dinsdag 1 september 2015

In weelde van cola

Hoewel getraind in weerstand bieden met alle hersenspieren, klikte een complete huishouding van mijn reflexen onmiddellijk op de kop ‘UvA verbiedt gedicht studentenraad op opening academisch-jaar’. Natuurlijk, er wordt veel verboden, ongetwijfeld ook op universiteiten, maar een gedicht? Anno 2015?
Het schijnt dat het woord ‘hoer’ niet door de beugel had gekund. Op basis van de YouTube-beluistering van de met percussie gelardeerde tekst, aangeprezen als ‘Gedicht verboden door de UvA’, leek me vooral de spanningsboog wat slap te staan. Het begin ent zich dan wel expliciet op Howl van Allen Ginsberg, we zijn inmiddels zestig jaar verder. Hedendaagse oren en ogen hebben naar verluidt minder uithoudingsvermogen, en zijgen mogelijk ineen wanneer een ‘trap met voeten wordt getreden’. Rijm hoorde ik dan weer niet.
Huidige studenten kun je lastig nog verwend noemen. In het gedicht wordt rekening gehouden met volgende generaties en, daarom ietwat hovaardig, met een Amsterdamse lente. Het signaleert echter ook dat acties ingekapseld worden door een beroepssector. ‘Dat hadden we kunnen leren van onze vaders’. Zou het geholpen hebben wanneer de dichter had gezongen?
Wel moest ik, tegenover mijn ‘hermetische’ praktijk van weleer, toegeven dat onmiddellijk duidelijk was waar het gedicht over ging. Voor dezelfde prijs bood het gevolg en resumé van de Maagdenhuisbezetting begin dit jaar. Ik besefte ook dat de kennis die daar, op de kritische Nieuwe Universiteit, was opgedaan toch weer voortkwam uit een zittende houding. Dat maakt die kennis tegelijk wat ruimteloos.
Zitten op iets wat beweegt behoort momenteel tot de meest uitgeoefende houdingen op dit deel van de wereld. In een bark op weg naar waar het beter zou zijn, in elk geval onmogelijk slechter dan in het vertrekpunt, en waar misschien wel vrijheid heerst. Ik vraag me af hoe de omgeving bij al dat wachten wordt ervaren, ook door degenen die te voet verder gaan en op een trein raken, met een zitplaats als luxe.
Kan vrijheid worden gepersonifieerd? De gedroomde landen van aankomst heetten ooit Utopia, Atlantis en dies meer. Maar nu?
Hoewel geen expert maar gewoon fietsverslaafd leer ik volgens mij onderweg, in (een idee van) voordurende beweging. Beschaafd zoevend langs stippellijnen tracht ik het mij omringende op te nemen, ofwel lopende kwesties (‘P ligt in K3’) tot een oplossing te denken.
Om daar vervolgens ook nog over te dichten, in dat stadium ben ik tijdens mijn actieve carrière nooit gekomen. Wegens stielbederf? Er waren al collega’s die dat deden. Zoals Ad Zuiderent. Door zijn bundel We konden alle kanten op snapte ik ineens weer dat poëzie wel het tegendeel van vaag is omdat ze niet alleen een ruimte schept, maar ook locaties fixeert.
Twee gedichten in Zuiderents bundel spelen op fietsafstand van mijn verblijfplaats. In ‘Et in Condaco ego’, ter plekke commercieel ‘Et in Condaco go’ genoemd, verwondert hij zich over plaatsnamen in de buurt, zoals Reet. Ik vermeldde ze hier ook al eens, net als Het zusje van de bruid van Joris van Casteren dat heeft gedaan – wat is dat toch met Hollanders?
Met Reet heb ik al een verhouding. Op een tourneetje met drie weer andere dichters, die naar goed cliché niet konden autorijden, wilde de bestuurder een foto van het gezelschap maken bij het plaatsnaambord. Ik weet nog dat ik letterlijk terugdeinsde voor dat plan, fobisch voor foto’s en literatuurgeschiedenis.
Zuiderent was bij wijze van uitzondering wellicht ook per auto gekomen, als hij in ‘Bestemming bereikt’ een jeugdherinnering ophaalt over ‘de smaak/ van cola, je eerste, wat was het, / je was tien, logé bij een Vlaamse // familie (…) maar baadde vooral bij / het strandbad Hofstade in weelde / van cola’.
Het heeft iets tragikomisch, de meest geglobaliseerde drank op een provinciaal domein. Het schijnt in goed Frans de plage des pauvres te zijn geweest, maar de dichter in spe kan dat wegens die spectaculaire cola (die volgens de mythe roest van velgen verwijdert) minder zijn opgevallen. Rondom het strandbad als geheel kun je anders erg fijn fietsen, op een vercultuurd pad dat zijn best doet om er als natuur uit te zien.
Lijkt dat Belgische landschap op het Hollandse waar, om met Willem van Toorn te spreken, het platteland wordt gezien als een volkstuin van de stad?
Beetje snobistische retorische vraag uiteraard, maar ze is mede geïnspireerd door de geweldige film Wadjda van Haifaa Al Mansour. Daarin tracht een meisje in Saoudi-Arabië een fiets te krijgen. Geen sinecure voor haar geslacht dat de beperking krijgt opgelegd van de mannelijke blik.
In een scène staan er een paar heren op het dak van een hoog gebouw, een stuk verwijderd van de school – maar genoeg reden voor de directrice om al haar leerlingen van het plein naar binnen te jagen. Wadjda staat zelf geregeld ook op het dak, maar dan van haar eigen huis. Ze oefent er zelfs op de fiets van een vriendje dat haar bewierookt en haar tegen de buitenwereld wil beschermen met de stelling dat hij haar broertje is.
Eigenlijk voorspelt de beginshot van haar basketbalschoenen onder een zwarte jurk al dat het meisje zal winnen. ‘Als je echt iets wilt, kan niemand je stoppen,’ zegt haar moeder bijna ten overvloede, neoliberaal.
Maar waar kan het meisje rondfietsen? De film is opgenomen in Riyad en er valt uitsluitend stedelijk landschap te zien. Muren en opwolkend stof, dat zand zal zijn. Tussen zogeheten krijtlijnen?
Ik denk ondertussen dat ik maar ga zingen in een meidengroep. Dat is iets wat ik al tijden roep. Wat is er mooier dan zo’n vrij beroep?

Naschrift
Het gedicht is inmiddels ook in tekstvorm te raadplegen.

zaterdag 22 augustus 2015

Nieuwe elementen

Onlangs blijkt er een boek te zijn verschenen met de ondertitel Herinnering van een meeloper. De auteur anticipeert ermee op een verwijt dat geregeld de ronde doet en dat één woord groot is: ‘hypocriet’. Niet alleen omdat het zowel zelfstandig als bijvoeglijk kan worden gebruikt, ook omdat het zo vertrouwd klinkt weet dat woord de gemoederen nooit te bedaren.
Eat your pie before you die.
Bedoeld wordt dat een overtuiging uit het verleden, in het ergste geval met aplomb beleden, niet rijmt met een uitspraak of daad in heden.
Mocht een beschuldigde de puf hebben om daarop te reageren zonder in pijnlijke details te moeten treden, dan valt er geregeld nog een geijkte term, dubbel zo groot: ‘voortschrijdend inzicht’.
Zeker in verhouding tot de beschuldiging is dat flou. Vaagheid kan de beschuldigde wel gebruiken, indien hij weinig anders had gedaan dan de consensus van het moment huldigen (‘meelopen’ is een graadje bewuster dan ‘meesurfen’).
Gelukkig kan voortschrijdend inzicht een andere gedaante aannemen. Daarover biedt Tariq Ramadan in Een jihad van vertrouwen uitkomst. Hij schrijft over trouw, die idealiter steeds gepaard gaat met bezwaar. Kritische loyaliteit, noemt hij dat, en actieve rationaliteit. Ze zijn wapens in het verzet tegen geloofsgenoten die verzaken.
Ook zegt Ramadan dat er geen trouw bestaat zonder evolutie (waarmee hij niet de oorsprong van het heelal wil verklaren, maar voortschrijdend inzicht concretiseert). Onveranderlijk bij hem zijn slechts ‘de universele waarden van waardigheid, vrijheid en rechtvaardigheid’.
Ik noem Ramadan ook vanwege het onderwerp dat hij aanroert. Heden is dat amper uit de agenda te schrappen. Zeker bij progressievelingen, die hun hele leven op de barricaden hebben gestaan voor die universele waarden. Is het mogelijk over hen, met de wetenschap van het heden, de term ‘hypocriet’ te gebruiken?
Door een gelukkig toeval kreeg ik de pdf van een Politiek en Cultuur-nummer uit 1993. Dit blad van de CPN was ooit ‘gewijd aan de theorie en praktijk van het Marxisme-Leninisme’, maar diende inmiddels ‘voor socialisme en toekomst’. Het nummer pikt in op een historische datum: een kwart eeuw na mei ’68. Het bevat ampele interviews en analyses met en van zo’n tien progressieve denkers.
Naar wat vooralsnog de heikele kwestie van de 21e eeuw is, vind ik welgeteld drie verwijzingen. Eén persoon vertelt: ‘Ik vond het eigenlijk te gek dat ik, hoewel ik in Amsterdam woon, in mijn dagelijks leven alleen met blanken omga. Een paar jaar geleden ben ik trombone gaan spelen in een Surinaamse bigband. Behalve dat ik de muziek prachtig vind, vind ik het ook heel prettig iets niet alleen met Hollanders te doen.’ Een tweede zegt na een lange opsomming van problemen: ‘En al die buitenlandse jongeren, die het hier in die Nederlandse smeltkroes moeilijk hebben! Er is heel veel aan de hand.’ Nog een ander weet in de finale zin van een vijfdubbelkolomspaginagrote analyse: ‘En tot slot biedt de steeds kleurrijkere samenleving nieuwe elementen voor een Nederlandse cultuur.’
Eigen problematiek eerst? Het zou een wrange conclusie zijn. Uit alle teksten blijkt dat deze mensen zich het leplazarus hebben gewerkt om de wereld te verbeteren. Wel komt de conclusie prachtig overeen met notoire diagnoses achteraf – van Paul Scheffer naar Herman Vuijsje tot Pim Fortuyn – over struisvogelgedrag bij een zogeheten linkse elite.
We schrijven dus 1993, meer dan twintig jaar geleden. Misschien bieden de citaten stof voor morele oordelen. Maar dan valt niet te ontkennen dat daarmee het verleden tegelijk wordt herschapen.
Ander voorbeeldje. In een Sinterklaasscène uit Het Schapenfeest, de debuutroman van Fikry El Azzouzi, krijgt de jeugdige hoofdpersoon vlak voor 5 december een briefje waarin bij hem onbraaf gedrag wordt vastgesteld. De lezer voelt de jute zak al tegen de huid schuren. Maar van Zwarte Piet ontbreekt in de tekst elk spoor. Het boek dateert van 2010, twee jaar voordat het debat over het racistisch gehalte van deze figuur ontbrandde. Wordt daarmee dat debat ongeloofwaardig? Of kwam El Azzouzi zijn burgerplicht niet na?
Niet bepaald. Deze vragen zijn namelijk gewoon insinuaties. Ze brengen de terugwerkende kracht als argument in.
Non-fictie dan. In Van Fatwa tot Jihad stelt Kenan Malik dat de nogal onverzettelijke en principiële Westerse houding bij de Rushdie-affaire in geen verhouding staat tot die na de Deense spotprenten van Mohammed twintig jaar later. In Sympathie voor de RAF constateert Jacco Pekelder dan weer dat er ook na de acties van de Baader-Meinhofgroep die indirect tot moorden in Nederland leidden, nooit sprake van grondwettelijke vrijheidsbeperkingen is geweest als na de moord op Theo van Gogh dertig jaar later. En dat tegenwoordig de schouders zouden worden opgehaald over de consternatie bij het toenmalige proces wegens camera’s bij de rechtbank: standaard bij ‘veiligheidsmaatregelen’.
Het opmaken van dergelijke rekeningen zegt vooral iets over (de obsessies van) het heden. Ze herscheppen het verleden. Moeiteloos ontglipt mij deze quasi-diepzinnigheid, omdat ik de erin besloten metamorfose onlangs zelf heb zien voltrekken.
In de film The Rose uit 1979 speelt Bette Midler een zeer succesvolle zangeres die aan lager wal raakt door de drank en een gebrek aan ware aandacht. Ze sterft. Het verhaal is gebaseerd op het wedervaren van Janis Joplin, maar Midler deed me, na enige afdalingen in wat ik voor de spelonken van mijn geheugen hield, tot in haar gelaatstrekken denken aan een ander lid van de mythische 27 Club: Amy Winehouse.
Ik druk me slordig uit. Tijdens het kijken naar de film pijnigde ik mijn hoofd over de vraag wie de actrice was die Bette Midler speelde – de zogeheten karakteristieke kin, de iets vooruitstaande tanden… Wat kreeg ik dus uiteindelijk voorgeschoteld?

donderdag 13 augustus 2015

Opgerold in vitrines

Kun je bij leven gedateerd raken, onderhuids in crisis met je tijd? In Vechtmemoires van Joost de Vries, vorig jaar verschenen, staat terloops dat volkstuintjes een verouderde hobby zijn. Er zijn fenomenen als trend, mode en gevestigde of zelfs tijdloze waarde, en de bewering haalt hun status voor mij door elkaar. Zie ik onscherp, foutief of te selectief?
Ik kwam mede op deze vraag door een opiniestuk. Een wetenschappelijk onderzoeker had veldwerk gedaan in een arme wijk en ‘door vele gesprekken’ ontdekt dat platvloers racisme een kelder verborg, want economisch gemotiveerd bleek. ‘Het merendeel van de inwoners willen in de eerste plaats zelf vooruitkomen in plaats van hun gekleurde buren achteruit te zien gaan.’
Om wiens vooroordelen ging het hier? Die gedachte maakte zich meteen van mij meester, tot ik besefte dat andermans blindheid eenvoudiger te tonen is dan eigen rondtasten.
Een evidentie – gevoed door actualiteit in mijn branche. Vertrouwde namen in het literaire landschap vallen gestaag weg. Na Polet en Rogi Wieg stierf Eriek Verpale.
Na dat nieuws heb ik een dierbaar boek herlezen. Wel liep ik kans te worden besprongen door een oordeel dat zich gefundeerd acht door een verfijndere smaak en voortschrijdend inzicht. Alles in het klein, uit 1990, bleek gelukkig nog altijd een soort revelatie. Ik kwam terug in de ban toen ik me begon te verzetten.
Het boek opent met verhalen die recht doen aan de titel. Toen het tweede deel begon, met brieven, verwachtte ik het alleen nog draaglijk zou zijn wanneer die over derden zouden vertellen. (‘Voor de gojim ben ik een jood, voor de joden ben ik een gojisj Kopflach. Ik ben ontworteld. Ik vind mijn plaats niet. Niet Sartre of Brecht of Che zijn mijn geestelijke leiders, maar Rabbi Mendel van Kotzk. Een mens is maar een mens, men moet zichzelf accepteren.’)
Maar de brieven bleken het verhaalde te hernemen, perspectieven verschoven. Ik ervoer muziek, en het ontstaan van het boek als geheel voor dezelfde prijs. Was ik dat vergeten of werd ik geconfronteerd met een latere fascinatie?
Meer dan in het begin van mijn leescarrière heb ik wel moeite met de thematiek van individu-familie of geliefde, en de nette armoede daar omheen. Ik vraag me af of ik me feitelijk niet stoor aan het gevolg van deze verhaalkunst: voyeurisme dat zichzelf reportage of interview noemt, met de auteur als lijdend voorwerp.
Ook krijgen in Alles in het klein sommige Vlaamse woorden een voetnoot die de Noord-Nederlandse betekenis onthult.
Het boek is uit een tijd die ik in het prachtmuseum MOT gevisualiseerd wist op de bovenste verdieping. Daar lagen werktuigen met uitputtend veel varianten. Er leek gestreefd naar volledigheid, terwijl de talige informatie miniem was: vaktermen.
In het gastenboek hadden jonge bezoekers voor deze verdieping een uitzondering gemaakt. De rest was wel ‘megasuperleuk’. Inderdaad was het museum veeleer een doeplek, waar kinderen door een speurtocht heuse prestaties konden leveren.
Het verschil was zo groot, dat het Verpale-gedicht ‘Die tijd’ nadert:

Toen de tijd der Grote Fabrieken definitief
op zijn einde liep zocht hij het kleiner,
ging hij zelfs opgerold in vitrines op
afgeprijsde matrassen liggen. En deed
alsof hij sliep. Zo konden mensen
met nog een béétje geld in hun
zakken eerst een halfuur
naar hem staan kijken
om inmiddels te zien
hoe duur toch nog
het leven was
geworden.
En dat het zelfs
beter was om nooit meer
op te staan, van iemand nog
post te aanvaarden en dat men in plaats
van gezinnen maar beter brand kon stichten
bijvoorbeeld in de laatste der Grote Fabrieken
waarin alleen nog maar de ratten sliepen.

Het lijkt wel alsof die ratten alvast een hap uit de tekst hebben genomen.
De vraag of je zoiets als crisis van de tijd moet opvatten. Bij het ouder worden dringt die sensatie zich op. Zelf heb ik daar nooit in willen geloven, al valt niet te ontkennen dat er zich soms iets voordoet dat er verdacht op lijkt.
Daarom heb ik voor vragen naar mijn leeftijd ooit een passend antwoord bedacht: geboren in het jaar dat T.S. Eliot stierf. Sinds kort is dankzij een gave internettoepassing mogelijk zicht te krijgen op woorden die toen ingeburgerd raakten:

babyfoon, bermprostitutie, booreiland, botel, candid camera, combi, contactlens, contractspeler, drive-in, escalatie, eyeliner, flatneurose, happening, hearing, high, inhaalstrook, inlegluier, koopgolf, kortparkeerder, kijkdichtheid, launderette, luchtkussenvoertuig, luisterdichtheid, luisterlied, middenbermbeveiliging, paperback, parkeergarage, parkeermeter, part-timers, pop-art, programmeur, protestsong, psychofarmaceutica, red-tape, reputatiebehartiging, resocialisatie, ruimte-afval, seksbom, spuitbus, stiltegebieden, straatmeubilair, supermarkt, teach-in, televerkoper, vangrail, vluchtstrook, vouwfiets, wasserette, weggooifles, wegpiraat, winkelcentrum, woningwetwoning

De term ‘crisis’ staat er niet bij! Hij is natuurlijk veel ouder, al lijkt hij heden, gecombineerd met een bepaald lidwoord, niet van de lippen te wijken, omringd door even zorgwekkende uitdrukkingen met ‘steeds’ (meer, vaker, enz).
Gelukkig heeft Giorgio Agamben erop gewezen dat ‘crisis’ meer componenten bevat:

Der Begriff „Krise“ ist in der modernen Politik ja zur Tageslosung geworden und gehört längst in jedem Segment des Soziallebens zur Normalität. Im Wort selbst kommen zwei semantische Wurzeln zum Ausdruck: die medizinische im Krankheitsverlauf und die theologische des Jüngsten Gerichts. Beide Bedeutungen haben jedoch heute eine Transformation durchgemacht, die ihren Zeitbezug wegnimmt. „Krisis“ bedeutete in der antiken Medizin das Urteil, wenn der Arzt im entscheidenden Augenblick merkte, ob der Kranke überleben oder sterben würde. Im heutigen Verständnis von Krise ist daraus ein Dauerzustand geworden. So wird diese Unsicherheit in die Zukunft verlängert, bis ins Unendliche. Beim Jüngsten Gericht verhält es sich genauso; das Urteil war nicht zu trennen von der vollendeten Zeit. Heute jedoch wird das Urteil von der Idee eines Beschlusses abgetrennt und immer weiter aufgeschoben. So wird die Aussicht auf eine Entscheidung immer geringer, und die unendliche Entscheidung beschließt gar nichts mehr.

Waarschijnlijk is die onbepaaldheid aantrekkelijk, zeker wanneer je erover kunt opiniëren. Ze houdt de eigen markt draaiende. Etymologisch zou ‘crisis’ nota bene verwant zijn aan ‘kritiek’, uit het Griekse krino: scheiden, onderscheiden, onderzoeken en oordelen.
Iedereen alsnog tevreden? (Er bestaan mensen die iets tegen een crisis willen doen. Bijvoorbeeld in een volkstuintje.)

dinsdag 4 augustus 2015

Sybren Polet en de groenwitte bal

In De noodzaak van het overbodige poneerde Sybren Polet: ‘Linkse dictaturen hebben terecht geen boodschap aan grote, “autonome” literatuur – de poëtische complexiteit en het complete poëtische gevoel verhinderen eenduidigheid –, rechtse dictaturen, voor zover niet ultrarechts en nazistisch, tolereren haar om dezelfde reden: hoe complexer de gevoelens en hoe autonomer de literatuur hoe minder expliciet de relaties met de werkelijkheid, dus hoe ongevaarlijker voor hen.’
Ik weet niet of ik hierom moet lachen of huilen, en of die reflex wordt voortgebracht door links of rechts, door literatuur of dictatuur. Alle waarden liggen plots vast, misschien prikkelt dat nog het meest. Dus ook, eerlijk gezegd: dat eenduidigheid het per definitie aflegt tegen complexiteit.
Het heeft iets komisch dat een beweeglijk schrijver als Polet zo’n these heeft gelanceerd. De bewering is immers statisch, terwijl ze zich daartegen verzet. (Niet het makkelijke etiket ‘paradoxaal’ plakken.) Ook de hopeloosheid van zelfs de meest betrokken kunst, dat ze op wonderlijke wijze tegelijk autonoom weet te blijven.
Polets ijzige toevoeging in het woordje ‘terecht’.
Wel vermoed ik dat Polets inzet links was. Als weinig andere auteurs weigerde hij zich neer te leggen bij, zoals dat heet, de bestaande verhoudingen. Hij ging daarin alleen een beetje verder dan een doorsnee activist. De grens tussen nu en vroeger, tussen materie en antimaterie: dat erkende Polet niet. Letterlijk een vorm van conservatisme. In zijn rijke verbeelding kon alles veranderen. Steeds opnieuw.
Is de dood dan niet iets voor de common sense? Het nagekomen bericht dat Polet onlangs gestorven is, valt eigenlijk onder de onmogelijkheden. Mogelijk wordt het vanzelf apocrief. Geen defaitisme, er is permanent werk te doen.
Sybren Polet bleef een zachtmoedige krijger. Officieel heeft hij over kwesties als in het citaat opgevoerd 91 jaar lang nagedacht en de proef op de som genomen. Dat klinkt raar. Doen baby’s al zoiets? Polet heeft het nooit uitgesloten. Elke ervaring leert.
Toch was hij bij leven verticaal geklasseerd: avant-gardist, experimenteel, enz. Het is zuur om het op te rakelen, maar het behoort ook tot de werkelijkheid dat het laatste artikel in boekvorm over (vooral) Polet, te vinden is in Wat er op het spel staat van Cyrille Offermans. Het betreft diens bijdrage aan het ‘Literair engagement 2.0’-nummer van het tijdschrift Deus ex Machina, maar in de boekverantwoording wordt die tekst niet vermeld.
Tegen Offermans’ exercitie heb ik me al eens verzet. Nog altijd ontgaat me wat hij wil. Hij beweert dat Polet als geen ander weet wat orthodoxie is – wegens geboren te Kampen. Offermans verwijst voor aanvullende bewijzen naar Een geschreven leven, Polets driedelige autobiografie, zonder aan te geven dat hij daarin voorkomt. In een, voor een van metamorfoses aaneenhangend oeuvre, weinig complimenteuze gedaante.
Reageren is kennelijk te veel eer, zeker indien veroordelen soepeler gaat. Bijvoorbeeld door, meer dan dertig jaar na dato, uit een lange lijst auteursnamen in Polets bloemlezing Ander proza te wijzen op wel vier spelfouten. Minder schoolmeesterachtigheid dan een insinuatie dat Polet de genoemden niet eens gelezen had?
Dat ik daar andermaal openlijk tegen protesteer, doe ik zowaar met een gerust hart. Ik meen me gesteund te weten door Polet zelf. Een hebbelijkheid van linkse politiek is het aan de kaak stellen van onrecht. Toekijken lijkt bij Polet geen optie, en compromissen sluiten geen voorportaal van de heroïek. Dus word ik van herdenker maar even pro-Deoadvocaat.
Ondertussen in de rest van de wereld. Op vakantie in Duitsland vielen me de vele Griekse restaurants op. En als ik me niet vergis was er iets veranderd in buitenzwembaden. Hoe geplogenheid, waterstand en bouw elders zijn weet ik niet, maar de overgangen tussen rand en water waren minder scherp. Nat en droog vloeiden in elkaar over. Dat merkte ik afgelopen maand althans, dankzij onze groenwitte opblaasbare bal. Vroeger zou die tegen de bassinrand blijven dobberen, nu dwarrelde die steevast vanzelf uit het water, de ongewisse stabiele wereld in.
De eerste keren dat ik het zag, moest mijn logica zich even aanpassen. Maar na een week wisten mijn ogen niet beter en bleek mijn ervaring uitgebreid. Ook het feit dat de bal op het droge geen koers meer had, beleefde ik als gangbaar. Wat gelukkig stemde.
Op zulke minieme wisselingen van paradigma heeft Polet lezers voorbereid. Aan hem dan ook het laatste woord, dat altijd wordt vervolgd:

Een soldaat is een jas
Een soldaat is de wind op wacht in een jas
De wind is een mooi opgetuigde officier
De wind is een verkapte officier in zilver

Een boom gaat soms gebukt onder zijn eigen onweer
Een mens gaat gebukt onder zijn hoofd
en een agent onder zo veel regen
dat hij oplost

Er zijn drie elementen: vis, wind, vuur
Er zijn drie anti-elementen: een soldaat, een agent en de wind
Er zijn drie supplementen: de wind, een krant en een officier

Maar is er geen verschil tussen de wind op wacht in een jas
en een soldaat op wacht in een officier
Beide zijn wind.
Beide zijn officieren
beide onderofficieren.

Beide zijn wind.

maandag 13 juli 2015

Koppelteken-identiteit

Wat schiet je nu nog op met redelijkheid? Precies die lovenswaardige eigenschap kenmerkt Dick Pels’ boekje Van welk Europa houden wij? en precies die lovenswaardige eigenschap zal voor Griekenland de boom in kunnen. Met haar bizarre strengheid heeft de Europese Unie zich zo irrationeel getoond dat ze er zelf onder zal lijden.
Natuurlijk verscheen Pels’ tekst op een moment dat de tragedie zich nog moest ontvouwen. Syriza moest nog aan de macht komen. Maar zou Pels met al zijn optimisme het aandurven de schuld voor het onderhandelingsdebacle bij Griekenland te leggen? Hij pleitte destijds al voor schuld saneren in plaats van wat in België, stuiterend als een kers, austeriteit heet.
O woorden, o frames.
Het breed uitgemeten paternalistische geneuzel dat dreigementen moet verpakken. Een tijdelijke Grexit, een schorsing van vijf jaar: wie kan zoiets verzinnen behalve een halve rancunelijder? Het ontbreekt er nog maar aan te vernemen dat Tsipras soms de zaal moest verlaten, zodat de grootmachten even helemaal de democratische dienst konden uitmaken, achter gesloten deuren. Dat gebeurt bij de TTIP-onderhandelingen immers evenzeer.
Het heeft bovendien iets bevreemdends om door Pels’ boekje herinnerd te worden aan de strategie van Lenin, die zijn bolsjewistische minderheidsafsplitsing met een flinke dosis bluf tegenover de mensjewieken opklopte tot meerderheid. En aan de observatie van Ulrich Beck, dat de Duitse bezuinigingpolitiek neerkomt op ‘staatssocialisme voor de rijken en de banken en neoliberalisme voor de middenklasse en de armen’.
Misschien is het juist door die zich als pluralisme manifesterende redelijkheid dat Van welk Europa houden wij? de onmogelijkheid van een zwakke staat in de Unie van munitie voorziet. Pels determineert ‘ideologische convergentie’ van links en rechts bij populistische partijen die tegen de EU zijn. Ze verbinden volgens hem elementen van radicale zelfontplooiing uit de jaren zestig met verdediging van de nationaliteit soevereiniteit, identiteit en cultuur.
Terecht zegt Pels dat het woord ‘vrijheid’ een vlag is geworden die wel zeer uiteenlopende ladingen dekt. Misschien dienen de revolutionaire waarden uit de protestjaren vooral als een nogal perfide legitimatie – een borstwering tegen de tsunami’s die ze juist zouden kunnen verwelkomen. Met behulp van een ‘agressief antipaternalisme’ is de betichting van censuur eveneens van eigenaar verwisseld.
Zo komt Pels, niet ongeestig, op de stroming van het ‘nationaal-individualisme’. Ik kan me indenken dat de Grieken daar inmiddels gevoelig voor zijn geworden – mochten ze daartoe de middelen vinden.
Vooralsnog is het al onnavolgbaar genoeg wat statistische getallen over te nemen uit Van welk Europa houden wij? Pels benoemt daarbij dan dat er door Europa een scheidslijn loopt tussen noordwest en zuidoost, met Engeland als de uitzondering die de regel bevestigt. Griekenland scoort bijvoorbeeld relatief zwak bij de onderdelen opleiding, zelfvertrouwen, transparantie (wat wil je met de huidige media?!), zelfvertrouwen en antisemitisme.
Maar ja, een aanzienlijk aantal lezers zal hierbij afhaken. Juist omdat het getallen zijn, waar een fameuze wijsheid over regeert: ‘Je hebt leugens, vuile leugens en statistiek.’ Ook zullen zij niet vrolijk worden van Pels’ bijna aandoenlijke bekentenis dat hij zich eerder op zijn plaats weet in wereldsteden dan op het Nederlandse platteland, in universiteitsgebouwen ook.
Moeten boeken dus het echte werk doen? Bij mij in de kast wordt Abou Jajah omringd door Abicht en Achterhuis. Soortgelijke koestering krijgt Hirsi Ali van Adorno en Althusser. De vraag is natuurlijk of dat wat betekent (van diepzinnigheid heb ik geen verstand). Om dat uit te klaren zou ik veeleer hardop moeten spreken. Maar ik weet pas sinds kort ik dat mijn mond niet alleen een ‘bakkes’ is waarmee feitelijk een heel gezicht wordt bedoeld, maar ook dat dit woord voortkomt uit ‘bakhuis’.
Al bij al vind ik Dick Pels’ aanbeveling wel wat hebben: in Europa een thuisgevoel kweken dat tegelijk een vakantiegevoel is. Maar voor migranten uit Afrika zal het cynisme ten top zijn. De aanbeveling zou moeten leiden tot een zogeheten koppelteken-identiteit. Maar wacht even, zelf was ik al een Belgisch-Nederlander, Neder-Belg, elite-Brabo…
Het punt met koppeltekens is, geloof ik, dat ze geen punt lijken bij het bedenken maar wel bij de uitvoering. En voor wie solidair wil zijn, biedt het woordenboek slechts ‘Grieks-orthodox’. Dan maar een daverend slot bedenken, met een deus ex machina of zo, in de gedaante van een chloorkip.

dinsdag 7 juli 2015

Belichting

Wanneer besloot ik niet meer ‘bij’ te willen zijn? Op de middelbare school werd de hitparade verboden domein, maar ik wist aardig wat er elders voor nieuwe muziek verscheen. Daarna ging mijn aandacht naar onverkende snobgenres en toen docenten uit hun bol gingen bij Crowded House omdat die ‘de nieuwe Beatles’ zouden zijn, was het mij helder: ik doe niet meer mee! Laat de schaamte regeren!
Het geeft iets onaantastbaars om, binnen de beperkingen van de wereldvreemdheid, te kunnen zeggen nooit te hebben gehoord van een beroemdheid. En ‘kinderlijk enthousiast’ te worden van iets dat voor jou splinternieuw is en anderen blijkt te smaken (King Gizzard & The Lizard Wizard).
Bij boeken ligt dit al lastiger. Natuurlijk is er, zeker bij pontificale uitdraging, kans op enige gezaghebbendheid als je geen weet hebt van ‘de waan van de dag’, maar in de branche liggen veel pareltjes die door rechtvaardigheid opgepoetst mogen worden. De kans iets waardevols te missen is groot. Zo ben ik trots ooit het debuut van Pam Emmerik te hebben gelezen, al was het vanwege deze zin: ‘Het was gewoon de op een na beste mogelijkheid om te verdwijnen die ik op dat moment kon bedenken.’ Bovendien zeurde ik als jong menneke in de rondte dat machtighebbers helemaal niet bijhielden wat er verscheen, of dat ze vergelijkingen trokken met het vertrouwde die niet op hun plaats waren. Dat doe ik zelf inmiddels dus ook.
Bij mijn derde manie, taal, kan niemand het zich permitteren onkundig te blijven. Al die veranderingen en nuances, het gekronkel en de kickstarts. Wel blijft onzeker of je ‘bij’ bent. Bij taal dringen nieuwe betekenissen pas door als je merkt dat mensen anders handelen op basis van een term.
Zo loop ik een halve eeuw rond met een idee van ‘solidariteit’ dat me na het hart gaat. Ik bezit een boek waarin die geschiedenis aanschouwelijk is gemaakt: De rode droom. Een eeuw sociaal-democratie in Nederland. Het is niet alleen omdat dat koppelteken in dat traditiewoord onder een spellingshervorming is gesneuveld dat dit boek weemoedig stemt, maar ook omdat ‘solidariteit’ refereert aan iets wat voorbij is nadat de postmoderne ironie heeft huisgehouden. Daarbij trof het niet dat de vakbondsman die de term dikwijls in de mond nam, Van der Scheur heette.
Nadien werd de vraag: wat levert solidariteit op? Mij gruwelt zoiets. Het liedje “voor wat hoort wat” regeert. Een tegenprestatie dus. Maar wederkerigheid definieerde Frank Vandenbroucke uiteindelijk als ‘een houding (…) die we niet alleen eisen van de zwakken in de samenleving maar ook van de sterken’. Practice what you preach dus. Ook komt mijn gruwel voort uit dingen die me niet aan het hart gaan. Bijvoorbeeld wat ‘vriendjespolitiek’ heette: zakelijke sympathie op basis van tweezijdige gunstverlening. Solidariteit kende naar mijn gevoel helemaal geen belang, tenzij in universele omvang. Wel was me al opgevallen dat het niet gepaard gaat met veel humor om te lachen.
Bij vriendjespolitiek hoorde een gedrag, dat gedetermineerd leek. Goede manieren die soepele manieren bleken. In de informele sfeer, kameleontisch, mee- en terugbuigend en immer strategisch. Waarschijnlijk is door de komst van sociale media dergelijk gedrag geïmplodeerd. Steun komt er veel meer zichtbaar, in de vorm van likes of retweets. Solidariteit heet dan misschien ‘draagvlak’.
Tegelijk heeft Jonathan Franzen vinnig betoogd dat een like per definitie onoprecht zou zijn. Je hoeft voor dit soort solidariteit, hoe effectief en geaccepteerd ook, in elk geval je stoel niet uit. Petities voor gemakzucht, met een maximale return on investment? Op mij komen ze minder over als standpunt dan als reclame voor een goede inborst, zeker bij zelfstandigen die zich afficheren als ‘activist’.
Die ingewikkelde apathie zou wel een nagekomen bewijs zijn voor de grondstelling van De rode droom: dat sociaaldemocraten en liberalen van oudsher in een haat-liefdeverhouding leven, en volgens Abraham Kuyper zelfs loten van dezelfde stam zijn. Ook kan die indruk bij mij zijn gerezen uit de overtuiging dat solidariteit onvoorwaardelijk en anoniem is, en een offer inhoudt.
Thans dus over naar Griekenland. Na het ‘meteorologisch ritueel’ (Baudrillard) van opiniepeilingen is het prachtig dat een ruime meerderheid zegt inderdaad niet te willen leven met een systeem zonder invloed. Maar daarmee zwijgt die meerderheid nog altijd zoals van haar wordt verlangd en is zogezegd positieve actie niet begonnen. Er was een initiatief van een Engelsman – toegegeven: op Facebook – om de schuld van Griekenland te delen. Dat lijkt tenminste op iets dat de werkelijkheid nabij komt: de burger betaalt.
Maar misschien ben ik vermoeid van al die kenners die weten wat ‘de gewone Griek’ of ‘de gemiddelde Griek’ of ‘de Griek van de straat’ of ‘de echte Griek’ of ‘de doorsnee Griek’ of ‘de ware Griek’ wil (in opa’s tijd heetten zulke uitingen discriminatie). Ger Groot heeft ondertussen laten zien dat de minste wijziging in het weer iets blootlegt van onze ideeën over arbeidsethos en intimidatie-uitkomsten over gendervermoedens, Piketty rakelde een jijbak op, maar alles blijft draaien en malen in het opinisme-universum.
Wanhoop blijft er in alle maten, en dus ook onder diverse soorten van belichting.
Er is wellicht nog een postideologische solidariteit. Daarover komt Jan-Willem Anker te spreken in zijn schroomvallige en overbewuste ‘semipublieke dagboek’ Het plein, over de participatiesamenleving. Dat in de neoliberale agenda verantwoordelijkheid is omgebogen van collectief naar individueel, bevordert ‘uitsorteringsprocessen’. En een zich terugtrekkende overheid dwingt wijkbewoners, zoals in het boek die van de fameuze Vogelbuurt (in speerpunttermen van de PvdA: ‘focuswijk’), meer zelf te doen. Anker redeneert voort op de gevolgen: wie uit solidariteit ‘de uitdaging aanneemt’ door de als onvermijdelijk voorgestelde zorg voor de openbare ruimte op zich te nemen, wordt verleid om een nog kleinere overheid te willen. Da’s pas langetermijndenken!
Terzijde geeft Anker overigens een reden voor mijn signalement van een zelfstandigenmentaliteit die zo middle class overkomt. Er is een ‘een nieuwe blanke, intellectuele onderklasse met al die sappelende zzp’ers aan het ontstaan’. Ook voltrekt in de praktijk solidariteit zich in zogeheten betere buurten. Moet je daarvoor ‘bij’ zijn?

zondag 28 juni 2015

Niet leuk

Sinds enige weken is de gourmande dermate overtuigd van haar liefde voor de trompet, dat we haar hebben ingeschreven voor zogeheten initiatielessen. Het is hartverwarmend hoe graag ze wil, maar ook wat vreemd. Haar lippen heeft de gourmande nog niet tegen een mondstuk wagen te zetten. Ook is ze erg jong, zeker voor dit instrument dat het moet hebben van de embouchure. Al haar melktanden zijn in volle glorie aanwezig.
Ik mag haar begeleider worden op gitaar, of als het niet anders kan op piano.
Haar ervaring met blaasinstrumenten beperkt zich tot een geelroze plastic saxofoon in het grootouderlijk huis. Als ze erop blaast, zweven er bellen uit de beker. Tegelijk wekt elk ander instrument haar interesse, tot het moment dat we het als optie noemen. Zo krijgt het wagenpark aan mogelijkheden bij haar principieel de status van uitweiding – het specialisme van Multatuli. Die naam noem ik mede, omdat de meneer heel goed wist wat zijn hoofdlijn was.
De vakterm voor uitweiding is parenthese. Ze komt voor in een gedicht van e.e. cummings. Ooit vertaalde Peter Verstegen dit als ‘haakje sluiten’. Dat trof me met terugwerkende kracht. De enige twijfel die de gourmande namelijk nog even openbaarde, richtte zich op de viool. Maar toen was het ook definitief gedaan. Het werd de trompet. Cornet, in de praktijk. Die beslaat al voldoende van haar lengte.
Inmiddels begrijp ik hoe deze passie heeft kunnen ontstaan. De gourmande heeft haar uit het oude lievelingsboek van haar grote zus: Het rode kippetje door Max Velthuijs. Dat bevat een dierenverhaal getiteld ‘Trompet voor olifant’. Als in meer van Velthuijs’ geweldige teksten staat daarin een conflict centraal, dat wordt beslecht door samenwerking en begrip.
Interessant is de verhouding tussen de partijen, hier een trompettist en – uiteraard – een violist. De violist krokodil noemt zich van nature kunstenaar die zonder muziek niet kan leven. De trompettist olifant begint met zijn instrument pas op latere leeftijd wanneer hij door zijn schuchterheid en wanhoop heen ontdekt heeft dat iedereen kunstenaar is.
Krokodil en Olifant hinderen elkaar bij hun repetities, doordat ze buren zijn. Ze verdragen elkaars herrie niet, of beter: worden erdoor gestoord bij de perfectionering van hun eigen kunstje. Het conflict escaleert als de muur tussen hen letterlijk valt. Eerst pakt de krokodil een ‘pneumatische boormachine’, dan bekroont olifant de woede met ambachtelijke slagen met de hamer.
Twee waarheden botsen tegen elkaar, waarna de werkelijkheid verandert. Heden dringt zich de vergelijking met Griekenland en de EU op. De EU wil Griekenland alleen helpen als het haar voorwaarden aanvaardt. Dan zou het land moeten tekenen voor de realiteit dat een groot deel van die hulp naar schuldeisende Noord-Europese banken gaat. Hoe neoliberaal dat scenario ook is, mij doet het denken aan showprocessen onder Stalin. Op zijn beurt tovert Griekenland het middel van het referendum uit de hoge hoed, om het eigen volk te laten beslissen. Dat staat dan weer haaks op de Europese gedachte waarbij landen een deel van hun zelfstandigheid hebben overgeheveld.
Bij het conflict tussen krokodil en olifant, dat resulteert in de val van een muur, is de gourmande ervan overtuigd dat het eenzijdig de schuld is van de violist. En dat is ‘niet leuk’.
Met die interpretatie lijkt ze in te gaan tegen Velthuijs’ opzet. En eventueel zelfs tegen de cultuurgeschiedenis. De muren rond het plaatsje Jericho gingen immers niet plat door strijkers, maar door koperblazers. Zo schijnt het in de Bijbel te staan; mijn bron is echter, vrees ik, Joni Mitchell uit haar middenperiode.
Kiest de gourmande voor de onschuld? De olifant blijkt over de trompet al in zijn jeugd te hebben gedroomd. En hij is een natuurtalent, een autodidact ook, terwijl krokodil veel moet oefenen om in vorm te blijven. De olifant verandert bovendien van uiterlijk en vereenzelvigt zich met het muzikantentype. Hij draagt een t-shirt met het opschrift Love.
Dus, wat gaat het worden? Bloed, zweet of tranen? Miles Davis, Wynton Marsalis of toch maar gewoon Ornette Coleman?

vrijdag 19 juni 2015

Geen lol te beleven

Heb ik een stand? Ben ik het daaraan verplicht te zeggen wat ik vind?
Wat me aan mezelf opviel, was dat ik het boek snel wilde hebben en lezen. Ondanks het wat snobistische bepaalde lidwoord in de titel: De brieven. Wethouderhekkingachtig viel op het omslag ook te vernemen ‘Samengesteld, ingeleid en geannoteerd door’ enz.
Maar ja, een nieuw boek van Frans Kellendonk is een nieuwe Kellendonk. En het fijne nieuws is dat het, voor mij althans, de scoop van twee vertalingen gaf. Hij heeft Nederlands gemaakt van Bartleby en ‘The idea of order at Key West’ (een lang gedicht van Wallace Stevens).
I would prefer to read it all indeed.
Verder betrapte ik me op de gewaarwording dat Kellendonk mij een aardige man leek. De bundel bevat een acrobatisch lichte liefdesbrief aan Pieter Kottmann, maar misschien had ik mijn gewaarwording uit mijn beroeps-bias, want ik vond het knap hoe Kellendonk als redacteur van De Revisor ultimata-ego’s tegemoet trad.
Vanuit die bias ontwaarde ik dat hij lang maandelijks met zijn uitgever blijkt te hebben gegeten. Wijst dat op een belangrijk auteur of op een slimme baas? Ik ontkom er niet aan in dat kader een streepje te zetten bij de annotatie dat het toenmalige huis ‘op dat moment de meest prestigieuze literaire uitgever in Nederland’ zou zijn geweest. De brieven is de eerste titel die elders verschijnt.
Komt Kellendonk me daarom voor als een schrijver ‘van een uitgestorven ras’? Hij schreef natuurlijk nog met de hand. Toch acht ik hem allerminst geraakt door de pijl van de tijd. Hij brengt hooguit een andere subcultuur aan het licht. Zoals provo’s in de jaren zestig praatten met een bekaktheid die heden uit de mond van corpsstudenten komt.
Mogelijk bedoel ik vooral dat hij me als vakman scrupuleus voorkomt. Schrijver tot aan het eind: ‘Het probleem is dat ik zo duidelijk weet wat ik zeggen wil dat er aan het opschrijven geen lol te beleven valt.’
Was dat het?
Er is opgemerkt dat Kellendonk niks over zijn groeiende katholicisme heeft geuit. Die houding hoort voor mij bij dit schrijverschap, dat eerder gereserveerd uitstort dan biechtend stremt. Daarnaast blijkt Kellendon weinig honkvast geweest, waardoor mededelingen in brieven aan het vaderland meer feitelijk-toeristisch gekleurd raakten.
De opmerking was onderdeel van een fikse kritiek. Bijvoorbeeld dat Kellendonk niets bijzonders meemaakt. Is een auteur dan geen doorsnee mens? En hij werd juist kleinzielig bevonden. Ook het niveau van Kellendonks gedachten viel tegen. Heeft een auteur in vergelijking met de rest van de mensheid dan een bijzondere optiek? Kennelijk, anders zouden er geen opinisten bestaan. Ten slotte zou de stijl minder bijzonder zijn dan Kellendonks boeken lieten verwachten. Maar over wie zegt dat iets? Hoort hier geen onderscheid bij over doel en middelen (een brief als pronkstuk of om informatie over te dragen)?
Enfin, één comment door de medesamensteller volstond om elders te gewagen van een twist. O cultuurindustrie, ook virtueel zingt gij het uit.
Een bijkomende kwestie was of er geen opmerkingen bestonden van Kellendonk over Kees Fens. Ik vond dat een opwindende gedachte. Laatstgenoemd criticus stond op zijn top toen hij zijn weerzin en afscheid van het literaire bedrijf bekendmaakte naar aanleiding van Bouwval. De publiciteit rond Kellendonks debuut, die heden vermoedelijk van een amateurisme getuigen zou, was Fens te hijgerig.
Stel dat het tweetal jarenlang in een briefwisseling had gesoebat, dan had Kellendonk zijn correspondent vanaf de rel rond Mystiek lichaam gelijk kunnen geven! Wel zat Fens in een jury dat dit meesterwerk nomineerde, maar Publiek geheim bekroonde.
Er zou sprake blijven van twee werelden. In zijn knappe lezing Grote God toont Wiel Kusters andermaal dat Fens een gesloten joods-christelijk wereldbeeld meedroeg dat instortte en een subcultuur werd. Kellendonk kende het nog, maar persifleerde uiteindelijk het hemelse Jeruzalem. Als homoseksueel voelde hij zich van continuïteit buitengesloten. Is er eigenlijk veel veranderd, al was het materieel?
Kusters noemt Fens een moderne traditionalist. Is Kellendonk dan een traditionele modernist?
De rel rond Mystiek lichaam was tweevoudig. De beschuldiging van antisemitisme in het boek, gewraakte uitspraken tegen multiculturalisme in een bijbehorend interview.
Aan dat laatste moest ik denken toen we een kinderboek leenden, dertig jaar later verschenen. Het heette Twaalf kleine peuters, wier namen achterin apart werden vermeld en ingekleurd: Britt, Pjotr, Aisha, Mahmud (het taalkundig genie leest hardnekkig ‘Mohammed’), Yentl, Yuk, Chen, Malik, Lars, Kofi, Zyta, Gauri. Geen van die peuters valt uit. Zo blijkt dat Kellendonk zich onnodig zorgen heeft gemaakt.
Verder stuitte ik op een uitspraak van Rushdie: ‘Er is binnenin een leegte waar zich vroeger God bevond’. Wanneer heeft hij dat gezegd? Voor- of nadat Kellendonk zijn these over de seculiere ‘leemte’ lanceerde, waar God best in zou passen? Waar de eerste zich bevrijd achtte, wilde de tweede min of meer terug. Daarom ook zijn pleidooi voor gemeenschap, juist omdat hij het omgaf met intellectueel voorbehoud. Actueel?
Ik delfde Rushdie op uit Van Fatwa tot Jihad door Kenan Malik. Die studie bevat ook een stelling van Monica Ali: ‘Een boek, een beeld of een argument wordt niet zozeer beoordeeld op zijn morele of politieke merites, maar op het gevoel dat ze geven.’ Betekent dit dat analyse verdacht is, of het snuisteren naar context, en misschien ook dat clichés getest worden?
Bij Kellendonk hoef je dan niet alleen te denken aan Mystiek lichaam of aan zijn verdediging ervan in ‘Ons Wilde Westen’, opgenomen in zijn misschien wel geweldigste boek, De veren van de zwaan. Uit de brievenbundel blijkt hij zich vaak te hebben moeten verweren tegen dezelfde pertinente verwijten. Bijvoorbeeld het idee dat hij alles ‘taal’ zou vinden.
Kenan Malik eindigt bij de paradox dat we reacties op wat we zeggen niet kunnen beheersen. Daardoor komt de verantwoordelijkheid voor onze beweringen eveneens bij anderen, zeker wanneer zij interpretaties omzetten in daden.
Maar natuurlijk had ook ik Frans Kellendonk al lang geschapen naar mijn beeld en gelijkenis.

woensdag 10 juni 2015

Laat ons denken aan de vrienden uit holland

Het nodige gelezen en herlezen van Hans Groenewegen. Ook onverwacht. Vlak voor het bericht kwam dat deze essaybundel integraal op het web staat las ik Groenewegens exemplaar van Oneigenlijk gebruik door Geert Buelens, die vol bleek te staan met potloodstreepjes, uitroepen en kanttekeningen. Gratis dus twee ervaringen voor dezelfde prijs.
Op zijn beurt toont Groenewegen twee gezichten. De strepen zijn er duidelijk voor de studie, opdat hij onthoudt en terugvindt. De uitroepen zijn echter vaderlijk. Ik weet toevallig dat hij Buelens hoog had, maar afgaand op deze bundel vond hij dat er nog veel huiswerk te doen viel.
De twee poëziekenners van de Lage Landen hebben altijd de wens getoond zoveel mogelijk nuances in hun stellingen aan te brengen en de praktijk altijd voorrang te verlenen boven de theorie. Dit exemplaar leerde mij dat ze verschillende talen spreken. Uitgerekend de nuances zijn Groenewegen met termen als ‘soms’ en ‘vaak’ een doorn in het oog. Of zouden ze hem zijn voorgekomen als relativeringen?
Veel durf ik niet meer met zekerheid te beweren. Onlangs beaamde ik dat van Barthes’ Plezier van de tekst uitsluitend de politieke kant is benadrukt. Maar het slotessay van Oneigenlijk gebruik bewijst de boudheid van die stelling. Ook ben ik in dat boek een gedicht van mezelf tegengekomen waar een witregel in zat.
Onbetwistbaar is slechts de bladwijzer: dat tijdens Groenewegens lectuur een treinkaartje Rijswijk-Amersfoort 7,80 euro kostte (met reductie).
Al met al een verwarrende toestand. Waar de eerste auteur aan wist bij te dragen, met zijn opmerking dat Marvin Gayes protestsong ‘Inner city blues’ grotendeels uit dah-dah-dah gezang bestaat – klopt werkelijk niet, zelfs als je ‘o’ en ‘no’ meetelt.
Het hebben-we-het-over-hetzelfde-gevoel bekroop me onlangs ook bij een foto van iemand die haar arm liet rusten op de vertaling De blikken trom. Wat had de tijd met mel gedaan?
Ik kreeg dat gevoel nog sterker toen via een databank Hans Groenewegens vele artikelen voor De waarheid op het scherm kwamen. Kan dat: voor een krant in meer dan 1500 woorden strijdbare redenaties opzetten? Het waren nota bene de de-ideologiserende jaren tachtig. Andere tijden.
Anno 1988 interviewde Groenewegen bijvoorbeeld Bram van Ojik, toen kandidaat-voorzitter van de PPR, in een periode dat er sprake was van een links front met PSP en CPN (er wordt geen melding gemaakt van de EVP). Altijd grappig kennis van te nemen, met de wetenschap en de wensen van het heden: ‘Samengaan is niet zo goed, omdat blijkt dat de optelsom van de drie progressieve partijen niet voldoende werfkracht heeft.’
Wie verder teruggaat in de geschiedenis zou evengoed kunnen zeggen dat Hitler maximaal 37% van de stemmen gehaald heeft, minder dan de som van toenmalige linkse partijen. De evenwichtskunst die dat misschien had kunnen oplossen, werd nog langer geleden in de verf gezet door Groenewegens lijfschilder Paul Klee met Seiltänzer (1923), en vervolgens bedicht door Paul Eluard:

Sur la pente fatale, le voyageur profile
De la faveur du jour, verglas et sans cailloux,
Et les yeux bleus d'amour, découvre sa saison
Qui porte à tous les doigts de grands astres en bague.

Sur la plage la mer a laissé ses oreilles
Et le sable creusé la place d'un beau crime.
Le supplice est plus dur aux bourreaux qu'aux victimes
Les couteaux sont des singes et les balles des larmes.

Interessant is dat Van Ojik voor de PPR in 1988, voordat ze wel degelijk opging in GroenLinks, een werkplaatsmodel het beste achtte. Daarbij zou de landelijke factie minder sturend zijn, ten gunste van plaatselijke afdelingen en soms zelfs van individuen. ‘Een voorbeeld is de werkplaats basisinkomen; daar zitten wij in als politieke partij, er zitten vakbonden in en bewegingen van uitkeringsgerechtigden.’
In die zin is het logisch dat Van Ojik dan aan Groenewegen de overtuiging overbrengt ‘dat het soort politieke partij dat alle terreinen wil beslaan zijn invloed gaat verliezen. Op tal van terreinen kom je tot een soort gratuite solidariteit. Daardoor brokkelt het vertrouwen in de politiek af.’
Wegens de machtswissel binnen het huidige GroenLinks is ook de volgende observatie van weleer interessant, al was het voor Jesse Klaver: ‘Je kunt een politieke partij niet verkopen met marketingtechniek en door te kijken en te zeggen: daar ligt een gat in de markt. “De” jongeren en “de” vrouwen bestaan niet. Motieven voor stemgedrag zijn divers. Dus zo werkt het niet. En of je naar de jongeren moet kijken met oog op vernieuwing? Mijn ervaring in actiegroepen voor de Derde Wereld is dat ouderen daar vaak een hele verfrissende bijdrage in hebben. De vredesbeweging wordt voor een belangrijk deel gedragen door oudere vrouwen.’
Tot mijn voldoening heeft Hans Groenewegen voor De waarheid ook over een zekere drank geschreven. Bijvoorbeeld bij een campagne van Solidaridad, met de nogal ondraaglijke titel ‘Zuivere koffie, een kwestie van smaak’. Hoe had het anders gekund?
In Groenewegens spectaculaire poëziecollectie zat De langste adem. Gedichten over geduld en revolutie, een bundel van Dorothee Sölle. Er was helaas geen leesaantekening in te bespeuren, dus plaats ik vandaag die alsnog, in de vorm van een citaat:

laat ons denken aan de vrienden uit holland
toen zij merkten dat de koffie
die wordt ingevoerd uit angola
naar bloed smaakt en naar de napalm
waarmee de frelimo’s worden vermoord
hebben ze een heel volk ertoe gebracht
zulke koffie niet meer te drinken
wat angola is weet nu iedereen daar
het vietnam dat europeanen in afrika maken

Er is vaak beweerd dat Nederland ooit ‘een gidsland’ was, maar hier is daar ook een bewijs voor. Met alles erop en eraan.

dinsdag 2 juni 2015

Haardvriendin

Getuige geweest van een mooie uitvaartdienst, de eerste in een rouwcentrum dat de heiden die ik ben niet deed verlangen naar een kerk. Veel licht en ramen, waardoorheen velden met mogelijk het bordje Scharrel eieren en, iets verder op de achtergrond, het geluidloze schokken van treinen.
Dat uitzicht vond ik troostend. Het was nodig, hoe licht de toespraken ook waren. Heen was gegaan de burgemeester van onze straat. Helaas is het altijd achteraf dat je je, al was het met het oog op de toekomst, afvraagt of er nog veel van zulke mensen bestaan. Iemand die iedereen in elk huis kent en aanspreekt met verhalen zonder begin, die gemeentewerkers feilloos kan wijzen welke leidingen waar onder het trottoir lopen en die de parkeerpolitie immer kan laten aanbellen bij het huis waarvan de bewoner zijn auto al te onmogelijk heeft geparkeerd.
De meisjes waren eveneens onder de indruk. In eerste instantie natuurlijk van al het snoep dat ze gaan missen en de vaste flauwe grap op weg naar school die door herhaling steeds leuker wordt. Ik vermoed ook dat ze even beseften wat vertrouwdheid kan zijn of nabijheid buiten de muren van het ouderlijk huis.
Is het typisch dat ze rangordes maken van vriendinnen, of doen jongens dat ook? Doordesemd met ironie ken ik de term ‘beste vriend’ eigenlijk niet in de 100%-waarde van mannen. In België spreekt men van ‘mijne maat’, maar ik heb nooit begrepen hoe dik het dan aan is. En weliswaar bestaat de zogeheten boezemvriend, maar die is sinds André van Duin en Vanessa van betekenis veranderd en van gedaante.
Meisjes durven misschien gewoon. In If I was your girlfriend stelt Prince zich voor hoe het is om een meisje te zijn. Hij zingt à la falsetto een potentiële geliefde toe met zijn woeligebarenfantasie, waarvoor hij de touwladder al heeft uitgerold: ‘If I was your best friend…’
Dit heeft geloof ik ook te maken met alles van elkaar weten. Want dat zit besloten in een burgemeester van een straat. Het taalkundig genie zegt dat ze haar geheimen niet meer aan mij verklapt, spreekt de laatste tijd wel van haar ‘beste vriendin’ in termen van ‘hartsvriendin’ en vraagt zich ineens af wie van hen na mij het eerst zal overlijden. De gourmande hoort het aan en zegt, op zijn Frank Boeijens, haardvriendin.
Waarschijnlijk voelt het, ‘voor buitenstaanders’, aan als claustrofobisch of zoiets als benepen. Iets gepredestineerds? Vermoedelijk heb ik het zelf ooit ‘burgerlijk’ genoemd. Dat was tot het moment dat ik op een ochtend in mijn appartement in het centrum van Antwerpen, toen fijnstof nog als fijn stof gespeld werd, de bejaarde buurvrouw zag worden weggevoerd. Dood. Haar had ik hooguit driemaal gegroet. Ze had één zoon, en zelfs dat weet ik niet zeker.
Om zulke belachelijke drama’s te voorkomen mag het fenomeen cohousing extra serieus worden genomen, zeg ik inmiddels, als ouder wiens bestaan volledig veranderd is, ook sociaal. (In de buitenlucht fungeren kinderen als honden: ze ontlokken bij passanten gesprekken met hun zogenaamde baasjes.)
Nog even over dat gepredestineerde. Een paar jaar geleden liet Beatrice de Graaf in Zomergasten een fragment zien waarin de beroemde verklaring voor het hoge Puttense dodental in de concentratiekampen aan de orde kwam: een te hoog werkethos, ten koste van de lichamelijke recuperatie.
De Graaf betoonde zich nog steeds boos. Cijfermatig zou dit helemaal niet hebben geklopt en in Putten waren er vele verzetslieden. De verklaring noemde De Graaf een proeve van ‘randstedelijke arrogantie’ (in de vertoonde beelden zat de hypothese dat eenzelfde aantal Amsterdammers in de concentratiekampen minder slachtoffers zou hebben opgeleverd) over ‘domme boertjes’.
Onderhuids speelde volgens haar bovendien een geloofskwestie, die een dichotomie wist te scheppen tussen makke lammetjes en weerbare mensen – de betreffende critici waren niet of nauwelijks protestant. De Graaf noemde hun verklaringen een gevalletje van blaming the victim.
Op een rare manier kreeg deze tweevoudig gepareerde kwestie een metaniveau, toen de presentator bij De Graaf bleef hengelen naar haar geloof. Uiteindelijk beet ze hem toe dat hij evengoed een frame had door zijn afkomst uit Rotterdam, de Randstad dus.
Het had iets onweerstaanbaar grappigs. De briljante jeugdige wetenschapster uit de ommelanden met al haar wereldse kennis die de gelouterde low culture-ambassadeur uit de grote stad terechtwees over zijn ‘dorpse insteek’. Tegelijk was het ongemakkelijk (voor mij als provinciaal) uit een zo geleerde mond, op gegarandeerd docerende wijze, clichés over de Randstad te horen verlaten, met een weerlegging van een stereotype dat zelf ook niet echt vrij was van stereotypering.
Het kan natuurlijk altijd gekruider. Wim Daniëls uit Aarle-Rixtel onthulde dat er in 1960 een boek is verschenen onder de titel De allochtonen in Brabant. De titelhelden bleken geboren te zijn in andere Nederlandse provincies.
Overigens had de burgemeester van onze straat een meer intercontinentale uitstraling. Ik heb de voorbije jaren geregeld aan hem moeten denken: wanneer er weer eens nieuws kwam over scheurtjes in Doel nummer zoveel. Hij heeft die centrale mede helpen bouwen en liet niet na de buurt erover te vertellen. Dat hij, nadat hij op zijn ladder had geluncht uit ‘de vloeibare brooddoos’, van veertig meter hoogte zijn beitel in de reactor had laten kletteren.

maandag 25 mei 2015

Cockless sex

Eerst eventjes alles in volgorde. Presentatrice Sylvana Simons had iets gezegd bij DWDD. Daar schreef televisierecensent Jean-Pierre Geelen een stuk over. En tegen dat stuk is socioloog Merijn Oudenampsen van leer getrokken.
Geelen had pacificerende opmerkingen van Simons ‘voorbeeldig’ genoemd en dat vond Oudenampsen behalve paternalistisch ook racistisch. Schrander en gedecideerd liet hij zien dat de televisierecensent onbehagen aan lagere klassen had uitbesteed. ‘De zaken staan er zo voor in Nederland dat degene die racisme ondervindt, rekening moet houden met de gevoeligheden van degene die racistische taal gebruikt.’ Zo bleef de blanke middenklasse schuldenvrij en fatsoenlijk.
Altijd weer de middenklasse! Boksbal en knuffeldier, de ene keer alomtegenwoordig, de andere keer op haar laatste benen lopend.
Het gaat mij er nu niet om te vragen wie er in opinieland eigenlijk niet bij die blanke middenklasse hoort en waarom deze zich telkens het recht toe-eigent het op te nemen voor mensen die daar niet om vragen, maar dat het trekken van de racismekaart hier de bijna vanzelfsprekende seksisme-optie buiten beschouwing laat.
Er is al – in een opinie – vastgesteld dat racismebeschouwing een niche begint te worden, maar die observatie van Nadia Fadil ging over minderheden als subject.
Waarschijnlijk verbaast me dat achterwege laten van een evidentere diagnose (voor wie de behoefte heeft met grote woorden te zwieren), omdat in mijn huidige studieperiode van de jaren zeventig het verwijt van seksisme frequent gedaan werd. Het was natuurlijk ook het decennium waarin ‘het feminisme’ tot wasdom kwam. Elke tijd zijn eigen fascinaties en stuipen?
Ik vrees dat het mijn manier van proberen is, om begrip te laten doordringen met een blik op de overzijde. Eindelijk kwam Renate Rubinsteins artikelenpamflet Hedendaags feminisme van de plank. Het ventte slim populisme uit dat zichzelf steeds probeert te legitimeren. En dat feminisme in de rug aanvalt, met een woord dat zich ogenschijnlijk op enige afstand ophoudt.
In papieren van de toenmalige PSP had Rubinstein zich gestoten aan het woord ‘solidariteitsbeginsel’, waarna ze uitroept: ‘Hemel, de jaren vijftig, Romme, de paus, wat krijgen we nu?’ Een vervolgstuk geeft die toch wat instinctieve reactie een schier overrationele steun, als Rubinstein solidariteit poogt te deconstrueren. In eerste instantie in de toepassingen:

‘Zionisme, feminisme, blackisme – er zit een element in van wrekende rechtvaardigheid dat ook mij bevalt. Wat mij hindert is de rationalisatie die zich bedient van dezelfde soort redenering (alleen de strekking is omgekeerd) die vroeger tegen de underdog gebruikt werd. In zijn ergste vorm gaat deze redenering nog verder dan het aanwijzen van wie eigenlijk aan wie superieur is. Hiërarchische ongelijkheid sluit immers nog steeds de mogelijkheid van communicatie niet uit.’

Al argumenterend belandt ze bij ‘de Black-Power-ideologie’ die uitwisseling met blanken principieel uitsluit: ‘Emoties en redeneringen zijn incommunicabel omdat de ervaringswereld van de beide rassen zo wezenlijk verschillen dat de kloof onoverbrugbaar is. De omgang tussen de mensen en met de literatuur leert ons dat dit onjuist is.’ Dat ons zalft, al zou het ook bijtend ironisch kunnen wezen..
Rubinstein verdraagt wel een universalistische ideologie uit emancipatoir oogpunt. Maar bij feminisme proeft ze een collectivistische ideologie die in laatste instantie de menselijkheid van de rest van de wereld ontkent. Black power en zionisme vindt ze daarvan een variant, omdat respectievelijk blanken en niet-joden de unieke eigen aard domweg niet zouden kunnen begrijpen. Dit vraagt uiteraard om strijd, niet om overleg. En: ‘Alles jankt om solidariteit’.
Hier neemt volgens Rubinstein een niet-bestaande essentie de overhand: ‘Solidariteit is een begrip dat zich voordoet als liefde maar dat in werkelijkheid gebaseerd is op een opgeblazen eigenbelang.’ Ik vis dat citaat niet uit een blog, maar uit een publicatie van maart 1979.
Naar mijn indruk werd met deze deconstructie het hele feminisme van toen voor Rubinstein bijzaak. Het doet haar niks om oerfeministe Hanneke van Buuren er verschrikkelijk van langs te geven. Waarschijnlijk nog minder als producent van ‘discriminerend braaksel’, dan zonder commentaar haar te citeren als vertaalster van de dichtregel ‘On Saturday I gave myself to cockless sex’ tot ‘Afgelopen zaterdag gaf ik mij over aan niet-hanige sex’.
Het is een raar besef dat pas in de tweede helft van de jaren zeventig het wapenwoord seksisme opdook (net als assertief en trendvolger). Ik vraag me af wat het uitrichtte met fenomenen uit dezelfde tijd, toen Johnny “Guitar” Watson opkwam met de elpee Ain't That A Bitch, waarop nummers als ‘I Want To Ta-Ta You Baby’. Redelijkerwijs zijn daar geen kwalificaties voor; ‘seksistisch’ is maar een klappertjespistool.
Mij had dat toen kunnen treffen, bevroed ik vandaag. Voor de puber-in-opleiding die ik was, belichaamde Lio van ‘Amoureux solitaires’ het archetype van de vrouw: donker haar, bleek en kwijnend. Dat laatste was het belangrijkste. Haar existentiële verdriet zou kunnen worden opgelost door mij. Ik waande me al een ridder (c.q. een blanke opiniemaker avant la lettre), dus het kwam als geroepen dat ze zong ‘La vie est si triste’.
Even archetypisch oogde presentatrice Dieuwertje Blok. Of zij de Sylvana Simons van haar tijd was weet ik niet, wel dat het mij logisch leek dat aan haar een liedje gewijd werd. Het was evengoed artistieke stalking te noemen of, met een term van Mettes, identifixatie. Ook Isabelle Adjani had trekken van mijn oervrouw. Het curieuze is wellicht dat ze mij algemeen geldig leek, terwijl ik tegelijk moet hebben gemeend een strikt persoonlijke smaak te hebben ontwikkeld.
Het complexere individualisme van Renate Rubinstein zal verder hebben gestrekt dan afkeer van feminisme, dat voor haar een onbegrijpelijk mandaat verstrekte om namens een groep allerlei theses te doen die veralgemenisering niet kunnen afschudden. De onmiskenbare scherpte daarvan, die al in ‘seksistisch’ zit, zou Rubinstein wel eens minder hebben kunnen steken, gewend als ze was zelf bliksemoordelen uit te vaardigen.
Het ging er haar om, te allen tijde exclusief voor zichzelf te kunnen spreken. Is dat een manier om aan paternalisme te ontsnappen? Mogelijk. En aan racisme? Nooit.

zondag 17 mei 2015

Eenzijdig nuttig

Voordat het woord ‘gun-kloof’ in mijn leven kwam, had ik kennisgemaakt met ‘botanisch racisme’. De term stond in een samenvatting van een lezing die Jos de Mul had gegeven bij Natuurmonumenten. Hij citeerde er op zijn beurt mee uit Plantaardig. Vegetatieve filosofie van Wouter Oudemans. Deze filosoof schreef dit boek trouwens, volgens de razende postbode die internet heet, samen met zijn student-assistent Norbert Peeters.
Met ‘botanisch racisme’ wordt bedoeld dat exotische natuur in Nederland moet wijken voor inheems bos. Eigen vegetatie eerst! Het klonk bizar. En ook een beetje lachwekkend, toen De Mul die trend veroordeelde omdat ze geen recht zou doen aan ‘het nomadische karakter van planten’. Maar da’s natuurlijk mijn autobiografisch persoonlijke privé-lach, die iets te veel (over) toepassingen heeft gelezen van het nomadisme, van kunst tot levenspolitiek.
De Mul neemt een pragmatisch standpunt over natuur in. Alles verandert constant, er lijkt geen begin, enz. Streven naar behoud is volgens hem dus ondoenbaar. Onder referte naar stadsecoloog Jelle Reumer had hij erbij kunnen vermelden dat in metropolen de natuur evengoed haar eigen gang gaat.
Dat maakt de kwalificatie ‘racisme’ wel niet helemaal volgbaar. Tegen de realiteit van een reeds over generaties heterogeen geraakte samenleving wordt daarmee allerlei sluipend gif ingespoten, waar het ene individu beter tegen bestand is dan het andere. Maar tegen de realiteit van flora blijkt hier een beleid gaande van uitroeien met wortel en tak. Zou de term ‘botanische genocide’ dan gepaster zijn?
Ik voel me hopeloos blank, middleclass en hoogopgeleid.
Met dank aan de biotechnologie meent De Mul dat je beter nieuwe natuur kunt scheppen om huidige problemen het hoofd te bieden. Een bionet of things. Hij gaf er geestige voorbeelden van die, ondanks de verzekering dat er geen sciencefiction in het geding is, iets provocerends hadden. Wat heb je immers aan innovaties, hoe bevorderlijk voor de biodiversiteit ook, indien businessmodellen en vernietiging essentieel voor hun wezen zijn?
Die vraag herinnert me aan vaststellingen die achteraf over Provo van Roel van Duijn gedaan zijn. Dat het veeleer een binnen- dan een buitenpartij was die de stadsvlucht wilde keren, en over ruimtelijke ordening standpunten ventileerde ‘tegen de voortdurende verloedering’ die, zoals Virginie Mamadouh in haar studie De stad in eigen hand liet zien, letterlijk conservatief waren: behoud en reparatie van krotten boven sloop en nieuwbouw.
Als voorafspiegeling van de tegenwoordig vaak gesignaleerde omkering van links en rechts, volgens welke de verdediging van culturele instituties altijd van ‘rechts’ is gekomen terwijl het nu het culturele leven verafschuwt en voorstander is van fundamentele veranderingen, en volgens welke het oude politieke ‘links’ dat doende was universele waarden als rede en vooruitgang af te breken, daarvan nu de verdediging ter hand neemt?
Provo speelde te Amsterdam in de protestjaren, de navel van de wereld. Een voorbeeld van de houding tegenover stadsvernieuwing bood de Nieuwmarktbuurt, waar een metro onder werd gepland. Tegenstanders vonden ideeën over solidariteit binnen de wijk hooguit vaag en romantisch, maar meestal gewoon kneuterig. En oorspronkelijke bewoners, waartoe evengoed bejaarden en grote buitenlandse gezinnen behoorden, voelden zich niet altijd even verbonden met revolutionairen die geen gordijnen hadden en de trap niet schoonmaakten.
De finale veldslagen rond de Nieuwmarkt, ‘tegen in onze ogen fascistische maatregelen’ van de sloop, kregen wel steun van Johnny Kraaijkamp, Willy en Willeke Alberti, Koot en Bie, Adèle Bloemendaal, Piet Römer, Berend Boudewijn, Sonja Barend, Rijk de Gooijer en Peter Schat.
Pas als kabouter lijkt Van Duijn de natuur werkelijk te hebben ontdekt. Hij streefde naar harmonie ermee en wilde, alsnog binnen stedelijke muren, meer groen en hij stimuleerde biowinkels. Toch zijn het veelal hoogopgeleiden die nu in volksbuurten wonen. Niet zozeer door verdrijving – de stadsvlucht is bepalender geweest voor het lot van de eerste bewoners – maar ze hebben wel voor een lage prijs een verdieping of huis kunnen kopen en weten zich verzekerd van een appeltje voor de dorst.
Dat allemaal terzijde. Het ging over ‘botanisch racisme’. Wat me verbaast, is het gemak waarmee ik teksten aanvaard die praktijken onmiddellijk politiseren. Hoe dat? Ooit leek het me van een geweldige moed en dito zelfvertrouwen getuigen om iets ‘racistisch’ of ‘fascistisch’ te noemen, maar simultaan met de Zeggen-waar-het-op-staat-cultuur van internet lijkt er een routinemodel van politieke kritiek ontstaan dat iets luxueus heeft.
Ik besefte dat eens te meer door twee essays afgelopen week. Het ene was van Henri Beunders over ‘politiek correct’. Dat begrip is vaak gepasticheerd maar bleef voor mij wat ondoordringbaar. Omdat Beunders de terugkeer van politieke correctheid aankondigt, schijnt de werkelijkheid deze: er bestaan opnieuw taboes en de smetvrees keerde weder om maar één verkeerd woord te zeggen. Toch dunkt me incorrect zijn door doelbewust te kwetsen geen verdienste. Beunders vervalt bij het schilderen van de voorgeschiedenis, die hij in mei ’68 laat beginnen, in karikaturen. Zijn detail dat op de Universiteit van Colombia het persoonlijk voornaamwoord ‘hir’ circuleert, als samenvoeging van ‘him’ en ‘her’, zal hij vernielzuchtig oplepelen, maar voor mijn beroepsgedeformeerdheid is het een charmante opluchting. Onverlet blijft de schrilheid dat, ‘onder het mom van tolerantie en empathie met minderheden, een vorm van intolerantie’ de dienst uitmaakt. Dat in de spiegel uitgerekend het mombakkes van een dorpspastoor opdoemt, mag een tragedie heten.
Het andere essay stond in nY en ging over Barthes’ Plezier van de Tekst. Die auteur nodigde inderdaad uit tot praatjes over doxa en zo, maar uitte in dit programmatisch stuk ook andere wensen. Zou het een generatiekwestie zijn daar overtuigd naast te kijken? Christophe Van Gerrewey heeft het dan over kunst, maar het onderwerp kan moeiteloos worden uitgebreid naar, inderdaad, natuur of stedenbouw: ‘In een kapitalistische wereld in crisis wordt geen enkele activiteit getolereerd die niet eenzijdig nuttig is en die niet bijdraagt tot vooruitgang en economische welvaart. In de vaak onbewuste en goedbedoelde verwachting dat kunst dit alles bekritiseert, wordt de kunst zelf geïnstrumentaliseerd, of wordt de esthetische ervaring ingezet om overbekende, gemediatiseerde en daarom enkel zogenaamd kritische thema’s opnieuw op een voetstuk te zetten.’
Dan nu een oorverdovende conclusie.

vrijdag 8 mei 2015

En toch

Misschien is het ergste nog de onverschilligheid tegenover motieven. Je principe is te heilig. Zodat je wel moet overgaan tot veroordeling van geweld. Dat gebeurt nogal eens, ook in kringen waartoe je roepingshalve schijnt te behoren. Misschien moet het ook te vaak gebeuren en maakt het moe steeds het debat open in te gaan. Er is voldoende stof in de klassieken om je weigering elegant te legitimeren.
En de aanvechting toch op te staan, en te gaan zitten, enz.
Jens Christian Grøndahl probeert in Rode handen door een reconstructie van één RAF-gewelddaad inzicht te krijgen in wat revolutionairen destijds heeft bewogen. En: hoe er nu voor hen mee om valt te gaan. Duizelingwekkende vragen, alleen al door de voortgang van geplogenheden en denkkaders:

‘Als ik de kranten van toen teruglees, kan ik niet begrijpen dat ik de tijdgenoot van Hans Martin Schleyer en Andreas Baader was (…) De gebeurtenissen aan het eind van de jaren zeventig leken ver en onbegrijpelijk toen we er vijftien jaar later op terugkeken, alsof we zelf die afstand niet hadden afgelegd door het leven dat respectievelijk haar leven en het mijne was geworden. Maar al toen het net was gebeurd, maakte iedere afzonderlijke gebeurtenis in al haar rauwe werkelijkheid de indruk uit een afgrond omhoog te steken. Ik begreep niet hoe mensen die niet zo anders waren dan ik, in staat waren de benodigde koelbloedigheid en wreedheid op te brengen.’

Dit zegt het naamloze mannelijke hoofdpersonage, wegens een toevalsgeschiedenis met ene Sonja die zelf door willekeur kort aan de periferie van de RAF stond. Toch wil zij veel later naar een proces tegen twee mensen die dus eventjes, en zonder dat dit benoemd werd, medestrijders waren. Ze staan terecht voor de moord op een bankbeambte, tijdens zo’n overval die de RAF pleegde om de lopende uitgaven te dekken.
Een van de twee, de vrouw Angela, ontplooit voor de rechtbank nog dezelfde houding en hetzelfde expliciet ideologische taalgebruik. Ze begint een verklaring voor te lezen die weigert de premissen van de bijeenkomst te erkennen. De vragen van de aanklager beantwoordt ze niet en ze leest door. Uiteindelijk wordt ze al tegenstribbelend uit de zaal verwijderd.
Het tafereel wekt bij het publiek lachlust op. Van de familie van het slachtoffer staat vermeld dat ze een ‘onpolitiek verdriet’ vertonen. Angela’s tirade geldt als ‘een nostalgisch citaat, een soort politieke kitsch’. Daarbij de uitleg dat de nazi’s tegen wie zij zich destijds kantte al dood zijn (sic) en dat de argumentatie niet langer in het model van de wereld past dat alles zou moeten verklaren. ‘Je denkt dat je het begrijpt, terwijl Gudrun Ensslin, Andreas Baader en UIrike Meinhof nog steeds onbegrijpelijk zijn. Zijn die misschien nog niet lang genoeg dood?’
Sociologisch worden RAF-strijders geduid als ‘een generatie die als eerste had beleefd dat meer mensen welstand bereikten dan ooit tevoren en toch dachten ze in volle ernst de arbeidsklasse te vertegenwoordigen in haar gewapende opstand tegen het kapitalistische systeem. (…) Het moest allemaal anders en ze begonnen bij zichzelf in een soort ideologisch exorcisme, maar waarom?’
Inderdaad gnuift het van pretentie om met onomfloerste veralgemeniseringen namens anderen te spreken. Steven Pinker signaleerde dan weer een recentere hebbelijkheid van intellectuelen die slang inzetten om de schijn van betweterigheid te vermijden. Voor hem vergelijkbaar met politici, uitkeringsgerechtigden en studenten die onder druk van officiële documenten verheven onnozelheden blijken te openbaren.
En toch. Een documentaire over de Cito-toets deed me van de bank veren. Ik had het al eens gehoord, maar het blijkt geen uitzondering dat aan Hollandse kindjes vanaf twaalf les wordt gegeven in het Engels omdat een ‘zesjescultuur’ niet volstaat. Van mij mogen gestaalde termen dan in hergebruik.
Even grote bibbers bezorgde mij de euroliberale goedkeuring aan initiatieven als Uber wegens innovatie: ‘Je zou het kunnen vergelijken met de strijd tussen de gildes en de massaproducenten die de stoommachine introduceerden in de negentiende eeuw.’
Of dat een ketenboekhandel een lenteactie houdt onder de naam Primaverba, ingeleid door de gedelegeerd bestuurder met de bewering 163.000 boeken in huis te hebben. Te bestellen uiteraard. ‘Ons gespecialiseerde personeel maakt de beste selectie van het moment en zet die mooi in de kijker’.
Zulke onomkeerbare fenomenen doen me geloven dat het niet geheel zinloos is om studie te maken van en lering te trekken uit ‘de jaren zeventig’. Wel ondervind ik zogeheten accentverschuivingen in mijn fascinaties. Sinds ik vader ben, frame ik nevendrama’s, te beginnen bij de RAF.
Ook naar aanleiding van Wer Wenn Nicht Wir, die de historische ontwikkeling tot het geweld uitvouwt en daarbij aandacht heeft voor Ensslins ex-man Bernwart Vesper. Mij gaf deze film de meest ongewenste prikkels bij kind-ouderscènes: als dominee Ensslin zijn dochter moet laten gaan, en als Gudrun per telefoon aan haar ex adviseert hun zoon weg te geven.
Wat was dat toch in de seventies? Guido Ceronetti krijgt in zijn bizarre en aangrijpende boek De stilte van het lichaam (1979) de kieren in zijn studeerkamer niet gedicht. Zodat er fragmenten ontstaan als:

- ‘Gebeurd in Belfast. Het kan zo ver komen dat men uit een rijdende auto op een loslopend meisje van anderhalf schiet, uit algemene politieke haat tegen de bewoners van die wijk. De schutter acht zich vast en zeker een strijder.’
- ‘Een psychiater over Baader-Meinhof: “Zij zoeken hun heil in een paranoïde houding, die hen blind voor de realiteit maakt omdat zij alles om zich heen als smerige manipulatie beschouwen.” Op dit punt zijn zij niet blind, en toch kan de mens het sluimerende kwaad niet zien en tegelijk ontkomen aan de bestraffing, bestaand uit een algehele verblinding en verdwaling, als hij niet een geïnspireerde ziener en vooral een atleet is die het kwaad heeft overwonnen en zich immuun ervoor heeft gemaakt alvorens zich aan het visioen over te geven. Voor Arjuna werkt het visioen van de god onder het aspect van de verschrikking louterend, hij blijft een krijger en rechtvaardig man; voor iemand als Baader betekent het oplichten van een tipje van de sluier een mentale schok.’

En toch. In een glazen bol ziet politicoloog Bart Maddens een breed front ontstaan. Het zou zich gaan verenigen rond twee thema’s: veiligheid en belastingen. Rolluiken neerlaten! Wat er verder waar ook gebeurt, is jouw zaak niet meer. Wegens bemoeizucht?

woensdag 29 april 2015

Iedereen weet dat ik de revolutie wil

Nu de eerste rook is opgetrokken na de bezetting van het Maagdenhuis (historische fase twee, uiteraard), vraag ik me af hoe het komt hoe dat zoiets niet in België gebeurt. In Nederland is het Amsterdamse initiatief, inclusief Nieuwe Universiteit, slechts een startschot geweest. Aan wat studenten daar waren begonnen haakten docenten hun karretje en vervolgens denderde het door andere universiteitssteden. Het protest heeft zich als het ware gedecentraliseerd. Zelfs de minister van Onderwijs heeft dat erkend. Wat wil je ook, wanneer ‘efficiency’ de enige motor van wetenschappelijke vooruitgang moet zijn.
Waarom blijft het in België dan zo stil? De Vlaamse scholierenkoepel, luidt een vers bericht, kreeg een recordaantal vragen over rechten, wegens de sensatie bij jongeren dat ze nog immer niets te zeggen hebben. En dat zou wegebben bij de aanvang van de volwassenheid?
Deze uiteenlopende assertiviteit zou toch niet het stereotype van karakterverschil tussen Nederland en België bevestigen? Ik was juist zo verheugd over een andere tijding. Steeds wanneer ik het internet bijna uit heb, begin ik namelijk graag, bij wijze van gezond chips eten, aan nieuws dat nogal calorierijk is: van het psychologisch doorzicht.
Een eerbiedwaardige Amerikaanse site meldde dat wetenschappelijk onderzoek enige feilen had geconstateerd aan emotionele intelligentie. Er was een morbide, narcistisch trekje bij losgekomen. Machiavellistisch zelfs. Niet zozeer toebehorend aan empathische mensen, als wel aan manipulators.
Een fijne boodschap, vond ik. Het mag zijn dat een hoog IQ niet onophoudelijk de meest prettige, veeleer evengoed narcistische omgeving heeft geschapen. Dat was in de tijd dat socialisme niet gezellig hoefde te zijn. Toen raakten kennis en specifieke vertolking ervan betwist, en kwam er nadruk op emotionele intelligentie. Tot op heden? Het nieuwe paradigma sloeg wat mij betreft door. Het produceerde net iets te veel personages die bij vacatures vlekkeloos voor de dag kwamen bij het onderdeel ‘echte teamplayer’, zonder schaamte voor ‘creatief’, ‘proactief’ en ‘dynamisch’.
Bizar dat ik dit sinds kort, tegen mijn zin, met de historische studentenopstand associeer. In de eerste fase – opa schrijft het jaar 1969 – centraliseerde het protest nog. De eerste bezem door de instituties ging immers in Tilburg , in wat toen even, maar in de geschiedschrijving voor eeuwig, de Karl Marx Universiteit heette.
Onlangs kwam me daarover een reportage onder ogen, door de legendarische journalist Joop van Tijn. Hij was uit de Grachtengordel als 31-jarige voor Vrij Nederland naar de provincie getogen. Met die zin verraad ik meteen mijn gevoel, maar ik kom zo’n beetje uit de streek van Tilburg. Van Tijn schreef in die tijd bijvoorbeeld ook over het Vlaamse wielerleven, wat, toegegeven, knappe details opleverde: een wedstrijd om de beste supporter van Rik van Looy werd gewonnen door degene die al het badwater van de coureur na criteriums had verzameld in plastic limonadeflessen.
Op de bezette universiteit gaat Van Tijn zijn partij van acquit met een ouderpaar dat voor hun revolutiezoon ‘schoon goed’ meegebracht heeft. Dat zet de toon over hoe de journalist de eis van medezeggenschap in zijn eigen markt zet.
Onvermijdelijk passeert het epitheton van het paternalisme: ‘We hebben nu eens niet laten zien hoe goed we als linkse mensen alles weten, maar de mensen zelf laten ontdekken hoe autoriteiten denken en reageren.’ En voor je het goed in de smiezen hebt, heeft Van Tijn de lezer geleid naar een halszaak: ‘de verdere tactiek’. Die term is volgens mij net wat banaler dan ‘strategie’, temeer daar Van Tijn er meteen ‘de contestatie en de confrontatie’ bij zet. Daarmee laat hij zijn reportage ontsporen.
Want er ontstaat natuurlijk ‘discussie’ tussen de actievoerders, met een vileine erlebte rede: ‘moet je de massa manipuleren of niet? Of liever gezegd: ga je dat niet automatisch doen, omdat je niet mag verwachten dat iedereen precies weet waar het over gaat.’
Niet voor niets zet Van Tijn hier een punt in plaats van een vraagteken. Hij is degene die manipuleert. Dus eindigt zijn stuk, over efficiency gesproken, met frasen van derden:

‘Frijns: “Ik snap niet dat linkse mensen altijd weer van zichzelf denken dat ze niet democratisch zijn”.
“Nou Jean”, zegt iemand, “jij bent ook wel eens van het podium afgeroepen. Toen je daar met die toeter stond.”
Jean grijnst: “Ja, ik kan slecht manipuleren. Iedereen weet dat ik de revolutie wil. Dat weten ze als ze me drie minuten horen spreken. Dan kan je toch niet zeggen, dat ik manipuleer? Als ik zég dat ik die revolutie wil”?’

vrijdag 24 april 2015

Zonder papieren alleen maar een mens

De rampen die zich op de Middellandse Zee blijven voltrekken, met vluchtelingen die op bootjes Europa hopen binnen te raken en daarbij eerder de zeebodem zien dan het vasteland, worden op een of andere manier nog steeds gerationaliseerd met niet heel erg smakelijke (BE: ‘problematische’) twijfels over meerwaarde van migranten. Behalve dat nooit iets zeker is, evenmin in ‘de economie’ trouwens, kan de rol van het onverwachte best wat meer in de verf worden gezet.
Zo is dat binnen de grenzen van Europa zelf evengoed gebeurd.
De reputatie van Cadbury is bijvoorbeeld gered door Van Houten. De Engelse firma was eigenlijk voor chocolademelk en raakte aan de grond, tot ze in 1864 naar Hollands inzicht een cacaopers kochten waarmee het poeder van boter te scheiden viel. Geen smaakstoffen meer nodig voor de ‘cocoa essence’! In verpakkingen met de lieflijke landschapjes kon onder de slogan absolutely pure: therefore best de chocolademarkt met succes veroverd worden.
Dit staat in De geest in dit huis is liefderijk van Daniela Hooghiemstra. Zij schildert er het leven van de legendarische onderwijsvernieuwer Kees Boeke, die met zijn ideeën zelfs tot in de Koninklijke familie wist door te dringen, maar net niet helemaal. Het Cadbury-verhaal is in de biografie opgetekend, omdat Boeke getrouwd was met een erfgename van die firma. Het geld dat hieruit vrijkwam, kon Boeke natuurlijk prachtig gebruiken voor zijn idealistische schoolproject in Bilthoven. Maar zo eenvoudig ging dat niet; op geld keek de man neer, net als op paspoorten die voor een universele mens inderdaad wat al te beperkend zijn.
Boeke verkeerde in kringen die hooggestemde projecten van de grond konden krijgen. In Bilthoven woonden wel meer erfgenamen. Ze konden het zich permitteren zich toe te leggen op de geestelijke rijping. Of ze hadden interessante contacten. Bijvoorbeeld met een astroloog die van elk van zijn kippen de horoscoop trok.
Fascinerend is de vrijheid die Boeke aan de kinderscharen wilde brengen. Zelf zat hij in het speciaal ontworpen gebouw in een soort uitkijkpost, met glazen wanden waardoor hij alle lokalen kon observeren. Het doet denken aan Benthams panopticum, zoals in de jaren zeventig terug in de herinnering gebracht door Foucault, maar daarin, in het historische ontwerp bedoel ik, viel de bewaker zelf niet te ontwaren.
Kees Boeke was ook violist. En bij gelegenheid schreef hij een gedicht. Bijvoorbeeld vlak voor het begin van de Tweede Wereldoorlog:

Opent de grenzen, opent ze wijd
Holland sta open voor alles wat lijdt
Zo is het vroeger altijd geweest
Zo is van oudsher de Hollandse geest

Als nu eens Jezus stond aan de grens,
Zonder papieren alleen maar een mens
Zoudt gij hem zeggen: word maar gedood
Gij zijt een vreemd’ling, een vlucht’ling, een jood?

Het is verleidelijk dit heden te lezen als opdracht aan Europa, in het licht van de rampen op de Middellandse Zee. Zo’n parallel geeft een gelijk dat ontkend of bevestigd kan worden.
Geregeld is opgemerkt hoe wanhopig mensen moeten zijn om zich, losgescheurd van familie en vrienden, op zulke gammele bootjes naar een ander werelddeel te begeven. Maar zou je dit tegelijk niet kunnen opvatten als een enorm compliment aan Europa?
Elke schooldag zet de gourmande haar tas in een op borsthoogte gelegen gangetje, legt haar brooddoos (NL: ‘broodtrommel’) in een kist en treedt dan tevoorschijn. Ze staat boven aan een trappetje en laat zich voorover vallen. In het niets. Het is te zeggen, in de armen van haar papa die haar, voor zover dat op de oude dag nog gaat, pirouettegewijs een paar maal in de rondte slingert.
De papa beschouwt dat als een verrukking – haar gilletjes, zijn duizeling. Op sommige dagen is hij bang, doodsbang om precies te zijn, dat hij niet goed oplet. Vooral voelt hij zich bevoorrecht dat iemand hem zo’n vertrouwen schenkt.
Europa zou dat niet mogen beschamen.

woensdag 15 april 2015

Caramels, bonbons en chocola

Lily Tomlin – volgens Wikipedia zowel actrice, comédienne, schrijfster, als producer – schijnt een antwoord te hebben gevonden op de eeuwige vraag waarom taal bestaat. Taal is een uitvinding van de mens, zegt ze, om de vraag naar klagerij te bevredigen.
Mooie stelling, vind ik. Omdat ze meteen en onvermijdelijk inhoudt dat taal in alle opzichten dialogisch is. Er valt niks ‘kwijt te kunnen’ zonder afvalbak. Klagen blijft onvoltooid zolang niet een of andere ontvanger, desnoods doof of met een half oor, er iets van meekrijgt. (De Klaagmuur is een treurige fopspeen.)
Ik ben ook door Tomlins stelling getroffen omdat muziek deel moet uitmaken van haar idee over taal. Klagen is zagen. Nu ik dit opschrijf, wreken zich mijn jaren in België. Als het tenminste een probleem zou zijn onnavolgbaar te worden voor de Nederlandse markt.
Het werkwoord ‘zagen’ is onder de Moerdijk een nogal ongelukkige kruising tussen ‘zeuren’ en ‘zeiken’. De bezigheid wordt dan ook geregeld als zodanig aangeduid. Dat ik er op een of andere manier muziek in hoor, komt vermoedelijk door een liedje uit mijn jeugd. Het blijkt uit 1972 en heette ‘Parole, parole’. De vertolkers zijn Mina & Alberto Lupo.
Het lijkt me uitgesloten dat ik destijds een idee had wat het betekende. Dat is het grootse van muziek, en het nodigt uit, zeker aan kinderen, om fantasiewoorden voor het mysterie in de plaats te schuiven. Aldus was dit lied extra vatbaar voor een parodie, die nog hetzelfde jaar gestalte zou hebben gekregen.
Allemaal wederom Wikipedia-weetjes, waarmee valt op te lepelen dat artiesten als Dalida en Alain Delon zich aan dit liedje hebben vergrepen. Zelf schoot het pas door mijn geheugen wegens een recente kennismaking met de Nederlandse versie. Ze behelst een vertaling, uit 1973 al, door niemand minder dan Cees Nooteboom. Ze was voor Ramses Shaffy en Liesbeth List en heette ‘Gebabbel, gebabbel’. En ook daarvan blijkt er een parodie te bestaan, van Paul de Leeuw en Willeke Alberti.
In het Nederlands is ‘Parole, parole’ een liedje over een afscheid tussen geliefden. De man heeft de vrouw bedrogen en komt daarna ogenschijnlijk om van de spijt. Maar zij vindt hem onoprecht – en hoe meer hij praat, hoe sterker haar overtuiging.
Het liedje moet een remedie tegen slap gelul zijn. Tegen onzin waar veel te veel woorden voor nodig zijn: de paraaf van de leugenaar. ‘Gebabbel, gebabbel, alleen maar gebabbel / en verder hete lucht’. Dateert de spreekwoordelijke ‘gebakken lucht’ uit latere decennia of hebben we hier een noodregering van de metriek?
De grap bij dit liedje is dat de melodie onder deze grimmig te noemen tekst juist van een onbeschofte zorgeloosheid is. Of projecteer ik nu enige slagen in de rondte? ‘Wat neemt iemand waar die de ernst van een melodie gewaarwordt? – Niets wat door weergave van het gehoorde zou kunnen worden meegedeeld.’ (Wittgenstein, Filosofische onderzoekingen)
Maar ook dit wordt in taal beweerd.