat toen in de rugzak van De Revisor, het literaire tijdschrift dat boeken van bijvoorbeeld Nabokov bewonderde. Kroonluchters die niet kunnen branden, zei de geleerde Maarten ’t Hart.
Dus heette het tijdschrift een podium voor saaie academici. Decennia later was Van Mersbergen er redacteur. En tegenwoordig lijkt het schimmiger dan ooit wat een academicus inhoudt.
Enfin, op dit soort momenten dringt zich het gemis op van Jeroen Mettes, die overigens van Weijts een studiegenoot was.
Toevallig lees ik in het boekje Opzienbarende ontdekkingen over taal van het duo Milfje Meulskens over prototypes. Ze behandelen die aan de hand van meubels en vogels, maar in een achterafblokje staat de uitdrukking meisje-meisje die stereotiepe kenmerken van dat geslacht op jonge leeftijd blijken uit te serveren, ‘zoals een voorliefde voor roze jurkjes’.
De taalexperts vragen zich dan af aan welke kenmerken een schrijver-schrijver moet voldoen. Daar heeft Weijts hun nu op geantwoord. Maar ze hadden uiteraard ook even Engels kunnen raadplegen, in de categorie writer’s writer.
Succes niet verzekerd?

donderdag 2 november 2017

De nieuwe punk




Meyrem Almaci, partijvoorzitter van Groen, heeft een boek gepubliceerd. Het heet Respect is de nieuwe punk. Mij fascineert die titel om meer redenen.
Allereerst om het doel ‘respect’. Enerzijds roept het een oubollige witte sfeer op, anderzijds laat het, voor mij althans, zwarte topvoetballers als Davids en Seedorf aan het woord over de niet-uniforme waardering van hun prestaties.
Met ‘respect’ bedoelt Almaci ‘empathie’. Ze verklaart de vergelijking van dat doel met ‘punk’ uit een contrastwerking. Punk staat niet direct bekend om invoelendheid, dus demonstreert de vergelijking hoe bizar het is om aandacht te moeten vragen voor iets wat zo elementair is als respect.
De Spotify-lijst bij Respect is de nieuwe punk schijnt ook andere genres te brengen.
Zelf associeer ik de titel met een herpositionering van Almaci’s partij. De ten voorbeeld gestelde muzieksoort was immers anti-establishment en arbeiderisch (dat Joe Strummer van The Clash een diplomatenzoon was, lag niet zo lekker). Maar binnen het gebutste linkse spectrum is Groen in muziektermen zogezegd middle of the road aan het worden.
Ik wees al eens op de naam van het partijblad, Pesto, die een kiezerssegment uitsloot dat mogelijk wat minder gefortuneerd was. Heden heet het blad Pit. Daar kunnen zich allicht meer mensen mee identificeren.
Almaci legt uit dat identiteit voor haar gelaagd is: ‘Ik ben feministe, politica, links, dochter van Turkse migranten, Vlaming, Belg’. Ze noemt dit inzichtelijk een lasagne. Dat is toch weer een culinaire term, ook met een voorgeschiedenis, zoals een heuse Vlaamse warrior deze eeuw nog wist te melden.

Vooral valt me aan Almaci’s titel het naamwoordelijk gezegde op. De ongrammaticale uitspraak ‘A = de nieuwe B’ lijkt al tijden een trend. De Vlaamse warrior zou de beschuldigende vinger misschien wijzen naar het Engels, en komen aanzetten met een serietitel als Orange is The New Black.
De digitale boekenboer geeft ondertussen gedienstig Zitten is het nieuwe roken (2015) en Uitrollen is het nieuwe doorpakken (2016, over taal, door een eindredacteur).
Zelf vind ik de bron van Almaci’s uitdrukking de nieuwe punk niet. Mij verwart veeleer het lidwoord ‘de’, dat in België juist weg kan vallen voor allerminst onzijdige zelfstandige naamwoorden: men gaat hier naar ‘het school’.
Dus wanneer Respect nog ‘het nieuwe punk’ was geweest…
Tenzij Respect de voornaam is van iemand, die in een organisatie de permanent innoverende functie van punk vervult, een wat gemeenzame aanduiding voor punker. ‘Beste mensen, mag ik jullie even voorstellen: Respect is de nieuwe punk’.
Slechts als het om The New Black gaat, weet het Urban woordenboek dat het de principieel laatste mode betreft.

Ik vrees dat ik rond de eeuwwisseling al afhaakte na een frase waarbij in het naamwoordelijk gezegde een adjectief ook al werd verzelfstandigd: ‘***is de max’. Of zou die Pepsi-achtige uitdrukking exclusief Belgisch zijn? Dat zou precair zijn, gelet op de duistere relaties tussen de twee Lage Landen, niet het minst op talig vlak.
Zo was er recent een even prachtige als prestigieuze Atlas van de Nederlandse taal, die doodleuk beweerde dat in Nederland de Sint laat strooien met pepernoten en in Vlaanderen met nicnacjes (p. 169). Dat laatste geloofde ik niet en heb ik nagevraagd bij de gourmande: fake news! Alleen in West-Vlaanderen waar!
Mijn indruk is dat er nog altijd een sentimentele hang naar ‘sappig Vlaams’ bestaat in Nederland, wanneer ik tenminste mag afgaan op de bekroningen van de Tzum-prijs voor de mooiste literaire zin van het jaar.
Als ik zou mogen kiezen, dan Tjalie Robinsons desnoods ‘Hollands’ te noemen directheid. En hij was geeneens een Hollander, het is te zeggen, daar op KNIL-verlof geboren en meteen terug naar Indië.
Toen hij na de oorlog wel naar Holland moest, werd het vanzelf 1960 toen een gerenommeerd letterkundige, al heette hij Voeten, over een verhaal een brief kreeg van een onbekende, Robinson dus, met deze aanhef: ‘Godallemachtig Bert, Ik hoop niet dat je je gekwetst voelt, maar je valt me enorm mee’.
De overtreffende trap van directheid beluisterde ik echter in België, toen een vrouw me meedeelde: ‘Mijn man en ik zijn racisten. Pas op, niet bij negers of bij Turken, maar we zijn wel racisten tegen Marokkanen.’

Terug naar de aanjager van mijn Bergrede, Meyrem Almaci’s titel Respect is de nieuwe punk.
Dat iets ‘de nieuwe…’ heet, klinkt in mijn oren onbedaarlijk positief, voorspoedig en gunstig. Dat past bij politiek, die voor mij althans perspectief mag bieden. Alleen moet ik me sterk vergissen, of je verrast geen kip met een nonsens-stelling à la ‘Veertig is het nieuwe dertig’.
Sorry, weer geen ‘de’.
Het rare is wel dat een Google-controle op ‘het nieuwe dertig’ zeer uiteenlopende treffers oplevert. Recent onder meer een instantie die Lifehack heet, maar ook Daphne Deckers alweer bijna tien jaar geleden, in het blad Grazia.

Saai is het nieuwe sexy
Old is the new new

Naar aanleiding van een nieuwe glossy, Fab, kwam er een commentaar dat de stelling echter doorrekende: ‘Veertig is het nieuwe vijftig’. Dat had met de realiteit te maken, van zware hypotheken, werklasten, puberende kinderen, steeds uitgesteld pensioen, minieme kans op de arbeidsmarkt, enz.
Het commentaar was zo eerlijk het vrouwenblad Opzij te vermelden, dat wel degelijk de schier overmontere kop ‘Vijftig is het nieuwe veertig’ droeg. En volgens een ‘hoofdeconoom van het CBS’ wordt vijftig zelfs het nieuwe dertig.
Kenners weten het niet. Zelfs het Urban woordenboek redeneerde zichzelf klem met een ander voorbeeld:

Obama is the new black (pun intended, no disrespect to African Americans)

Ten slotte valt op dat Almaci’s boek tegelijk uitkomt met dat van Ignaas Devisch, waarin gestreefd wordt naar een werkbare onverschilligheid. Terwijl zij pleit voor meer empathie, mag empathie van hem wel een onsje minder zijn. Is empathie dus de nieuwe klassiek?