woensdag 16 juni 2021

The Sweetest Inversie I Could Sing

 

 

Wat een hitte ineens! En uitgerekend nu beslist Windows in zijn oneindige updatewijsheid om onder aan het scherm voortaan de temperatuur te tonen, inclusief icoon en omschrijving van het weertype. Zon in woord, getal en gebaar.

Troost het dat er predigitaal langere periodes van hetzelfde zijn geweest?

Over de legendarische snikhete zomer van 1976 is veel geschreven, er zijn menigvuldige beelden van te vinden maar pas sinds kort weet ik dat er een euforisch soulnummer bij hoort. Ik was toen nog wat jong om dat helemaal bewust te zijn en bovendien, begrijp ik achteraf, was het genre impopulair in kringen die wisten wat goede smaak behelsde.

Impliciet moet ik daar een paar jaar later als puber aan hebben gehoorzaamd toen ik een ander liedje van deze band, ‘Can You Feel The Force’, absoluut onappetijtelijke disco vond.

Een recente documentaire wees op het bestaan van de vierkoppige band The Real Thing, vernoemd naar een multinationaal drank- en velgontroestingsmerk dat deze week in de problemen kwam toen Christian Ronaldo er iets van zei. En hun muzikale pareltje waar het voor mij in eerste en laatste instantie om ging, bleek al op mijn iPod te staan.

‘You To Me Are Everything’ had ik in de Verenigde Staten gesitueerd, wolkeloze Phillysound met de wahwahgitaar, violen, het parelende zweet van Barry White… Had gelukzaligheid bedekt dat hier een Engels kwartet actief was? Uniform zwart ook, en als zodanig de eerste groep die de hitparade met succes bestormde?

Het liedje gaat over een offer aan de liefde. Sterren, regen, bergen: natuurverschijnselen zet de ik-figuur, puur op wilskracht, naar de hand van zijn geliefde. Haar wish is zijn command. Zo probeert hij haar twijfel over zijn toewijding uit te bannen en een zogeheten knipperlichtrelatie permanent op groen te krijgen.

Met het nummer werd The Real Thing een verzameling posterboys, idolen voor smachtende meisjes en aanklampmodellen voor bepukkelde jongens met ambitie. Aanklachten weinig later tegen racisme, zoals in ‘Children of the Ghetto’, vielen uit de toon. Ze waren te vinden op de chattalerig getitelde elpee 4 From 8, waarbij laatstgenoemd getal verwees naar de arme, overwegend zwarte wijk Toxteth, ook wel ‘Liverpool-8’.

Natuurlijk spreken we hier over de stad van The Beatles, ooit de gelegenheidsbegeleidingsband voor The Chants, een voorloper van The Real Thing. Omgekeerd meen ik harmonische invloed van de Fab Four te horen in het vroege charmante liedje ‘Listen, Joe McGintoo’. Maar wat ik wil benadrukken is dat, net als literatuur helaas, popmuziek niet ontsnapt aan canondrang en smaakonttrekking.

Een reden dat The Real Thing, tot de documentaire, te boek stond als een commercieel bandje is dat de jaren zeventig al bij het zich voltrekken een beoordeling kreeg. Precies vanaf 1976 begon punk, in de gedaante van The Sex Pistols, het beeld van de voorafgaande jaren te bepalen en herdefiniëren: humbug, hooguit in symfonische en jazzrock virtuoos gebracht.

Vanuit hedendaags standpunt is dat maf. In een gemiddelde Top 1000 staan heel wat liedjes uit de jaren zeventig hoog genoteerd. Toen moest je je er waarschijnlijk voor schamen, en wat een groter publiek goed vond was per definitie verdacht. Over de marketing van The Sex Pistols zelf zal ik het maar niet hebben.

Je kunt canonkwesties ook betwisten vanuit de gedachte of de smaaktoekenner een mode volgt of een neusje heeft voor kwaliteit. Hoewel, dan is me nog altijd een raadsel hoe Mick Jagger in te schattten, de high-societyrebel. Als eerste eigen nummer nam zijn band The Rolling Stones ‘I Wanna Be Your Man’ op, uit de mouw geschud door hun vrienden Lennon en McCartney. Bij de historische filmopname van hun latere ‘All You Need Is Love’ in 1967 was Jagger aanwezig, net als in 1972 bij Aretha Franklins ongelooflijke kerkproject Amazing Grace.

Jagger wist de geschiedenis kennelijk een handje te helpen met duwen. Even voorspelbaar is het dat The Real Thing nog slechts ten prooi kon vallen aan herontdekkingen per decennium, bijvoorbeeld met een remix van ‘You To Me Are Everything’. De documentaire kan nieuwe fans opleveren, maar het gros van de belangstellenden is vooralsnog het publiek van toen dat zwelgt in jeugdsentiment.

Dat zou dé zomerhit van 1976 tekortdoen. De zon schijnt zelfs door de opbouw. Er is een couplet waarbij zich in de laatste regel de verlossing aankondigt. Maar dan volgt er nog een couplet met een tweede stem. Na dat uitstel glanst het driestemmig refrein dat in de woordvolgorde ‘You to me’ zelf uitstelt. Daarna komt er weer een couplet, een beetje melancholisch ineens, waarna tweemaal het refrein klinkt en in die herneming vitaal een hele toon hoger schakelt.

Het is dan ook niet niks dat de jij op een troon wordt geheven. Het liedje zou ik poëticaal kunnen noemen, omdat het refrein volstrekt altruïstisch stelt: ‘You to me are everything / The sweetest song that I could sing’.

Ik vrees dat die vooropplaatsing van ‘to me’ me niet snel loslaat. Of je haar nu inversie noemt of deviatie, ze vergroot de aantrekkingskracht van het liedje. Zelf moest het zich in die tijd uiteraard onderscheiden in de markt. Er was een klassieker als ‘You Are Everything’ van The Stylistics, destijds gecoverd door Diana Ross en Marvin Gaye. Voor een kleiner publiek denk ik aan ‘You’re Everything’ van Return to Forever (met Flora Purim).

Ongecompliceerde titels, zeker in vergelijking met wat The Real Thing doet, maar het knappe is dat de antimetrische grammaticale twist in de zomerhit van 1976 volstrekt naturel klinkt.

Dat heeft het liedje gemeen met een van de beroemdste gedichten uit de Nederlandse literatuur, ‘Om mijn oude woonhuis peppels staan’ van J.H. Leopold. Maar feitelijk kijkt volgens mij niemand op wanneer pakweg een volksvertegenwoordiger zegt: ‘Ik voor mij ben van mijn mening’. Zachtaardiger, op het pleonastische af, is de uitdrukking ‘Zelf vind ik’. In Nederland dan, want in België is het heel normaal om te poneren: ‘Persoonlijk vind ik’.

Maar dan is het wel onmogelijk de jij zo goddelijk te verklaren als The Real Thing deed. Me dunkt. Ik krijg het er bij elke beluistering warm van.

vrijdag 11 juni 2021

Teringhond


 

Zo hoog als kapitein Haddock reikt niemand, maar als schelden inderdaad een kunst is, dan zitten christendemocraten ook op dat vlak in het slop.

Zelf betrap ik me de laatste jaren steeds vaker op medelijden wanneer christelijke partijen in het nieuws zijn. Vroeger konden ze ‘de kerk in het midden laten’, maar daar was met de secularisering een gat ontstaan dat met de ontideologisering een krater werd.

In België had Wouter Beke nog de sluwheid om het concept van ‘het moedige midden’ te lanceren, in Nederland was men vooral doende om daar überhaupt iets als een eenheid te formeren. Ik zeg niets hemelschokkends wanneer ik de aanleiding van die manoeuvres onthul: Pieter Omtzigt. En dat hij zelfs door afwezigheid zijn stempel drukt, tot en met de regeringsvorming.

Niet iedereen kan daarmee lachen, zoals dat heet. Op zijn beurt kan Omtzigt daar niet mee lachen en dus publiceerde hij, geheel in stijl, een brandende interne partijnotitie van bijna tachtig bladzijdes die, in dezelfde stijl, prompt publiek werd.

Als heiden voel ik me niet geroepen dit document te lezen. Bovendien ben ik nog aan het bekomen van Henri Beyles verhalen. Hij trok in 1800 als jong soldaat met Napoleons leger mee over de Alpen naar Italië. Het scherpst beklijven de afdalingen, de enorme aantallen dode paarden langs de weg, het afval van het voortkronkelende leger. Dat vertelt hij onder de naam Stendhal, in retrospectief, en ontdekt dat zijn herinneringen aan bepaalde steden waren ingekleurd door gravures.

Ik las dat in de opening van W.G. Sebalds Schwindel, vertaald als Melancholische dwaalwegen, toen herzien en terug in roulatie gebracht als Duizelingen. Dit debuut eindigt met een droom in de Alpen, waar in een ademloze leegte louter steen te zien valt, totdat als een bijna weggestorven echo de woorden terugkeren.

In signalementen van Omtzigts notitie viel me meteen één woord op, uit een reeks invectieven van partijgenoten die hij over zichzelf verzameld had: ‘teringhond’.

Natuurlijk, schelden is, zeker in de politiek, geen makkelijke sport, maar wat hier gepresteerd wordt is niet eens pupillenwaardig. Ik vrees zelfs dat teringhond een compromis is, tussen ‘teringlij(d)er’ en ‘christenhond’.

Wie ligt daar nu wakker van, behalve Marianne Zwagerman die, volgens Google, in De Telegraaf aan teringhond een column wijdde die alleen toegankelijk is voor abonnees en opent met een pitbull-vergelijking? En behalve het object zelf dat zich ook ‘ronduit onveilig in de partij’ voelt?

Even treurig is de tegenwerping van CDA-voorzitter Van Rij dat de notitie ‘op persoonlijke titel’ is gemaakt. Om nog maar te zwijgen over de emotie die partijleider Hoekstra krijgt bij Omtzigts jongste kamikaze: ‘heel vervelend en echt beschadigend’.

Zou mijn verdorven lichaam wel voldoende medelijden in voorraad hebben om deze taal compleet te kunnen dekken? En wat te doen vóór het laatste oordeel? Koekhappen? Zaklopen?

Misschien moet de partij zich, als ik even gratis consultant mag spelen, laten inspireren door Oude dozen. In dat boek gebruikt Marja Vuijsje het werkwoord ‘meelbieten’. Van die activiteit geeft Van Dale alleen het substantief: ‘iem. die melig is, flauwe grapjes maakt (niet echt als scheldwoord)’.

Zeker op locatie gemeenschapsvormender dan duizend bommen en granaten kunnen afdwingen.

 

Naschriftje

Het onvermijdelijke is inmiddels geschied. Per Twitter is Omtzigt opgestapt uit het CDA. En reageren Van Rij en Hoekstra ‘ontzettend teleurgesteld en geschrokken’. Vgl. Rachel Cusk: Als mensen de waarheid spreken, kan dit hun het bevrijdende gevoel geven niet langer de schijn te hoeven ophouden, net zoals onbeleefdheid een bevrijdend gevoel geeft. Om die reden is het niet verwonderlijk dat oprechtheid soms wordt aangezien voor onbeleefdheid, en onbeleefdheid voor oprechtheid.

 

donderdag 3 juni 2021

Dus cringe ik in stilte

 

 

 

Het op mijn bureau belande boek Het Monster van Wokeness heb ik inmiddels gelezen. Gespitst als ik was op de woordenlijst achterin, was me ontgaan dat het een roman is. Tofik Dibi zegt het zelf in de inleiding. Daarmee wordt de plot des te opmerkelijker.

Een kleine 150 pagina’s fabuleert het voormalige Groen Links-kamerlid over praktijken van een NRC-journaliste die een dubbelleven leidt op Twitter. Als Kannibelle is ze daar een social justice warrior, die onder meer een eigenaar van gaybar cancelt. Uiteindelijk blijkt ze zich niet goed geïnformeerd te hebben én wordt haar ware naam door De Telegraaf onthuld. In nog slechts tien bladzijden neemt de gaybargedupeerde een schijnbaar dodelijke wraak op Kannibelle en wordt haar account gewist.

Hoewel de compositie van deze prettig ambitieuze roman dus afgeraffeld is en een omgangsvraag met verschillen blijft liggen, lijkt Het Monster van Wokeness, gepubliceerd in 2020, brandend actueel. In België loopt immers een extremist vrij rond die met zware wapens wraak wil nemen. Om nog te zwijgen over wat er boven zijn hoofd gebeurt.

 

Dibi situeert zijn activistische hoofdpersonage in een milieu met heilige overtuigingen. Ook over wat de niet-ondervraagde tegenstander vindt: ‘Witte mensen hoeven de eerste drie letters van racisme alleen maar te horen of ze vertonen al symptomen van een burn-out. Ze verzetten zich nooit openlijk in je gezicht. Het is subtiel. Het is die zucht die iedere PoC kent, die “niet weer”-zucht.’

In zo’n staat van ontkenning, die vervaarlijk neigt naar blaming the victim, verkeert evengoed de goedbedoelende NRC-redactie, vindt de 22-jarige journaliste Kawtar (haar achternaam luidt in het boek zowel Karaman als Amrani). Lang interesseerde ze zich zelf niet voor ‘dingen als het n-woord […] of hoe je trans mensen op de juiste manier aanspreekt’. Inmiddels weet ze dat haar activisme plaatsgrijpt in haar vrije tijd, temeer daar de krant haar verplicht objectief te zijn. Dat gaat niet. Als Kannibelle ageert ze op Twitter ook tegen een IntersectioneleFeminist die ‘schone handen’ wil houden.

Vaker heeft ze het moeten opnemen tegen minder intellectueel geschoolde tweets. Eerst trachtte ze ermee te praten, later verzorgde ze ‘grammaticale scholing tot iemand me erop wees dat spelfouten corrigeren classist is.’ Toen blokkeerde Kannibelle de ongewenste stemmen, om te ontdekken dat het geschreeuw haar ego ook bevestigde. En dus deblokkeerde ze die andere stemmen, wat rijmt met haar basisopstelling: Kannibelle prefereert openlijke racisten boven ‘de stille meerderheid’ waaraan ze soortgelijk gedachtegoed toeschrijft en die ze ronduit gevaarlijk vindt.

De vraag blijft of ze zo in een zogeheten bubbel zweeft? Gelijk opgaand met het verhaal laat Dibi zijn Kannibelle haar omgeving beoordelen van gekleurde queer activisten, met een veramerikaanst sociolect. Ze beschouwen zichzelf als ‘community van strijders’. Maar volgens ‘het domrechtse blogje GeenStandaard’ (een fusie van GeenStijl en De Dagelijkse Standaard?) zijn ze een sekte. In ieder geval heerst het beleid ‘een gesloten front’ te vormen. Een orkestratie van identiteit dus.

Kannibelle beleeft een intern meningsverschil ‘bijna als verraad’.

Ze stelt de stille meerderheid gelijk met ‘het redelijke midden’, een inmiddels bekend essentialisme dat bij containerbegrippen als burgers, Nederlanders, kiezers of mensen niet aan ‘mensen van kleur’ zou denken. Het Wokabulaire achterin geeft het redelijke midden een eigen lemma: ‘Het soort mens dat van een veilige afstand met open mond staat te loeren en “wat erg” mompelt als er iemand in elkaar wordt getrapt.’ Aldus fungeert het als antipode van de activist, zoals gedefinieerd in dit boek.

Tegelijk ondervindt Kannibelle problemen met sociale media en haar smartphone, waaraan ze verslaafd is. Daarom stopt ze even met Twitter om te proberen ‘verschillende werelden met elkaar te verbinden’. Nu ervaart ze twee soorten ‘niveau’ en ’taal’. Anders dan haar community-genoten reduceert ze de uitstoot van amerikanismen. Maar het zal De Telegraaf zijn die haar definieert als collega bij NRC, en dan als ‘Monster van Wokeness’. Al wordt de boodschapper reflexmatig beticht een ‘bruine krant’ te zijn, het bericht zelf verandert door zo’n wanhoopsoffensief niet.

Kawtar wordt nu zelf gecanceld. Pegida (de griezelgroep wier naam Dibi niet heeft veranderd) ruikt zijn kansen: oog om oog, tand om tand. Ook beseffen niet-activisten uit Kawtars directe omgeving kritische tweets te hebben ondergaan in plaats van een gesprek. Spijt heeft ze nochtans niet van haar dubbelrol. Wel van haar taal: ‘Iedere zin langs de woke-meetlat leggen tot het probleemloos is, is niet anders dan met Photoshop en filters normale uiterlijke kenmerken uit iedere foto gladstrijken.’

Dat maakt het Wokabulaire achterin des te vreemder. Bijvoorbeeld de lemma’s Heteronormatief en Intersectionaliteit blinken veeleer uit door clichématigheid dan door precisie. De woordenlijst als geheel stigmatiseert andersdenkenden vooral. Ook worden mensen te kijk gezet wier opvattingen en daden, zoals dat gaat, inconsequent zijn. Ze blijken hypocrieten. Misschien komt het doordat Dibi dit Wokabulaire lijkt te hebben uitbesteed (aan Carmen Felix en Marten Mantel), dat deze onderneming de roman tegenspreekt die immers waarschuwde tegen exclusief groepsactivisme?

woensdag 26 mei 2021

Op stelten wadend door de mist

 

 

 

Vandaag, maar volgens Wikipedia gisteren, zou Hans Groenewegen 65 jaar zijn geworden. In een klassieke verzorgingsstaat ging hij dan met pensioen (Nederland) of op pensioen (België). Dit statuut lijkt me niets voor een essayist, criticus en dichter die zo hard werkte en zo productief was, dat dagen in zijn tijd 48 à 72 uren zullen hebben geduurd.

Officieel werd Groenewegen maar 57. Daarbij hoort een miniportie van een nieuw levensjaar dat hij aanvatte toen hij al, doodziek, tot dadenloosheid was veroordeeld. Productietechnisch is het reëler om Groenewegen in te schatten als 56-jarige. Die leeftijd komt me bekend voor. O ja, van Hitler, toen deze in een Berlijnse bunker zelfmoord pleegde.

Elke vergelijking tussen Hitler en Groenewegen gaat mank. Dan bedoel ik niet eens dat Groenewegen de zachtmoedigheid zelve was en, in een zoom van de geschiedenis, veel meer voor elkaar heeft gekregen dan die humeurige langslaper uit Branau am Inn. Mij gaat het er vooral om dat Hitler de wereld wou herscheppen in een orde die zijn ongetoetste ideeën zo dicht mogelijk benaderde.

Speciaal aan Groenewegen was dat hij mensen hun eigen werelden liet ontdekken. En dat hem dit helemaal geen inspanning leek te kosten. Sterker, hij was een soort alternatieve energiebron die uit verhalen van derden steeds meer stroom begon te leveren. Door met hen mee te denken en zich volledig te verplaatsen, moest Groenwegen dan wel vragen stellen, die genoemde derden ertoe dwongen hun motieven te expliciteren.

Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zo’n hernieuwbaar vermogen bezit. In mijn geheugen huist wel een extreem andere dichter. Hij laadde zich voor festivals op om belangstelling te tonen voor collega’s en die batterij raakte gaandeweg leeg, zodat de man bij het eind van die sessies louter nog linea recta naar huis wilde.

De ecologische metafoor gebruik ik mede omdat ik benieuwd ben naar hoe Groenewegen actuele taalontwikkelingen zou inschatten. Bijvoorbeeld in de kwestie van zuivelproducten, waar volgens hardliners alleen nog ‘zuivere’ ingrediënten een vermelding zouden verdienen, in plaats van milde indicaties voor uitvindingen die hen milieuvriendelijk vervangen. Prachtig dat Greta Thunberg ook in dit taaldebat een logische positie heeft gekozen.

Thunberg strijdt voor het klimaat, een onderwerp dat op de achtergrond is geraakt tijdens (of door?) de coronatoestanden. Hoe zou Groenewegen haar hebben ontvangen? Hij was een natuurfanaat en een universalist, dus met Thunberg moet hij zeker hebben ingestemd. Maar wat met het wij-zij-onderscheid dat ze pregnant aanbracht in how dare you-toespraken, die daders aanwezen onder wier passiviteit quo jongeren slachtoffer waren? Groenewegen zal er minstens ongemakkelijk onder zijn geweest.

Voor mij is dat onderscheid de uitzondering op de regel niet te veralgemeniseren. Het klimaat treft elke aardbewoner en misbruik moet domweg worden aangepakt. Recent miste ik dat principe in de Belgische marathonoperette over de salariswagen. Er kwam dan wel kritiek dat elektrische auto’s, zonder fijnstofuitstoot dus, andermaal voor een happy few zijn, maar onbelicht bleef dat die dingen veel stroom vergen en het milieuprobleem dus verplaatsen.

En dat constateer ik in een posting over iemand die Groenewegen heet.

Bij een andere kwestie, die direct over leven en dood gaat, is taal meer dan ooit gevoelig geworden. Geweldsopflakkeringen, tot aan lynchpartijen toe, vallen Gaza andermaal ten deel. Zo kende Hans Groenewegen deze brandhaard ook, maar bij mijn weten heeft hij het niet meegemaakt dat ieder woord daarover op een goudschaaltje wordt gewogen en er, net als bij zuivelproducten dreigt te gebeuren, verboden worden ingesteld. Wel zal hij het hilarisch gevonden hebben dat daarbij de grootste repercussies bekendheden op sociale media treffen.

Tussen de Gaza-literatuur passeerde aan mijn ogen een schermafbeelding bij een artikel dat die herwogen taal verklaarde uit impulsen bij een ander onrecht: racisme, zoals aan de kaak gesteld sinds Black Lives Matter. Stelling was dat – andere – sociale media zendingsarbeid verrichten terwijl zogenoemde klassieke media als onbetrouwbaar gelden (volgens politiek volkomen anderen dan die dit gewoonlijk beweren). De passende taal is ontleend aan de academische wereld. Dan is het woord een concept geworden binnen een ‘narratief’, waarmee de wereld restloos verklaard kan. De schermafbeelding illustreerde dat: 



Hoe moet universalisme hier werken? Ik ben zo’n idioot die ‘solidariteit’ koestert, maar wat betekent het in deze internetversie? En wat is voor mij als in België uitbottende Nederlander mijn eigen vlag? Of gaat het om een banner?

Groenewegen zou hier minstens bij grijnzen. Afkomstig uit een intellectueel milieu waar op basis van een paar woorden altijd een kerkscheuring loerde, wist hij vermoedelijk elk haakje en oogje te benoemen. Kon hij nu maar even bijlichten! De bedoeling van die nieuwe termen kan niet genoeg geprezen worden omdat ze genegeerde stemmen erkennen. Maar hun ecologische effect?

De uitdrukking bij deze termen luidt: ’Ik identificeer mij als…’. Fascinerend. Groenewegen wist zich juist mét anderen te identificeren. Conform zijn universalisme, maar ook uit een filosofisch idee van gelijkwaardigheid en verantwoordelijkheid. Emmanuel Levinas heeft daarover geschreven en er generaties mee heropgevoed. Niet voor het eerst merk ik dat nieuwe termen nu geesten splijten die in principe hooglijk verwant zijn. Gelukkig wordt ook elders vastgesteld dat deze taal, vol met wat ik maar amerikaanslatijnsismen heb genoemd, niet meer door elke leeftijdscategorie even makkelijk, laat staan overtuigd, wordt opgepikt.

De laatste tijd groeit mijn onbegrip over millimeterdefinities van identiteit omdat er gelijktijdig een tegengesteld fenomeen optreedt: tanende taalbeheersing, juist bij jongere generaties. (Ach Marc, hoe oud ben je nu, stop hier toch mee, met dat geklaag van hier tot Goeree Overflakkee.) Hoewel cultuursomberheid van alle tijden is, blijken nu er meer redenen voor bezinning. Zowel schrijven als lezen gaat steeds lastiger, waarbij de tekstomvang en medium bepalender worden.

Iets banaals als een boek, waarin Groenewegen dusdanig veel tijd en aandacht investeerde dat die inspanning dinosaurisch oogt, is toch wel voorbijgestreefd. Ook voor sommige taaldocenten. Recent deed iemand een bekentenis door een ‘taboe’ te doorbreken niet geïnteresseerd te zijn in dat soort lezen, spijts ‘een liefde voor de taal’ en ondanks het feit dat een boek ‘intelligent’ zou ogen.

Kunde en belangstelling en wil lopen hier volgens mij dwars door elkaar. En dat maakt het extra lastig om een zwiep in de goede richting te geven met schrijven. Omdat dit samenhangt met gedurig lezen van teksten, die het toegankelijkst zijn in boeken waarvan het belang, weet iedereen die begaan is met de toekomst, nooit mag worden onderschat.

Er is in dat verband wel gerept over de drempel van 10.000 uur, nodig om iets te leren. Dan blijkt internet geen voordeel. Dat zegt iemand wiens ouders klaagden over het medium televisie, wier ouders ook zullen hebben gemekkerd, over de uitvinding van de telefoon bijvoorbeeld. Dus moet ik bij mijn onheilsdiagnose vermelden dat jongeren nu via sociale media en WhatsApp waarschijnlijk meer tekst tot zich nemen dan welke generatie ook. Alleen is die taal niet geredigeerd en heeft ze geen omvang van betekenis. Behalve triest voor hen vind ik dit misdadig voor het milieu, omdat servers al die halfwasproducten opslaan.

En dat constateer ik op internet.

Digitale woordwoeker kenmerkt zich door meningen, in zogeheten éénzinsteksten. Over dat feit heeft Groenewegen zich nog, voor zijn doen pertinent, uitgelaten:

 

‘Als we nog in de tijd van de loodzetters zouden leven, sleten alleen de uitroeptekens en de dubbelepunt. Vraagtekens, beletseltekens en zelfs komma's bleven glinsterend schoon in de letterkast liggen.’

 

Misschien verbaast die dubbelepunt. Ik vermoed dat het ding hier de directe rede dient – en dan niet van het type ‘A zegt: xxx’ maar van ‘Ik vind: xxx’. Toegegeven, de dubbelepunt kan evengoed worden ingezet in een redenatie. Maar dan volgt er meestal een conclusie. Een eindpunt dus, dat niet echt besteed was aan Groenewegen.

De puntkomma zal hem het best gelegen hebben. Hij las en herlas, en wist zo proefondervindelijk wat afscheid nemen behelst. Veel van zijn essays beschrijven het proces van herroepen of nuanceren van een interpretatie die soeverein had aangevoeld. Daar had Hitler wat van kunnen opsteken met zijn destructiedrift.

maandag 17 mei 2021

Beroepsgedeformeerd

 

 

Onlangs publiceerde ik over taal, onderwijs en politiek een artikel zo groot dat het in tweeën moest: (deel 1) (deel 2). Door debatten was me meer dan ooit duidelijk geworden dat meningen over taal zijn verklonken aan ideologieën. En dat vooral rechts zich dan roert. Het zwijgen van links heeft allicht te maken met de sensatie dat woorden nu op goudschaaltjes worden gewogen. Parrhesia, om eens een eerbiedwaardige term te gebruiken, is momenteel impopulair.

Dat besefte ik eens te meer doordat inmiddels de Librisprijs is toegekend aan een roman die listig de spreekkwestie omzeilt. Jeroen Brouwers geeft in Cliënt E. Busken het woord aan een extreem taalgevoelige, die bij voorbaat is geëxcuseerd omdat hij oud is, vastgeketend in een verzorgingshuis.

Ruim baan voor gemelijkheid dus, uit de mond van iemand die alles vertegenwoordigt wat heden vies en voos is: een zogeheten witte geprivilegieerde cisgender man uit de academische kunstwereld. Hij kan vrijelijk kritiseren omdat zijn mentale status fluïde is en hij zich bovendien beroept op externe bronnen: ‘Nooit zwart zeggen, zegt Babet’.  Aldus ageert hij chronisch ironisch tegen – in het Nederlands – nieuwe begrippen voor geslacht, racisme en geaardheid.

Terwijl mijn artikel inging op de historische Amerikaanse afkomst ervan, lijkt het me nu beter haar aard te benoemen. Dit is utopische taal. Ik besef dat de jury die Cliënt E. Busken bekroonde, werd voorgezeten door PvdA-leider Lilian Ploumen. En dat meer genomineerde titels afstand namen van wat ik plomp ‘wereldverbetering’ noem. Gerda Blees deed dat bij een woongroep, Merijn de Boer bij een commune.

Verwacht ik van een officieel linkse politica optimistischer titels? Dat zou belachelijk schematisch zijn. Als juryvoorzitter vervult Ploumen bovendien allereerst een protocollaire functie en het eveneens genomineerde Confrontaties van Simone Atangana Bekono ademde een progressieve geest.

Toch is dit voor mij stof tot overdenken, dat mogelijk gestuurd zal worden door voormalig Groen Links-kamerlid Tofik Dibi. Hij blijkt auteur van een boek met de prettig melige titel Het Monster van Wokeness. Daarin bladerde ik beroepsgedeformeerd al door een woordenlijst die start met ‘activist: het soort mens dat wel ingrijpt als iemand in elkaar wordt getrapt’.

Die generalisatie in Dibi’s omschrijving, misschien onvermijdelijk, loopt door een taaldebat waarover mijn artikel ook uitweidde: of dt-fouten onderhand niet verleden tijd mogen zijn door makkelijkere regels. Ik weet nooit of ik studenten echt troost met de mededeling dat cultuurpessimisme hier niet speelt omdat lang geleden al, zowel in 1956 als in de jaren zeventig, liefst 40% van de proefpersonen de werkwoordspelling niet beheerste.

Met een voorstel voor eenvoudiger regels heropende psycholinguïst Dominiek Sandra het debat in België dat vervolgens Nederland bereikte. Ambiance! Hij spreekt nu al, bijna op de toon van Cliënt E. Busken, van ‘zelfverklaarde taalexperten’ die het op een gekend fond van onwetendheid en luiheid beter denken te weten. Maar iedereen is toch taalkenner, omdat we allemaal Nederlands bezigen en dus ervaringsdeskundig zijn?

Deze realiteit maakt hervormingen even glibberig. Ons taalvermogen hangt mede af van gewenning aan woordbeelden. Dus moet ook een eenvoudiger regel veelvuldig goed toegepast worden, en blijft gecodeerde taal op sociale media en WhatsApp tot dan bepalender. Daarnaast hebben beëdigde experts de puzzel vooralsnog niet opgelost welke nieuw voorschrift integraal consequent is.

maandag 3 mei 2021

Voedsel voor het oog

 

 

Het overlijden van Hafid Bouazza is ook een verlies voor de taal. Definitief zwijgt nu een auteur die het Nederlands wist op te rekken door het terug in contact te brengen met zijn eigen geschiedenis. Eeuwenoude literatuur en genres die gedateerd heten, lagen voor Bouazza dichterbij dan pakweg een sms-gedicht.

Als schrijver was hij dus ook een lezer. Bijvoorbeeld van Geerten Gossaert, wiens Experimenten in het verleden is wegeijld (deze zin klopt grammaticaal). Eens te meer een prestatie, omdat Bouazza pas op zijn zevende Nederlands begon te leren. Is dat voordelig geweest voor de derde gedaante waarin hij dit communicatiemiddel testte: die van vertaler uit het Arabisch?

Na het droevige bericht las ik Bouazza’s zwanenzang, de roman Meriswin uit 2014, die zijn taal wijdt aan het delirium. Bestonden er maar meer van zulke boeken in de Nederlandse literatuur! De plot is er echt minimaal, wat mij strategisch en ambachtelijk een adequate overlevingsdaad lijkt tegenover televisieseries die hun consumenten laten bingewatchen.

Meriswin kan zo evengoed een concentratieoefening worden. Maar een vluchtige blik op het internet leerde dat Bouazza werd gevangen in zijn keurslijf. Al te voorspelbaar, die klacht over ‘buitenissige taal’, zoals de roman in NRC overkwam:

 

Het gaat me daarbij niet zozeer om bijzondere woorden als ‘takketenen’, ‘biteut’, ‘zingelen’, ‘hirundijn’, ‘meluw’, ‘puitig’, ‘frugaal’ of ‘jugulum’. Of om bijzondere combinaties van woorden als ‘drintende gedrongenheid’, ‘sinopele singlet’ , ‘sloebers tijgervel’ of ‘pepoenen pafferigheid’. Dat riekt naar woordpraal; het moedwillig zoeken naar in onbruik geraakte woorden, liefst lekker allittererend, om de wat minder erudiete lezer mee af te kunnen troeven.

 

De bespreekster wordt vervolgens milder, maar haar punt staat en verklaart ongevraagd waarom er in Nederlandse taalgebied geen niche is voor Bouazza-achtigen. Toch was ik blij dat tussen haar rij met voorbeelden een woord stond dat mij ook was opgevallen: hirundijn. Een adjectief trouwens, dat in Meriswin tweemaal opdook, in bijna identieke passages.

De eerste gaat zo:

 

Gelukkig, ze was er nog, haar blanke gezicht voedsel voor het oog, de lichtdonkere veegjes boven haar oogleden onder haar hirundijnen wenkbrauwen, een hand onder haar kin, de elleboog op de knie die over de ander was geslagen, knus zittend. (p. 75)

 

En dit is de variant:

 

Haar blanke gezicht was voedsel voor het oog, de lichtdonkere veegjes boven haar oogleden onder haar hirundijnen wenkbrauwen waren intiem, een hand onder haar kin, de elleboog op de knie die over de ander was geslagen, knus zittend. (p. 122)

 

De intro op de observatie is geschrapt, terwijl er in het vervolg twee werkwoorden toegevoegd zijn die een duidelijkheid scheppen die er al was. Ik vind dit een prachtige vertolking van een obsessie en delirium ineen.

Aangezien het me nooit is gelukt een bedwelmingslezer te worden die betekenis kan negeren door te genieten van muziek en ritme in taal, waarmee Bouazza een soortement prozadichter zou worden, een kermisartiest, heb ik gezocht wat hij beweren wil met ‘hirundijn’. En ik vond niks!

Tenzij hij heeft geïmproviseerd met iets wat in de buurt ligt:

 

HIRUNDO

Woordsoort: znw.v.

Modern lemma: hirundo

Oudste attestatie: Limburg, 1240

Frequentie: totaal: 3, lexic.: 1, lit..: 2

Aangetroffen spelling: (h)irundo, grundo (l. irundo)

Flexie: 

ns 

Korte betekenis: zwaluw; vliegende zeehaan

 

1. Zwaluw (fam. HirundinidaeNat.Rer. hyrundo). Zie ook: swalewe

bijbel: Nat.Rer. 5,66

Semantische klasse: Diernaam

2. Vliegende vis, de vliegende zeehaan of zeezwaluw (Dactylopterus volitansNat.Rer. irundo maris).

bijbel: Nat.Rer. 7,41

Semantische klasse: Diernaam

 

Schiep Bouazza dan letterlijk een gevleugeld woord?


Naschriftje

Comments onder een overname van deze posting legden uit dat Bouazza met ‘hirundijnen’ een logisch bijvoeglijk naamwoord gebruikt. Het geeft bovendien de vorm van wenkbrauwen weer. Verder waren ook Bouazza-specialisten uit de literatuurwetenschap negatief over de roman Meriswin en suggereerden dat er twee soorten woordkunst bestaan: die van de Tachtigers en à la Finnegans Wake.

Ook viel het woord ‘mannelijkheid’.

Deze literatuurwetenschappers waren gestopt met Bouazza’s werk vanwege zijn latere anti-islamopinisme. Er werd terecht opgemerkt dat zijn stellingnamen hem een ander, niet-literair publiek gaven. Bestaat daar onderzoek over? Men moet lid worden van The PostOnline om het In Memoriam te lezen, maar Bouazza werd zeker positief herdacht op Geenstijl, zelfs tweemaal (apart door Annabel Nanninga).


donderdag 22 april 2021

In medias res

 


 

 

De Franse essayist David Djaïz maakt in zijn polemische boek Slow democracy (zoals de Nederlandse vertaling heet van Slow Démocratie) een onderscheid tussen nomaden en sedentairen. Nu nog?! Ja, voor wie de eerste groep herdefinieert in het licht van de globalisering. Dan gaat het niet meer om jagers, maar om hoogopgeleiden die onderweg blijven, met de flexibiliteit die in neoliberalisme van pas komt.

Djaïz verwijt hun gebrek aan solidariteit en pleit voor herwaardering van sedentairen, ooit onmisbaar in lokale gemeenschappen. Nu moeten ze ook omgaan met een tweede type nomaden die veeleer handelen naar hun oervorm: migranten op zoek naar overlevingskansen. Sedentairen, betoogt Djaïz, kunnen hun gemeenschap nog altijd voeden en beschikken over ambachtelijke vaardigheden die in een diensteneconomie minder nuttig zijn dan in een ecologische orde.

Ik was nog doende dit onderscheid te verwerken in literaire termen, toen een irritante nieuwsbrief meldde dat Thomas Piketty, een landgenoot van Djaïz, in een recent interview kritiek formuleerde die me gelijkaardig voorkwam. De econoom signaleerde dat na de jaren zeventig de link wegviel tussen sociale klasse en politieke voorkeur. Het vrijemarktdenken kreeg toen de overhand waarna Djaïz’ nomaden de winnaars van de globalisering werden. In die herordening stemden, zegt Piketty, sedentairen uit de arbeidersklasse niet langer vanzelfsprekend links.

Een gezamenlijk mikpunt vinden de Franse critici in de Europese Unie – die hun sympathiek is maar waarvan het kosmopolitisme en ongrijpbare reglementering vernietigend uitpakken. Beiden voelen voor een herverdeling van rijkdom en voor medezeggenschap. En door dat laatste meende ik alsnog een literair karretje te vinden dat aan het onderscheid viel vast te haken.

Bij de globalisering lopen sedentairen achter omdat ze plegen te denken vanuit ontstaanstaal, terwijl nomaden opereren vanuit lopende zaken die praktische taal vergen. Voor het eerste is overzicht nodig, voor het tweede improvisatie. Dat zijn, dacht ik, manieren waarop verhalen worden verteld: ab ovo of in medias res (beide termen stammen uit Ars Poëtica van Horatius).

Ik weet niet of de ene verteltechniek ouder is dan de andere, maar het is duidelijk dat door ab ovo een kader wordt geschapen. De Bijbel gaat van acquit met ‘In den beginne’, traditionele auctoriale vertellers openen vaak met een tijd en plaats, en een manuscriptfictie van de zogenaamd gevonden tekst suggereert een hiërarchie van verhalen. Maar bij een presentatie in medias res is het afwachten hoe de orde in elkaar steekt. Daarom geldt het in schrijfcursussen als een handige truc om spanning te verwekken.

woensdag 7 april 2021

Ondanks alles

 

 

 

Van Audre Lordes beginselstukkenbundel Sister Outsider (1984) verscheen vorig jaar een nieuwe vertaling. Al in 1985 was er een bij de feministische uitgeverij Sara verschenen, onder de titel Oog in oog. Toen representeerde één essay, Eye to Eye, het geheel. Dat de recentste vertaling Audre Lordes overkoepelende titel ongewijzigd overneemt, vind ik treffend.

‘Oog in oog staan’ is geconfronteerd worden met iets onaangenaams. Dat vraagt om actie die altijd een reactie is en dus ondergeschikt. Het ‘Sister Outsider’-idee vertrekt evengoed vanuit een verschil, maar dat is horizontaal. Bovendien nodigt de familiale persoonsaanduiding uit om mee te doen. En in het Nederlands klinkt die zus niet vreemd meer; Amerikaans-Engels is daar, zeker na de domesticatie van het internet, een gestage invloed op.

Voor de vertaling van Oog in oog tekende Tilly Schel. Zij blijkt sinds het eind van de jaren zestig vooral Hitchcock-scenario’s in het Nederlands te hebben overgezet, maar ook heel wat boeken van vrouwen en in de jaren negentig Lenteriten van Modris Eksteins. De nieuwe vertaling Sister Outsider komt van Jenny Mijnhijmer. Zij is een beleidsmaker en adviseur, die zich heeft bekwaamd als theaterschrijver en actrice. Volgens de KB-catalogus is Sister Outsider, op zestigjarige leeftijd, haar eerste boektitel.

In de marge van de Gorman-Rijneveld-ontploffing was er wel degelijk al iets veranderd. Het colofon van de Nederlandstalige Sister Outsider dankt Gilde Alphabet Street. Van dit zwarte schrijfcollectief had Neske Beks zich bij de Baldwin-n-woord-kwestie al geprofileerd; nu blijkt het aan een toch wel witte uitgeverij de Lorde-vertaler te hebben aangedragen. Bij dit boek heeft de uitgever symbolisch ruimte gemaakt.

Omdat ik de Schel-vertaling niet heb kunnen inzien, is het helaas onmogelijk de keuzes te vergelijken die in het Nederlands moeten zijn gemaakt. Wel is Mijnhijmers prestatie duidelijk omgord. Naast het collectief tekent namelijk de podcast Dipsaus voor deze vertaling, door haar mogelijk te maken ‘voor gemarginaliseerde vrouwen in Nederland, in al hun verscheidenheid’ (en België?).

Dipsaus verantwoordt de redactionele ingreep om uit Lordes oorspronkelijke bundel twee teksten weg te laten. Mij spijt het dat zo een prachtige schrijverscongresreportage over de Sovjet-Unie in de jaren zeventig kwam te vervallen, uitgerekend met het argument dat die wereld niet meer bestaat. Wel vertaald is de slottekst over het bezette Grenada, een ‘rapportage’ die Lorde zelf als voorlopig kenschetste want schreef terwijl de rest van Sister Outsider al bij de zetter lag.

 

Dikke laag

Heeft Mijnhijmer specifieke woorden gebruikt? In de tekst Poetry is not a luxury (1977) pleit Lorde voor ‘true knowledge and therefore lasting action’, wat anno 2020 ‘echte kennis en dus duurzame actie’ is geworden. Dit duurzaam klinkt inmiddels uitgekauwd, maar valt volgens mij mooier in de plooi dan alternatieven als blijvend en bestendig.

Mij viel de oplossing op voor het zelfstandig naamwoord ‘empowerment’ dat, met zijn bijvoeglijke en werkwoordafleidingen, door Lorde voortdurend wordt ingezet. Maar pas nadien maakte het een steile opgang en ik weet niet wanneer het in het Nederlands gangbaar werd. Mijnhijmer laat het onvertaald, wat grappig uitpakt in een advies als: ‘“Verdeel en heers” moet in onze wereld “definieer en empower” worden’. Toch acht ze eenmaal, bij een lezing, een cursief gepaster. Dan is het effect toverachtig: ‘een bed waar ik verlangend naar uitzie, dankbaar in stap en empowered weer uit opsta’.

Lorde gebruikt nog een term die heden geregeld opklinkt, en die heeft Mijnhijmer wel omgezet, op twee manieren in één alinea:

 

‘De meeste vrouwen hebben geen vaardigheden ontwikkeld om woede constructief onder ogen te zien. (….) Er werden geen gereedschappen aangereikt voor het omgaan met de woede van andere vrouwen, behalve door die te vermijden of af te buigen, of haar te ontluchten door weg te kruipen onder een dikke laag schuldgevoel.’

 

Het gaat hier om tools, waarvoor eerst ‘vaardigheden’ dient en daarna ‘gereedschappen’. Mij treft hier verder Mijnhijmers ‘aangereikt’ dat developed moet dekken.

Die ‘dikke laag schuldgevoel’ lijkt me een forse vertaling van een blanket of guilt maar toont iets van Lordes metaforiek. Daarin zit namelijk vaak textuur, letterlijk, tussen individu en wereld. Vrijheid wordt bemoeilijkt en dat onderstreept Lorde, begonnen als dichter, op een speciale en bovenal fysieke manier. Een prachtig voorbeeld staat in het al genoemde Eye to Eye, uit 1983:

 

‘Alle moeders zien hun dochters vertrekken. Zwarte moeders zien het gebeuren als een offerande [sacrifice] door het gordijn van haat [veil of hatred] dat als lappen lava [sheets of lava] voor hun dochters op de paden neerhangt. Alle dochters zien hun moeder vertrekken. Zwarte meisjes zien het gebeuren door een gordijn van bedreigd isolement [veil of threatened isolation] waar geen vertrouwd vuur [fire of trusting] doorheen komt.’

 

Datzelfde essay maakt melding van huidblekende crèmes, de bleaching dus waar Unilever, namens bijvoorbeeld l’Oréal, in 2020 schroomvallig afstand van nam.

Voordat de indruk ontstaat dat Lorde ook talig haar tijd vooruit was, moet ik vermelden dat het nu, in bepaalde kringen, vanzelfsprekende begrip ‘misogynie’ bij haar geen standaard lijkt. Ze heeft het wel over ‘woman-hating’ (vertaald als: vrouwenhaat). Ook stuit ik, in een sympathiserende speech over Malcolm X uit 1982, op ‘peoples of Color’. Niet die hoofdletter vraagt aandacht, want dat doet Lorde steeds zelfbewust met kleur, maar het meervoud dat genuanceerder oogt dan waar heden de voorkeur ligt.

En zonder dat ze de term gebruikt kondigen zich in een getuigenis over het opvoeden van haar zoon safe spaces al aan: ‘I feel the want and need often for the society of women, exclusively. I recognize that our own spaces are essential for developing and recharging.’ Dat laatste werkwoord heeft het Nederlands opgezadeld met ‘de batterijen opladen’. In hetzelfde essay spreekt Lorde van ‘coming in our power’, wat tot niets anders meer kan leiden dan ‘in onze kracht komen staan’.

donderdag 25 maart 2021

Een eigen taalbeheersing

  

Ben ik rijp voor het gesticht? Zelfs een oude film leidt me naar taal. Onlangs zag ik voor de derde keer Zwart als roet (2014) van Sunny Bergman en waande me doorverwezen naar de splinternieuwe brochure Woorden voor een nieuwe taal. Zoals iedereen spreek en schrijf en lees ik dagelijks (hooguit tob ik beroepshalve wat vaker achteraf over woorden), dus mijn onmiddellijke associatie tussen taal en film, in een klinische reflex bijna, lijkt me niet normaal.

Ik moet het hier zelfs uitschrijven om te ontdekken waar de parallel precies ligt. Maar ook waarom ik bij vroegere kijksessies van Zwart als roet nooit van die besliste gedachtes kreeg als nu. Temeer daar ik nog altijd vind dat Bergman honderd procent gelijk heeft: Zwarte Piet moet worden verlost van zijn stigmatiserende kleur!

Om te beginnen bevreemdt het me om nu pas te ontdekken dat deze film niet over Zwarte Piet gaat. Logisch, want Bergman heeft geen echt onderzoek gedaan naar dat fenomeen. Ze gebruikt het om, volkomen terecht, racisme aan de kaak te stellen. Raar vind ik inmiddels te menen dat ze daarin wel slaagt, maar zonder ambivalenties weg te werken die haar door kwaadwillenden met evenveel recht tot een racist kunnen stempelen.

Die ambivalentie tref ik ook in de taalbrochure. Ze staat in het teken van ‘diversiteit en inclusie’, twee amerikaanslatijnsige woorden die ik tussen aanhalingstekens zet omdat ze een bijeffect sorteren: van uitsluiting bij een groeiend aantal laaggeletterden. Tragisch, omdat Woorden voor een nieuwe taal ‘meerstemmigheid’ vooropstelt en, anders dan de film, het product is van een resem medewerkers, plus een ‘klankbordgroep’.

Wel schept de brochure een voorbehoud door haar doelpubliek te beperken tot ‘iedereen in de kunst- en cultuursector’. Maar zou zelfs binnen die niche iedereen de concrete resultaten van die ambitie kunnen volgen? Zelf kreeg ik lucht van het bestaan van Woorden voor een nieuwe taal door een column van Jamal Ouariachi die gewoonlijk diametraal anders opinieert dan ik zou doen. Maar ditmaal was ik het met hem eens – en ik vrees niet de enige uit de beoogde sector te zijn.

 

donderdag 18 maart 2021

Engageren tot meerstemmigheid (4)

 


 

Bij herlezing bleek me dat J.B. Schuils controversiële jeugdroman De Artapappa’s (1920) volstrekt ambivalent is. De tekst zit vol beurse racistische plekken, terwijl onderhuids een antiracisme lezers besmetten wil.

Natuurlijk, het is superieurderig te zeggen dat de geschiedenis zich herhaalt (als je iets onderzoekt lijken alle binnenkomende berichten er verband mee te houden), maar onlangs was er een rel die een soortgelijke ambivalentie in zich droeg. In de Vlaamse soapserie Thuis had een personage een mislukte grap gemaakt met het woord flietjes. Daarover deed op Instagram een Vlaamse actrice met Chinese roots haar beklag. De opinie-industrie stootte vervolgens twee signalen uit. Een historisch exposé maakte vanuit de abstractie komaf met zulk racisme, een close reading van de soapaflevering verklaarde dat het gewraakte woord zowel de achtergrond van het personage als de situatie tekende.

Kan ik domweg niet kiezen dat ik beide standpunten houdbaar vind? Ik redeneer dan mede uit mijn jongste ervaring met De Artapappa’s. Om het jeugdboek, tussen vele andere, achter slot en grendel te zetten zal voor sommige lezers het spervuur aan K- en N-woorden volstaan, maar die stigma’s krijgen wel een veroordeling. Verwoed wordt er, niet altijd even handig, geprobeerd om, zoals dat nu heet, bruggen te bouwen tussen wit en zwart. En daartoe dienen respectievelijk Pukkie en Bloemhof, de centrale personages. Hoe bijzonder is hun relatie?

Bloemhof toont een warm karakter, met een overdosis altruïsme. In Pukkies geestdrift daarover zit een mysterieuze lichamelijke component die hem met trots vervult: kracht, passend bij Bloemhofs granieten ernst – zijn halfbroertje Paul is bovenal lenig. De oudste Artapappa wijkt niet. Hij etaleert een dergelijk fysiek vermogen opnieuw bij een avontuur dat ze beleven in een onderaardse gang op een landgoed van een baron. Ditmaal zijn andere jongens er ook bij en wanneer er gevaar dreigt blijkt Bloemhof ‘van de laatste plotseling de eerste geworden’. Zelfs vervaarlijke honden deren hem niet (omdat hij steeds vergelijkingen met dat dier ondergaat?).

Bloemhofs kordate optreden maakt indruk op iedereen, maar vooral op de wees Pukkie: ‘Eigenlijk had hij nooit grote, innige hartelijkheid van iemand ondervonden, omdat hij geen eigen “tehuis’ had gekend. Taks en Mopske waren goed voor hem, maar zij waren even goed voor Spekkie en de Lijn. Nooit was er iemand in de wereld geweest, die van hem alleen het meest had gehouden.’

Niet voor niets zal het landgoed Reeveroord heten, het Franse woord voor droom zit erin opgesloten. De volgende gelegenheid waarop Bloemhof zich manifest onderscheidt, is op Koninginnedag, als in het dorpje de festiviteiten beginnen op het Reeverplein. Nadat de zwarte jongen een sabelslag van de politie voor hem heeft opgevangen, is Pukkie uiteraard bezorgd over zijn gezondheid en vraagt of Bloemhof pijn heeft. Deze schudt zijn hoofd en drukt zijn hand, waarna er ten overvloede vermeld wordt dat hij, De Stomme, ‘geen jongen van grote woorden’ is.

Ik kan me uiteraard vergissen, maar binnen de verhouding krijgt de krachtige Bloemhof zo nog meer iets van een handelende ridder. In Verheij, de officiële achternaam van de witte jongen, hoor ik dan plots ’ver hij’. Pukkie weigert maar een moment van Bloemhofs zijde te wijken, maar als hij bloed uit de wond ziet vloeien valt hij flauw. Een goedhartige buurtbewoner die het tweetal een logeerbed ter beschikking stelt, verwondert zich tegenover Taks over deze vriendschap tussen ‘zo’n zwarte en zo’n blanke’. En de huisbaas annex etnisch intermediair streelt Bloemhof en laat een traantje als hij verneemt wat deze gedaan heeft. De jongens zelf vinden het allang best. Pukkie beaamt Bloemhofs uitroep ‘Wou altijd wel zo samen in bed!’

Prompt begint De Artapappa’s een ander verhaal: dat Paul verliefd is. In een cabaretesk hoofdstuk toont Bloemhofs antipode zich van zijn oppervlakkigste kant. Ook talig, omdat hij nog meer babbelt dan voorheen en voor het ‘poesjesalbum’ van zijn verhoopte meisje Bep een gedicht moet schrijven en door het rijm wordt verleid door de stelling: ‘Ik ben een baviaan’. Schuil forceert dus een bijna ondraaglijke breuk met het sabelvoorval, dat ongekende gevoelens naar boven bracht. Paginalang laat hij Paul tobben met het gedicht, tekstadviezen in de wind slaan en opvolgen, zich reduceren tot ‘maar kafferjong’ en tot slot overgaan tot een Hollandse methode: geld investeren. Maar hij krijgt zijn cadeau retour, omdat Beps moeder het niet wenst aan te nemen, zodat Taks ‘zacht’ en ‘kies’ tegen de jongen moet spreken om diens teleurstellingen te kaderen. Een dansfeest geeft vervolgens de genadeslag aan deze verliefde. Paul beweegt weer totaal dierlijk door de ruimte, als een paard ditmaal, en is in zijn flapuitheid oncomplimenteus. Had hij maar de gave om als zijn broer spaarzaam met woorden om te gaan.

Bij Pauls voortijdig verlaten van de danszaal bromt Lijn dat hij ‘maar ‘n kaffer’ is, wat Pukkie kwetst die door ‘die woorden meer [wordt] gehinderd dan hij wilde bekennen’. De witte jongen heeft immers in Bloemhof meer dan een geestverwant gevonden – de zwarte jongen werd voor hem oninwisselbaar, ontstegen aan een groep. Van ‘een’ is hij gemetamorfoseerd tot ‘de’. Oplettende lezers hadden dat kunnen weten uit het voorwoord van De Artapappa’s, waarin Schuil aankondigt dat het drama tussen de twee jongens waargebeurd is. Hij had het in Borneo namelijk gehoord van Pukkie zelf, ‘en ik herinner mij nog altijd, hoe hij met een trilling in zijn stem op een avond tot mij zei: “Ik heb nooit beter en trouwer vriend dan deze kafferjongen gehad!”’

donderdag 11 maart 2021

Engageren tot meerstemmigheid (3)

 

 

Hier dan mijn leesverslag over De Artapappa’s van J.B. Schuil. Recent herlas ik dit lievelingsboek uit mijn jeugd dat fout bleek. Het speelt tijdens het regentschap van koningin Emma, tussen 1890 en 1898. Plaats van handeling is het Hollandse dorpje Vliedrecht. Klonk bekend in mijn door België inmiddels ontwende oren, maar blijkt fictief. Google verwijst integraal door naar De Artapappa’s.

De titel refereert aan twee zwarte halfbroers, Paul en Bloemhof, die op last van koning Artapappa, tevens hun vader, van Zuid-Afrika naar Vliedrecht zijn overgebracht. Daar komen ze in een huis van een kinderloos echtpaar: de leraar natuurwetenschappen de Taks en zijn vrouw de Mops. Ze zorgen al voor drie andere kostgangers, de witte jongens Pukkie, Spekkie en de Lijn.

Zoals vaak in Schuils werk regeren de bijnamen. Alleen over het centrale personage Pukkie krijgen we vaker te horen dat de burgerlijke stand hem heeft geregistreerd als Rob Verheij. Zijn bijnaam slaat op zijn geringe gestalte en wellicht op het feit dat hij vroeg wees werd. De zwarte jongens blijven echter heten zoals ze heten. Toch wordt Bloemhof, het andere centrale personage, uiteindelijk liefkozend Bloem genoemd. Die bijnaam krijgt hij exclusief van Pukkie.

In een voorwoord waarschuwt Schuil dat dit boek niet vrolijk eindigt (zijn enige andere voorwoord, bij Hoe de Katjangs op de kostschool van Buikie kwamen, veegt een verder inderdaad gelukzalig oeuvre bijeen). De uitzondering voor De Artapappa’s ligt aan ‘de trouwe, hechte vriendschap’ tussen Pukkie en Bloem, culminerend in ‘het droeve slot’. Simpelweg omdat het ‘waargebeurd’ is, terwijl Schuil erkent er veel omheen te hebben verzonnen.

Waarom De Artapappa’s voor vele hedendaagse lezers een fout, want racistisch boek is, wordt snel duidelijk. Van begin af valt het K-woord, dat blijkbaar niet exclusief naar de vreselijke ziekte verwijst. Bovendien verwekt de aankondiging dat er in Vliedrecht twee Zuid-Afrikaanse jongens komen wonen al een keur van vooroordelen. Het gaat daarbij om uiterlijkheden, die we nog terugvinden in het zwartepietendebat, maar ook bijvoorbeeld om toeschrijvingen van kannibalisme. Wordt het dorp heus opgezadeld met duivels?

Tragisch is De Artapappa’s antiracistisch wil zijn. Maar om dat te doorzien, moet het boek van A tot Z worden gelezen, terwijl het zich leent voor cherrypicking die de foutheid kan tonen. Dat dubbele zit er meteen in. Vóór de komst van de zwarte jongens dist een gepensioneerde matroos racistische anekdotes op over gedrag en zeden in Zuid-Afrika. Hij ontleent zijn autoriteit uit het feit dat hij er ooit was aangemeerd en dus ‘de kaffers kende “van haver tot gort”.’ De interpunctie distantieert zich hier van vooroordelen. Ze worden echter klakkeloos overgenomen door een vrouwelijke dienstbode ‘voor wie kaffers blijkbaar geen mensen waren’.

De witte jongens begrijpen dat niet alle verhalen kloppen en twijfelen wat ‘eigenlijk waarheid en wat verdichting was’. Ze vinden dat romantisch. De Taks ontkracht vervolgens expliciet dat Artapappa’s menseneters zijn. Hij voorspelt wel dat ze ‘heel anders zijn dan jullie. Maar ik zou ze nooit in huis nemen, als ik er niet zeker van was, dat het goeie jongens waren.’ Hun andere gedrag wijt de Taks aan hun opvoeding, waarbij ze niet bij hun moeder mochten blijven. Krijgt dat genderdetail verderop in het boek een lading, nu al gebruikt de Taks een curieus cultuurrelativistisch argument dat niemand minder dan de Sjah van Perzië zijn neus in een gordijn zou snuiten.

Schuil laat in al zijn jeugdromans sterke verhalen regeren, om ze vervolgens te ontmantelen. In De Artapappa’s levert hij posities op diverse vertelniveaus en laat meer over aan lezers. Ze kunnen zien wat ze wensen, tenzij ze niet willen kiezen. Verder is in deze roman een cruciale rol weggelegd voor de taal zelf. Ook dat blijkt al vóór de komst van de halfbroers. Voor hun eventuele ‘radbraken’ van de taal vraagt de Taks begrip. Hij verzoekt zijn witte jongens er niet om te lachen, omdat ze dan voor hun ongelukkige gasten ‘vreemdelingen’ zouden blijven. Meteen doet de Taks een empathisch experiment. Hij vraagt de jongens zich in te denken dat zij in Zuid-Afrika moeten wonen. Wat indien er dan de spot met het hen gedreven werd? Aan het eind van deze voorbereidselen prijst de verteller hem: ‘Beste Taks, wat wist je altijd de juiste snaar te treffen, wat kende je de jongensharten toch goed.’

De Artapappa’s is dus ook een verslag van een pedagogisch project. Bij de kennismaking vindt Pukkie de twee jongens lelijk. Dit onfijne oordeel past bij de ontwikkeling die het boek hem laat doormaken: hij zal een extreem innige band met Bloemhof opbouwen. Tekenend lijkt me ook dat Paul vertelt op de bootreis naar Nederland grappen te hebben uitgehaald waarna matrozen hem uitmaakten voor aap. Onaanraakbaar noemt hij zichzelf ‘het kafferjong’. Zo faciliteert hij een blik van zijn huisgenoten als ‘merkwaardig exemplaar van een koningszoon’ dat, door wat smoesjes, aan de buitenwereld wil getoond. Maar daar steekt Taks een stokje voor.

De Artapappa’s bewerkstelligt van stonde af een botsing van opinies en correcties over het bizarre concept ‘gewoon mens’. Aan die determinatie doet elke verhaallaag mee – van directe rede tot en met vertellerstekst. Er is racisme, paternalisme en rehabilitatie. Daaronder ligt een schijndiscussie: of Zuid-Afrika nog moet worden beschaafd. Een dermate idiote vraag, dat de roman deze taak aan de dorpsbewoners van Vliedrecht geeft. Ondertussen tracht de tekst voorbij zwart karikaturalisme te raken. De Taks is bij deze ontsensationalisering een intermediair, dat ‘verstandige maatregelen’ treft en wiens uitbranders voor de goede zaak ‘volkomen verdiend’ zijn.

Voor Paul is bemiddeling lastig omdat hij, clichématig, impulsief is. Hij heeft dan wel geen last van wat anderen over hem denken, vooralsnog wordt hij aangegaapt ‘alsof hij een wonderdier was’. Het zal zijn aard typeren dat hij Hollanders daarom maar raar vindt. Voor het inburgeringsproject van Taks is dat een hindernis, omdat hij hun taal moet overnemen om beweging in de zaak te krijgen. Dus zegt hij na uren soebatten met een kwaadwillige buurman, bij wijze van offer, ‘dat een jonge kaffer niet in een vloek en een zucht tot een wel opgevoede jongeheer kon worden gebombardeerd’.

Ook voor de drie kostjongens verandert Paul niet snel. Ze zien hem als kermisattractie. Dus buigt de tekst eerst mee met hun verbazing: ‘Een kaffer was al geen alledaags mens, maar wat te zeggen van een zwarte koningszoon, die op zijn handen wandelde en zich op zijn hoofd liet vallen, alsof hij August de Domme in eigen persoon was?’ Er wordt aansluiting gezocht bij beelden uit de nabije cultuur, waarna de jongens moeten wennen aan het feit dat er een individu bij hen leeft. Dat heet ‘lijdend voorwerp’ in een werkelijkheidstest waarbij Paul zich door hen op zijn gezicht laat timmeren en geen krimp geeft. Als Taks zich laat bijlichten, richt hij zijn emancipatiepogingen evengoed op de zwarte: ‘Jij moet je niet op je gezicht laten slaan!’