zaterdag 9 juli 2016

Kamasi for President



Staan de Angelsaksische landen in brand? De berichtgeving, die hier van oudsher een Angelsaksisch smaakje heeft, doet vermoeden van wel. Tegelijk lijken culture wars naar de Lage Landen overgewaaid. Er woeden allerlei debatten over details die futiel hebben geleken en over tradities die onmogelijk een haar in de boter dachten te kunnen serveren.
Bij die geschillen is er beduidend meer kritiek dan zelfkritiek; er worden vooral diagnoses gesteld zonder geneesmiddelen. Toch kan ik lastig aannemen dat westerlingen te verdelen zijn in hen die een ivoren toren bewonen en hen die betogen vanuit de onderbuik. De crux zou dan liggen in de omgang met angst.
Een recensie bood deze charmante fehlleistung: ‘Het racisme in Nederland rijkt verder dan directe, openlijke beledigingen en zit ingebakken in zowel culturele als politieke structuren.’ In de spelwijze ‘rijkt’ zit een sociaaleconomische positie die, grosso modo, de aanzet vormt voor huidige tegenstellingen. Tegelijk bijt haar hoge generalisatiegehalte de bewering in de staart.
Er lopen meer breuklijnen door Angelsaksië, die de debatten blootleggen. Dat is op zichzelf verhelderend en vruchtbaar, maar het is dikwijls moeilijk te geloven dat die geschillen het fameuze wij-zij-denken beweren te overwinnen. Eerlijk gezegd ontgaat me het volkomen hoe men van weerszijden zo’n alwetendheid demonstreert. Ik snap althans niet hoe een pleidooi voor inclusiviteit gepaard kan gaan met stelligheden over wat anderen waarom over derden denken, vinden en wel of niet bedoelen.
Zelfs vraag ik me af of het dienstdoende standpunt ruimte laat aan de mogelijkheid de ander te overtuigen. In Twitterland blijkt bijvoorbeeld, met referte aan het begrip ‘solidariteit’ dat mij na het hart gaat, een foto van ‘blanke vla met een negerzoen’ het te hebben opgenomen tegen een pannenkoek in de vorm van een hakenkruis en cupcakes die eruitzagen als KuKluxKlanners. Over de aanstichtster van deze culinaire rel berichtte het artikel in stijl: ‘Nu toonde zij eerder al niet het licht der beschaving te zijn, het is dus maar de vraag of ze de kritieken begrijpt.
Misschien blijft de onmin ook sidderen omdat het ontbreekt aan een ‘positief voorbeeld’. Dat ik op mijn oude dag zo’n stichtelijke term durf te gebruiken (had ik in mijn jonge jaren niet gedacht)! Zo’n positief voorbeeld mag geen prooi worden voor rolmodellering of voorbeeldfuncties. En het belangrijkste: het hoeft niet zozeer te gaan om een persoon, als wel om wat deze aan ervaringen teweegbrengt.
Welnu, volgens mij is de redding nabij.
Vanuit de theorie, meer in het bijzonder door een wandtegeltje van Stevie Wonder, wist ik al dat muziek is: een language we all understand. En de plaat had ik al uitgevoerd gezien op het internet. Maar nu ben ik er als levend lijf getuige van geweest, en is mijn campagneadvies af te geven op basis van ondervinding: Kamasi for President!
Er is al veel over The Epic van Kamasi Washington geschreven, maar het project dunkt me op dit moment relevanter dan ooit. In tijden waarin het woord ‘cultuur’ al afschuw opwekt en in Vlaanderen na de toekenning van subsidies de poorten van de rituele verontwaardiging weer opensloegen, verheugt het dat The Epic bij uitstek cultuur is – en toegankelijk blijkt zonder drempels.
Ja, dit is jazz, maar met alle denkbare andere stijlen erdoorheen, in wisselende verhoudingen. Ja, er staat een contrabas bij, maar deze is letterlijk getatoeëerd. Kortom: alle windstreken, weertypes en zonnestanden komen binnen. Eenmaal in deze cultuur geraakt neemt de kennis spectaculair toe.
Evenmin valt te ontkennen dat religies terug een rol spelen in het alledaagse leven die ook voetbal niet weet in te vullen. En dat een concert van Washington de indruk biedt aanwezig te zijn bij een mis, zij het voor alle gezindten. Maf is dat er geen richting wordt gewezen, maar sensaties de kop opsteken van zoiets als gemeenschappelijkheid. De ongewone grootte van Washingtons band werkt dat gevoel in de hand.
Deelnemen (niet: ‘participeren’) lijkt bij hem het parool. Solisten krijgen alle ruimte, zonder dat ze in het narcisme van technische exploitatie kunnen vervallen. Mij deed bijvoorbeeld een drumsolo herademen. In de geschiedenis begon die op kant drie van een dubbelelpee, terwijl Washington twee drummers in dienst heeft die wel op elkaar moeten reageren. Etaleren zou misplaatst zijn.
Als bandleider benadrukt Washington de kleine verbanden, van familie en vrienden die niet alleen bij hem op het podium staan, maar die hem ook hebben geïnspireerd. Vanuit de traditie van de vadermoord is dat toch een ander geluid, om nog te zwijgen van het etiket ‘burgerlijk’ dat in protestjaren vanzelfsprekend werd geplakt op alles wat die vader te vertegenwoordigen leek.
Mijn gedachten gingen even naar een uitspraak van Catherine Ongenae. In Seksisme. Nee, wij overdrijven niet! vertelde ze dat ze er moeite mee heeft aangesproken te worden als ‘mama’ – alsof een vrouw geen andere ‘kwaliteit’ heeft dan het moederschap. Bij Kamasi Washington is dat dus niet eens meer een kwestie. (Ik snap nu waarom er trots in me opwelt wanneer in professioneel pedagogische kringen iemand ‘papa’ tegen me zegt.) 
The Epic wordt intenser naarmate het verhaal langer duurt. Dat is niet bij elk optreden binnen de programmering mogelijk, maar ik vind het geweldig dat het woord ‘uitrollen’ ook eens in deze betekenis mag bestaan. Via de onderbuik verspreidt de muziek zich over het lichaam, tot in de ivoren toren die wel brein genoemd wordt. Kamasi Washington vertoont een inclusief project.

donderdag 30 juni 2016

‘Teruggestuurd in een bootje’: drie gedichten




Vandaag: Joris Vercammen (1984). Gitarist en gitaardocent in Berlijn. Publiceerde gedichten in DWB, De Brakke Hond en Yang. Momenteel werkt hij samen met schilderes Aya Onodera. Daarvoor gaan ze samen twee weken in Italië in residentie bij Case Sparse. Vercammen interesseert zich o.a. voor natuurlijke feedback, boven- en ondertonen. De opname van Onze Nietzsche verrijkte hij met muziek.




Welke plaats heeft het goud in het elektrische universum?
De koning kon zich niet beheersen, en gebruikte zijn macht.
  
In Avignon vond het jaarlijkse festival plaats, waar de paus woonde.
Maria draagt geen kind. In St. Remy, bij Arles zag Van Gogh de kleuren.
  
In Saint Marie de la Mer wordt Sara la Kali teruggestuurd in een bootje.
Bij de gouden bron draagt Maria de Egyptische vlecht. Ze wijst naar zichzelf.
  
De vis toont de geometry. De ring is het unicaat.
Push-back-beleid is een sterk woord. Het mummiestof kon je kopen.
  
In de hogere octaven werd gemerkt hoe het goud transponeerde.
Wat komen onze moordenaars hier zoeken?
  
Het witte poeder deed je oren fluiten. In het fluiten hoorde je stemmen.
Je bloed is je individualiteit. Zij dronken je bloed.
  
Bij het propere dal werd de sneeuwpop, ritueel van de berg geduwd.
A.V.V. - V.V.K. , in het tempelkruis staat de V. in het centrum.
  
Dat is een W met A er boven en V er onder. Kristus schrijven we nu met C.
  
Het Enochiaanse alfabet, in de torenkamer in Praag, met de trap uit een stuk.
Naar wie luister jij? Ken jij je eigen stem? Is het allemaal in beeld?





De plant in de pot bij het raam


De strijd is weg. Er is geen strijd in onze haren.
We sneden de haren op onze armen af.

Uit de liefde kwam nog iets gezwommen als een waterrat.
In de hitte ging het ordelijk verder.

Ik ging verder en wist niet meer naar wie te luisteren. 
Ik had de politicus bijna geslagen.

Daarover struikelen bracht mij niet verder.
We zouden slapen en dan verder denken.

Het ritme is voorbij. De slaap heeft ingezet.
Nu lopen de dromen binnen.

We zwijgen.
We denken, voelen en willen.







Naar het propere hart van Europa stroomde het geld.
  
In de hoofdstad van Europa werden de kinderen gekeeld. 
De politicus was een beul. Willen we revolutie?
  
Zij willen een opstand. Le commune de Paris, die Märzrevolution,
Cinque giornate di Milano, startten, op, jawel, 18 maart.
  
Op 18 maart loog Blair voor het Britse parlement,
686 jaar nadat Jacques de Moulai stierf, 686 = 11 en 18 = 9.

9 dagen na 13 maart 2016 ontplofte een bom in het vuile hart.
  
Artevelde wijst. Moeten we dan, in regios bij elkaar, elkaar niet verstaan?
  
Het is niet allemaal een droom. De uil is de kronkelende draak.
  
In de pharao's, in de heilige strijders, in de menselijke mythe,
stroomt het blauwe bloed, het lijkvocht, het chemische huwelijk.

vrijdag 24 juni 2016

Saggerijn



Opgepast: een mening! Van de EU heb ik niet meer verstand dan andere rechtopstaande apen, maar de afstand die Groot-Brittannië ervan genomen heeft dunkt me het zoveelste staaltje van slecht humeur.
Zou het werkelijk aan de zogenaamde vluchtelingenstroom te wijten zijn, dat de stemming er niet echt in zit? Achteraf lijkt het me logisch dat er voor een Brexit is gestemd; burgers willen alleen maar slechtigheid zien.
Deze week had de merkwaardige site Doorbraak een cultuurpessimistisch artikel dat de deprimerende staat van de Vlaamse media wilde aantonen door een radioscoop aan te kaak te stellen over EK-supporters met ‘60 bakken bier voor 40 mannen’. Bezorgde burgers vielen de klokkenluider bij met comments over panem et circenses en

‘tijdens het E.K. word er over niets anders gesproken dan voetballers, ploegen en hoeveel men gezopen heeft tijdens de match. Dit is voor mij het teken dat onze maatschappij zijn prioriteiten verloren heeft en het eigenlijk verdient ten onder te gaan aan zijn eigen hedonisme en domheid. De politiek, het bedrijfsleven, media en onderwijs zijn hier allemaal schuldig aan, maar de grootste schuldige is het volk zelf, dat zich wentelt in zijn/haar domheid en naieviteit en weigert zelfs maar een beetje gezond verstand te vertonen.’

Het is dat mijn Latijn niet meer zo goed is als het nooit is geweest, anders had ik achter één werkwoordverbuiging sic ingevoegd. Zelf vond ik de indicatie van het bierverbruik niet eens geheel onleerzaam. Het vormde zelfs extra anekdotisch bewijs bij een recent onderzoek met onthutsende resultaten over alcoholgebruik bij Belgische chauffeurs.
De merkwaardige site The Post Online had op zijn beurt een bizarre blog van een Hollandse academicus die een jaar in Brussel verblijft. Hij had vlak bij de gebouwen van de Europese Unie een broodjeszaak ontdekt en klaagde over: het logo, de prijs, de vermelding van alle ingrediënten, de papieren tasjes, het dienblad, de afvalscheiding, de ter beschikking internationale kranten en de namen van de gerechten.
Uiteraard vond deze vrolijke Frans de winkel – uit de keten Exki die je overal in België vindt als gezonder bedoelde variant van de Panos – symptomatisch voor EU-ambtenaren en het systeem dat zij incorporeren.
In verband met genoemde unie is deze culinaire kritiek weer eens wat anders dan het verhaal over de wettelijk vastgelegde kromming van komkommers. Toch raakte ik net iets meer onder de indruk van de man die dezelfde dag in dezelfde plaats een halve wijk plat wist te leggen met een bomgordel waarin koekjes en zout zaten.
Maar ik erken mijn poëticale vooronderstellingen onder de pet te houden. Als Hollander van geboorte word ik in den lande geregeld gepest met lunches van ‘karnemelk en krentenbollen die met kaas zijn belegd’.
België heeft de Nexit dus al voltooid, zonder dat de elite onder leiding van Wilders daar haar stem over kon uitbrengen. Knettergek! Afschuwelijk! Verschrikkelijk! Om niet te zeggen: barbaars! Waar gaat het naartoe met het heden?

vrijdag 17 juni 2016

Bovenarms




Hebben de Rode Duivels het moeilijk? Over de openingswedstrijd tegen Italië was de gourmande, voor wie we binnenkort op ‘kleuterproclamatie’ moeten, terdege ingelicht – volgens haar hadden de Rode Duivels tegen Vlaanderen gespeeld.
Daar had ze ergens wel gelijk in. Als bewijs zou ik nu de juiste opstelling moeten geven, maar ik heb de sportschool niet afgemaakt.
Als culturo ligt voetbal me natuurlijk na aan het hart. De kwalificatie ‘natuurlijk’ belooft misschien een legitimatiepolitiek, desnoods met campy intellectualisme. Ik bedoel haar als bestanddeel van dagelijks leven.
Zoals uit zijn dagboeken uit de jaren zestig en zeventig blijkt, was dat bij Jan Wolkers evenzeer het geval. Een kruising tussen ontspanning en inspanning, net zoals lezen, televisiekijken en ruziemaken over politiek met bezoekers dat voor hem konden zijn.
Even vanzelfsprekend als zijn steun voor de CPN, het Angola Comité en de Anjerrevolutie was toen Wolkers’ afkeer van West-Duitsers. Nadat ze op de WK 1974 van de DDR hadden verloren: ‘Die moffen zijn volkomen van de kaart. Een tweede Stalingrad’.
Dit lijkt toch een wat ander universum dan dat waardoor Komrij zich bewoog. In zijn bevindingen over het televisiejaar 1976, neergelegd in het boek Horen, Zien en Zwijgen, zou deze met afgrijzen melden dat er in één weekend drie voetbalwedstrijden integraal werden uitgezonden.
Weer iets later – ze waren alweer volledig hersteld van de uitschakeling in de Europacup 2 door FC Magdeburg – begon ik thuiswedstrijden van NAC te bezoeken. Daar klonk een slogan die in de recentste spelling waarschijnlijk aldus moet: hiha hondenlul. Misschien is die tekst inmiddels voorgedragen voor de UNESO-lijst voor immaterieel erfgoed.
Het waren, kortom, de topjaren van het Nederlandse voetbal die zo pijnlijk contrasteren met de huidige woestijntijden. Gelukkig dus maar dat er Rode Duivels zijn, hoe schutterig hun banbliksems momenteel nog over het veld gaan.
Van mijn rare afstandje vind ik het toch nog ongelooflijk hoe de verveling boven de rivieren wordt verdreven. Er kwam bijvoorbeeld een woordenlijst met Voetbalvlaams. Daarvan waren mij na vijftien jaar grensoverschrijding de meeste termen nog niet bekend. Maar wat of wie ik ben is mij al langer een raadsel.
Een enkel woord ken ik wel, zij het in een andere betekenis (‘recuperatie, titularis’). Voorts zou het leuk zijn te boekstaven dat in België de bal niet stuitert maar, adequater, ‘botst’. Ook miste ik ‘tornooi’ – dat schoot me te binnen omdat ik van de tekstverwerker een rode streep had gekregen onder mijn tiepsel ‘tournooi ‘.
Een toevoeging aan de woordenlijst kan verder een hele uitdrukking zijn, die dan letterlijk mag worden genomen: ‘Het gaat er bovenarms op’. Voetballers ogen als grootverbruikers van de tatoeage.
Allemaal flauwekul, uiteraard, maar ik pas me aan aan het geboden amusement. Het is mij althans nooit gelukt om hooliganisme te lachen (wie gaat dat betalen na een Brexit?). Als ik het goed begrijp, heeft het toernooi verder slechts een Hosen-gate opgeleverd, ook wel snuffelgate.
Omdat ik snob genoeg ben de wedstrijden te bekijken op de VRT, was mijn hoop gevestigd op eindelijk een vrouwelijke kenner, vooraf en in de rust en na afloop. Helaas spreekt ze hetzelfde analistenjargon, terwijl er zoveel zinvols mogelijk is.
Wat dat aangaat was de sensatie groter toen ik onlangs als oefening spelertjes op de keepende trainer zag aflopen, waarbij telkens het bevel ‘Dribbel me!’ afging. Bij een onovergankelijk werkwoord een lijdend voorwerp, da’s klasse. En dan ook nog scoren.

donderdag 9 juni 2016

Kippenkooi

Er zal veel lelijks over YouTube te zeggen zijn, op rechtenvlak bijvoorbeeld, maar ik ben er fan van. Af en toen schakel ik er een liedje aan en klik het beeld weg, om op de computer te kunnen werken. En dan associeert de site erop los met volgende nummers. Ongetwijfeld met zoektermgebonden algoritmes, mochten die bestaan, maar de optimist in mij ziet het liefst een dominospelletje ontstaan.
En hoopt op resultaten voorbij zouteloze virtuele genreradio’s, op willekeur en ongekende verbanden, die de arbeid dusdanig prettig onderbreken dat ik gewoonweg moet zien wie en wat.
Zo ontdekte ik een paar jaar terug Any Trouble, meer in het bijzonder de elpee Where Are The Girls uit 1980. Elders heb ik daar al wat over geschreven; mij stemde deze muziek helemaal ‘vrolijk’, om het meteen al onmachtig te stellen (tenzij met een vergelijking: zoals in Nederland The Mo mij wist te raken).
Het was uiteraard ook een ontdekking met terugwerkende kracht, die mijn beoordelingskracht veroordeelde. Waarom had ik Any Trouble destijds gemist? De muziek doet me denken aan de grote Elvis Costello uit dezelfde jaren, misschien is YouTube zelfs via hem op deze band gekomen, maar op een of andere manier vind ik Any Trouble beter – en zou dat dan snobisme zijn, exclusiviteit van mijn ontdekking?
Zeker snobistisch dunkt me mijn afkeer van de te grote bijval voor Tom Browns ‘Funking for Jamaica’, met die ietwat waanzinnige zangeres Toni Smith – ik ken iemand die bij het horen van haar stem in een zwembad sprong. Ook daar bood YouTube uitkomst. Nagenoeg dezelfde bezetting verzorgt de ‘Nursery Rhyme Song’ van Weldon Irvine (toenmalig arrangeur bij Browne).
Beide liedjes zijn eigenlijk een jam, quasi-spontaan, en scheppen een sfeertje zoals destijds in de fijne draakfilm Fame, gebaseerd op het reilen en zeilen van de Juilliard School. Bij deze Irvine is Smith eveneens te horen, en Tom Browne zelf, Omar Hakim... Beroemdst van dit losvaste team werd Marcus Miller, wiens bas hier nog niet Bor de Wolf tracht te imiteren.
Wel raar komt mij de sensatie voor dat ik in dit genre – open baspatroon, rechte drums – veel betere liedjes ken: ‘Reach for it’ en ‘Dukey Stick’ van George Duke. Maar die zitten dusdanig diep in mijn systeem, dat de wanorde van YouTube me welgevalliger is.
Duidelijk tot nu toe wordt me dat deze site iets uitricht met de verhouding tussen originaliteit en navolging. Zo bracht de Yellow Magic Orchestra ooit een versie van ‘Tighten Up’, waarop het overwegend zwarte publiek van het legendarische programma Soul Train toegeeflijk, om niet te zeggen gul danste alsof het funk was.
Zou dat nou camp wezen?

maandag 30 mei 2016

En ik zei niets van alles wat ik bedacht had




Hier in België zijn peters en meters belangrijke mensen. Ik ken ongelovigen die als het ware een moord doen om die status te bereiken – en daar de boreling levenslang voor betalen in de vorm van cadeaus.
In Nederland heet dat peetoom en peettante. Klinkt toch wat minder. Maar de mijne waren meer. Mijn peettante was bijvoorbeeld een wonder. Ze was erbij toen mijn ouders elkaar ontmoetten.
Als ze op bezoek kwam, dronk mijn moeder met haar bessenjenever. Op zijn beurt had mijn peetoom, volgens het parochieblad, uiteindelijk ‘de kelk van het lijden tot op de bodem uitgedronken’.
Daarna draaide mijn peettante het liedje Laat me alleen’ van Rita Hovink, tot grijswordens toe (van de elpee). Het was een beroemd liedje, een hit, waarvan mij slechts één frase bijbleef. Over een glimlach die pure parodie is.
Ik heb mijn peettante destijds het gedicht ‘Iep aan de kade’ van T. van Deel gegeven. Dat had ze voor de gelegenheid drastisch herschreven, door voor het bezittelijk voornaamwoord een hoofdletter te gebruiken: ‘De boom laat ons het uitzicht na / op Zijn afwezigheid’.
Een legitieme herschrijving, ze had bewust de oorlog meegemaakt.
Een jaar na haar grote hit slaagde Rita Hovink er volgens Wikipedia in de laatste plaats te halen bij het Nationale Songfestival. Dat was met het liedje ‘Toen kwam jij’.
Ik heb daar zojuist kennis mee gemaakt, en vind het niet slecht. De tekst is er een beetje over, maar op een songfestival was dat niet opgevallen – we schrijven 1977, lang voor Google Translate, het apparaat zonder omtrek waarmee ook getuigenissen van vluchtelingen worden ontcijferd.
In Hovinks refrein staat zelfs een best mooie regel: ‘En ik zei niets van alles wat ik bedacht had’.
Vanochtend is het taalkundig genie vertrokken op zogeheten boerderijklassen. Ze scheen de enige met een rugzak; een beetje lagerescholier reist voor twee overnachtingen met een koffer op wieltjes. En het zal aan de zondvloed te wijten zijn dat ik de enige ouder bleek die voor het wegbrengen de fiets had genomen.
Een auto kan ik alleen in nachtmerries besturen. Mijn peettante beschikte, nogal uitzonderlijk voor haar generatie, wel over rijvaardigheid. Wel gebeurde dat in een wagen met de duistere krachten van het ‘automatisch schakelen’.
Het was de tijd waarin Hannes Meinkema in haar cultroman En dan is er koffie het woord ‘mevrouwig’ lanceerde. Dat leek geen compliment, want verwijzend naar rolpatronen. Hovink moest toen nog met de parodie van de glimlach afkomen.
Tegen het taalkundig genie zeg ik alles wat ik bedenk. Ik durfde haar alleen nog niet om de oplossing te vragen. Volgens de folder staan boerderijklassen namelijk in het teken van de verwondering. Toch hoeft dit geen slechte poëzie op te leveren, aangezien de kinderen in verbondenheid beloven te raken met het Mysterie.
In de dagelijkse praktijk bedenk ik weinig dat de moeite van het zeggen waard is. Dat maakt mij een slechte aan de telefoon. Behalve met mijn peettante.
Een paar maanden geleden heb ik haar gebeld, en er is toen een persoonlijk record gevestigd van meer dan twee uur. We spraken over van alles en nog wat, behalve over koetjes en kalfjes (die een privilege zijn van boerderijklassen).
Wat mijn peettante altijd feilloos heeft kunnen benoemen is wat bij Kinderen voor Kinderen een droeverig gevoel’ heet. Over dat licht afwijkende woord, dat in een heel ander register dan het ‘mevrouwige’ ligt, blijkt op een forum van gedachten te zijn gewisseld. De meeste deelnemers vinden het iets herkenbaars oproepen.
Ook daarom beschouw ik mijn peettante als een echte intellectueel. Ze had een fabelachtig vermogen tot inleving, schreef, las in alle talen, speelde partijtjes simultaanscrabble op de iPad en bezocht permanent de universiteit van het leven.
Mij heeft ze blind leren typen met tien vingers, iemand uit haar wijk heeft ze op hoge leeftijd – plusvijfentachtig – nog Franse les gegeven.
Nom de dieu. In het songfestivalliedje dat haar Waterloo werd, zong Rita Hovink: ‘Liefde. Wat is er dwazer dan liefde? Wachten.’ Zou dat hetzelfde zijn als de bodem van de kelk bereiken?


P.S. Over songfestivals gesproken: de eerste Nederlandse winnaar van de inmiddels nogal geëxpandeerde Eurovisie, Corry Brokken, is gestorven. Dat liedje ‘Net als toen’, uit 1957, duurt maar liefst vierenhalve minuut, met van 3.25 tot 3.55 een vioolsolo! Een sprookjesland dat nu aanvoelt als pure parodie. En Brokken zelf werd rechter.

donderdag 26 mei 2016

Geef het aan de bedelende poes




In het interviewboek Kaaskoppen van Robert Vuijsje biecht Mr. Polska op dat hij ‘half soep, half mens’ is. Hij wijt dat aan zijn geboorteland Polen. Als voorbeeld noemt hij rosul, een soep met grote stukken kip en groente. Ik vermoed dat zoiets in Nederland ‘maaltijdsoep’ heet, maar redelijkerwijs klinkt dat een beetje verwend, zo niet pleonastisch.
Misschien ligt de bron van rosul in een trans-Atlantisch recept. Van het feit dat de liefde door de maag gaat, heeft Maceo Parker de ingrediënten benoemd:

I need a magic stick
to get you in my trick
I need a rabbit's foot
just to get you hooked
I need a bowl of soup
just to make a stew
I need a turtle's egg
I wanna make you beg

Diende de Poolse variant zich aan door een geringere beschikbaarheid van (verse) producten? En smaakte less vervolgens werkelijk naar more?
Soep is een zelfstandig naamwoord, zowel mannelijk als vrouwelijk. Voor zover ik weet zijn zij en hij nooit voor een moderne identiteit ingezet, zoals lasagne. Raar, gezien de opties die een bouillabaisse biedt versus een bouillon, en het feit dat er, gazpacho indachtig, ook ijskoud iets bijzonders aan kan zijn.
Fijn aan soep is natuurlijk dat je ervan kunt slurpen als hij heet is. Toch is er iets aan waar ik me geen raad mee weet. Mij staat althans geen soep voor de geest die zelfstandig mijn buik- en maagbewegingen heeft weten te remmen. Altijd kwam er op zo’n dag een moment nadien, waarop meer warm voedsel nodig bleek.
Vermoedelijk heeft die sensatie al vroeg een stoeltje in mijn systeem bezet gehouden. Tot de eerste stukjes uit de Bijbel die ik las, behoorde zeker het verhaal over Esau die aan Jacob zijn eerstgeboorterecht verpatste voor een bord linzensoep. ‘Dat rode daar’ . Ik weet nog dat mij dat meteen een stomme zet leek. Zou het ongeloof daar begonnen zijn?

donderdag 19 mei 2016

Neeltje van Beveren (1977-2013)


De recente studie Allez, ge gaat het ook eens proberen’. Over uitgeverij Meulenhoff|Manteau (2003-2010) meldt dat Stijn Gooskens meer dan drie jaar geleden is gestorven. Zijn naam was me eerlijk gezegd ontschoten, zijn pseudoniem niet. Laat staan zijn begaafdheid, die zich helaas heeft beperkt tot één bundel Alles voor de vorm uit 2003.
Ik vind het nogal wat: het feit dat Neeltje van Beveren dood is. De onzichtbare dichter zwijgt voorgoed.
Te vertellen heb ik ongeveer niets over hem. Een intelligente student filosofie, vrolijke jongen met baard en zonder interessanterigheid, met wie ik als fondsredacteur in Amsterdam één keer gesproken heb. Boven een lijvige computeruitdraai die van mijn aantekeningen was voorzien.
Mijn geheugen laat me in de steek, terwijl ik zeer onlangs uit Dit kan niet waar zijn van Joris Luyendijk het begrip arse covering heb geleerd. Het betekent dat je, in ieder geval in de banksector, al je mails moet bewaren omdat je altijd beschuldigd kan worden, evengoed van dingen die je niet hebt gedaan, geschreven of gezegd.
Toch ben ik vrij zeker van die computeruitdraai, met in handschrift daarop louter een e-mailadres. Dat was voor mij toen een voorrecht – bij een inzending eens geen aanbeveling te lezen van een autoriteit die met mes en vork kon eten.
Mocht de indruk ontstaan dat ik een of andere heldendaad voor de literatuur heb verricht: mijn aandeel bestond uit het forwarden van Van Beverens e-mailadres naar een collega, die Alles voor de vorm heeft uitgegeven.
Dat poëziedebuut heb ik na het verlate nieuws van de dood herlezen, en ik viel onmiddellijk weer voor een openingsstrofe als

op bladzijde tachtig van zijn laffe roman
schrijft jean-paul sartre: ‘men moet geen
angst hebben’. ik zweer je had die schele
in mijn tijd geleefd, dan was ik hem met
zwarte maskers langs het pad gaan liggen.

Natuurlijk wordt de titel van de laffe roman niet vermeld, en is de ik zelf zo scheel dat zij ‘liggen’ voor ‘leggen’ aanziet. Dit is poëzie die risico neemt, door met meligheid een deel van het toch al kleine leespubliek uit te sluiten: de snobs.
Tegelijk speelt Van Beveren va-banque tegen insiders. Accepteren zij zoveel jaren na de experimentele golf dat er weer tegen lezersverwachtingen wordt aangetrapt? Dat het laatste werkwoord een fysieke component in zich draagt, komt misschien door een gruwelverhaal over Stijn Gooskens na zijn debuut: over een brand waarbij hij uit het raam moest springen en waaraan hij een dwarslaesie overhield.
Teruglezend met die latere, voor de bundel nog irrelevante kennis wordt Alles voor de vorm grimmiger. En heeft het getrap tegen lezers ook iets tragisch:

Kun je luisteren in koor of heet dat anders dan?

heilig is wie maalt en maalt en maalt, zo verkondigt
de profeet van de herkauwers. en je erover
verwonderen, waarom zou je?

het sterke van diens buiten boerenkringen schaars
gelezen boek, is dat het de liefde vermeldt
maar nergens loeit van een maker.

in het veld telt slechts de malsheid van het gras:
er is zover hij weet nog nooit een koe geweest
die graasde in naam van de wetenschap.

om te besluiten dat de werkelijk obscene beesten,
de koffietantes, die nu knauwend op kunstgras
in collegehokken zitten samengepakt

zo vlug als hun lamgeslagen poten het verdragen
in tastbare weiden moesten worden losgelaten
in verband met kans op oude,

overvolle melk die al bedorven wordt gemolken
als zij nog langer in hun stallen staan
te mekkeren in het donker.

kun je luisteren in
koor of heet dat
anders dan?

Het is net alsof alle bewegingen dan maar ten uitvoer moeten worden gebracht door de hersenen. En die willen op hun beurt zo veel mogelijk toelaten, en zoeken nog even naar eventuele redenen daarvoor. Wat is dit ondertussen nog steeds een geweldig gedicht!
Dat de slotstrofe de titel herhaalt en in stukken breekt op louter formele gronden, maakt het nog grimmiger. Alles voor de vorm heeft zelfs een apart gedicht in de gedaante van de inhoudsopgave die per stuk aanzwelt (hiervoor heeft hij vals moeten spelen met pagina 38).
Na zijn dwarslaesie blijkt Gooskens de stichting Scouters te hebben opgericht, die informatie, advies en hulpmiddelen geeft aan gehandicapten én, indachtig de geest van Van Beveren, hun zelfstandigheid vergroot.
Maar dan spreken we over een tijd waarin Neeltje, minder dan een decennium na haar debuut en een lustrum voor haar bij mijn weten laatste tijdschriftpublicatie ‘de geschiedenis van het denken 286-316’, werd aangezocht voor een avond over wat cultuurindustrieel Vergeten dichters heette. Uit de mailcorrespondentie rond dat evenement uit 2012 citeert de studie over uitgeverij Meulenhoff|Manteau dat Van Beveren een stand-in prefereert: ‘[d]emystificatie bewaar ik liever voor de filosofie, kunst is er in mijn ogen juist om hier en daar een rookgordijn op te trekken’.
Een voorbeeld van die procedure is het driedelige gedicht ‘Bezit zo leerde ik verblindde’. Het verhaalt van een ik-figuur die droomt een varkentje met pacemaker te zijn ‘dat voor / de kost verdronk’. De figuur heeft een grote liefde opgevat voor gaia, zijn goudvis, die ook een pacemaker heeft. Verderop in de droom verandert hij in een ander varkentje dat ‘iets had’ met mormonen. Na het ontwaken is zijn bed bevuild en is zijn wekker van moes geworden.
Hoe dat komt, belooft hij te vertellen ‘wanneer het beter uitkomt./ je zegt het maar. / ik wacht’. Ongevraagd uitstel! Even verderop in de bundel is er dan iets dat lijkt op een ’donker, eeuwige plasje drab‘ dat het gevoel blijkt te zijn, met een ‘schijnbare spontaniteit / en zomarisme’.
Zou het feit dat Van Beverens gedichten overwegend lang zijn behoren tot de strategische pesterigheid een nader te bepalen moment te verkiezen? Soms kon onder datzelfde gesternte bijna epigrammatisch werk ontstaan:

Mijn hart klopt zachter in het bos

vanavond pluk ik bramen voor een dode vriend
met zwaluwen, het vuur, de drie seizoenen
draag ik geen wanten maar een kruis
tegen de kou bevroren heuvels op

mijn hart klopt zachter in het bos
omdat het stilstaat bij de bomen
ik heb het leren donkerrood
te bloeden bij gevaar

Of plukt deze figuur voor zichzelf omdat hij, bijvoorbeeld bij ontstentenis van een pacemaker, al dood is? Door de nakennis van gebeurtenissen uit het leven van de maker wordt het gedicht minder melig, meer mellon collie zeg maar.
Uiteraard suggereert een titel als Alles voor de vorm ook dat de buitenkant wel moet regeren. Dat zou aan de wens onzichtbaar te blijven een politieke lading geven, zeker in tijden van visibiliteit’. Dat zijn zelfmoord de eerste in een rij tragische gevallen was, moest door de gewelddadige ineenstorting van de literaire kritiek haast wel onopgemerkt blijven.
Anderzijds had de maker wel belangrijker dingen aan zijn hoofd, omdat hij domweg met pijn moest leven. Ter nagedachtenis van die toestand richtte hij zelfs een webdomein op.