zondag 26 februari 2017

Hoor ik erbij?




Het niet-aflatende gefulmineer tegen ‘de elite’ suggereert ook dat er een code bestaat die eerst gekraakt moet voor je erbij hoort. Daarna heb je alle mogelijkheden om ‘macht’ te kunnen ontplooien.
Die code heeft gelukkig meritocratische trekjes want is vermoedelijk niet helemaal gelijk aan formele correctheid, in wat ooit etiquette beloofde. Als schoolmeester springen mij namelijk vaak taalfoutjes bij aanzienlijke personages in het oog.
Bijna ontroerd was ik bijvoorbeeld toen Zuhal Demir, toen en nu niet meteen de vertolkster van mijn gedachtegoed, haar trots op het nieuw verworven staatssecretarisschap toelichtte in een dank aan haar vader, die had gewild dat ze beter Nederlands beheerste ‘als mij’. Of zette de publieke omroep, instituut met taaladviseurs, haar in de zeik door juist dit fragment uit te zenden, zonder commentaar?
Dat zo’n alternatieve grammatica bijzaak lijkt, bewijst het highbrow tijdschrift nY in zijn jongste aflevering met een gedicht van Çaglar Köseoglu: ‘het gedood worden door een politieagent is niet de rol die ik ben toebedeeld in deze situatie’.
In hetzelfde nummer kijken Isabelle Stengers en Lieven De Cauter terug op het incident anno 2011 op het proefveld voor genetisch gemanipuleerde organismen in Wetteren. Ze achten het cruciaal voor de recente politieke geschiedenis.
Na het incident werd Barbara Van Dyck ontslagen op de universiteit, omdat zij zich als woordvoerster van de activisten weigerde te distantiëren. Protest tegen die maatregel kwam dan ook van De Cauter en Stengers. Niet van de cultuurnamen die gewoonlijk op de opiniepagina van hun tak geven. Ze bleven stil toen de complete actiegroep veroordeeld werd wegens bendevorming. Waarschijnlijk hadden ze het in die tijd te druk met relevantere verontwaardiging.
Hoewel Stengers en De Cauter toonaangevende academici zijn, hebben ze in deze affaire betrekkelijk alleen gestaan. Kenden ze de code niet?
Er bestaat een recent werkje dat onbedoeld codes aanraakt. Het vertelt, ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan, de geschiedenis van de gerenommeerde boekhandel Amsterdamse Athenaeum. De titel Is u bekend met het alfabet? verwijst naar bedoeld verschil en blijkt een antwoord van een verkoper op een vraag van klanten.
Ook Joris van Casteren, de bekende schrijver van de tekst wiens non-fictieboeken mij eerlijk gezegd onwarm hebben gehouden, lijkt de code te kennen. Hij vleit zijn opdrachtgevers met anekdotes die als ‘hilarisch’ kunnen worden gepercipieerd, vol details die voor ‘sprekend’ zullen doorgaan.
Zelfs maakte het boekje gerucht. Dat een beschreven collega ‘geen gêne’ zou kennen, leek na diens publieke reactie misschien meer op Van Casteren zelf van toepassing. Al was het omdat hij het betreffende verhaaltje door een ander liet vertellen, zekerheidshalve in de directe rede.
Om het boekje op waarde te schatten, moeten lezers in dat oordeel dus de codes volgen. Zo blijk het ‘keurkorps’ van het personeel alle vrijheid te krijgen om hun specialismen zelf in te richten ‘tenzij iemand een boek van Diederik Stapel of René Diekstra bij de kassa legt’.
Wat een fraai staaltje goede smaak, in het voetspoor van de publieke opinie!
Ofschoon ik niet houd van theorieën over ‘hoe het werkt’, illustreert een wat langer citaat perfect een code. Van Casteren is dan met winkelchef Herm Pol op een halfjaarlijkse boekenbeurs in Houten:

We schuiven aan bij de kraam van New Book Collective, een commerciële dienstverlener voor boekenuitgevers, zo legt de oprichter ervan uit. Hij heeft een ringbaardje en neemt met ons de folder door van de Vlaamse  uitgeverij Polis, die door zijn Collective in Nederland wordt  vertegenwoordigd.
De oprichter prijst een boek aan van Karl van den Broeck, zoon van de in België niet onbekende auteur Walter van den Broeck. Het gaat over een bepaalde indianenstam waarvoor Karl diepe sympathie heeft opgevat, en de ondertitel luidt Op zoek naar het kruis van Sitting Bull. Pol vindt het een vreemde ondertitel. ‘Het kruis van Sitting Bull?’ ‘Nou, eh, in Vlaanderen heeft het die connotatie denk ik niet zo,’ zegt de oprichter.
Meer belangstelling hebben we voor Van onzen correspondent. Journalistiek werk van Willem Elsschot, bezorgd door C.J. Aarts, dat eveneens bij Polis zal verschijnen. ‘Dat nemen we’, zegt Pol verheugd.

Salonpopulisme uiteraard, maar waarin precies stemt zo’n fragment me moedeloos?
Om te beginnen de beschrijving van New Book Collective als een bizarrerie, waarvoor het ‘ringbaardje’ een knipoogbewijs wil zijn. De branche is door megaspelers en daarin acterende auteurs als Van Casteren namelijk zodanig naar de vaantjes geholpen, dat ex-werknemers in bedrijfjes als deze hun expertise ten dienste stellen van onafhankelijke spelers.
Vervolgens de zelfgenoegzame blik op anderen. Wie is Van Casteren dat hij Walter van den Broeck ‘in België niet onbekend’ noemt? En waarom zo schamper over diens zoon, die nochtans in hetzelfde vak zit als Van Casteren, zij het langer? Het hier bespotte boek zit in diens non-fictie-niche.
Ten slotte weigert Van Casteren manifest zich te informeren. Dat hij niet opzoekt van welke ‘bepaalde indianenstam’ Sitting Bull opperhoofd was zal de meesmuilendheid over de ondertitel van een boek extra cachet geven.
Ongetwijfeld heeft er op de beurs de catalogustekst gelegen, die wel een halve minuut leestijd vergt. De verklaring staat mede tussen hemeltergende aanhalingstekens:

Sitting Bull verpersoonlijkt het mysterie dat rond de Indianen hangt. Een van de weinige blanken die het vertrouwen van het legendarische opperhoofd genoten, was pater Pieter-Jan De Smet, een jezuïet uit Dendermonde die de Indianen kwam redden. (…) Als kind speelde Karl van den Broeck de overwinningen na die Sitting Bull behaalde op generaal Custer. (…) Als journalist begreep hij al snel dat niemand zit te wachten op artikels over de Indianen. Hij putte moed uit de ontdekking dat vanuit zijn geboorteplaats Turnhout een vermetele poging werd ondernomen om de Indianen in de VS te behoeden voor uitroeiing, en hij begon aan een “kruistocht” die hem moest leiden naar het crucifix dat Sitting Bull kreeg van de Belgische “zwartrok” pater De Smet.’

Het erge is dat het boek waarvoor ‘we’ wél belangstelling hebben een voorspelbare auteur én samensteller kennen. Wat een geloogd vakmanschap vraagt die code! 

zondag 19 februari 2017

Het Drama Van De Zwevende Kiezer (vijf bedrijven, haast zonder pauze)


  
In Vijftig tinten grijs staat: ‘Ik werd zo rood als het communistisch manifest!’ Dubravka Ugrešić citeerde het. Jezus, wat klinkt dat snobby. Speel anders gewoon nog een keer dat liedje Pappie loop toch niet zo snel.

Desgevraagd sta je altijd open voor je eigen mening. Peil haar maar.

‘Ach, kun je anders misschien even op de plattegrond een kruisje zetten bij de Gulden Middenweg?’

Ook uit esthetisch oogpunt is het onslim dingen onder het tapijt te vegen. Dat geeft bobbels.

Susan Neiman observeerde: ‘Wanneer ze gedwongen worden te kiezen tussen simplificatie en cynisme, neigen hoogopgeleide mensen meestal tot het laatste.’ En hoezo mag je je stemmingswisselingen niet cumuleren? Godallemachtig, wie zegt dat nu helemaal?

zondag 12 februari 2017

Dat ie in een boog gaat



Niet ga ik het hebben over golden showers, omdat ze leiden naar een luidruchtige meneer over wie al meer dan genoeg wordt gezegd. Zoals een student onlangs bewonderenswaardig pertinent schreef: er moet onderschijt blijven. Maar ze horen wel in een tijd.
Ik vraag me bij al dat zo gretig als ‘uitgelekt’ betitelde materiaal waarvan juristen die Plasman heten beweren dat ze er helemaal klaar mee zijn, waar ik precies naar moet kijken als ik wil wegkijken.
Slavoj Žižek stelde in Event dat het niet zozeer de privésfeer is die verdwijnt onder het geweld van sociale media, als wel de openbare ruimte.
Tegelijk is die uitsortering van het ongelijksoortige voor mij de kortste definitie van poëzie. Ik ervoer ze als kind bij het beluisteren van ‘24 rozen’ van Toon Hermans:

16 stille nonnetjes op ouwejaar
2 aanstaande moeders en een ooievaar
1400 doppers in een blik
9 hiks van iemand met de hik
En 7 babyfoto's op een schouw
En 24 rozen, 24 rozen, 24 rozen voor jou.

Destijds was ik van het lied ontroerd, nu vind ik het sentimenteel, misschien wel katholiek. Hoe dan ook is het essentieel voor het idee van wat voor mij poëzie behelst, een opsomming van verschillende grootheden die een gelegenheidscoalitie aangaan.
Onovertroffen volgens hetzelfde procedé was een decennium of wat later ‘Ballen in me buik’ van De Vieze Man.

Een heel gezin die allemaal hamburgers lopen eten
Twee hebben d'r in de poep getrapt, dat ze 't nog niet weten
En zo, met hun hoofd voorover, tegen ketsjup op hun goed
En hoe de koningin soms kijkt, onder vandaan haar hoed
Maar ook vaak bij een ingooi, dat hun broekie zo omhoog gaat
Of dat je recht moet plassen, maar dat ie in een boog gaat

Het wordt wel wat lastig als het ongelijksoortige als argument gaat gelden. Helemaal als het gepaard gaat met kwantiteit. Of wordt het non-verband gewoon waar wanneer het maar vaak genoeg op zoveel mogelijk plaatsen onbeschaamd herhaald wordt?
Žižek kaderde dat ongesorteerde exhibitionisme in een ideologie die het hedonistische met het boeddhistische wist te combineren. ‘Verwezenlijk jezelf! Experimenteer! Wees tevreden! Doe wat je wilt met je leven’.
Vormen die levens tezamen de humus voor een wereldgedicht? Daarvan ken ik er, uit mijn geboortejaar, alvast eentje. Het schoot me te binnen bij het overlijdensbericht van Al Jarreau. Het komt uit de opera die inmiddels musical genoemd wordt:

Cream colored ponies and crisp apple streudels
Doorbells and sleigh bells and schnitzel with noodles
Wild geese that fly with the moon on their wings
These are a few of my favorite things


zaterdag 4 februari 2017

Welke paden wij nog gaan betreden


Met een muisklik stuit ik op het bericht dat Wilders uitzonderlijkerwijs een eerste exemplaar in ontvangst heeft genomen. De auteur zegt blij te zijn en heet Joost Niemöller. Mijn hart slaat even over.
Natuurlijk, het was me niet ontgaan dat zijn overtuigingen verschoven waren. Maar hij blijft auteur van Over de muur en redacteur van het literaire tijdschrift De XXIe eeuw. Daarvoor moet ik de klok dus vijfentwintig jaar terugdraaien, de Muur was net gevallen.
Ik kende zijn refrein dat zogeheten politiek correcte mensen domweg niet willen weten of zien. Dus mijn laat-maar-reflex vorig jaar, op het bericht dat Niemöller een boek over de bejegening van Hans Janmaat en diens Centrumpartij had geschreven, was prototypisch.
Toch heeft het me nog vele weifelingen gekost. Maar ik heb het gelezen! En blijf verdrietig.
De verschrikkelijke Janmaat. Nederland en de Centrumpartij bevat ontelbare verhalen en anekdotes over wat een rabiaat politicus vooral in de jaren tachtig tegemoet rolde.
Een idee achter het boek is dat wat Janmaat toen bij tijd en wijle uitkraamde en waarvoor hij heftig bestreden werd, klein bier is vergeleken met wat Wilders nu meerdere malen per dag de wereld in brengt.
Dat valt onmogelijk te ontkennen.
Hooguit vangt de antenne voor racisme inmiddels veel meer op en lijken die geluiden alles zodanig te overstemmen, dat andere misstanden minder aandacht krijgen. Vanmorgen was op de publieke radio een verhalende reclame voor een autoverzekering, waarin volgens het banaalste stereotype een vrouw achter het stuur zat.
Aan het eind van zijn boek verklaart Niemöller dat Janmaat hem middelmatig en incompetent toeschijnt. Toch is het volgens mij verdedigbaar dat de hoofdthese van het boek luidt: de betweters waren erger.
Voor die these valt volgens mij één fragment in te zetten. Het betreft een transcriptie (p. 140-143) van een huiveringwekkend interview met Janmaat door Stan van Houcke. Dat had plaats voor Radio Stad Amsterdam, in 1980, met een paar collega-journalisten. Ik heb nooit zo geloofd in het gemekker over morele superioriteit van ‘politiek correct’, maar dit is erg:



Aldus blijkt ook Henk van Hoorn zich ooit te hebben laten gelden. Hij had een vraag gesteld aan Janmaat en tijdens diens antwoord schakelde hij terug naar Hilversum. Zo is deze mediacoryfee ‘nog tijdenlang de held geweest in het café’.
Plaatsvervangende schaamte voor deze dapperheid.
Waarom raak ik desalniettemin niet doordrongen van wat ik voor Niemöllers centrale these houd? Ik vermoed dat mij vrij spoedig niet zozeer verontwaardiging bekroop als wel tristesse.
Janmaat heeft als student politicologie bijvoorbeeld niet meegedaan aan de legendarische Maagdenhuisbezetting. Hij ging alleen kijken wat er aan de hand was en net toen werden de deuren gesloten en kon hij geen kant meer op (vgl. Doeschka Meijsing die toen boeken uit de bibliotheek wilde).
Of deze. Op bezoek bij collega-centrumdemocraat Vreeswijk neemt Janmaat stiekem twee appels uit de fruitschaal en steekt ze in zijn tas.
Of. Janmaat spant een proces aan tegen zijn oude middelbare school, die hem liet weten niet welkom te zijn op een reünie, ondanks het feit dat hij de vereiste 17,50 al betaald heeft.
Door die intreurige anekdotes raak ik afgeleid. Ik sta niet meer scherp wanneer er morele mist door het boek trekt. Zoals wanneer Gijs Schreuders op de Utrechtse School voor Journalistiek met ontslag dreigt als er in 1997 bij een andere lesgroep Janmaat voor een debat uitgenodigd wordt – en van de directeur zijn zin krijgt, wegens ‘veiligheidsproblemen’.
Plus een column van Jan Blokker daar weer over, met een onvoorstelbare arrogantie: ‘Je inviteert een geestelijke kneuzing, uit wiens enigszins scheefhangende mond door niemand ooit een argument is gehoord…’ (ook Joost Zwagerman heeft zich verbaasd over toon en zede van iemand die als grootheid werd beschouwd en die de Volkskrant gebruikte als openbaar toilet).
Helemaal idioot, ranzig enz vind ik dat in 1993 Bono bij een U2-optreden in het Goffertpark voor 54.000 mensen het telefoonnummer van Janmaat genoemd en gekozen blijkt te hebben, en hem toegezongen ‘I just called to say I love you’.
Maar op het moment van kennisname daarvan was dit even professionele (toegankelijk, vaardig) als amateuristische (dik, onevenwichtig) boek voor mij al komisch geworden. Ik vrees dat ik een slecht mens ben, te hebben gelachen met de niet-aflatende ellende van een ander.
Nu nog twee passages uit De verschrikkelijke Janmaat wegens Niemöllers overtuiging dat hij tenminste de wereld, hoe onwelgevallig ook, laat zien zoals deze is.
Hij beschrijft op pagina 204 een etentje bij Willem Oltmans, waar de wat aristocratische CP-denker Henry Brookman kennismaakte met Adriaan van Dis (en Max Pam). Bedoeling was dat Brookman zou worden uitgenodigd in het fameuze televisieprogramma, maar dat zou de presentator niet hebben aangedurfd. Bovendien: ‘Pam en Van Dis zijn types die alles al weten en niet werkelijk openstaan voor nader onderzoek’.
Hier staat in een noot een bronvermelding bij: ‘Oltmans, Memoires 1980’. Maar in dat jaar bestond Hier is… Adriaan van Dis nog niet. Dat programma begon in 1983. Wel zou Oltmans daar zelf in 1985 geïnterviewd worden, nogal memorabel.
Dan vanzelfsprekend een gedicht. Hans Janmaat schreef het en stuurde het in 1981, op een vakantiekaartje uit Venetië, naar de partij-advocaat Van Heijningen:

Welke paden wij nog gaan betreden
Een zaak stemt wel zeer tevreden
De CP heeft aan haar kant
De sterkste pleiter van het land

Ik citeer het gedicht naar het handschrift op de binnenflap van Joost Niemöllers boek. In de lopende tekst citeert hij het kwatrijn zelf, maar het accentje in het eerste woord van de tweede regel bespeur ik niet in het origineel. En in plaats van ‘pleiter’ zet Niemöller ‘advocaat’.
Enfin.
Ook hier tristesse trouwens, mede omdat de dichter zijn pennenvrucht signeerde als ‘drs J. Janmaat’.
(Of was dat toen, vlak voor de tweefasenstructuur, nog net aanvaardbaar? In het artistiek te noemen deel van Nederland bestonden in 1981 in mijn herinnering Drs. P, Drs. Loek Brons en Drs. Ed Populier).

zaterdag 21 januari 2017

Empty talk



De berichten blijven komen, ditmaal even uit Nederland. Het jaar 2017 had zich amper op gang getrokken toen een vijftienjarige scholier na pesterijen met fictieve accounts vond dat het voor hem genoeg was. Bij mijn weten niet gecontextualiseerd, en zo totaal hulpeloos, was het nieuws over een leraar wiskunde die van een gymnasiumdak gesprongen was.
Het zal vroeger, toen Old McDonald alleen nog een farm had, allicht ook zijn voorgevallen. Maar op deze schaal?
Onze hartenbrekertjes zitten op een school die deelneemt aan een KiVa-project tegen pesten. Het bleek een sympathiek idee te herbergen uit Finland waar het sinds 2009 in werking is. De basis, zo werd een tijd geleden op een voorlichtingsavond uitgelegd, is solidariteit. Niet de gepeste hoeft zich slachtoffer te voelen, maar de hele groep wier eenheid wordt verstoord.
Wow.
Nu de geschiedenis leert dat Amerika terug aan de Amerikanen wordt gegeven, lijkt het me een aardig moment om dit idee van een paar kanten tegelijk te bekijken. In zijn inaugurele rede pleitte Trump namelijk voor (de pursue van) ‘solidariteit’. Andermaal begreep ik zijn betekenis niet, gelet op de context. Ondanks dat hij had verordonneerd, ter plekke, dat de tijd voor ‘empty talk’ voorbij was.
Misschien heb ik het allemaal niet goed begrepen, omdat de gourmande me simultaan met geknuffel, woede en vleierij aan het bewerken was om door te zappen naar Ghost Rockers. Ze vroeg zich trouwens af of die meneer een Marokkaan was met geverfd haar.
Volgens het KivA-project uit solidariteit zich in daadwerkelijke actie. Dat is nog geen sinecure. Namelijk: niet meelopen. Wel: gezamenlijk in opstand komen tegen onrecht, zelfs als dat wordt gepleegd door een schijnbaar sterkere (die volgens KiVa ook zorg verdient, veeleer een probleemgevalletje zijnde).
Dat meelopen... In haar roman Malva last Hagar Peeters een gesprek in waarin Socrates met de geëngageerde dichter Pablo Neruda van gedachten wisselt naar aanleiding van zijn gehandicapte dochter. Hij stopt het meisje namelijk weg, geheel tegen de principes van zijn poëzie, waar solidariteit het begin van alles is.
De dichter geeft eerst een jij-bak: Socrates heeft door zijn vrijwillige dood per gifbeker zijn eigen kinderen evengoed in de steek gelaten. Maar volgens de filosoof zouden zij pas hebben geleden onder hun vader, wanneer deze zich een lapzwans had betoond.
Vervolgens erkent Neruda dat, conform zijn poëzie, zijn dochter evenveel recht had op een rechtvaardige behandeling als niet-zieke mensen, maar vermeldt graag dat zijn gedichten slechts intenties laten zien, en dus geen uitkomst garanderen.

zondag 15 januari 2017

High Five



Het blijft jammer dat Obama pragmatiek liet overheersen en met zijn veranderingsagenda pas in het zicht van de finish begon te versnellen. Er valt meer kritiek op de marathon van zijn beleid te bedenken. Maar altijd stond de wind principieel tegen.
Wat de Republikeinen acht jaar lang tegen de president hebben gedaan, tart elke verbeelding. Als hardcore punkers gedroegen ze zich. Ze ontplooiden, met een term van Abou Jahjah, destructief radicalisme. Normaliter zou er dan van alles in elk geval moeten veranderen. Maar de Republikeinen bliezen hun tegenwind juist voor het behoud van wat Abou Jahjah, hulpeloos, noemt ‘de status-quo’.
Met inbegrip van die tegenkrachten valt er over Obama veel lofwaardigs te vertellen. Ik blijk de laatste weken niet de enige die nog een pluspuntje naar voren schuift: de concerten op het Witte Huis.
Daar zat de verklaarde muziekliefhebber die de president zou zijn niet alleen publiek te wezen, hij bewoog ook echt in de maat! Net als vrouwlief, die de teksten van Stevie Wonder tot en met Missy Elliot bovendien uit haar hoofd kent.
Of komt deze opluchting vooral voort uit een contrast? Ik denk meteen aan Bill Clinton, die bij de geringste trilling bewoog als een ledenpop. Ook leek hij fan van Fleetwood Mac. Het in gebluste wanhoop en escapisme geschreven ‘Don’t stop’ begeleidde althans zijn campagne. Bovenal wist Clinton – net als Hans Dijkstal – geen fatsoenlijke toon uit zijn met liefde geëtaleerde saxofoon te krijgen.
Ik kan het me niet voorstellen dat Clinton bij een funknummer op het podium komt en in de correcte ritmiek subsidies aan kunst aanbeveelt. Laat staan dat zo iemand muzikanten trakteert op high fives en omhelzingen.
Het contrast geldt uiteraard ook de gevreesde toekomst. Velen, inclusief ikzelf, vonden het bizar uitgerekend bij Trump ‘You Can’t Always Get What You Want’ te horen. Iets te slim vindt Bas Heijne in Onbehagen die muziekkeuze logisch, omdat Trump sowieso niets aan de werkelijkheid verplicht zou zijn.
Inmiddels gaan er erg gretig geruchten over artiesten die weigeren de inauguratie luister bij te zetten. Alom vliegen clichés én zogenaamde nuanceringen over countrymuziek in het rond. Misschien toch maar de vooroordelen inslikken en gewoon even wachten wat Trump de ether in slingert?
Met nog een andere president bestaat er bovendien een aantoonbaar contrast. Er zijn beelden van zo’n wittehuisconcert onder Nixon, door de Ray Coniff Singers. De president leidt het gezelschap met een zeldzaam gevoel voor zelfkennis in dat zijn smaak ‘burgerlijk’ (square) zal zijn.
Desondanks werd het een legendarisch optreden, door de onverwachte interventie van een zangeres die Nixons Vietnambeleid aan de orde stelde.
Zit een muzikant bij Obama dan altijd safe? Mij vermoeien zo onderhand de beelden waarop de president weer eens traantje wegpinkt. Maar ik wil mijn wantrouwen opschorten.
Hij is eveneens te zien in betovering door wat toch de zoveelste versie door Aretha Franklin moet zijn geweest van ‘Natural Woman’. Ook de maakster, Carole King dus, was aangedaan en de zangeres, achter de vleugel begonnen met een bontjas aan, wierp bij het laatste refrein alles van zich af.
Op zijn beurt volhardde Obama in zijn slotrede met het verbindende ‘Yes, we can’, naar Allen Toussaint. Kortom, een funky president? Dat zou pas een griezelig cliché zijn: met zwart is het goed dansen.
Wel heb ik na Hiatus Cayote nog een ontdekking gedaan die ‘mijn’ jazzrock uit de jaren zeventig alsnog weet op te rekken: Jacob Collier. Zelfs de aandoenlijk stramme voetjes van Eleanor Rigby krijgt hij van de vloer.
Een jonge witte jongen die in zijn blik al iets van de waanzin van de congeniale Jaco Pastorius heeft. Vanwege die belachelijke observatie is het dus echt beter te zwijgen. Have pity on the working man.

maandag 9 januari 2017

Melktanden onder een kussen



Gepiekerd over een motiverende openingsposting in het nieuwe jaar, over het vak en zo. Misschien is dat idee verkrampt, omdat met het groeien der jaren de afstand toeneemt tot de talenten die het maken. Literaire tijdschriften vragen alleen nog om abonneegeld.
Verleidelijk me te verliezen in gedachtes over dat het ‘in mijn tijd’ op een of andere manier beter was, ambachtelijk, ethisch, enz. Het is een gratuite vergelijking omdat me zowel toen als nu het overzicht ontbreekt. Nu hooguit nog meer.
Graag wil ik blijven kunnen streven en vertrouwen. Ik spiegel me aan het taalkundig genie dat haar geloof in Sinterklaas dan wel heeft opgegeven, maar de tandenfee nog onverminderd in haar systeem bewaart (ten koste van dezelfde portemonnee).
Ik zag het eerste deel van de televisiereeks De prijsvechter, die de wassende ongelijkheid door de globalisering toont aan de hand van koopgedrag. Aanleiding zijn ‘als paddenstoelen opschietende’ winkels met nepsnuisterijen voor maximaal 3 euro, gemaakt ‘in het verre Oosten’. Behalve leerzaam was de uitzending wat mij betreft sympathiek omdat de presentatoren hun geïnterviewden intact lieten in hun soms discutabele gedrag en opvattingen.
Door mijn nostalgische stemming vroeg ik me af of er ook poëzie bestaat die snuisterend valt te noemen. Grasduinend door aantekeningen stuitte ik op Finse meisjes, het veelbesproken debuut van Kira Wuck. Nadat ik het eindelijk gelezen had, bleek het meest aan de bundel bijgebleven te zijn de biografische informatie: ‘is half Fins, half Indonesisch en groeide op in Amsterdam’. Dit oogt tenminste als exotisme.
Toen ik dat schreef wilde ik niet arrogant klinken, en nu nog niet.
Kira Wuck gaf mij de indruk wel wat te kunnen. Het werkwoord ‘plakken’ kwam meer dan eens voor. Maar was deze poëzie conform de biografische informatie oninwisselbaar?
Dit gedicht:

Je kan heel vrolijk kijken zonder te glimlachen
zei de ambtenaar terwijl hij mijn pasfoto keurde
het stelde me gerust

Wat is het ergste wat je gedaan hebt, vroeg hij
Een konijn vergeten uit de zon te halen
ik wist niet meer of het expres gebeurde
wel dat de kamer naar verkoolde worst ging ruiken

Ik legde mijn melktanden onder een kussen
maar kreeg er nooit een knaagdier voor terug

Na De prijsvechter denk ik dat het knaagdier niet van vlees en bloed geweest zou zijn. Discountwinkels bieden er ontelbare kunstvarianten van. De gourmande slaapt er momenteel met twee, maar houdt er, weet ik uit nachtelijke verschoonsessies, zevenentwintig in reserve. Deze ‘knuffels’ kosten amper iets.
Terzijde. Is er iets in dit gedicht dat ik niet elders heb gelezen? Toch zou ik nieuwsgierig zijn naar de ontwikkeling van Wuck, want dit werk oogt minder universeel dan Hollands: navel als centrum, familie- en liefdesverhoudingen en barsten daarin, de schrijven-is-schrappen-techniek, zachte ironie.
Hollands is tevens dit commentaar, zeker wat betreft die nieuwsgierigheid. Er is inmiddels meer van Wuck gebundeld, proza, en daar heb ik geen blik op geworpen.
Wanneer het gaat om de aanstichters van de globalisering, dan wijzen vingers snel naar Thatcher en Reagan. De prijsvechter noemde dat duo ook, maar liet historische beelden zien van hun voorganger Jimmy Carter die in 1979 een akkoord sloot met Deng Xiaoping, als gevolg waarvan we al die troep zouden inslaan.
En dan ben ik al vertrokken naar iets anders, van de gerenommeerde vertaler Hans van Pinxteren, tevens dichter, in Spiegeling voorbij de weg. Een kleine twintig jaar geleden las ik die bundel, zijn zevende, en bleef mijn oog hier haken:

Het kind springt, springt
naar de vogel op. De vogel
rukt aan de lijn in de hand
van een oude man.

De gebogen man
houdt van hem, streelt hem,
houdt hem buiten bereik
omhoog in de wind.

Haalt hem aan, koestert hem:
zijn arend is een goede vlieger,
ja zo is zijn arend zijde,
de vleugels zijdezacht.

Maar het kind springt hoger:
langzaam loopt de grijze weg
over het plein. In de wind
rukt de vogel aan het fijne touw.

Ach, het is avond. Aan de hemel
spuwen draken uit vuren monden,
de staarten ladders tegen
lichtend groen. Wijder nog spreidt

de arend de vleugels. En rukkend,
reikend, zich ontvouwend
klimt hij, huiverend in de wind,
uit de hand van de meester op

Destijds heb ik geprobeerd dit gedicht te analyseren. Eerst voor een literair tijdschrift, later in bewerkte versie voor een essaybundel. Nu mag ik me de gelukkige eigenaar noemen van een bibliofiele uitgave: Vogels, Vlinders en andere Vliegers. De maker verklaart amper nog te vertalen, en nog altijd gedichten te schrijven.
Melancholisch word ik van die mededeling, en vreemd gelukkig.
In dit boekje staat het vliegergedicht eveneens, met twee veranderingen. Er is bezuinigd op de interpunctie. Met name punten hebben het veld geruimd, af en toe een komma in de plaats. Dit veroorzaakt minder hoofdletters. Maar de grootste wijziging betreft een toevoeging. Het gedicht heeft namelijk een titel gekregen: Op Het Tiananmenplein
Wat lees ik nu? Het Plein van de Hemelse vrede? Onmogelijk om dan niet te denken aan de studentenprotesten van 1989, aan de hoeveelheid slachtoffers die het regime toen aanrichtte en aan de man met de witte plastic zak die een rij tanks staande hield.
Laat Van Pinxteren door die intertekst van de wereld het verhaal niet dramatisch aflopen? Groei en verandering, ze lijken onbeheersbaar. De vlieger met arend is nog van zijde, dus zal een duit meer hebben gekost dan de Action biedt in plastic varianten met neonstrips.
In een symbolische lezing kan de vlieger een ideaal vertegenwoordigen, onder het in China regerende communisme dat van gelijkheid. De oude man annex meester wordt dan het regime en het kind de burger.
Het idee van De prijsvechter luidt dat we met onze impulsen tegenover spotgoedkope tinnef onze eigen wereld aan het vernietigen zijn. Maar het kind doet niets ander dan vergeefs springen, alsof hij degene is die aan het touwtje zit. Het kan toch niet zo zijn dat idealen zo vanzelfsprekend verdwijnen, als de spreekwoordelijke dief in de nacht?
Ik voel me geloof ik te jong om me daar in 2017 bij neer te leggen.

zaterdag 31 december 2016

Really?


Er is veel gezegd en geschreven over de popmuzikale sterfgetallen die in 2016 te betreuren vielen. Aangezien het hier gaat om een gemeenschapscheppend specialisme dat met de babyboomgeneratie pas waarlijk verbreid werd, zal deze weemoed nog wel even aanhouden. Raar idee, dat er, nog los van hun managers, ooit geen Beatle meer op aard’ zal rondlopen.
Wel heeft ieder uiteraard zijn gevoeligheden. Dat op eerste kerstdag George Michael overleed deed mijn temperatuur minder stijgen dan dat Alphonse Mouzon hetzelfde op dezelfde dag gebeurde.
Terugkijken, selecteren, generen.
Prince was natuurlijk hors categorie, maar tot zulke gouden doden hoorde naar mijn gevoel zeker Maurice White. Net als Muhammad Ali blijkt hij ‘Stand By Me’ te hebben gecoverd.
Vanuit mijn jarenzeventigmanie rinkelden er ook bellen bij het nieuws dat Rod Temperton was overleden. Aan het zalig stompzinnige liedje ‘Girls’ van Moments & Whatnauts uit 1975, dat ik op een of andere manier associeer met het decennium, werkte hij bij live-optredens mee.
Hij was de auteur van ‘Star of a Story’ en dé man achter Heatwave. Pas na Tempertons dood dringt tot me door dat ‘Always And Forever’ van die band was. De grootste hit van Heatwave bleek ‘Boogie Nights’. Maar die baslijn kwam me wel erg bekend voor, van Michael Jackson. Totdat ik begreep dat dit ‘Off The Wall’ ook van Temperton was en hij dus autoplagiaat pleegde.
Weinig later kwam ik door het overlijden van Lydia Tuinenburg op het spoor van de megahit Send Me The Pillow’ door Lydia & The Melody Strings, op de rand van 1959/1960. En dat liedje, zelf een cover, brengt me bij een liedje uit mijn jeugd, ‘Ik lig op mijn kussen stil te dromen’ van het legendarische duo Hepie & Hepie.
Ik had dit kunnen weten uit het prachtige project De Cover Top-100 van Vic van de Reijt (2001). De Nederlandstalige bewerkingen van meestal Engelse liedjes stammen bij hem hoofdzakelijk uit Nederland. Hadden generaties Belgische zangers – van Wim De Craene over Louis Neefs naar Zjef Vannuytsel tot Wannes Van de Velde – zich beperkt tot eigen werk?
De vraag stellen is hem beantwoorden. De eerste die me te binnen schiet is Jan De Wilde, met ‘Naakte Man’. Maar dat nummer kwam na Van de Reijts sluitingstermijn. En eigenlijk is mij ‘Naked Man’ door The Pilgrims dierbaarder; die de oorspronkelijke taal handhaafden en dus niet mogen meedoen.
De schrijver van dat nummer, Randy Newman, raakte opnieuw binnen mijn blikveld door de televisieserie Treme. Daar was een rol weggelegd voor zijn ‘Louisiana 1927’, dat ik ooit voor een draak van een nummer hield. Het verwijst naar een ramp in een arme staat die ook weer niet op het repertoire van iedereen staat.
Van de Reijt ruimt wel plaats in voor Raymond van het Groenewoud. Prompt gingen mijn gedachten naar een variant van de cover: de herneming annex bewerking van een eigen nummer. Met ‘Vlaanderen Boven’ deed Van het Groenewoud het zelfs tweemaal. In 2002 steeg daarover het eerste gemor op. De recente versie van ‘Vlaanderen Boven’ liet pas echt een rioolput opengaan over multiculturalisme en politieke correctheid.
De alomtegenwoordige terugkijkcultuur in ronde getallen liet me kennismaken met de naar verluidt allereerste punksingle, uit 1976: ‘New Rosie’ van The Damned. Het liedje begint met de van ongeloof puilende vraag ‘Is she really going out with him’. Was dat twee jaar later niet de titel van een hit van de hyperbewuste zanger-componist Joe Jackson?
En door een piepklein instrumentaal fragment uit de film Boyhood realiseerde ik me pas dat de melanchool trekkende gitaar in ‘Band on the Run’ (Paul McCartney & Wings) uit 1974 even later is gekopieerd door niemand minder dan Peter Maffay in ‘Und Es War Sommer’ – een nummer dat in Nederland meer renommee heeft door Rob de Nijs’ coverversie ‘Het werd zomer’.
Dat er dus ooit geen Beatle meer zal rondlopen, krijgt geen vat op de eeuwige levensdrift van muziek die ertoe doet. Een vrolijk stemmende vaststelling, waarop minstens gezongen mag worden.

dinsdag 27 december 2016

Een aantal treetjes lager



De literaire industrie bood op de valreep van 2016 een raar soort goed nieuws: de Lezeres des Vaderlands stopt. Wekelijks dus geen tabellen meer met de manvrouwverhouding in boekrecensies. Hoe opgetogen ik me ooit toonde dat het project was gestart, zo opgelucht voel ik me dat het eindigt.
Zekerheidshalve een voorbehoud bij deze en volgende beweringen: de Lezeres opereert vanaf Twitter en Facebook en blog, en die middelste mediapoot is mij onbekend. Ook weet ik niet of wie de Lezeres is/zijn.
Dat ze structureel één aspect uit de literatuurkritiek natelde, vond en vind ik belangrijk omdat elke orde onvermijdelijk ethisch is. Kiezen voor A betekent het sneven van B. De Lezeres des Vaderlands bewees dat in slimme, joehoe-vaardige teksten. Ze waren gelukkig ook betrokken bij wat er in de samenleving gebeurt. Misschien is het daar vreemd genoeg misgegaan.
Dat literatuur wordt doorgetrokken naar schier onbeweeglijke maatschappelijke fenomenen juich ik alleen maar toe, maar het lijkt net of De Lezeres de stiel van onderzoeker inruilde voor een duobaan van aanklager en rechter.
Volgens mij zoog het genderproject te veel thema’s aan: eurocentrisme, etniciteit, (geciteerd) racisme… Dat ze op de agenda staan, vind ik geweldig. Dankzij het debat over Zwarte Piet gaat de laaglandse blik naar wat details leken of tradities zonder haar in de boter. Hoe bewust is de kijker annex getuige van een andere lading? Waar verandert vanzelfsprekendheid in schaamte?
Uit debatten tijdens de legislatuur van de Lezeres herinner ik me een tafereel op de Gouden Koets, in de Keukenhof een beeld van een negroïde vrouw wier armbanden op ketenen leken, in de Efteling een Monsieur Cannibale en meer dienstpersoneel, een kerklied over ‘negers met een loftrompet’
In die enerverende context dreef de Lezeres des Vaderlands af, door expliciet morele oordelen te vellen. Kon ze bij manvrouwverhoudingen in literatuur verontwaardigd zijn en scherp, de beschuldiging ‘seksistisch’ viel niet snel. Ze zou te logisch en reflexmatig zijn, zeker voor het medium waarin dit zich beweegt.
Eric Hazan & Kamo stelden in Eerste revolutionaire maatregelen dat van de potentiële agora die internet en sociale netwerken kunnen zijn niets terechtkomt. Deze ethische status quo dacht de Lezeres omzeilen door anoniem te blijven, maar ze bevestigde slechts cynisme met een overdosis ironie: ‘Ik ben een vrouw van veertig met een sigaret. Ik ben een student. Ik ben een oma met een smartphone. Ik ben een beeldend kunstenaar, een academicus, een schrijver, een vrijwilliger, een tandarts, een musicus, een trambestuurder.’
Die anonimiteit werd zelfs misplaatst doordat de Lezeres aan de nieuwe onderwerpen een deugdentoerisme koppelde. Een vernietigende reactie op een poging tot zelfkritiek van de blanke journalist Sander van Walsum, waarop ze zichzelf tot kampioen intentie-ontrafelen kroonde, veranderde de blog in een tribunaal achter een onewayscreen.
Behalve problematisch was dit tegenstrijdig, omdat het er volgens de Lezeres wel degelijk toe doet of iemand blank of zwart is, man of vrouw, hoog- of laagopgeleid.
Een uitgesponnen protest tegen de dwaze maar voorspelbare onthulling van het Ferrante-pseudoniem openbaarde ten overvloede dat voor de Lezeres een privacy ook een morele kwestie is. Maar ze kende geen restricties voor anderen, en het leek alsof er tegenpolig mccarthyisme herrees.
Minstens stigmatiseerde de Lezeres mensen met wie ze het oneens was. Koren op de molen van de cultuurindustrie, wat een gevoel van onoverwinnelijkheid kan hebben verwekt. Naar mijn idee overspeelde de Lezeres haar hand met een grappig bedoelde standaardbrief aan hoogopgeleide mannen van middelbare leeftijd die aan ‘emancipatiekramp’ leden.
In de aankondiging van haar afscheid noemde de Lezeres haar werk nog steeds ‘onderzoek’. Ik vind die verbetenheid mooi, net zoals ik de roman Ik heb altijd gelijk bewonder. Maar steeds zaniken en nooit zelfkritiek – van intellectuele projecten als deze verwacht ik meer. Temeer daar de Lezeres met complimenten zo zuinig was, dat deze ook paradoxaal bleken.
Vaak geprezen en tegen welke vijand ook verdedigd werd bijvoorbeeld Astrid Roemer, die de P.C. Hooft-prijs kreeg. Maar nooit onderwierp de Lezeres een boek van haar aan een lezing, zodat niet-aflatende loftuitingen en de verwerping van kritische noten iets mechanisch kregen, solidariteit op de automatische piloot.
Speciale aandacht kregen de auteurs Hermans, Reve en Mulisch. Bij het afscheid lichtte de Lezeres dit toe:

Wanneer boeken of auteurs maar moeilijk aansluiten op het Grote Drie-beeld, omdat ze een andere, niet-mannelijke, niet-westerse of niet-witte canon als referentie nemen bijvoorbeeld, of omdat ze een andere opvatting over het genre van de roman hebben, belanden ze al snel een aantal treetjes lager op de literaire ladder.

Dit zijn zulke algemene bewoordingen en veronderstellingen, dat het schril wordt. Geen belichting van grote onderlinge verschillen, laat staan dat deze Drie, of welke collega ook, in de praktijk zouden functioneren als canon. Dat heeft, vrees ik, bitter weinig te maken met een multiculturele of superdiverse samenleving, maar met een leescultuur. In België is, ondanks soms bizarre publiciteitsoffensieven, Hugo Claus al een vergeten schrijver aan het worden.
Morgen zal de grootheid van vandaag hetzelfde lot beschoren zijn. Er lijkt domweg geen serieus te nemen literatuurkritiek, of ze nu door mannen of vrouwen wordt bedreven. Ik vond het tragisch om dat door de schrandere commentaren van de Lezeres bevestigd te zien terwijl ze een andere vraagstelling hanteerde:

‘Is kwaliteit iets enkelvoudigs? Ik denk het niet. Sommige schrijvers duwen hun literatuur de richting op van de journalistiek, anderen weer helemaal niet. In de postkoloniale literatuur zijn er schrijvers die zeer bewust spelen met de taal, omdat die taal ooit opgedrongen werd door de kolonisator – denk aan het werk van Edgar Cairo. Er zijn auteurs die diepgaand beïnvloed zijn door Virginia Woolf, dat levert een ander type proza op dan als W.F. Hermans je grote voorbeeld is.

Wordt er alleen in postkoloniale literatuur zo ideologisch met taal gespeeld? Daar zou je een debat over kunnen voeren, maar daar heb ik de Lezeres nooit op kunnen betrappen. Wel retweette ze gestaag dezelfde mensen.
Bedoeld als onderneming die de blik zou verwijden, werd de Lezeres des Vaderlands, in mijn hoogopgeleide ogen van middelbare leeftijd, een oefening in myopie.

donderdag 22 december 2016

An existential problem



Een naar bijverschijnsel van het drama in Berlijn, dat niet over een moordpartij blijkt te gaan maar over asielzoekers en moslims, vind ik dat mijn vooroordelen bevestigd worden. Ergens hoopte ik dat politici een minimale waardigheid zouden ophouden door niet-recupererend te reageren, maar kennelijk was de verleiding te groot.
Dus daar ging Nigel Farage weer, en Filip Dewinter en Geert Wilders.
Nog een bijverschijnsel: de commentaren en weerleggingen daarvan die ze meteen oproepen, zowel pijnlijk en ergerlijk als hartverwarmend. En nu haak ik verdorie aan.
Af en toe dwing ik me een bliksembezoek te brengen aan Wilderstwitterland. Alle commotie rond zijn foto van een bebloede Merkel (wier gevoelens de PVV-leider kent sinds hij in de publieke ruimte als martelaar werd afgebeeld?) leidt een beetje af van de bijschriften. Het kan aan mijn beroepsdeformatie liggen, maar ik krijg de indruk dat Wilders' taalbehandeling verandert.
Ten eerste gebruikte hij in zijn initiële commentaar meer woorden met veel lettergrepen: ‘Merkel, Rutte en alle andere laffe regeringsleiders hebben met hun opengrenzenpolitiek de asieltsunami en islamterreur binnengelaten’. Het lijkt alsof hij dermate stoomt dat hij een basale communicatiewet vergeet. Met het woord ‘opengrenzenpolitiek’ zijn veel punten te scoren bij Scrabble, maar mede door de huidige spellingswetten leest het niet lekker.
Of verried Wilders’ formulering routine?
De zin als geheel, van 132 tekens, past amper in het Twitterformat. De lange woorden hebben iets weg van hyperlinks, van samenvattingen. Ze zullen voor een overtuigde volger volstaan. Dan nog is het werkwoord ‘binnenlaten’ volgens de schoolmeester in mij inexact. Het valt te verbinden met ‘opengrenzenpolitiek’, terwijl het bedoelt samen te gaan met ‘asieltsunami’ en ‘islamterreur’.
Ten tweede bediende Wilders zich in begeleidende tweets van poëzie. Daar valt bij te meesmuilen, omdat dit genre in zijn denken louter geschikt is voor zogeheten subsidieslurpers. Maar als kamerlid valt ook hij onder de zorgen van de overheid. Zijn digitale oplage ligt wel oneindig veel hoger dan bij dichters in hun ivoren toren van papier.
In deze jijbakkentraditie is het verder saillant dat Wilders zijn gedicht eerst publiceerde in het Engels en een uur later een vertaling gaf in zijn eigen Nederlands.
Dit is de oerversie:

They hate and kill us.
And nobody protects us.
Our leaders betray us.
We need a political revolution.
And defend our people.

Het fameuze wij-zij-denken (waarvan het internet een gelijkende Engelstalige variant geeft) krijgt hier een ereloge. Over de identiteit van de twee partijen licht het gedicht nog geen tipje van de sluier op. Alle vijf regels bevatten wel een wij, ofwel letterlijk, ofwel door ‘us’ en ‘our’. Het zij is waarlijk in de minderheid en wordt slechts in de openingsregel genoemd.
In rond gallicistisch Nederlands heet dit proces als geheel volgens mij insinueren.
De vertaling geeft meer operette:

Ze haten en vermoorden ons
En niemand beschermt ons
Onze leiders verraden ons
Een politieke revolutie is nodig

Om ons volk te beschermen

De laatste twee regels variëren op het origineel. Regel vier ontbeert namelijk een wij en oogt objectiever. De bepleite politieke revolutie wordt dan een performatief handigheidje en veroorzaakt een witregel. Zo krijgt het drastische middel legitimatie door het nobele doel in de slotregel.
Waarschijnlijk ben ik te veel door mijn eigen obsessies overmand als me ten slotte frappeert dat het origineel als een kalasjnikov alle zinnen afsluit met een punt, en de vertaling als een harmonieus multiculturalisme niet.
Wilders liet zijn Engelse gedicht vergezellen door een retweet van een zes dagen oudere schepping:

Islamic immigration

Is an invasion

An existential problem

That will replace our people

Erase our culture

End our freedom

STOP IT NOW

Hier voegde hij na elke tekstregel een witregel in (een techniek die, voor wat het waard is, ook in recente Nederlandse poëzie terug te vinden valt). De nadruk was zogezegd nog nadrukkelijker en vond een hoogtepunt in de slotzin die integraal was opgetrokken uit kapitalen.
Voor de toestand waarin deze tekst zich bevindt leen ik een term die Samuel Vriezen muntte: oorlogsmist. Wilders hoeft niet eens meer te insinueren en haalt maximaal rendement uit de vrijheid van meningsuiting. Een boude stelling wordt domweg als feit aangeboden. Daarin toont dit vooralsnog kleine oeuvre zich consequent.
Die reductie spiegelt zich zelfs syntactisch. De drie gedichten hebben een nevenschikking gemeen, die redenatie en oorzakelijke verbanden overbodig maakt.
Uit alle macht probeer ik te begrijpen waarom mensen zich door zulke opruiingen gesterkt kunnen voelen. Ik zoek raad bij het eerste nummer van Vrij Nederland als maandblad, dat op het omslag belooft: ‘Verzet! Zo gaat links weer winnen’.
Het bijbehorende interview met elf progressieve kopstukken willigt de belofte niet in. Voor de tigste keer gaat het over een ‘goed verhaal’ en ‘persoonlijkheden’. Terecht wordt gezegd dat burgers, de ‘onderstroom’ genoemd, al initiatieven ontplooien. En Zihni Özdil herhaalt zijn overtuiging dat je met Henk en Ingrid moet debatteren in plaats van hen te ridiculiseren.
Het mag simpeler en gedurfder, is de conclusie. Maar elders in het Vrij Nederland-nummer bekritiseert Hafid Bouazza het bijbehorende taalgebruik van ‘verbinden’, wat Bram Peper ter plekke verklaart uit het hebben van idealen bij ontstentenis van een ideologie.
Deze voormalige PvdA-burgemeester van Rotterdam hekelt de radicale systeemkritiek van de jaren zeventig, die hij eigenlijk verklaart uit de gevolgen van de secularisatie: politici waren voormalige gereformeerden en katholieken. Bouazza verwijt hun opvolgers een gebrek aan realiteitszin en het mijden van confrontaties. Zijn vrije meningsuiting is hem te dierbaar om ‘een politieke pion te worden’.
Van één tekst in Vrij Nederland weet ik vrij zeker dat deze aan links demonstreert hoe het niet moet. Twee verslaggevers trekken naar het voor hen wel heel erg diepe zuiden van Venlo om herinneringen aan Wilders los te peuteren. Dit resulteert in twee stukjes uit een schoolkrant en twee jeugdfoto’s.
Moet Wilders dus onserieus genomen worden? Natuurlijk kon ik het niet laten ook even naar de vernieuwde boekenrubriek te kijken. Eén medewerker produceerde één recensie plus vier signalementen. Zo wordt een poëziebundel voorgesteld in minder dan honderd woorden.