zaterdag 28 februari 2015

Die wat zijn ogen zien met zijn handen maken kan

Minister Jet Bussemaker van Onderwijs trekt 75 miljoen euro uit om een paar ambachten voor uitsterven te behoeden: schoenmakers, hoefsmeden, schoenlappers, glazeniers... Grappig. Al deze ambachten zijn gericht op het behoud van producten, terwijl onze economie er juist op gericht is steeds nieuwe aankopen te doen. Een bekende stadsmythe luidt dat producten, met als typevoorbeeld de gloeilamp, er zelfs op zijn gemaakt om sneller te verslijten dan technisch nodig is.
Een schoenmaker verlengt door de reparatie van een zool of hak de levensduur van het kostbare leer dat onze voeten omhult – en waarvoor we, inmiddels alle dagen van de week, ook in zogeheten koopgoten, vervanging kunnen dokken. Hoe ouderwets is dat? Er bestaat in dat kader zelfs een spreekwoord, dat oud-Hollands mag heten: 'Men moet geen oude schoenen wegwerpen voordat men nieuwe heeft.'
Het ambacht van glazenier doet dan weer verwijlen in jarenvijftigfilms, van Bert Haanstra. Toen de eerste uitstervingssymptomen zich aandienden?
De klacht dat mensen hun vak niet meer kennen, zou wel eens bijna zo oud kunnen zijn als de wereld zelf. In de televisieserie ’t Schaep met de vijf poten zong Leen Jongewaard er al uitgebreid over:

Waar vind je tegenwoordig nog een goede timmerman
Die wat zijn ogen zien met zijn handen maken kan
De hele samenleving wordt er zenuwachtig van
Waar vind je tegenwoordig nog een goede timmerman

Zou voor deze kunde de schier Latijnse term 'proletariaat', klasse van bezitlozen, door bezitters zijn bedacht? Om het feit weg te moffelen dat echt handwerk onmisbaar is en daarom peperduur behoort te zijn? Richard Sennett herinnert er in De cultuur van het kapitalisme aan dat juist in lagere regionen de vrijheid toeneemt. Wie naadloos begrijpt en doet wat er van hem verlangd wordt, verliest zijn autonomie, zegt hij. Een bevel van een generaal moet steeds vrijer worden geïnterpreteerd naarmate het daalt in de gelederen. Da’s nog eens een leuke betekenis van de werkvertaling!
De grap is natuurlijk ook dat uitgerekend een ogenschijnlijk geformaliseerde omgeving als de bureaucratie vrijheden kan scheppen voor ambtenaren, wier exegeses van de wet zo machtig kunnen zijn dat de term 'kafkaesk' gratis hun deel werd. In hun relatief lage positie beschikken ze ook over institutionele kennis, waarbij de ervaring heeft geleerd hoe gesmeerd, of juist niet, een organisatie kan lopen. Vakmanschap dus, Sennett noemt het de ethiek van de uitgestelde beloning.
Ik weet niet of handwerk te vergelijken valt met denkwerk. Het Manifest voor een Accelerationistische Politiek onderscheidt namelijk een cognitariaat. Daarin zou individuele creativiteit zitten, die wel slinkt doordat de technologisering en de procedures van de markteconomie hun beslag krijgen, ‘naarmate de algoritmische automatisering zich een weg baant door de sferen van de affectieve en intellectuele arbeid’.
Affectief en intellectueel dunkt me het handwerk bij een slager. Ooit waagde ik te vragen hoe deze er toch altijd weer in slaagt bijna exact de opgegeven zwaarte van een worst af te knijpen. Dat blijkt een kwestie van een vooraf berekend aantal keer rond de hand te wikkelen, met wat speling wegens de specifieke dikte van de dienstdoende worst.
Zelfs hardplastic visitekaartjes die in ruiten gestoken zijn van autoportieren, blijken proeven van bekwaamheid. Ik werd althans voor onnozel en naïef verklaard dat ik niet wist 'dat dieven zo testen of de ramen goed dicht zitten'. Gelukkig hebben wij geen auto. Anderzijds heb ik zo’n kaartje gelezen. Er staat een telefoonnummer op, wat mij voor een dief strategisch niet slim lijkt. Een garage biedt in elk geval aan de desbetreffende auto te kopen, ‘cash, sans contrôle technique ou accidentéé’.
Ik weet het niet. Zou er zoiets bestaan als een arcadische beroepsfantasie? Als ik me probeer voor te stellen dat mijn kinderen ooit iets ernstigs gaan doen, hoop ik dat het 'iets met de handen' wordt. Dat zal uit economische geruststelling zijn (een loodgieter komt altijd van pas), maar ook omdat het me van bepaalde beroepsinvullingen dun door de broek loopt.
Antropoloog David Graeber had het grootste gelijk van de wereld dat bepaalde tijdsbestedingen te gênant voor woorden zijn, omdat de wereld er geen enkel nut van ondervindt: CEO, lobbyist, telemarketeer, enz. Maar goed, wat je kinderen doen (en welke partner ze ooit mee naar huis brengen) is natuurlijk altijd dik in orde.
Ik hoop wel dat minister Bussemaker haar cadeau niet inpakt in termen van bijscholing, wegens lifelong learning. Zoiets geeft meteen problemen bij ervaren en bekwame krachten doordat ze de waarde van dikke woorden sneller in twijfel trekken en omdat hun zinvolle kanttekeningen minder renderen dan die van jongeren die als ze geen zin hebben om te plooien domweg elders hun heil zoeken.
Dit relativeert fameuze competenties als 'ontwikkelingspotentieel', 'gretigheid om te leren', 'multifunctionaliteit', 'kritisch denkvermogen', 'stress- en veranderingsbestendigheid'... Arme spreekwoordelijke teamplayer. Geef hem een hamer, beitel en een leest. En een apero van het huis.

zondag 22 februari 2015

No longer my business

Voor even was het groot nieuws: de open brief van neuroloog-auteur Oliver Sacks waarin hij bekent ongeneeslijk ziek te zijn en uitlegt hoe zijn laatste maanden te willen doorbrengen.
De houding van Sacks tegenover de dood mag waardig en gelaten heten. Misschien behoort het tot westerse geplogenheden dat er pakweg vanaf Socrates naar Bonhoeffer niet alleen immense waardering voor die houding bestaat, maar dat ze ook vanuit binnenuit wil worden belicht. Ditmaal speelt David Hume een belangrijke bijrol. De wens lijkt te weten wat het betekent ‘met opgeheven hoofd’ te verliezen.
Bij dergelijke relazen voel ik me altijd wat dubbelhartig, barbaars. Mij bekruipt ontzag voor de kalmte of expliciete niet-paniek waarmee de dood in het gezicht wordt gekeken. Maar ik kan niet goed tegen alle dankbaarheid (gratitude) die iets anders reëels wegdrukt. Waar is de woede, het verdriet? En de drift om voort te leven, al was het voor dierbaren?
De onvermijdelijke keuzes die op korte termijn moeten worden gemaakt, leveren bij Oliver Sacks een detail op dat mij nog niet heeft losgelaten:

‘I shall no longer pay any attention to politics or arguments about global warming. This is not indifference but detachment — I still care deeply about the Middle East, about global warming, about growing inequality, but these are no longer my business; they belong to the future.’

Wat suggereert zoiets, hoe charmant en elegant geformuleerd ook? Is wat ik dan maar even algemeen ‘engagement’ noem een surplus, een luxeverschijnsel? Valt het pas te ontplooien wanneer je fit bent?
Mij zijn inderdaad personen bekend die fysiek onvermoeibaar zijn, altijd in de weer voor anderen. Daarnaast bestaat er een onvermoeibaarheid uit een terriërachtig gemoed. Vanuit een deplorabele situatie kunnen mensen zeer ver gaan om hun solidariteit te betuigen met de ander, eerst als zwakkere gekenmerkt. Publiekelijk, herhaaldelijk. De ander dient dan als een soort boei, waarop een reddingsfantasie kan worden losgelaten. Steile stijging van het aandeel eigenwaarde!
Of ontgaat mij iets? In het amusante boek Ik lieg, dus ik ben vertelt Stine Jensen over een zogeheten Othello-complex. Dan wordt de waarheid als een leugen opgevat, omdat de spreker zo zichtbaar onder druk staat dat achterdochtige, immer ontmaskerende wijsneuzen er een teken in ontwaren – een pijnlijk gevalletje van miskenning. Kennelijk wordt het risico iemand vals te beschuldigen liever genomen dan zelf te worden misleid.
Wat valt er echt te zien en te weten? Pas onlangs werd me duidelijk dat bij zijn vlucht uit het brandende Troje Aeneas niet alleen zijn vader Anchises op zijn rug droeg, maar aan de hand ook zijn zoontje Ascanius meevoerde. Waarom is het voor mij zo belangrijk dat aan mijn geringe kennis toe te voegen? Sommige recepten werken in hun deconstructie blijkbaar een beetje te makkelijk.
Sacks’ woordje detachment dunkt me subtiel. Is de combinatie engagement-onthechting onmogelijk? Er dringt zich de associatie op met negentiende-eeuwse liefdadigheid, al dan niet uit verveling bedreven.
Beperkingen opleggen, prioriteiten stellen: dat is wat Sacks lijkt te willen doen. Vanuit mijn veilige studeerkamertje ogen het Midden-Oosten, het klimaat en ongelijkheid als hete hangijzers, zo niet intellectuele verplichtingen voor progressieven. Dat Sacks nu toch ‘voor zichzelf kiest’, is dan misschien niet zozeer een schuldbekentenis als wel een vraag om vergeving vooraf (in De sandwich typeerde Van der Heijden een personage uit de jaren zeventig zo, dat deze heimelijk van soul hield.)
Zelfs in het aangezicht van de dood blijkt zich gewicht te doen voelen van wat ooit geweten heette, een externe harde schijf vol vermoedens en projecties. Nu heet dat ding peer pressure. Ineens vraag ik me af of dit inderdaad een morele standaard betreft, of een kadaverdiscipline bij een dagelijkse praktijk?
Het idee dat je openbaar zou moeten verklaren ziek te zijn, valt in dezelfde orde van grootte: antwoord geven voordat de vraag gesteld wordt en zelfs lastig kan raken.

zondag 8 februari 2015

De leugenaar is niet thuis

Vanochtend in de De Zondag antwoordde een politicus op de vraag van de interviewer of een gestelde diagnose niet wat populistisch was: ‘Populair misschien, maar niet populistisch. Toen Galilei zei dat de aarde rond de zon draait, en niet andersom, verweet men hem ook populisme. Hij heeft voet bij stuk gehouden.’
Wat een parallel! Deze politicus heeft vanaf heden mijn eeuwige steun.
Of is dit de bullshit die Harry G. Frankfurt in zijn gelijknamige essay uit 1986 tracht te pletten? De filosoof achtte nep de belangrijkste eigenschap ervan, terwijl hier volgens mij juist oprechtheid in het geding is. Ook het niet-aanhangen van de waarheid noch van de onwaarheid dat Frankfurt in bullshit ergerde, lijkt irrelevant. De spreker oogt buitengewoon overtuigd van zijn gelijk.
Volgens Frankfurt geschiedt het spreken in het algemeen niet altijd met verstand van zaken. Dat is een minder onweerlegbaar punt aan zijn boringen, die overigens – in de beginjaren van de Reagan-regering – de democratie wilden bevorderen. Naar kennis bestaat namelijk minder vraag dan naar mening, laat staan naar samenhang met de werkelijkheid.
Zelf vind ik het van een ongekende schoonheid dat er juist in die werkelijkheid een filosoof op aarde rondloopt die Frankfurt heet. Verdienstelijk dunkt me verder dat in de vertaling de ondertitel van Bullshit, ‘Een traktaat’, op de voorflap is vervangen door: ‘Waarom er zoveel geluld wordt’.
In het blijkbaar noodzakelijk geworden vervolgessay On Truth uit 2006 wordt wel duidelijk wie Frankfurt destijds viseerde: ‘de’ postmodernisten met hun ‘doctrine’. Relativisme tot in de oneindigste graad is hun vaker aangewreven, maar voor een filosoof dunkt me deze generalisatie opmerkelijk. Temeer daar Frankfurt expliciet zijn heil zoekt bij bijvoorbeeld Kant en Spinoza (en Montaigne), terwijl hij geen postmodernist bij naam noemt.
Dat hij deze anything goes-houding tegenover de waarheid ‘endemisch’ noemt en eveneens bij politici en journalisten bespeurt, verbaast dan weer minder. On Bullshit keerde zich tegen het spinnen. Maar ook tegen symptomen van een vroeger decennium, waarin eerlijk zijn tegenover de feiten minder belangrijk zou zijn geweest dan ‘eerlijk zijn tegenover jezelf’. Laks en narcistisch, zegt Frankfurt er ten overvloede bij.
Interessant is dat hij stelt dat beschavingen nooit hebben kunnen functioneren zonder grote hoeveelheden betrouwbare feitelijke informatie – en dat hij bij zijn klachten, anno 2006, al waren de gevolgen nog niet zo voorspelbaar, geen enkele melding maakt van het bestaan van internet.
Zelfs correcte handelingen en het verkrijgen van succes relateert Frankfurt aan relevante informatie. Feiten geven de ware aard van de realiteit weer en ‘vormen de laatste en onaanvechtbare toevlucht van elk onderzoek’.
En hoewel het soms lastig is, vindt Frankfurt het altijd beter feiten onder ogen te zien dan er onkundig van te blijven. Er blijkt namelijk zoiets te rond te darren als zalige onwetendheid en gelukkig bedrog:

‘Wat wij voor realiteit aanzien, is een wereld die anderen niet direct kunnen zien, aanraken of ervaren. Wie in een leugen gelooft, wordt er dus toe gedwongen “in zijn eigen wereld” te leven – een wereld die anderen niet kunnen betreden en waarin zelfs de leugenaar zelf niet huis is. Voor zover hem de waarheid wordt onthouden, wordt het slachtoffer van de leugen afgesloten van de wereld van de gemeenschappelijke ervaring en opgesloten in een illusoire wereld waarheen geen pad leidt dat door anderen kan worden gevonden of gevolgd.’

Thans een poging tot praktische verheldering, tevens update. De gourmande is gespitst op haar naaste omgeving. Zo ziet ze haar zus vaardigheden van lezen en schrijven dermate genotzuchtig oefenen, dat ze zelf nu ook aan het schrijven is geslagen. Daartoe heeft ze een eigen ringband, waarin ze vel na vel volschrijft. Dichtbeschreven regels, soms wat doorhalingen. Het heeft iets van art brut.
Er is eigenlijk maar één probleempje: ze kan nog niet schrijven. Maar op onze vraag wat er in het schrift staat, zegt ze dat ze herinneringen in staan, notities en lijstjes. We hebben een fragment aangewezen om dat toegelicht te krijgen. En inderdaad, er bleek te staan ‘dat de hagelslag op is’.
Ook ziet de gourmande haar ouders helaas wel eens raar doen aan tafel. Dus heeft ze nu haar roze plastic telefoontje in haar zak, en haalt ze dat soms tevoorschijn om tijdens het eten een gesprek met een derde te beginnen, waarbij ze de hoorn professioneel tussen oor en schouder geklemd houdt.
Op de vraag van haar zus wie er aan de lijn is, wil ze slechts na zwaar te overwinnen aarzeling antwoord geven. Waarna zich een eindeloze lijst van ontkenningen ontspint. Met een variant op Jean-Luc Dehaene: ‘Je hoeft een probleem pas uit de weg te gaan, als je het geschapen hebt’. Het blijkt voor de Galilei’s in ons mogelijk in een lastig parket te raken wanneer je dat zelf opricht. Mogelijk komt het doordat ik direct bij de hoofdrolspeelster betrokken ben, maar mij fascineert dit allemaal nogal.
In het fijne boekje Honderd speelteksten: nieuwe speelteksten voor iedereen vanaf 8 jaar van Paul Rooyackers, Bor Rooyackers en Liesbeth Mende staat wat dat betreft een dialoog waarvoor ik, om het populistisch uit te drukken, mijn hele ‘oeuvre’ cadeau zou doen, mocht het mijn idee zijn geweest (niet dat oeuvre, maar die dialoog):

- Ik deed niks. (stilte) Ik heb helemaal niks gedaan. Helemaal niks.
- Wat heb je niet gedaan?
- Ik heb niet je chocola opgegeten.
- Waar is mijn chocola?
- Niet je witte chocola.
- Ik had drie repen.
- Ook niet die met die nootjes.
- En die pure reep?
- Die heb ik zeker niet op.
- Waar zijn die repen dan gebleven?
- Geen idee.
- Vreemd.
- Heel vreemd. (stilte)
- Was het lekker?
- Heerlijk.

zondag 1 februari 2015

Dan is hij weer alleen

Kunstenaar Nikolaas Demoen heeft een filmpje gemaakt onder de titel L’Homme qui marche. Het gaat hier om een plank die met de bovenkant is geschroefd aan een in rubberrepen genaaid stuk piepschuim (Frits zegt: isomo). Op muziek van blazer Joachim Badenhorst loopt dit object door het SMAK in Gent.
Zo trippelt het voorbij objecten van Berlinde De Bruyckere en van Jannis Kounellis. Bij Das Welttheater 79 van Hanne Darboven gaat het planken mannetje bijna in de kunst op, mimicry, omdat voor- en achtergrond een driehoekige vorm gemeen hebben. Curieus te ontdekken en te erkennen dat Demoens creatie feitelijk geen driehoek is. Ze lijkt veeleer op een wasknijper (die slechts door te knijpen vooruitgaat).
Ook is het geen mannetje. Het heeft niet eens een hoofd. Zelfs de titel is niet wat hij is, omdat ze van Alberto Giacometti stamt.
Hallo! Wie wandelt er nu eigenlijk en valt er onderweg iets te zien of te wederzien? Misschien is dat niet de goede vraag. Voor De kunst van het verliezen uit 1980 wist Giacometti dit gedicht te ontlokken aan J. Bernlef:

Hij was er al voorbij
toen iets zijn ooghoek trof
nu keert hij op zijn schreden terug
en ziet maar weet niet wat

Een voorwerp
zonder kant noch wal
een ding maar
zonder naam

Hij bukt zich
bang en blij ineen
maar pakt het niet
hij kijkt zich rijk

Dan is hij weer alleen.


Raar dat de hier beschreven handeling, meer dan twee decennia later, de actualiteit na 9/11 mede is hertekenen. O paranoia met uw zijstraten. O boom, waarachter bosjes vijanden staan. O, alfa die altijd omega moet zijn. Alles confronteert de kijker met zijn hoogstpersoonlijke algemene achterdocht, die ofwel schrander ofwel goedkoop is.
Ooit zag ik op een vrijdagmiddag wegens een of ander koffertje in de stationshal oneindige stromen reizigers langs het spoor van Antwerpen Centraal naar Berchem gaan. Afgelopen week was het raak in station Leiden, wegens een plastic zak.
De vraag die Demoen naar mijn gevoel stelt is of zijn object bijdraagt aan de werkelijkheid door nieuwsgierig te zijn, of interfereert door in de weg te staan.
Wat een geduld zal er ondertussen zijn uitgeoefend om deze film L’Homme qui marche in elkaar te steken! Elke keer moest het object worden gefotografeerd in een andere stand die de volgende beweging belichaamt.
Het object reikt ongeveer tot kniehoogte. Misschien komt het daardoor dat ik aan een peuter moest denken. Temeer daar mij onlangs duidelijk werd dat op ongeveer anderhalfjarige leeftijd het taalvermogen van de mens een tussensprint trekt die verband houdt met een ander schier Bijbels trucje: rechtop staan en beginnen lopen.
De wereld wordt dan wel ineens zeer veel groter. En tast- en hapbaarder. Door spectaculair meer woorden te kennen vallen, dankzij oplettende ouders, de risico’s van het vak dat leven is enigszins in te dammen.
Stills van Demoens object zijn te vinden in het boek In Courtesy of The Unknown . Daarin krijgt volgens mijn laveloos duidende brein de peuter alle ruimte. Het boek bevat quasi-pornografische afbeeldingen. Ze zijn bijgeknipt en laten netto geen daad zien. Demoen heeft er ook geometrische figuren doorheen getekend.
Collages dus, die volgens mijn recentste frame het denken van een peuter tastbaar maken. Deze kleine mens ziet al ongeveer van alles, zonder verband. Hij kan er dus ook al bijna over praten, gewapend met een basale grammatica.
In Courtesy of The Unknown bevat eveneens twee tekstjes van mij. Ze voldoen aan mijn definitie van voltooidheid in de zin dat ik ze niet meer als van mezelf herken. Wel is het me duister of ze proza, poëzie of essay zijn. Hangt mogelijk ook een beetje af van de context.

zondag 25 januari 2015

You say Potato

De Haagse heren Jacobse & Van Es hebben zich met allerlei wijsheden in mijn abominabele geheugen weten te nestelen. Onder meer met de empirisch gestaafde zekerheid ‘dat ‘de Russen’ niet hoeven te komen omdat ze er al lang zijn.
Dit speelt begin jaren tachtig, nog in koudeoorlogstijd. Na de dooi kwamen er nieuwe vijanden en daarnaast is er een economie die haar eigen aangestuurde grillen heeft.
Steeds vaker zijn in onze vaste groothandel voor heerlijkheden schapenkaas en pecorino niet beschikbaar. Navraag leert dat het te maken heeft met lactose-intolerantie, een rond zich heen grijpende kwaal aan de darmen die petomane onhebbelijkheden uitserveren. Door zogeheten harde kazen worden zij min of meer geneutraliseerd.
Deze bruikbare eigenschap blijkt nu doorgedrongen tot een consumentengroep die aan de grote kant is en die steeds vermogender wordt, met alle opkoopmogelijkheden van dien: de Chinezen. Zij hoeven dus ook niet meer te komen. Tot in Den Haag zijn ze er al lang.
We moeten het zoeken in andere producten die zalig en gezond zijn. Het toppunt binnen ons team is dan wel broccoli. Deze groente meen ik te kunnen dateren op na mijn jeugd, waarin de verwante bloemkool alleenheerschappij had. Door het woordbeeld al nascholend te hebben moeten herkennen, heb ik nog altijd moeite met de juiste spelling van broccoli.
Toch had George Bush sr. er al een hekel aan in zijn jeugd, minstens veertig jaar voordien. En deze afkeer is niet uniek, en al helemaal niet bij kinderen, leerde ik uit Frans de Waals Een tijd voor empathie. Trans-Atlantisch geldt broccoli als ‘iets walgelijks’.
Hoe dit op te lossen? Appelmoes erbij? Bisschopswijn? Er stamppot van maken? Bush had een fameus incompetente vicepresident Dan Quayle die ‘potatoe’ op een schoolbord krijtte. Omdat ik die spelling eveneens steevast moet controleren, heb ik een oplossing gevonden. Ik volg gewoon iemand uit hetzelfde bouwjaar en uit dezelfde Noord-Nederlandse gebiedsdelen, die met haar geweldige eenvrouwsband Solex wist: ‘You say Potato, I say Aardappel’.
Het is een pragmatische oplossing, dat wel. Maar voor een stamppot biedt ze uitkomst. Mij is verteld dat Broccoli de roepnaam is van een personage uit het boek Figuranten, wiens echte fictienaam Michaël Eckstein luidt. Da’s schrander bedacht.
De hoeksteen van de samenleving wordt inderdaad gecementeerd met gezond eten. Meer dan ooit zelfs. Nederland is al vergeleken met een clubsandwich omdat boven- en onderkaste elkaar niet raken en er verschillende lagen zijn.
Wat eten we naast stamppot broccoli, nu schapenkaas en pecorino naar de oosterzon vertrokken zijn? Ooit: een balletje gehakt, waarbij de jus stil blijft liggen. Nu: de vleesvanger seitan. Die wordt door de gourmande, nog ver verwijderd van spelling, louter benoemd. Tot satan.
Ik vermoed dat deze op zijn beurt slechts voorbereidselen verricht voor het dessert. Sinds kort houdt de gourmande van sojamelk. Die spreekt ze uit als shoahmelk.

woensdag 14 januari 2015

Recupereren hoef je niet te leren

Een vriend mailt. Hij vraagt onder meer waarom ik nog altijd niks heb geblogd over de ramp in Parijs. Dan dringt het tot me door nooit zelfs maar te hebben overwogen er iets van te willen vinden.
Na het eerste nieuws had ik me er al op betrapt te vrezen voor een bijkomende gesel: een niet in te dijken stroom van meningen. Een voorrecht liet zich voelen. Tevens groeide spoedig de onrust in mij. Niet alleen vanwege het simpele feit dat mijn vrees meteen bewaarheid werd. Ook omdat dezelfde vriend net met zijn gezin een paar maanden in Parijs was gaan wonen.
In het begin van de avond stuurde ik hem alsnog een mailtje. Dat de vriend niet direct antwoordde, leek me vanzelfsprekend. En naarmate er meer informatie vrijkwam, was het duidelijk dat elke bezorgdheid over hem en de zijnen ongepast was, en narcistisch.
En terwijl iemand anders me eigen werk in het gezicht slingerde (‘Want begrijp je het goed dat je je zo kan vereenzelvigen met zo’n beetje elke medemens, begrijp je het goed?’), bleven de meningen in het rond vliegen. Een strijd om de grootste empathie? Telkens bleek de ramp hooguit een vertrekpunt.
Bronnen, vergelijkingen, relativeringen, antecedenten, geschiedenis, bewijzen: na een openingsregel waarin het gebeurde werd veroordeeld, wist de ramp werkelijk alles los te maken. Steeds mondde het betoog, of teksten die – zoals vanuit de getroffenen zelf of zoals onderhavig schrijven – zulke betogen evalueerden, virtuoos uit in diagnoses bij de ander. Het bliksemdonderde tegen hypocrisie en recuperatie.
Deze betekenis van ‘recupereren’ heb ik pas in België leren kennen. Voordien kende ik het woord louter van Tour-verslagen door Jean Nelissen, die renners liet recupereren nadat ze bij een kopgroep waren gekomen of daaruit teruggevallen waren in het peloton.
Daarnaast blijkt ‘recuperatie’ te wijzen op de praktijk om zelfs de akeligste gebeurtenis te kaderen en hernemen vanuit de eigen opvattingen (en daarmee de eigen stoep schoon te vegen en de troep bij andersdenkende buren te deponeren).
Mijn weigering iets te vinden van de ramp in Parijs is evengoed een staaltje recupereren. Iedereen kan het. Sterker nog, indien ik althans een scoop mag vrijgeven: iedereen doet het. Desgewenst heb ik voor mijn recuperatie een hashtag: #niet onverschillig, wel onwetend.
In de mail van de vriend stond ook de vraag wat mijn mening was over de mening ter zake van mijn held Slavoj Žižek. Het was me ontgaan dat hij die had gedebiteerd, maar ik kwam al snel tot de conclusie dat het me pas echt zou hebben verbaasd wanneer Žižek geen mening over de ramp in Parijs had.

If today’s so-called fundamentalists really believe they have found their way to Truth, why should they feel threatened by non-believers, why should they envy them? (…) In contrast to true fundamentalists, the terrorist pseudo-fundamentalists are deeply bothered, intrigued, fascinated, by the sinful life of the non-believers. One can feel that, in fighting the sinful other, they are fighting their own temptation. (…) The problem with fundamentalists is not that we consider them inferior to us, but, rather, that they themselves secretly consider themselves inferior. This is why our condescending politically correct assurances that we feel no superiority towards them only makes them more furious and feeds their resentment. The problem is not cultural difference (their effort to preserve their identity), but the opposite fact that the fundamentalists are already like us, that, secretly, they have already internalized our standards and measure themselves by them. Paradoxically, what the fundamentalists really lack is precisely a dose of that true ‘racist’ conviction of their own superiority. (…) The paradox is that liberalism itself is not strong enough to save them against the fundamentalist onslaught. Fundamentalism is a reaction – a false, mystifying, reaction, of course – against a real flaw of liberalism, and this is why it is again and again generated by liberalism. Left to itself, liberalism will slowly undermine itself – the only thing that can save its core values is a renewed Left.

Borend en schitterend en geestig weer natuurlijk, maar ook een beetje erg vertrouwd. Zelfs de paradoxen heeft Žižek als zodanig benoemd. Ik voelde een anti-intellectualisme in me opborrelen waarover ik in andere omstandigheden lijvige deconstructies had kunnen schrijven: laat de slimste jongetjes van de klas inademen in plaats van uitstoten!
En wat komt de hulp van het medium internet, dat elk zuchtje faciliteert, eigenlijk ongelegen. Een recent rapport heeft daar ook een paradox over benoemd, ‘dat virtuele afstanden verkleind worden, maar bestaande sociale afstanden bestendigd worden. Gepersonaliseerde technologie draagt er ook aan bij dat men vooral opinies en informatie voorgeschoteld krijgt die de eigen meningen bevestigen, waardoor groepen mensen in hun eigen bubble kunnen leven’.
Voorafgaand aan of volgend op vloeibare identiteiten, waarover nog veel meer tekst bestaat, lijkt technologie een specifieke onttovering te hebben bewerkstelligd: afstand tegenover eigen gevoelens. Wie bovendien onverwijld kan reageren zonder iemand in het gezicht te kijken, kan makkelijker krasse uitspraken doen. Aangezien het de schoolmeester in mij frappeerde dat ook bij commentaren op de ramp weer dikwijls naar mensen niet verwezen werd met ‘wie’ maar met ‘waar’, werd ik rillerig van deze indruk: internet als podium voor reïficatie?
Dat poneer ik dan op een blog. Anderzijds blijkt de vriend met zijn gezin op wandelafstand van de plekken des onheils te verblijven. Achter twee poorten en een deur had hij zich geïnformeerd met berichten van internet en televisie.

zaterdag 3 januari 2015

Cees Meerman (1950-2014)


Doorklikkenderwijs dringt het tot mij door dat vier maanden geleden, op 13 september 2014, Cees Meerman overleden is, drummer in de beroemdste en onovertroffen bezetting van Herman Brood & His Wild Romance.
Gedecideerde kwalificaties, al zeg ik het zelf, maar er valt niet aan te ontkomen. Gelukkig is op deze blog al geboekstaafd dat Meerman, mede door zijn backing vocals, de absolute aandrijver van die band was. Van zijn voorgangers en opvolgers verschilde hij dat hij wat ik maar noem rond drumde. Meerman maakte zijn zinnen af. In het fameuze concert in de Prinsentuin te Leeuwarden viel tijdens ‘Still Believe’ de gitaar uit en stopte de band pas echt toen de drummer, Cees Meerman, een bekkenslag gaf op de eerste tel.
Tevens speelde hij rond in de zin dat hij het tempo van de liedjes organisch maakte. Eerder een hartslag dan een metronoom produceerde Meerman. Hij kon hangen in de muziek, zodat er te dansen viel. In de film Cha Cha zit zogezegd een levensechte live-uitvoering van ‘You Can’t Beat Me’, waarin de Wild Romance toont wat het was: een funkbandje, klaar terwijl u wacht. En daarvan was Meerman dus de aandrijver.
Op de legendarische elpee Shpritsz is uitgebreid teruggekeken, waarbij wat betreft Meerman werd opgemerkt dat hij met één hand zestienden kon slaan op de hihat. Daarvan was ‘Doreen’ het bewijs. Maar het pakte mij pas echt in wanneer hij het trucje op het bekken uitvoerde en er een soort zesachtste leek te ontstaan, recht door de vierkwarten heen waarmee de Wild Romance het collectieve geheugen in denderde. Hoor Meerman aan het begin van het jamsessieachtige ‘Phoney’ op de live-elpee Cha Cha na de gitaarsolo, wanneer Brood het zelf eventjes over probeert te nemen op piano.
Shpritsz begint uiteraard met ‘Saturday Night’, dat zelfs de Billboard 100 heeft gehaald. Het nummer laat zich direct herkennen aan de eerste drie gitaarakkoorden op dezelfde grondtoon. Daarover heeft de bassist zich jaren later uitgelaten:

By the way: Cees Meerman, die ook een beetje gitaar speelt, beweert dat hij dat riffje ooit aan Dany heeft laten horen. Terwijl Dany zegt dat die klanken ontstonden toen hij zijn instrument aan het stemmen was. Ja, haha, natuurlijk staat er ‘Lademacher/Brood’ achter de titel. Zoals bij zoveel nummers.


Voor mij is Shpritsz vooral het album waarop ‘One (of a Kind)’ staat – waarop Meerman de hoofdrol speelt. De elpee werd begin 1978 in een razend tempo opgenomen. Toenmalig verslaggever van Muziekkrant Oor, Paul Evers, was er getuige van dat louter de drummer spelbreker was: ‘te gek jongens, zullen we het nog een keer overdoen? Waar iedereen dan weer volledig op flipte, maar achteraf bleek dat hij op een heleboel punten toch wel gelijk had’.
Evers beschrijft dat het diep in de nacht is wanneer de opnames worden gestaakt en Meerman hem met de leadzanger zelve naar Den Haag rijdt. Naar goede gewoonte heeft Brood een verbandtrommetje mee van de ANWB, waarop met rode letters Veilig idee staat, en waarin een spuit zit, naalden en speed. De ster heeft al hele verhalen tegen de taperecorder gedaan als hij plots stopt:

‘Hé man, wat stinkt het hier vreselijk.’ Klopt, Kees blijkt stront aan zijn schoenen te hebben. We staan nog niet goed en wel stil of felle koplampen dringen zich door de achterruit naar binnen. Politie, twee man sterk. ‘Heren, wat moet dat?’ Kees heeft het raampje opengedraaid. Brood antwoordt snedig met ‘hij heeft stront onder zijn schoenen, mijnheer.’ En hopla, de hand aan de holster, het pistool is al gericht. ‘Ja broer, stap er maar uit’. Kees moet eruit, zowel voor hem als voor zijn schoenen’.


Hierna zou er voor de klassieke Wild Romance nog één winter komen, die elders de geschiedenis is ingegaan als de Winter of Discontent.
Enfin. Opa vertelt. Het is raar over iemand te schrijven, die een betrekkelijk lang leven leidde waarvan een periode van iets meer dan twee jaar bij velen nog in de borst klopt. Daarbij sprong Meerman bovendien niet meteen in het oog, dat immers gericht was op de zanger die, bij een andere uitvoering van ‘Phoney’, voor Rockpalast, grapte dat de drummer was ‘ausgeselektiert uit zwei Kandidaten’.
Toch valt er veel over Meerman te zeggen, niet het minst over zijn solowerk. Hij maakte met gitarist Erwin van Ligten twee cd’s, die hem laten horen als zanger, oneindig melancholisch. Zoals in 2007, op Up to You!

Naschrift
Een jaar eerder was Antony Del Monte Lyon overleden, een andere drummer uit Broods begintijd. Vreemd genoeg heb ik vooral een herinnering aan een hilarische lezersbrief die hij in de al vermelde Muziekkrant Oor schreef, over een recensent die Palombit heette.

woensdag 31 december 2014

Goedenavond speelman


Begin maar met het slechte nieuws.

Sinds jaar en dag, reeds in Holland, roomboter etend moest ik voor een recept margarine hebben. Een enorme koelvitrine gaf in deze niche echter nog slechts twee basissoorten: ‘boter’ en ‘broodsmeersel’. Daartussen is alles nog steeds mogelijk voor je cholesterol, maar ik heb er mijn leesbril voor opgezet om zeker te weten dat in België het woord ‘margarine’, of zijn retecommerciële opvolger ‘halvarine’, niet meer bestaat?

Sociale media dragen bij aan het vergroten van de economische kloof, redeneert Andrew Keen in De digitale afgrond. Dat bekrachtigt een gevoel dat ik liever niet had. Maar de cijfers die Occupy in haar leuze gebruikte om de machtsverhoudingen aan te klagen, beginnen er inderdaad van te blozen: op Twitter heeft 0,05 procent van de gebruikers meer dan 10.000 volgers, en is 22,5 procent van de gebruikers goed voor 90 procent van de activiteit. Hier, via Keen, een nieuw woord: ‘aandachtseconomie’. EN MARC KREGTING CITEERT DAT ALLEMAAL OP ZIJN BLOG, BELANGELOOS.

Het goede nieuws mag in overtal zijn.

En begrijp mij niet verkeerd, mij lijkt het uitstekend dat er vooruitgang is. In de beste families was het bijvoorbeeld ooit doodgewoon om aan tafel tijdens het roken de kwispedoor door te geven. Er zal ongetwijfeld personeel geweest zijn om die verzamelde fluimen vervolgens te lozen. Dat er heden minder worden gerookt, verlegt de aard van goede voornemens?

Op het Belgische treinnet is de Desiro niet onomstreden, maar doordat bijna alle tweepersoonsbanken achter elkaar staan doet zich wel een heuglijk feit voor. Zelfs mensen die met z’n tweeën zijn, kiezen bijna automatisch voor de zeldzame banken die tegenover elkaar zijn geplaatst. De keuze is dus die voor de mogelijkheid van een analoog gesprek, en voor dito oogcontact.

Niet alleen is dankzij het fiasco van de Fyra na twee jaar de internationale trein in oude glorie hersteld, het ding rijdt nu ook op een andere tijd. Zo is er in Roosendaal ineens weer aansluiting met de trein naar Zwolle, die niet meer voor je neus wegrijdt (‘daar zit een hele filosofie achter’). Hersteld werd feitelijk de situatie zoals ze tot aan het eind van de twintigste eeuw is geweest. Hopelijk gaat men niet verder terug in de tijd – de stoomtrein mag in het museum blijven.

‘In de negentiende eeuw waren de spoorwegen de toekomst van het transport geweest, de motor van de Amerikaanse welvaart. In de twintigste eeuw was het een saai onderwerp voor beleidsmakers en begrotingsdeskundigen. In 2010 stond het voor alles wat rechts in Amerika bang maakte en haatte: een machtige overheid, belastingen en belastinguitgaven’.

Nu ik mijn geloof in de mogelijkheden en effect van literatuur verloren heb, krijgt taal me in haar greep. Met George Packer maakte in het fijne ‘Afscheid van een tevreden natie’-nummer van De Groene een interview nieuwsgierig. Zijn De ontluistering van Amerika vind ik sensationeel. Packer noemt dit boek ‘geheel en al non-fictie’ én literair schatplichtig aan de USA-trilogie van Dos Passos. Het documenteert een periode van vijfendertig jaar door, soms idiosyncratisch, fasen te beschrijven uit levens van meer of minder bekende mensen, van wie er sommige terugkomen en wier levenspaden, klassiek literair, zich soms kruisen. Ook de stad Pampa krijgt zo’n quasi-anekdotische behandeling. Feiten zijn in die kleine verhalen ingeweven, zoals dat vestiging van winkelketens aan regionale middenstanders 86 cent per dollar onttrekt. Of zo’n zinnetje, bijna episch: ‘McDonald’s verkocht in 1969 zijn vijf miljardste hamburger en in 1972 zijn tien miljardste.’ Tegenover journalistiek herwint deze tekst aan kracht en geloofwaardigheid door processen van rommelhypotheken te laten focaliseren door een halve buitenstaander op de tribune, die meemaakt dat advocaten niet eens komen opdagen en per telefoon tegen hun slachtoffers snerpen, en dat aktes of soms hele dossiers ontbreken.

Da capo.

Wat heb ik van fictie opgestoken? Na ettelijke historische romans te hebben geconsumeerd is me pas duidelijk geworden wat een ‘sousbras’ is uit de geïllustreerde studie Lekker fris! Honderd jaar gezondheid, schoonheid en fatsoen van Mayke Groffen. HOE BEDOEL JE DAT MARC KREGTING ZICH OOK BIJ VROUWEN OF GESPECIALISEERDE WINKELS HAD KUNNEN INFORMEREN? Groffen beschrijft het lichaam van top tot teen, dus de kwispedoor zat vrij vooraan. Sinds 2007 bestaan er OXL Pads, ‘een soort inlegkruisjes voor onder de oksel’.

Na Packer begon ik in De vis in het water van Mario Vargas Llosa en vond die autobiografie bijna ondraaglijk. Nog los van de politieke opvattingen, die in een schets van zijn verkiezingsavontuur in de alternerende hoofdstukken body krijgen, frappeerde me vooral de claustrofobie slechts één persoon te kunnen volgen, in een consistente literaire stijl die na Packers exploraties vrij snel saai werd. Op bladzijde 83, nog geen vijfde van het geheel, viel het luxeoordeel dat De vis in het water niets voor mij was. Enerzijds bevestigt Vargas Llosa daar het cliché dat politiek een kwestie is van ‘manoeuvres, intriges, samenzweringen, pacten, paranoia, verraad, veel berekening, niet weinig cynisme en allerhande trucjes’. Anderzijds is daar de even grote gemeenplaats van literatuur als ‘vorm van verzet tegen macht’ en medium dat ‘voortdurend vragentekens plaatst’ en ‘de tekortkomingen van het leven toont’.

zaterdag 13 december 2014

Een watermeloendebat


Voor The Atlantic vertelde historicus William Black dat activisten die protesteerden tegen de moord op Michael Brown tijdens hun tocht van Ferguson naar Jefferson City ergens een wel erg apart onthaal kregen – met onder meer geroosterde kip, een vlag van de Geconfedeerde Staten en een watermeloen. Dat laatste object brengt Black in verband met andere recente voorvallen. De man die over de afrastering van het Witte Huis was geraakt, blijkt volgens een cartoon in Obama’s badkamer tandpasta met watermeloensmaak te hebben aanbevolen. En een trainer had het ritueel ontwikkeld, om met zijn footballteam de overwinning te vieren door een watermeloen kapot te slaan onder het slaken van apengeluiden.
Deze bizarrerieën relateert Black aan raciale verhoudingen in de Amerikaanse geschiedenis. Ik was gelijk gegrepen. Dit had ik met mijn koffieboek ook gewild: hoe een ogenschijnlijk betekenisloos detail politieke conflictstof herbergt. Black deed dat dus via de meloen. En daarmee zat ik definitief knel, wegens een eigen poging om iets over die vrucht te schrijven, twee decennia geleden in mijn debutantenjaren toen ik nog twijfelde een mening te willen hebben. Van Blacks belangrijke invalshoek ontbreekt elk spoor, hoewel ik nota bene begin met ‘Watermelon Man’ van Herbie Hancock.
Wist ik het toen niet of wilde ik niet weten? Vergeten of nooit over gedacht? Mijn stukje van weleer ademt hoe dan ook eurocentrisme. Kritiek daarop vanuit eigen boezem, zoals ik nu lever, is zo gratuit en clichématig geworden dat het zelffeliciterend wordt. Maar feiten zijn feiten en ook die oude tekst staat op mijn naam. Hierbij ververs ik hem met voor de gelegenheid vertaalde fragmenten van een betere tekst, door William Black:


(...) In de vroegmoderne Europese verbeelding is de typische watermeloeneter een Italiaan of een Arabische boer. De watermeloen, schreef een Britse officier die in 1801 in Egypte gelegerd was, was “een schamel Arabisch feest”, een karige vervanging voor een echte maaltijd. In de havenstad Rosetta zag hij de bevolking watermeloenen “verslinden... alsof ze bang waren dat een voorbijganger ze weg zou grissen”, en watermeloenschillen hoopten zich op in de straten. Daar symboliseerde dit fruit vele van de eigenschappen die het in het postemancipatoire Amerika zou krijgen. Onreinheid, omdat watermeloen eten zo rommelig gaat. Luiheid, omdat het zo eenvoudig is om watermeloenen te kweken en zo lastig is om watermeloen te eten terwijl je doorwerkt – het is een fruitsoort waarvoor je moeten gaan zitten om het te eten. Kinderachtigheid, omdat watermeloenen zoet zijn, kleurig en verstoken zijn van veel voedingswaarde. Ongewenste aanwezigheid in het openbaar, omdat je een watermeloen moeilijk alleen kunt eten. Deze tropen verspreidden zich door Amerika, maar de watermeloen had nog geen raciale betekenis. Amerikanen associeerden de watermeloen even goed met blanke hillbillies uit Kentucky of boerenpummels uit New Hampshire als met slaven uit South Carolina.
Dit kan verrassend zijn, gelet op het feit dat watermeloenen op de voorgrond stonden in de levens van Afrikaans-Amerikaanse slaven. Slavenbezitters lieten hun slaven vaak hun eigen watermeloenen kweken en verkopen, en gaven hun in de zomer zelfs een dag vrij om van de eerste watermeloenoogst te eten. De slaaf Israel Campbell legde een watermeloen op de bodem van zijn katoenmand toen hij zijn dagelijkse hoeveelheid niet had gehaald, en kreeg hem aan het eind van de dag terug en at hem op. Campbell leerde de truc aan een andere slaaf die vaak afgeranseld werd omdat hij zijn hoeveelheid niet had gehaald, en spoedig was de truc bekend in de wijde omgeving. Toen dat jaar de katoenoogst een paar balen minder opleverde dan de meester had becijferd, bleef het eenvoudigweg een 'mysterie'.
Maar blanken in het Zuiden beschouwden het genoegen dat hun slaven hadden aan de watermeloen als teken van hun eigen welwillendheid. Slaven paradeerden normaliter niet met de vrucht en gehoorzaamden aan de gedragscode die door blanken was opgesteld. Toen een opzichter in Alabama watermeloenen opensneed voor de slaven, verwachtte hij dat de kinderen zouden komen aanrennen om een stuk te bemachtigen. Een jongen, Henry Barnes, weigerde te rennen en toen hij zijn stuk kreeg rende hij weg naar de slavenverblijven om te eten buiten het zicht van de blanken. Toen kreeg hij een pak slaag van zijn moeder, herinnerde hij zich, “om die stijfkoppigheid”. (…)
In 1869 publiceerde Frank Leslie’s Illustrated Newspaper misschien wel de eerste karikatuur van zwarten die zwolgen in watermeloenen. Het begeleidende artikel legde uit: “De neger uit het Zuiden spreidt zijn epicuristische smaak zelden tastbaarder tentoon dan met zijn buitengewone zwak voor watermeloenen. De jonge geëmancipeerde slaaf is vooral krachtig in zijn voorliefde voor dat verfrissende fruit.” (...)
De belangrijkste boodschap van het watermeloenstereotype was dat zwarte mensen niet op hun vrijheid waren voorbereid. Tijdens de verkiezingen van 1880 beschuldigden de democraten de wetgevende macht van South Carolina, waar tijdens de Reconstructie de meerderheid zwart was, van misbruik van belastinggeld door zich zelf te laven aan watermeloenen; dit verzinsel haalde zelfs schoolboeken voor het vak Geschiedenis. (...)
Aan het begin van de twintigste eeuw was het watermeloenstereotype overal te vinden – op pannenlappen, presse-papiers, bladmuziek, peper-en-zoutstelletjes. (...) Het lange verhaal van blank geweld om de raciale hiërarchie te behouden speelde in op de lach.
Het heeft iets onnozels om zoveel betekenis te hechten aan een stuk fruit. En het klopt dat er intrinsiek niets racistisch aan watermeloenen is. Maar culturele symbolen hebben het vermogen om onze wereld en de mensen daarin te herscheppen, zoals toen politieagent Darren Wilson in Michael Brown een bovenmenselijke “demon” zag. Zulke symbolen zijn geworteld in historische gevechten – in het bijzonder, bij de watermeloen, met de angst van blanke mensen voor het zwarte geëmancipeerde lichaam. Blanken gebruikten het stereotype om zwarte mensen te beschimpen – om hun iets af te nemen dat ze gebruikten ter bevordering van hun vrijheid, en er iets van te maken om de spot mee te drijven. Uiteindelijk doet het er niet toe of iemand bewust wil krenken door uit het watermeloenvaatje te tappen, omdat het stereotype een eigen leven leidt.

vrijdag 5 december 2014

Men moet hem wrijven met natte lappen

Voor mijn jarenzeventigproject las ik het cultboek De confrontatie (1974) van Monika van Paemel. Verrast daarin al de term ‘briefing’ aan te treffen. En er is een passage:

‘Herinner me een andere tijd, Sinterklaas komt op een wit paard door de sneeuw, in doodsangst plas ik in mijn broek, helemaal weggekropen bij de andere kinderen achter de Leuvense kachel. Maandenlang zijn we de stuipen op het lijf gejaagd. Daar is nu het grijnzend mombakkes van Nicodemus, de zwarte man die kinderen martelt. Als ze binnen komen, onmenselijk groot en dronken als varkens, grijpt Nicodemus J. en stopt hem in de kolenzak terwijl hij afgrijselijk lacht en met een fietsketting op de zak slaat. Dan wordt mijn grootmoeder bang van het geweld dat ze zelf opgeroepen heeft, mijn oom vloekt en J. wordt paars en met uitpuilende ogen uit de zak gehaald. Er komt cognac aan te pas en men moet hem wrijven met natte lappen.’

In hetzelfde land blijft het taalkundig genie onverstoorbaar geloven in het feest dat haar veel lekkers oplevert. Ze zegt dat Zwarte Pieten mannen zijn die behalve uit Spanje ook uit Kokanje komen. Met eentje heeft ze onlangs een gesprek gevoerd. Hij had een dikke buik want was al vele maanden zwanger, vertelde ze. Ook is ze de mening toegedaan dat Zwarte Pieten zich over het algemeen niet goed met schoensmeer schminken. Vooral bij de oren komt de witte huid erdoorheen.
Ja, kritiek geven is makkelijk en erg consequent is ze volgens mij niet. Op een kleurplaat heeft ze het gezicht van Zwarte Piet melkchocoladebruin gemaakt (net als de gourmande, maar die doorkraste de omtrekken tenminste). Dit was bij een actie door de highbrow supermarkt Bioplanet. Op de achterkant van het vel stond de meewarig met Hollanders lachende titel Geef de Sint wat kleur!
Zelf vind ik het leuke van Sint en Piet toch wel, dat ze aan alles beantwoorden wat je in hen ziet. In België vinden de huidige regeringen bijvoorbeeld dat hun voorgangers voor Sinterklaas hebben gespeeld. Deze indruk heeft minstens één precedent in Nederland. Voor critici van de overheid is de goedheiligman sowieso een dankbaar figuur (al zal Jesse Ventura op eenzame hoogte blijven die deze week niet alleen nut en bemoeizucht betwiste van fluoride in het drinkwater, maar daar de nazigeschiedenis in ontwaarde).
Er zijn Piet-critici die diens olijke en hyperkinetische gedrag zo overdone vinden, dat ze er zware woorden voor hebben. Andere mensen zien meer jeugdidolen zulk gedrag vertonen – pakweg van Pippi Langkous over Kapitein Winokio tot Kaatje is de kolder in hen geslopen. De partijen voelen zich gekrenkt door elkaars opvattingen. Dat is veel minder leuk, omdat het stadium van dissensus niet eens wordt bereikt.
Maar toch, die herkenning van de eigen dada’s. De reeds voor verschijnen al geruchtmakende documentaire Zwart als roet: our colonial hangover heeft een fragment waarin als bewijs voor alledaags, hier geïnternaliseerd racisme een ebbenhoutdonkere jongen vertelt dat hij ’s avonds op verlaten straten oude dametjes altijd vriendelijk groet. Om geen verdenking op zich te laden. Het deed me denken aan een passage uit hoogsteigen werk:

Alles is erg. Hesp is goed, Schotse kerken ook. Als dood vogeltje, serafijn van den bloede, hetzelf zou tegenkomen, liep het een straatje om. Dood vogeltje is het straatomlopende type. Als het hetzelf zou tegenkomen.

Toch lukt het me niet in mijn dood vogeltje een zwarte te zien. Een troost dat niet alles maar valt te extrapoleren.
In mijn eigen kindertijd zou ik een blosje op de wangen van de goedheiligman wel hebben gewaardeerd. Hij was er wat menselijker van geworden. Er waren dan wel geen toestanden zoals Van Paemel beschrijft, maar vertrouwen deed ik de man niet. Dat gevoel had hij zelf uitgelokt:

Wees maar gerust, mijn kind
Ik ben de goede Sint

O manicheïsme! Het allergrootste pijnpuntje was zijn boek waar, lang voor de onthullingen door Edward Snowden, alle geheimen en zonden der wereld in vermeld stonden. Zou mijn bibliomanie daar zijn ontsproten, uit cognitieve overlevingsdrift?

zondag 30 november 2014

One Of Us Is Wrong


Het was altijd een leuk spelletje om de klop met de hamer te proberen tegen te gaan. Maar steevast waren knieën weerloos tegen de tik – het lichaam bleek even sterker dan de wil. Zo’n beweging noemde de meester een reflex, en mijn geheugen is te beroerd om zeker te weten of hij toen ook de rilling heeft behandeld.
Het woordje ‘werktuiglijk’. Morgen beter, misschien.
Van mensen die zeer snel schrikken werd beweerd dat ze een slecht geweten hebben. Een dik jaar terug trok er zo’n rilling door me heen bij het zien van een foto van Chris Evert en Jimmy Connors. Die circuleerde in volkomen andere tijden, maar het enige wat deze foto met mij deed, was terugverwijzen naar de werkelijk onverslindbare reeks Het aanzien van.
Iets langer geleden sidderde ik bij verlate kennisname van het bericht dat Hector-Jan Loreis was gestorven. Mogelijk gaf mijn lichaam een eerbetoon.
Over kinderen wordt van oudsher gezegd dat ze zich juist vloeiend en natuurlijk bewegen. Die notie kan, afgaand op onze lieve kleine piranhas, inmiddels worden uitgebreid tot hun gemanoeuvreer met de computermuis. Bijna gedachteloos gebruiken ze dat ding om in de virtuele wereld te komen waar ze willen.
Er bestaat één handeling die bij hen uit de genetische toverhoed lijkt te komen: het dragen van een voorwerp met een vloeistof. Of het nu een glas drank is of een schaaltje met water – plots lijken kinderen bijna bevroren om het voorwerp een paar meter verderop te krijgen.
Vermoedelijk stoelt het spelletje van eieren dragen op een lepel op hetzelfde ervaringsfeit. Het is bij kinderen dan het lichaam dat op tilt slaat. Uit angst voor een recidive voorbij hun geheugen? Ze bewegen in elk geval alsof ze de leeftijd van de allerrijpsten hebben bereikt. Of ontwaren ze het oppervlak van de vloeistof dusdanig exclusief, dat hun hersenen slechts één signaal uitsturen: pas op, de inhoud kan overstromen?
Dat zou een Truth Be Known mogen heten, als ik even Roger Troutman mag plunderen uit de tijd dat hij met zijn broers een bandje had (The Human Body).
Troutman was een funker. Jazz instigeert grotere lichamelijkheid. Niet eens zozeer vanwege de intenties van het genre die zijn beschreven in dergelijke termen, als wel door de uitwerking op toeschouwers. In reactie op de muziek, met name bij de improvisaties, schokken vooral hun schouders, nek en voeten.
Of komen die lichaamsbewegingen uit een cultuurkritisch compendium dat met de jaren bij de satire is ondergebracht? In een beroemd fragment uit de film Theo en Thea en de ontmaskering van het Tenenkaasimperium lijken ingezetenen van een jazzcafé louter spasmen te vertonen. Inclusief pijprokerij is dat cliché ook uitgevent door Jiskefet (ik meen dat het refereerde aan mieters studentengedoe van hooguit een halve eeuw geleden).
Effectbejag uiteraard, maar kennelijk met voldoende appel om er rekening mee te houden. Of is er een andere reden waarom Amitai Etzioni in De nieuwe gulden regel tot tweemaal toe zegt dat het communitarisme geen standpunt inneemt tegenover jazz? En die procedure als aanbeveling beschouwt omdat communisme, fascisme en godsdienstig fundamentalisme ‘allemaal een afschuw van jazzmuziek hadden’?
Kennelijk wil het ergens niet voor door de knieën gaan.

zondag 23 november 2014

Your votes, please


Wie het eerst komt, die het eerst maalt. Dat spreekwoord gaf ons definitief het voorrecht nadat we in een fabriekshal, uitpuilend van spullen die onder de noemer brocante schijnen te vallen, op de zoveelste milde novemberdag onze keuze hadden laten gaan naar twee stembussen. Bij de kassa kon de mevrouw achter ons haar oren amper geloven.
Het was nochtans liefde op het eerste gezicht. Vermoedelijk door mijn gepasteuriseerde afkomst had ik me bij stembussen iets metalerigs voorgesteld, melkbussen – gastvrij voor carbid. Het bleken echter prachtige houten kisten, met stoffen banden van binnen die het deksel met het inwendige verbonden. Niet dat Hugo de Groot er uit het Muiderslot mee had kunnen worden gesmokkeld, maar ze waren nogal fors.
Waarom zou er, binnen de betrekkelijkheid van tijd en plaats, belangstelling voor zo’n kist zijn? Mogelijk bestaat er zoiets als ambachtelijk stemmen. In vergelijking met een druk op de computerknop geeft het inwerpen van een opgevouwen briefje minder brandstof aan de welvaartsziekte die paranoia heet. De tijd van eenzijdig elektronisch stemmen is voorbij, zegt onze stembus nu al bijna en van opiniepeilingen lijkt hij tabak te hebben.
Ook zijn de politieke twisten die in België uitbraken te herleiden tot een legitimiteitskwestie. Een reeks betogingen kant zich tegen het feit dat een meerderheidsregering maatregelen neemt waarin velen zich niet kunnen vinden. Zij hebben het recht daartegen te protesteren en vakbonden zijn van oudsher het orgaan dat bemiddelt tussen werknemers en de rest.
Voorts is het misschien wel het onderscheidende kenmerk van een democratie dat ze de belangen van de kleinste minderheid behartigt (zie bijv. Scheffer, Het land van aankomst). De kwestie is dan eigenlijk of er voldoende ruimte is voor de ander, die sinds enige tijd met een hoofdletter gespeld wordt.
Uit de stembus moet de ander als het ware als een duveltje als een doosje kunnen opspringen. Daar mag men niet alleen iedereen oprecht blij om zijn, men mag er, gevoed door het graan van de overtuiging, daadwerkelijk wat mee doen.
Uit tijden die inmiddels onmetelijk ver weg lijken, stammen immers analyses dat ‘tolerantie’ te vrijblijvend is. Vanaf Clarence Seedorf bezigden allochtone Hollandse voetballers ook een term, die inmiddels alle topvoetballers overgenomen hebben: ‘respect’.
Zoals het boekje Peinzen. 49 filosofische vragen voor kinderen echter al aangaf: ‘Respect betekent niet-veroordelen. Maar de belangrijke kwestie is of dat grenzeloos kan. Bestaan er voorwaarden om respect te koesteren?’ Ai, een paradoxendreiging! Hierover heeft filosofe Baukje Prins geschreven: ‘Hoe zouden we van deelnemers in een debat kunnen eisen dat ze zich keurig houden van de “gouden regel” van het wederzijds respect, terwijl we de vrijheid van meningsuiting beschouwen als het hoogste goed van een vitale democratie?’
Nederland bevindt zich dan in de hoogtijdagen van het poldermodel, van de paarse coalitie die in haar depolitiserende aandriften voorgaf kleurloos te zijn. Stemmen leek eigenlijk geen effect meer te geven. Ook de meest leerzame ogen, die van buiten Europa, meenden dat te zien. Ian Buruma en Avishai Margalit hebben ze laten getuigen in Occidentalisme:

‘Handelaars, of ze nu tot de petit bourgeoisie behoren of tot de altijd bezige mannen van de wereld, zijn slechts geïnteresseerd in de bevrediging van individuele verlangens, iets wat “een hoger moreel besef van de wereld en het geloof in idealen” ondermijnt. De liberale democratie is het politieke systeem dat het best bij handelaars past. Het is een competitief systeem waarin verschillende partijen elkaar bestrijden en waarin de belangentegenstellingen alleen kunnen worden opgelost door onderhandeling en compromis. Het is per definitie onheroïsch en daarom in de ogen van hen die erop neerkijken, verachtelijk, krachteloos, middelmatig en corrupt.’

Die laatste krachttermen kregen bijval binnen Europa, van stemmen die zich kritisch achten. Ze vallen moeiteloos terug te vinden in politieke nieuwsberichten uit linkse hoek op het web. Gebeurt dat al niet in de hoofdtekst, dan in elk geval in de comments die een aanhankelijkheid tonen waar een land op het Songfestival voor zou tekenen.
Dat maakt het even voorspelbaar dat vanuit de bestookte overzijde dan weer de vraag gerezen is of een meerderheid rechten heeft tegenover wat wordt ervaren als de tirannie van een minderheid. Of dat de ander, met of zonder hoofdletter, dus niet doodgewoon een ikke is wiens hachje gered moet. Ze moeten misschien wel lachen of hoofdschudden om het verwijt dat regeringspartijen zich niet houden aan hun verkiezingenbeloften.
Zoveel is zeker: het is nooit goed.
Misschien voelen politieke partijen beter dan welke ‘actor’ dat voortgang altijd de dood of de gladiolen is. Een interne crisis is niet alleen een ‘opportuniteit’ voor tegenstanders, maar ook voor de eigen gelederen.
Het netto resultaat is dat de nieuwsconsument, die men onvermijdelijk is, nog meer afkeer krijgt van ‘de politiek’. Of dat helemaal klopt, zou mijn geloof niet wezen. (Ik ben dan ook niet zo bijdehand als Goethe, die verklapte: ‘Wie handelt is altijd gewetenloos; alleen wie toeschouwt heeft een geweten.’ Dit maxime annex stemadvies, voor de blanco-optie, staat in Over het nut en nadeel van de geschiedenis voor het leven van een zekere Nietzsche, met diens goedkeuring.)
Eén van onze verworven kisten kijkt ons aan alsof hij irritaties heeft in de mondhoeken. Uit slaaptekort, een vitamine C-gebrek of gewoon een iets te uitgesproken mening? Beide zijkanten van de stemspleet zijn afgebroken. Ik ben geen liefhebber of beoefenaar van symboliek, maar het valt niet te ontkennen dat door de afkeer van politiek de balans in de uitslagen een beetje weg is. Stemmers zitten niet meer overwegend in het midden, zoeken vaker de randen op.
Ons brocanterigheidje blikt hopelijk vooral nieuwsgierig naar de wereld. Overigens is het plan om in de stembussen al dat disparate kinderspeelgoed op te bergen waar we normaliter onze benen over breken. Ook stamt de uitdrukking van het eerst komen en eerst malen uit de molenaarsbranche. Gaat zelfs een keuze in een brocanterie over het dagelijks brood?

donderdag 13 november 2014

Bella ciao


Zonder shuffle kom je nergens. Plots klonk er een liedje dat me terugbracht naar lang her. Inspectie leerde dat het ging om ‘Bella ciao’. Ik waande me weer een jaar of zestien, en speelde een blauwe maandag gitaar voor het Socialisties Koor. Een beetje raar want eigenlijk was ik pianist, maar ik deed mee op aanbeveling van de andere, veel betere gitarist die eigenlijk bas speelde.
Moeilijk zal de muziek dus niet geweest zijn. Zeker in vergelijking met de choquerend ingewikkelde jazzrock die we elders dachten te maken, bood dat theoretisch kansen om een groter publiek te bereiken. Adorno heeft geredeneerd dat beschaafde mensen niet meer verontwaardigd hoeven zijn over het radicale, maar zich kunnen verschansen achter de onbeschaamd bescheiden bewering dat ze het niet begrijpen. ‘Daardoor wordt ook het verzet, de laatste negatieve betrekking tot de waarheid, opgeruimd en het aanstotelijke object wordt glimlachend gecatalogiseerd onder zijns gelijken, de gebruiksgoederen, waartussen men de keus heeft en die men kan afwijzen, zonder zelf ook maar de verantwoordelijkheid ervoor te dragen.’
Niks daarvan, toen. Begrijpen! Confronteren! Bloeien!
Volgens de geplogenheden van heden zou ik meewarig of lacherig moeten doen over dat Socialisties Koor, bijvoorbeeld door iets over de spelling op te merken, of omdat volgens de mythe destijds bijna iedereen door partnerruil of toewending tot de homoseksualiteit in een woorddoordesemde scheiding lag. Mij staat een vrolijk en warm gezelschap bij. Wel had ik al een tuinbroek en van mijn ‘kleedgeld’ kocht ik zowel geitenwollen sokken als iets wat een Maojasje heette en eerder ruraal dan onverschrokken oogde.
Misschien denk ik ook met trots terug op het Socialisties Koor omdat het een tijd van grote verwachtingen was. Mij werd verteld dat ik talent had en dat ik daar alles uit moest halen. Later leerde ik dat dit een protestants idee was, nog later las ik Max Weber, maar het hielp allemaal niets. Ik moest me bevoorrecht weten, terwijl ik slechts het ongemak van ‘beter zijn dan’ voelde. Liever saboteren dan exploiteren, dat werd me meteen al duidelijk. Ik wou niet – en bij het Socialisties Koor hoefde dat ook niet. Anders dan het cliché van radeloze betweterigheid wil, was de sfeer er ontspannen, geborgen.
Het is moeilijk voor te stellen dat kinderen toen werden bejegend zoals nu. De gourmande is altijd nogal Hollands in de omgang geweest, maar sinds kort zegt ze me: ‘Liefste papa, kun je me helpen?’ Op het rapport van het taalkundig genie is een lijstje verschenen met gedragspunten van het type kan goed met conflicten omgaan. Op de turnles, een hobby volgens mij, hoort ze dat ze goed vooruitgaat maar bij kritiek ‘niet meer met haar ogen mag rollen’. De verzuiling is niet terug, het idee van onberispelijkheid heeft de publieke levenssfeer domweg opgerold. Dan communiceren we het maximale uit onszelf door allemaal dezelfde taal te spreken – ‘het grootkapitaal’ zal daar geen plaats in vinden.
Ook is het moeilijk voor te stellen dat een politicus in de tijd van het Socialisties Koor een lezing had gegeven zoals Mark Rutte die deze week voor het voetlicht bracht. De overtuiging van gelijkheid, maar dan op sociaal vlak, is passé. De Nederlandse premier onderzoekt juist ‘hoe we de rigiditeit uit ons voorzieningenstelsel kunnen halen, want daardoor staat het betere het goede soms in de weg. Er zit in ons systeem een soort ingebakken angst voor ongelijkheid. Dat is zo gegroeid. Iedereen krijgt hetzelfde, graag of niet.’
Dat persoonlijk voornaamwoord we intrigeert. Rutte pleit namelijk voor individuele vrijheid, die voor hem nu te veel gebonden is aan regels. Hij wenst meer zelfstandigheid en maatwerk, praktisch denken: ‘Niet uitgaan van het gereedschap dat er nu eenmaal ligt en daarmee elk probleem te lijf gaan. Maar andersom: elk probleem op zijn eigen merites beoordelen en daar vervolgens de goede instrumenten bij zoeken.’
Vanuit mijn ouderwetsheid, die plots aanvoelt als een halve eeuw onbeschaafd zijn, vrees ik dat hier slachtoffers van gaan komen. Vanuit de visie van Rutte ben ik mensen in hokjes aan het opsluiten, in dit geval van machteloosheid en achterstand.
Daartegen was ‘Bella ciao’ bedoeld, ook door middel van hoop. Van het partizanenliedje geeft Wikipedia een afgrondelijke Nederlandse vertaling. Ik hoorde het echter in de grootse versie die Wannes Van der Velde maakte voor Kollektief Internationale Nieuwe Scene (elpee De Herkuls ). In de schaduw van een bloem.

dinsdag 4 november 2014

And where there is despair

Over Arthur Lehning gaat het verhaal dat hij, een eeuw oud, als God in Frankrijk zo vergeetachtig was geworden, dat hij telkens aan juryleden vroeg wat de eer was die tot hun bezoek strekte. Van hun antwoord – de P.C. Hooftprijs voor het essay – was hij telkens intens gelukkig.
Zelf heb ik net ontdekt afgelopen jaar tweemaal geblogd te hebben over Margaret Thatcher en Franciscus van Assisi. Eerst in januari, daarna in oktober.
Ik ben er volgens mij nog niet helemaal uit of ik daarom moet lachen.
Wanneer zal het de volgende keer zijn? Eenparig versneld, februari volgend jaar? Als ‘het neoliberalisme’ bedacht blijkt te door Bakoenin? Of als L’Osservatore Romano onthult dat de paus in zijn jonge jaren voor Unabomber heeft gespeeld?

vrijdag 24 oktober 2014

Ongezien

Gymnasium of kleuterschool, één klassieke scène kan elk schoolplein als decor hebben. Drie kindjes spelen en plots zonderen twee zich af en smiespelen en wijzen naar de derde. Die betracht een hereniging, gebruikt daarbij wat fysieke aandrang – en krijgt straf.
Dit vonnis valt zonder de voorgeschiedenis te hebben waargenomen, dus letterlijk ‘ongezien’. Zo heet dat althans in Noord-Nederland.
In België heb ik een andere betekenis van ‘ongezien’ leren kennen, die ontbreekt in Van Dale. Daarbij dient zich in het synoniem ‘ongehoord’ warempel een tweede zintuig aan. Deze versie van ‘ongezien’ betekent zoiets als zonder weerga, zonder vergelijking. Ik vermoed dat dit op zijn beurt uit het Frans komt: ‘(du) jamais vu’.
Waarschijnlijk is in deze betekenis onomkeerbaarheid vervat. Een ‘ongezien’ fenomeen tast al het andere aan of dreigt dat spoedig te doen. In Noord-Nederland spreekt men dan, altijd wat omineus, van een ‘hellend vlak’.
Naar aanleiding van de nieuwe politieke constellatie duikt de kwalificatie ‘ongezien ’in België overal op. Om te beginnen zet het een legitimatiemachine in werking. Door bijvoorbeeld de aangekondigde bezuinigingen van de Vlaamse en federale regering zo te betitelen, worden protesten ertegen, en eventuele grimmige kantjes, meer gerechtvaardigd. Autoriteiten kunnen ze op hun beurt ‘ongezien’ vinden en er een flinke zwabber op loslaten.
Het woord ‘ongezien’ ademt zo een oudtestamentische bloeddorstigheid (Van Dale meldt wel dat ‘de Ongeziene’ een synoniem is van God). Provocaties worden beantwoord met gesar dat wordt beantwoord met verse provocaties en vers gesar.
Het is dat de aanleiding zo treurig is, anders had ik het komisch durven noemen dat buiten elke intentie Nederland antwoordde op zo’n ongehoorde kwestie. Uit de krochten van Facebook werd een staatssecretarisopinie opgehesen dat Marokkanen ‘geen toegevoegde waarde’ aan de economie brengen. Dik een week later bleek dat in Nederland een kunstenaar zich had voorgedaan als Marokkaanse opiniemaker en kon voldoen aan de ‘grote behoefte aan welbespraakte “mediamarokkanen”.’ De opinie-industrie hanteerde ‘ongezien’ toch weer letterlijk.
Ik besef met zo’n gelegenheidsverband te relativeren. Maar de belligerente sfeer heeft iets theatraals, bijvoorbeeld met een afscheid van nuances en met een warm welkom voor het verwarren van symptoom met teken – voor guilt by association. Dit zou de tijd moeten zijn waarin eerst goed definitief van kwaad moet worden onderscheiden.
Wat wanneer er plannen worden geconcretiseerd en goedgekeurd? Zelfs een meeloper van triatlonformaat snapt de consequentie ‘megaongezien’ dan niet.
Er wordt veel kruit verschoten. Het zal door al de herdenkingen van de Groote Oorlog zijn dat die uitdrukking me in loopgraven doet verwijlen. Wel maakt ingegravenheid het makkelijker het gelijk bevestigd te krijgen en te mikken op een vijand die letterlijk toch ‘ongezien’ blijft. Deze parallel met de Oorlog is onsmakelijk maar instructief, precies een eeuw na het begin. Toen heerste er immers nog euforie.
Ik juich verzet toe en geloof hartgrondig in productieve woede. Maar de woede die nu heerst is me te belust, te blind inderdaad. Alleen al de kwantiteit van intimiderende metaforen, de ene nog knulliger dan de andere, maakt het zielig dat steevast de tegenpartij propagandistisch blijkt.
Bij schetsen van de breedte in bezuinigingen kwam me een zinsnede onder ogen die een drievoudige flikflak van pleonasmen uitvoerde: ‘Daarbovenop worden ook nog eens extra…’ De overzijde kreeg dan weer een koppeling te verduren met de Noord-Koreaanse Arbeiderspartij: ‘Het is als actief steun betuigen aan de NSDAP ten tijde van het nazi-regime.’
Hier is men de heilige verontwaardiging voorbij en treedt routine in.
Het jeukt dat zulke redenaties onvermijdelijk zijn voor subject én object. Mij schiet een opname te binnen van Little Feat uit 1973, op Ebbett’s Field, van het geweldige nummer ‘On Your Way Down’. Bij de intro, die nog net weet te openbaren dat Allan Toussaint de componist is, lijkt de band integraal een beetje afwezig. Men snuift hoorbaar, hoort rond, laat zijn partij open en opeens, onbegrijpelijk mooi, zit iedereen voor zich samen in het ritme.
Dat is ‘ongezien’ in zijn sublieme, collectieve betekenis. Maar het onvermijdelijke op en rond het Belgische speelplein geldt de status van het schier wetenschappelijke en majesteitelijke voornaamwoord ‘we’.
Ondertussen suddert de kwestie of de huidige regeringen het beleid van de vorige voortzetten of er komaf mee maken. Wanneer de eerste mogelijkheid klopt, dan wordt de betekenis van ‘ongezien’ wel degelijk letterlijk. De grimmigheid valt alleen te begrijpen uit de laatste optie. Dan komt de toeschrijving ‘ongezien’ in het teken te staan van een tweezijdig revanchisme. Elke kant verwijt de andere kant wij-zij-verhalen op te dissen en trekt de sabels. Afhankelijk van het gemoed heeft het verwijt dat de ander ‘het establishment’ incorporeert, iets intens triests of lachwekkends.
Hoe dan ook doemt het vervolg van de schoolpleinscène op, met de veelvuldig uitgesproken zekerheid: ‘Hij begon!’ Per saldo wijzen de sabels meer dan dat ze snijden. Zo’n strijd wordt slechts beslecht met een eeuwigdurend superlatief van een superlatief.
Overigens bestaat er een gedicht waarin de geopolitieke verankering van ‘ongezien’ naar alle waarschijnlijkheid doorbroken wordt. Het is geschreven door Charlotte Mutsaers (die goed bekend is met Nederland én België) en heet ‘Clausules der vriendschap’:

Oompje, Muisje, Marko,
Irma, Draga, Sas,
Plume, Debora, Per,
Erik, Liesje, Koert,
Ingeborg, Richard,
Marguerite, Dar, Ton,
Carla en Christien

Adorabelen
formidabelen
lieve vrienden
uit mijn leven
weggeblazen
ongezien

Wist ik veel
toen ik
voor eeuwig
vriendschap
met jullie
sloot

Wist ik veel
dat er maar
één bestaat
die recht van sluiten
heeft
de nietsontziende
claviger
geheten
Dood


Naschrift
Hoewel een superlatief van een superlatief niet snel denkbaar is, blijkt de cumulatie van één en hetzelfde superlatief te hebben bestaan. In de voorbereidende schermutselingen voor een boekje over de jaren zeventig, stuitte ik op een passage in De nieuwe kleren van Voorzitter Mau (1971) van de onlangs overleden sinoloog Simon Leys. Hij citeert er een persmededeling: ‘Vice-voorzitter Lin heeft de grote rode standaard van het denken van Mau Tse-toeng het hoogst, het hoogst, het hoogst gehouden. Hij begrijpt het denken van Mau Tse-toeng op de diepste, de diepste, de diepste manier en past die toe op de beste, de beste, de beste wijze.’

dinsdag 14 oktober 2014

Op die fiets!


In het ruime decennium dat ik in België woon, had ik de zegswijze niet meer gehoord. Vorige week was de feestelijke herlancering. 'O, op die fiets', berichtte een Hollandse. Dit moet worden ondertiteld voor de Vlaamse vrienden: 'O, op die manier'.
Onontkoombaar is de vaststelling dat in de twee landen de omgang met de fiets nogal verschilt. Het transportmiddel is min of meer de baas (patron) in Nederland. De hele week door dendert het over voornamelijk veilige fietspanden en het staat in grote steden geparkeerd met een prominentie die in België enkel voor de auto is weggelegd.
Alles in perspectief natuurlijk. Onlangs doken amateurbeelden op van straten in Buenos Aires anno 1978, waar een auto uit de parkeerstoet wist te raken door zich los te wrikken. De bestuurder botste de voor en achter hem staande wagens domweg weg.
Hoe dan ook, een andere zegswijze – dat 'Belgen zelfs met de auto naar de bakker gaan' – kan ik empirisch staven, sinds de weg voor onze buurtbakker is opgebroken en er louter nog een pad voor fietsers en wandelaars uitgespaard blijft. De lekkernijen blijven even verleidelijk, de omzet daalt spectaculair.
Wie zichzelf kritisch noemt beweert uiteraard niets voor vanzelfsprekend aan te nemen, maar volgens mij zijn er grenzen. (En pas op, ik kan er wel om lachen dat de komende vertaling van de duizend pagina's dikke, van grafieken en eindnoten voorziene economiestudie van Thomas Piketty gepresenteerd gaat worden met een interview in de Amsterdamse poptempel Paradiso. En dat aan de man de Nobelprijs voor Economie in het afgelopen halfjaar al talloze keren was overhandigd, tot ze naar zijn landgenoot Jean Tiro bleek te zijn gegaan.)
Natuurlijk wordt er in België best gefietst. In het weekend, door zogeheten wielerterroristen. Ze gedragen zich dan als automobilisten: alles wat voor hen op de weg beweegt, moet zo snel mogelijk wijken.
Veiligheid en fietsen – nee, daarvoor schijnt tot nog toe geen vreedzame coëxistentie weggelegd. Daarom is het misschien extra interessant eventjes na te lopen wat het veelbesproken Federaal Regeerakkoord over de materie te melden heeft.
Onder het kopje Klimaat behoort de fiets tot zes diverse artikelen die onderworpen gaan worden aan 'flankerend beleid'. Door dat bijvoeglijk naamwoord rijst onwillekeurig de indruk dat er vangrails gaan komen, maar zoiets komt pas vele pagina's later: 'De regering stimuleert het fietsgebruik en neemt maatregelen om het stijgende aantal slachtoffers onder voetgangers, fietsers en motorrijders om te buigen.'
Nu begint er, bij mij althans, een andere indruk te ontstaan. Zouden de onderhandelaars ooit een levende fietser hebben gespot? Die kans lijkt verkeken, omdat in de rest van het Regeerakkoord het vervoermiddel nog slechts in een gemotoriseerde context opduikt:

– 'De regering zal met de betrokken actoren de mogelijkheid onderzoeken om de bestuurders van bromfietsen en motorfietsen te aanzien als zwakke weggebruikers t.o.v. de automobilisten.'
– 'De fiets zal afdoende aandacht krijgen in het multimodaal vervoer. Trein en fiets moeten meer samen kunnen gaan.'


Misschien komt het door mijn literaire verleden dat ik inmiddels mensen liever inschat op grond van hun daden, dus het is zelfs in strijd met mijn eigen voortschrijdend inzicht wat ik nu ga beweren, maar op een of andere manier bekruipt mij een donkerbruin vermoeden dat tijdens deze regeerperiode de fietser 'op zijn honger moet zitten'. Zo heet dat in België. Omdat het bourgondisch is (vanwege een Franse slag)?
Die kleur donkerbruin is vermoedelijk de juiste, in de ogen van een meerderheid. Ik heb ooit eens geprobeerd een balletje op te gooien bij ouders van een buurtschool om hun kinderen per fiets te brengen of desnoods met meer dan de reguliere ene passagier per auto. Daarmee bleek ik me te hebben gedegradeerd tot groene ridder. Of in één woord: tot een ecofascist.
Tezelfdertijd besefte ik toen weer wat voor een maatschappijbeeld de overhand heeft. Men beriep zich op zijn recht de auto te gebruiken. Dit betekende misschien ook dat anderen de plicht hebben om de stank, de onveiligheid en de volgeparkeerde straten rondom te aanvaarden.
Dit alles maakt het extra inzichtelijk kennis te nemen van een recente demonstratie in Letland, dat mij niet direct bekend is als fietswalhalla. Fietsers hadden hun stalen rossen aangekleed met wat extra materiaal, zodat ze voor de duur van het evenement op de weg evenveel ruimte innamen als auto's.
Geen gezicht! Grote zonde! Dito woorden!

dinsdag 7 oktober 2014

Slow metaphor


Naar verluidt gaat België een 'hete herfst' tegemoet. Het zou formateur en CD&V-voorman Kris Peeters geweest zijn die de uitdrukking voor het eerst gebruikte, na de verkiezingen. Sindsdien gaan er allerlei mensen mee aan de haal, die er volgens mij grimmiger bedoelingen mee hebben.
'Hete herfst': ineens besef ik weer waarom mijn liefde voor de alliteratie nooit heel groot geweest is. Maar goed, de term voegt zich – naadloos, wilde ik bijna schrijven – bij vele en vele andere. Ze willen iets duidelijk maken door middel van een afwijkende formulering, zodat de toehoorder aan het denken worden gezet. Ostranenie, noemde Viktor Sjklovski dat namens de Russische formalisten.
Alleen is 'hete herfst' het conformisme ten top. De uitdrukking bevestigt flink taalgebruik zoals zich dat in de postideologie aan het ontwikkelen is. Uit de mond van mensen die geen woorden willen maar daden. Bij hen staat de klok permanent op 'vijf voor twaalf'. Zulke versteende beeldspraak, de ene nog prangender of grappiger dan de andere, doet vooral een appel op het incassingsvermogen.
Misschien wordt het tijd voor een slow metaphor-beweging. Daarvan kan, nu paus Franciscus over de hele wereld zoveel lof oogst, de begeleidende muziek komen van zijn naamgever Franciscus van Assisi. Ten minste voor de duur van een couplet, en uiteraard in de Engelse versie:

Where there is discord, may we bring harmony.
Where there is error, may we bring truth.
Where there is doubt, may we bring faith.
And where there is despair, may we bring hope.

Ik zal maar meteen opbiechten dat ik dit liedje niet zelf heb gevonden, maar van iemand citeer die ik zelf niet direct met ontspannenheid zou verbinden. En om helemaal eerlijk te zijn was het de bioscoopfilm over haar, Iron Lady, die mij wist bij te brengen dat Margaret Thatcher op 4 mei 1979, niet echt in de herfst dus, deze woorden had gesproken bij haar aantreden als minister-president, vlak voor Downing Street nummer 10.
Niet gemakkelijk, zo'n stroom van woorden, en op de historische beelden valt te zien dat ze, hoe vertederend, halverwege een snelle blik werpt op een spiekbriefje.
Allemansvriend Wikipedia weet het natuurlijk weer beter. Hij vertelt dat Thatcher niet Franciscus heeft geciteerd, maar de vertaling van een Franse quote uit 1912 die in 1927 aan de vogelheilige toegeschreven werd. Dat had Meryl Streep er wel even bij kunnen zeggen (dat kan tegenwoordig).
Auteur, imitator, plagiator of wat dan ook, voor de industrie maakt het niet uit. De strofe is terechtgekomen in een hit, om niet te zeggen een anthem, "Make Me A Channel of Your Peace", zowel gecoverd door Sinéad O'Connor als, erg mooi, door Sarah McLachlan.
O ja, de 'hete herfst' beperkte zich in de jaren zeventig niet tot beeldspraak. In haar meest indringende periode, die kan worden opgevat als hoogte- én dieptepunt, had de Rote Armee Fraktion er aanspraak op gemaakt. Variant: 'Duitse herfst'. Dat was in 1977, en er vielen twee doden aan burger- en drie aan activistenzijde.

vrijdag 26 september 2014

L.S.

Het zal wel vakidiotie zijn, maar het lijkt wel of een aanzienlijk (voor mijn part ‘significant’) aantal furieuze reacties op de Septemberverklaring in het algemeen en de bezuinigingen op één post in het bijzonder, dezelfde vorm heeft gekregen: de open brief.
Dit ontroert me. Waarom?
Tenminste is er hoop dat het zin heeft een persoonlijk standpunt te delen. En dat een politicus zich als mens aangesproken kan voelen. Het veelgehoorde verwijt dat er op de Wetstraat blind en abstract dingen worden besloten waar de Dorpsstraat concreet de gevolgen van ondervindt, keert terug in het gezicht van de veroorzaker.
Ook de meest wanhopige open brief voelt even geen kloof tussen burger en politiek, zelfs niet wanneer die kloof wordt aangeklaagd. Zo’n tekst is een gebed.
Een andere reden waarom ik gegrepen ben door al die open brieven, is dat ze dit genre weer even een beetje doen heropleven. Althans, de mogelijkheden ervan blootleggen in zijn meest basale vorm: de brief in een envelop, bezorgd aan de analoge deur. Mijn ouders hebben het meegemaakt dat de postbode tweemaal per dag langskwam, ook in het weekend.
Je hoeft geen met ganzenveren zwaaiende cultuurpessimist te zijn om te vermoeden dat door technologische ontwikkelingen de brief nagenoeg van het toneel der menselijke communicatie verdwenen is. BPost zal daar cijfers bij hebben.
In volgorde van opkomst hebben fax, e-mail, Facebook en sms de brief de nek omgedraaid. Wanneer men het vervolgens betreurt dat het persoonlijke uit de communicatie verdwenen is, klopt dat niet helemaal. De boodschap is soms persoonlijker dan ooit. Alleen wordt er wat minder uitgewisseld – meer weggeslingerd dan met open armen ontvangen.
Het verschijnsel revenge porn is daar een extreem voorbeeld van. En de door een notaris te formuleren ‘sociale media-clausule’ in een huwelijks- of samenlevingscontract het logische gevolg.
Dat er valt te communiceren met één druk op de knop na wat vingerwerk op een smartphone, komt de oprechtheid ten goede, maar heeft ook consequenties voor de afgewogenheid van het dienstdoende betoog. Hoewel ik het stadium van Facebook nooit bereikt heb, staan me van mijn e-mails al exemplaren bij waar ik met afgrijzen aan denk.
Tegelijk besef ik een fanaat briefschrijver te zijn geweest, en daar bijna volledig mee gestopt te zijn na de komst van e-mail. Wel had ik toen al zo’n twintig jaar met grote regelmaat papier beschreven of geprint, in een envelop gestopt, een postzegel erop geplakt, naar de brievenbus gelopen, enz.
Achteraf gezien heb ik mezelf zo de kans geboden allerlei stijlen te ontwikkelen. Met de ene correspondent spreek je nu eenmaal anders dan met de tweede, en behandel je ook andere onderwerpen. Diverse inside jokes kregen hun beslag, roddels, opinies – die al ‘maatwerk’ vereisten voordat deze vakterm bestond. Stijl en woordkeus konden op het zelffeliciterende af zijn, om bij de betreffende persoon aan te komen.
Op dat punt stelden de vele open brieven van de laatste week, hoe verheugd ik er ook over was, me soms toch wat teleur. Het verbaast me op wat voor een uniforme toon er geklaagd en betwist werd. Na de versteende metafoor deed het fossiele spreekwoord definitief zijn intrede.
Voor ik me vanuit mijn bureaustoel – omgeven door boeken, speelgoedbeesten, een kaart van Nederland, een poster van Lenin met boeken en papier en inktpot, een hobbelpaard, een metallic bureau van Gispen, een oranjegeel bureau van Ikea, mikado, een busje Yardley Lavender Talc Powder, familiefoto’s en een thermoskan – alsnog een ouwe zeur ga voelen uit een generatie die nog vol aan de slag behoort te zijn, in ziedende haast naar een koppel berichten uit mijn geboorteland.
In Dordrecht is een zogeheten veelschrijver civielrechtelijk gegijzeld. In plaats van de 440 die hij dit jaar al op de teller heeft, mag hij per maand nog maar 2 brieven naar de gemeente sturen (die wettelijk verplicht blijkt om erop te reageren). De strijdlust van de man was na het vonnis ongebroken: ‘Er zijn meer wegen die naar Dordrecht leiden.’
Onrustbarend leek me een noodkreet van de VPRO-gids. De fameuze rubriek Achterwerk raakt niet langer vol. Kinderen hebben er sinds 1976 legendarische brieven gepubliceerd over hun belevenissen en ervaringen. En nu sturen ze niet meer in, zelfs geen e-mails?! Tezelfdertijd schijnen Facebook en WhatsApp ook voor hen onverminderd populair te zijn.
Wat is de status van een tekst of schrijver, wanneer die niet buiten eigen kring komt? En aan wie moet die vraag worden gesteld? Kwatongen beweren dat God nu al overuren draait.

maandag 22 september 2014

Kan Wilders gelijk hebben?


De zwartepietenwet die Geert Wilders in voorbereiding zou hebben om de Nederlandse cultuur te beschermen (en kinderen te vrijwaren van ouderlijke betweterij), smeekt bijna om lacherigheid, in angstige afwachting van een gebed zonder einde.
Het was ook niet niks dat de publieke opinie vorig jaar gestadig deed overkoken. Het bewerkstelligde dat een mensenrechtenprofessor van de Verenigde Naties het racistisch percentage van Zwarte Piet becijferde en, met haatmail tot gevolg, uitkwam op slavernij. Of dat er compromispiet ontworpen werd, uit wie het meeste roet was gefilterd, en die toen meer leek op een Antilliaan, Marokkaan of Turk. Of dat tegenstanders een bodemprocedure hadden aangespannen, nadat een ‘voorzieningenrechter’ het verzoek om een verbod van de Sinterklaasintocht had verworpen. Wat hij volgens zijn collega ‘bestuursrechter’ niet volgens de regels van de juristenkunst had gedaan, omdat Zwarte Piet wel degelijk zou leiden tot een negatieve stereotypering van ‘de’ zwarte mens.
Wat gebeurt er nu? Een run op Sinterklaasspeelgoed, waarin Piet nog in volle incorrecte glorie valt te bewonderen. De reden van dat gedrag kan met een dito generalisering oer-Hollands heten: als collector's item kan zo’n ding geld in het laatje brengen.
Mij enerveert dat dit debat zich voegt naar vele andere: de jij-bak regeert. Ditmaal ervaren beide partijen in elkaars houding en argumentatie ‘paternalisme’. In hoeverre daar reden toe is, ontgaat me. Maar niet dat bij voorstanders van een verbod op Zwarte Piet, omwille van een overtreding van een universele wet, een zeker fanatisme valt te ontwaren, met een slinkende voelspriet voor humor.
Geloofwaardigheidshalve zijn ze ook in het nadeel, omdat ze nog al eens in de plaats van een ander spreken en oordelen (dat die wordt gediscrimineerd). Bijna logisch dat mensen met zulke nobele intenties vroeg of laat worden teruggepakt. Tegenwoordig, door de snelle beschikbaarheid van gegevens, is dat een koud kunstje. Zeker wanneer er, zoals bij de Sinterklaassaga, vermoedens van subsidie rijzen.
Wat is dan de misdaad van mensen die het beste voorhebben met de mensheid? Denkelijk: dat ze beter weten wat fout is dan wat goed. De tragiek is dat ze dat gemeen hebben met hun schandobject, die spreekt namens Henk en Ingrid en dezelfde instrumenten hanteert: verbieden, beledigen, vernederen.
Wilders’ wet wordt verworpen voordat hij hem heeft toegelicht. Nog heikeler is dat hij zich beroept op wat hij opvat als de cultuur van zijn geboorteland. Ludo Abicht, die zelf een parcours heeft afgelegd van de KP-Vlaanderen tot de Gravensteengroep, voelde het volgens mij correct aan toen hij onlangs stelde dat hoogopgeleiden in een kramp schieten wanneer er iets regionaals of nationaals wordt gecelebreerd. Ze zien dan ineens niets anders meer dan Bokrijk.
Sint en Piet hebben in de recente cultuurgeschiedenis evengoed een opmerkelijk parcours afgelegd. Ik denk aan een bij uitstek links en correct duo als Miek & Roel, die in 1970 het nummer ‘Omtrent Sinterklaas’ uitbrachten.

Zie ginds zit ex-sinterklaas, hij weent als een kind
Hij heet nog wel Nikolaas, maar hij is niet meer sint
Hij is tot z'n spijt z'n heiligheid kwijt
(…)
U weet toch, de sint die loopt altijd in ’t rood
Is dus communist en zo links als de dood
En hij wordt vast door Moskou of Mao betaald
Want waar heeft hij anders z'n speelgoed gehaald?
(…)
U weet toch, de sint draagt een baard en lang haar
En werkt bovendien maar één dag in het jaar
Hij is dus een beatnik of een anarchist
Een hippie of provo of idealist
(…)
U weet toch, de sint heeft als vriend zwarte piet
Da's iets wat de oud-koloniaal niet graag ziet
Piet heeft vast een kaart van Black Power op zak
En zeg nou maar zelf, wie wil dat op z'n dak?

Sint was hier dus links, in een tijd dat dit ‘langharig werkschuw tuig’ heette.
Miek & Roel vertrokken van de regel ‘Zie ginds komt de stoomboot’. Daar hebben Paul Passchier en Thedo Keizer nu een versie van gemaakt die de zwarte mens minder moet knechten. Met name het rijmpaar ‘Zijn knecht staat te lachen en roept ons reeds toe / Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe’ bleek onacceptabel. Het is vervangen door:

Kijk, Piet staat te lachen en roept naar de kant:
'Ik heb genoeg lekkers voor heel Nederland!'

Treurig. Blijheid gevuld met stoplappen. Dat de oorspronkelijke regel foetsie is, heeft voor mij een onhandig gevolg. De openingsalinea van mijn essaybundel Laden en lossen verwees naar het zoet versus de roe. Binnen één decennium is dat boek definitief historisch geworden en behoeft het een verklarende noot. Mogelijk zal ‘lekkers’ op termijn even onbegrijpelijk zijn, omdat het verwijst naar snoepgoed terwijl Nederland onderhevig blijkt aan nieuwe eetpatronen. Anders dan het Pieten-probleem doet vermoeden, is de parameter hier niet gezondheid maar snelheid. Biefstuk met wijn in ‘Nederlands-Franse restaurants’ sneefde onder een afhaalpizza of een shoarma.
Samen met 24 andere herschreven liedjes moet de stoomboot meevaren in de bundel Sinterklaasje, kom maar binnen met je Piet. Wat een titel… In dat genre geef ik de voorkeur aan Kom met je waldhoorn tussen mijn Alpen.
Op hun beurt zullen Wilders-sympathisanten niet vrolijk worden van het feit dat dit boek nog dit jaar op alle basisscholen moet worden verspreid. Daar ruiken ze alweer subsidie. Maar de procedure is zoals de VN-werkgroep uiteindelijk aanbeval.
Is er uitkomst, antwoord, verlossing? Ik meen dat het blanke bibliotheekmedewerkers waren die aan het eind van de twintigste eeuw weigerden De Artapappa’s van J.B. Schuil uit te lenen, omdat twee kaffers uit Transvaal in dat jeugdboek uit 1920 racistisch zouden zijn beschreven. In dat waargebeurde verhaal (over een multiculturele vriendschap tot in de dood) betonen zij zich onder het uitslaken van kreten als ‘Oeloepoe hier ik ben’ fameus atletisch en de conclusie luidt ongeveer dat goed en kwaad gelijkelijk is verdeeld onder blanken en zwarten – maar een aangrijpender boek staat me niet direct bij.