zaterdag 13 december 2014

Een watermeloendebat


Voor The Atlantic vertelde historicus William Black dat activisten die protesteerden tegen de moord op Michael Brown tijdens hun tocht van Ferguson naar Jefferson City ergens een wel erg apart onthaal kregen – met onder meer geroosterde kip, een vlag van de Geconfedeerde Staten en een watermeloen. Dat laatste object brengt Black in verband met andere recente voorvallen. De man die over de afrastering van het Witte Huis was geraakt, blijkt volgens een cartoon in Obama’s badkamer tandpasta met watermeloensmaak te hebben aanbevolen. En een trainer had het ritueel ontwikkeld, om met zijn footballteam de overwinning te vieren door een watermeloen kapot te slaan onder het slaken van apengeluiden.
Deze bizarrerieën relateert Black aan raciale verhoudingen in de Amerikaanse geschiedenis. Ik was gelijk gegrepen. Dit had ik met mijn koffieboek ook gewild: hoe een ogenschijnlijk betekenisloos detail politieke conflictstof herbergt. Black deed dat dus via de meloen. En daarmee zat ik definitief knel, wegens een eigen poging om iets over die vrucht te schrijven, twee decennia geleden in mijn debutantenjaren toen ik nog twijfelde een mening te willen hebben. Van Blacks belangrijke invalshoek ontbreekt elk spoor, hoewel ik nota bene begin met ‘Watermelon Man’ van Herbie Hancock.
Wist ik het toen niet of wilde ik niet weten? Vergeten of nooit over gedacht? Mijn stukje van weleer ademt hoe dan ook eurocentrisme. Kritiek daarop vanuit eigen boezem, zoals ik nu lever, is zo gratuit en clichématig geworden dat het zelffeliciterend wordt. Maar feiten zijn feiten en ook die oude tekst staat op mijn naam. Hierbij ververs ik hem met voor de gelegenheid vertaalde fragmenten van een betere tekst, door William Black:


(...) In de vroegmoderne Europese verbeelding is de typische watermeloeneter een Italiaan of een Arabische boer. De watermeloen, schreef een Britse officier die in 1801 in Egypte gelegerd was, was “een schamel Arabisch feest”, een karige vervanging voor een echte maaltijd. In de havenstad Rosetta zag hij de bevolking watermeloenen “verslinden... alsof ze bang waren dat een voorbijganger ze weg zou grissen”, en watermeloenschillen hoopten zich op in de straten. Daar symboliseerde dit fruit vele van de eigenschappen die het in het postemancipatoire Amerika zou krijgen. Onreinheid, omdat watermeloen eten zo rommelig gaat. Luiheid, omdat het zo eenvoudig is om watermeloenen te kweken en zo lastig is om watermeloen te eten terwijl je doorwerkt – het is een fruitsoort waarvoor je moeten gaan zitten om het te eten. Kinderachtigheid, omdat watermeloenen zoet zijn, kleurig en verstoken zijn van veel voedingswaarde. Ongewenste aanwezigheid in het openbaar, omdat je een watermeloen moeilijk alleen kunt eten. Deze tropen verspreidden zich door Amerika, maar de watermeloen had nog geen raciale betekenis. Amerikanen associeerden de watermeloen even goed met blanke hillbillies uit Kentucky of boerenpummels uit New Hampshire als met slaven uit South Carolina.
Dit kan verrassend zijn, gelet op het feit dat watermeloenen op de voorgrond stonden in de levens van Afrikaans-Amerikaanse slaven. Slavenbezitters lieten hun slaven vaak hun eigen watermeloenen kweken en verkopen, en gaven hun in de zomer zelfs een dag vrij om van de eerste watermeloenoogst te eten. De slaaf Israel Campbell legde een watermeloen op de bodem van zijn katoenmand toen hij zijn dagelijkse hoeveelheid niet had gehaald, en kreeg hem aan het eind van de dag terug en at hem op. Campbell leerde de truc aan een andere slaaf die vaak afgeranseld werd omdat hij zijn hoeveelheid niet had gehaald, en spoedig was de truc bekend in de wijde omgeving. Toen dat jaar de katoenoogst een paar balen minder opleverde dan de meester had becijferd, bleef het eenvoudigweg een 'mysterie'.
Maar blanken in het Zuiden beschouwden het genoegen dat hun slaven hadden aan de watermeloen als teken van hun eigen welwillendheid. Slaven paradeerden normaliter niet met de vrucht en gehoorzaamden aan de gedragscode die door blanken was opgesteld. Toen een opzichter in Alabama watermeloenen opensneed voor de slaven, verwachtte hij dat de kinderen zouden komen aanrennen om een stuk te bemachtigen. Een jongen, Henry Barnes, weigerde te rennen en toen hij zijn stuk kreeg rende hij weg naar de slavenverblijven om te eten buiten het zicht van de blanken. Toen kreeg hij een pak slaag van zijn moeder, herinnerde hij zich, “om die stijfkoppigheid”. (…)
In 1869 publiceerde Frank Leslie’s Illustrated Newspaper misschien wel de eerste karikatuur van zwarten die zwolgen in watermeloenen. Het begeleidende artikel legde uit: “De neger uit het Zuiden spreidt zijn epicuristische smaak zelden tastbaarder tentoon dan met zijn buitengewone zwak voor watermeloenen. De jonge geëmancipeerde slaaf is vooral krachtig in zijn voorliefde voor dat verfrissende fruit.” (...)
De belangrijkste boodschap van het watermeloenstereotype was dat zwarte mensen niet op hun vrijheid waren voorbereid. Tijdens de verkiezingen van 1880 beschuldigden de democraten de wetgevende macht van South Carolina, waar tijdens de Reconstructie de meerderheid zwart was, van misbruik van belastinggeld door zich zelf te laven aan watermeloenen; dit verzinsel haalde zelfs schoolboeken voor het vak Geschiedenis. (...)
Aan het begin van de twintigste eeuw was het watermeloenstereotype overal te vinden – op pannenlappen, presse-papiers, bladmuziek, peper-en-zoutstelletjes. (...) Het lange verhaal van blank geweld om de raciale hiërarchie te behouden speelde in op de lach.
Het heeft iets onnozels om zoveel betekenis te hechten aan een stuk fruit. En het klopt dat er intrinsiek niets racistisch aan watermeloenen is. Maar culturele symbolen hebben het vermogen om onze wereld en de mensen daarin te herscheppen, zoals toen politieagent Darren Wilson in Michael Brown een bovenmenselijke “demon” zag. Zulke symbolen zijn geworteld in historische gevechten – in het bijzonder, bij de watermeloen, met de angst van blanke mensen voor het zwarte geëmancipeerde lichaam. Blanken gebruikten het stereotype om zwarte mensen te beschimpen – om hun iets af te nemen dat ze gebruikten ter bevordering van hun vrijheid, en er iets van te maken om de spot mee te drijven. Uiteindelijk doet het er niet toe of iemand bewust wil krenken door uit het watermeloenvaatje te tappen, omdat het stereotype een eigen leven leidt.

vrijdag 5 december 2014

Men moet hem wrijven met natte lappen

Voor mijn jarenzeventigproject las ik het cultboek De confrontatie (1974) van Monika van Paemel. Verrast daarin al de term ‘briefing’ aan te treffen. En er is een passage:

‘Herinner me een andere tijd, Sinterklaas komt op een wit paard door de sneeuw, in doodsangst plas ik in mijn broek, helemaal weggekropen bij de andere kinderen achter de Leuvense kachel. Maandenlang zijn we de stuipen op het lijf gejaagd. Daar is nu het grijnzend mombakkes van Nicodemus, de zwarte man die kinderen martelt. Als ze binnen komen, onmenselijk groot en dronken als varkens, grijpt Nicodemus J. en stopt hem in de kolenzak terwijl hij afgrijselijk lacht en met een fietsketting op de zak slaat. Dan wordt mijn grootmoeder bang van het geweld dat ze zelf opgeroepen heeft, mijn oom vloekt en J. wordt paars en met uitpuilende ogen uit de zak gehaald. Er komt cognac aan te pas en men moet hem wrijven met natte lappen.’

In hetzelfde land blijft het taalkundig genie onverstoorbaar geloven in het feest dat haar veel lekkers oplevert. Ze zegt dat Zwarte Pieten mannen zijn die behalve uit Spanje ook uit Kokanje komen. Met eentje heeft ze onlangs een gesprek gevoerd. Hij had een dikke buik want was al vele maanden zwanger, vertelde ze. Ook is ze de mening toegedaan dat Zwarte Pieten zich over het algemeen niet goed met schoensmeer schminken. Vooral bij de oren komt de witte huid erdoorheen.
Ja, kritiek geven is makkelijk en erg consequent is ze volgens mij niet. Op een kleurplaat heeft ze het gezicht van Zwarte Piet melkchocoladebruin gemaakt (net als de gourmande, maar die doorkraste de omtrekken tenminste). Dit was bij een actie door de highbrow supermarkt Bioplanet. Op de achterkant van het vel stond de meewarig met Hollanders lachende titel Geef de Sint wat kleur!
Zelf vind ik het leuke van Sint en Piet toch wel, dat ze aan alles beantwoorden wat je in hen ziet. In België vinden de huidige regeringen bijvoorbeeld dat hun voorgangers voor Sinterklaas hebben gespeeld. Deze indruk heeft minstens één precedent in Nederland. Voor critici van de overheid is de goedheiligman sowieso een dankbaar figuur (al zal Jesse Ventura op eenzame hoogte blijven die deze week niet alleen nut en bemoeizucht betwiste van fluoride in het drinkwater, maar daar de nazigeschiedenis in ontwaarde).
Er zijn Piet-critici die diens olijke en hyperkinetische gedrag zo overdone vinden, dat ze er zware woorden voor hebben. Andere mensen zien meer jeugdidolen zulk gedrag vertonen – pakweg van Pippi Langkous over Kapitein Winokio tot Kaatje is de kolder in hen geslopen. De partijen voelen zich gekrenkt door elkaars opvattingen. Dat is veel minder leuk, omdat het stadium van dissensus niet eens wordt bereikt.
Maar toch, die herkenning van de eigen dada’s. De reeds voor verschijnen al geruchtmakende documentaire Zwart als roet: our colonial hangover heeft een fragment waarin als bewijs voor alledaags, hier geïnternaliseerd racisme een ebbenhoutdonkere jongen vertelt dat hij ’s avonds op verlaten straten oude dametjes altijd vriendelijk groet. Om geen verdenking op zich te laden. Het deed me denken aan een passage uit hoogsteigen werk:

Alles is erg. Hesp is goed, Schotse kerken ook. Als dood vogeltje, serafijn van den bloede, hetzelf zou tegenkomen, liep het een straatje om. Dood vogeltje is het straatomlopende type. Als het hetzelf zou tegenkomen.

Toch lukt het me niet in mijn dood vogeltje een zwarte te zien. Een troost dat niet alles maar valt te extrapoleren.
In mijn eigen kindertijd zou ik een blosje op de wangen van de goedheiligman wel hebben gewaardeerd. Hij was er wat menselijker van geworden. Er waren dan wel geen toestanden zoals Van Paemel beschrijft, maar vertrouwen deed ik de man niet. Dat gevoel had hij zelf uitgelokt:

Wees maar gerust, mijn kind
Ik ben de goede Sint

O manicheïsme! Het allergrootste pijnpuntje was zijn boek waar, lang voor de onthullingen door Edward Snowden, alle geheimen en zonden der wereld in vermeld stonden. Zou mijn bibliomanie daar zijn ontsproten, uit cognitieve overlevingsdrift?

zondag 30 november 2014

One Of Us Is Wrong


Het was altijd een leuk spelletje om de klop met de hamer te proberen tegen te gaan. Maar steevast waren knieën weerloos tegen de tik – het lichaam bleek even sterker dan de wil. Zo’n beweging noemde de meester een reflex, en mijn geheugen is te beroerd om zeker te weten of hij toen ook de rilling heeft behandeld.
Het woordje ‘werktuiglijk’. Morgen beter, misschien.
Van mensen die zeer snel schrikken werd beweerd dat ze een slecht geweten hebben. Een dik jaar terug trok er zo’n rilling door me heen bij het zien van een foto van Chris Evert en Jimmy Connors. Die circuleerde in volkomen andere tijden, maar het enige wat deze foto met mij deed, was terugverwijzen naar de werkelijk onverslindbare reeks Het aanzien van.
Iets langer geleden sidderde ik bij verlate kennisname van het bericht dat Hector-Jan Loreis was gestorven. Mogelijk gaf mijn lichaam een eerbetoon.
Over kinderen wordt van oudsher gezegd dat ze zich juist vloeiend en natuurlijk bewegen. Die notie kan, afgaand op onze lieve kleine piranhas, inmiddels worden uitgebreid tot hun gemanoeuvreer met de computermuis. Bijna gedachteloos gebruiken ze dat ding om in de virtuele wereld te komen waar ze willen.
Er bestaat één handeling die bij hen uit de genetische toverhoed lijkt te komen: het dragen van een voorwerp met een vloeistof. Of het nu een glas drank is of een schaaltje met water – plots lijken kinderen bijna bevroren om het voorwerp een paar meter verderop te krijgen.
Vermoedelijk stoelt het spelletje van eieren dragen op een lepel op hetzelfde ervaringsfeit. Het is bij kinderen dan het lichaam dat op tilt slaat. Uit angst voor een recidive voorbij hun geheugen? Ze bewegen in elk geval alsof ze de leeftijd van de allerrijpsten hebben bereikt. Of ontwaren ze het oppervlak van de vloeistof dusdanig exclusief, dat hun hersenen slechts één signaal uitsturen: pas op, de inhoud kan overstromen?
Dat zou een Truth Be Known mogen heten, als ik even Roger Troutman mag plunderen uit de tijd dat hij met zijn broers een bandje had (The Human Body).
Troutman was een funker. Jazz instigeert grotere lichamelijkheid. Niet eens zozeer vanwege de intenties van het genre die zijn beschreven in dergelijke termen, als wel door de uitwerking op toeschouwers. In reactie op de muziek, met name bij de improvisaties, schokken vooral hun schouders, nek en voeten.
Of komen die lichaamsbewegingen uit een cultuurkritisch compendium dat met de jaren bij de satire is ondergebracht? In een beroemd fragment uit de film Theo en Thea en de ontmaskering van het Tenenkaasimperium lijken ingezetenen van een jazzcafé louter spasmen te vertonen. Inclusief pijprokerij is dat cliché ook uitgevent door Jiskefet (ik meen dat het refereerde aan mieters studentengedoe van hooguit een halve eeuw geleden).
Effectbejag uiteraard, maar kennelijk met voldoende appel om er rekening mee te houden. Of is er een andere reden waarom Amitai Etzioni in De nieuwe gulden regel tot tweemaal toe zegt dat het communitarisme geen standpunt inneemt tegenover jazz? En die procedure als aanbeveling beschouwt omdat communisme, fascisme en godsdienstig fundamentalisme ‘allemaal een afschuw van jazzmuziek hadden’?
Kennelijk wil het ergens niet voor door de knieën gaan.

zondag 23 november 2014

Your votes, please


Wie het eerst komt, die het eerst maalt. Dat spreekwoord gaf ons definitief het voorrecht nadat we in een fabriekshal, uitpuilend van spullen die onder de noemer brocante schijnen te vallen, op de zoveelste milde novemberdag onze keuze hadden laten gaan naar twee stembussen. Bij de kassa kon de mevrouw achter ons haar oren amper geloven.
Het was nochtans liefde op het eerste gezicht. Vermoedelijk door mijn gepasteuriseerde afkomst had ik me bij stembussen iets metalerigs voorgesteld, melkbussen – gastvrij voor carbid. Het bleken echter prachtige houten kisten, met stoffen banden van binnen die het deksel met het inwendige verbonden. Niet dat Hugo de Groot er uit het Muiderslot mee had kunnen worden gesmokkeld, maar ze waren nogal fors.
Waarom zou er, binnen de betrekkelijkheid van tijd en plaats, belangstelling voor zo’n kist zijn? Mogelijk bestaat er zoiets als ambachtelijk stemmen. In vergelijking met een druk op de computerknop geeft het inwerpen van een opgevouwen briefje minder brandstof aan de welvaartsziekte die paranoia heet. De tijd van eenzijdig elektronisch stemmen is voorbij, zegt onze stembus nu al bijna en van opiniepeilingen lijkt hij tabak te hebben.
Ook zijn de politieke twisten die in België uitbraken te herleiden tot een legitimiteitskwestie. Een reeks betogingen kant zich tegen het feit dat een meerderheidsregering maatregelen neemt waarin velen zich niet kunnen vinden. Zij hebben het recht daartegen te protesteren en vakbonden zijn van oudsher het orgaan dat bemiddelt tussen werknemers en de rest.
Voorts is het misschien wel het onderscheidende kenmerk van een democratie dat ze de belangen van de kleinste minderheid behartigt (zie bijv. Scheffer, Het land van aankomst). De kwestie is dan eigenlijk of er voldoende ruimte is voor de ander, die sinds enige tijd met een hoofdletter gespeld wordt.
Uit de stembus moet de ander als het ware als een duveltje als een doosje kunnen opspringen. Daar mag men niet alleen iedereen oprecht blij om zijn, men mag er, gevoed door het graan van de overtuiging, daadwerkelijk wat mee doen.
Uit tijden die inmiddels onmetelijk ver weg lijken, stammen immers analyses dat ‘tolerantie’ te vrijblijvend is. Vanaf Clarence Seedorf bezigden allochtone Hollandse voetballers ook een term, die inmiddels alle topvoetballers overgenomen hebben: ‘respect’.
Zoals het boekje Peinzen. 49 filosofische vragen voor kinderen echter al aangaf: ‘Respect betekent niet-veroordelen. Maar de belangrijke kwestie is of dat grenzeloos kan. Bestaan er voorwaarden om respect te koesteren?’ Ai, een paradoxendreiging! Hierover heeft filosofe Baukje Prins geschreven: ‘Hoe zouden we van deelnemers in een debat kunnen eisen dat ze zich keurig houden van de “gouden regel” van het wederzijds respect, terwijl we de vrijheid van meningsuiting beschouwen als het hoogste goed van een vitale democratie?’
Nederland bevindt zich dan in de hoogtijdagen van het poldermodel, van de paarse coalitie die in haar depolitiserende aandriften voorgaf kleurloos te zijn. Stemmen leek eigenlijk geen effect meer te geven. Ook de meest leerzame ogen, die van buiten Europa, meenden dat te zien. Ian Buruma en Avishai Margalit hebben ze laten getuigen in Occidentalisme:

‘Handelaars, of ze nu tot de petit bourgeoisie behoren of tot de altijd bezige mannen van de wereld, zijn slechts geïnteresseerd in de bevrediging van individuele verlangens, iets wat “een hoger moreel besef van de wereld en het geloof in idealen” ondermijnt. De liberale democratie is het politieke systeem dat het best bij handelaars past. Het is een competitief systeem waarin verschillende partijen elkaar bestrijden en waarin de belangentegenstellingen alleen kunnen worden opgelost door onderhandeling en compromis. Het is per definitie onheroïsch en daarom in de ogen van hen die erop neerkijken, verachtelijk, krachteloos, middelmatig en corrupt.’

Die laatste krachttermen kregen bijval binnen Europa, van stemmen die zich kritisch achten. Ze vallen moeiteloos terug te vinden in politieke nieuwsberichten uit linkse hoek op het web. Gebeurt dat al niet in de hoofdtekst, dan in elk geval in de comments die een aanhankelijkheid tonen waar een land op het Songfestival voor zou tekenen.
Dat maakt het even voorspelbaar dat vanuit de bestookte overzijde dan weer de vraag gerezen is of een meerderheid rechten heeft tegenover wat wordt ervaren als de tirannie van een minderheid. Of dat de ander, met of zonder hoofdletter, dus niet doodgewoon een ikke is wiens hachje gered moet. Ze moeten misschien wel lachen of hoofdschudden om het verwijt dat regeringspartijen zich niet houden aan hun verkiezingenbeloften.
Zoveel is zeker: het is nooit goed.
Misschien voelen politieke partijen beter dan welke ‘actor’ dat voortgang altijd de dood of de gladiolen is. Een interne crisis is niet alleen een ‘opportuniteit’ voor tegenstanders, maar ook voor de eigen gelederen.
Het netto resultaat is dat de nieuwsconsument, die men onvermijdelijk is, nog meer afkeer krijgt van ‘de politiek’. Of dat helemaal klopt, zou mijn geloof niet wezen. (Ik ben dan ook niet zo bijdehand als Goethe, die verklapte: ‘Wie handelt is altijd gewetenloos; alleen wie toeschouwt heeft een geweten.’ Dit maxime annex stemadvies, voor de blanco-optie, staat in Over het nut en nadeel van de geschiedenis voor het leven van een zekere Nietzsche, met diens goedkeuring.)
Eén van onze verworven kisten kijkt ons aan alsof hij irritaties heeft in de mondhoeken. Uit slaaptekort, een vitamine C-gebrek of gewoon een iets te uitgesproken mening? Beide zijkanten van de stemspleet zijn afgebroken. Ik ben geen liefhebber of beoefenaar van symboliek, maar het valt niet te ontkennen dat door de afkeer van politiek de balans in de uitslagen een beetje weg is. Stemmers zitten niet meer overwegend in het midden, zoeken vaker de randen op.
Ons brocanterigheidje blikt hopelijk vooral nieuwsgierig naar de wereld. Overigens is het plan om in de stembussen al dat disparate kinderspeelgoed op te bergen waar we normaliter onze benen over breken. Ook stamt de uitdrukking van het eerst komen en eerst malen uit de molenaarsbranche. Gaat zelfs een keuze in een brocanterie over het dagelijks brood?

donderdag 13 november 2014

Bella ciao


Zonder shuffle kom je nergens. Plots klonk er een liedje dat me terugbracht naar lang her. Inspectie leerde dat het ging om ‘Bella ciao’. Ik waande me weer een jaar of zestien, en speelde een blauwe maandag gitaar voor het Socialisties Koor. Een beetje raar want eigenlijk was ik pianist, maar ik deed mee op aanbeveling van de andere, veel betere gitarist die eigenlijk bas speelde.
Moeilijk zal de muziek dus niet geweest zijn. Zeker in vergelijking met de choquerend ingewikkelde jazzrock die we elders dachten te maken, bood dat theoretisch kansen om een groter publiek te bereiken. Adorno heeft geredeneerd dat beschaafde mensen niet meer verontwaardigd hoeven zijn over het radicale, maar zich kunnen verschansen achter de onbeschaamd bescheiden bewering dat ze het niet begrijpen. ‘Daardoor wordt ook het verzet, de laatste negatieve betrekking tot de waarheid, opgeruimd en het aanstotelijke object wordt glimlachend gecatalogiseerd onder zijns gelijken, de gebruiksgoederen, waartussen men de keus heeft en die men kan afwijzen, zonder zelf ook maar de verantwoordelijkheid ervoor te dragen.’
Niks daarvan, toen. Begrijpen! Confronteren! Bloeien!
Volgens de geplogenheden van heden zou ik meewarig of lacherig moeten doen over dat Socialisties Koor, bijvoorbeeld door iets over de spelling op te merken, of omdat volgens de mythe destijds bijna iedereen door partnerruil of toewending tot de homoseksualiteit in een woorddoordesemde scheiding lag. Mij staat een vrolijk en warm gezelschap bij. Wel had ik al een tuinbroek en van mijn ‘kleedgeld’ kocht ik zowel geitenwollen sokken als iets wat een Maojasje heette en eerder ruraal dan onverschrokken oogde.
Misschien denk ik ook met trots terug op het Socialisties Koor omdat het een tijd van grote verwachtingen was. Mij werd verteld dat ik talent had en dat ik daar alles uit moest halen. Later leerde ik dat dit een protestants idee was, nog later las ik Max Weber, maar het hielp allemaal niets. Ik moest me bevoorrecht weten, terwijl ik slechts het ongemak van ‘beter zijn dan’ voelde. Liever saboteren dan exploiteren, dat werd me meteen al duidelijk. Ik wou niet – en bij het Socialisties Koor hoefde dat ook niet. Anders dan het cliché van radeloze betweterigheid wil, was de sfeer er ontspannen, geborgen.
Het is moeilijk voor te stellen dat kinderen toen werden bejegend zoals nu. De gourmande is altijd nogal Hollands in de omgang geweest, maar sinds kort zegt ze me: ‘Liefste papa, kun je me helpen?’ Op het rapport van het taalkundig genie is een lijstje verschenen met gedragspunten van het type kan goed met conflicten omgaan. Op de turnles, een hobby volgens mij, hoort ze dat ze goed vooruitgaat maar bij kritiek ‘niet meer met haar ogen mag rollen’. De verzuiling is niet terug, het idee van onberispelijkheid heeft de publieke levenssfeer domweg opgerold. Dan communiceren we het maximale uit onszelf door allemaal dezelfde taal te spreken – ‘het grootkapitaal’ zal daar geen plaats in vinden.
Ook is het moeilijk voor te stellen dat een politicus in de tijd van het Socialisties Koor een lezing had gegeven zoals Mark Rutte die deze week voor het voetlicht bracht. De overtuiging van gelijkheid, maar dan op sociaal vlak, is passé. De Nederlandse premier onderzoekt juist ‘hoe we de rigiditeit uit ons voorzieningenstelsel kunnen halen, want daardoor staat het betere het goede soms in de weg. Er zit in ons systeem een soort ingebakken angst voor ongelijkheid. Dat is zo gegroeid. Iedereen krijgt hetzelfde, graag of niet.’
Dat persoonlijk voornaamwoord we intrigeert. Rutte pleit namelijk voor individuele vrijheid, die voor hem nu te veel gebonden is aan regels. Hij wenst meer zelfstandigheid en maatwerk, praktisch denken: ‘Niet uitgaan van het gereedschap dat er nu eenmaal ligt en daarmee elk probleem te lijf gaan. Maar andersom: elk probleem op zijn eigen merites beoordelen en daar vervolgens de goede instrumenten bij zoeken.’
Vanuit mijn ouderwetsheid, die plots aanvoelt als een halve eeuw onbeschaafd zijn, vrees ik dat hier slachtoffers van gaan komen. Vanuit de visie van Rutte ben ik mensen in hokjes aan het opsluiten, in dit geval van machteloosheid en achterstand.
Daartegen was ‘Bella ciao’ bedoeld, ook door middel van hoop. Van het partizanenliedje geeft Wikipedia een afgrondelijke Nederlandse vertaling. Ik hoorde het echter in de grootse versie die Wannes Van der Velde maakte voor Kollektief Internationale Nieuwe Scene (elpee De Herkuls ). In de schaduw van een bloem.

dinsdag 4 november 2014

And where there is despair

Over Arthur Lehning gaat het verhaal dat hij, een eeuw oud, als God in Frankrijk zo vergeetachtig was geworden, dat hij telkens aan juryleden vroeg wat de eer was die tot hun bezoek strekte. Van hun antwoord – de P.C. Hooftprijs voor het essay – was hij telkens intens gelukkig.
Zelf heb ik net ontdekt afgelopen jaar tweemaal geblogd te hebben over Margaret Thatcher en Franciscus van Assisi. Eerst in januari, daarna in oktober.
Ik ben er volgens mij nog niet helemaal uit of ik daarom moet lachen.
Wanneer zal het de volgende keer zijn? Eenparig versneld, februari volgend jaar? Als ‘het neoliberalisme’ bedacht blijkt te door Bakoenin? Of als L’Osservatore Romano onthult dat de paus in zijn jonge jaren voor Unabomber heeft gespeeld?

vrijdag 24 oktober 2014

Ongezien

Gymnasium of kleuterschool, één klassieke scène kan elk schoolplein als decor hebben. Drie kindjes spelen en plots zonderen twee zich af en smiespelen en wijzen naar de derde. Die betracht een hereniging, gebruikt daarbij wat fysieke aandrang – en krijgt straf.
Dit vonnis valt zonder de voorgeschiedenis te hebben waargenomen, dus letterlijk ‘ongezien’. Zo heet dat althans in Noord-Nederland.
In België heb ik een andere betekenis van ‘ongezien’ leren kennen, die ontbreekt in Van Dale. Daarbij dient zich in het synoniem ‘ongehoord’ warempel een tweede zintuig aan. Deze versie van ‘ongezien’ betekent zoiets als zonder weerga, zonder vergelijking. Ik vermoed dat dit op zijn beurt uit het Frans komt: ‘(du) jamais vu’.
Waarschijnlijk is in deze betekenis onomkeerbaarheid vervat. Een ‘ongezien’ fenomeen tast al het andere aan of dreigt dat spoedig te doen. In Noord-Nederland spreekt men dan, altijd wat omineus, van een ‘hellend vlak’.
Naar aanleiding van de nieuwe politieke constellatie duikt de kwalificatie ‘ongezien ’in België overal op. Om te beginnen zet het een legitimatiemachine in werking. Door bijvoorbeeld de aangekondigde bezuinigingen van de Vlaamse en federale regering zo te betitelen, worden protesten ertegen, en eventuele grimmige kantjes, meer gerechtvaardigd. Autoriteiten kunnen ze op hun beurt ‘ongezien’ vinden en er een flinke zwabber op loslaten.
Het woord ‘ongezien’ ademt zo een oudtestamentische bloeddorstigheid (Van Dale meldt wel dat ‘de Ongeziene’ een synoniem is van God). Provocaties worden beantwoord met gesar dat wordt beantwoord met verse provocaties en vers gesar.
Het is dat de aanleiding zo treurig is, anders had ik het komisch durven noemen dat buiten elke intentie Nederland antwoordde op zo’n ongehoorde kwestie. Uit de krochten van Facebook werd een staatssecretarisopinie opgehesen dat Marokkanen ‘geen toegevoegde waarde’ aan de economie brengen. Dik een week later bleek dat in Nederland een kunstenaar zich had voorgedaan als Marokkaanse opiniemaker en kon voldoen aan de ‘grote behoefte aan welbespraakte “mediamarokkanen”.’ De opinie-industrie hanteerde ‘ongezien’ toch weer letterlijk.
Ik besef met zo’n gelegenheidsverband te relativeren. Maar de belligerente sfeer heeft iets theatraals, bijvoorbeeld met een afscheid van nuances en met een warm welkom voor het verwarren van symptoom met teken – voor guilt by association. Dit zou de tijd moeten zijn waarin eerst goed definitief van kwaad moet worden onderscheiden.
Wat wanneer er plannen worden geconcretiseerd en goedgekeurd? Zelfs een meeloper van triatlonformaat snapt de consequentie ‘megaongezien’ dan niet.
Er wordt veel kruit verschoten. Het zal door al de herdenkingen van de Groote Oorlog zijn dat die uitdrukking me in loopgraven doet verwijlen. Wel maakt ingegravenheid het makkelijker het gelijk bevestigd te krijgen en te mikken op een vijand die letterlijk toch ‘ongezien’ blijft. Deze parallel met de Oorlog is onsmakelijk maar instructief, precies een eeuw na het begin. Toen heerste er immers nog euforie.
Ik juich verzet toe en geloof hartgrondig in productieve woede. Maar de woede die nu heerst is me te belust, te blind inderdaad. Alleen al de kwantiteit van intimiderende metaforen, de ene nog knulliger dan de andere, maakt het zielig dat steevast de tegenpartij propagandistisch blijkt.
Bij schetsen van de breedte in bezuinigingen kwam me een zinsnede onder ogen die een drievoudige flikflak van pleonasmen uitvoerde: ‘Daarbovenop worden ook nog eens extra…’ De overzijde kreeg dan weer een koppeling te verduren met de Noord-Koreaanse Arbeiderspartij: ‘Het is als actief steun betuigen aan de NSDAP ten tijde van het nazi-regime.’
Hier is men de heilige verontwaardiging voorbij en treedt routine in.
Het jeukt dat zulke redenaties onvermijdelijk zijn voor subject én object. Mij schiet een opname te binnen van Little Feat uit 1973, op Ebbett’s Field, van het geweldige nummer ‘On Your Way Down’. Bij de intro, die nog net weet te openbaren dat Allan Toussaint de componist is, lijkt de band integraal een beetje afwezig. Men snuift hoorbaar, hoort rond, laat zijn partij open en opeens, onbegrijpelijk mooi, zit iedereen voor zich samen in het ritme.
Dat is ‘ongezien’ in zijn sublieme, collectieve betekenis. Maar het onvermijdelijke op en rond het Belgische speelplein geldt de status van het schier wetenschappelijke en majesteitelijke voornaamwoord ‘we’.
Ondertussen suddert de kwestie of de huidige regeringen het beleid van de vorige voortzetten of er komaf mee maken. Wanneer de eerste mogelijkheid klopt, dan wordt de betekenis van ‘ongezien’ wel degelijk letterlijk. De grimmigheid valt alleen te begrijpen uit de laatste optie. Dan komt de toeschrijving ‘ongezien’ in het teken te staan van een tweezijdig revanchisme. Elke kant verwijt de andere kant wij-zij-verhalen op te dissen en trekt de sabels. Afhankelijk van het gemoed heeft het verwijt dat de ander ‘het establishment’ incorporeert, iets intens triests of lachwekkends.
Hoe dan ook doemt het vervolg van de schoolpleinscène op, met de veelvuldig uitgesproken zekerheid: ‘Hij begon!’ Per saldo wijzen de sabels meer dan dat ze snijden. Zo’n strijd wordt slechts beslecht met een eeuwigdurend superlatief van een superlatief.
Overigens bestaat er een gedicht waarin de geopolitieke verankering van ‘ongezien’ naar alle waarschijnlijkheid doorbroken wordt. Het is geschreven door Charlotte Mutsaers (die goed bekend is met Nederland én België) en heet ‘Clausules der vriendschap’:

Oompje, Muisje, Marko,
Irma, Draga, Sas,
Plume, Debora, Per,
Erik, Liesje, Koert,
Ingeborg, Richard,
Marguerite, Dar, Ton,
Carla en Christien

Adorabelen
formidabelen
lieve vrienden
uit mijn leven
weggeblazen
ongezien

Wist ik veel
toen ik
voor eeuwig
vriendschap
met jullie
sloot

Wist ik veel
dat er maar
één bestaat
die recht van sluiten
heeft
de nietsontziende
claviger
geheten
Dood


Naschrift
Hoewel een superlatief van een superlatief niet snel denkbaar is, blijkt de cumulatie van één en hetzelfde superlatief te hebben bestaan. In de voorbereidende schermutselingen voor een boekje over de jaren zeventig, stuitte ik op een passage in De nieuwe kleren van Voorzitter Mau (1971) van de onlangs overleden sinoloog Simon Leys. Hij citeert er een persmededeling: ‘Vice-voorzitter Lin heeft de grote rode standaard van het denken van Mau Tse-toeng het hoogst, het hoogst, het hoogst gehouden. Hij begrijpt het denken van Mau Tse-toeng op de diepste, de diepste, de diepste manier en past die toe op de beste, de beste, de beste wijze.’

dinsdag 14 oktober 2014

Op die fiets!


In het ruime decennium dat ik in België woon, had ik de zegswijze niet meer gehoord. Vorige week was de feestelijke herlancering. 'O, op die fiets', berichtte een Hollandse. Dit moet worden ondertiteld voor de Vlaamse vrienden: 'O, op die manier'.
Onontkoombaar is de vaststelling dat in de twee landen de omgang met de fiets nogal verschilt. Het transportmiddel is min of meer de baas (patron) in Nederland. De hele week door dendert het over voornamelijk veilige fietspanden en het staat in grote steden geparkeerd met een prominentie die in België enkel voor de auto is weggelegd.
Alles in perspectief natuurlijk. Onlangs doken amateurbeelden op van straten in Buenos Aires anno 1978, waar een auto uit de parkeerstoet wist te raken door zich los te wrikken. De bestuurder botste de voor en achter hem staande wagens domweg weg.
Hoe dan ook, een andere zegswijze – dat 'Belgen zelfs met de auto naar de bakker gaan' – kan ik empirisch staven, sinds de weg voor onze buurtbakker is opgebroken en er louter nog een pad voor fietsers en wandelaars uitgespaard blijft. De lekkernijen blijven even verleidelijk, de omzet daalt spectaculair.
Wie zichzelf kritisch noemt beweert uiteraard niets voor vanzelfsprekend aan te nemen, maar volgens mij zijn er grenzen. (En pas op, ik kan er wel om lachen dat de komende vertaling van de duizend pagina's dikke, van grafieken en eindnoten voorziene economiestudie van Thomas Piketty gepresenteerd gaat worden met een interview in de Amsterdamse poptempel Paradiso. En dat aan de man de Nobelprijs voor Economie in het afgelopen halfjaar al talloze keren was overhandigd, tot ze naar zijn landgenoot Jean Tiro bleek te zijn gegaan.)
Natuurlijk wordt er in België best gefietst. In het weekend, door zogeheten wielerterroristen. Ze gedragen zich dan als automobilisten: alles wat voor hen op de weg beweegt, moet zo snel mogelijk wijken.
Veiligheid en fietsen – nee, daarvoor schijnt tot nog toe geen vreedzame coëxistentie weggelegd. Daarom is het misschien extra interessant eventjes na te lopen wat het veelbesproken Federaal Regeerakkoord over de materie te melden heeft.
Onder het kopje Klimaat behoort de fiets tot zes diverse artikelen die onderworpen gaan worden aan 'flankerend beleid'. Door dat bijvoeglijk naamwoord rijst onwillekeurig de indruk dat er vangrails gaan komen, maar zoiets komt pas vele pagina's later: 'De regering stimuleert het fietsgebruik en neemt maatregelen om het stijgende aantal slachtoffers onder voetgangers, fietsers en motorrijders om te buigen.'
Nu begint er, bij mij althans, een andere indruk te ontstaan. Zouden de onderhandelaars ooit een levende fietser hebben gespot? Die kans lijkt verkeken, omdat in de rest van het Regeerakkoord het vervoermiddel nog slechts in een gemotoriseerde context opduikt:

– 'De regering zal met de betrokken actoren de mogelijkheid onderzoeken om de bestuurders van bromfietsen en motorfietsen te aanzien als zwakke weggebruikers t.o.v. de automobilisten.'
– 'De fiets zal afdoende aandacht krijgen in het multimodaal vervoer. Trein en fiets moeten meer samen kunnen gaan.'


Misschien komt het door mijn literaire verleden dat ik inmiddels mensen liever inschat op grond van hun daden, dus het is zelfs in strijd met mijn eigen voortschrijdend inzicht wat ik nu ga beweren, maar op een of andere manier bekruipt mij een donkerbruin vermoeden dat tijdens deze regeerperiode de fietser 'op zijn honger moet zitten'. Zo heet dat in België. Omdat het bourgondisch is (vanwege een Franse slag)?
Die kleur donkerbruin is vermoedelijk de juiste, in de ogen van een meerderheid. Ik heb ooit eens geprobeerd een balletje op te gooien bij ouders van een buurtschool om hun kinderen per fiets te brengen of desnoods met meer dan de reguliere ene passagier per auto. Daarmee bleek ik me te hebben gedegradeerd tot groene ridder. Of in één woord: tot een ecofascist.
Tezelfdertijd besefte ik toen weer wat voor een maatschappijbeeld de overhand heeft. Men beriep zich op zijn recht de auto te gebruiken. Dit betekende misschien ook dat anderen de plicht hebben om de stank, de onveiligheid en de volgeparkeerde straten rondom te aanvaarden.
Dit alles maakt het extra inzichtelijk kennis te nemen van een recente demonstratie in Letland, dat mij niet direct bekend is als fietswalhalla. Fietsers hadden hun stalen rossen aangekleed met wat extra materiaal, zodat ze voor de duur van het evenement op de weg evenveel ruimte innamen als auto's.
Geen gezicht! Grote zonde! Dito woorden!

dinsdag 7 oktober 2014

Slow metaphor


Naar verluidt gaat België een 'hete herfst' tegemoet. Het zou formateur en CD&V-voorman Kris Peeters geweest zijn die de uitdrukking voor het eerst gebruikte, na de verkiezingen. Sindsdien gaan er allerlei mensen mee aan de haal, die er volgens mij grimmiger bedoelingen mee hebben.
'Hete herfst': ineens besef ik weer waarom mijn liefde voor de alliteratie nooit heel groot geweest is. Maar goed, de term voegt zich – naadloos, wilde ik bijna schrijven – bij vele en vele andere. Ze willen iets duidelijk maken door middel van een afwijkende formulering, zodat de toehoorder aan het denken worden gezet. Ostranenie, noemde Viktor Sjklovski dat namens de Russische formalisten.
Alleen is 'hete herfst' het conformisme ten top. De uitdrukking bevestigt flink taalgebruik zoals zich dat in de postideologie aan het ontwikkelen is. Uit de mond van mensen die geen woorden willen maar daden. Bij hen staat de klok permanent op 'vijf voor twaalf'. Zulke versteende beeldspraak, de ene nog prangender of grappiger dan de andere, doet vooral een appel op het incassingsvermogen.
Misschien wordt het tijd voor een slow metaphor-beweging. Daarvan kan, nu paus Franciscus over de hele wereld zoveel lof oogst, de begeleidende muziek komen van zijn naamgever Franciscus van Assisi. Ten minste voor de duur van een couplet, en uiteraard in de Engelse versie:

Where there is discord, may we bring harmony.
Where there is error, may we bring truth.
Where there is doubt, may we bring faith.
And where there is despair, may we bring hope.

Ik zal maar meteen opbiechten dat ik dit liedje niet zelf heb gevonden, maar van iemand citeer die ik zelf niet direct met ontspannenheid zou verbinden. En om helemaal eerlijk te zijn was het de bioscoopfilm over haar, Iron Lady, die mij wist bij te brengen dat Margaret Thatcher op 4 mei 1979, niet echt in de herfst dus, deze woorden had gesproken bij haar aantreden als minister-president, vlak voor Downing Street nummer 10.
Niet gemakkelijk, zo'n stroom van woorden, en op de historische beelden valt te zien dat ze, hoe vertederend, halverwege een snelle blik werpt op een spiekbriefje.
Allemansvriend Wikipedia weet het natuurlijk weer beter. Hij vertelt dat Thatcher niet Franciscus heeft geciteerd, maar de vertaling van een Franse quote uit 1912 die in 1927 aan de vogelheilige toegeschreven werd. Dat had Meryl Streep er wel even bij kunnen zeggen (dat kan tegenwoordig).
Auteur, imitator, plagiator of wat dan ook, voor de industrie maakt het niet uit. De strofe is terechtgekomen in een hit, om niet te zeggen een anthem, "Make Me A Channel of Your Peace", zowel gecoverd door Sinéad O'Connor als, erg mooi, door Sarah McLachlan.
O ja, de 'hete herfst' beperkte zich in de jaren zeventig niet tot beeldspraak. In haar meest indringende periode, die kan worden opgevat als hoogte- én dieptepunt, had de Rote Armee Fraktion er aanspraak op gemaakt. Variant: 'Duitse herfst'. Dat was in 1977, en er vielen twee doden aan burger- en drie aan activistenzijde.

vrijdag 26 september 2014

L.S.

Het zal wel vakidiotie zijn, maar het lijkt wel of een aanzienlijk (voor mijn part ‘significant’) aantal furieuze reacties op de Septemberverklaring in het algemeen en de bezuinigingen op één post in het bijzonder, dezelfde vorm heeft gekregen: de open brief.
Dit ontroert me. Waarom?
Tenminste is er hoop dat het zin heeft een persoonlijk standpunt te delen. En dat een politicus zich als mens aangesproken kan voelen. Het veelgehoorde verwijt dat er op de Wetstraat blind en abstract dingen worden besloten waar de Dorpsstraat concreet de gevolgen van ondervindt, keert terug in het gezicht van de veroorzaker.
Ook de meest wanhopige open brief voelt even geen kloof tussen burger en politiek, zelfs niet wanneer die kloof wordt aangeklaagd. Zo’n tekst is een gebed.
Een andere reden waarom ik gegrepen ben door al die open brieven, is dat ze dit genre weer even een beetje doen heropleven. Althans, de mogelijkheden ervan blootleggen in zijn meest basale vorm: de brief in een envelop, bezorgd aan de analoge deur. Mijn ouders hebben het meegemaakt dat de postbode tweemaal per dag langskwam, ook in het weekend.
Je hoeft geen met ganzenveren zwaaiende cultuurpessimist te zijn om te vermoeden dat door technologische ontwikkelingen de brief nagenoeg van het toneel der menselijke communicatie verdwenen is. BPost zal daar cijfers bij hebben.
In volgorde van opkomst hebben fax, e-mail, Facebook en sms de brief de nek omgedraaid. Wanneer men het vervolgens betreurt dat het persoonlijke uit de communicatie verdwenen is, klopt dat niet helemaal. De boodschap is soms persoonlijker dan ooit. Alleen wordt er wat minder uitgewisseld – meer weggeslingerd dan met open armen ontvangen.
Het verschijnsel revenge porn is daar een extreem voorbeeld van. En de door een notaris te formuleren ‘sociale media-clausule’ in een huwelijks- of samenlevingscontract het logische gevolg.
Dat er valt te communiceren met één druk op de knop na wat vingerwerk op een smartphone, komt de oprechtheid ten goede, maar heeft ook consequenties voor de afgewogenheid van het dienstdoende betoog. Hoewel ik het stadium van Facebook nooit bereikt heb, staan me van mijn e-mails al exemplaren bij waar ik met afgrijzen aan denk.
Tegelijk besef ik een fanaat briefschrijver te zijn geweest, en daar bijna volledig mee gestopt te zijn na de komst van e-mail. Wel had ik toen al zo’n twintig jaar met grote regelmaat papier beschreven of geprint, in een envelop gestopt, een postzegel erop geplakt, naar de brievenbus gelopen, enz.
Achteraf gezien heb ik mezelf zo de kans geboden allerlei stijlen te ontwikkelen. Met de ene correspondent spreek je nu eenmaal anders dan met de tweede, en behandel je ook andere onderwerpen. Diverse inside jokes kregen hun beslag, roddels, opinies – die al ‘maatwerk’ vereisten voordat deze vakterm bestond. Stijl en woordkeus konden op het zelffeliciterende af zijn, om bij de betreffende persoon aan te komen.
Op dat punt stelden de vele open brieven van de laatste week, hoe verheugd ik er ook over was, me soms toch wat teleur. Het verbaast me op wat voor een uniforme toon er geklaagd en betwist werd. Na de versteende metafoor deed het fossiele spreekwoord definitief zijn intrede.
Voor ik me vanuit mijn bureaustoel – omgeven door boeken, speelgoedbeesten, een kaart van Nederland, een poster van Lenin met boeken en papier en inktpot, een hobbelpaard, een metallic bureau van Gispen, een oranjegeel bureau van Ikea, mikado, een busje Yardley Lavender Talc Powder, familiefoto’s en een thermoskan – alsnog een ouwe zeur ga voelen uit een generatie die nog vol aan de slag behoort te zijn, in ziedende haast naar een koppel berichten uit mijn geboorteland.
In Dordrecht is een zogeheten veelschrijver civielrechtelijk gegijzeld. In plaats van de 440 die hij dit jaar al op de teller heeft, mag hij per maand nog maar 2 brieven naar de gemeente sturen (die wettelijk verplicht blijkt om erop te reageren). De strijdlust van de man was na het vonnis ongebroken: ‘Er zijn meer wegen die naar Dordrecht leiden.’
Onrustbarend leek me een noodkreet van de VPRO-gids. De fameuze rubriek Achterwerk raakt niet langer vol. Kinderen hebben er sinds 1976 legendarische brieven gepubliceerd over hun belevenissen en ervaringen. En nu sturen ze niet meer in, zelfs geen e-mails?! Tezelfdertijd schijnen Facebook en WhatsApp ook voor hen onverminderd populair te zijn.
Wat is de status van een tekst of schrijver, wanneer die niet buiten eigen kring komt? En aan wie moet die vraag worden gesteld? Kwatongen beweren dat God nu al overuren draait.

maandag 22 september 2014

Kan Wilders gelijk hebben?


De zwartepietenwet die Geert Wilders in voorbereiding zou hebben om de Nederlandse cultuur te beschermen (en kinderen te vrijwaren van ouderlijke betweterij), smeekt bijna om lacherigheid, in angstige afwachting van een gebed zonder einde.
Het was ook niet niks dat de publieke opinie vorig jaar gestadig deed overkoken. Het bewerkstelligde dat een mensenrechtenprofessor van de Verenigde Naties het racistisch percentage van Zwarte Piet becijferde en, met haatmail tot gevolg, uitkwam op slavernij. Of dat er compromispiet ontworpen werd, uit wie het meeste roet was gefilterd, en die toen meer leek op een Antilliaan, Marokkaan of Turk. Of dat tegenstanders een bodemprocedure hadden aangespannen, nadat een ‘voorzieningenrechter’ het verzoek om een verbod van de Sinterklaasintocht had verworpen. Wat hij volgens zijn collega ‘bestuursrechter’ niet volgens de regels van de juristenkunst had gedaan, omdat Zwarte Piet wel degelijk zou leiden tot een negatieve stereotypering van ‘de’ zwarte mens.
Wat gebeurt er nu? Een run op Sinterklaasspeelgoed, waarin Piet nog in volle incorrecte glorie valt te bewonderen. De reden van dat gedrag kan met een dito generalisering oer-Hollands heten: als collector's item kan zo’n ding geld in het laatje brengen.
Mij enerveert dat dit debat zich voegt naar vele andere: de jij-bak regeert. Ditmaal ervaren beide partijen in elkaars houding en argumentatie ‘paternalisme’. In hoeverre daar reden toe is, ontgaat me. Maar niet dat bij voorstanders van een verbod op Zwarte Piet, omwille van een overtreding van een universele wet, een zeker fanatisme valt te ontwaren, met een slinkende voelspriet voor humor.
Geloofwaardigheidshalve zijn ze ook in het nadeel, omdat ze nog al eens in de plaats van een ander spreken en oordelen (dat die wordt gediscrimineerd). Bijna logisch dat mensen met zulke nobele intenties vroeg of laat worden teruggepakt. Tegenwoordig, door de snelle beschikbaarheid van gegevens, is dat een koud kunstje. Zeker wanneer er, zoals bij de Sinterklaassaga, vermoedens van subsidie rijzen.
Wat is dan de misdaad van mensen die het beste voorhebben met de mensheid? Denkelijk: dat ze beter weten wat fout is dan wat goed. De tragiek is dat ze dat gemeen hebben met hun schandobject, die spreekt namens Henk en Ingrid en dezelfde instrumenten hanteert: verbieden, beledigen, vernederen.
Wilders’ wet wordt verworpen voordat hij hem heeft toegelicht. Nog heikeler is dat hij zich beroept op wat hij opvat als de cultuur van zijn geboorteland. Ludo Abicht, die zelf een parcours heeft afgelegd van de KP-Vlaanderen tot de Gravensteengroep, voelde het volgens mij correct aan toen hij onlangs stelde dat hoogopgeleiden in een kramp schieten wanneer er iets regionaals of nationaals wordt gecelebreerd. Ze zien dan ineens niets anders meer dan Bokrijk.
Sint en Piet hebben in de recente cultuurgeschiedenis evengoed een opmerkelijk parcours afgelegd. Ik denk aan een bij uitstek links en correct duo als Miek & Roel, die in 1970 het nummer ‘Omtrent Sinterklaas’ uitbrachten.

Zie ginds zit ex-sinterklaas, hij weent als een kind
Hij heet nog wel Nikolaas, maar hij is niet meer sint
Hij is tot z'n spijt z'n heiligheid kwijt
(…)
U weet toch, de sint die loopt altijd in ’t rood
Is dus communist en zo links als de dood
En hij wordt vast door Moskou of Mao betaald
Want waar heeft hij anders z'n speelgoed gehaald?
(…)
U weet toch, de sint draagt een baard en lang haar
En werkt bovendien maar één dag in het jaar
Hij is dus een beatnik of een anarchist
Een hippie of provo of idealist
(…)
U weet toch, de sint heeft als vriend zwarte piet
Da's iets wat de oud-koloniaal niet graag ziet
Piet heeft vast een kaart van Black Power op zak
En zeg nou maar zelf, wie wil dat op z'n dak?

Sint was hier dus links, in een tijd dat dit ‘langharig werkschuw tuig’ heette.
Miek & Roel vertrokken van de regel ‘Zie ginds komt de stoomboot’. Daar hebben Paul Passchier en Thedo Keizer nu een versie van gemaakt die de zwarte mens minder moet knechten. Met name het rijmpaar ‘Zijn knecht staat te lachen en roept ons reeds toe / Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe’ bleek onacceptabel. Het is vervangen door:

Kijk, Piet staat te lachen en roept naar de kant:
'Ik heb genoeg lekkers voor heel Nederland!'

Treurig. Blijheid gevuld met stoplappen. Dat de oorspronkelijke regel foetsie is, heeft voor mij een onhandig gevolg. De openingsalinea van mijn essaybundel Laden en lossen verwees naar het zoet versus de roe. Binnen één decennium is dat boek definitief historisch geworden en behoeft het een verklarende noot. Mogelijk zal ‘lekkers’ op termijn even onbegrijpelijk zijn, omdat het verwijst naar snoepgoed terwijl Nederland onderhevig blijkt aan nieuwe eetpatronen. Anders dan het Pieten-probleem doet vermoeden, is de parameter hier niet gezondheid maar snelheid. Biefstuk met wijn in ‘Nederlands-Franse restaurants’ sneefde onder een afhaalpizza of een shoarma.
Samen met 24 andere herschreven liedjes moet de stoomboot meevaren in de bundel Sinterklaasje, kom maar binnen met je Piet. Wat een titel… In dat genre geef ik de voorkeur aan Kom met je waldhoorn tussen mijn Alpen.
Op hun beurt zullen Wilders-sympathisanten niet vrolijk worden van het feit dat dit boek nog dit jaar op alle basisscholen moet worden verspreid. Daar ruiken ze alweer subsidie. Maar de procedure is zoals de VN-werkgroep uiteindelijk aanbeval.
Is er uitkomst, antwoord, verlossing? Ik meen dat het blanke bibliotheekmedewerkers waren die aan het eind van de twintigste eeuw weigerden De Artapappa’s van J.B. Schuil uit te lenen, omdat twee kaffers uit Transvaal in dat jeugdboek uit 1920 racistisch zouden zijn beschreven. In dat waargebeurde verhaal (over een multiculturele vriendschap tot in de dood) betonen zij zich onder het uitslaken van kreten als ‘Oeloepoe hier ik ben’ fameus atletisch en de conclusie luidt ongeveer dat goed en kwaad gelijkelijk is verdeeld onder blanken en zwarten – maar een aangrijpender boek staat me niet direct bij.

zondag 14 september 2014

Pudor sinister

In welk tijdvak waren the good old days? Zijn er sectoren waarin ze al dan niet voortleven?
Als het gaat om reclame, lijken de tijden definitief veranderd. Het houterig tonen van een product onder het slaken van een slogan? Misschien alleen als pastiche. Het zou ook al te mooi zijn wanneer de Wikepedia-overlevering een vervolg krijgt: ‘25 juni 1945. De Nachtwacht arriveerde via een binnenschip in Amsterdam. De toenmalig directeur van het Rijksmuseum viel toen boven op het schilderij. Hierdoor ontstond geen schade.’ (Niet dat Rembrandts beroemdste werk reclame nodig had. De vader van de directeur, Arthur van Schendel, wijdde aan dit oer-Hollandse fenomeen dan ook geen boek.)
Ook de meneer in laboratoriumjas die objectief bewijst dat zijn product het beste is, belandde in de kantlijn van de geschiedenis. Het was zeer verhelderend wat Roland Barthes daar een halve eeuw geleden over schreef. Bijvoorbeeld bij een wasmiddelreclame: dat anders dan bij chloor en ammonia ‘het vuil wordt verjaagd, niet meer gedood’. Dat waren nog eens witwaspraktijken! De arcadisch gepresenteerde reinheid, stelde Barthes, ging uiteraard gepaard met vernietiging van de chemisch geïmpregneerde stof. Maar vermoedelijk hoeft dat geloof nu niet meer te worden ontmaskerd.
Sowieso komt reclame inmiddels tot voor de neus en zorgt voor dilemma’s. Opfloepende pop-ups kun je met wat muissouplesse nog wegklikken, maar is het slim om bij zelfpromotie en spam in te gaan op het aanbod dat je je kunt uitschrijven? En moet je akkoord gaan met nieuwsbrieven volgens opt-in / opt-out? Wat met al die eerder onrustbarend dan geruststellend ogende informaties over cookies?
In mijn vak van de literatuur bestond al een tijd het type aanprijzing dat een auteur, zeker een debutant of een jongere, ‘de nieuwe xxx’ is. Gelukkig werd geen exacte kopie bedoeld, maar een richtingwijzer, zodat er een zekere orde ontstaat in het aanbod. Bij Amazon en andere webshops is deze idee gestandaardiseerd. Bij elke titel staat een rijtje boeken dat verwant zou zijn.
Door de automatisering ontstaan ook in de analoge wereld andere reclamepatronen. Na een donatie blijken Artsen zonder Grenzen ongeneeslijk obstinaat, net als Animal Rights Watch. In vergelijking komen Jehova’s aan de deur beleefd en begripvol over.
Tot slot is er het lichaam. Politiek filosoof Michael J. Sandel gaf kennis van het bestaan van met reclame getatoeëerde nekken.
De houdbaarheid van het lichaam werd onlangs getoetst in een reclame van een nationale fitnessclub. Daarin legt Marouane Fellaini in de hal van een vliegveld uit waarom passanten, terug van hun vakantie, fit zijn of niet. De ster van de Rode Duivels is daarbij goed gecast. Als international komt hij overal; het vliegveld is een decor dat hem ligt. En als topsporter weet hij precies hoe het lichaam op peil te houden.
Toch is de reclamespot in het verkeerde keelgat geschoten. Zwaarlijvigen voelden zich dermate gekrenkt dat het woord ‘discriminatie’ toch maar weer eens viel. Er kwam tekst op van een Jury voor Ethische Praktijken inzake Reclame, aka de reclamewaakhond. Hoewel vrijspraak volgde, bleef het de vraag of de flauwe of desnoods mislukkende humor – die mij als verschijnsel triggert – zo aanstootgevend was.
Er werd vaak opgemerkt dat Fellaini barslecht Nederlands laat horen. Dat greep me aan. Tegelijk vind ik die reactie van mij vreemd, want Fellaini’s voormalige collega’s René en Willy van de Kerkhoff maakten ooit reclame voor Bolletje beschuit waarin ze hun Helmondse roots niet verheelden. En in de fitnessreclame spreekt een blondine met een Limburgs accent dat me koud laat.
Wat mankeert me dan? Ik heb het even aan mijn persoonlijk kwakzalver gevraagd: linkse schroom (pudor sinister).
De in Etterbeek geboren Fellaini is een toonbeeld van profijt uit de multiculturele samenleving. En nu blijkt hij even competent Nederlands te praten als ik Frans! Is dat erg?
In dit soort kwesties rijst geregeld de kritiek op eurocentrisme: dat men louter over de ander praat, en hem nooit een eigen stem geeft. Dat is bij Fellaini echter wel gebeurd. Al doet hij dat in een scenario van derden en gesticuleert hij inderdaad houterig.
Is dan het pastiche-idee van tel? Deze mogelijkheid heb ik tussen de comments op de reclame vaak aangetroffen – en ik moet bekennen dat ze me telkens een beetje ergerden. Dat het spotje zo slecht was, dat het hilarisch werd en zo: zulke frases getuigen volgens mij van minachting en superioriteit.
Ook de rationalisering dat Fellaini zich hopelijk vorstelijk voor zijn optreden heeft laten betalen en dat een eventuele afgang verdisconteerd is, vergoedt niet alles. Dat zou betekenen dat economie de eerste en laatste beweger is.
Tekortschiet verder de vaststelling dat er een groot verschil is ontstaan tussen mondeling en schriftelijk taalgebruik. Om allerlei beleidsmatige en technologische redenen praat de homo sapiens inmiddels aanmerkelijker vlotter dan dat hij stileert. Maar wat verhelpt zo’n nuance aan dit specifieke geval?
Plots schoot me deze optie te binnen: Fellaini dribbelt met de kijkers- en makersverwachting en doet alsof hij er niets van kan! Maar die hypothese loopt vast, want op YouTube vind ik geen filmpjes waar hij Nederlands spreekt. Ook begin ik dan bedenkelijke bokkensprongen te maken, alsof ik een bepaalde werkelijkheid niet accepteer. Terwijl Barthes met zijn analyses nota bene beoogde het begrip schriftuur te laten zien: ‘een taal die ten doel heeft de normen en de feiten te doen samenvallen en aan de cynische werkelijkheid de rechtvaardiging van een edele moraal te geven’.
Dus stel nu, dat Fellaini spreekt zoals hij spreekt. Dat hij met de reclame projectieschermen wegtrekt, onder het motto FYI (waarvan de populist in mij lang heeft gegokt dat het Fuck You Intellectuals betekende). Dan zou hij een bewonderenswaardige demonstratie van zelfrelativering aan de dag hebben gelegd. En een lange neus trekken naar beleidslui die aan inburgering of aan allerlei praktische beslommeringen de beheersing van een landstaal eisen.
De nieuwe voorzitter van de Europese Raad, uit Polen, spreekt Engels noch Frans. Is dat een goed voorbeeld, dat doet volgen?

dinsdag 2 september 2014

Leraren, vogels, paarden


Bij de start van het nieuwe onderwijsseizoen zijn de apocalypsen in vertrouwde hoeveelheid komen aanrollen. Ik besefte een tijd terug een film te hebben gezien, waarin de klas inderdaad de hel op aarde was. Dat is in Kes, het debuut van Ken Loach uit 1969. Een schooljongetje wordt omspoeld door dermate veel ellende, dat je als kijker geneigd bent hem door het scherm naast je op de bank te trekken en hem stroopwafels te voeren die gedoopt zijn in warme chocomel.
Gelukkig heeft hij een adembenemend goede leraar. Die vraagt tijdens een les over ‘fact and fiction’ aan het jongetje een verhaal over zichzelf te vertellen. Eerst wil hij niet, gewend als hij is dat anderen voor hem praten, maar als de leraar het lot van zijn klasgenoten aan het verlangde verhaal verbindt, begint het jongetje te vertellen over zijn valk.
De klas raakt geïntrigeerd, de leraar ook en wel zodanig dat hij zelf komt kijken hoe het jongetje met de valk omgaat. De rillingen lopen over je rug, zo mooi. Dat kan dus niet goed gaan. Nu is er over het algemeen weinig rechtvaardig op de wereld, maar wat in Kes gebeurt is godgeklaagd. Wat een film! Het jongetje zelf krijgt geen enkele aandacht. Hij heeft een moeder zonder man, en een soort broer die kwelgeest is.
Het jongetje voedt de valk op aan een lijn, die hij dan weer laat vieren en dan weer aan trekt – een ouder in spe.
Het beeld herinnerde me aan twee andere films, waarin de school eveneens een rolletje speelt. In 4 Havo, een klas apart, de VPRO-documentaire van Maarten Schmidt en Thomas Doebele uit 1992, zit een legendarische scène over een leerlinge op wie elke redelijke leraar het liefst meerdere zwepen der wraaks tegelijk zou laten neerkomen. Het meisje wordt dan gefilmd in haar eigen omgeving, bij een manege geloof ik, waar ze vertelt over hoe ze haar paard behandelt: ‘Strak houden, anders komt er niks van terecht’.
De andere film is ook een documentaire. Benoît Mariage vertelt in Michel Stree, Une âme chevaleresque uit 2007 over de Waalse adolescent-kaper van de bus met schoolkinderen in Vielsalm, die als eis had om voor de radio een verklaring tegen onrecht en ongelijkheid af te leggen. Heden verzorgt hij in een steengroeve vogels en bet wondjes in hun poten.
Aldus blijkt de vader het kind van de man. Als zevenjarige vond hij langs de weg een gewonde vogel, die hij meenam naar de klas. De meester zei dat hij hem moest verzorgen, maar toen de vogel een kraai bleek kwam het advies het dier te doden. Maar de jongen genas de kraai en het beest bleef acht jaar bij hem tot het stierf van de ouderdom.
Over, amen, uit. Of wat is nu de openbaring (die een les kan zijn en een straf)?

dinsdag 26 augustus 2014

So true, baby


Over problemen voor een dj die al jaren draait onder die naam, haar eigen trouwens, is mij niets bekend, maar een identiek geheten antiquariaat dat sinds 1984 bestaat was het haasje. De meest hilarische treurigheid viel ten deel aan een lingeriebedrijf dat, ongetwijfeld na lange voorbereiding, een campagne had gelanceerd voor een nieuwe lijn die Isis heette. Dat bleek not done en leidde zelfs tot de onvermijdelijke excuses.
Tja, de naam komt overeen met de afkorting waaronder de kalifaatsbeweging opereert die haar zendingsdrang nogal kracht weet bij te zetten. Toch valt bij dat gekneusde feit niet te loochenen dat die beweging pas sinds dit jaar echt in het nieuws is – en dat ze de afkorting inmiddels bekort heeft tot IS.
Bovenal bestond Isis al een tijdje. Het lingeriebedrijf kon echter sputteren wat het wilde door naar de vruchtbaarheidsgodin uit de Egyptische mythologie te verwijzen.
Volgend medium beter. IS(IS) heeft ook de reputatie als geen ander de kracht van sociale netwerken te exploiteren.
Vlak voordat ik ging ‘studeren’, publiceerde Kees Fens een column waarin hij als hoogleraar er zijn verbijstering over uitsprak dat zijn studenten amper op de hoogte waren van de meest basale gegevens uit de Bijbel. De vakterm ‘kerstening’ was, als ik me Fens’ voorbeelden goed herinner, al helemaal duister.
Dik dertig jaar later maakt het gevoel zich van mij meester dat de toenmalige hoofdverdachte, de popcultuur, ook steeds meer annotatie behoeft, ironischerwijs vanwege de vrije val van een ouder communicatiemedium, papier.
De loop der dingen, vadertjes en moedertjes. Och ja, er valt te websurfen, maar kennis zonder ervaring drupt door het spiraalmatras van de werkelijkheid.
Het wordt een kwestie van tijd dat ‘When I’m Sixty-Four’ van The Beatles een toelichting moet krijgen:

Will you still be sending me a Valentine
Birthday greetings (…)?

Zouden die verklarende regels in een posting komen? Of is er te zijner tijd zo’n stroomtekort dat we allemaal weer met een roestige spijker in kleitabletten peuren, lekker authentiek ook?
Stomtoevallig stuitte ik op een papieren exemplaar van de Financial Times, mooi eigenlijk, met twee formaten. Er was iets te lezen over de onthoofding van journalist James Foley. Dit weinig appetijtelijke evenement mag virtueel verbreid heten, ware het niet dat het buitenstaanders zijn die daar met een muisklik voor zorgen.
Inmiddels blijkt het filmpje ten prooi gevallen aan de secuurste onderzoeken, met uiteraard de bloedballistisch verantwoorde optie dat het een enscenering was.
De Financial Times plaatste slechts de kanttekening dat internet een publiek domein blijft. Dus dat wanneer ISIS een ‘unauthorized copy’ van Beyoncé had verbreid, de video binnen een mum van tijd van het web zou zijn verwijderd. Met de rekening?

dinsdag 19 augustus 2014

Morgen misschien


De draagkracht van de planeet hangt samen met het gebruik ervan. Flora en fauna beroepen zich op de rijkdom van het hen omringende en putten eruit voor hun leven en welzijn. Daarbij is het natuurlijk vooral de mens die raad weet met het bereiken van zijn doelen. Maar pas in de jaren zeventig drong het besef door dat er bij deze bezigheid zoiets bestaat als de korte termijn en de lange termijn.
De aarde moet herstellen van het beslag dat op haar gelegd wordt. Voor dat talent bestaat de term “regeneratieve capaciteit”. Ze staat één dag per jaar openlijk ter discussie. Op Earth Overshoot Day wordt duidelijk hoeveel de mens heeft geconsumeerd ten opzichte van wat zijn planeet aankan. De aarde moet immers grondstoffen in voorraad hebben en CO2 weten te absorberen. Dat daarbij zogeheten kritische drempels werden overschreden, daaruit bestond genoemd besef in de jaren zeventig. De Earth Overshoot Day 2014 beweert dat de mens van 20 augustus tot 31 december op krediet leeft. In 2000 begon deze periode nog op 1 oktober.
Misschien typeert zo'n handelwijze de homo sapiens, omdat hij ermee boven zijn stand kan leven. Daar bestaan prachtige romans en gedichten over, die een drijfveer blootleggen: altijd meer willen of, zoals dat in bepaalde kringen heet, stilstaan is achteruitgaan. De Bijbel is goed en wel begonnen of Eva plukt na de lunch een giftig appeltje, het vliegtuig was nog ondenkbaar en Phaëton stortte in de mythologie al neer met vleugels van was.
Uit die ervaringswetenschap is de nodige apocalyptiek voortgekomen. Ze doemt bij tijd en wijle op, en de aanleiding blijkt dan slechts een primus inter pares. In België is het bijvoorbeeld sinds de uitslag van de verkiezingen op 25 mei al hommeles met het humeur van velen. Sinds kort is er een Vlaamse regering en de federale regering op Zweedse leest in de maak, maar inktzwarte meningen over hun voornemens en beleid ontbrandden op de verkiezingsdag zelf.
Nadat op 5 augustus een kernreactor in Doel stil werd gelegd, kon die grafstemming er naadloos in geprojecteerd worden. Ik bedoel niet dat de demissionaire regering en de beloofde regering elkaar met de vinger wezen over genomen en te nemen maatregelen. Intrigerender dunkt me dat bij nieuwe wederwaardigheden over de oorzaak van het mankement ook hier steeds een datum verschoof, zij het de andere kant op. Augustus werd september werd najaar werd winter – als ogenblik dat de reactor weer functioneert.
Deze kwestie wordt overstemd door iets wat prangender blijkt: hebben we komende winter wel voldoende stroom? Ironisch genoeg behoort in de boycotactualiteit België, met Nederland, tot de weinige landen in Europa die niet hard getroffen worden door eventuele machtsoprispingen bij Poetin over een alternatieve warmtebron: aan gas zal er geen gebrek zijn. Gelet op ontwikkelingen in het klimaat hoeft de winter in West-Europa sowieso geen angst op te roepen voor kou.
De onrust betreft dan ook niet zozeer de verwarming van woon- en werkkamers. Helaas, zou ik menen, gelet op het gerenommeerde energieverbruik van Belgen. Grootste besogne is of, in de breedste zin van het woord, ons productiepeil gehandhaafd kan blijven. Uiteraard kan er stampij worden gemaakt over het functioneren van 'de industrie' of van 'het bedrijfsleven'. De zonder twijfel geheel geautomatiseerde distributie van goederen zal evengoed schade ondervinden. Allicht gaat het verder over 'beveiliging', desgewenst tegen 'terrorisme'.
Er vallen basalere plekken te bedenken die van stroom afhankelijk zijn. Ziekenhuizen bijvoorbeeld. Of het onderwijs, waar de computer als leermiddel een centrale rol is gaan spelen. Soms valt het amper te geloven dat dit een recente ontwikkeling is. Ik herinner me uit mijn studieperiode een 'cataloguszaal', een ruimte ter grootte van een voetbalveld die gevuld was met fijne kaartenbakken waarmee de boekencollectie ontsloten was; één beeldschermpje volstaat allang om de gezochte titel op te diepen. Wel is er elders plek nodig om al die gegevens te bewaren, op ontzagwekkende harde schijven.
Toch is ook dat een fractie van het verhaal. In hoeverre hangt namelijk ons dagelijks leven af van stroom? Hoeveel mensen staan nog op na het geklingel van een mechanische wekker? Lollig aan de Earth Overshoot Day kort na Doel 4 is de herinnering dat consumeren meer is dan inkopen en uitgeven. Die evidentie vergeten we met onze levensstijl. Maar hoe zou een doorsnee dag in West-Europa verlopen zonder twee fundamentele stroomslurpers: computer en smartphone?
Iets ontologischer misschien: bestaat er een leven buiten Facebook? (Het optreden van koning Willem-Alexander op de tribune bij de Olympische Winterspelen in Sotsji doet vermoeden van niet: wanneer hij op onbewaakte momenten niet aan zijn gsm friemelde, stak hij zijn duim wel op naar een zonder uitzondering goed presterende sporter.)
Ik waan me Methusalem als ik denk aan stroomuitval. In mijn herinnering was dat business as usual. Op elke kamer in huis lagen kaarsen, voor het geval dat. En omdat het sociaal geaccepteerd was dat bijna iedereen rookte, tot op de badkamer, waren er altijd lucifers en aanstekers bij de hand om de kaarsen aan te steken. New York in de protestjaren is een notoir voorbeeld dat er bij stroomuitval van alles gebeurt – waarvan soms negen maanden later de uitbetaling volgt.
Mooi toch? Ik zal wel weer een arrogante Hollander zijn die vindt dat met name Belgen de Earth Overshoot Day in het verlengde mogen interpreteren van Doel 4. Bijna geen ander land ter wereld heeft zo'n joekel van een ecologische voetafdruk als België. Tegen een verwant klinkend fenomeen als Tax Freedom Day vallen allerlei ideologische bezwaren aan te voeren. Maar zelfs de meest oneerlijk berekende Earth Overshoot Day kun je nog zien als 'opportuniteit'. En dan wordt het defect in Doel 4 een investering. Voor de lange termijn.

maandag 11 augustus 2014

Tabula rasa


De voorstelling was ‘voor grote en kleine mensen vanaf 7 jaar’ – een geweldige aanleiding om er een date met het taalkundig genie van te maken.
Het begon goed. Er waren diverse personages, die grappig oogden en hun gezichten met verf bestreken. Ook had het stuk een voice-over. Die kent het taalkundig genie als verteller uit sprookjes, om het haardvuur van de suspense op te poken. Dat genre stond in de aankondiging zelfs vermeld, net als het onderwerp dat het pedagogische hart warmer had doen kloppen: ‘over een kind dat opgroeit zonder kans om terug te keren naar haar land’.
Het beluisteren van de stem werd bemoeilijkt door twee percussionisten. Vooral was het taalkundig genie in de war doordat de personages zelf zelden spraken. Ze zongen bijna voortdurend, zij het zonder woorden, melismatisch, terwijl er op aanpalende schermen natuurbeelden werden vertoond en gezichten.
Telkens gebeurde er iets. Of preciezer: verrichte een personage op een andere plek van het prachtige decor een handeling. Telkens gaf het taalkundig genie dan een exacte verwoording van wat ze zag, gevolgd door de vraag ‘Wat betekent dat?’
Terwijl de eerste kinderen, ogenschijnlijk beschaamd voortgedreven door hun ouders, de zaal begonnen te verlaten, werd er een rookmachine in werking gezet. Het taalkundig genie begon te zwaaien. Natuurlijk kreeg ze de rook, die trouwens voorbeeldig werd uitgelicht, niet weg. Ik streelde haar hand.
Haar vraag bleef dezelfde, maar nam in frequentie af. Ze ging op mijn schoot zitten. Het leek alsof het toch al volwassen volume van stem en percussie en zang toenam. Het taalkundig genie stak haar vingers in de oren. Ik wachtte op het moment dat ze een andere vraag zou stellen. Die kwam, vrij laat: ‘Mogen we weggaan?’
Voorbeelden te over.
Niemand zat verder van de uitgang dan wij. Ik suggereerde haar om te proberen een beetje te slapen en spon mijn ledematen tot verlegenheidscocon. Dat lukte niet. Net toen ik vermoedde dat de afschrikking totaal was geworden, hield de voorstelling op. Er steeg een daverend applaus op, waaraan het taalkundig genie enthousiast meedeed.
Wie van de organisatoren had verzonnen dat 7 jaar een passende instapleeftijd was voor deze vertoning? Of beter nog: wat was de reden?
Al gissende rest mij een citaat uit Hazepeper, van Charlotte Mutsaers:

‘Ik heb kunstenaars die in hun Manifesten het kind op de troon zetten altijd een beetje gewantrouwd. Als je zelf nog stevig verankerd in de kinderwereld staat (onontbeerlijk voor een kunstenaar) waarom zou je dan in godsnaam allerlei vruchteloze pogingen gaan ondernemen om anderen op hetzelfde spoor te zetten? Bovendien is het ene kind het andere niet en een mediocere kindergeest levert even weinig huzarenstukjes af als een mediocere volwassen geest. Zou het sommige kunstenaars die geen enkele culturele poot hebben om op te staan, niet verdraaid goed uitkomen om zich met het "pure" kind te vereenzelvigen dat nog niet "bedorven" is door kennis? Fatale achterstanden opgelopen door gebrek aan intelligentie, een bescheiden opleiding, een gering temperament, een matig milieu en vooral een minimale artisticiteit: in één klap doe dat er allemaal niet meer toe, want je bent tenslotte domweg kind. Ja, kras en klodder en schrijf maar raak op je tabula rasa, het is altijd goed.’

Klinkt gedecideerd, en voor sommigen misschien blasé. Toch wil ik achter de rug van een derde niet beweren dat de voorstelling slecht of pretentieus was of wat dan ook. Ik kon er namelijk geen mening over hebben, omdat me bijna vanaf het begin duidelijk was dat kinderen er niets bij te zoeken hadden. Derhalve besprong mij een onbedaarlijk soort identificatiedrift die mijn ogen en brein liet wegslurpen door de dochter. Te veel vader voor een mening?
De gewoonte is notoir bij kinderen allerlei eigenschappen te ontwaren. Kinderlozen doen daar evengoed aan mee. Bijvoorbeeld door te stellen dat de slab een verstelde stropdas is.
De meest voorkomende reflex is vermoedelijk kinderen te idealiseren in de zin dat ze inderdaad “ontvankelijk” zouden zijn. Dat maakt hen in mijn branche tot aantrekkelijke leveranciers. De reden dat een gedicht van mij ooit zowaar in een aangevulde versie van Gerrit Komrijs bloemlezing werd opgenomen, moet door diens diagonale leeswijze in de slotregel liggen: ‘De wereld is zo vreemd wat de bewoners betreft.’
Dat was dus een citaat, en niet van een leeftijdsgenoot.
Er zijn bedrijven die dergelijke diepzinnigheden onder mails zetten, als bewijs van hun goede bedoelingen. Daartoe is de verleiding dus groot, onomstotelijk in elk geval voor mij. Goddank was ik al gestopt met dichten toen het taalkundig genie meedeelde dat de maan op alle landen schijnt behalve aan de omgekeerde wereld.
Over haar heb ik trouwens wel een mening. In deze posting regeert echter de vraag waar de grens ligt van het projecteren.
Terwijl het Gazadrama in volle hevigheid woedde, verzocht Amazon aan de Franse uitgever Hachette, met wie de gigadistributeur tijden een in steeds geruchtmakender wordend conflict is verwikkeld, op te houden om auteurs ‘te gebruiken als menselijk schild’.
Enfin, daags na de voorstelling gaf het taalkundig genie op haar knieën, samen met de gourmande die behoorlijk moest rekken en strekken, een vingerpoppenkastperformance, achter de bank. Het scenario was in een uurtje door een conclaaf gerealiseerd. Er kwam een prinses in voor, en een prins en oneindig veel dieren. Volgens een andere aanwezige ouderlijke deskundige hadden de jongedames zich voor de ontwikkeling van de plot laten inspireren door het oeuvre van hun papa.
Deze was onder de indruk van de buiging die het tweetal onder daverend applaus maakte. Handen ineen, een zwiep omhoog en dan de kruin tonen aan het publiek. De papa herkende deze beweging uit de zeer recente westerse geschiedenis.

zondag 3 augustus 2014

Verschijningen, verdwijningen


Dus er is intussen een Vlaamse regering! Ook weer geen daverende verrassing, maar ik had in de webloosheid vermoed dat er toch wat van naar het buitenland zou doorsijpelen. De informatie die de Duitse en Nederlandse teletekst loslieten, ging ampel over de Gaza-kommer en dat andere ondraaglijke van hier tot Australië.
‘Heer, mijn hert is boos en schuldig’? Wel wil ik niet beweren dat vakantie het alledaagse relativeert.
Ook passeerde ik vele malen in mijn leven een verkeersbord dat waarschuwt voor overstekend wild, maar vorige week, nog voor mijn vijftigste, mocht ik daadwerkelijk een hinde, twee zelfs, de weg zien overgaan. Springen eigenlijk. Misschien was het mijn prettige verbazing dat er buiteniconische werkelijkheid bestaat, die de indruk wekte dat het om kangoeroes ging.
Voor de vakantie was er een brief gekomen volgens welke de leeftijd van zeven jaar ideaal is om zich met eenvoud en oprecht geloof open te stellen voor de liefde van God. Door daar een kruis over te trekken, kwam mogelijk het gedicht ‘Feitelijk ongezegd’ van Atte Jongstra in de praktijk:

Feitelijk kwam alles hier op neer: hij sprak er niet
over, hij was niet in staat het te doen.
Ik moest het zeggen. Wat ik niet wist viel me
moeilijk, ik kon mij niet herinneren waar het was,
wie het verteld heeft, hoe en wat het was precies.

Hij wist het zelf niet: wat moest ik dan vertellen?
Hij verzekerde dat alles waar was, als hij maar
in staat was om het natuurlijk op te zeggen.
Daar kan ik niet over oordelen.
Ik houd me liever op een afstand.

Feitelijk veranderde er niets in zijn
niets vertellen, feitelijk niet. Hij sprak almaar
nergens over en nu ik liever op afstand gehouden
mij niet herinneren kan waar of wie, hoe en wat
alles was, valt me moeilijk anders te zeggen dan
dat hij niet tot spreken in staat was,
dat alles onbesproken bleef.


Ten slotte, zou ik de enige zijn die hummelt met knoploze wastafels in restaurants en hotels? Met kranen waar door handbewegingen op onbekende hoogten water uit moet gaan stromen? Bij zulke innovaties lijkt de verschijning verrekend in de absolute verdwijning (van de epistemologie).
Overigens dunkt me de opmerking van de kakelverse Vlaamse minister dat cultuur tot niets dient een waarheid als een koe. Dit kan een kracht zijn, haaks op de rijrichting.

vrijdag 11 juli 2014

Riedeltje


Wow. ‘Van de drie idealen van de Franse revolutie – vrijheid, gelijkheid en broederschap – benadrukken Amerikanen steeds weer het eerste en Europeanen steeds weer het tweede, maar alleen het derde verwijst naar opname in de samenleving, vertrouwen en gemeenschapszin.’ Het citaat zwerft reeds een tijd door mijn gestel, terwijl de brontekst alweer verzonken lijkt. In tegenstelling tot mijn leesaantekeningen.
Frans de Waal begint Een tijd voor empathie met de vaststelling dat wij er nooit zouden zijn geweest wanneer onze voorouders altijd onderling hadden gestreden. Natuurlijke selectie door de eeuwen heen ziet hij plaatsgrijpen op basis van empathie, gelijk oplopend met ouderzorg. Moeders die de nood van hun baby’s negeren, droegen geen genen over. En dieren die er niet om bekendstaan veel rekening te houden met hun soortgenoten, zoals bavianen dat zouden zijn, leven in ‘een aanhoudende angstdroom’. Daartegenover komt De Waal op de proppen met de gelukkigste mensen ter wereld, naar verluidt de Denen, die een ongekend vertrouwen in elkaar hebben. Hun fortuin noemt hij sociaal kapitaal.
Met het idee van bittere concurrentie zijn volgens De Waal vooral economen en politici aan het projecteren geslagen. Hij noemt de verhoogde sterfkans bij partners wier echtgenoot net overleden is. Dat risico duurt een halfjaar en is groter voor mannen dan voor vrouwen – mannen hebben bovendien de genetisch bepaalde eigenschap schadenfreude te beleven bij zichtbare tegenslag van vijanden, die vrouwen nog altijd noopt tot medeleven.
Er blijkt een spreekwoord te bestaan: ‘Als je een “altruïst” krabt, zie je een “hypocriet” bloeden.’ Maar toevallig is het inmiddels niet eenvoudig een huid te penetreren; gekleurde inkten zullen ook een coating zijn, tegen kwetsing en bijgeloof.
Past het reveleren van zo’n citaat bij uitstek op deze plek? Ongewild laat De Waal zien dat de Vlaamse burgermeester die foto’s en aantijgingen jegens ongehoorzame burgers op zijn blog publiceerde, in een traditie werkt die bij Enron grote hoogten bereikte. Dat bedrijf huldigde Milton Friedmans adagium ‘Weinig tendensen kunnen de grondslagen van onze vrije samenleving zo diepgaand ondermijnen als de acceptatie door managers van een sociale verantwoordelijkheid die is gericht op iets anders dan het verdienen van zo veel mogelijk geld voor hui aandeelhouders.’ Er was een beoordelingscommissie die jaarlijks het personeel ijkte op een schaal van 1 tot 5, waarna de slechtsten, zo’n 20 procent, op de website met portret werd vereeuwigd voor ze de laan uit gingen.
Ook binnen de Lage Landen is der burgemeesters handelwijze onbijzonder. Ongeveer dezelfde tijd kwam er boven de grote rivieren soortgelijke reuring toen er veel gelikete digitale verzamelplaatsen werden opgericht als Marokkaanse hoeren, waarop het faciliterende medium zei uit te gaan van een zelfregulerend vermogen bij de gebruikers. ‘Wij bepalen niet wat controversieel is. We zijn jong, zitten in een permanent leerproces. We weten niet onmiddellijk hoe om te gaan met nieuwe fenomenen.’
Een verademing vind ik dat De Waals perceptie van Amerika niet eenduidig negatief is. Hij ziet een reusachtige, nagenoeg ongeletterde onderklasse en erkent dat zwakkeren daar wel meteen erg zwak want amper ondersteund door de dagen moeten, maar ook dat er voor een grote en oprechte motivatie van eender wie beloning volgt. De Waal wijst er fijntjes op dat Europeanen niet alleen standsbewuster zijn, maar zelfs negatieve aanduidingen hebben bedacht voor mensen die opklimmen: nouveau riche, parvenu.
Wellicht slaat hij vervolgens door: ‘De staat is geen speen waaruit je elk moment wat melk kunt knijpen.’ Communistische experimenten, voor zover ze iets opleverden, zouden hebben aangetoond dat er grenzen zijn aan solidariteit: we denken eerst aan onszelf, dan aan de samenleving. Dus toch egoïsme? Nee, De Waal hanteert het perspectief van ‘zelfbeschermend altruïsme’, en vermoedt dat het onderscheid tussen zelfzuchtig en onzelfzuchtig nogal permeabel is.
Mij dunkt dat het bij menselijke activiteiten tenminste de blik van de ander is die meespeelt. Het taalkundig genie danst elke ochtend bijna over de stoep op weg naar de bakker waar ze, ‘net als de groten,’ brood gaat kopen. En de gourmande klimt op een stoel met een ukelele waarvan ze de stemknoppen bevingert en spreekt dan één woord perfect uit: ‘podium’.
Niet alles hoeft meritocratisch te zijn. De Waal wijst er wel op dat Amerikaanse politici in het openbaar opvallend vaak baby’s in de hoogte steken. En hij eindigt het boek toch zo: ‘Je kunt niet verwachten dat er een hoge mate van vertrouwen heerst in een samenleving met enorme inkomensverschillen, enorme onzekerheden en een van haar rechten beroofde onderklasse.’
De aap in ons, een ander De Waal-boek, las ik zeer onlangs. Zo kwam er wel een bepaald riedeltje van deze auteur naar boven. Dacht ik. Cynisch of scherpzinnig of gewoon hooghartig want hypocriet?
Het spreekwoord van het krabben stond er, zonder aanhalingstekens, ook in, en andermaal had ik het genoteerd – alsof het de eerste keer was. Wel situeert De Waal het in de jaren zeventig, het decennium van Dawkins’ The Selfish Gene dat volgens hem toen selectief gelezen werd. Voorbereidend, lijkt me, omgekeerd chronologisch dus, op een wereldbeeld uit wat De Waal de ‘laagjestheorie’ noemt en waarvoor bovengenoemd medium voorbeelden en bewijzen aanlevert: dat een dun laagje beschaving niet helemaal verhult dat wij net als dieren zijn, zonder remmingen, in staat tot wreedheid en moord op de eigen soort. Omdat we minder gewend zijn aan dat junglegevoel dan roofdieren, zou ons temperament zelfs struiser omgaan met het beheersen van extreme omstandigheden.
Maar dat is eigenlijk een verhaal, dat een aparte uitwerking verdient. Los ook van de idealen uit de Franse Revolutie. Dat bloggen, ik vind het maar zwaar. Iets wat ook al zijn onschuld heeft verloren? Soms is het misschien toch wel handig enige chronologie aan te houden. In Taal zonder mij uit 1998 kan Hemmerechts nog ongecompliceerd vertellen dat Herman De Coninck met veel folkloristische pret aan kinderen leert hoe te bidden voor iemand die hij zomers in Oostduinkerke in een tegenoverliggend appartement ziet, ‘bisschop Roger’.
Moge in elk geval broederschap de tand des tijds doorstaan.

zondag 29 juni 2014

Gelijkenis


Er is destijds stennis gekomen van de suggestie dat de kindercrèchemoordenaar Kim van G. – of beter: de enige foto die van hem rouleerde – veel weghad van dichter Jotie ’t Hooft. Misschien werkt het zo dat wanneer zo’n overeenkomst iemand begint te frapperen, al het verschil opgeslorpt wordt.
Maar ook toen al dacht ik: wat moet ik daar eigenlijk van vinden? Heb ik daar een mening over? Herkenbaar was een schrijver-columnist als Martin Bril voor mij nauwelijks, behalve met één, voor vak niet geringe bekentenis: dat hij niet graag een opinie had, omdat hij de redenering ernaartoe niet kon onthouden.
Verder herinner ik me dat na het overlijden van Jacques Vergès, advocaat van de duivel, als veelbetekenend detail werd opgevoerd dat hij het loodje had gelegd in de kamer waar Voltaire ooit het tijdelijke met het eeuwige verwisselde.
Wat moest ik daar dan weer uit begrijpen? Een gevalletje van misstop ofwel ‘beschermende onnozelheid’, zoals dat in Orwell 1984 heet? ‘Misstop betekent het vermogen om plotseling, als het ware instinctief halt te houden voor de drempel van elke gevaarlijke gedachte. Het omvat het vermogen om aan analogieën voorbij te zien, om denkfouten niet op te merken, om de eenvoudigste argumenten verkeerd te begrijpen zo zij vijandig zijn aan Engsoc [de ideologie van de heersende, geschiedenisherschrijvende partij, MK] en om te worden verveeld of afgestoten door elke gedachtegang, die een ketterse richting zou kunnen uitgaan.'
Vanavond bij Nederland-Mexico ging ik alsnog voor de bijl met mijn gelijkeniservaring, toen Klaas-Jan Huntelaar het veld in kwam. Voor het eerst deze WK, na een teleurstellend want door blessures geteisterd seizoen. Hij had een ander, wuft kapsel dan dat mij van hem bekend was, en ineens viel mij op dat zijn tanden lichtjes naar achteren staan.
Die combinatie was voldoende om gefixeerd te raken. En pas nadat zijn adrenaline, na die fantastisch brutaal ingeschoten strafschop, met een karatetrap de cornervlag deed zwiepen, wist ik het: ‘Boys Keep Swinging’, waarin de microfoonstandaard zelden rechtop staat.
En waarin de zanger, wiens tanden achterwaarts hellen, dat kuifje in de coiffure heeft en door de clip heen andere gezichten toont.
Dat gaat nog wat worden voor Oranje, met op de reservebank de immer tevreden David Bowie. Als geen ander heeft hij laten zien in verschillende systemen te kunnen renderen.