zondag 17 september 2017

Opkuisen / schoonvegen




Ik geloof niet dat ‘in het oog van de storm staan’ de laatste weken een erg gelukkige vergelijking is, maar Theo Francken, staatssecretaris voor Asiel en Migratie, flikte het ‘m weer. In een Facebookpost bleek hij de aanhouding van vermeende illegalen te hebben samengevat als #opkuisen.
Vanzelfsprekend kwam daar protest tegen, eveneens op sociale media. In dat soort termen praat je niet over mensen, was de teneur. Vervolgens facebookte Francken dat hij slechts problemen had opgekuist, wegens immense puinhopen van links.
Toch schrapte hij in een repetitio op Twitter van zijn oorspronkelijke verklaring de hashtag – en pleitte dus schuldig.
Naar mijn gevoel, maar ik ben geen Vlaming, kun je problemen niet eens opkuisen. Wel oplossen, zij het niet in bleekwater. Volgens Van Dale heeft opkuisen als tweede betekenis opeten. Kannibaliseert Francken dus zijn problematiek?!
De kwalificatie ‘puinhopen’ voor het beleid van andersdenkenden lijkt me alvast niet willekeurig. Pim Fortuyn had een uitgesproken mening over migratie en publiceerde in 2002, vlak voor zijn dood, het boek De puinhopen van acht jaar Paars.
Vanuit tegenovergesteld perspectief heeft opkuisen een weinig aanbevelenswaard semantisch veld. Ik doe een greep: oorlog als enige hygiëne (Marinetti), gaskamers die als douches ingericht waren, De Gucht die Vlaams Belangers vergeleek met mestkevers
Toch vind ik het bizar dat er in het Noord-Nederlands een sterk gelijkende variant bestaat in de zin die Francken wel degelijk op het oog leek te hebben: schoonvegen. Hierbij geeft mijn geheugen als historisch feit dat in de protestjaren langharig werkschuw tuig, hippies enz. op genoemde wijze van De Dam werden verwijderd door mariniers.
Waterkanonnen kwamen daar niet aan te pas.
Ik nam de proef op de som, door op Google een standaardzegswijze uit mijn Hollandse jaren in te geven: "veegde het plein schoon".
Dat leverde ongeveer 120 resultaten op, met als subject van het zinnetje bijna uitsluitend ‘De politie’ of ‘De ME’ en als object mensen. En inderdaad was werkterrein en gebruik van die taal exclusief Noord-Nederlands.
Ik moet dan twee bijzondere vermeldingen doen:

-        -   NRC gebruikte in 1997 aanhalingstekens bij een artikel over drugsoverlast in Groningen: ‘De politie “veegde” het plein schoon en hield enkele dealers aan.’ Ofwel de auteur ofwel de eindredacteur had kennelijk moeite met de gesuggereerde normaliteit van het idee, waar mogelijk wel waterkannonnen aan te pas waren gekomen.
-        -   Alleen De Standaard heeft de uitdrukking éénmaal toegepast, in een artikel over de macht van president Loekatsjenko in Wit-Rusland, wiens verdachte verkiezingsoverwinning in 2006 tot protest op de straten had geleid: De politie veegde het plein schoon en arresteerde de oppositieleden. Auteur was Floris Akkerman, een Nederlandse correspondent.

Volgens Van Dale heeft ook schoonvegen een tweede betekenis: zich van blaam trachten te zuiveren. Misschien een tip voor Francken, als hij zijn Facebookposts en tweet nogmaals zou willen herzien?
Hoe dan ook is het mij een raadsel waarom politici zo gretig optreden op sociale media, indien het hun doel is een grotere aanhang te krijgen. Ze worden er wel menselijker van, met hun vreugdeloos gekissebis. Maar dat is mijn mening, vanaf een weblog.

woensdag 13 september 2017

De dunne scheidslijn




Onlangs werd een advertentie bekroond waarop Charles Michel, premier van België, was gefotografeerd in zwembroek. Wel verzekerde het begeleidende artikel dat het lichaam onder het hoofd uit Photoshopland kwam.
Zou Michels Nederlandse collega ook al eens die eer te beurt zijn gevallen? Voor mij verifieerbaar is dat Mark Rutte tot op heden in minstens twee gedichten figureert.
Het eerste, uit 2014, was van de hand van K. Michel (geen familie) en stond in De Gids. Het gaat uit van de marathonachtige vrolijkheid van de premier, die volgens insiders binnenskamers niet volgehouden wordt:

De lach van Rutte

En dan op een dag
– een doodgewone doordeweekse dag
tijdens een normale niets aan de hand persconferentie
zo rond een uur of vier –
na al dat jarenlange glimlachen
grinniken, giechelen, grijnzen
gniffelen, ginnegappen, grapjurken
lachebekken, proesten, schateren, dijenkletsen
dubbelklappend naar adem happen
schatert de premier het zó luid uit, zó breed en
gul en gretig, extatisch en spastisch
zó open en vol overgave
dat zijn lach letterlijk van zijn gezicht spat
en op de grond smakt

om daar enkele seconden verdwaasd
beduusd tot zichzelf te komen
'wah... wah... wie...'
om dan versuft maar vrij overeind te krabbelen
en het op een lopen te zetten
ja in blinde paniek alsof zijn leven ervan afhangt
de benen te nemen
weg, weg van hier de vrijheid tegemoet

weg van hem die verbaasd verbijsterd
half over het katheder hangt zijn gezicht
verfomfaaid zijn mond een slappe cheeseburger

terwijl alle journalisten zich als één man afwenden
'wat?' 'wat?' 'waar?'
en naar buiten stormen zwaaiend met hun microfoons
'volg die lach'
camera's flitsen, deuren klapperen....

de geluidsinstallatie bromt
de airconditioning ruist
stofjes stofjes in het spotlicht
en het rumoerige hoeftrappelende geluid
dat traag in de verte wegsterft

Destijds raakte ik er weinig enthousiast van. Heden verandert niets aan mijn dufheid. Die één-na-laatste strofe! Ik kan alleen niet uitmaken of dit het dichtst staat bij scholierencabaret of bij een tekenfilm. Deze besluiteloosheid zal aan een sikkeneurig gevoel voor humor liggen.
Van een andere inzet is het tweede Rutte-gedicht, in Het Liegend Konijn 2016, en het is van Lucas Hirsch:

Ik dacht er bruine hemden bij

Voor Mark Rutte

Er is een bruine boosheid over ons neergedaald
Te veel meningen over te weinig feiten
maakten ons bang voor vurige pikken,
geloof dat oorlog brengt en gammele gebitten
Tongen werden gescherpt, messen geslepen,
fakkels ontbrand. Een hooivork
in het hart van Nederland geplant
Het toonde onze christelijke waarden
Liberaal zijn kent zijn grenzen,
voorspelde het weer
Ook vreemdelingen hebben recht
om te weten dat het koud is in dit kikkerland
Dat gunstige wind alleen maar waait voor hen
die onder Oranje Blanje Bleu geboren zijn
De politiek de dunne scheidslijn tussen
opportunisme en populisme bewandelt
Dat het land tolerant is tot de achtertuin
Vreemdeling voor vreemden is

In eerste instantie deinsde ik terug. Al in de titel een verwijzing naar het historische fascisme! Mij vermoeit dat. Maar aangezien ik las dat er naast een Godwin nu ook een Pim-win bestaat, heb ik de tekst niet meteen in de hoek geworpen. Ook niet toen de openingsregel wel erg prominent op Lucebert hintte. Zich meten met de keizer van het geëngageerde gedicht?
Belangrijk en lovenswaardig vind ik de poging om de politieke actualiteit te importeren naar een gedicht. Zonder als soortement antropoloog te willen spreken, mis ik namelijk een beetje die functie in poëzie. Literatuur schijnt altijd een omweg te moeten nemen, van de suggestie, de parabel of allegorie. De poëtica van de figuurlijkheid.
Mij bevalt Hirsch’ lef om door een gedicht termen als ‘christelijke waarden’ en ‘liberaal’ en ‘tolerant’ te strooien, en aan het slot het NIMBY-fenomeen letterlijk te benoemen. Ook de hooguit als cliché fungerende hooivork die in het hart van Nederland geplant wordt, vind ik aardig. En ja, als immigrant hoor ik hierin nog dat het SBS6-programma meeklinkt.
Toch zijn er twee versregels die mijn bedenkingen oproepen: ‘De politiek de dunne scheidslijn tussen / opportunisme en populisme bewandelt’. Vóór deze zin moet de lezer dat invullen, hier als middenpaneel van een poging tot retorische opwarming door een drieslag.
Mij plaagt een beeldspraakconflict. Steeds vaker wordt over een ontwikkeling of proces gezegd dat iemand ‘een weg bewandelt’. Daarnaast heet de scheidslijn – als het spreekwoordelijke ‘laagje vernis’ over de beschaving – dan wel immer dun, maar ze valt onmogelijk te bewandelen.
Officieel zouden de twee rap versteende uitdrukkingen dus moeten leiden tot: ‘De politiek op de dunne scheidslijn tussen / opportunisme en populisme wandelt’. Even grote bullshit, waarbij formeel de voorzetsels hinderen.
Zou Hirsch bewust deze botsing hebben veroorzaakt? Ik weet dat uiteraard niet. Wel vrees ik het ergste door het verwijt van populisme, dat altijd iemand anders lijkt te betreffen. En door de in het gedicht heersende wet voor hoofdletters aan het begin van een regel, had de slotzin helemaal in onderkast horen te staan. Het woord Vreemdeling is dus bewust afwijkend. En dat is vanuit de ideologie van het gedicht conventioneel (De Ander was nog erger geweest).
Ik werd aan dergelijke gemakzucht herinnerd door Chimamanda Ngozi Adichies Lieve Ijeawele of Een feministisch manifest in vijftien voorstellen. In dat mooie en nuchtere boekje, dat ik als witte man beter niet kordaat noem, haalt Adichie een heleboel overhoop.
Ze adviseert feministen bijvoorbeeld tegen een kind niet, of zelden, over ‘misogynie’ en ‘patriarchaat’ te spreken. Dat is jargon en voelt abstract aan, zegt ze. Van het eerste woord wist ik eerlijk gezegd niet dat tot het feministische instrumentarium bij de diagnosestelling hoorde, wel dat ik het altijd moeilijk vind om te spellen (net als ‘dyslexie’).
In laatste instantie wens ik Hirsch’ gedicht meer Lucebert toe. Daarmee bedoel ik ook de unieke beat en klankvirtuositeit die van diens ‘hermetische’ gedichten gelukspoppetjes maken die je met je mee kunt dragen als Michels lach van Rutte.
Poëzie als broedplaat van semantische klank? Of klank als broedplaats van semantiek? Waarom niet? Het onweerstaanbare motiefje van ‘Sex and Drugs and Rock and Roll’ haalde Ian Dury uit een bassolo van Charlie Haden.

woensdag 6 september 2017

Hoe slim ze wel waren




Recent verschenen er twee artikelen over de literatuurbranche die de somberaar uit mij opdelfden. Eerst was er een met interviewcitaten doorspekt betoog over de ondergang van fictie, daarna een duogesprek over het failliet van de traditionele uitgeverij.
In plaats van fictie zou non-fictie de harten van lezers hebben gestolen. Margot Vanderstraeten poneerde dat consumenten bij het overaanbod, waaronder fake news, in elk geval enig nut uit hun leesinvestering willen halen. Dat klinkt geloofwaardig; de observatie stond ook in het pamflet Eerlijk waar? van Anne Provoost. Wel vraag ik me af of ontspanning, wegzeilen naar andere werelden, evenzeer een factor is (of denk ik dat door mijn huidige lectuur van Harry Potter)?
Ook Jeroen Olyslaegers sprak. Zijn succesroman Wil ontleende hij aan bronnen over de collaboratie. Dit ‘waargebeurde’ verweefde Olyslaegers in een conventioneel verhaal, waarmee hij zichzelf bleek te hebben heruitgevonden. Hij nam zich voor die aanpak te handhaven.
De wending die Wil heeft gemaakt, wordt in een groter verband verklaard door uitgever Harold Polis. Volgens hem is het publiek dusdanig veranderd dat inbedding in de cultuurgeschiedenis zinloos wordt. Toespelingen blijven onopgemerkt. Zou een hele laag uit Het verdriet van België dan verpulveren? Soortgelijke simplificaties ziet Polis in het vertellen. De houdbaarheidsdatum van onbetrouwbaarheid – die Polis op jaloersmakend orakelachtige wijze aanduidt met ‘Je est un autre, weet u nog wel’ – als artistieke en kennistheoretische strategie zou verlopen zijn. Autobiografisch vertellen beantwoordt de wensen en capaciteiten van de huidige consument beter.
Wow, wat een eensluidendheid! In een reflex dacht ik al dat ze berustte op provinciale myopie (alle deskundigen kwamen uit Antwerpen). Maar het klopt dat sociale media de vorm van getuigenissen-zonder-context hebben gelegitimeerd. Toch lijkt me die survival op basis van wat dan ideologische non-fictie mag heten geen lang leven beschoren. Wanneer dit de enige literatuur is die zichtbaar blijft, wint het scherm.

Het tweede artikel was een gesprek tussen Saskia De Coster en Marnix Peeters. Om cruciale redenen hadden beide schrijvers de deur van dezelfde uitgeverij dichtgeslagen. De eerste vertrekt naar Das Mag, de tweede heeft een geavanceerd eigen beheer geregeld.
Hoewel Peeters iets van een inhoudelijk conflict zag met zijn Noord-Nederlandse redacteur, lag zijn motivatie in de publiciteitsvoering, vooral via sociale media. Traditionele uitgeverijen hadden een wereld te veroveren. Hij verweet eerdergenoemde Polis niet direct een persbericht te hebben uitgestuurd toen iTunes een van zijn romantitels censureerde.
Bij De Coster telde publieksbereik. Maar ze suggereerde vooral dat bij Das Mag de redactionele begeleiding beter is en ze vergeleek het community-gevoel dat die uitgeverij wekt met de Bloomsbury Groep rond Virginia Woolf of The Factory rond Andy Warhol.
Ik bewonder de achteloosheid waarmee iemand zich afmeet aan groten uit de geschiedenis, hoewel de interviewer, al spraken hier twee vaste medewerkers aan het medium, misschien proporties had kunnen aanbrengen. Maar dat hier serieus een poëticaal programma verondersteld wordt wil er bij mij niet in.
Ooit bestudeerde ik een literair tijdschrift van Das Mag, las een opiniestuk van de uitgever en daarna letterkundige beginselverklaringen in een anthologie – waarna me geen andere conclusie restte dan dat originaliteit, vakmanschap of visie op de wereld juist ontbreken. Ideaal om het fraaiste en het lelijkste op te projecteren.
Misschien steek ik mijn licht beter op bij een bekwame lezer: Christophe Van Gerrewey. Hij las het Dag Mag-tijdschrift ook, meticuleuzer, bovenal annoteerde hij het bekendste boek uit het fonds, met ontluisterende gevolgen voor de hardnekkigheid van de overtuiging van wat professionele uitgevers vermogen. Etaleren.
Tegelijk nam Van Gerrewey het collega-critici kwalijk hun werk niet goed te doen. Nu ligt een aantal van hen aan de ketting doordat ze bij papieren media in luttele zinnetjes merkloyaliteit moeten opbrengen, terwijl Van Gerrewey ruim 2000 woorden kreeg (van het literaire tijdschrift De Gids). Toch zijn er ook recensenten buiten loondienst. Waarom geven ze niet thuis?

zondag 3 september 2017

Het poëtisch probleem van Oranje




Waarom speelt Oranje zo ongeïnspireerd? Postinternationaal klinkende namen als Kenny Tete en Quincy Promes zijn nota bene ideaal om verwarring te zaaien in het kamp van de tegenstander. Net als John Rep zouden zij uit elk land afkomstig kunnen zijn.
Ik vrees dat de huidige compositie niet klopt.
Eerst de standaard:

Jan
Wim Arie Wim Ruud
Wim Johan Wim
John Johan Rob

Hoewel de vakliteratuur, bijvoorbeeld bij Anna Enquist, niet eensluidend is op dit punt, bewijzen hier eenlettergrepige namen wel degelijk hun nut. De verdediging krijgt er iets onverzettelijks door.
In het standaard-Oranje gaf juist de spreekwoordelijke uitzondering Arie meer cachet aan dat gevoel. Zijn bijnaam Bombarie liet doorschemeren dat niet-overtuigde tegenstanders desnoods met geweld of met het woord tegen de grond zouden gaan.
(Voor noodgevallen was er Pleun Strik.)
In de overige linies waren Johan en Johan de kloppende speerpunten, klanktechnisch per linie omringd door assonerende begaafdheden.
Vandaag de dag ligt het volkomen anders:

Jasper
Kenny Stefan Wesley Daley
Giorginio Davy Tonny
Arjen Vincent Quincy

De saaiheid op het gebied van klank, met al die wufte i’s, wordt slechts overtroffen door het metrum. Dat trocheïsme – met Giorginio als enige uitzondering op wiens schouders verantwoordelijkheid komt.
(Op de reservebank: Memphis, Marco, nog een Wesley, Bruno…. Geschorst: Kevin. Geblesseerd: Robin.)
Ik kan natuurlijk de cultuurpessimist uithangen door de huidige compositie dramatisch te noemen. Maar tegenwoordig heet een inspanning van meer dan een paar minuten episch en uiteindelijk is winst prozaïsch.
Wie constructief wil zijn, moet met oplossingen komen. Dan moet ik denken aan de band Level 42, die na een paar hits in de begintijd alweer zo’n vier decennia op tournee is. Het geweld komt er nog altijd van de bas, niet direct van de songteksten. Daarom vond ik het vorig jaar verfrissend een optreden te zien waarbij op het podium een doventolk meedeed.
Verwarring zaaien in het kamp van de tegenstander, het is mager maar het is wat.

vrijdag 1 september 2017

Hevige koortsen




Op weg naar school kwam een schroeigeur ons tegemoet. Er steeg ook wat rook op. Inderdaad was een honorabele gemeentewerker op het vroege uur onkruid in bermen aan het uitbranden. Dit gaf een weinig fijn geluid. Binnen de schoolpoort was het evenmin stil. Opgewonden stemmetjes lagen op een fond van housemuziek, waartoe een grote box naar buiten was gesleept.
Wat gaat het onderwijsjaar brengen? Opiniestukken buitelen over elkaar, al dan niet naar aanleiding van onderzoek dat kennelijk vandaag moest uitlekken. Als hoogopgeleide, taalmaniakale witte ouder begrijp ik dat mijn kinderen best goede kansen hebben.
Hoe gezond dat lezen toch is voor de spieren onzer geest. Zelfs in de vakantie werd flink geoefend. De gourmande krijgt, nu ze eenmaal lezen kan, de verhalen wel het liefst uit de mond van derden tegen wie ze zich aan vlijt – en die ze dan ook vleit.
Het taalkundig genie verslindt boeken. In twee weken las ze de complete Harry Potter (7 dln). Op ijdele momenten verbeeld ik me dat ik haar heb aangestoken, toen ze als baby op mijn buik sliep terwijl ik als jurylid prozaboeken doornam.
We lezen wel anders. Ondanks haar tempo kan ze vele details oplepelen en onderhoudt met elk personage een aparte emotionele band. Immersie, heet dat amper anglicistisch misschien wel in vaktermen. Geloof ik, die met de jaren cognitiever woorden verorber, scannend en technisch bijna.
Op die manier ontbreekt me elk legitiem weerwoord op de sponsoropzegging van een poëzieprijs:

De komende jaren richt VSBfonds zich op actief burgerschap. De huidige maatschappelijke ontwikkelingen leiden ertoe dat de verschillen tussen mensen steeds groter worden. (…) Actieve burgers kunnen een relevante bijdrage leveren aan het versterken van de maatschappelijke samenhang en sociale mobiliteit in ons land. De VSB Poëzieprijs, een prijs voor een bundel van een individu, past niet meer in deze koers.

Ontluisterend want tegensprekelijk voor het dichtgenre, en voor de traditioneel humanistische benadering van literatuur. Of zou de wens de vader van de gedachte zijn geweest? En, om bij mezelf te blijven, hoop ik alleen maar dat mijn fascinatie voor taal voortkomt uit een verlangen naar iets als een collectief waarin spreken en schrijven geen ruis verschaffen?
Ik moest ineens denken aan Pim Fortuyn, wiens Engels niet bepaald een slick willy deed vermoeden en wiens Nederlands aan de elementaire kant was: ‘Mijn gebrek aan taalgevoel duidt op een beperkt inlevingsvermogen in anderen, maar het maakt me ook compromisloos en origineel.’
Tegelijk realiseerde ik me dat ik in het verleden lachstuipen kreeg als in- en outsiders die VSB-prijs aanmerkten als ‘belangrijkste’ van de Lage Landen, maar dat ik die kwalificatie voor aapjeskijkerij en hitparadedenken nu, bij monde van de sponsor, ronduit ergerlijk vind.
Dat bij de doorstart, zoals men dat ook ter zake zo fijnzinnig benoemt, een blad annex kanaal voor het hele spectrum worde opgericht, buiten het copy- and pastewezen om.

vrijdag 25 augustus 2017

Recente literatuur?




In het bibliotheekwezen is een term opgedoken met atletische dimensies die Ajax goed had kunnen gebruiken: Sprinters. Het gaat geloof ik om nieuwe titels waarvoor veel belangstelling is en die daarom slechts eenmalig, mogelijk zelfs in ruil voor steek- en zitpenningen, kunnen worden geleend.
Ik ontwaar terzijde van, of misschien wel parallel aan, deze ontwikkeling een spectaculaire toename van zelf aangebrachte stickertjes op  het recent uitgebrachte boek. Ze vermelden het jaar van verschijnen.
In een afgelegen bibliotheekje zag ik het gevolg op termijn. Het grootste deel van de beschikbare titels had op de rug zo’n etiket, vanaf 2010.
Ten eerste legde dat de nadruk op het zogenaamd actuele (‘moet je hebben gelezen om mee te praten over’, de consumententipbijlagetaal) waar bibliotheken, als cultureel geheugen en correctie op de markt, niet direct voor bedoeld zijn. Ten tweede werd voelbaar dat er steeds meer vernietigd moet worden om het aanbod constant te houden.
Doordraaien heet dat, in plaats van doorlopen.
Tegelijk blijkt de bibliotheek op zichzelf een afzetmarkt te zijn geworden voor boekwinkels in nood, die niet exclusief op coffee corners kunnen teren.

Enfin, nog een hele intro voor de aankondiging dat simultaan met dit bericht een essaytje op mijn archiefblog is verschenen over een traag boek dat ik vorig jaar uit de bibliotheek haalde als zijnde splinternieuw. Ik refereerde er onlangs al aan, in een triumviraat van linksbespottende titels door bekeerlingen.
Over dat boek, Kind van de verzorgingsstaat van Rob van Essen, valt wel wat meer te zeggen. Dat heb ik vorig jaar meteen proberen te doen. En nu ik het nalees weet ik er bar weinig aan toe te voegen, dus hupsakee maar.
Wel eindigt mijn essaytje met een vraag. Wie er stomtoevallig een antwoord op weet, mag het altijd onder deze posting geven.
Dankuwel, amen, vogels, bloemen

donderdag 17 augustus 2017

Streepjes hier en daar




Exact een jaar geleden voltooide Wessel te Gussinklo De Weergekeerde Bloem. Zo leert althans de ondertekening van deze roman: Noord-Beveland, 17 augustus 2016. Wanneer begon hij eraan te werken? Een rare vraag misschien, maar het boek zou gaan over zijn verbroken vriendschap in de jaren zestig met Kees Ouwens (1944-2004). En na diens uitvaart publiceerde Te Gussinklo een afscheidsrede waarin hij memoreerde dat ze elkaar eindeloos thuisbrachten terwijl de roman tot tweemaal toe beweert dat ze elkaar louter zagen in de studentenkamer van Ouwens – die in De Weergekeerde Bloem Marcel van Beek heet, mogelijk naar de bundel Als een beek (1975).
Grofweg stelt de roman een dubbel verraad aan de kaak. Marcel hecht geloof aan de bewering van zijn vriendin Lisette dat Hajé Gerritsen, zoals Te Gussinklo’s alter ego heet, avances heeft gemaakt naar haar. In de roman is de toenaderingsrichting echter omgekeerd, maar Hajé verklapt dat niet aan zijn vriend. En in eerste instantie had Marcel hem zijn vriendin doodleuk aangeboden.
Ook stelt De Weergekeerde Bloem Hajé voor als mentor in het schrijversvak wiens oeverloze monologen razendsnel in een roman worden geplagieerd door de sponsachtige debutant Marcel. Bovendien krijgt dit Gewaand bezit terstond een ‘homoseksuele uitgever’, die Hajés voorspelling waarmaakt: de man, met het voorkomen van een kameel, valt hooguit voor Van Beeks engelachtige uiterlijk. Deze had wel volhardende pogingen gewaagd bij literaire tijdschriften die hij, als alles, nauwlettend volgt, terwijl Hajé al een hoofdstuk voorpubliceerde van een roman.
Hier geeft de literatuurgeschiedenis van Ouwens De strategie (1968) en van Te Gussinklo het onvoltooide De expeditie. Een halve eeuw later wordt het decor van Ouwens’ debuut nogmaals zichtbaar (Helenaheuvel, het landhuis). En wanneer in De Weergekeerde Bloem Hajé zich ten slotte wil wraken door in een bordeel Lisette te bestellen, verschijnt ‘een plomp uitgevoerd boerenmeisje’. Zij zou de fameuze ‘naakte meid’ uit De strategie kunnen zijn.

Is De Weergekeerde Bloem een tragedie of komedie?
Marcel heet dan wel ‘de beginneling, de nieuwkomer’, maar ook ‘de begenadigde’. Evenzo beseft Hajé dat hij een afwijkende stijl heeft (‘Zinnen die elastisch rekten, vertragend, over bijzinnen en tussenzinnen, streepjes hier en daar, haakjes soms, en dan weer kort en snel zoals de beelden, de voorvallen het ingaven’) die principieel verschilt van het ‘onderwijzersproza’ van zijn vriend. Maar Gewaand bezit beschouwt Hajé technisch als voorbeeld. Marcel wordt nota bene opgevoerd als fanate lezer die wil leren, zijn vriend denkt juist autonoom te laveren.
De Weergekeerde Bloem pendelt dan ook tussen nederigheid en arrogantie: ‘En je schreef dezelfde woorden, dezelfde zinnen, je schreef zelfs betere als [sic] die andere bewonderde en succesvolle schrijvers, maar bij hen gloeiden de zinnen op door die kleine wending in de tekst, het ritme in de zinnen, dat was hun adem, dat waren zijzelf’.
Marcels souplesse steekt. In amper drie maanden voltooit hij op 23-jarige leeftijd zijn debuutroman, ‘alsof het al klaarligt, ik hoef het alleen maar op te schrijven’. Volgens Te Gussinklo’s versie zou er een fragment uit voorgepubliceerd zijn. Daarvan is mij niets bekend, wel dat Ouwens’ tempo nog hoger lag, getuige zijn historische ondertekening die wél begin en eind indiceert: oktober - december 1967. Ik kan de bron niet meer vinden, maar het schrijven van De strategie zou zes weken hebben gevergd. Zelf had Te Gussinklo drie maanden nodig, toen hij als 22-jarige De expeditie voltooide. Dat moet in 1963 gebeurd zijn.
In De Weergekeerde Bloem zijn beide personages zo geobsedeerd door literatuur dat ze permeabel worden.
Ouwens’ titel valt tijdens Hajés oraties over het vak driemaal. Deze neemt zich voor krachten te beschrijven die op een individu inwerken en waarop het reageert: ‘De strategieën daarin, het pareren, het judoën; al die pogingen tot overweldigen, alles heeft een reden, betekent iets.’ Over beelden en voorstellingen bij honger, dorst, macht en seks beweert hij een verhaal te kunnen maken: ‘Daar zit een intrige in, een strategie.’ En over onechte mensen die, juist bij hun meeloperij tegen ‘führertjes en duces en andere dictatortypjes’, niet eens in de smiezen hebben hoe machtsbelust ze zelf zijn, adviseert Hajé: ‘die strategie met rollen en beelden, de handigheid, het talent daarvoor, daarover zou je moeten schrijven’.
Tussendoor doemt een andere Ouwens-roman op, uit 1994. Dat gebeurt wanneer Hajé smaalt over zelfverklaarde vernieuwers die van de zin ‘hij ging de trap af’ een grafisch kunstwerk maken. Ze laten van links naar rechts telkens een regel verspringen ‘een, twee, drie, vier…’ Onderdrukt triomfaal maakt De Weergekeerde Bloem melding van Marcels writer’s block. Na zijn debuut raakt deze plotgewijs niet verder dan een man die gaat wandelen, plus inderdaad iemand die een trap afkomt. Ouwens kende het probleem – naast al de euforie die hij bij tijd en wijle in fenomenale taal wist te vangen. 

dinsdag 8 augustus 2017

‘Niet zonder humor’




Joris Luyendijk zegt ook in zijn recentste boekje Kunnen we praten dat men voor media snel de boodschap moet brengen. In 28 seconden, telt hij. Nog een hele spanne tijds, maar het haantje in mij vermoedt dat punt in 5 seconden te kunnen vertolken. Met een legendarisch citaat van Herman Gorter namelijk: ‘O God! ik sta aan de verkeerde kant’.
Kunnen we praten verweeft twee argumentatielijnen. Aan de ene kant is er Luyendijks opmerkelijk late besef van verwante ontwikkelingen in vele sectoren. Hij benoemt ze als Sluipende Verbouwing. Daaronder vallen flexibilisering, privatisering, fusies en ‘harmonisering’ die ontslagen paren aan een overdaad aan managers, uitbesteding en rapportageplicht. De kiem voor deze wending ontwaart Luyendijk rond 1980 bij Reagan/Thatcher, met hun instapcitaten inzake overheid en samenleving (anderen leggen de oorsprong vroeger).
Daartegenover weegt de bestsellerauteur zijn eigen positie van witte, hoogopgeleide man. Bijvoorbeeld dat hij op de televisie goed lag bij de doelgroep ‘vrouwen boven de vijftig’. Ook bekent Luyendijk het vertrouwen in de politiek verloren te hebben. Zoals velen, andersdenkenden vooral, die vóór Brexit, Trump en/of Wilders zijn en in wie hij zich tracht te verplaatsen. Met wie hij raakvlakken ziet, soms.
Ik moest denken aan Luyendijks vorige boek Dit kan niet waar zijn waar een getuige gewoontes van beurstraders op de werkvloer schilderde. ‘De toiletten zien er vreselijk uit, geen idee waarom.’ En de vrouw van een manisch toegewijde jonge bankier wist over de keuken van het appartement dat hij met een vriend in de City deelde: ‘te erg voor woorden’. Nu schijnen er in de omgang met afval al overeenkomsten te bestaan tussen hoogste en laagste klassen, maar het gaat me erom dat het doek van inzicht alleen weggetrokken kan worden als acteurs en toeschouwers tegelijk zichtbaar raken.
Zo tracht Kunnen we praten een begin te maken met een consequenter anti-essentialisme, door geen intentieprocessen te voeren. Dan is er geen plaats meer voor de academisch witte zekerheid dat Zwarte Piet racistisch is, wel voor de nuance dat deze figuur als racistisch wordt ervaren (een trend bij witte theatermakers is gesignaleerd dat ze zelf verhalen van zwarte gemarginaliseerden vertellen).
Toch heeft het iets koddigs dat Luyendijk zich tegenover een grote groep mensen en hun boodschappers als cultureel antropoloog opstelt. Misschien blijven zijn 96 pagina’s vooral bij door de wens zichzelf niet te sparen – en daarbij de klip van het narcisme te omzeilen. Treffend is de schets van zijn bubbel. En de bekentenis op de slotpagina ‘Ik weet het ook niet meer.’ Wederom doneert de auteur echter uitsluitend eigen redenaties. Zijn boek sluit af waar het zou kunnen beginnen met andere werelden. Die waren daarna drie weken lang kennelijk exclusief voor de website kunnenwepraten.nl.
Achter die titel staat geen vraagteken. Gorter moet misschien toch nog even wachten.
Hoe geloofwaardig kan Luyendijk zijn voor andersdenkenden? Bij de Brexit merkt hij op: ‘Een aantal Nederlanders die al tientallen jaren in Groot-Brittannië wonen zijn al door de overheid gedreigd met deportatie.’ Aandacht vraagt niet zozeer dat rare passieve ‘gedreigd’, als wel ‘deportatie’. Dit woord verbindt men toch vooral met de Tweede Wereldoorlog? Of verdring ik als Nederlander van geboorte daarmee koloniale misstappen? Ik kan me indenken dat Luyendijks gebruik van het woord verwend overkomt.
Toevallig las ik een ander boek met ‘deportatie’ in een schijnbaar oneigenlijke context. Alfred Birney laat in De tolk van Java de tirannieke vader in een krappe woning plots een cyperse poes aan het gezin onttrekken: ‘We komen er niet achter wie verantwoordelijk is voor de deportatie van onze knuffel.’ Hier zal het woord minder storen.

woensdag 2 augustus 2017

Nederland o Nederland





Amper waren we de grens over, of daar was het bordje al: ‘fietspad. dus niet brommen.’ Swiebertje ahoy! Maar Spakenburg bracht de variant ‘dus niet snorren’. Van Dale geeft bij dit werkwoord ‘onder het maken van een ruisend of gonzend geluid snel voortbewegen, m.n. door de lucht’ en ‘met een rijtuig rondrijden om te zien of men een vrachtje kan vinden’ en ‘in een snorder ergens heen brengen’. Wat gebeurt daar allemaal aan de voormalige Zuiderzee?

In een Leerdamse supermarkt zeurt een puber bij zijn moeder om vissticks. Als hij eindelijk zijn zin heeft gekregen, eist hij sla. De moeder, beslist: ‘Die kopen we niet’. ‘Waarom?’ antwoordt de jongen uiteraard. ‘We hebben sla in onze tuin.’ Ik geloof dat de verontwaardiging van de jongen gemeend was: ‘Maar moeder, je gaat toch geen sla uit de tuin halen wanneer je die gesneden en gewassen kunt krijgen?’

Doorn, zondagmorgen. We peddelen door een ongeveer twintig meter lang straatje. Het is verlaten, op één man na. Hij beent op ons af en zwaait met zijn wijsvinger naar ons vieren, één voor één. ‘Het is verboden hier te fietsen.’

Elke avond herlees ik op de E-reader een hoofdstuk uit De eindeloze jaren zestig van Hans Righart. Daar construeert hij een waterscheiding met voorafgaande decennia, waarin men zich zou hebben beziggehouden met vervelen. Op de campings die we bezoeken heerst die sfeer continu. Ook zijn de mensen er restloos wit. Überhaupt hebben we in Nederlandse provincies geen allochtoon opgemerkt.

Een paar jaar geleden ontwaarde ik in Nederland een ampersandeconomie, waarbij de middenstand dit grafische teken gebruikte om ongedwongenheid te suggereren & zo. Die trend lijkt nog gaande. Tegelijk prefereren steeds meer winkels de uitgang -uys boven -uis. Een Kookhuys en Eethuys bieden kennelijk homogene, ouderwetse kwaliteit. Wel geven hun specificaties als Bits & Bites en Drinks & Dinners dan tegenstrijdige signalen af.

De wegkapitein zegt over aangename zaken en ervaringen ineens vaak: ‘Hoe xxx is dat.’ Ergens komt die uitdrukking bekend voor, maar waarvan? How Sweet It Is To Be Loved By You?

woensdag 12 juli 2017

Op Linkeroever





Lang geleden nog eens door de voetgangerstunnel met zijn houten roltrappen te zijn gegaan.
Toen ik in de zomer van 2001 in het centrum van Antwerpen kwam wonen, was er aan de overkant van de Schelde de aankomst van een Touretappe. In de tunnel ernaartoe was het al druk, maar ter plekke leek alles domweg dichtgeslibd. Even later voegde zich daar lawaai van de reclamekaravaan bij en vooral van helikopters.
En toen won Mark Wauters. Volgens het grote scherm althans. Ik heb zelfs bij benadering nooit geweten hoe ver van de finish ik had staan wachten in de zon.
Wel begreep ik ‘op Linkeroever’ te zijn geweest, en niet ‘aan de Linkeroever’ die Nederlanders, een uitzondering niet te na gesproken, ervan plachten te maken. Vanaf toen ging ik ook niet meer ‘naar het café’ maar ‘op café’.
Hooguit een of twee weken later, beweert mijn herinnering, was het echt raak op Linkeroever. Toen speelde Compagnie Marius één van haar Pagnol-bewerkingen. In een hangar die uitkeek op de Schelde. Weer was het warm, dus trof het extra dat de Compagnie haar voorstelling had vergezeld van pastis (en brood en olijven?).
Later werd me duidelijk dat eten en drinken integraal tot Compagnie-voorstellingen behoren. Ze duren uren, zodat de verzorging van keel en maag van zo’n gebeurtenis ook werkelijk een soort uitstap maakt in een andere wereld.
Ik weet niet. Voor pijnbestrijding blijkt er zoiets te bestaan als een katholieke en een protestantse dosis. De hoeveelheid morfine in de protestantse variant is de helft van de gangbare dosering, om lijdensverlichting niet te overdrijven. De katholieke hoeveelheid is juist dubbel zo sterk, dus viermaal de protestantse.
Ter indicatie van hoe ik voor de bijl ging: Marius hanteert het katholieke principe. En zelf vond ik me door de jaren heen – ik woonde al lang elders –verzaligd terug in een broeierige polder bij Hoboken, in de stortregen van het Middelheim, in de avondfrisheid van een park bij het Atomium.
Was me van die eerste voorstelling vooral het komische talent van Günther Lesage bijgebleven, spoedig snapte ik dat de drijvende krachten Waas Gramser en Kris Van Trier waren. Hoeveel rollen ze ook binnen één voorstelling opnemen, blind zou ik ze aan hun stemmen kunnen herkennen. De schrille van Gramser, de hese van Van Trier.
En zo verstaanbaar, zelfs voor een domme Hollander!
Inmiddels meen ik de eigen Compagnie-tribune te herkennen en begint het ervaringsconcept zo mogelijk nog consequenter te worden. En ecologischer. Alles is verplaatsbaar geworden. Containers, terrasconstructies uit drijfhout, toiletten met zaagsel,…
De Compagnie lijkt alle kaarten te zetten op nostalgie. Maar tegelijk maken de humor en de zich schijnbaar bij toeval aandienende ogenblikken van improvisatie op en defictionalisering van het betreffende klassieke toneelscript elke identificatie onmogelijk.
Vergelijk het met wat Jeroen Olyslaegers doet in zijn roman Wij, gesitueerd in de legendarische zomer van 1976. Hij laat personages dansen op Le Freak van Chic uit 1978. Wel met de kanttekening: ‘Speelt er een demon met het collectieve geheugen?’ Bij de legendarische Disco Duck van Rick Dees and His Cast of Idiots ontbreekt die kanttekening, terwijl dat in september 1976 werd uitgebracht. Maar in de roman zijn ‘de kinderen [er] al de hele zomer gek op’. En verderop zingt Abba ‘voor de duizendste keer’ Chiquitita, waarmee vanuit een zwembad iedereen meebrult – knap voor een nummer uit januari 1979.
Uiteindelijk schreef Olyslaegers dus geen historische roman maar sciencefiction. En brengt de Compagnie in haar integraal andere werkelijkheid feitelijk een aaneenschakeling van momenten. Bestaat er zoiets als ecologisch toneel? Een bricolage vol hergebruik, zoals hun decor en culinaire randbouwsels?

maandag 3 juli 2017

De eerste keer




Op het eerste gezicht is Vroege werken van Jan Postma een boek om mild van te worden. Pontificaal tegen elke marktlogica wordt het als essaybundel gepresenteerd, mede door een fransoos formaat, zoals de uitgeverijen De Gelaarsde Kat en Het Balanseer dat deden bij oer-essayist Dirk Lauwaert.
Prettig is ook dat Postma, net de dertig voorbij, op de achterflap zijn ironische titel Vroege werken begrenst. Hij stelt dat geforceerde grappigheid niet lang vol te houden valt. Dat doet hij in een vraag- en antwoordspel, dat schwung geeft aan de informatieve reclameconventie op de bepalendste plek van een boek.
Misschien nog meer dan de titel geeft zo’n ingreep een indicatie van behagende metabewustheid. Postma gaat bijvoorbeeld niet in op de toch wat bizarre vraag of het boek ‘zware kost’ is, en somt tussen de behandelde onderwerpen wel op: ‘Kim Holland in de schaduw van een kerncentrale’. Wie hier nieuwsgierig van wordt zal teleurgesteld raken, al was het omdat in de passage de reporter vanuit de auto door zijn partner op de pornokoningin moet worden geattendeerd. Over de kerncentrale, waar ze toevallig langskomen, evenmin nieuws.
In Vroege werken presenteert Postma zichzelf als een verstrooide intellectueel, met het hart op de goede plaats. Een psychologiserende opmerking, zeker voor het essaygenre. Maar ze wordt gesteund door een massa anekdotes die boek deelt, alsof Vroege werken bekentenisliteratuur is.
Wacht even, zat die paradox al niet bij Montaigne, verklaard uitvinder van het essay? Ook deze zestiende-eeuwer sprong van de hak op de tak. Zijn stapelteksten wemelden van ‘weetjes, citaten en bekentenissen’ zoals Alexander Roose dat in zijn studie De vrolijke wijsheid zei met een drieslag.
Hoe komt het dan dat Postma niet aan Montaigne doet denken? Ik vermoed dat hun doel verschilt. Het zestiende-eeuwse prototype analyseerde, zocht naar een antwoord. Daarom zijn diens ‘Over’-titels passend, terwijl ze in de ondertitel staan bij zijn eenentwintigste-eeuwse nazaat. Deze rekent op afdwalingen, memoreert een tocht die geen resultaat hoeft te hebben en waarbij de staties zich bij toeval aandienden.
Doel is bij Postma louter de geografische plaats, bij de kerncentrale. Evenmin toevallig lijkt dat de inhoudsopgave van Vroege werken, nog een teleologisch of ambtelijk boekfacet, niet helemaal klopt.
Hoewel Montaigne meester van de openhartige zelfkritiek is, steekt Postma hem naar de kroon. Hij kampt met een metabewustzijn. Zo kan hij op een vrije dag naar een terras gaan, alwaar koffie en sigaret en boek, en melden: ‘Het had iets van een slechte imitatie en terwijl ik daar zat vroeg ik me af waar de grens tussen een gewoonte en een parodie op vroeger geluk lag’.
Doordat Postma’s brein de wereld op afstand houdt, is het makkelijker te verdragen zo schaamteloos met zijn ik te worden geconfronteerd. Ook omdat die schaamteloosheid niet concreet wordt. Zelfs bij Postma’s ‘eerste keer’ krijg je iets anders dan de achterflap belooft en dan Montaigne waarmaken zou.
Misschien is het boek Vroege werken als geheel braaf, ten koste van vele prachtige passages. De inval om de vanity-search ‘Jan Postma’ om te zetten in het uitpluizen van een beroemde naamgenoot – die in de oorlog verzetsstrijder was, ook op blijkbaar duister aandoend ideologisch gebied – leidt tot beschrijvingen van archiefwerk, en van reisjes naar plaatsen van handeling.
Doet Postma nu mee of niet?

zaterdag 1 juli 2017

Kritisch terugpoetsen (de karikaturale hoofdletter)?



Onlangs dacht ik hier de slimmigaard uit te hangen door te verwijzen naar een comment dat ik elders had geplaatst. Dat houdt de tent netjes hier wel zo opgeruimd.
Maar nu blijkt die site (rekto:verso) niet meer aan comments te doen, dus vrees ik alsnog mijn kamp te moeten volstouwen. Mijn commentaar ging over een recensie van Mia Vaerman op het Klein lexicon van het managementjargon (2016) door Rudi Laermans, Lieven De Cauter en Karel Vanhaesebrouck.
Misschien kwam het doordat ik dat boek net had gelezen dat ik niet veel van die kritiek begreep. Vaermans uiteenzetting valt nog altijd daar te raadplegen, en hier volgt dan nu vanuit de binnentent wat ik daarop te betweten had:

Heb ik recent hetzelfde boek gelezen? In de opsomming van al dat opgeklopte Engels systematiseert het lexicon volgens mij termen die al decennia rondslingeren. Ze zijn clichés geworden voor gelijkgezinden of voor hen die de hoop hebben opgegeven. En begrijp ik het goed dat volgens Mia Vaerman dit boek over taal zou gaan, desnoods als geniepig middel? De tekst ageert toch domweg tegen ‘het’ neoliberalisme dat er maar niet in slaagt inclusief te worden?
Inderdaad verwijzen de lemma’s voortdurend naar elkaar. Het boek vertelt steeds hetzelfde verhaal, zich legitimerend met usual suspects van wie het signalement er enkelen aanhaalt. Paradoxaal is dat de lemma’s door ideologische dubbelzinnigheden bloot te leggen taal uiteindelijk terugbrengen tot een set van enkelvoudige betekenissen die, stomtoevallig natuurlijk, met elkaar in een hyperlogisch verband staan.
Hun boodschap heeft zelfs zoveel urgentie dat de auteurs tot tweemaal toe Luceberts overbekende ‘alles van waarde is weerloos’ aanhalen, zonder er het feitje bij te vermelden dat die regel, hun stellingen ondersteunend, de slogan werd van een verzekeringsmaatschappij.
En omdat het zonder meer intelligente lexicon is opgesteld in een stijl zonder finesse maar met een aandrang voor aforismen, wordt het lezen op den duur vermoeiend, en ergerlijk door de wandtegeltjeswijsheden. Vaerman citeert er nota bene eentje, waar een opzichtige literaire verwijzing in zit: ‘Iedereen moet een onderneming zijn in het diepst van zijn gedachten’.

Voor gedesillusioneerden geeft het boek een lemma dat geen managementjargon is, want het bekritiseert: ‘graaicultuur’. En voor gelijkgezinden volstaat bijvoorbeeld het woord TINA, waarbij de auteurs ‘steekwoorden’ geven (privatisering, deregulering, flexibilisering). Mij ontgaat wat Vaerman bedoelt met: ‘In de jaren ‘80 injecteerden Margaret Thatcher en Ronald Reagan voor het eerst het bedrijfsjargon in hun politieke uitspraken.
Voor alle potentiële lezers geven de auteurs bij een frame het allerminst inclusieve voorbeeld van ‘noest werkende Vlamingen’ versus ‘luie Walen’. Nogal een, eh, afbreukrisico.
Dit lexicon scoort voor open doel. Toch loont dat niet eens altijd voor mensen die tot hetzelfde team horen. Om maar wat te noemen: verhelderend zou het zijn om te achterhalen in hoeverre de drie auteurs niet besmet zijn door de ziekte die ze diagnosticeren.
Ze gebruiken bijvoorbeeld onbesmuikt de uitdrukking ‘de focus leggen op’ en ‘focussen’ – Christophe Van Gerrewey berichtte ooit al over die bizarre noviteit. Ook weet het nawoord: ‘Meer flexibilisering werd een must’. Solo prees De Cauter onlangs in een open brief ‘competenties’ aan (van Rachida Lamrabet), gesteund door zo’n tweehonderd anti-neoliberalen.
Dit alles vind ik voor de goede orde geen schande. Wel een extra aanleiding om óók anti-neoliberale teksten onder de loep te nemen. Hoeveel mensen zien immers al geen ‘uitdaging’ (challenge) om iets aan de maatschappelijke ongelijkheid te veranderen?
Zelf schrijft Vaerman hierboven dat woorden een mentaliteit ‘creëren’. Zou ‘scheppen’ of ‘maken’ te weinig gewicht in de schaal leggen?
Mijn besmettingsbeeldspraak wil aansluiten bij het sluipend gif dat de auteurs in taal proeven. Elders is al geconstateerd dat ze hierbij letterlijk – zonder bronvermelding – citeren uit de fameuze studie LTI van Victor Klemperer. Daarnaast hoop ik met de besmettingsbeeldspraak een voorbeeldje te geven van taal die steunt en argumenteert op versteende metaforen. En die werkelijkheid lijkt me pas echt onderzoek waard, temeer daar ze niet dikwijls zo wordt ervaren.
Het lexicon bevat nogal wat van die metaforen, en ik vrees dat het signalement er vol mee zit. Vanaf het begin: ‘dat managementtaal (…) onze hele [sic] cultuur heeft overwoekerd. (…) vertakte zich snel als taaie klimop verder (…) om uiteindelijk (…) tot in de diepste poriën van onze identiteit te sijpelen. (…) aangetast (…) valt overboord.’
Misschien zal het onderzoek besluiten dat het voor iedereen onontkoombaar is niet een beetje ziek te zijn. Dat de titel van het signalement onaangenaam gedachtegoed ‘doorprikt’ waagt te noemen, lijkt daar al een bewijs van. Onbekommerd gebruik door de auteurs én recensent van de uitgeholde begrippen ‘vorm’ en ‘inhoud’ doet de rest.

Houdt een discoursanalyse dus ooit op en verkeert elke spreker onder het regime van wat de auteurs mooi benoemen als ‘heteronome autonomie’? Of denkt alleen hij, om in stijl te blijven, de perfecte match met de taal te hebben voor een click met de wereld? Dat zou een tragische toestand zijn, die bijvoorbeeld notoir is van antifascisten die in hun taal Julius Streicher naar de kroon steken (ai, versteende metafoor!).
Vandaar dat het lexicon bij mij uiteindelijk een tegeninstructie oproept: practice what you preach.
Is de kant-en-klaar behapbare vorm van het lexicon bijvoorbeeld zelf geen voorbeeld van de vermarkting van een tegenidee? De hopeloos omslachtige titel en ondertitel Klein lexicon van het managementjargon. Een kritiek van de nieuwe newspeak heeft er twee eindrijmen voor in petto. Terwijl het filosofisch klinkende ‘Een kritiek van’ die vermarkting misschien tracht weg te poetsen.
Boeiend vind ik Vaermans observatie dat de auteurs ‘als één spreken’ omdat de lemma’s niet zijn ondertekend. Zouden de uiteenlopende lengtes geen signaal kunnen zijn voor een meervoudig vertellerschap? En hoe komt het dat op het omslag de auteursnamen in een atypische volgorde staan: Laermans, De Cauter en Vanhaesebrouck? Is dit een impliciet protest tegen of juist bevestiging van het statuut van de eerste auteur in wetenschappelijke teksten?
Ik ben ook benieuwd waarom Vaerman de auteurs ‘de bijwijlen zeer Marxistische inslag’ van hun boek zou moeten vergeven. Die hoofdletter heeft iets karikaturaals. 

donderdag 29 juni 2017

Pleonastische werkwoordstijd?




Bladerend door een uitgeverscatalogus blijft mijn oog haken bij een auteursbeschrijving: ‘was emeritus hoogleraar’. Is die verleden tijd niet een beetje dubbelop? (Deze man is jaren geleden overleden.)
Iets bleef frikken, tot me een licht opging: de status van emeritus hoogleraar, een geleerde dus die met pensioen is gegaan, kan uitsluitend in de tegenwoordige tijd worden vertegenwoordigd. Dat feit mag zonder meer hoopgevend en niet-discriminerend heten. Denken staat los van leeftijd en baan.
Alsof dat niet nog genoeg is, beleeft zo’n persoon zelfs voor ongelovigen na de dood een wederopstanding. Hij wordt opnieuw hoogleraar. In de catalogustekst: hij ‘was hoogleraar’.

In België blijken niet-academische gepensioneerden ‘op rust’ te zijn. Dus: ‘XXX is schrijnwerker op rust’. Een onvoltooid verleden tijd zou hier eveneens een niet te helen spagaat aanrichten. Tot na de dood: ‘XXX was schrijnwerker’.
Of vergis ik me?
Tot 10 februari 2005 viel te schrijven: Arthur Miller is de ex-man van Marilyn Monroe. Na die datum werd dat: Arthur Miller was een man van Marilyn Monroe.
Toch?
Evenzo is Johan Cruijff tot 24 maart 2016 een oud-speler van Ajax geweest. Daarna werd hij een speler van onder meer Ajax. Da’s logisch.

Overigens kan Miller vanuit tragisch oogpunt natuurlijk wel eeuwig als ex-man van Monroe worden beschreven, en blijft iemand voor zijn naasten emeritus hoogleraar indien hij na zijn pensioen pas ontbolsterde.

maandag 26 juni 2017

Alles wat je nooit over synergie wilde weten


  
Soms lijkt het alsof een tijdgeest uitglijdt over de bananenschil van één woord. Infosnacking bijvoorbeeld.
Maar wanneer ik me met mijn economisch muizenverstand probeer voor te stellen hoe grotere ondernemingen en overheidsorganisaties zich bewegen, dan ontsnap ik niet aan één term: synergie. Helemaal de enige blijk ik niet in die indruk – het kan opvallen wanneer bij de schaalvergroting van een fusie of overname dat woord juist achterwege blijft.
Recent was het weer raak. Mediahuis nam TMG (Telegraaf Media Groep) over en in een toelichtingsinterview wist de CEO dat het veranderde mediagebruik ook gevolgen heeft voor reclames. Die zijn online gegaan:

‘Daar kun je alleen maar een antwoord op bieden als je voldoende schaal en technologie hebt. Die synergieën liggen niet op het journalistieke vlak, wel op het industriële. Kosten als drukken en distribueren kan je beter managen in een grote geheel, je kunt technologie kopen, je verwerkt kracht in de advertentiemarkt.’

Mijn idee is dat iemand die zich pakweg een halve eeuw geleden heeft laten invriezen om heden verder te leven, deze passage, ook na meerdere malen ontdooid te zijn, niet begrijpen kan.
Toch heeft een andere werkelijkheid mijn stelling ondergraven. In Het goede leven (1981), de studie over de jaren zestig en zeventig van Emma en Lodewijk Brunt, tref ik ‘synergie’ aan als dé panacee. Het woord duidde op een samenwerking waar iedereen beter van werd. Ze zou als verschijnsel al voorkomen onder jagers en verzamelaars die nog gelvrij haar op hun tanden hadden. Uit zulke samenwerkingsmacht borrelden nieuwe energie en creativiteit.
Dat profijt schiep behalve volgelingen en medestanders destijds vooral een positieve grondhouding, die tegenwoordig bij beslissers te vinden is zodra het woord ‘synergie’ op al dan niet noodlottige wijze hun lippen heeft verlaten.

dinsdag 20 juni 2017

Transparantie tot onzichtbaarheid




Sinds kort is de gourmande op Wally. Dit miniatuurpersonage, dat wereldberoemd blijkt, bevindt zich tussen talloze anderen. Telkens geeft een kort tekstje een hint hoe hij te herkennen is.
Beroepsgedeformeerd dacht ik bij Wally in eerste instantie aan poëzie van Tonnus Oosterhoff, maar het ventje staat centraal in een zogeheten zoekboekenserie. Lezen is er kijken geworden.
De reeks Waar is Wally? zal helpen bij het bijeenschrapen van competenties voor eenentwintigste-eeuwse geletterdheid. Ik kan me ook indenken dat hij munitie geeft aan het Belgische twistpunt van gecumuleerde bestuursbaantjes (niet te verwarren met de Wally-taks). Wie nauwkeurig toeziet, kan bijklussende politici gewoon aanwijzen.
Wegens niet-aflatende mandaatmeldingen heerst er een sfeer dat het gros nog onthuld moet. In een recensie die George Orwell, twee maanden voordat de oorlog ook in West-Europa uitbrak, schreef over de Engelse vertaling van Mein Kampf zag hij Lebensraum zich al uitstrekken tot Afghanistan. In mijn oude computerbestand van Mijn Strijd wist de zoekfunctie dat land niet te detecteren, dus het zal beeldspraak zijn.
Maar stel je nu eens voor dat Duitsland echt tot daar kwam. Ganz toll! Veel minder boze dan bange burgers ervaren het echter vice versa: Afghanen zijn naar hier gekomen. Eerst uit je doppen kijken, adviseert Wally. En daarna spreken. En handelen.
Wally is een zelfrichtende spotlight met een peertje van een net niet verwaarloosbaar wattage. Maar is Wally ook een beetje beperkt (‘selectief’) in zijn aandachtzuigerij?

donderdag 15 juni 2017

Een waarschuwingssticker





Twee prijzen binnen één dag kreeg Frank Westerman voor Een woord een woord. Moet ik daar mening of mekker over hebben? Ik heb dat boek toch gelezen?
Afgaand op aantekeningen kon ik er weinig chocola van maken. Ik weet dat Een woord een woord me teleurstelde. Er stonden veel bekende feiten in over de Molukse kapers uit de jaren zeventig. Westerman verweefde ze met privégeschiedenis die voordrong (jeugd Drenthe, journalist Tsjetsjenië).
Een woord een woord bevat veel beeldspraak, niet al te exacte ook. Westerman lijkt er lezers mee te behagen. Met opsmuk die literair oogt terwijl dit onderwerp – de mogelijke relatie tussen idealen en terreur – smeekt om een zakelijke benadering.
Waarom niet de deugd van de verslaggeving gekoesterd?
Ooit stuitte ik op wat een vroege Westerman-tekst geweest moet zijn, in het boekje Een klap van de molenwiek: hoe Don Quichot naar de Lage Landen kwam. Daar zocht de auteur niet alleen naar een onderwerp, maar ook naar een podium.
Het resultaat heet: non-fictie.
Westerman bekent tijdens het maken van Een woord een woord van zijn stuk gebracht te zijn door de aanslag op Charlie Hebdo. Maar terwijl Marc Josten hetzelfde ondervond bij het voltooien van Weerwoord, is dat boek soepel gebleven. Omdat Josten zich de pretentie van de helderheid heeft aangemeten?
Alle kanten gaat Westerman op, zonder dat dit vruchten afwerpt. Uit mijn aantekeningen begrijp ik dat terugblikkende interviews in Een woord een woord me hebben geboeid. Plus het slotstuk over Zuid-Amerika, waar Westerman komt te vertoeven met een voormalige RAF-strijdster.
Alleen luidt de boodschap keer op keer dat revoluties gelukkig passé zijn. Ze hebben volgens Westerman te veel bijwerkingen, waarvan geweld de prominentste is. Maar de indruk die het boek bij mij achterliet was dat opstand uit idealisme sowieso not done is. 

zaterdag 10 juni 2017

Van onze neokritische verslaggever


Iets is misgegaan in mijn debat met Gijsbert Pols. Resoluut beëindigde hij het, omdat ik in mijn kritiek op zijn kritiek op het Boekenweekgeschenk hem bleek te ‘discrediteren’. Onder meer door zijn medium De Reactor ‘neoliberale collaboratie’ te verwijten.
Wadde? Dat zijn morele termen. En omdat Pols’ exercitie volgens mij in laatste instantie misplaatst was wegens groepsverheffing, krijg ik dat punt in mijn gezicht terug.
Ons engagement en politieke overtuiging, is mijn indruk, liggen nochtans dicht bij elkaar, dus speelt hier een verschil in tactiek of karakters? Pols geeft me de begrippen ‘uitwisseling’ en ‘handreiking’ mee. Daar ga ik inderdaad pas toe over indien ik overtuigd word van mijn ongelijk.
Voor derden moet het debat, al voordat het abrupt afbrak, bizar zijn geweest. Ik speurend over oppervlakten, halsstarrig zoekend naar meer argumenten, confronterend en vittend over tegenspraak; daarboven Pols over principes en algemeenheden, galant ontwijkend en inperkend, reagerend op metaniveau. En alle woorden bij elkaar, zeker door wat ik nu nog waag toe te voegen, overtreffen de lengte van Pols’ recensie waarmee het debat ontbrandde.
Bij zijn afscheid rangschikt Pols mijn teksten onder ‘neokritiek’. Voor niet-ingewijden: dat is een begrip van Rudi Laermans uit 1997. Het begrip kwam pas in omloop dankzij Geert Buelens’ nawoord in het Nagelaten werk (2011) van Jeroen Mettes. Sindsdien wordt het met de grootste vanzelfsprekendheid door letterkundigen (inclusief ikzelf) toegepast op boze witte mannen. Afgelopen week nog door De Reactor.
Neokritiek is zoiets als de bubble: hij zit uitsluitend bij anderen. Zij vinden een machtiger gutmensch ‘hypocriet’, waarmee ze echter hooguit tonen dat ze zelf niet sporen. Neocritici, hinderlijke vliegjes eigenlijk, etaleren een kleinburgerlijk narcistisch ressentiment. Ze zijn, zoals dat ijzingwekkend heet, fout.

maandag 5 juni 2017

Future Shock


Een paar tellen ‘in de tuin werken’ doen me weer beseffen wat een rare uitdrukking dat toch is, zijn wortels hebben in. Een zalige, allerminst teleologische puinhoop ontvouwde zich onder het oppervlak.
Toch vallen er geregeld dingen voor die suggereren uit een bepaald nest te komen. Ik woonde een toneelstuk bij dat vergezeld ging van de waarschuwing: ‘Op het podium wordt gerookt’. Nu ben ik opgegroeid in een huis waar tot op de badkamer sigarettendamp te bewonderen viel, maar het is duidelijk dat de maatschappelijke houding tegenover roken in het Westen radicaal veranderd is. Nowhere done.

De redelijk recent overleden Alvin Toffler refereerde in zijn boek Future Shock (1970) tot in de titel aan het gegeven dat menselijk organismen niet elke (idee van) verandering aan kunnen. Schijnbaar overgeprikkeld reageren dan reflexen, die Toffler specificeert in sociale, intellectuele en emotionele aftochten. Terug in de schulp kruipen.
Aardig is dat Toffler een halve eeuw geleden wat trends beschreef die nog bekend voorkomen. En dan doel ik niet op een voetnootje over miljoenen Amerikanen die zich louter metaforisch eigenaar van een huis kunnen noemen omdat ze amper kapitaal erin hebben zitten en hun lening meer op een huurcheque lijkt. Noch op gevechten over eigendomsrechten onder water, op de zeebodem. Of op aansnellende noviteiten van in te planten bevroren embryo’s. En zelfs niet op Tofflers tweevoudige constatering dat kennis steeds veroudert terwijl de mens langer leeft.
Ik doel wel op het eenmalig gebruik van dingen, wat hij noemt ‘modularisme’. Weggegooid en/of ingeruild worden eveneens personeel en/of vrienden. Een oorzaak ziet Toffler in een dan nieuw type werk waarvoor men veel onderweg moet zijn en verhuizen. Het veroorzaakt corporate gypsies, die confronterend zijn voor honkvaste annex streekgebonden mensen: feitelijk achterblijvers!
De clou bleek om nergens wortel te schieten, misschien een extreme versie van zelfsegregatie. Terstond becijfert Toffler dan ook hoe en waarom landbouw niet langer de arbeidsmarkt domineert. Dat er minder mensen op het platteland dan in steden zouden wonen, was toen al evident.
Ook signaleert hij meteen twee reacties: de verandering als ‘uitdaging’ zien of als onbehaaglijk stemmend gevoel. Steeds is innerlijk evenwicht even weg.
Toffler ziet slechts toekomst voor 2 of 3 procent die sneller kunnen leven, want flexibeler zijn en kennis kunnen blijven opnemen. Daartoe is honkvastheid niet echt handig.
Zouden vluchtelingen dan resistent zijn tegen future shocks? Mogelijk zijn juist hun familiebanden (gezinnen heten bij Toffler draagbare wortels) de stimuli voor overleving in plaats van handigheid in het aangaan van ‘functionele relaties’.

Moet ik me als immigrant afvragen waar mijn wortels liggen?
Bij een documentaire over The Analogues die studionummers van de late Beatles reconstrueren om ze live te spelen, met originele instrumenten, dringt tot me door dat alles verdween wat er aan synthesizers en randapparaat in mijn bezit was. En dat mijn eerste aanschaf, de loodzware Fender Rhodes, een heuse elektrische piano die digitaal nooit te imiteren viel, nog altijd in huis is.
Nu heeft muziek natuurlijk de eigenschap zich te hechten aan elke mens, maar ik begreep nu pas dat zoiets verder strekt dan specifieke liedjes die gebeurtenissen en bijbehorende gevoelens weten te evoceren. Het kan ook om een geluidsspectrum gaan (in mijn geval: analoog).
Of om een grillig genre dat door het filter van één persoon samenhangend wordt. Dankzij YouTube dat je laat hippen van het een in het ander, op basis van voorkeuren uit zoekopdrachten, kreeg ik een carrièreoverzicht van Michael Brecker voorgeschoteld. Het bleek geknipt en geplakt door ene Bernie Sanders. En verrek, dat was dezellufduh!
Hij blijkt twee jaar geleden begonnen te zijn met het posten van voornamelijk mainstream jazz (noch ‘Future Shock’ à la Hancock). Solo’s, liedjes en hele elpees. Sinds mei heeft hij dit project pas in volle omvang en met sterk verhoogde productiviteit de wereld in geslingerd.
Alsof hij wil zeggen: daar is een president met zijn wortels, en hier ben ik die op zijn plaats had kunnen staan met mijn traditie.
Over muziek in datzelfde land stelde Bart Meuleman in De donkere kant van de zon dat genres als country, blues en folk bij het platteland horen, maar hun succes kennen in de grote stad die als hun luidspreker fungeert. Daar is de muziek, schrijft hij letterlijk, met wortel en al overgeplant.
Maar los van hun gemeenschap vervreemden deze genres. De zanger kan dan wel zijn heimwee bezingen.
Grappig vond ik bij The Analogues dat door alle uitleg het – Engelse – Beatlesrepertoire heuse klassieke muziek werd. En dat wat surfen op de bandleden me, behalve wederom bij Piu Piu, bij Duplex Johnson bracht, totaal uit mijn geheugen gevallen, rond mijn geboortestad waaronder minstens zoveel water loopt als gewortelte.
Tot slot was er het bericht over fenomenale verliezen die uitgeverij De Bezige Bij heeft geleden wegens niet-terugvorderbare voorschotten aan transferrijpe sterauteurs (zou er een aparte kostenpost zijn voor etentjes?). Stomtoevallig had ik net gelezen hoe de oude Van Oorschot debutant Voskuil het hof probeerde te maken om een typoscript dat de titel Bij nader inzien droeg.
Voor dat bitsige krakertje van meer dan 1200 pagina’s, waarin minstens zoveel sigaretten opgestoken worden, putte de uitgever zich uit in telefoons en (expresse)brieven en bezoekjes, vooral bij nacht en ontij. (Voskuils daaropvolgende boek vond hij ‘lauw water op een filter met reeds afgetrokken koffie’, en toen hield het contact stop).

En tja, moet ik een mening hebben over de IS-aanslagen? Vanuit het wortelframe zal de recentste in Londen mogelijk extra indruk hebben gemaakt doordat ze niet met technologische bomgordels of kalasjnikovs werd uitgevoerd, maar met kapmessen. Ambachtelijkheid, handwerk dat doelbewust appelleert aan oerangsten?
De tuin bewerkt hebbende geloof ik ergens toch dat rizomatische beeldspraak getrouwer de wereld weergeeft.