donderdag 19 september 2019

Een boerkamuseum?


 
Ik heb geleerd om anderen tegemoet te komen en om anderen te respecteren. Omdat ik weet dat in verschil en verscheidenheid kracht zit, maar helaas vinden anderen het moeilijk mij te accepteren. Mijn niqaab wordt als een gevaar gezien en ik mag niet zijn wie ik ben. Ik ben niet uw vijand en ook niet een gevaar, daarom bewapen ik mij met de pen! Terwijl mijn niqaab mijn ziel koestert en mij beschermt hoor ik dat mijn niqaab anderen afschrikt. Ik ben gewoon een vrouw die een andere keuze heeft gemaakt. Maar weet u dat uw norm mij schrikt? De niqaab is een keuze die bij mij het beste past. Ik voel mij er vrij in en het is een vrijheid waar ik voor vecht. Ik heb recht om die keuze te maken, want uw recht is mijn recht!’
Dit schreef arabiste S. Lakbiach in 2015. Inmiddels heeft het vaderland het dragen van zulke kleding in wetten vastgelegd en komen de gevolgen daarvan telkens in mijn nieuwsblikveld. In de marge waarvan ik benieuwd ben wie waarom doorheeft dat bovenstaand citaat een heel gedicht is. Desgewenst zijn de regelafbrekingen hier te vinden, waarmee duidelijker wordt dat er vaak rijm is. Die aloude lezerslijm wordt wel gesmeerd op woorden die niet direct als poëtisch worden ervaren, te beginnen met ‘respecteren’ en ‘accepteren’. En dan zwijg ik nog over ‘verschil’ en ‘verscheidenheid’, die wegens grosgebruik door de meeste uiteenlopende spelers retorisch zijn gaan klinken.
Doet zo’n technische kanttekening ertoe? Voor mij niet, omdat hetgeen Lakbiach zegt autonome waarde heeft en het een aspect van vrijheid vertolkt dat ongeloof blijkt te genereren. Afgelopen weekend weer bij Dirk Verhofstadt, die in een pleidooi voor individuele vrijheid boerka’s rijp voor het museum achtte,  ‘als relieken van een tijd waarin mensen het recht werd ontzegd om zichzelf te zijn’.
Mij emotioneerden these en vergelijking, ook nog gedetecteerd bij ‘de massa’. Natuurlijk polemiseren ze en heb ik door studie van teksten, voor een vorig boek, deze partijideoloog leren kennen als een verbeten strateeg die in Nederland sympathie vindt bij Paul Cliteur. Ik denk dat Verhofstadts redenatie me zo onaangenaam trof omdat een overtuiging samen met een praktijk gedateerd verklaard werd – zoiets gebeurt in literaire kritiek ook.
Verhofstadt opereert hier louter vanuit een onwrikbaar vijandbeeld (zoals zijn tegenpool Peter Mertens). Bij deze vrijzinnigheid heet de gebeten hond religie. Zelf heb ik daar ook geen affiniteit mee, net als met nationalisme waarvan Verhofstadt walgt, maar mij ontgaat het waarom deze fenomenen verboden zouden moeten worden. Helemaal in een betoog voor individuele vrijheid dat mensen juist niet wil terugbrengen tot ‘constructen’.
Handig is het waarschijnlijk onwelgevalligheden conservatief te noemen, maar bij een dergelijke reactie op godsdienst lijkt het me grote lenigheid te vergen daar zelf aan te ontsnappen. Wat hebben die zelfverklaarde atheïsten meegemaakt dat hun allergie nog in de eenentwintigste eeuw zo quarantainerig is? Blij dat me elk psychologisch doorzicht ontbreekt.
Verontrustend vind ik dat Verhofstadts rabiate teksten de inspiratie blijken te vormen voor de jonge liberale burgemeester van Gent, Matthias De Clercq, die zelf beweert polarisering te willen tegengaan. Wat voor een gidsfiguur kan dat wezen wanneer deze klaagt over ‘een teveel aan gedwongen solidariteit’? Zouden deze mannen bijvoorbeeld van Lakbiach principieel niet willen aannemen dat ze zich vrij voelt in een niqaab, voor haar een teken van emancipatie? Is zoiets in 2019 nog steeds  ‘achterlijk?
Zelf reageerde Lakbiach overigens, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, op een lang gedicht van Theodor Holman, daags tevoren als Het Parool-column gepubliceerd. Het prefereert strofe na strofe 60.000 exemplaren van groepen die de dichter niet aanstaan, maar altijd nog meer dan ‘islamieten’:


Want ik hou zo van mijn vrijheid.
Ben je islamiet en woon je hier,
geniet – ik zal je geen haar krenken,
maar je wel van je geloof af redeneren.

Mijn wapens zijn de logica en rationaliteit.
Ik zal je vragen mijn ongelijk te bewijzen.
Ik zal niet schelden, maar ik zal de draak moeten steken
met je god en je godsdienst.

Tja. Misschien is het dat imperatiefje ‘geniet’ dat deze tekst voor mij definitief ongenietbaar maakt. Verandert het al die particuliere expressiedrang niet in een consumentendingetje, voor het straatbeeld? Holmans provocatie kan inderdaad één grote grap zijn, en onder de vlag van vrijheid moet ook dit kunnen worden gezegd. Maar of het iets oplost?
Ik meen dat Holman de grenzen van de meningsuiting wilde opzoeken en dat hij er niet tegen kon dat kritieken als deze hem voor de buitenwereld automatisch in het kamp van de PVV deden belanden. Het ene onrecht is kennelijk het andere niet.

maandag 9 september 2019

Zelfgenoegzame tevredenheid





Ooit ging iemand die 65 werd met pensioen, inmiddels is er voor deze persoon een kletskassa. Pas dit weekend raakte ik op de hoogte van dit – in sweet old Brabant voorkomende – fenomeen, terwijl het al even blijkt te bestaan. Iemand die niets meer omhanden heeft en ‘om de eenzaamheid te bestrijden’ een gesprekje wil, kan het in de rij van die kassa krijgen.
De alliteratie in kletskassa belooft een spervuur van dialogen, meer dan zijn synoniem keuvelkassa dat volgens Google een jaar langer op de teller heeft. Kennelijk was er onvoldoende vertrouwen in het effect van praten, babbelen en ouwehoeren. Of van converseren, kouten of kwekken, die wel een alliteratie hadden opgeleverd.
Zouden medewerkers er een speciale cursus voor moeten volgen?
De kletskassa werd uitgevonden door supermarktketens. Cynici kunnen denken dat langer wachten door het kletsen kan leiden tot meer aankopen (bij de finish staan de verleidelijkste artikelen), pragmatici merken op dat juist ouderen geneigd zijn voor te dringen. Maar wat mij frappeert is dat hier iets op bedrijfsniveau wordt uitgeprobeerd dat onder beheer van de overheid stond.
Het welbevinden van bepaalde burgers hoeft niet meer te worden uitbesteed. Net als kinderen onder de twaalf zijn ouderen onvermijdelijk een interessante doelgroep. Hun belangen worden behartigd door one-issuepartijen. Maar uit die politieke boezem hoort eigenlijk iets anders te komen dat de koopkracht garandeert, dankzij de AOW die in 1956 begon.
Demografisch zouden pensioenen niet meer evident zijn. Te veel mensen worden te oud. Mij intrigeert de ideologische weerstand. De signalen om dit basisrecht op te heffen kwamen vroeg. Pal na de zogenaamd verkwistende jaren zeventig hadden Jacobse en Van Es al een oplossing. Er hoefde louter geïnvesteerd voor autochtonen die de handen uit de mouwen staken en die het gogme hadden nieuwe markten aan te boren. ‘De miljoenen van de pensioenen, de miljarden van het gas’: met deze inkomsten kregen sommige burgers wat hun toekwam.
Satire uiteraard, maar de kletskassa had er een selectief publiek door gekregen. Al was het om één taal tot standaard te promoveren die nooit heeft bestaan. Gelukkig heet praten niets te kosten, in tegenstelling tot gebakken lucht geloof ik.
Zou het pensioen ooit onomstreden zijn geweest? In de Verenigde Staten lag de hoogste belastingschaal op 92%. Dat weet ik uit een boek over Coca-Cola, waar de baas dit tarief schokken moest. Wel ontving hij na terugtreding, behalve een adviseurshonorarium van 20.000 dollar per jaar en wat inkomsten uit zijn aandelen ter waarde van 250 miljoen dollar, elke maand een portie van zijn staatspensioen.
In dit voorbeeld staat rechtvaardigheid ter discussie: moet iemand gebruikmaken van een basisrecht wanneer zelfbedruiping volstaat?
Een ander type rechtvaardigheid kreunt onder het besef dat babyboomers ook in het slotstuk van het leven de mazzel van een inkomensgarantie kennen. Geinig, na revolutionaire overtuigingen uit hun jeugd. Een pensioen wees op stabiliteit, wat burgerlijk kon zijn. Opnieuw is al vroeg een tragische scheiding van geesten te ontwaren. De revolutie zou officieel namelijk zwakkeren ten goede moeten komen, maar zelfs de iets oudere Roel van Duijn beweerde toen al:

‘Wij provoos aksepteren het anarchisme als (antipolitieke) tejorie. We zien de tejoretiese mogelijkheid van een anarchie. De praktiese verwezenlijking lijkt mij ver van de rejaliteit. De arbeidersbeweging is ingedommeld achter de teeveetoestellen in zelfgenoegzame tevredenheid over de behaalde resultaten: ouderdomspensioen en arbeidsvitaminen.’

Dit idee van permanente beweging zal ten grondslag liggen aan nieuws dat ertoe aanzet hypocrisie te ontwaren. Ik denk bijvoorbeeld aan het bericht dat Mick Jagger, uit Van Duijns bouwjaar, al vroeg in zijn Stones-tijd een levensverzekering had afgesloten.
Mogelijk sorteert zo’n effect omdat Jagger een zelfstandige is die van stonde af vrijwillig buiten de overheid om heeft geopereerd. Heden zijn er door de afname van vaste dienstverbanden echter nogal wat verborgen werklozen wier virtuoos vage statuut (zzp’er) de schijn van ondernemerschap hoog moet houden. Moeten kunstenaars de idee van permanente beweging helemaal genegen zijn? Dan zal de vooronderstelling ongeveer luiden dat ze als consequentste mensen ter wereld door een pensioen zouden worden beledigd in hun nooit aflatende scheppingsdrift.
Hoe treurig het verschil met de werkelijkheid. Dateert de AOW dus van na de Tweede Wereldoorlog, uit brieven van kleinkunstenaar Jean-Louis Pissuisse blijkt dat er vlak na de eeuwwisseling al ideeën rezen over een Pensioenfonds voor Artisten, die decennia later hun beslag kregen. Toen ging het nog maar om liefdadigheid.
Aan de andere kant is zeker in kunst zoveel concurrentie gekomen dat zwijgen in de vorm van een (vroegtijdig) pensioen uitkomst kan bieden. Ik moet denken aan Christine D’haen, de grote schrijfster die na haar 65e tot een verbluffende productie kwam. Haar ultra-originele boek Schreef in de aarde, dat louter brieven aan haar bevat, wilde ze eerst afsluiten met een missive van het Letterenfonds. Vriendelijk ried het haar aan te genieten van haar vrije tijd – en geen werkbeurzen aan te vragen voor nieuwe projecten.
Uiteraard kan zo’n economisch argument voorkomen de kunstenaar te confronteren met een verdict dat gênanter is. Wie wijst graag op het etaleren van achterhaaldheid in postjeugdig werk? Al was het om geen strijdvaardig antwoord te krijgen over the survival of the fittest, waarbij aanpassing, en dus opportunisme, het zou winnen.
In dat darwiniaans perspectief kan ten slotte taal zelf worden bezien. Voor Elisabeth Costello, auteur-personage van J.M. Coetzee, is banaal een term die ‘should be retired’. Woorden komen en gaan, dus is het de vraag hoe lang de eeuwigheid duurt die ‘kletskassa’ gaat trotseren. Iets zegt me dat er meer kans is voor het digitale winkeltje dat Albert Heijn nu uittest. In het persbericht staat wel nog geen ander jargon dan plug and play en grab and go. Maar de alliteraties lonken.

woensdag 4 september 2019

Dat bedoel ik dus




Er is vast een subtiel verschil tussen commotie en consternatie, maar toch: in het vaderland was het minstens een paar seconden bal. Deze dans der opinies werd veroorzaakt door niets minder dan de Kinderen voor Kinderen. Hun nieuwe lied ‘Reis mee!’, gecomponeerd door Jochem Meijer en Tjeerd Oosterhuis, bepleitte bij ouders om tijdens de vakantie ook culinair de touwtjes te laten vieren.
De dienstdoende kinderen geven zelf een suggestie voor het menu: Pizza, pasta en patat. Een kenner wees me erop dat deze drieslag een voorloper kent in het Kinderen-voor-kinderen-repertoire: ‘Kip, patat en appelmoes’, door Henk Westbroek en Henk Temming van Het Goede Doel. Dat liedje komt uit 1989. Tussen de twee menusuggesties zit een heuse millenniumwisseling, maar een kind onder de evenaar is meestal nog een bedelaar. En in alle genoemde gerechten werpt de letter p zich op.
Constante op de kaart blijkt uitsluitend patat. Voor dat gerecht is het een Hollands woord waar in Vlaanderen, amper gallicistisch, friet tegen wordt gezegd. Beide landen betonen zich zuinig in hun aanduidingen, want de lekkernij heet integraal patates frites. Dat de etymologie teruggaat op batata, en dus op koloniale wingewesten, dunkt me geen verrassing.
Kip en appelmoes zijn verruild voor pizza en pasta. Zou in de tussentijd de Italiaanse keuken dus zijn ingeburgerd? In mijn jeugd bestond de aanroep ‘spaghettivreter’, geen compliment. En ‘pasta’ kwam neer op macaroni. Dat goedje werd op zijn beurt gemonopoliseerd door de firma Honig, die er de naam elleboogjes voor reserveerde. Naar mijn idee is dat gewricht dan wel soepel, maar eerst en vooral stevig. Bedoelde pasta had echter meer weg van pap, kleine vermicelli misschien, en moest geslurpt worden. Uit het begin van de jaren tachtig herinner ik me vervolgens, na een middaglange bereiding door een vriend van mijn zus, de eerste pizza van mijn leven nog levendig – het afgrijzen ervan, vrees ik.
Quod uitheemse keuken? Het broodje shoarma en de tiramisu die bij de Kinderen voor Kinderen van nu tot het standaardrepertoire behoren, heb ik evenzeer in mijn late puberteit op de markt zien komen. Mogelijk was er in hogere milieus al enige vertrouwdheid mee. In Het supermarktparadijs van Roland Duong staat dat Nederlanders pas na 1950 van gelijke lengte werden. Toen was het verschil gemiddeld nog 4 cm, in 1873 was het zelfs 13 cm. Rara in het voordeel van welke stand?
Enfin. Wat mij in ‘Reis mee!’ schoon aan de haak bezighoudt, is het slot van het refrein:

Dat bedoel ik dus dat
Pizza, pasta en patat

Verweesd blijf ik achter met de uitdrukking: ‘Dat bedoel ik dus dat’. Vanwaar die late herhaling? Ik stel me voor dat haar functie iets fatisch zal zijn. De spreker kan er een nadruk mee geven die onderwijzers aan het eind van een zin leggen met ‘begrijp je?’ (in Vlaanderen: ‘versta je?’). Maar waarom dan een letterlijke herhaling?
In mijn Noord-Nederlandse jaren hoorde ik ouderen wel eens een relaas doen met de taalfiguur ‘Ik zeg… zeg ik’. Maar ik kan niet verifiëren hoe bij de tijd nog die is. Commotioneel-consternatoire boem patat.

maandag 26 augustus 2019

Genoeg is genoeg




In de Zomergasten-aflevering met longarts Wanda de Kanter trof me het Cruijff-fragment uit 1973. Uiteraard was in Fietsland Nederland de buitenlandse trainer Stefan Kovács de enige die per tweewieler op Ajax’ trainingscomplex arriveerde. Maar dat bedoel ik niet.
Ik vond het speciaal dat de maker van deze documentaire Nummer 14 (geproduceerd door Cruijfs schoonvader) dezelfde was als de auteur van het boek De Ajaxieden, twee jaar voordien aan de wereld geopenbaard. Onlangs las ik het toevallig en was verbijsterd dat Cruijff er ronduit ‘niet bijzonder intelligent’ heet, Barry Hulshoff ‘een intelligent gevoelsmens’ volgens wie coach Rinus Michels ‘erg intelligent’ is zij het ‘met twee gezichten’, terwijl Piet Keizer volgens de auteur gewoon ‘intelligent’ is.
Het zullen de jaren zeventig wel weer zijn.
Cruijffs uitleg in het fragment was even openhartig als bochtig (ik kan er helaas geen voorbeelden van geven omdat de VPRO-robot me meedeelt dat het programma ‘niet bekeken mag worden vanuit jouw locatie’). In die combinatie van eigenschappen heeft hij school gemaakt, niet meteen, maar bij de Generatie Z, voor wie er altijd internet en mobiele telefoons geweest zijn.
Ik besefte dit vandaag eens te meer na de verklaring van Vlaams klimaatboegbeeld Kyra Gantois, waarin ze uitlegt waarom ze weggaat, of is gebonjourd, uit de kerngroep van Youth for Climate. Net zoals bij Cruijff zou bij haar de schoolmeester in mij zinnen willen voorzien van interpunctie. Haar slaloms met bijvoorbeeld het voegwoord ‘maar’ gaan mijn leeslenigheid te boven.
Bij één zin wist ik domweg niet of er een tikfout stond, spreektaal werd gebezigd of dat de harde schijf in mijn hoofd een update verdient:

‘Ik hoopte dat ik dit verhaal nooit ging moeten doen, maar er is een punt waarop genoeg genoeg is en ik ben het beu zo behandeld te worden.’

Mij gaat het om Gantois’ ging, waar officieel ‘zou’ hoort te staan. Ergens voel ik er vertrouwdheid mee, maar dan toch exclusief vanuit Vlaanderen. Uit het vorige millennium, toen Nederland mijn standplaats was, staat me bij dat het werkwoord ’gaan’ een toekomst kon uitdrukken, maar niet in de verleden tijdsvorm. Wie zei ‘Ik ging werken’, werd daarbij minstens onderbroken.
Dit ‘gaan’ betrof volgens mij tastbare daden. Onvergetelijk blijft ook de verwensing ‘Ga fietsen!’, waarbij de bestemming nooit in mijn postvakje is geraakt. Tenzij aan het eind van die rit de hel lag. Van deze locatie heb ik nooit verstand gehad. Nochtans las ik recent tevens een boekje waarin de oplossing nabij leek.
Katholiek worden! Dat scheef in Branding (1930) Pieter van der Meer de Walcheren, en hij beloofde een authentieke sterrenstatus aan de gelovige die hartstochten bedwingt door zijn plaats te kennen: ‘Hij moet zijn een dukdalf, waaraan de door den wilden stroom van den tijdgeest meegesleurde, hun stuur verliezende schepen zich kunnen vastmeren!’.
Ideaal voor wie zich omgeven weet door een zee van informatie.
Overigens vrees ik dat Youth for Climate het punt van Gantois bevestigt door nu ook letterlijk een andere taal te spreken en te reageren met een persbericht in het Engels. En dat het van een artistiekerige treurigheid getuigt dat een Zomergasten-recensent klaagt over antwoorden en verlangt naar vragen. Tenzij het aloude ‘wie wat vindt heeft slecht gezocht’-dogma al die jaren zijn adem heeft ingehouden.

zondag 18 augustus 2019

La douce




God kan wel inpakken. De voltooid toekomende tijd bestaat en bevindt zich in Frankrijk. Achteraf had ik dat kunnen weten uit het bruuske begin van Confessions, wanneer JJ Rousseau zegt dat zijn experiment ‘n’aura point d’imitateur’. Bij mij viel het kwartje pas deze zomer, op campingtoiletten. Waar ik me als Hollander meteen realiseerde dat een van de merkwaardigste taalverzoeken in het Vlaams vermoedelijk een gallicisme is. In België kunnen mails gewenste daden namelijk doodleuk binnensluizen met: ‘Bedankt om voor 8 april…’ In Noord-Nederland staat er dan: ‘Wilt u voor 8 april…’
Wc-aanplakbiljetten tijdens onze fietsreis begonnen steevast met: ‘Merci de…’ Het frequentst was de zekerheid het toilet in de hygiënische staat achter te laten waarin ik hem had aangetroffen, af en toe specificeerde het merci zich tot de garantie dat ik mijn kak ging wegschrobben.
Nu ik het daar toch over heb, in België treedt er geen herkenning op bij de vakterm remspoor. Wel behandel ik in lessen soms het in prototypisch Vlaams gestelde wc-verzoek, zoals ik dat las in een vakbondsgebouw: ‘Gelieve de toilet proper achter te laten en indien nodig de wc-borstel te gebruiken na uw toiletbezoek.
Zouden Fransen wat dat betreft heus explicieter zijn? Op campings heeft de vooruitgang het land bereikt. De kakgaten met voetblokken voor de ruiter zonder paard zijn aangevuld en vervangen door wc-potten. Nu nog de finishing touch. Op een municipal waar volgens de beheerder-ambtenaar iedereen zich familie van iedereen voelt, slenterde een man naar het sanitair blok met een glanzende blauwe bril over zijn schouder.



’s Avonds op de e-reader bladerend door De liedjes van Ome Willem, verzameld door Karel Eykman, ben ik, duizendmaal dit slot gehoord hebbend, totaal ontroerd en verbluft door de Epiloog, van de hand van Willem Wilmink:


Deze vuist op deze vuist,

deze vuist op deze vuist

deze vuist op deze vuist

en zo klim ik naar boven.



Deze vuist op deze vuist,

deze vuist op deze vuist

deze vuist op deze vuist

en zo klim ik naar boven.

Bijna Leopold! Vaak is beweerd dat men poëzie beter kan beluisteren dan op papier te consumeren. Ik heb dat altijd een beetje snobistisch gevonden en bovendien vermoed dat er een tegemoetkoming werd gedaan aan onwillige lezers. Maar ze was natuurlijk niet futiel – ten aanzien van de totaalervaring met gedichten in het algemeen. Na dit voorbeeld veeg ik echter mijn reet af aan die Ome Willem, ten gunste van zijn voornaamgenoot die achter deze tekst onzichtbaar bleef.
Op de andere e-reader doet zich nog een wonder voor: de gourmande is aan het lezen geslagen. Bijna negen had ze niets van haar oudere zus, die van jongs af boek na boek heeft verslonden. Ineens ligt ze in haar slaapzak op haar buik, gespannen turend naar het apparaat dat oplicht in de schemer en dat we haar moeten afnemen wil ze aan slapen toekomen. 
Aan haar eruditie rijgt ze achtereenvolgens Alleen op de wereld, Niels Holgersson en Kees de Jongen. Die titels heb ik opgeduikeld van de DBNL, waar de vertalingen en originelen van vroege makelij zijn. En dus in verouderde spelling. Haar zus (wie ze de betekenis van ‘enfin’ had gevraagd) maakte die al mee, de gourmande nu dus ook. Beiden signaleren slechts de soms afwijkende aanblik van bekende woorden, glunderend, als betreft het een opspringend haasje langs de weg. Hoe is Marita Mathijsen toch op het idee gekomen dat studenten tegenwoordig louter hertalingen aankunnen?
Misschien is de gourmande bevoordeeld. Ze ziet haar beide ouders veel lezen en deze hebben nog in de neerlandistiek gezeten. Maar dat was al even geleden, dus schijnen we geen recht van spreken te hebben.
Ik mag trots zijn dat er een lezertje geboren werd, die de tijd van Ome Willem niet kent. Sinds ze thuis is heeft ze wel geen tekst meer ingezien.



Bij aankomst stuiten wij op een mooi artikel, ‘Swap-bewoners’, door Pieter Lagerwaard. Het redeneert vanuit de stadsrage zich te abonneren op fietsen die bij elk mankement vervangen worden door een soortgelijk exemplaar, te herkennen aan een blauwe voorband. Daarbij is de idee uiteraard dat wanneer mensen geen andere relatie aangaan tot de dingen dan een tijdelijke, de band met de omgeving erg losjes wordt – de swap-fiets blijkt in Amsterdam te worden ingezet door hoogopgeleide kapitaalkrachtige kosmopolieten.
In Frankrijk werden we geconfronteerd met een verwante ontwikkeling: dorpen stromen leeg, winkels maken in het gunstigste geval plaats voor automaten. Na een velgbreuk op het platteland vertelden twee allervriendelijkste dames ons dat fietsenmakers louter nog in steden te vinden zijn. In dunbevolkte streken zijn er wel garagisten die naast auto’s en motors nu ook fietsen proberen te repareren. Daarnaast kan men bij de dichtstbijzijnde shopping mal (niet bij hun dependances die de achternaam Contact dragen) een nieuwe fiets kopen, sportief model.
Lagerwaards karakteristiek associeerde ik eerst met de beweging die vele vingers op smartphones maken, een gebaar van wegschuiven. Dit soort swap-fietsen bestaat immers bij de gratie van een digitale orde, een app of zoiets waarmee leden hun zaken regelen. Dus vond ik, hoogmoedig, ‘swaffel-bewoners’ een passender benaming. Maar swappen betekent iets anders, in een andere wereld.
Ook voel ik de opzichtige aandrang na om aan een schijnbaar nieuw fenomeen een neologisme te wijden. Het stuk Frankrijk dat wij befietsten ervoeren we als verveloos. Het landschap was onder het geweld van de zon vergeeld, zonnebloemen hielden hun kopjes omlaag. Bomen gaven ons in juli al herfstbladeren. De grote brede (La) Loire stond schandalig laag en op plekken zelfs droog, trouwens in tegenstelling tot het zijstroompje (Le) Loir. Over ontworteling gesproken! 
Zo hadden we Europa vorig jaar tijdens een langere Tour ook aangetroffen. En nu, na tien landen, weten we nog maar één type winkel dat op het platteland én in steden floreert: de pharmacie. Ik ken geen dieptepsychologisch gevolg voor deze observatie, over ziektes en zo, maar misbruik voor me eigen neologisme gretig de kleur van het traditionele beeldmerkkruis. Het ding is namelijk niet grasgroen, maar hulkgroen. Alleen, wie kent die knakker nog? Mon dieu.



Rectificatie
Minder zichtbaar dan in de tent heeft de gourmande in haar eigen bed inmiddels een hele Dik Trom gelezen, inclusief uitgestorven naamvallen.