zondag 17 mei 2015

Eenzijdig nuttig

Voordat het woord ‘gun-kloof’ in mijn leven kwam, had ik kennisgemaakt met ‘botanisch racisme’. De term stond in een samenvatting van een lezing die Jos de Mul had gegeven bij Natuurmonumenten. Hij citeerde er op zijn beurt mee uit Plantaardig. Vegetatieve filosofie van Wouter Oudemans. Deze filosoof schreef dit boek trouwens, volgens de razende postbode die internet heet, samen met zijn student-assistent Norbert Peeters.
Met ‘botanisch racisme’ wordt bedoeld dat exotische natuur in Nederland moet wijken voor inheems bos. Eigen vegetatie eerst! Het klonk bizar. En ook een beetje lachwekkend, toen De Mul die trend veroordeelde omdat ze geen recht zou doen aan ‘het nomadische karakter van planten’. Maar da’s natuurlijk mijn autobiografisch persoonlijke privé-lach, die iets te veel (over) toepassingen heeft gelezen van het nomadisme, van kunst tot levenspolitiek.
De Mul neemt een pragmatisch standpunt over natuur in. Alles verandert constant, er lijkt geen begin, enz. Streven naar behoud is volgens hem dus ondoenbaar. Onder referte naar stadsecoloog Jelle Reumer had hij erbij kunnen vermelden dat in metropolen de natuur evengoed haar eigen gang gaat.
Dat maakt de kwalificatie ‘racisme’ wel niet helemaal volgbaar. Tegen de realiteit van een reeds over generaties heterogeen geraakte samenleving wordt daarmee allerlei sluipend gif ingespoten, waar het ene individu beter tegen bestand is dan het andere. Maar tegen de realiteit van flora blijkt hier een beleid gaande van uitroeien met wortel en tak. Zou de term ‘botanische genocide’ dan gepaster zijn?
Ik voel me hopeloos blank, middleclass en hoogopgeleid.
Met dank aan de biotechnologie meent De Mul dat je beter nieuwe natuur kunt scheppen om huidige problemen het hoofd te bieden. Een bionet of things. Hij gaf er geestige voorbeelden van die, ondanks de verzekering dat er geen sciencefiction in het geding is, iets provocerends hadden. Wat heb je immers aan innovaties, hoe bevorderlijk voor de biodiversiteit ook, indien businessmodellen en vernietiging essentieel voor hun wezen zijn?
Die vraag herinnert me aan vaststellingen die achteraf over Provo van Roel van Duijn gedaan zijn. Dat het veeleer een binnen- dan een buitenpartij was die de stadsvlucht wilde keren, en over ruimtelijke ordening standpunten ventileerde ‘tegen de voortdurende verloedering’ die, zoals Virginie Mamadouh in haar studie De stad in eigen hand liet zien, letterlijk conservatief waren: behoud en reparatie van krotten boven sloop en nieuwbouw.
Als voorafspiegeling van de tegenwoordig vaak gesignaleerde omkering van links en rechts, volgens welke de verdediging van culturele instituties altijd van ‘rechts’ is gekomen terwijl het nu het culturele leven verafschuwt en voorstander is van fundamentele veranderingen, en volgens welke het oude politieke ‘links’ dat doende was universele waarden als rede en vooruitgang af te breken, daarvan nu de verdediging ter hand neemt?
Provo speelde te Amsterdam in de protestjaren, de navel van de wereld. Een voorbeeld van de houding tegenover stadsvernieuwing bood de Nieuwmarktbuurt, waar een metro onder werd gepland. Tegenstanders vonden ideeën over solidariteit binnen de wijk hooguit vaag en romantisch, maar meestal gewoon kneuterig. En oorspronkelijke bewoners, waartoe evengoed bejaarden en grote buitenlandse gezinnen behoorden, voelden zich niet altijd even verbonden met revolutionairen die geen gordijnen hadden en de trap niet schoonmaakten.
De finale veldslagen rond de Nieuwmarkt, ‘tegen in onze ogen fascistische maatregelen’ van de sloop, kregen wel steun van Johnny Kraaijkamp, Willy en Willeke Alberti, Koot en Bie, Adèle Bloemendaal, Piet Römer, Berend Boudewijn, Sonja Barend, Rijk de Gooijer en Peter Schat.
Pas als kabouter lijkt Van Duijn de natuur werkelijk te hebben ontdekt. Hij streefde naar harmonie ermee en wilde, alsnog binnen stedelijke muren, meer groen en hij stimuleerde biowinkels. Toch zijn het veelal hoogopgeleiden die nu in volksbuurten wonen. Niet zozeer door verdrijving – de stadsvlucht is bepalender geweest voor het lot van de eerste bewoners – maar ze hebben wel voor een lage prijs een verdieping of huis kunnen kopen en weten zich verzekerd van een appeltje voor de dorst.
Dat allemaal terzijde. Het ging over ‘botanisch racisme’. Wat me verbaast, is het gemak waarmee ik teksten aanvaard die praktijken onmiddellijk politiseren. Hoe dat? Ooit leek het me van een geweldige moed en dito zelfvertrouwen getuigen om iets ‘racistisch’ of ‘fascistisch’ te noemen, maar simultaan met de Zeggen-waar-het-op-staat-cultuur van internet lijkt er een routinemodel van politieke kritiek ontstaan dat iets luxueus heeft.
Ik besefte dat eens te meer door twee essays afgelopen week. Het ene was van Henri Beunders over ‘politiek correct’. Dat begrip is vaak gepasticheerd maar bleef voor mij wat ondoordringbaar. Omdat Beunders de terugkeer van politieke correctheid aankondigt, schijnt de werkelijkheid deze: er bestaan opnieuw taboes en de smetvrees keerde weder om maar één verkeerd woord te zeggen. Toch dunkt me incorrect zijn door doelbewust te kwetsen geen verdienste. Beunders vervalt bij het schilderen van de voorgeschiedenis, die hij in mei ’68 laat beginnen, in karikaturen. Zijn detail dat op de Universiteit van Colombia het persoonlijk voornaamwoord ‘hir’ circuleert, als samenvoeging van ‘him’ en ‘her’, zal hij vernielzuchtig oplepelen, maar voor mijn beroepsgedeformeerdheid is het een charmante opluchting. Onverlet blijft de schrilheid dat, ‘onder het mom van tolerantie en empathie met minderheden, een vorm van intolerantie’ de dienst uitmaakt. Dat in de spiegel uitgerekend het mombakkes van een dorpspastoor opdoemt, mag een tragedie heten.
Het andere essay stond in nY en ging over Barthes’ Plezier van de Tekst. Die auteur nodigde inderdaad uit tot praatjes over doxa en zo, maar uitte in dit programmatisch stuk ook andere wensen. Zou het een generatiekwestie zijn daar overtuigd naast te kijken? Christophe Van Gerrewey heeft het dan over kunst, maar het onderwerp kan moeiteloos worden uitgebreid naar, inderdaad, natuur of stedenbouw: ‘In een kapitalistische wereld in crisis wordt geen enkele activiteit getolereerd die niet eenzijdig nuttig is en die niet bijdraagt tot vooruitgang en economische welvaart. In de vaak onbewuste en goedbedoelde verwachting dat kunst dit alles bekritiseert, wordt de kunst zelf geïnstrumentaliseerd, of wordt de esthetische ervaring ingezet om overbekende, gemediatiseerde en daarom enkel zogenaamd kritische thema’s opnieuw op een voetstuk te zetten.’
Dan nu een oorverdovende conclusie.

vrijdag 8 mei 2015

En toch

Misschien is het ergste nog de onverschilligheid tegenover motieven. Je principe is te heilig. Zodat je wel moet overgaan tot veroordeling van geweld. Dat gebeurt nogal eens, ook in kringen waartoe je roepingshalve schijnt te behoren. Misschien moet het ook te vaak gebeuren en maakt het moe steeds het debat open in te gaan. Er is voldoende stof in de klassieken om je weigering elegant te legitimeren.
En de aanvechting toch op te staan, en te gaan zitten, enz.
Jens Christian Grøndahl probeert in Rode handen door een reconstructie van één RAF-gewelddaad inzicht te krijgen in wat revolutionairen destijds heeft bewogen. En: hoe er nu voor hen mee om valt te gaan. Duizelingwekkende vragen, alleen al door de voortgang van geplogenheden en denkkaders:

‘Als ik de kranten van toen teruglees, kan ik niet begrijpen dat ik de tijdgenoot van Hans Martin Schleyer en Andreas Baader was (…) De gebeurtenissen aan het eind van de jaren zeventig leken ver en onbegrijpelijk toen we er vijftien jaar later op terugkeken, alsof we zelf die afstand niet hadden afgelegd door het leven dat respectievelijk haar leven en het mijne was geworden. Maar al toen het net was gebeurd, maakte iedere afzonderlijke gebeurtenis in al haar rauwe werkelijkheid de indruk uit een afgrond omhoog te steken. Ik begreep niet hoe mensen die niet zo anders waren dan ik, in staat waren de benodigde koelbloedigheid en wreedheid op te brengen.’

Dit zegt het naamloze mannelijke hoofdpersonage, wegens een toevalsgeschiedenis met ene Sonja die zelf door willekeur kort aan de periferie van de RAF stond. Toch wil zij veel later naar een proces tegen twee mensen die dus eventjes, en zonder dat dit benoemd werd, medestrijders waren. Ze staan terecht voor de moord op een bankbeambte, tijdens zo’n overval die de RAF pleegde om de lopende uitgaven te dekken.
Een van de twee, de vrouw Angela, ontplooit voor de rechtbank nog dezelfde houding en hetzelfde expliciet ideologische taalgebruik. Ze begint een verklaring voor te lezen die weigert de premissen van de bijeenkomst te erkennen. De vragen van de aanklager beantwoordt ze niet en ze leest door. Uiteindelijk wordt ze al tegenstribbelend uit de zaal verwijderd.
Het tafereel wekt bij het publiek lachlust op. Van de familie van het slachtoffer staat vermeld dat ze een ‘onpolitiek verdriet’ vertonen. Angela’s tirade geldt als ‘een nostalgisch citaat, een soort politieke kitsch’. Daarbij de uitleg dat de nazi’s tegen wie zij zich destijds kantte al dood zijn (sic) en dat de argumentatie niet langer in het model van de wereld past dat alles zou moeten verklaren. ‘Je denkt dat je het begrijpt, terwijl Gudrun Ensslin, Andreas Baader en UIrike Meinhof nog steeds onbegrijpelijk zijn. Zijn die misschien nog niet lang genoeg dood?’
Sociologisch worden RAF-strijders geduid als ‘een generatie die als eerste had beleefd dat meer mensen welstand bereikten dan ooit tevoren en toch dachten ze in volle ernst de arbeidsklasse te vertegenwoordigen in haar gewapende opstand tegen het kapitalistische systeem. (…) Het moest allemaal anders en ze begonnen bij zichzelf in een soort ideologisch exorcisme, maar waarom?’
Inderdaad gnuift het van pretentie om met onomfloerste veralgemeniseringen namens anderen te spreken. Steven Pinker signaleerde dan weer een recentere hebbelijkheid van intellectuelen die slang inzetten om de schijn van betweterigheid te vermijden. Voor hem vergelijkbaar met politici, uitkeringsgerechtigden en studenten die onder druk van officiële documenten verheven onnozelheden blijken te openbaren.
En toch. Een documentaire over de Cito-toets deed me van de bank veren. Ik had het al eens gehoord, maar het blijkt geen uitzondering dat aan Hollandse kindjes vanaf twaalf les wordt gegeven in het Engels omdat een ‘zesjescultuur’ niet volstaat. Van mij mogen gestaalde termen dan in hergebruik.
Even grote bibbers bezorgde mij de euroliberale goedkeuring aan initiatieven als Uber wegens innovatie: ‘Je zou het kunnen vergelijken met de strijd tussen de gildes en de massaproducenten die de stoommachine introduceerden in de negentiende eeuw.’
Of dat een ketenboekhandel een lenteactie houdt onder de naam Primaverba, ingeleid door de gedelegeerd bestuurder met de bewering 163.000 boeken in huis te hebben. Te bestellen uiteraard. ‘Ons gespecialiseerde personeel maakt de beste selectie van het moment en zet die mooi in de kijker’.
Zulke onomkeerbare fenomenen doen me geloven dat het niet geheel zinloos is om studie te maken van en lering te trekken uit ‘de jaren zeventig’. Wel ondervind ik zogeheten accentverschuivingen in mijn fascinaties. Sinds ik vader ben, frame ik nevendrama’s, te beginnen bij de RAF.
Ook naar aanleiding van Wer Wenn Nicht Wir, die de historische ontwikkeling tot het geweld uitvouwt en daarbij aandacht heeft voor Ensslins ex-man Bernwart Vesper. Mij gaf deze film de meest ongewenste prikkels bij kind-ouderscènes: als dominee Ensslin zijn dochter moet laten gaan, en als Gudrun per telefoon aan haar ex adviseert hun zoon weg te geven.
Wat was dat toch in de seventies? Guido Ceronetti krijgt in zijn bizarre en aangrijpende boek De stilte van het lichaam (1979) de kieren in zijn studeerkamer niet gedicht. Zodat er fragmenten ontstaan als:

- ‘Gebeurd in Belfast. Het kan zo ver komen dat men uit een rijdende auto op een loslopend meisje van anderhalf schiet, uit algemene politieke haat tegen de bewoners van die wijk. De schutter acht zich vast en zeker een strijder.’
- ‘Een psychiater over Baader-Meinhof: “Zij zoeken hun heil in een paranoïde houding, die hen blind voor de realiteit maakt omdat zij alles om zich heen als smerige manipulatie beschouwen.” Op dit punt zijn zij niet blind, en toch kan de mens het sluimerende kwaad niet zien en tegelijk ontkomen aan de bestraffing, bestaand uit een algehele verblinding en verdwaling, als hij niet een geïnspireerde ziener en vooral een atleet is die het kwaad heeft overwonnen en zich immuun ervoor heeft gemaakt alvorens zich aan het visioen over te geven. Voor Arjuna werkt het visioen van de god onder het aspect van de verschrikking louterend, hij blijft een krijger en rechtvaardig man; voor iemand als Baader betekent het oplichten van een tipje van de sluier een mentale schok.’

En toch. In een glazen bol ziet politicoloog Bart Maddens een breed front ontstaan. Het zou zich gaan verenigen rond twee thema’s: veiligheid en belastingen. Rolluiken neerlaten! Wat er verder waar ook gebeurt, is jouw zaak niet meer. Wegens bemoeizucht?

woensdag 29 april 2015

Iedereen weet dat ik de revolutie wil

Nu de eerste rook is opgetrokken na de bezetting van het Maagdenhuis (historische fase twee, uiteraard), vraag ik me af hoe het komt hoe dat zoiets niet in België gebeurt. In Nederland is het Amsterdamse initiatief, inclusief Nieuwe Universiteit, slechts een startschot geweest. Aan wat studenten daar waren begonnen haakten docenten hun karretje en vervolgens denderde het door andere universiteitssteden. Het protest heeft zich als het ware gedecentraliseerd. Zelfs de minister van Onderwijs heeft dat erkend. Wat wil je ook, wanneer ‘efficiency’ de enige motor van wetenschappelijke vooruitgang moet zijn.
Waarom blijft het in België dan zo stil? De Vlaamse scholierenkoepel, luidt een vers bericht, kreeg een recordaantal vragen over rechten, wegens de sensatie bij jongeren dat ze nog immer niets te zeggen hebben. En dat zou wegebben bij de aanvang van de volwassenheid?
Deze uiteenlopende assertiviteit zou toch niet het stereotype van karakterverschil tussen Nederland en België bevestigen? Ik was juist zo verheugd over een andere tijding. Steeds wanneer ik het internet bijna uit heb, begin ik namelijk graag, bij wijze van gezond chips eten, aan nieuws dat nogal calorierijk is: van het psychologisch doorzicht.
Een eerbiedwaardige Amerikaanse site meldde dat wetenschappelijk onderzoek enige feilen had geconstateerd aan emotionele intelligentie. Er was een morbide, narcistisch trekje bij losgekomen. Machiavellistisch zelfs. Niet zozeer toebehorend aan empathische mensen, als wel aan manipulators.
Een fijne boodschap, vond ik. Het mag zijn dat een hoog IQ niet onophoudelijk de meest prettige, veeleer evengoed narcistische omgeving heeft geschapen. Dat was in de tijd dat socialisme niet gezellig hoefde te zijn. Toen raakten kennis en specifieke vertolking ervan betwist, en kwam er nadruk op emotionele intelligentie. Tot op heden? Het nieuwe paradigma sloeg wat mij betreft door. Het produceerde net iets te veel personages die bij vacatures vlekkeloos voor de dag kwamen bij het onderdeel ‘echte teamplayer’, zonder schaamte voor ‘creatief’, ‘proactief’ en ‘dynamisch’.
Bizar dat ik dit sinds kort, tegen mijn zin, met de historische studentenopstand associeer. In de eerste fase – opa schrijft het jaar 1969 – centraliseerde het protest nog. De eerste bezem door de instituties ging immers in Tilburg , in wat toen even, maar in de geschiedschrijving voor eeuwig, de Karl Marx Universiteit heette.
Onlangs kwam me daarover een reportage onder ogen, door de legendarische journalist Joop van Tijn. Hij was uit de Grachtengordel als 31-jarige voor Vrij Nederland naar de provincie getogen. Met die zin verraad ik meteen mijn gevoel, maar ik kom zo’n beetje uit de streek van Tilburg. Van Tijn schreef in die tijd bijvoorbeeld ook over het Vlaamse wielerleven, wat, toegegeven, knappe details opleverde: een wedstrijd om de beste supporter van Rik van Looy werd gewonnen door degene die al het badwater van de coureur na criteriums had verzameld in plastic limonadeflessen.
Op de bezette universiteit gaat Van Tijn zijn partij van acquit met een ouderpaar dat voor hun revolutiezoon ‘schoon goed’ meegebracht heeft. Dat zet de toon over hoe de journalist de eis van medezeggenschap in zijn eigen markt zet.
Onvermijdelijk passeert het epitheton van het paternalisme: ‘We hebben nu eens niet laten zien hoe goed we als linkse mensen alles weten, maar de mensen zelf laten ontdekken hoe autoriteiten denken en reageren.’ En voor je het goed in de smiezen hebt, heeft Van Tijn de lezer geleid naar een halszaak: ‘de verdere tactiek’. Die term is volgens mij net wat banaler dan ‘strategie’, temeer daar Van Tijn er meteen ‘de contestatie en de confrontatie’ bij zet. Daarmee laat hij zijn reportage ontsporen.
Want er ontstaat natuurlijk ‘discussie’ tussen de actievoerders, met een vileine erlebte rede: ‘moet je de massa manipuleren of niet? Of liever gezegd: ga je dat niet automatisch doen, omdat je niet mag verwachten dat iedereen precies weet waar het over gaat.’
Niet voor niets zet Van Tijn hier een punt in plaats van een vraagteken. Hij is degene die manipuleert. Dus eindigt zijn stuk, over efficiency gesproken, met frasen van derden:

‘Frijns: “Ik snap niet dat linkse mensen altijd weer van zichzelf denken dat ze niet democratisch zijn”.
“Nou Jean”, zegt iemand, “jij bent ook wel eens van het podium afgeroepen. Toen je daar met die toeter stond.”
Jean grijnst: “Ja, ik kan slecht manipuleren. Iedereen weet dat ik de revolutie wil. Dat weten ze als ze me drie minuten horen spreken. Dan kan je toch niet zeggen, dat ik manipuleer? Als ik zég dat ik die revolutie wil”?’

vrijdag 24 april 2015

Zonder papieren alleen maar een mens

De rampen die zich op de Middellandse Zee blijven voltrekken, met vluchtelingen die op bootjes Europa hopen binnen te raken en daarbij eerder de zeebodem zien dan het vasteland, worden op een of andere manier nog steeds gerationaliseerd met niet heel erg smakelijke (BE: ‘problematische’) twijfels over meerwaarde van migranten. Behalve dat nooit iets zeker is, evenmin in ‘de economie’ trouwens, kan de rol van het onverwachte best wat meer in de verf worden gezet.
Zo is dat binnen de grenzen van Europa zelf evengoed gebeurd.
De reputatie van Cadbury is bijvoorbeeld gered door Van Houten. De Engelse firma was eigenlijk voor chocolademelk en raakte aan de grond, tot ze in 1864 naar Hollands inzicht een cacaopers kochten waarmee het poeder van boter te scheiden viel. Geen smaakstoffen meer nodig voor de ‘cocoa essence’! In verpakkingen met de lieflijke landschapjes kon onder de slogan absolutely pure: therefore best de chocolademarkt met succes veroverd worden.
Dit staat in De geest in dit huis is liefderijk van Daniela Hooghiemstra. Zij schildert er het leven van de legendarische onderwijsvernieuwer Kees Boeke, die met zijn ideeën zelfs tot in de Koninklijke familie wist door te dringen, maar net niet helemaal. Het Cadbury-verhaal is in de biografie opgetekend, omdat Boeke getrouwd was met een erfgename van die firma. Het geld dat hieruit vrijkwam, kon Boeke natuurlijk prachtig gebruiken voor zijn idealistische schoolproject in Bilthoven. Maar zo eenvoudig ging dat niet; op geld keek de man neer, net als op paspoorten die voor een universele mens inderdaad wat al te beperkend zijn.
Boeke verkeerde in kringen die hooggestemde projecten van de grond konden krijgen. In Bilthoven woonden wel meer erfgenamen. Ze konden het zich permitteren zich toe te leggen op de geestelijke rijping. Of ze hadden interessante contacten. Bijvoorbeeld met een astroloog die van elk van zijn kippen de horoscoop trok.
Fascinerend is de vrijheid die Boeke aan de kinderscharen wilde brengen. Zelf zat hij in het speciaal ontworpen gebouw in een soort uitkijkpost, met glazen wanden waardoor hij alle lokalen kon observeren. Het doet denken aan Benthams panopticum, zoals in de jaren zeventig terug in de herinnering gebracht door Foucault, maar daarin, in het historische ontwerp bedoel ik, viel de bewaker zelf niet te ontwaren.
Kees Boeke was ook violist. En bij gelegenheid schreef hij een gedicht. Bijvoorbeeld vlak voor het begin van de Tweede Wereldoorlog:

Opent de grenzen, opent ze wijd
Holland sta open voor alles wat lijdt
Zo is het vroeger altijd geweest
Zo is van oudsher de Hollandse geest

Als nu eens Jezus stond aan de grens,
Zonder papieren alleen maar een mens
Zoudt gij hem zeggen: word maar gedood
Gij zijt een vreemd’ling, een vlucht’ling, een jood?

Het is verleidelijk dit heden te lezen als opdracht aan Europa, in het licht van de rampen op de Middellandse Zee. Zo’n parallel geeft een gelijk dat ontkend of bevestigd kan worden.
Geregeld is opgemerkt hoe wanhopig mensen moeten zijn om zich, losgescheurd van familie en vrienden, op zulke gammele bootjes naar een ander werelddeel te begeven. Maar zou je dit tegelijk niet kunnen opvatten als een enorm compliment aan Europa?
Elke schooldag zet de gourmande haar tas in een op borsthoogte gelegen gangetje, legt haar brooddoos (NL: ‘broodtrommel’) in een kist en treedt dan tevoorschijn. Ze staat boven aan een trappetje en laat zich voorover vallen. In het niets. Het is te zeggen, in de armen van haar papa die haar, voor zover dat op de oude dag nog gaat, pirouettegewijs een paar maal in de rondte slingert.
De papa beschouwt dat als een verrukking – haar gilletjes, zijn duizeling. Op sommige dagen is hij bang, doodsbang om precies te zijn, dat hij niet goed oplet. Vooral voelt hij zich bevoorrecht dat iemand hem zo’n vertrouwen schenkt.
Europa zou dat niet mogen beschamen.

woensdag 15 april 2015

Caramels, bonbons en chocola

Lily Tomlin – volgens Wikipedia zowel actrice, comédienne, schrijfster, als producer – schijnt een antwoord te hebben gevonden op de eeuwige vraag waarom taal bestaat. Taal is een uitvinding van de mens, zegt ze, om de vraag naar klagerij te bevredigen.
Mooie stelling, vind ik. Omdat ze meteen en onvermijdelijk inhoudt dat taal in alle opzichten dialogisch is. Er valt niks ‘kwijt te kunnen’ zonder afvalbak. Klagen blijft onvoltooid zolang niet een of andere ontvanger, desnoods doof of met een half oor, er iets van meekrijgt. (De Klaagmuur is een treurige fopspeen.)
Ik ben ook door Tomlins stelling getroffen omdat muziek deel moet uitmaken van haar idee over taal. Klagen is zagen. Nu ik dit opschrijf, wreken zich mijn jaren in België. Als het tenminste een probleem zou zijn onnavolgbaar te worden voor de Nederlandse markt.
Het werkwoord ‘zagen’ is onder de Moerdijk een nogal ongelukkige kruising tussen ‘zeuren’ en ‘zeiken’. De bezigheid wordt dan ook geregeld als zodanig aangeduid. Dat ik er op een of andere manier muziek in hoor, komt vermoedelijk door een liedje uit mijn jeugd. Het blijkt uit 1972 en heette ‘Parole, parole’. De vertolkers zijn Mina & Alberto Lupo.
Het lijkt me uitgesloten dat ik destijds een idee had wat het betekende. Dat is het grootse van muziek, en het nodigt uit, zeker aan kinderen, om fantasiewoorden voor het mysterie in de plaats te schuiven. Aldus was dit lied extra vatbaar voor een parodie, die nog hetzelfde jaar gestalte zou hebben gekregen.
Allemaal wederom Wikipedia-weetjes, waarmee valt op te lepelen dat artiesten als Dalida en Alain Delon zich aan dit liedje hebben vergrepen. Zelf schoot het pas door mijn geheugen wegens een recente kennismaking met de Nederlandse versie. Ze behelst een vertaling, uit 1973 al, door niemand minder dan Cees Nooteboom. Ze was voor Ramses Shaffy en Liesbeth List en heette ‘Gebabbel, gebabbel’. En ook daarvan blijkt er een parodie te bestaan, van Paul de Leeuw en Willeke Alberti.
In het Nederlands is ‘Parole, parole’ een liedje over een afscheid tussen geliefden. De man heeft de vrouw bedrogen en komt daarna ogenschijnlijk om van de spijt. Maar zij vindt hem onoprecht – en hoe meer hij praat, hoe sterker haar overtuiging.
Het liedje moet een remedie tegen slap gelul zijn. Tegen onzin waar veel te veel woorden voor nodig zijn: de paraaf van de leugenaar. ‘Gebabbel, gebabbel, alleen maar gebabbel / en verder hete lucht’. Dateert de spreekwoordelijke ‘gebakken lucht’ uit latere decennia of hebben we hier een noodregering van de metriek?
De grap bij dit liedje is dat de melodie onder deze grimmig te noemen tekst juist van een onbeschofte zorgeloosheid is. Of projecteer ik nu enige slagen in de rondte? ‘Wat neemt iemand waar die de ernst van een melodie gewaarwordt? – Niets wat door weergave van het gehoorde zou kunnen worden meegedeeld.’ (Wittgenstein, Filosofische onderzoekingen)
Maar ook dit wordt in taal beweerd.

maandag 6 april 2015

Een profetische daad?

Aartsbisschop Léonard herinnerde aan het zilveren jubileum van koning Boudewijns daad die eventjes aftrad om geen abortuswet te hoeven ondertekenen. Nog los van de principes die eromheen speelden, was dit nogal een acrobatie. Ze oogde juridisch gegrondvest, maar zelfs dat was vermoedelijk niet het geval. Omdat ze indruiste tegen de soevereine volkwil, waarvan een vorst grosso modo sinds 1789 de spreekbuis is.
Jaap Kruithof heeft destijds de argumenten op een rijtje gezet (opgelijst, heet dat volgens mij officieel in het Vlaams). Hij kwam tot de conclusie: ‘Nette mensen houden niet van knoeien en ze hebben geen ongelijk’.
Ik vroeg me wel af hoe zo’n daad, die wegens het samenspel met de toenmalige regering nog wat complexer was, tegenwoordig, na 25 jaar dus, zou worden gekenschetst. Mijn gevoel is namelijk dat, na de kredietcrisis en de goochemheidjes van bankiers en hun advocaten, het taalrepertoire op het vlak van institutioneel bedrog wat is bijgesteld.
Léonard noemt het anno 2015 ‘een profetische daad’. Maar dat lijkt me wel een heel erg grote dichterlijke vrijheid. Wat dan wel? Ineens wist ik het. Wat koning Boudewijn, op advies kabinetssecretaris en hoogleraar grondwettelijk recht André Alen, op de mat legde, heet nu gewoon: out of the box-denken.
Misschien is de term zo lachwekkend omdat hij een pleonasme is. Denken ontstaat pas in de afstand tussen een ik en zijn object – het is precies die ruimte die moet worden overbrugd. En in die inspanning raakt men eventjes poreus, is men een soort niemand. Aan de eettafel zou mevrouw Husserl niet voor niets aldus haar kinderen hebben gemaand te zwijgen voor haar man-filosoof in volle actie: ‘Ssst, Es denkt’.
Het lachwekkende aan de dikdoenerij rond out of the box-denken zit er dus in dat het een bijzondere kwaliteit zou zijn, terwijl iedereen het kan en wellicht niet anders doet.
De gourmande heeft al laten zien hoe het in zijn werk gaat. Meer dan vier jaar oud is ze, en ze speelt geregeld schaak met haar zus. Wel kent ze de regels nauwelijks. Dit compenseert ze met een razend knappe intuïtie hoe haar positie is. Meestal beroerd. Dan doet ze haar zetten al voorover buigend. Met haar mouw veegt ze telkens per ongeluk heel wat stukken om, die ze vervolgens terug plaatst op gunstiger ogende plekken op het bord.
Zelfs voor de bekende frustratie niet weg te raken achter je eigen pionnen heeft de gourmande een out-of-the-box-oplossing gevonden: ze slaat met het stuk vol aanvallende intenties eerst haar eigen hinderlijke pion.

vrijdag 3 april 2015

Meer Stevaert?

Goed, vogels en bloemen, komt er ergens nog een punt achter? Wat hebben we sinds Witte Donderdag?

1. Aankondiging van een drama.
2. Verslaggeving met pauken van een drama.
3. Ontknoping van een drama.
4. Instantane pogingen tot zelfreflectie over verslaggeving van dat drama
5. Metabeschouwing over pogingen tot zelfreflectie over verslaggeving van dat drama

Vijf bedrijven nu, op Goede Vrijdag. Verder?

Deze uitspraak, voor het terugwerkendekrachtgevoel: ‘Je moet altijd te vroeg weggaan, want anders vertrek je te laat. Omdat je nooit op het moment zelf beseft dat je tijd op is.’ Dit is een beetje in de sfeer van Johan Cruyff, wiens initialen natuurlijk uitstekend dienst doen.

De soundtrack lag min of meer vast. ‘Mache dich, mein Herze, rein.’ Dat komt handig uit, wegens oprecht uitgestoten, zij nogal vies geraakte woorden, waarvan ‘riool’ het meest courante is.

Dit soort overledenen krijgen een rouwregister. Een boek om in te wonen?

Voor de componist zelve is een rituele ruimte ingericht. In het brave Bachmuseum in Leipzig, een uit de kluiten gewassen lifestylehuis, vond ik het meest bijzonder een relict van Anna Magdalena. Dat was een koorzangeres, tevens de vrouw van de componist, die de kopieën van zijn manuscripten schreef. Op de plek waar Johann Sebastian en zij vermoedelijk zijn begraven, zijn wat dingetjes gevonden. Waaronder een vingerhoedje.
De originele manuscripten waren dan weer gering in aantal, omdat inktvraat hen kent. Van de overgebleven vellen vielen me krabbeltjes in de onderhoek op. Dat bleken blijken van ongeduld. Dan had JS zo geïnspireerd en snel geschreven dat de inkt nog niet droog was voor de achterzijde – en wilde hij zijn ideetjes niet verliezen.

‘Het gebaar wordt gemaakt ook als het niet is gemaakt / en is zelfs gedacht een gewelddaad’

Naschriftje
En zelfs naar aanleiding van een voormalig horecaman verflauwt op sociale media niet het verwijt dat het steevast de ander is die ‘toogpraat’ uitslaat, laat staan dat zich het tragische misverstand eens gedeisd weet te houden.

dinsdag 24 maart 2015

Crisispakket

Bij een museum vraag ik waar ‘de garderobe’ is. Men kijkt me beleefd verwilderd aan: ‘Ah, de vestiaire!’ Ja, ik woon al jaren in België. En ik ben een snob. Behalve in de frituur. Daar word ik analfabeet.
Al die sauzen met schier Latijnse namen die er aan plastic uiers lonken! Van Andalouse naar Samoerai over Mamoet tot Tomataise (Joppie lijkt een bastaard). Inmiddels begin ik er een beetje aan te wennen, zonder te hebben geproefd. Maar sinds kort moet ik wederom opnieuw leren lezen. Onze frituur biedt namelijk nu, voor de somma van tien euro, een zogeheten crisispakket.
Om het binnen het werelddeel te houden: dit lijkt niet bedoeld voor Griekenland. Het bestaat uit een superfriet, koude saus uit een uier naar keuze, stoofvleessaus, saté en een curryworst. Vermoedelijk mogen drie personen – veeleer Belgen dan Grieken – er hun buik aan vol eten.
Wat zou de rijkste meneer op aarde op zijn bord hebben? De Hollander in mij ervaart de prijs van het pakket niet als redelijk. Maar hij heeft gezwegen bij het A4’tje dat het, onder het motto NIEUW NIEUW NIEUW, wilde verbreiden. Voor evenveel geld, luidt mijn overtuiging, maak ik iets gezonders. En dat heus niet heel erg onsmakelijk kan zijn.
Dit is de praktijk, niet zoiets als ‘theorie’ die volgens de spellingscontrole ‘Belgisch Nederlands’ behelst. Maar volgens dezelfde bron voor het Engels is dit een correcte zin: ‘Miss steaks aye can knot sea.’
Die steaks duwen me terug in het crisispakket. Een vettige en vleesachtige toestand. Het zal depressies willen troosten? Bloed tegen bloed? Ondanks de opiniepeilende vakliteratuur (‘het aandeel Vlamingen dat dagelijks groenten eet, daalde tussen 2008 en 2013 van 87,5 procent naar 79,3 procent’) blijft het me frapperen dat er in het pakket niks gezonds te bekennen is.
Daar kan niet grappig of meesmuilend over worden gedaan. Of is gezondheid een linkse hobby? Toegegeven, door voorbereidende studie van de jaren zeventig, weet ik dat menig cliché over dat decennium met eten samenhangt: zilvervliesrijst, rietsuiker, onbespoten wortelen, … Maar forget it.
Het crisispakket lebbert aan een doelgroep die over een gering inkomen beschikt en, de correlatie is pijnlijk maar bestaande, een allerminst florissante constitutie. Concreet kan dat, in Europa, een verschil uitmaken van zes (6) jaar tussen rijk en arm. Levensstijl krijgt een zetje van lichaamscultuur.
Verder strekken de correlaties. Wat de frituur als welkom pakket aanbiedt, kan bij structureel gebruik beter de prullenbak in, indien er een piepklein beetje kennis bij mag komen kijken. Maar daarvoor dient in de regel onderwijs, en daar is sociale ongelijkheid ook al groot: zwakke broeders zijn meer dan gemiddeld afkomstig uit kwetsbare klassen. Wel heten ze, met een perverse metafoor, te kunnen bogen op een ‘gezond verstand’ (ontwikkeld op de universiteit van het leven).
Niet dat de rijkste man ter wereld nooit in de Andalouse zal badderen. Hij behoort immers tot de mensensoort.
Voor onbepaalde tijd de koude sauzen toch maar gauw terug in de koeien steken?

dinsdag 17 maart 2015

Epifanie

Mooie titel is dat hier. Over wat het betekent, schreef ik ooit een tekst. Ik wist alleen niet goed wat epifanie was.
Nog niet, eerlijk gezegd. Maar er zijn van die momenten. De overdonderende film Biutiful van Inarritu Bardem eindigt tussen bomen, met een inmiddels gestorven hoofdpersoon en zijn vader. Waarna de aftiteling begint:

A mi hermoso y viejo roble…
Hector Gonzalez Gama
Mi padre


('Voor mijn prachtige oude eik… / Hector Gonzalez Gama / Mijn vader')
Wat het precies met mij gedaan heeft, kan ik niet vertellen omdat ik op datzelfde moment een klap kreeg.
Rationeel valt desgewenst te melden dat het griezelig profetische Wall Street uit 1987 van Oliver Stone ook zo’n slotstrofe herbergt:

Dedicated to Louis Stone
Stockbroker 1910-1985


Da’s ook een vader, volgens de regisseur zelf een ouderwets integere man aan wie hij eerder Salvador opdroeg, en later Nixon zou opdragen.
Van de afdeling beeld snel over naar geluid. Dit vind ik ook nogal aangrijpend, de gourmande zingt het soms:

Helicopter
Helicopter
Mag ik met je mee omhoog
Hoog in de wolken wil ik wezen
Hoog in de wolken wil ik zijn
Helicopter
Helicopter
Vliegen is zo fijn

Op dezelfde melodie bracht het taalkundig genie onlangs:

Astronautje
Astronautje
Mag ik met je mee omhoog
Boven op de maan daar wil ik zweven
Boven op de maan daar wil ik zijn
Austronautje
Austronautje
Zweven is zo fijn

Valt er verder nog wat te zeggen? Laatstgenoemde, betrouwbare bron meldt: ‘De maan schijnt op alle landen behalve aan de omgekeerde wereld.’

zondag 8 maart 2015

Rode draad als ankerpunt

Aan een bureau maak ik weer eens mee hoe een gedrukte tekst in de markt wordt gezet. Het boekje gaat gepaard met een aanbeveling op de linkerbinnenflap (Jef Lambrecht) alwaar ook de sponsor (Itinera), heeft de gewaagde ondertitel (‘essay’) en is gedateerd op deze maand. Het onderwerp is brandend actueel (Syrië-strijders), de titel bestaat uit drie hashtags en de auteur is betrekkelijk jong (en allochtoon).
Eerst het instrument van het interview. In de krant of op het televisiescherm. In het ene medium herhaalt hij in een interview letterlijk passages, in het andere medium heeft hij een voorpublicatie met de meest conflictueuze standpunten uit de tekst.
Of het toeval is, weet ik niet. Maar aan hetzelfde medium gaf Mark Elchardus over hetzelfde onderwerp deze week een interview, waarin hij niemand minder dan Marion van San bijvalt en als linkse intellectueel standpunten huldigt die doen denken aan de paradigmatische shift die Paul Scheffer te Nederland met ‘Het multiculturele drama’ in 2000 forceerde.
Normaliter waren de haantjes van dienst al lang de opinie-arena binnen gestoven. Maar bij mijn weten blijft het oorverdovend stil. Misschien had Elchardus al voldoende verwarring gesticht door lid te worden van de antipopulistische, dus onmogelijk meer exclusief linkse denktank Ceci n'est pas une crise.
Ik betrap mezelf op cynisme. Op mijn bureau ligt een nieuw boek! Leuk, lezen! Eerst maar eens de slotzin: ‘Als alle beleidsniveaus een substantieel antwoord op radicalisering en gewelddadig extremisme uitwerken, en het lokale niveau dat het dichtst bij de burger staat als ankerpunt nemen, dan hebben we de rode draad meteen te pakken.’
Sommige bijvoeglijke naamwoorden zijn kennelijk met zelfstandige naamwoorden vergroeid. Vooral valt me iets op dat ik, naar aanleiding van geschriften door Verhofstadt, fusionbeeldspraak heb genoemd. Meer versteende metaforen bij elkaar, die een krachtdadige indruk wekken.
Maar doe ik met die vakopinie een poging tot lezen? Of wil ik het risico lopen me te laten bedriegen door mijn zintuigen?
Ooit hoorde ik boven in huis een vriendelijke stem die me bekend voorkwam, piekerdepeins – het was Martin Reints! Maar toen ik in de zolderkamer kwam, bleek de radio er te spelen: een oud interview met Pim Fortuyn.
Vandaag nog, op de eerste dag van het jaar die, hoe toepasselijk, al als lente aanvoelt, kreeg ik vanaf een bankje in een speeltuin de indruk dat het taalkundig genie een jurkje aanhad dat geïnspireerd was op Hirsi Ali’s boemerangpropaganda Fitna. Of waren het Hebreeuwse tekens? De zon stond laag. Pas van dichtbij bleek het patroon op de stof plantjes te verbeelden, die iets weg hebben van menora’s en die nota bene vredesboompjes heten.
Kortom, ik moet lezen. Maar ik blader. Er blijken zes à acht soorten strijders: de loser, de hardcore-jihadi, de romanticus, de rebel, het kuddedier, de opportunist, plus soennitisch-Syrische Belgen en Koerdische Belgen. Ik identificeer me telkens enige seconden in de rondte, en val uiteindelijk voor de onbedoelde charme van woorden als ‘jihadelasticiteit’ en ‘radicaliseringsbarometer’.
Weet ik het cynisme nu wel of niet af te schudden? Uit mijn vroege schrijversjaren herinner ik me mijn verontwaardiging dat collega’s uit voorafgaande generaties niet of nauwelijks kennisnamen van verse sterren aan het firmament. Deze auteur (Bilal Benyaich) had mijn zoon kunnen zijn.
Als corrector is mijn schoolmeesterschap bovendien geïnstitutionaliseerd. Ik hoor mezelf voor de zoveelste keer snibben dat er een verschil bestaat tussen ‘zogeheten’ en ‘zogenoemde’ enerzijds, en ‘zogenaamde’ anderzijds. Het eerste geeft de betiteling van iets weer, het tweede ontmaskert het als fake.
Dus wat valt er te begrijpen uit de aanbeveling dat er ‘sterk [moet] worden ingezet’ bij bijna-Syrië-strijders op ‘zogenaamde time-out-projecten’? Wie is er eigenlijk begonnen zijn geloof te verliezen?

zaterdag 28 februari 2015

Die wat zijn ogen zien met zijn handen maken kan

Minister Jet Bussemaker van Onderwijs trekt 75 miljoen euro uit om een paar ambachten voor uitsterven te behoeden: schoenmakers, hoefsmeden, schoenlappers, glazeniers... Grappig. Al deze ambachten zijn gericht op het behoud van producten, terwijl onze economie er juist op gericht is steeds nieuwe aankopen te doen. Een bekende stadsmythe luidt dat producten, met als typevoorbeeld de gloeilamp, er zelfs op zijn gemaakt om sneller te verslijten dan technisch nodig is.
Een schoenmaker verlengt door de reparatie van een zool of hak de levensduur van het kostbare leer dat onze voeten omhult – en waarvoor we, inmiddels alle dagen van de week, ook in zogeheten koopgoten, vervanging kunnen dokken. Hoe ouderwets is dat? Er bestaat in dat kader zelfs een spreekwoord, dat oud-Hollands mag heten: 'Men moet geen oude schoenen wegwerpen voordat men nieuwe heeft.'
Het ambacht van glazenier doet dan weer verwijlen in jarenvijftigfilms, van Bert Haanstra. Toen de eerste uitstervingssymptomen zich aandienden?
De klacht dat mensen hun vak niet meer kennen, zou wel eens bijna zo oud kunnen zijn als de wereld zelf. In de televisieserie ’t Schaep met de vijf poten zong Leen Jongewaard er al uitgebreid over:

Waar vind je tegenwoordig nog een goede timmerman
Die wat zijn ogen zien met zijn handen maken kan
De hele samenleving wordt er zenuwachtig van
Waar vind je tegenwoordig nog een goede timmerman

Zou voor deze kunde de schier Latijnse term 'proletariaat', klasse van bezitlozen, door bezitters zijn bedacht? Om het feit weg te moffelen dat echt handwerk onmisbaar is en daarom peperduur behoort te zijn? Richard Sennett herinnert er in De cultuur van het kapitalisme aan dat juist in lagere regionen de vrijheid toeneemt. Wie naadloos begrijpt en doet wat er van hem verlangd wordt, verliest zijn autonomie, zegt hij. Een bevel van een generaal moet steeds vrijer worden geïnterpreteerd naarmate het daalt in de gelederen. Da’s nog eens een leuke betekenis van de werkvertaling!
De grap is natuurlijk ook dat uitgerekend een ogenschijnlijk geformaliseerde omgeving als de bureaucratie vrijheden kan scheppen voor ambtenaren, wier exegeses van de wet zo machtig kunnen zijn dat de term 'kafkaesk' gratis hun deel werd. In hun relatief lage positie beschikken ze ook over institutionele kennis, waarbij de ervaring heeft geleerd hoe gesmeerd, of juist niet, een organisatie kan lopen. Vakmanschap dus, Sennett noemt het de ethiek van de uitgestelde beloning.
Ik weet niet of handwerk te vergelijken valt met denkwerk. Het Manifest voor een Accelerationistische Politiek onderscheidt namelijk een cognitariaat. Daarin zou individuele creativiteit zitten, die wel slinkt doordat de technologisering en de procedures van de markteconomie hun beslag krijgen, ‘naarmate de algoritmische automatisering zich een weg baant door de sferen van de affectieve en intellectuele arbeid’.
Affectief en intellectueel dunkt me het handwerk bij een slager. Ooit waagde ik te vragen hoe deze er toch altijd weer in slaagt bijna exact de opgegeven zwaarte van een worst af te knijpen. Dat blijkt een kwestie van een vooraf berekend aantal keer rond de hand te wikkelen, met wat speling wegens de specifieke dikte van de dienstdoende worst.
Zelfs hardplastic visitekaartjes die in ruiten gestoken zijn van autoportieren, blijken proeven van bekwaamheid. Ik werd althans voor onnozel en naïef verklaard dat ik niet wist 'dat dieven zo testen of de ramen goed dicht zitten'. Gelukkig hebben wij geen auto. Anderzijds heb ik zo’n kaartje gelezen. Er staat een telefoonnummer op, wat mij voor een dief strategisch niet slim lijkt. Een garage biedt in elk geval aan de desbetreffende auto te kopen, ‘cash, sans contrôle technique ou accidentéé’.
Ik weet het niet. Zou er zoiets bestaan als een arcadische beroepsfantasie? Als ik me probeer voor te stellen dat mijn kinderen ooit iets ernstigs gaan doen, hoop ik dat het 'iets met de handen' wordt. Dat zal uit economische geruststelling zijn (een loodgieter komt altijd van pas), maar ook omdat het me van bepaalde beroepsinvullingen dun door de broek loopt.
Antropoloog David Graeber had het grootste gelijk van de wereld dat bepaalde tijdsbestedingen te gênant voor woorden zijn, omdat de wereld er geen enkel nut van ondervindt: CEO, lobbyist, telemarketeer, enz. Maar goed, wat je kinderen doen (en welke partner ze ooit mee naar huis brengen) is natuurlijk altijd dik in orde.
Ik hoop wel dat minister Bussemaker haar cadeau niet inpakt in termen van bijscholing, wegens lifelong learning. Zoiets geeft meteen problemen bij ervaren en bekwame krachten doordat ze de waarde van dikke woorden sneller in twijfel trekken en omdat hun zinvolle kanttekeningen minder renderen dan die van jongeren die als ze geen zin hebben om te plooien domweg elders hun heil zoeken.
Dit relativeert fameuze competenties als 'ontwikkelingspotentieel', 'gretigheid om te leren', 'multifunctionaliteit', 'kritisch denkvermogen', 'stress- en veranderingsbestendigheid'... Arme spreekwoordelijke teamplayer. Geef hem een hamer, beitel en een leest. En een apero van het huis.

zondag 22 februari 2015

No longer my business

Voor even was het groot nieuws: de open brief van neuroloog-auteur Oliver Sacks waarin hij bekent ongeneeslijk ziek te zijn en uitlegt hoe zijn laatste maanden te willen doorbrengen.
De houding van Sacks tegenover de dood mag waardig en gelaten heten. Misschien behoort het tot westerse geplogenheden dat er pakweg vanaf Socrates naar Bonhoeffer niet alleen immense waardering voor die houding bestaat, maar dat ze ook vanuit binnenuit wil worden belicht. Ditmaal speelt David Hume een belangrijke bijrol. De wens lijkt te weten wat het betekent ‘met opgeheven hoofd’ te verliezen.
Bij dergelijke relazen voel ik me altijd wat dubbelhartig, barbaars. Mij bekruipt ontzag voor de kalmte of expliciete niet-paniek waarmee de dood in het gezicht wordt gekeken. Maar ik kan niet goed tegen alle dankbaarheid (gratitude) die iets anders reëels wegdrukt. Waar is de woede, het verdriet? En de drift om voort te leven, al was het voor dierbaren?
De onvermijdelijke keuzes die op korte termijn moeten worden gemaakt, leveren bij Oliver Sacks een detail op dat mij nog niet heeft losgelaten:

‘I shall no longer pay any attention to politics or arguments about global warming. This is not indifference but detachment — I still care deeply about the Middle East, about global warming, about growing inequality, but these are no longer my business; they belong to the future.’

Wat suggereert zoiets, hoe charmant en elegant geformuleerd ook? Is wat ik dan maar even algemeen ‘engagement’ noem een surplus, een luxeverschijnsel? Valt het pas te ontplooien wanneer je fit bent?
Mij zijn inderdaad personen bekend die fysiek onvermoeibaar zijn, altijd in de weer voor anderen. Daarnaast bestaat er een onvermoeibaarheid uit een terriërachtig gemoed. Vanuit een deplorabele situatie kunnen mensen zeer ver gaan om hun solidariteit te betuigen met de ander, eerst als zwakkere gekenmerkt. Publiekelijk, herhaaldelijk. De ander dient dan als een soort boei, waarop een reddingsfantasie kan worden losgelaten. Steile stijging van het aandeel eigenwaarde!
Of ontgaat mij iets? In het amusante boek Ik lieg, dus ik ben vertelt Stine Jensen over een zogeheten Othello-complex. Dan wordt de waarheid als een leugen opgevat, omdat de spreker zo zichtbaar onder druk staat dat achterdochtige, immer ontmaskerende wijsneuzen er een teken in ontwaren – een pijnlijk gevalletje van miskenning. Kennelijk wordt het risico iemand vals te beschuldigen liever genomen dan zelf te worden misleid.
Wat valt er echt te zien en te weten? Pas onlangs werd me duidelijk dat bij zijn vlucht uit het brandende Troje Aeneas niet alleen zijn vader Anchises op zijn rug droeg, maar aan de hand ook zijn zoontje Ascanius meevoerde. Waarom is het voor mij zo belangrijk dat aan mijn geringe kennis toe te voegen? Sommige recepten werken in hun deconstructie blijkbaar een beetje te makkelijk.
Sacks’ woordje detachment dunkt me subtiel. Is de combinatie engagement-onthechting onmogelijk? Er dringt zich de associatie op met negentiende-eeuwse liefdadigheid, al dan niet uit verveling bedreven.
Beperkingen opleggen, prioriteiten stellen: dat is wat Sacks lijkt te willen doen. Vanuit mijn veilige studeerkamertje ogen het Midden-Oosten, het klimaat en ongelijkheid als hete hangijzers, zo niet intellectuele verplichtingen voor progressieven. Dat Sacks nu toch ‘voor zichzelf kiest’, is dan misschien niet zozeer een schuldbekentenis als wel een vraag om vergeving vooraf (in De sandwich typeerde Van der Heijden een personage uit de jaren zeventig zo, dat deze heimelijk van soul hield.)
Zelfs in het aangezicht van de dood blijkt zich gewicht te doen voelen van wat ooit geweten heette, een externe harde schijf vol vermoedens en projecties. Nu heet dat ding peer pressure. Ineens vraag ik me af of dit inderdaad een morele standaard betreft, of een kadaverdiscipline bij een dagelijkse praktijk?
Het idee dat je openbaar zou moeten verklaren ziek te zijn, valt in dezelfde orde van grootte: antwoord geven voordat de vraag gesteld wordt en zelfs lastig kan raken.

zondag 8 februari 2015

De leugenaar is niet thuis

Vanochtend in de De Zondag antwoordde een politicus op de vraag van de interviewer of een gestelde diagnose niet wat populistisch was: ‘Populair misschien, maar niet populistisch. Toen Galilei zei dat de aarde rond de zon draait, en niet andersom, verweet men hem ook populisme. Hij heeft voet bij stuk gehouden.’
Wat een parallel! Deze politicus heeft vanaf heden mijn eeuwige steun.
Of is dit de bullshit die Harry G. Frankfurt in zijn gelijknamige essay uit 1986 tracht te pletten? De filosoof achtte nep de belangrijkste eigenschap ervan, terwijl hier volgens mij juist oprechtheid in het geding is. Ook het niet-aanhangen van de waarheid noch van de onwaarheid dat Frankfurt in bullshit ergerde, lijkt irrelevant. De spreker oogt buitengewoon overtuigd van zijn gelijk.
Volgens Frankfurt geschiedt het spreken in het algemeen niet altijd met verstand van zaken. Dat is een minder onweerlegbaar punt aan zijn boringen, die overigens – in de beginjaren van de Reagan-regering – de democratie wilden bevorderen. Naar kennis bestaat namelijk minder vraag dan naar mening, laat staan naar samenhang met de werkelijkheid.
Zelf vind ik het van een ongekende schoonheid dat er juist in die werkelijkheid een filosoof op aarde rondloopt die Frankfurt heet. Verdienstelijk dunkt me verder dat in de vertaling de ondertitel van Bullshit, ‘Een traktaat’, op de voorflap is vervangen door: ‘Waarom er zoveel geluld wordt’.
In het blijkbaar noodzakelijk geworden vervolgessay On Truth uit 2006 wordt wel duidelijk wie Frankfurt destijds viseerde: ‘de’ postmodernisten met hun ‘doctrine’. Relativisme tot in de oneindigste graad is hun vaker aangewreven, maar voor een filosoof dunkt me deze generalisatie opmerkelijk. Temeer daar Frankfurt expliciet zijn heil zoekt bij bijvoorbeeld Kant en Spinoza (en Montaigne), terwijl hij geen postmodernist bij naam noemt.
Dat hij deze anything goes-houding tegenover de waarheid ‘endemisch’ noemt en eveneens bij politici en journalisten bespeurt, verbaast dan weer minder. On Bullshit keerde zich tegen het spinnen. Maar ook tegen symptomen van een vroeger decennium, waarin eerlijk zijn tegenover de feiten minder belangrijk zou zijn geweest dan ‘eerlijk zijn tegenover jezelf’. Laks en narcistisch, zegt Frankfurt er ten overvloede bij.
Interessant is dat hij stelt dat beschavingen nooit hebben kunnen functioneren zonder grote hoeveelheden betrouwbare feitelijke informatie – en dat hij bij zijn klachten, anno 2006, al waren de gevolgen nog niet zo voorspelbaar, geen enkele melding maakt van het bestaan van internet.
Zelfs correcte handelingen en het verkrijgen van succes relateert Frankfurt aan relevante informatie. Feiten geven de ware aard van de realiteit weer en ‘vormen de laatste en onaanvechtbare toevlucht van elk onderzoek’.
En hoewel het soms lastig is, vindt Frankfurt het altijd beter feiten onder ogen te zien dan er onkundig van te blijven. Er blijkt namelijk zoiets te rond te darren als zalige onwetendheid en gelukkig bedrog:

‘Wat wij voor realiteit aanzien, is een wereld die anderen niet direct kunnen zien, aanraken of ervaren. Wie in een leugen gelooft, wordt er dus toe gedwongen “in zijn eigen wereld” te leven – een wereld die anderen niet kunnen betreden en waarin zelfs de leugenaar zelf niet huis is. Voor zover hem de waarheid wordt onthouden, wordt het slachtoffer van de leugen afgesloten van de wereld van de gemeenschappelijke ervaring en opgesloten in een illusoire wereld waarheen geen pad leidt dat door anderen kan worden gevonden of gevolgd.’

Thans een poging tot praktische verheldering, tevens update. De gourmande is gespitst op haar naaste omgeving. Zo ziet ze haar zus vaardigheden van lezen en schrijven dermate genotzuchtig oefenen, dat ze zelf nu ook aan het schrijven is geslagen. Daartoe heeft ze een eigen ringband, waarin ze vel na vel volschrijft. Dichtbeschreven regels, soms wat doorhalingen. Het heeft iets van art brut.
Er is eigenlijk maar één probleempje: ze kan nog niet schrijven. Maar op onze vraag wat er in het schrift staat, zegt ze dat ze herinneringen in staan, notities en lijstjes. We hebben een fragment aangewezen om dat toegelicht te krijgen. En inderdaad, er bleek te staan ‘dat de hagelslag op is’.
Ook ziet de gourmande haar ouders helaas wel eens raar doen aan tafel. Dus heeft ze nu haar roze plastic telefoontje in haar zak, en haalt ze dat soms tevoorschijn om tijdens het eten een gesprek met een derde te beginnen, waarbij ze de hoorn professioneel tussen oor en schouder geklemd houdt.
Op de vraag van haar zus wie er aan de lijn is, wil ze slechts na zwaar te overwinnen aarzeling antwoord geven. Waarna zich een eindeloze lijst van ontkenningen ontspint. Met een variant op Jean-Luc Dehaene: ‘Je hoeft een probleem pas uit de weg te gaan, als je het geschapen hebt’. Het blijkt voor de Galilei’s in ons mogelijk in een lastig parket te raken wanneer je dat zelf opricht. Mogelijk komt het doordat ik direct bij de hoofdrolspeelster betrokken ben, maar mij fascineert dit allemaal nogal.
In het fijne boekje Honderd speelteksten: nieuwe speelteksten voor iedereen vanaf 8 jaar van Paul Rooyackers, Bor Rooyackers en Liesbeth Mende staat wat dat betreft een dialoog waarvoor ik, om het populistisch uit te drukken, mijn hele ‘oeuvre’ cadeau zou doen, mocht het mijn idee zijn geweest (niet dat oeuvre, maar die dialoog):

- Ik deed niks. (stilte) Ik heb helemaal niks gedaan. Helemaal niks.
- Wat heb je niet gedaan?
- Ik heb niet je chocola opgegeten.
- Waar is mijn chocola?
- Niet je witte chocola.
- Ik had drie repen.
- Ook niet die met die nootjes.
- En die pure reep?
- Die heb ik zeker niet op.
- Waar zijn die repen dan gebleven?
- Geen idee.
- Vreemd.
- Heel vreemd. (stilte)
- Was het lekker?
- Heerlijk.

zondag 1 februari 2015

Dan is hij weer alleen

Kunstenaar Nikolaas Demoen heeft een filmpje gemaakt onder de titel L’Homme qui marche. Het gaat hier om een plank die met de bovenkant is geschroefd aan een in rubberrepen genaaid stuk piepschuim (Frits zegt: isomo). Op muziek van blazer Joachim Badenhorst loopt dit object door het SMAK in Gent.
Zo trippelt het voorbij objecten van Berlinde De Bruyckere en van Jannis Kounellis. Bij Das Welttheater 79 van Hanne Darboven gaat het planken mannetje bijna in de kunst op, mimicry, omdat voor- en achtergrond een driehoekige vorm gemeen hebben. Curieus te ontdekken en te erkennen dat Demoens creatie feitelijk geen driehoek is. Ze lijkt veeleer op een wasknijper (die slechts door te knijpen vooruitgaat).
Ook is het geen mannetje. Het heeft niet eens een hoofd. Zelfs de titel is niet wat hij is, omdat ze van Alberto Giacometti stamt.
Hallo! Wie wandelt er nu eigenlijk en valt er onderweg iets te zien of te wederzien? Misschien is dat niet de goede vraag. Voor De kunst van het verliezen uit 1980 wist Giacometti dit gedicht te ontlokken aan J. Bernlef:

Hij was er al voorbij
toen iets zijn ooghoek trof
nu keert hij op zijn schreden terug
en ziet maar weet niet wat

Een voorwerp
zonder kant noch wal
een ding maar
zonder naam

Hij bukt zich
bang en blij ineen
maar pakt het niet
hij kijkt zich rijk

Dan is hij weer alleen.


Raar dat de hier beschreven handeling, meer dan twee decennia later, de actualiteit na 9/11 mede is hertekenen. O paranoia met uw zijstraten. O boom, waarachter bosjes vijanden staan. O, alfa die altijd omega moet zijn. Alles confronteert de kijker met zijn hoogstpersoonlijke algemene achterdocht, die ofwel schrander ofwel goedkoop is.
Ooit zag ik op een vrijdagmiddag wegens een of ander koffertje in de stationshal oneindige stromen reizigers langs het spoor van Antwerpen Centraal naar Berchem gaan. Afgelopen week was het raak in station Leiden, wegens een plastic zak.
De vraag die Demoen naar mijn gevoel stelt is of zijn object bijdraagt aan de werkelijkheid door nieuwsgierig te zijn, of interfereert door in de weg te staan.
Wat een geduld zal er ondertussen zijn uitgeoefend om deze film L’Homme qui marche in elkaar te steken! Elke keer moest het object worden gefotografeerd in een andere stand die de volgende beweging belichaamt.
Het object reikt ongeveer tot kniehoogte. Misschien komt het daardoor dat ik aan een peuter moest denken. Temeer daar mij onlangs duidelijk werd dat op ongeveer anderhalfjarige leeftijd het taalvermogen van de mens een tussensprint trekt die verband houdt met een ander schier Bijbels trucje: rechtop staan en beginnen lopen.
De wereld wordt dan wel ineens zeer veel groter. En tast- en hapbaarder. Door spectaculair meer woorden te kennen vallen, dankzij oplettende ouders, de risico’s van het vak dat leven is enigszins in te dammen.
Stills van Demoens object zijn te vinden in het boek In Courtesy of The Unknown . Daarin krijgt volgens mijn laveloos duidende brein de peuter alle ruimte. Het boek bevat quasi-pornografische afbeeldingen. Ze zijn bijgeknipt en laten netto geen daad zien. Demoen heeft er ook geometrische figuren doorheen getekend.
Collages dus, die volgens mijn recentste frame het denken van een peuter tastbaar maken. Deze kleine mens ziet al ongeveer van alles, zonder verband. Hij kan er dus ook al bijna over praten, gewapend met een basale grammatica.
In Courtesy of The Unknown bevat eveneens twee tekstjes van mij. Ze voldoen aan mijn definitie van voltooidheid in de zin dat ik ze niet meer als van mezelf herken. Wel is het me duister of ze proza, poëzie of essay zijn. Hangt mogelijk ook een beetje af van de context.

zondag 25 januari 2015

You say Potato

De Haagse heren Jacobse & Van Es hebben zich met allerlei wijsheden in mijn abominabele geheugen weten te nestelen. Onder meer met de empirisch gestaafde zekerheid ‘dat ‘de Russen’ niet hoeven te komen omdat ze er al lang zijn.
Dit speelt begin jaren tachtig, nog in koudeoorlogstijd. Na de dooi kwamen er nieuwe vijanden en daarnaast is er een economie die haar eigen aangestuurde grillen heeft.
Steeds vaker zijn in onze vaste groothandel voor heerlijkheden schapenkaas en pecorino niet beschikbaar. Navraag leert dat het te maken heeft met lactose-intolerantie, een rond zich heen grijpende kwaal aan de darmen die petomane onhebbelijkheden uitserveren. Door zogeheten harde kazen worden zij min of meer geneutraliseerd.
Deze bruikbare eigenschap blijkt nu doorgedrongen tot een consumentengroep die aan de grote kant is en die steeds vermogender wordt, met alle opkoopmogelijkheden van dien: de Chinezen. Zij hoeven dus ook niet meer te komen. Tot in Den Haag zijn ze er al lang.
We moeten het zoeken in andere producten die zalig en gezond zijn. Het toppunt binnen ons team is dan wel broccoli. Deze groente meen ik te kunnen dateren op na mijn jeugd, waarin de verwante bloemkool alleenheerschappij had. Door het woordbeeld al nascholend te hebben moeten herkennen, heb ik nog altijd moeite met de juiste spelling van broccoli.
Toch had George Bush sr. er al een hekel aan in zijn jeugd, minstens veertig jaar voordien. En deze afkeer is niet uniek, en al helemaal niet bij kinderen, leerde ik uit Frans de Waals Een tijd voor empathie. Trans-Atlantisch geldt broccoli als ‘iets walgelijks’.
Hoe dit op te lossen? Appelmoes erbij? Bisschopswijn? Er stamppot van maken? Bush had een fameus incompetente vicepresident Dan Quayle die ‘potatoe’ op een schoolbord krijtte. Omdat ik die spelling eveneens steevast moet controleren, heb ik een oplossing gevonden. Ik volg gewoon iemand uit hetzelfde bouwjaar en uit dezelfde Noord-Nederlandse gebiedsdelen, die met haar geweldige eenvrouwsband Solex wist: ‘You say Potato, I say Aardappel’.
Het is een pragmatische oplossing, dat wel. Maar voor een stamppot biedt ze uitkomst. Mij is verteld dat Broccoli de roepnaam is van een personage uit het boek Figuranten, wiens echte fictienaam Michaël Eckstein luidt. Da’s schrander bedacht.
De hoeksteen van de samenleving wordt inderdaad gecementeerd met gezond eten. Meer dan ooit zelfs. Nederland is al vergeleken met een clubsandwich omdat boven- en onderkaste elkaar niet raken en er verschillende lagen zijn.
Wat eten we naast stamppot broccoli, nu schapenkaas en pecorino naar de oosterzon vertrokken zijn? Ooit: een balletje gehakt, waarbij de jus stil blijft liggen. Nu: de vleesvanger seitan. Die wordt door de gourmande, nog ver verwijderd van spelling, louter benoemd. Tot satan.
Ik vermoed dat deze op zijn beurt slechts voorbereidselen verricht voor het dessert. Sinds kort houdt de gourmande van sojamelk. Die spreekt ze uit als shoahmelk.

woensdag 14 januari 2015

Recupereren hoef je niet te leren

Een vriend mailt. Hij vraagt onder meer waarom ik nog altijd niks heb geblogd over de ramp in Parijs. Dan dringt het tot me door nooit zelfs maar te hebben overwogen er iets van te willen vinden.
Na het eerste nieuws had ik me er al op betrapt te vrezen voor een bijkomende gesel: een niet in te dijken stroom van meningen. Een voorrecht liet zich voelen. Tevens groeide spoedig de onrust in mij. Niet alleen vanwege het simpele feit dat mijn vrees meteen bewaarheid werd. Ook omdat dezelfde vriend net met zijn gezin een paar maanden in Parijs was gaan wonen.
In het begin van de avond stuurde ik hem alsnog een mailtje. Dat de vriend niet direct antwoordde, leek me vanzelfsprekend. En naarmate er meer informatie vrijkwam, was het duidelijk dat elke bezorgdheid over hem en de zijnen ongepast was, en narcistisch.
En terwijl iemand anders me eigen werk in het gezicht slingerde (‘Want begrijp je het goed dat je je zo kan vereenzelvigen met zo’n beetje elke medemens, begrijp je het goed?’), bleven de meningen in het rond vliegen. Een strijd om de grootste empathie? Telkens bleek de ramp hooguit een vertrekpunt.
Bronnen, vergelijkingen, relativeringen, antecedenten, geschiedenis, bewijzen: na een openingsregel waarin het gebeurde werd veroordeeld, wist de ramp werkelijk alles los te maken. Steeds mondde het betoog, of teksten die – zoals vanuit de getroffenen zelf of zoals onderhavig schrijven – zulke betogen evalueerden, virtuoos uit in diagnoses bij de ander. Het bliksemdonderde tegen hypocrisie en recuperatie.
Deze betekenis van ‘recupereren’ heb ik pas in België leren kennen. Voordien kende ik het woord louter van Tour-verslagen door Jean Nelissen, die renners liet recupereren nadat ze bij een kopgroep waren gekomen of daaruit teruggevallen waren in het peloton.
Daarnaast blijkt ‘recuperatie’ te wijzen op de praktijk om zelfs de akeligste gebeurtenis te kaderen en hernemen vanuit de eigen opvattingen (en daarmee de eigen stoep schoon te vegen en de troep bij andersdenkende buren te deponeren).
Mijn weigering iets te vinden van de ramp in Parijs is evengoed een staaltje recupereren. Iedereen kan het. Sterker nog, indien ik althans een scoop mag vrijgeven: iedereen doet het. Desgewenst heb ik voor mijn recuperatie een hashtag: #niet onverschillig, wel onwetend.
In de mail van de vriend stond ook de vraag wat mijn mening was over de mening ter zake van mijn held Slavoj Žižek. Het was me ontgaan dat hij die had gedebiteerd, maar ik kwam al snel tot de conclusie dat het me pas echt zou hebben verbaasd wanneer Žižek geen mening over de ramp in Parijs had.

If today’s so-called fundamentalists really believe they have found their way to Truth, why should they feel threatened by non-believers, why should they envy them? (…) In contrast to true fundamentalists, the terrorist pseudo-fundamentalists are deeply bothered, intrigued, fascinated, by the sinful life of the non-believers. One can feel that, in fighting the sinful other, they are fighting their own temptation. (…) The problem with fundamentalists is not that we consider them inferior to us, but, rather, that they themselves secretly consider themselves inferior. This is why our condescending politically correct assurances that we feel no superiority towards them only makes them more furious and feeds their resentment. The problem is not cultural difference (their effort to preserve their identity), but the opposite fact that the fundamentalists are already like us, that, secretly, they have already internalized our standards and measure themselves by them. Paradoxically, what the fundamentalists really lack is precisely a dose of that true ‘racist’ conviction of their own superiority. (…) The paradox is that liberalism itself is not strong enough to save them against the fundamentalist onslaught. Fundamentalism is a reaction – a false, mystifying, reaction, of course – against a real flaw of liberalism, and this is why it is again and again generated by liberalism. Left to itself, liberalism will slowly undermine itself – the only thing that can save its core values is a renewed Left.

Borend en schitterend en geestig weer natuurlijk, maar ook een beetje erg vertrouwd. Zelfs de paradoxen heeft Žižek als zodanig benoemd. Ik voelde een anti-intellectualisme in me opborrelen waarover ik in andere omstandigheden lijvige deconstructies had kunnen schrijven: laat de slimste jongetjes van de klas inademen in plaats van uitstoten!
En wat komt de hulp van het medium internet, dat elk zuchtje faciliteert, eigenlijk ongelegen. Een recent rapport heeft daar ook een paradox over benoemd, ‘dat virtuele afstanden verkleind worden, maar bestaande sociale afstanden bestendigd worden. Gepersonaliseerde technologie draagt er ook aan bij dat men vooral opinies en informatie voorgeschoteld krijgt die de eigen meningen bevestigen, waardoor groepen mensen in hun eigen bubble kunnen leven’.
Voorafgaand aan of volgend op vloeibare identiteiten, waarover nog veel meer tekst bestaat, lijkt technologie een specifieke onttovering te hebben bewerkstelligd: afstand tegenover eigen gevoelens. Wie bovendien onverwijld kan reageren zonder iemand in het gezicht te kijken, kan makkelijker krasse uitspraken doen. Aangezien het de schoolmeester in mij frappeerde dat ook bij commentaren op de ramp weer dikwijls naar mensen niet verwezen werd met ‘wie’ maar met ‘waar’, werd ik rillerig van deze indruk: internet als podium voor reïficatie?
Dat poneer ik dan op een blog. Anderzijds blijkt de vriend met zijn gezin op wandelafstand van de plekken des onheils te verblijven. Achter twee poorten en een deur had hij zich geïnformeerd met berichten van internet en televisie.

zaterdag 3 januari 2015

Cees Meerman (1950-2014)


Doorklikkenderwijs dringt het tot mij door dat vier maanden geleden, op 13 september 2014, Cees Meerman overleden is, drummer in de beroemdste en onovertroffen bezetting van Herman Brood & His Wild Romance.
Gedecideerde kwalificaties, al zeg ik het zelf, maar er valt niet aan te ontkomen. Gelukkig is op deze blog al geboekstaafd dat Meerman, mede door zijn backing vocals, de absolute aandrijver van die band was. Van zijn voorgangers en opvolgers verschilde hij dat hij wat ik maar noem rond drumde. Meerman maakte zijn zinnen af. In het fameuze concert in de Prinsentuin te Leeuwarden viel tijdens ‘Still Believe’ de gitaar uit en stopte de band pas echt toen de drummer, Cees Meerman, een bekkenslag gaf op de eerste tel.
Tevens speelde hij rond in de zin dat hij het tempo van de liedjes organisch maakte. Eerder een hartslag dan een metronoom produceerde Meerman. Hij kon hangen in de muziek, zodat er te dansen viel. In de film Cha Cha zit zogezegd een levensechte live-uitvoering van ‘You Can’t Beat Me’, waarin de Wild Romance toont wat het was: een funkbandje, klaar terwijl u wacht. En daarvan was Meerman dus de aandrijver.
Op de legendarische elpee Shpritsz is uitgebreid teruggekeken, waarbij wat betreft Meerman werd opgemerkt dat hij met één hand zestienden kon slaan op de hihat. Daarvan was ‘Doreen’ het bewijs. Maar het pakte mij pas echt in wanneer hij het trucje op het bekken uitvoerde en er een soort zesachtste leek te ontstaan, recht door de vierkwarten heen waarmee de Wild Romance het collectieve geheugen in denderde. Hoor Meerman aan het begin van het jamsessieachtige ‘Phoney’ op de live-elpee Cha Cha na de gitaarsolo, wanneer Brood het zelf eventjes over probeert te nemen op piano.
Shpritsz begint uiteraard met ‘Saturday Night’, dat zelfs de Billboard 100 heeft gehaald. Het nummer laat zich direct herkennen aan de eerste drie gitaarakkoorden op dezelfde grondtoon. Daarover heeft de bassist zich jaren later uitgelaten:

By the way: Cees Meerman, die ook een beetje gitaar speelt, beweert dat hij dat riffje ooit aan Dany heeft laten horen. Terwijl Dany zegt dat die klanken ontstonden toen hij zijn instrument aan het stemmen was. Ja, haha, natuurlijk staat er ‘Lademacher/Brood’ achter de titel. Zoals bij zoveel nummers.


Voor mij is Shpritsz vooral het album waarop ‘One (of a Kind)’ staat – waarop Meerman de hoofdrol speelt. De elpee werd begin 1978 in een razend tempo opgenomen. Toenmalig verslaggever van Muziekkrant Oor, Paul Evers, was er getuige van dat louter de drummer spelbreker was: ‘te gek jongens, zullen we het nog een keer overdoen? Waar iedereen dan weer volledig op flipte, maar achteraf bleek dat hij op een heleboel punten toch wel gelijk had’.
Evers beschrijft dat het diep in de nacht is wanneer de opnames worden gestaakt en Meerman hem met de leadzanger zelve naar Den Haag rijdt. Naar goede gewoonte heeft Brood een verbandtrommetje mee van de ANWB, waarop met rode letters Veilig idee staat, en waarin een spuit zit, naalden en speed. De ster heeft al hele verhalen tegen de taperecorder gedaan als hij plots stopt:

‘Hé man, wat stinkt het hier vreselijk.’ Klopt, Kees blijkt stront aan zijn schoenen te hebben. We staan nog niet goed en wel stil of felle koplampen dringen zich door de achterruit naar binnen. Politie, twee man sterk. ‘Heren, wat moet dat?’ Kees heeft het raampje opengedraaid. Brood antwoordt snedig met ‘hij heeft stront onder zijn schoenen, mijnheer.’ En hopla, de hand aan de holster, het pistool is al gericht. ‘Ja broer, stap er maar uit’. Kees moet eruit, zowel voor hem als voor zijn schoenen’.


Hierna zou er voor de klassieke Wild Romance nog één winter komen, die elders de geschiedenis is ingegaan als de Winter of Discontent.
Enfin. Opa vertelt. Het is raar over iemand te schrijven, die een betrekkelijk lang leven leidde waarvan een periode van iets meer dan twee jaar bij velen nog in de borst klopt. Daarbij sprong Meerman bovendien niet meteen in het oog, dat immers gericht was op de zanger die, bij een andere uitvoering van ‘Phoney’, voor Rockpalast, grapte dat de drummer was ‘ausgeselektiert uit zwei Kandidaten’.
Toch valt er veel over Meerman te zeggen, niet het minst over zijn solowerk. Hij maakte met gitarist Erwin van Ligten twee cd’s, die hem laten horen als zanger, oneindig melancholisch. Zoals in 2007, op Up to You!

Naschrift
Een jaar eerder was Antony Del Monte Lyon overleden, een andere drummer uit Broods begintijd. Vreemd genoeg heb ik vooral een herinnering aan een hilarische lezersbrief die hij in de al vermelde Muziekkrant Oor schreef, over een recensent die Palombit heette.

woensdag 31 december 2014

Goedenavond speelman


Begin maar met het slechte nieuws.

Sinds jaar en dag, reeds in Holland, roomboter etend moest ik voor een recept margarine hebben. Een enorme koelvitrine gaf in deze niche echter nog slechts twee basissoorten: ‘boter’ en ‘broodsmeersel’. Daartussen is alles nog steeds mogelijk voor je cholesterol, maar ik heb er mijn leesbril voor opgezet om zeker te weten dat in België het woord ‘margarine’, of zijn retecommerciële opvolger ‘halvarine’, niet meer bestaat?

Sociale media dragen bij aan het vergroten van de economische kloof, redeneert Andrew Keen in De digitale afgrond. Dat bekrachtigt een gevoel dat ik liever niet had. Maar de cijfers die Occupy in haar leuze gebruikte om de machtsverhoudingen aan te klagen, beginnen er inderdaad van te blozen: op Twitter heeft 0,05 procent van de gebruikers meer dan 10.000 volgers, en is 22,5 procent van de gebruikers goed voor 90 procent van de activiteit. Hier, via Keen, een nieuw woord: ‘aandachtseconomie’. EN MARC KREGTING CITEERT DAT ALLEMAAL OP ZIJN BLOG, BELANGELOOS.

Het goede nieuws mag in overtal zijn.

En begrijp mij niet verkeerd, mij lijkt het uitstekend dat er vooruitgang is. In de beste families was het bijvoorbeeld ooit doodgewoon om aan tafel tijdens het roken de kwispedoor door te geven. Er zal ongetwijfeld personeel geweest zijn om die verzamelde fluimen vervolgens te lozen. Dat er heden minder worden gerookt, verlegt de aard van goede voornemens?

Op het Belgische treinnet is de Desiro niet onomstreden, maar doordat bijna alle tweepersoonsbanken achter elkaar staan doet zich wel een heuglijk feit voor. Zelfs mensen die met z’n tweeën zijn, kiezen bijna automatisch voor de zeldzame banken die tegenover elkaar zijn geplaatst. De keuze is dus die voor de mogelijkheid van een analoog gesprek, en voor dito oogcontact.

Niet alleen is dankzij het fiasco van de Fyra na twee jaar de internationale trein in oude glorie hersteld, het ding rijdt nu ook op een andere tijd. Zo is er in Roosendaal ineens weer aansluiting met de trein naar Zwolle, die niet meer voor je neus wegrijdt (‘daar zit een hele filosofie achter’). Hersteld werd feitelijk de situatie zoals ze tot aan het eind van de twintigste eeuw is geweest. Hopelijk gaat men niet verder terug in de tijd – de stoomtrein mag in het museum blijven.

‘In de negentiende eeuw waren de spoorwegen de toekomst van het transport geweest, de motor van de Amerikaanse welvaart. In de twintigste eeuw was het een saai onderwerp voor beleidsmakers en begrotingsdeskundigen. In 2010 stond het voor alles wat rechts in Amerika bang maakte en haatte: een machtige overheid, belastingen en belastinguitgaven’.

Nu ik mijn geloof in de mogelijkheden en effect van literatuur verloren heb, krijgt taal me in haar greep. Met George Packer maakte in het fijne ‘Afscheid van een tevreden natie’-nummer van De Groene een interview nieuwsgierig. Zijn De ontluistering van Amerika vind ik sensationeel. Packer noemt dit boek ‘geheel en al non-fictie’ én literair schatplichtig aan de USA-trilogie van Dos Passos. Het documenteert een periode van vijfendertig jaar door, soms idiosyncratisch, fasen te beschrijven uit levens van meer of minder bekende mensen, van wie er sommige terugkomen en wier levenspaden, klassiek literair, zich soms kruisen. Ook de stad Pampa krijgt zo’n quasi-anekdotische behandeling. Feiten zijn in die kleine verhalen ingeweven, zoals dat vestiging van winkelketens aan regionale middenstanders 86 cent per dollar onttrekt. Of zo’n zinnetje, bijna episch: ‘McDonald’s verkocht in 1969 zijn vijf miljardste hamburger en in 1972 zijn tien miljardste.’ Tegenover journalistiek herwint deze tekst aan kracht en geloofwaardigheid door processen van rommelhypotheken te laten focaliseren door een halve buitenstaander op de tribune, die meemaakt dat advocaten niet eens komen opdagen en per telefoon tegen hun slachtoffers snerpen, en dat aktes of soms hele dossiers ontbreken.

Da capo.

Wat heb ik van fictie opgestoken? Na ettelijke historische romans te hebben geconsumeerd is me pas duidelijk geworden wat een ‘sousbras’ is uit de geïllustreerde studie Lekker fris! Honderd jaar gezondheid, schoonheid en fatsoen van Mayke Groffen. HOE BEDOEL JE DAT MARC KREGTING ZICH OOK BIJ VROUWEN OF GESPECIALISEERDE WINKELS HAD KUNNEN INFORMEREN? Groffen beschrijft het lichaam van top tot teen, dus de kwispedoor zat vrij vooraan. Sinds 2007 bestaan er OXL Pads, ‘een soort inlegkruisjes voor onder de oksel’.

Na Packer begon ik in De vis in het water van Mario Vargas Llosa en vond die autobiografie bijna ondraaglijk. Nog los van de politieke opvattingen, die in een schets van zijn verkiezingsavontuur in de alternerende hoofdstukken body krijgen, frappeerde me vooral de claustrofobie slechts één persoon te kunnen volgen, in een consistente literaire stijl die na Packers exploraties vrij snel saai werd. Op bladzijde 83, nog geen vijfde van het geheel, viel het luxeoordeel dat De vis in het water niets voor mij was. Enerzijds bevestigt Vargas Llosa daar het cliché dat politiek een kwestie is van ‘manoeuvres, intriges, samenzweringen, pacten, paranoia, verraad, veel berekening, niet weinig cynisme en allerhande trucjes’. Anderzijds is daar de even grote gemeenplaats van literatuur als ‘vorm van verzet tegen macht’ en medium dat ‘voortdurend vragentekens plaatst’ en ‘de tekortkomingen van het leven toont’.

zaterdag 13 december 2014

Een watermeloendebat


Voor The Atlantic vertelde historicus William Black dat activisten die protesteerden tegen de moord op Michael Brown tijdens hun tocht van Ferguson naar Jefferson City ergens een wel erg apart onthaal kregen – met onder meer geroosterde kip, een vlag van de Geconfedeerde Staten en een watermeloen. Dat laatste object brengt Black in verband met andere recente voorvallen. De man die over de afrastering van het Witte Huis was geraakt, blijkt volgens een cartoon in Obama’s badkamer tandpasta met watermeloensmaak te hebben aanbevolen. En een trainer had het ritueel ontwikkeld, om met zijn footballteam de overwinning te vieren door een watermeloen kapot te slaan onder het slaken van apengeluiden.
Deze bizarrerieën relateert Black aan raciale verhoudingen in de Amerikaanse geschiedenis. Ik was gelijk gegrepen. Dit had ik met mijn koffieboek ook gewild: hoe een ogenschijnlijk betekenisloos detail politieke conflictstof herbergt. Black deed dat dus via de meloen. En daarmee zat ik definitief knel, wegens een eigen poging om iets over die vrucht te schrijven, twee decennia geleden in mijn debutantenjaren toen ik nog twijfelde een mening te willen hebben. Van Blacks belangrijke invalshoek ontbreekt elk spoor, hoewel ik nota bene begin met ‘Watermelon Man’ van Herbie Hancock.
Wist ik het toen niet of wilde ik niet weten? Vergeten of nooit over gedacht? Mijn stukje van weleer ademt hoe dan ook eurocentrisme. Kritiek daarop vanuit eigen boezem, zoals ik nu lever, is zo gratuit en clichématig geworden dat het zelffeliciterend wordt. Maar feiten zijn feiten en ook die oude tekst staat op mijn naam. Hierbij ververs ik hem met voor de gelegenheid vertaalde fragmenten van een betere tekst, door William Black:


(...) In de vroegmoderne Europese verbeelding is de typische watermeloeneter een Italiaan of een Arabische boer. De watermeloen, schreef een Britse officier die in 1801 in Egypte gelegerd was, was “een schamel Arabisch feest”, een karige vervanging voor een echte maaltijd. In de havenstad Rosetta zag hij de bevolking watermeloenen “verslinden... alsof ze bang waren dat een voorbijganger ze weg zou grissen”, en watermeloenschillen hoopten zich op in de straten. Daar symboliseerde dit fruit vele van de eigenschappen die het in het postemancipatoire Amerika zou krijgen. Onreinheid, omdat watermeloen eten zo rommelig gaat. Luiheid, omdat het zo eenvoudig is om watermeloenen te kweken en zo lastig is om watermeloen te eten terwijl je doorwerkt – het is een fruitsoort waarvoor je moeten gaan zitten om het te eten. Kinderachtigheid, omdat watermeloenen zoet zijn, kleurig en verstoken zijn van veel voedingswaarde. Ongewenste aanwezigheid in het openbaar, omdat je een watermeloen moeilijk alleen kunt eten. Deze tropen verspreidden zich door Amerika, maar de watermeloen had nog geen raciale betekenis. Amerikanen associeerden de watermeloen even goed met blanke hillbillies uit Kentucky of boerenpummels uit New Hampshire als met slaven uit South Carolina.
Dit kan verrassend zijn, gelet op het feit dat watermeloenen op de voorgrond stonden in de levens van Afrikaans-Amerikaanse slaven. Slavenbezitters lieten hun slaven vaak hun eigen watermeloenen kweken en verkopen, en gaven hun in de zomer zelfs een dag vrij om van de eerste watermeloenoogst te eten. De slaaf Israel Campbell legde een watermeloen op de bodem van zijn katoenmand toen hij zijn dagelijkse hoeveelheid niet had gehaald, en kreeg hem aan het eind van de dag terug en at hem op. Campbell leerde de truc aan een andere slaaf die vaak afgeranseld werd omdat hij zijn hoeveelheid niet had gehaald, en spoedig was de truc bekend in de wijde omgeving. Toen dat jaar de katoenoogst een paar balen minder opleverde dan de meester had becijferd, bleef het eenvoudigweg een 'mysterie'.
Maar blanken in het Zuiden beschouwden het genoegen dat hun slaven hadden aan de watermeloen als teken van hun eigen welwillendheid. Slaven paradeerden normaliter niet met de vrucht en gehoorzaamden aan de gedragscode die door blanken was opgesteld. Toen een opzichter in Alabama watermeloenen opensneed voor de slaven, verwachtte hij dat de kinderen zouden komen aanrennen om een stuk te bemachtigen. Een jongen, Henry Barnes, weigerde te rennen en toen hij zijn stuk kreeg rende hij weg naar de slavenverblijven om te eten buiten het zicht van de blanken. Toen kreeg hij een pak slaag van zijn moeder, herinnerde hij zich, “om die stijfkoppigheid”. (…)
In 1869 publiceerde Frank Leslie’s Illustrated Newspaper misschien wel de eerste karikatuur van zwarten die zwolgen in watermeloenen. Het begeleidende artikel legde uit: “De neger uit het Zuiden spreidt zijn epicuristische smaak zelden tastbaarder tentoon dan met zijn buitengewone zwak voor watermeloenen. De jonge geëmancipeerde slaaf is vooral krachtig in zijn voorliefde voor dat verfrissende fruit.” (...)
De belangrijkste boodschap van het watermeloenstereotype was dat zwarte mensen niet op hun vrijheid waren voorbereid. Tijdens de verkiezingen van 1880 beschuldigden de democraten de wetgevende macht van South Carolina, waar tijdens de Reconstructie de meerderheid zwart was, van misbruik van belastinggeld door zich zelf te laven aan watermeloenen; dit verzinsel haalde zelfs schoolboeken voor het vak Geschiedenis. (...)
Aan het begin van de twintigste eeuw was het watermeloenstereotype overal te vinden – op pannenlappen, presse-papiers, bladmuziek, peper-en-zoutstelletjes. (...) Het lange verhaal van blank geweld om de raciale hiërarchie te behouden speelde in op de lach.
Het heeft iets onnozels om zoveel betekenis te hechten aan een stuk fruit. En het klopt dat er intrinsiek niets racistisch aan watermeloenen is. Maar culturele symbolen hebben het vermogen om onze wereld en de mensen daarin te herscheppen, zoals toen politieagent Darren Wilson in Michael Brown een bovenmenselijke “demon” zag. Zulke symbolen zijn geworteld in historische gevechten – in het bijzonder, bij de watermeloen, met de angst van blanke mensen voor het zwarte geëmancipeerde lichaam. Blanken gebruikten het stereotype om zwarte mensen te beschimpen – om hun iets af te nemen dat ze gebruikten ter bevordering van hun vrijheid, en er iets van te maken om de spot mee te drijven. Uiteindelijk doet het er niet toe of iemand bewust wil krenken door uit het watermeloenvaatje te tappen, omdat het stereotype een eigen leven leidt.

vrijdag 5 december 2014

Men moet hem wrijven met natte lappen

Voor mijn jarenzeventigproject las ik het cultboek De confrontatie (1974) van Monika van Paemel. Verrast daarin al de term ‘briefing’ aan te treffen. En er is een passage:

‘Herinner me een andere tijd, Sinterklaas komt op een wit paard door de sneeuw, in doodsangst plas ik in mijn broek, helemaal weggekropen bij de andere kinderen achter de Leuvense kachel. Maandenlang zijn we de stuipen op het lijf gejaagd. Daar is nu het grijnzend mombakkes van Nicodemus, de zwarte man die kinderen martelt. Als ze binnen komen, onmenselijk groot en dronken als varkens, grijpt Nicodemus J. en stopt hem in de kolenzak terwijl hij afgrijselijk lacht en met een fietsketting op de zak slaat. Dan wordt mijn grootmoeder bang van het geweld dat ze zelf opgeroepen heeft, mijn oom vloekt en J. wordt paars en met uitpuilende ogen uit de zak gehaald. Er komt cognac aan te pas en men moet hem wrijven met natte lappen.’

In hetzelfde land blijft het taalkundig genie onverstoorbaar geloven in het feest dat haar veel lekkers oplevert. Ze zegt dat Zwarte Pieten mannen zijn die behalve uit Spanje ook uit Kokanje komen. Met eentje heeft ze onlangs een gesprek gevoerd. Hij had een dikke buik want was al vele maanden zwanger, vertelde ze. Ook is ze de mening toegedaan dat Zwarte Pieten zich over het algemeen niet goed met schoensmeer schminken. Vooral bij de oren komt de witte huid erdoorheen.
Ja, kritiek geven is makkelijk en erg consequent is ze volgens mij niet. Op een kleurplaat heeft ze het gezicht van Zwarte Piet melkchocoladebruin gemaakt (net als de gourmande, maar die doorkraste de omtrekken tenminste). Dit was bij een actie door de highbrow supermarkt Bioplanet. Op de achterkant van het vel stond de meewarig met Hollanders lachende titel Geef de Sint wat kleur!
Zelf vind ik het leuke van Sint en Piet toch wel, dat ze aan alles beantwoorden wat je in hen ziet. In België vinden de huidige regeringen bijvoorbeeld dat hun voorgangers voor Sinterklaas hebben gespeeld. Deze indruk heeft minstens één precedent in Nederland. Voor critici van de overheid is de goedheiligman sowieso een dankbaar figuur (al zal Jesse Ventura op eenzame hoogte blijven die deze week niet alleen nut en bemoeizucht betwiste van fluoride in het drinkwater, maar daar de nazigeschiedenis in ontwaarde).
Er zijn Piet-critici die diens olijke en hyperkinetische gedrag zo overdone vinden, dat ze er zware woorden voor hebben. Andere mensen zien meer jeugdidolen zulk gedrag vertonen – pakweg van Pippi Langkous over Kapitein Winokio tot Kaatje is de kolder in hen geslopen. De partijen voelen zich gekrenkt door elkaars opvattingen. Dat is veel minder leuk, omdat het stadium van dissensus niet eens wordt bereikt.
Maar toch, die herkenning van de eigen dada’s. De reeds voor verschijnen al geruchtmakende documentaire Zwart als roet: our colonial hangover heeft een fragment waarin als bewijs voor alledaags, hier geïnternaliseerd racisme een ebbenhoutdonkere jongen vertelt dat hij ’s avonds op verlaten straten oude dametjes altijd vriendelijk groet. Om geen verdenking op zich te laden. Het deed me denken aan een passage uit hoogsteigen werk:

Alles is erg. Hesp is goed, Schotse kerken ook. Als dood vogeltje, serafijn van den bloede, hetzelf zou tegenkomen, liep het een straatje om. Dood vogeltje is het straatomlopende type. Als het hetzelf zou tegenkomen.

Toch lukt het me niet in mijn dood vogeltje een zwarte te zien. Een troost dat niet alles maar valt te extrapoleren.
In mijn eigen kindertijd zou ik een blosje op de wangen van de goedheiligman wel hebben gewaardeerd. Hij was er wat menselijker van geworden. Er waren dan wel geen toestanden zoals Van Paemel beschrijft, maar vertrouwen deed ik de man niet. Dat gevoel had hij zelf uitgelokt:

Wees maar gerust, mijn kind
Ik ben de goede Sint

O manicheïsme! Het allergrootste pijnpuntje was zijn boek waar, lang voor de onthullingen door Edward Snowden, alle geheimen en zonden der wereld in vermeld stonden. Zou mijn bibliomanie daar zijn ontsproten, uit cognitieve overlevingsdrift?