woensdag 7 december 2022

Uit de werkplaats (6)

 


 

Tijdens een al meer dan twintig jaar durende reis waarbij Noord-Nederlands plots blijkt af te wijken van Vlaams, naar verluidt een narcisme van de kleine verschillen, stuitte ik op een nieuw woord dat lang niet meer door mijn hoofd had gezwermd. Het boekje Verenigt u! Over arbeid in de 21e eeuw van Thijs Lijster rept op de eerste pagina van ‘beppende bejaarden’.

Hij situeert die mensen in de trein en dan zijn ze daar, in daluren, ongetwijfeld druk aan het praten over – om het helemaal Noord-Nederlands te maken – koetjes en kalfjes. Doordat Lijster hen opvoert in alliteratie haakten mijn gedachten net iets langer aan het woord. Zo werd ‘beppen’ vreemder en vreemder.

Mijn mannelijke-intuïtieherinnering maakt er een soort neologisme van. En zowaar ondersteunt mijn editie van Van Dale dit. Ze stamt uit 1992 en bevat ‘beppen’ niet. Wel het substantief ‘beppe’, dat ze situeert in Friesland en definieert als grootmoeder en oude vrouw. Die afkomst staat vermeld in de huidige digitale versie van het werkwoord, met de betekenis kletsen – een specifiek praten.

De digitale Van Dale geeft bovendien de twee belangrijkste vervoegingen van dit onovergankelijke werkwoord: bepte en heeft gebept. De rest is voor iedereen open in Het Groene Boekje dat uiteraard de spellingsregels volgt. Doordat de stam van beppen te vinden is in een letter uit het kofschip (mijn en nog oudere generaties) of in het sexy fokschaap (paradijsbewoners daarna) is er een t nodig.

Maar dit is allemaal theorie! In de praktijk zeg je, althans in mijn herinnering, helemaal nooit: ‘Ik heb gebept’. Deze activiteit vraagt om een infinitief: ‘Ik heb zitten beppen’. Hoe kan dat in hemelsnaam? Is er een Dr. Oetker van de taal in de zaal? De vraag wordt voor mij bemoeilijkt door het feit dat ik het werkwoord nooit in de mond heb genomen (tenzij mogelijk in verregaande dronkenschap).

Bij spreektaal, die haar eigen gevoeligheden blijkt te kennen, hecht ik aan een ervaringsautoriteit die als het ware oplossingsgericht is. Een figuur die door Lijster overigens in een neoliberaal frame wordt gegoten, ook nog in de geest van Louis van Gaals totale mensprincipe. Deze Dr. Oetker weet vast een simpele reden die me voor gek kan verklaren bij mijn taalintuïtie. Ik bepte: nee. Ik zat te beppen: ja.

Mocht die Dr. Oetker bestaan, eerder een dokter dan een doctor, dan zou ik die autoriteit terzijde nemen voor een ander dingetje aan ‘beppen’ dat nogal gênant is want mogelijk mijn genen verraadt (geen DNA). Ondanks Lijsters genderneutrale voorbeeld zit in mijn herinnering namelijk het gevoel besloten dat beppen wordt beoefend door vrouwen.

Vooralsnog helpen Van Dale en een dubbele herinnering me niet van dat spoor. Naast kletsen geeft het digitale woordenboek immers nog een synoniem: ouwehoeren. Die term geeft een beroep dat door vrouwen wordt uitgeoefend, zogeheten publieke vrouwen (de mannenvariant is gigolo, die in het synoniemenwoordenboek gezelschap krijgt van bedjonker en beroepsminnaar).

Merkwaardig vind ik dan dat mannen wel degelijk kunnen ouwehoeren. Maar ja, wie zegt dat taal logisch moet zijn?

dinsdag 29 november 2022

Met je gewoonte om niet te luisteren


 

 

In mijn middelbareschooltijd – eind jaren zeventig, begin jaren tachtig – was bij spreekbeurten voor het vak Nederlands het werk van Hannes Meinkema vaste prik: De groene weduwe, Het binnenste ei, Het wil nog maar niet zomeren,… En De maaneter, dat ons pubers liet kennismaken met het jij-perspectief, waarvoor hét voorbeeld in de literatuurgeschiedenis echter een andere titel bleek.

Steevast waren het in mijn klas meisjes die de boeken van Meinkema voor het voetlicht brachten. Ze spraken over feminisme. Eenmaal overigens met verontwaardiging, wat voor mij destijds aanleiding was aan dit oeuvre te beginnen en de betreffende titel op mijn leeslijst voor het mondeling te zetten. De klasgenote was gevallen over een seksscène.

Na Meinkema’s overlijden vorige week heb ik dat boek herlezen. Het is haar bekendste maar zelf was ze er weinig tevreden over. Hopelijk liet ze zich niet in de luren leggen door officiële reacties die En dan is er koffie nogal triviaal vonden. Dat deze roman uit 1976 een bescheiden bestseller was, zou dan een moreel oordeel vellen over lezers die altijd welkom mogen zijn.

En dan is er koffie zit vaardig in elkaar. Er is een dubbele dramatische opbouw. De hoofdstukken lopen van Maandag tot en met Zondag, wanneer er een familiefeest is waar verschillende personages op eigen wijze naartoe leven. Dat blijkt uit de diverse vertellers die elkaar blijven afwisselen.

Met effect. Onder haar toen officiële naam Hannemieke Postma-Nelemans had ze, neerlandica en literatuurwetenschapster, over Boons mozaïekroman Menuet een studie gepubliceerd – waarvan de grondigheid bewonderd werd en die werd afgekraakt door een andere meneer die Schoolmeesters heette. Evengoed kan haar vertellersgave afkomstig zijn van haar grootvader Jacob Stamperius, een kinderboekenschrijver. Maar het waarschijnlijkst dunkt me dat Meinkema het kon omdat ze het kon.

 

Multiplechoice

De achterflap van mijn pocketeditie meldt dat En dan is er koffie gaat over ‘een generatie die in de jaren zeventig volwassen werd’. Dan doemen feminisme en studentenprotesten van babyboomers op. Dat zou de roman gedateerd kunnen maken, of overhevelen naar het domein van tijdsdocument. Er is inderdaad sprake van een veelgelezen studie van een psychiater over maatschappelijke veranderingen (Foudraine?), van de film Jesus Christ Superstar, studenten lezen Hesse en Tolkien, en voor de debatten bij het vak Nederlands kan De Telegraaf ideologisch nog worden afgezet tegen de Volkskrant.

Toch vraag ik me af of dat domein helemaal recht doet aan En dan is er koffie. Aanknopingspunt biedt dan meteen een voorbeeld van vermeende trivialiteit. Niet elke (mannelijke) recensent schijnt te hebben gejuicht bij beschrijvingen van tamponleed in wc-potten: ‘Ze zijn zo helemaal opgezwollen van het water, het zijn twee mollige roze muizen’. Maar het personage dat voor deze observatie tekent, blijkt een abortus te hebben gehad waar zich verwante taferelen voordeden, veel tragischer natuurlijk.

Bovendien brengt de muizenbeeldspraak Meinkema’s roman voor mij in de buurt van Wolkers. Met zijn werk zie ik nu meer raakvlakken: er wordt in handelingen en in taal afscheid genomen van een streng christelijk milieu. Overigens passeert Wolkers’ bestseller Turks fruit bij Meinkema even, als object van een hilarische multiplechoicevraag. Daarmee hoopt een taaldocente te controleren of studenten het boek hebben gelezen.

Met die invalshoek komt En dan is er koffie in een universeler licht. Zeker, de roman evoceert in meer dan één scène generatieconflicten die babyboomers hebben beleefd. Maar in laatste instantie roept Meinkema vragen op over overtuigingen en idealen, over geloof en waarden. Dat maakt de roman nu nog leerzaam voor bijvoorbeeld activisten en hun biotoop, waarover al mooi beeldmateriaal begint te ontstaan (documentaires over die adolescenten, en over de band met hun ouders).

Daarbij mag ik niet uit het oog verliezen dat in En dan is er koffie juist de conservatieve krachten en meelopers domineren, evengoed bij opstandige studenten. En anders dan de auteur zelf gelooft Rosa, het centraalste personage dat lerares Nederlands is, in al haar opstandigheid niet meer in omwentelingen bij haar directe en maatschappelijke omgeving. Zo staan de jaren zeventig bij mijn weten toch niet bekend.

donderdag 24 november 2022

Dat zij zich aan jullie aantal vergapen

 


 

 

 

Bertolt Brecht heeft tussen de soep en de patatten Shelleys The Mask Of Anarchy (1819) vertaald. Ik doel dan niet op Der anachronistische Zug oder Freiheit und Democracy (1947), vijftig strofen minder tellend dan Shelleys dichterlijke woede-explosie tegen uitsluiting waardoor dit schmierend sarcastische geval was geïnspireerd. Nee, Brecht wilde aan het zogeheten realismedebat in 1938 een essayistische bijdrage leveren die hij uiteindelijk voor zich hield en waarin provisorisch verduitste fragmenten uit The Mask aan te treffen zijn.

Leunend op mijn gemakzucht kijk ik alleen naar de slotstrofe. In Shelleys origineel, dat veelvoudig digitaal beschikbaar is (ik gebruik bij wijze van aanhankelijkheidsverklaring de versie op Gutenberg), gaat ze zo:

 

‘Rise like Lions after slumber
In unvanquishable number –
Shake your chains to earth like dew
Which in sleep had fallen on you –
Ye are many – they are few.’

 

De aanhalingstekens horen erbij. Niet alleen omdat ze een directe rede demonstreren, maar ook omdat Shelley in deze 91e strofe een eerdere, de 38e, herhaalt. De slotstrofe is dus evengoed een echo, ‘again – again – again’. Van die revolutionaire resonantie maakt Brecht:

 

‘Steht auf wie Löwen nach dem Schlummer

In unbestiegbarer Anzahl!

Schüttelt eure Ketten ab wie Tau

Der im Schlaf auf euch gefallen war:

Ihr seid viele – sie sind wenige.’

 

Wat is het Engels toch een wonder van compactheid. En hoe dicht weet Brecht, die niet meer beweert te doen dan wortlich zu übersetzen, het te benaderen. Hij verliest noodgedwongen in de eerste en laatste regel, door de betekenis van het origineel te volgen en ritme te laten vallen. Daartegenover permitteert Brecht zich vrijheden in de interpunctie. Vooral het uitroepteken, dat ik als activerend opvat.

De strijd tussen het Engels en het Duits (en het Nederlands) lijkt me hier ongelijk. Dat toont de slotzin ook in lettergrepen. Shelley sympathiseert met de ye, die hij als ‘many’ beschouwt terwijl they het met ‘few’ moeten stellen. Een gehalveerd team! Machteloos moet Brecht toezien dat het Duits het gewraakte ‘wenige’ in een overtalsituatie brengt.

Met die interpretatie memoreer ik wederom een vriendin van Anna Enquist, in wier voetbalvisie een verdediging krakkemikkiger zou worden door eenlettergrepige namen. Zeker! Ontglipte me destijds al een denkbeeldige polemiek tussen de vriendin en door Klemperer en Orwell geëxpliciteerde intuïties over taalkracht bij dictatoriale regimes, nu wil ik, na herlezing van Shelley, volstaan met een logisch advies aan Louis van Gaal: vervang Blind zekerheidshalve aub toch maar door Malacia.

donderdag 17 november 2022

Dat nah

 


 

Volgens de Duitse politiek filosoof Jan-Werner Müller heeft Wilders ‘nah’ gezegd. Het zou gebeurd zijn op 19 maart 2014, in Den Haag, voor een volle zaal. De PVV-voorman deed het na zijn beruchte Meer-of-minder-Marokkanen-vraag, ingeleid met een theorie over partijdige D’66-rechters, kosmopolieten vermoedelijk, in combinatie met de vrije meningsuiting die volgens hem bedreigd werd.

Zoals helaas bekend antwoordde het publiek minder Marokkanen te willen. Waarna Wilders: ‘Nah, dan gaan we dat regelen’. Het tussenwerpsel staat in Wat is echte democratie? (2021, p. 194), de vertaling van Democracy Rules (ook uit 2021), en ik ben verbluft.

Bij zulke raadsels is Google een uitkomst. Aan het onsmakelijke voorval, dat leidde tot justitie, is een compleet Wikipedia-lemma gewijd. Het registreert evenzeer ‘nah’ en verwijst daartoe naar de uitspraak van de Haagse rechtbank in eerste aanleg die dit tussenwerpsel had vastgelegd.

Nah, dat had ik nooit gedacht. Wat bedoel ik dan? Oei, de moeder aller kwesties, die ik even voor me uitschuif.

Wat is er vanuit Den Haag overgewaaid naar Princeton, waar Jan-Werner Müller doceert, dan wel naar Berlijn, waar hij soms woont? Ook hier toont Google zich behulpzaam. In Democracy Rules luidt de passage:

 

Wilders had asked an excited crowd, “Do you want fewer Moroccans?” and responded to shouts of “Fewer, fewer” with “We’re going to take care of that”.

 

Geen tussenwerpsel te bespeuren! Anderzijds geloof ik dat de politiek filosoof ruis op de lijn had, want bij zijn weergave ontbreekt iets. Wilders liet zijn aanhang immers de keuze. Tussen, omgezet in het Engels, fewer of more Marokkanen.

Yeah, right.

Het moet vertaler Hans E. van Riemsdijk zijn geweest die ‘nah’ toevoegde aan Müllers betoog. Hij citeerde daarmee dus uit een officiële bron. Maar sprak Wilders het tussenwerpsel daadwerkelijk uit? Na beluistering van het gewraakte fragment kan ik dat niet met zekerheid bevestigen. Ik hoor een versnellend applaus waarna de leider ‘nah’ of ‘nou’ zegt, of misschien zelfs ‘ja’, en dan drie seconden pauzeert, als om aandacht terug te richten. Waarna, in een bijna-stilte: ‘Dan gaan we dat regelen.’

Er zijn ook officiële mediasites die ‘nou’ hebben geregistreerd; dit geeft zelfs iets meer treffers. Mijn ‘ja’-optie wordt door Google smadelijk verworpen.

Nu dan. Wat betekent ‘nah’? Zelf word ik niet omgeven door mensen die dit zeggen, maar het is me sporadisch ter ore gekomen. Volgens mij is ‘nah’ een soort empathische ontkenning. ‘Nee toch?’ Waarmee sprekers feitelijk hun eigen oordeel tot het jouwe maken.

donderdag 10 november 2022

De geheimen van het universum

 


 

 

Wat geweldig is het Smibanese woordenboek 2.0 dat, na een succesvolle eerste druk in eigen beheer, door uitgeverij Pluim in 2019 op de markt werd gebracht. Slechts familiair met de term ‘fittie’ en half op de hoogte van ‘bling’ las ik het ene nieuwe begrip na het andere. Elk lemma geeft niet alleen de betekenis maar bovenal, uitgebreider dan Van Dale, toepassingen die soms poëzie doen vermoeden (‘Paperclips, ik hossel sinds Telekids’). Initiatiefnemer Soortkill werkt projectmatig.

Zo worden met taal, zoals het hoort, werelden ontsloten. En omdat het Smibanese woordenboek is gesitueerd in De Bijlmer – volgens huidige politici ‘Amsterdam-Zuidoost’, volgens Soortkill ‘het epicentrum van de multiculturele samenleving’ – geeft dat een extra belang. Aan deze wijk kleven vele vooroordelen die voor niet-bewoners, bijna alle Nederlanders dus, lastig te repareren zijn met lectuur. Murat Isik gaf met zijn bekroonde roman Wees onzichtbaar een aanzet, maar Soortkill begint vanaf de basis.

Het past daarom dat je dit boek van achteren naar voren moet lezen – zoals de voorflaptekst al laat weten. Alles wordt anders. En in zijn inleiding kondigt Soortkill aan racisme te bestrijden, onder meer met de paradox van ‘de’ N-woord. Het veelvuldige gebruik ervan door slachtoffers vindt een reden in de dagelijkse werkelijkheid. Overigens is de basis hier exclusief Surinaams en bezit het Smibanese allerlei eigen termen voor andere nationaliteiten, wijken en steden.

 

Non-believers

Hoewel het boek een aparte plaats inruimt voor afkortingen, staan in de lopende tekst twee lemma’s die dat evengoed zijn maar die inderdaad nooit genoeg uitleg kunnen krijgen. Het gaat dan om hbo, ijzingwekkend toegelicht als ‘de universiteit voor mensen van de straat’. Daarnaast staat VMBO-K, ‘het meest voorkomende middelbareschooladvies dat kinderen in achterstandswijken krijgen’. Ook de gecursiveerde toepassing mag er zijn: ‘The way waarop ze these niggas sturen naar VMBO-K lijkt het wel met voorbedachten rade’.

Het voorbeeldzinnetje toont stijlbreuken. De stadhuistaal aan het slot botst op basaal Amerikaans, dat voor jongerentalen steeds aantrekkelijk is maar waarvoor hier de inspiratie allicht komt uit hiphop. Een studieus onderwerp bij Bram Ieven, meer dan een muziekstroming sowieso, vruchtbaar voor literatuur en lezen volgens Aafje de Roest en volgens de inleiding van het woordenboek een mindstate teweegbrengend. In vele lemma’s zit dan ook de uitdrukking dat iemand ‘ham gaat’. Dat is een acroniem voor ‘Hard As a Motherfucker’.

Er blijkt een systeem te schuilen in groepstaal die neologismen voortbrengt. Smibanese woordenboek 2.0 bewerkstelligt wat nu eens met recht leeservaringen mogen worden genoemd. Geïnjecteerd met waarlijk levende taal, uit de eerste hand! Terecht kreeg het een nominatie voor een prestigieuze taalboekenprijs (ai, binnen een periode waarin ik over die materie ook iets schreef).

Toch valt het aantal reacties op internet me tegen, helemaal omdat iedere gebruiker verstand heeft van taal én omdat dit boek er verwerkingen aan toevoegt van een hiphopcultuur die de normaliter al grote aandacht zouden moeten uitbreiden. Vanwaar die relatieve stilte? Uit schroom, ongemak?

Aan het slot van zijn inleiding bedankt Soortkill mensen die hem bij deze ambitieuze onderneming hebben bijgestaan. Daarom doet hij ook ‘een kleine shoot-out naar Mizzi van der Pluijm en haar hele team for believing in dit boekje. Hoewel alle non-believers de plank sowieso misslaan is het toch dope dat een volwassen Nederlandse vrouw van boven de vijftig ons wilt joinen in deze journey. But she young in spirit’.

Dit compliment kunnen alle collega-uitgevers in hun zak steken. Toch vraag ik me af of Van der Pluijm helder heeft gekregen wat haar nog prille bedrijf met het Smibanese woordenboek doorgeeft. Los van het respectabele aantal lemma’s die het integraal moeten stellen met de in romein en cursief herhaalde woorden no snitchin’ (straattaal voor lorem ipsum?), denk ik aan het wereldbeeld dat het boek tentoonspreidt.

maandag 7 november 2022

Eeuwige eega

 


 

Elke kist krijgt bezoek van de ongewervelde democratie. In de buurt van een Zeeuws graf viel me bij diverse stenen toch iets exclusiefs op: onder sommige oer-Hollandse namen van steevast mannelijke betreurden waren twee verklonken, niet-lemniscatische ringen gegraveerd, waaronder een vrouwennaam – zonder begin- en eindjaar.

Trouw tot voorbij de dood? Waarmee het christendom nieuwe zieltjes hoopt te winnen? Meer groepsheil valt te verwachten van een straftraining om Jezus’ gezicht te ontdekken in een tortilla.

Paul Verhaeghe memoreert in Liefde in tijden van eenzaamheid dat het huwelijk een economische aangelegenheid was voor de bezittende klasse, wegens goederen en erfgoed. De latere invulling van het huwelijk vanaf de eerste helft van de twintigste eeuw is, stelt hij, ‘een westerse coproductie van Hollywood en Vaticaanstad’.

De mate van religieuze dan wel cinematografische inspiratie is duister bij een rouwadvertentiegenre dat ik in Belgische kranten leerde kennen en dat een dame zelfs typografisch presenteert als eeuwige eega. Dan staat er in grote vette letters pakweg ‘mevrouw Herman Van Modderschuit’ en ergens in kleine letters daaronder haar meisjesnaam ‘Maria Ter Vlag’.

Kwaliteitskranten publiceren dit type kennisgeving, dus het zal allicht voldoen aan de Conventies van Genève. En uiteraard had Augustinus een punt over de gruweldood van zijn christenbroeders: ‘Eén ding weet ik zeker: er is niemand gestorven die niet vroeg of laat had zullen sterven.’ Maar met zo’n redenering kan iedereen wel kerkvader worden.

En kerkmoeder, anders dan van de gedweeë Mariasoort? Ik vrees dat daar nog wat maatschappelijke tussenkomsten voor moeten roffelen, waarvan de mogelijke aanleidingen zijn geïnventariseerd door Sarah Wagemans:



Ook geloof ik dat er meer huiver dan sympathie bestaat voor het inmiddels verboden hindoeïstische gebruik van sati, de weduweverbranding, waarbij levende vrouwen zich in het vuur storten dat voor het cremeren hunner overleden echtgenoten is opgepookt. De kranten- en grafsteenvariant doen uiteraard minder pijn en beloven hetzelfde, op termijn.

Ergens verwachtte ik zulke dingen niet meer in de eenentwintigste eeuw. Anderzijds zijn het nog altijd vooral gul bemeningde meneren die weten of vrouwen een hoofddoek dragen uit vrije wil of onder dwang.

Recent werden mijn ogen groter en groter bij de documentairereeks Wij, vrouwen die een overzicht heette te geven van het lot dat sinds de Tweede Wereldoorlog aan dit geslacht in België te beurt was gevallen. Een getuige vertelde dat ze in de – mijn! – jaren zeventig niet bij haar eigen salaris kon. Wel lastig, toen haar man in het ziekenhuis lag en de dorpsbank weigerde regels te overtreden.

Na wat grimlach besefte ik zelf ‘volmachthebber’ te zijn voor de zichtrekening van mijn dochters én, zonder officieel tegenbericht, voor de spaarrekening van mijn dame.

Geen gezeik, iedere man rijk? Olympische Spelen met drie ringen korting? De volgende prozanotitie van Lucebert kwam pas na zijn dood aan het licht: ‘Toen de mensen nog niet bestonden, waren er al wormen om ze op te vreten.’

zondag 30 oktober 2022

Drie dienstmededelingen

 

 

 

Genade! Achteraf vind ik het sneu op de universiteit te hebben geleerd een strikt onderscheid te bewaren tussen auteur en tekst. Toen kwam het ongetwijfeld van pas bij prototypes als Céline, Hamsun en Pound, in het voorbijgaan genoemd, maar inmiddels, in spannende tijden waar moralisme nooit ver weg is, had minder hulpeloosheid en meer handreiking van pas gekomen.

Toch was ik afgelopen week opgelucht het onderscheid, voortgekomen uit de ergocentrische literatuurbenadering, te kennen. Toen bracht een hyperlink me bij de rouwkaart van Aleidis Dierick, een marginale en behoorlijk goede dichteres van wie bekend was dat ze uit een bruinhemdenfamilie stamde en die ook afzichtelijke Vlaams-nationalistische verzen had gepubliceerd.

De rouwkaart, nog door de dichteres zelf opgesteld, leek een ideologisch testament te geven. Wat zou er in Nederland zijn gebeurd wanneer een auteur nog eventjes trouw verklaart aan pak ’m beet Mussert, de apartheidspolitiek, NVU en de Centrumpartij? Dit is voor mij geen retorische vraag, tout comprendre c’est tout pardonner, en ik heb nog geen Dierick-bundel uit de kast gehaald.

 

Die hyperlink kruiste mijn weg bij twee gedichten op Neerlandistiek.nl. Deze website heeft me de recente weken verwend door successievelijk wat Honingpot-blogposts over te nemen voor herpublicatie.

Een klein essay waaraan ik afgelopen week werkte, heb ik daar rechtstreeks ter inzage geboden. Het staat sinds vandaag online en gaat over inclusieve taal. Dit blijkt explosieve materie, keer op keer, al was het omdat ze steeds wordt opgezadeld met de idiote aanduiding woke waarmee na Tom Van Grieken nu ook Bart De Wever studentenverenigingen langsstruint.

Overigens is het essay licht uit de klauwen gelopen. Ergens in mij vecht kennelijk een nuancer, die zoveel mogelijk facetten van een fenomeen wil belichten, met een absolutist die wenst niet alles te relativeren en die zaken op scherp hoopt te zetten.

 

In verband en/of vervolg en/of desalniettemin. Mijn vorige posting deed een boude stelling over iets waarbij me kennis en ervaring ontbreekt: het vriendelijke Facebookduimpje. Volgens mij kon dat, in een schakel van een redenatie in het hoofd die ik niet meer slaag te reconstrueren, een uiting zijn van polemiek. Welja, veel meer mensen handelen oorlogszuchtig dan ze denken.

Naarmate de dagen vorderden begon ik me, mede omdat de redenatie foetsie was, ongemakkelijker te voelen bij de stelling. En toen bracht internetnieuws uitkomst. Het toneel was dan wel verplaatst naar de mij even onbekende communicatieapparatsjik WhatsApp, maar het bericht schetste een soortgelijk scenario.

Het duimpje-omhoog ervoeren sommige ontvangers uit de zogeheten Gen Z (nu 10 tot 25 jaar) als ‘passief-agressief’ en zelfs ‘vijandig’. Net zoals emoji’s niet alleen bleken te worden geïnterpreteerd als leesbevestiging maar ook als tekens van minachting en sarcasme. Deze betekenistoekenning zou dus generatieafhankelijk zijn. Nader onderzoek gewenst?

 

woensdag 19 oktober 2022

Tussen het prikkeldraad afgerasterd

 


 

 

Alleen al de opzienbarende lengte van het artikel dat Brigit Kooijman in NRC publiceerde trok mijn aandacht. Daarna fascineerde meteen het onderwerp, zo vanzelfsprekend dat het gebrek aan tekst erover met terugwerkende kracht opvalt. Wat doet een polemiek met betrokkenen? Kooijman pluist daarvoor ‘De nieuwe Revisor’ uit, het verwoestende artikel tegen criticus-schrijver Guus Luijters dat Jeroen Brouwers in november 1979 aan de wereld prijsgaf.

Het verscheen bij wijze van jubileumviering, als 250e nummer van het in 1957 opgerichte literaire tijdschrift Tirade, dat nog altijd bestaat. Exclusief noten had Brouwers iets meer dan 25.000 woorden nodig – die tegenwoordig, in een groot corps, voor een roman kunnen doorgaan. Getuige de datering ‘1 augustus-31 september 1979’, waarin een seizoenswisseling zit die hij vermeldt, was Brouwers dan ook niet over één nacht ijs gegaan.

Des te opmerkelijker dat hij over Luijters een absoluut eindoordeel velde: ‘fascist’. Kooijman is er verbijsterd over, en waarschijnlijk velen met haar. Het was niet eens voor het eerst dat Brouwers die zware kwalificatie gebruikte, legt hij zelf uit in een noot. Ze was hem ingegeven door wat er naar aanleiding van zijn Mijn Vlaamse jaren (1978), een hybride deel uit de Privé-domeinreeks, over hem ‘persoonlijk’ [zijn cursivering] in diverse media was geschreven dat maar bleef doorgaan.

Een simpel geval van kaatsen? Eventueel kun je hedendaags ongemak neutraliseren met een veralgemenisering over toenmalige gewoontes. In de jaren zeventig, het decennium waarop Brouwers in zijn oekaze terugkeek, heette het begrip ‘fascist’ gebruiksklaar, van toepassing op de ander. Even ingeburgerd zoals nu ‘racist’? Ik weet niet of het veel verheldert. Wel dat Brouwers het etiket pas op Luijters plakt na meer dan 20.000 woorden:

 

Ziezo, het woord is eruit. Beweringen doen die ongestaafd blijven, liegen, lasteren, verdacht maken, halve waarheden verkondigen die nòg verlammender zijn dan hele leugens, belachelijk maken van zaken die dit niet verdienen, honen wat geprezen dient te worden, en omgekeerd, mikken op de persoon in plaats van op het werk van de persoon, feiten verdraaien, waarheden negeren, dit alles door één grotegore vriendenklont, één bijeenscholing van onbevredigde ontalenten, één ‘groep’ of ‘broederschap’ met eigen slogans en ideeën, eigen liederen, eigen uniformen, eigen lokalen, eigen podia en eigen prikkeldraad: ‒ dit stinkt, dit stinkt, dit stinkt! Deze mentaliteit is in de literatuur van de jaren zeventig óók al dermate dood ‘gewoon’ geworden, dat ook gewenning dááraan is ontstaan: men ‘ziet’ het niet meer, men maakt er zich niet (of niet meer) druk over, ‘het is nu eenmaal zo’.

Doe iets in Nederland, bij voorbeeld schrijf, schrijf wàt dan ook, als het maar niveau heeft, als het maar waarachtig is, als het maar ànders is dan ‘gewoon’, schrijf de mooiste roman, schrijf de scherpste polemiek, schrijf de zuiverste taal, máák er wat van, geef er blijk van niet tot de lamlendigen te behoren, doe dat, en vervolgens: wéét dat je ‘tot overmaat van ramp’ door de klonen van het prikkeldraad een beunhaas zal worden genoemd, wéét dat van je zal worden gezegd dat je in de eerste plaats niet integer bent, wéét dat je hele hebben en houwen, je inkomsten, je betrekking, je liefdeleven, de minder geslaagde kanten van je karakter, je levensgeschiedenis, je echtscheiding, je kinderen die na je echtscheiding bij hun moeder zijn blijven wonen, je vergissingen, je misluktheden, dit alles en nòg veel meer te grabbel zal worden gegooid, waarbij men er niet voor terugdeinst tendentieus te citeren uit persoonlijke geschriften die je ooit (soms wel tien jaar of nog langer geleden) hebt afgescheiden, je uitspraken in de mond te leggen die je nooit hebt gedaan sommige van je gedragingen zó te interpreteren dat wel lijkt of je een misdadiger, een laffe hond, een leugenaar of een gevaarlijke idioot bent. Zodra je ook maar iets doet dat de ‘orde’ in het mierennest verstoort, wéét dat je de prooi van die mieren bent.

 

Mij verrast dit lange citaat mede omdat het zich, een kwart eeuw voor de intrede van internet, verzet tegen methodes en mediapraktijken die heden schering en inslag zouden zijn. Hoe vaak is Twitter om door Brouwers geschetste redenen niet tot riool uitgeroepen? Maar laat ik nog even in 1979 blijven.

 

Nul en generlei

Vanwege het fascisme-etiket is de prikkeldraadmetafoor geen detail, want roept associaties op met concentratiekampen. Brouwers zet de metafoor stelselmatig vanaf het begin van de tekst in. En dan blijkt hij ook al exclusief op de ander van toepassing. Het is namelijk een metafoor die Luijters, in een onhelder, scherp gesneden citaat, zelf had ingezet tegen collega-critici met ‘levensgevaarlijke betweterij, want in de achtertuin van dat soort volk groeit prikkeldraad’.

De pitbull in Brouwers moet bloed geroken hebben. Een laconieke, aan Luijters verwante recensent heeft vervolgens bijvoorbeeld het ambitieuze schrijverschap van Joyce & Co ‘achter prikkeldraad eingesperrt’. Hoe dit in te schatten? Als desgewenst virtuoos te kenschetsen retoriek of wansmaak? Of beide? Dankzij Kooijman weten we nu dat Parool-criticus Luijters zich niet eens zozeer door het fascistenverwijt getroffen voelde, als wel door een passage waarin zijn eigen metafoor culmineert:

 

Thans is het zover, dat het Guus Luijters nog maar hoeft te ‘lijken’ dat men een of ander ‘type’ is, en we zijn inderdáád weer terug in de jaren vijftig, het tijdvak dat Guus Luijters zo lief is: men is communist omdat het zo ‘lijkt’, men is een beunhaas ‘ook’ omdat de Luijters ‘groep’ het zo vindt, men is kaalhoofdig en dus is de kritiek die men levert verdacht, zo ook kan men dik zijn, zoals ik, of jood kan men zijn, of homosexueel, of nog wat anders kan men zijn, ja zelfs een ongebruikelijke naam kan al voldoende zijn om tussen het prikkeldraad te worden afgerasterd, al naar het Guus Luijters en zijn gildebroeders ‘lijkt’. Niemand die het ziet, niemand die het hoort, niemand die het treft, het hoeft allemaal niet zo serieus te worden genomen. Waar maak ik mij toch zo uitputtend druk over? Guus Luijters ‘telt’ immers niet, Guus Luijters is immers volstrekt ‘onbelangrijk’ in de Nederlandse literatuur, wat Guus Luijters zegt of schrijft is immers van nul en generlei waarde en bovendien: Guus Luijters is nu toch wèg van Het Parool?

 

Twee kwesties uit dit citaat verdienen extra commentaar. Ze trekken allebei de arbeid van Brouwers, en bij uitbreiding van polemisten, op gekende wijze in twijfel.

Het eerste betreft het voltooid deelwoordje ‘afgerasterd’. Daarmee verwijst Brouwers naar het tijdschrift Raster, waarin Anthony Mertens polemisten, in het algemeen, had verweten helemaal geen literair debat te voeren maar ‘ellebogenwerk’ te verrichten. Aandacht te trekken voor eigen werk dus, begrijpt Brouwers, en dus ‘niet-integer’. Superieur bevestigt hij Mertens’ verwijt door aan te kondigen op hem terug te komen in een aparte ‘pamfletroman’, Het verzonkene.

De tweede kwestie die de polemistenarbeid expliciet in twijfel trekt, is de geringe betekenis die aan het onderwerp Luijters wordt gehecht. Brouwers zou aldus met een kanon op mug schieten. Zelf ziet hij dat natuurlijk anders, Luijters vertegenwoordigt voor hem een mentaliteit, maar de bedenking is lastig uit het gemoed te krijgen. Temeer daar Brouwers terecht appelleert aan een oer-Hollands sentiment: ‘Maak je toch niet zo druk’.

 

Blootgesteld

Voordat ik dit sentiment definitief naar het heden doortrek, moet een laatste passage uit ‘De nieuwe Revisor’ geciteerd die het fascisme-etiket inkleurt. Brouwers gaat dan tekeer tegen een opvolger van Luijters bij Het Parool. Deze J. van Bezooijen had Renate Rubinstein vanwege een erotisch verhaal ‘een viespeuk’ genoemd met referte aan vroegere echtgenoten én, terwijl Brouwers eerst even zegt dat zij joodse schrijfster is wier vader ‘in de oorlog [was] vergast’, zich uitgelaten over de drukfout ‘verassing’:

 

Bezooijen: ‘Wij kennen wel het woord “vergassing”, hetgeen betekent: overgaan op een ander gas of aan een ander gas blootgesteld worden. Soms gebruikt men ander gas om zich van een ander ras te ontdoen. Vandaar het verwante woord “verrassing”, hetgeen betekent: overgaan op een ander ras of aan een ander ras blootgesteld worden.’

Een grapje, lezer?

Zo'n studentengrapje in de trant van ‘Vuile flikkers’, ‘Verboden voor Molukkers. Er wordt op geschoten’, ‘Alle Juden mussen erschossen werden!’, ‘Neger und Juden sollen umgebracht werden!’,  hetgeen kreten zijn die men dezer dagen ‘gewoon’ uit de prikkeldraden smoeltjes van (Leidse) studenten kan vernemen?

Is het een grapje? Is het zelfs wel als een grapje bedoeld?

 

Hier wordt voor de zoveelste keer de vraag opgeroepen of er aan satire en aanverwanten grenzen zijn. Omdat Brouwers Van Bezooijen linkt aan het Amsterdamse studentenblad Propria Cures krijgt die vraag een vertrouwde klank. Het blijkt ruimte te hebben geboden aan een keur van polemisten (Brandt Corstius, Rubinstein zelf, Holman, Storm) Later zou Leon de Winter er bijvoorbeeld afgebeeld worden in een fotomontage van holocaustslachtoffers.

Vraagje voor ingewijden: was Propria Cures de wegbereider van GeenStijl?

Luijters begon evengoed in dit studentenblad. Net als Henk Spaan, die ook door de banbliksem van ‘De nieuwe Revisor’ werd getroffen. Zijn beroemdheid is aanzienlijk, via de televisie. Duizelig maakt me wat hij nu tegen Kooijman zegt: ‘Brouwers’ stuk is eigenlijk niet meer dan een uitgebreide twitterpost. Het is een schoolvoorbeeld van hoe sociale media tegenwoordig werken: proberen de overhand te krijgen door heel grote woorden te gebruiken.’ Destijds reageerde Spaan op ‘De nieuwe Revisor’ in minder dan 144 tekens en met meer effect: ‘Gesubsidieerde fluim.’

woensdag 12 oktober 2022

Van loopgraaf naar guerrilla




  (beeld: Rik Goethijn, Vierde Triënnale, Duffel)


De belangrijkste functie van canonieke werken is, denk ik, dat ze apocriefe teksten mogelijk maken. Mij lukt het anders niet om naar literatuurlijstjes te kijken. De cruciaalste vijftig boeken van het decennium, de vijftien titels die het voor- of najaar kleuren, twintig romans voor bij het kerst- of paasvuur, de ideale bundels voor een actieve luiervakantie, de miskendste auteurs van West-Friesland, heil en zegen over zeven kardinalen in een ronde gemberpot.

Lach maar. Het werd gewoon om een mening uit zichzelf persen over voorrondes van geprivatiseerde prijzen, met hun longlists en shortlists. Van dichtbij heb ik gezien wat die eerbewijzen aanrichten bij auteurs en hun uitgevers. ‘Het debat over literatuur stimuleren’, heus?

Meer geaccepteerd is de weerzin tegen het aantal ballen per gerecenseerde titel in boekenbijlages, maar ze doen hetzelfde: kwantificeren onder het mom van kwaliteitscontrole, waarna de ene actor de andere daarop afrekent. Daarom liggen wekelijkse bestsellerlijstjes me nog het best. Iedereen weet desgevraagd dat smaak wordt beïnvloed, en dat kwaliteit geen objectief criterium is.

 

Significant vaker

Om de onlangs verschenen enquête De Nederlandstalige literaire canon(s) anno 2022 is nogal wat te doen. Ik voelde me in eerste instantie niet geroepen om mee te soebatten, vanwege een sensatietje bij die onafzienbare lijsten waar ik als gediplomeerd neerlandicus – die anno 1983 in het eerste jaar van een mannelijke docent Andreas Burnier onderwezen kreeg – kennelijk allenig tegenover sta: wat bestaan er ontzettend veel boeken die ik nooit heb gelezen. Deelnemers aan de enquête hebben meer branie en overzicht.

Ondanks mijn kennisachterstand ontgaat me vermoedelijk niet waar de crux van het debat zit. In de letter s namelijk, die tussen haakjes is toegevoegd aan de enquêtetitel. Het meervoud dat zo ontstaat is al even geaccepteerd als de relativering van smaak en kwaliteit. Afhankelijk van pakweg ideologie en opvoeding kan de concrete inhoud van een canon behoorlijk verschillen. Met nog een joekel van een cliché noemen we zo’n ding dan ook dynamisch.

Dat werk in uitvoering kreeg bij deze enquête cachet, doordat de organisatie in handen lag van een gelegenheidscollectief en de respondenten uit een open groep belangstellenden stamden waaruit 72,2% ‘professioneel met taal bezig’ is. Leken als het ware. Vorige canons in 2002 en in 2015 waren samengesteld door leden van respectievelijk de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en de KANTL, zogezegd netwerken van officiële gelovigen. Wel was bij het laatste evenement ruimte gereserveerd voor één blinde vlek. En nu, in 2022, valt het afscheid van een statisch patroon terug te vinden in sommige stellingen bij de enquête:


- In een Nederlandstalige literaire canon horen ook kinder- en jeugdliteratuur.

- Een literaire canon moet Nederlandstalige teksten uit de voormalige koloniale gebieden (denk aan Suriname, de Caribische eilanden, Indonesië, Congo en Zuid-Afrika) bevatten.

 

De in deze ‘objectieve’, ‘kwantitatieve’ context duistere werkwoorden horen en moeten geven al aan dat de stellingen, waarvan het verbredingsverlangen momenteel evengoed in filosofie uitgesproken wordt, sturend waren. Getuige de interessante enquête-bijlage werd bovendien bij de eerste stelling terecht aangetekend dat vertalingen zouden mogen meedoen (Lindgren, Dahl, Alleen op de wereld): nationalisme klopt niet met de dagelijkse praktijk!

De tweede stelling appelleerde aan een realiteit die, bleek uit de antwoorden (waar doodleuk Max Havelaar, Gangreen, Bezonken rood en Congo tussen te vinden waren), niet tot elke deelnemer was doorgedrongen. Wel kreeg Kader Abdollah 1 stem meer dan Martinus Nijhoff. Maar het is waar, auteurs uit de voormalige koloniën konden niet rekenen op een overweldigende steun. Dat verklaart voor mij de even begrijpelijke als treurige reactie van een initiatiefneemster, die haar teleurstelling achteraf uitsprak: ‘Wij slaven van Suriname van Anton de Kom is door 78 mensen genoemd. Dat is weinig, vooral als je bedenkt wat er de laatste tijd allemaal over het boek is geschreven.’

Hier toont zich iets ongemakkelijks, wat aan het fenomeen canon van oudsher een bepaald negatieve bijklank heeft gegeven: dat burgers-gelovigen iets wordt voorgeschreven. Prescriptief. Maar we leven niet in de romanwereld van 1984. In een democratie heten gedachten en meningen vrij. En toen uit de enquête bleek dat aan de top van de canon heden, volgens de respondenten, nog altijd min of meer hetzelfde rijtje witte mannen staat, was dat even slikken. Temeer daar bijna de helft onder de respondenten in het onderwijs werkt. Toch mag dat geen reden zijn om het broodje aap te serveren dat Manon Uphoffs wél gewaardeerde Vallen is als vliegen ‘buiten alle literaire prijzen viel’.

De deceptie betekent uiteraard niet dat de initiatiefnemers van deze canon, conform het paranoïde denken dat paradoxaal luid klinkt in de media, een woke agenda hadden. In hun rapport trof ik soms wel maffe frases: ‘Met name vrouwen en jongere respondenten zijn significant vaker voorstander van het streven naar genderdiversiteit en culturele inclusie.’ Het noodlot zal het hogere doel van literatuurverspreiding soms frustreren: ‘Sommigen vinden dat “de groten” niet opgedrongen hoeven te worden en dat verplichting demotiveert en het leesplezier in de weg staat; anderen lijkt het uitdagend en verrassend om jongeren een boek aan te reiken dat ze nooit uit zichzelf zouden kiezen.’ Een status quo in taal lijkt me sowieso improductief.

 

Juffrouw Symforosa

Uit de randen van het debat steeg op dat de rol van poëzie sinds de vorige toetsing geringer was geworden. Een enkeling signaleerde ook het gemarginaliseerde toneel maar waarom bleef het, als ik voor mijn eigen winkeltje mag spreken, doodstil over essayistiek? Verder kreeg ik de indruk dat die zogeheten culturele inclusie ondergesneeuwd werd door de zogeheten genderdiversiteit. De laatste kwestie is groot en complex, zorgde in de enquête voor opvallend veel toelichtingen en ze kreeg recent bovendien wetenschappelijke munitie. Na publicatie van de canonresultaten zal menigeen ook wel hebben gevoeld dat er, zelfs wanneer over kwaliteit enz. te twisten valt, iets niet klopte. Wereldbeelden foetsie! Waar waren de schrijfsters? Van de 11 op 100 uit de canon van 2002, kwam de enquête tot 24 op 100: een beetje meer maar veel te weinig.

woensdag 5 oktober 2022

Wie joeg mij hol de wereld in?


 

 

Van literatuurlessen op de middelbare school herinner ik me dat elk boek gegarandeerd een ‘motief’ of zelfs een ‘leidmotief’ had. Dat klonk als een misdaad, een stelling die bevestigd werd door de bijbehorende opdracht dat we dat (leid)motief moesten opsporen.

Toen ik zelf begon te publiceren leek het me dus wel handig in elk geval die vraag te kunnen beantwoorden. Dus voegde ik – mijn bekentenis is al afgelegd – in het eerste gedicht van mijn debuutbundel een eend in, en liet dat beest in latere boeken wederkeren.

Maar behalve ouder word je ook als auteur vergeetachtiger, zodat in mijn recentste werk de eend dreigde te schitteren door afwezigheid tot ik stuitte op een encyclopedieproject van mijn voormalige buurvrouw en langs een lijn die, vrees ik, louter voor mij logisch was de eend terug kon parkeren waar hij volgens de regels der kunst hoorde. Motief gered!

Deze activiteit kruiste afgelopen weekend wederom mijn pad toen ik las dat er waarschijnlijk geen literair oeuvre bestaat waarin zo veel dozen voorkomen als dat van Vrouwkje Tuinman. Prachtige en handige objecten vind ik ze en, mits geperforeerd aan de bovenzijde, geschikt voor eendenvervoer en -noodopvang. Wel verwijzen dozen voor mij in de richting van een liedje. Het werd geschreven door de betreurde Mark Sandman, die voor Morphine, ach wat een superband, een empty box bezong.

Het ding pendelt daar tussen twee mensen, voormalige geliefden waarschijnlijk, die niet meer on speaking terms lijken. Op een ochtend zwemt de ik in zee, tot uitputtens toe, en ziet dan de lege doos drijven en klampt zich eraan vast. Hoe dit verhaal afloopt blijft onuitgezegd; nat karton zal moeten redden.

Eerlijk gezegd zat het liedje niet vooraan in mijn collectieve geheugen, al was het omdat ik nooit naar songteksten slaag te luisteren. Anders dan Eva Cox, dankzij wie dit Morphine-lied mijn aandacht herwon. Haar mooie debuut Pritt.stift.lippe (2004) heeft, volgens de met een verfrissende ironie als ‘Inhoud’ gepresenteerde verantwoording, een soundtrack. Drie gedichten krijgen zo ‘Empty box’ als onderlaag. De laatste van het trio gaat zo:

 

Elektrisch blauw, een stalen egel

 

Aan de kartelranden van mijn denken

groeit gestaag een taai wild weefsel aan.

Wie scheurde ooit het weten uit mijn schedel?

Wie joeg mij hol de wereld in?

De honger van m’n trage ogen.

Het brede keelgat van mijn brein.

Hoe ik een pikzwart gat wil zijn, magnetisch

trek ik kennis als metalen dolken aan.

 

Bij mijn manier van lezen loopt er een draad van ‘denken’ over ‘schedel’ naar ‘kennis’. Daar is bij de ik-figuur iets misgegaan. Kennis voelt als ‘metalen dolken’. Geen pretje, zoals de box als bezongen door Morphine nu eenmaal ongevuld was.

Zes zinnen, zoals de zes vlakken van een doos? Mwah. De buitenkant lijkt te worden gevormd door de openings- en slotzin die allebei, voor de stevigheid, twee regels beslaan. Dan zijn de vier eenregelige zinnetjes de inhoud. Twee onmogelijke vragen krijgen daar twee antwoorden die zintuigen verwarren. Ja, dan is ook deze talige box leeg. Doorgeven maar!

Ik snap niet wat de titel te maken heeft met het gedicht. Elektrisch blauw is een kleur, een helle, die nog aan de ‘trage ogen’ te linken is. Maar een stalen egel? Google, help, ook met je Translate-winkeltje! Het Engels levert me bij niets minder af dan bij oorlogstuig. Nu in de Oekraïne blijken er stalen egels op te duiken, kantelbare objecten om zich te verdedigen tegen tanks.

Dit zou de ‘metalen dolken’ uit de slotregel preciseren, die kennis verbeelden. Weten is gevaarlijk? Of alleen wanneer het beslag krijgt zonder verband, sinds de intrede van internet huiskamers ook wel ‘context’ genoemd? Omdat het in een hyperlinkenstelsel dan per definitie doorverwijst, en onder de lege doos als het ware ook nog de bodem wegvalt?

dinsdag 27 september 2022

Stel dat ik hier zou spreken

 


 

 

Om je onberispelijk te gedragen bestaat er etiquette. Een beetje lichaam kan daar desgewenst een eind mee komen, helemaal als het bijvoorbeeld een ingebouwd smakapparaat kan temmen. Maar oog in oog met kunst moet je redelijkerwijs de improvisatietour op. Hoe immers te reageren op een fenomeen dat opzettelijk altijd wel iets afwijkt van wat je gewoon bent? En dat dus ook een beetje een bedoeling uitdrukt, die je in een mum van tijd moet inschatten?

Zelf ben ik op mijn maximale ongemak bij poëzievoordrachten. Dat komt beroerd uit. Michael De Cock betoogde onlangs dat de toekomst van dit genre, waarvan insiders al decennia beweren dat het wegens elitisme naar de ondergang schuift, buiten de bundel ligt. ‘Kom van dat blad af!’, riep hij Peter en zijn Rockets bijna na. En ter geruststelling van onverhoopte cultuurpessimisten vertelde De Cock erbij dat Homerus op dezelfde lijn zat.

Nu ik nog eventjes. Vroeger toen ik nog dichtte en soms werd gevraagd om voor te lezen, ontbrak me steevast zoiets als een toon. Voor mij was een gedicht namelijk pas af wanneer ik me er volledig door buitengesloten wist; dat ik mijn werk niet begreep was op het podium vermoedelijk te zichtbaar.

Ook als luisteraar ben ik hopeloos. Drie woorden voldoen om me weg te leiden, waarna mijn gezicht denkelijk louter uitdrukking geeft aan de kramp in mijn brein (hoewel expliciete meningen steevast blijken te stammen uit ‘de onderbuik van de samenleving’, blijkt dit lichaamsdeel bij kenners tevens de registrator van poëziespecifieke dingetjes als klank en ritme).

En wanneer ik dan om me heen durf te kijken, ligt er bij mijn medeluisteraars een glimlach op de lippen, wat mijn kramp ongetwijfeld stompzinniger maakt. Ik begrijp poëzievoordrachten gewoon niet. Maar soms begrijp ik lotgenoten bij die evenementen nog minder. De laatste keer gebeurde dat bij een registratie van een voordracht door Arjen Duinker.

Hij las voor uit Catalogus (2016), een bundel die zeven jaar verscheen na het verhoudingsgewijs breed erkende Buurtkinderen (2009). Bij de voordracht gierde het publiek het uit. Toevallig had ik Catalogus gelezen en me een beeld gevormd van wat die taal daar deed – en van me wilde. Lachen was het laatste wat ik hier zou doen. Gelukkig zat ik niet in de zaal en is een computerscherm geen ding dat uitnodigt tot grote vertrouwdheid, anders was ik in snikken uitgebarsten.

Wat? Huilen bij Duinker? Dat was toch zo’n postmodernist die niet aan ego-uitstorting deed? Die waarschijnlijk als enige het programma van de Maximalen wist waar te maken? Een sinterklaas met uitroeptekens, wiens gedichten weergaloos vrolijk waren? Die reeds met de titel van zijn recentste bundel, Autobiografie tot op de dag van vandaag, hoofdschudt bij millennialgeplogenheid:

 

Ik heb geen idee wat nadenken is,

Dat is algemeen bekend!

Had ik een vermoeden gehad,

Dan was nu misschien wel priester!

Parketlegger! Voorman!

Het liep anders!

 

Ja precies, die Duinker! Bovendien was ik de bundel Catalogus in een minstens zo prettige stemming begonnen te lezen als het luisterpubliek en werd daarin bevestigd door gedichten als:

 

Stof vlieg weggetje vlieg

Bol touw vierkantje bel

Touw stoel stoel stof

Voet oor neus vierkantje

Bel driehoek driehoek water

Weggetje vlieg bol bel

Weggetje vlieg oor neus

 

Liniaal stof vlakje stof

Cijfer water cijfer stof

Cirkel punt stof liniaal

Driehoek oor oor voet

Water weggetje cijfer neus

Punt punt min liniaal

Punt punt plus cijfers

 

Zit er een systeem in deze ogenschijnlijke willekeur? Johan Sonnenschein wist het op een haar na te kraken en verdacht zelfs een sonnet. Het is voor mij te lang geleden om nog te weten wanneer en waarom mijn goede humeur omsloeg. Ik herinner me wel vrij zeker dat door zulke gedichten in mijn ogen plots een ander genre te schemeren begon: dat van de oefening.

Vanaf toen ging Catalogus naar mijn idee over het aanleren en begrijpen van woorden. Hoe kwam ik daar nu bij? Had ik iets beleefd waaruit mijn kokerperspectief te verklaren viel? In elk geval heb ik twee dochters elementair zien leren. Bij het vak taal veroorzaakten oefeningen een teruggrijpende vooruitgang. Er kwamen steeds nieuwe woorden bij, en oude werden herhaald.

Ook heb ik me een tijdje beziggehouden met NT2-onderwijs, waar dit principe evenzeer toegepast werd op het uitspreken van nieuwe woorden. Precies zoals Duinkers gedicht beschrijft. En op zich waren dat montere sessies waarin herhalingen ook van de docent konden komen. Zolang het maar duurde, net niet eindeloos.

Sensationeel vond ik de illusie dat naarmate het woord beter werd uitgesproken de betekenis ervan helderder leek. Misschien een restant van oude gewoontes. In het schrift schijnt pas in de twaalfde eeuw het fenomeen spatie zijn intrede te hebben gedaan. Voordien was er scripta continua, dat noopte tot hardop lezen om te ontdekken waar het ene woord eindigde en het andere begon.

maandag 19 september 2022

Uit de werkplaats (5)

 


 

 

1.

In zijn alweer uitstekend geluimde memoires Uitgeversgeluk (2022) blijkt Joost Nijsens sleutelwoord ‘via via’. Vreemd, in zijn uppie is ‘via’ een voorzetsel, getweeën wordt het een bijwoord.

Ook wijdt Nijsen warme woorden aan België en verklaart waarom het geen heel erg goed idee is om Vlaanderen ‘de dertiende provincie’ te noemen. Ik besefte lang weg te zijn uit het vaderland – niet beter wetende dat het elf provincies telde.

Een van mijn leesafwijkingen betreft het namenregister. Bij Nijsen begint elke op de achternaam geordende persoon bij de voornaam. Om het leestempo te vertragen of om te relativeren? Hij laat het register mottogewijs voorafgaan door een regel van Taylor Swift: ‘I’ve come too far to watch some namedropping sleaze’.

Vanwege een recent belangstellingsveldje kon ik het niet nalaten één naam in die lijst na te zoeken en in plaats van meer vond ik niets. Vreemd, want de auteur kwam in Uitgeversgeluk voor omdat hij tot Nijsens aloude Vlaamse favorieten behoorde. In de lopende tekst: ‘Boon, Daisne, Lampo, Van den Broeck, De Coninck, en Claus en nog eens Claus’.

Alleen de eerste en de laatste naam bereikten Nijsens register. Omdat ze momenteel de relatief bekendsten zijn? Mocht dat kloppen, dan bevat Uitgeversgeluk een klassenregister.

 

2.

Nijsen maakt zich vrolijk over de uit Amerika overgestoken trend van dankwoorden – en verstrekt er dan uiteraard zelf eentje, van twee pagina’s.

Mij was mijn persoonlijke ergernis over dit fenomeen al bijna ontschoten toen ik een experimentje deed door twee hyperintelligente ik-boeken tegelijk te consumeren. Arjen Duinkers Autobiografie tot op de dag van vandaag, één lang gedicht, las ik moeiteloos door (na de slotpagina volgde slechts een imponerende bibliografie), terwijl ik hopeloos bleef haperen in de korte stukken uit Nina Weijers’ Zelf doen. Hoe dat?

Op pagina 20 is er sprake van ‘dit blad’, wat Weijers’ formele uniformiteit verklaart: columns. Pagina 45 meldt: ‘Ik houd niet van zinnen die beginnen met “Als kind”’. Mijn geduld raakt op en ik steek binnendoor. Na meer dan 300 pagina’s is er, behalve een bibliografie met een overmaat Engels en Der Zauberberg in eerste druk, een dankwoord. Daar worden mensen uitsluitend bij hun voornaam genoemd.

Zelf doen is blijkbaar voor intimi, een jullie. Zo waan ik me extra bevoorrecht om als één van de vele geïmpliceerde jijen Duinkers verhulde autobiografische autobiografie te hebben meebeleefd.

 

3.

Het mooiste gedicht uit Frank Keizers bundel De introductie van het plot (2022) evoceert eerst de late RAF-jaren: ‘het was de herfst van het systeem en zo heet dat je nauwelijks iets op papier kreeg’. Zo kan Keizer er een poëticale laag in aanbrengen en rept van ‘teksten als voorstellen van gedichten die nog moeten komen’. Logisch dat hij eindigt met een pleidooi voor ‘uitkomsten’ en een relativering van de ‘esthetische autonomie’.

Keizer spreekt tegen mij, snap je?!

Verder bevat de bundel een milieupassage met het Wetteren-incident over ‘privatisering // van kennis’. In dat gedicht komt het jaartal 1972 voor, dat bij de Aantekeningen achterin wordt verklaard als verwijzing naar Buelens’ Wat we toen al wisten (2022). Maar dat boek ging toch over het legendarische milieurapport van de Club van Rome?

Verwijst de dichter dus met tekst naar metatekst? Over een toevallig precies vijftig jaar oude tekst over de toenmalige staat van de aarde? Huldigt hij dus de cultuurindustriële rite? Had hij evengoed Jaap Tielbekes We waren gewaarschuwd (2022) kunnen noemen? Of de roman Winterthur (2022) van Alexander Nieuwenhuis? De door Ugo Bardi en Carlos Alvarez Pereira samengestelde artikelenbundel Limits and Beyond (2022)?

Spreekt ook Keizer tegen een jullie?

 

4.

Sinds wanneer worden überhaupt aan dichtbundels wezenloze ‘Verantwoordingen’ annex ‘Aantekeningen’ toegevoegd van het type ‘een vroegere versie van de reeks xxx… stond in het tijdschrift xxx’? Voor die geplogenheden reserveert Keizer bij elkaar milieubewust zes bladzijdes.

Oei, de populist in mij speelt op. Hoewel, ik herinner me de spot waarop Christine D’haen werd onthaald als ze haar bundels afsloot met zulke ‘Aantekeningen’. Maar daarmee verklaarde ze domweg duistere regels en toespelingen, en onthermetiseerde zo haar gedichten. Keizer noemt echter bijna louter boektitels, soms voor ontleende citaten, meestal uit schatplichtigheid. Van tekst aan tekst, dus? Een doorverwijsstation?

De dichter beweert in februari 2020 een Rosa Luxemburg-tentoonstelling te hebben bezocht, die liep tot januari van dat jaar. Als andere inspiratiebron noemt Keizer het brievenboek Ik voel me in de hele wereld thuis, dat hij dateert op 2019. Maar het stamt uit 2020. Hallo? Hallo! Aarde?

Wat me ook frappeert: na auteurs te hebben opgesomd door hun voor- en achternaam te beginnen met een kapitaal, eindigt Keizer met een rij niet-alfabetisch gerangschikte inspiratiebronnen bij wie alles onderkast wordt. Van herodotus over martin heidegger tot willem schinkel.

 

5.

Volgens Joost Nijsen is een uitgeverij een geheel waarvan de losse onderdelen elkaar voor missers behoeden. Goed geolied!

Bij Keizers bundel ontspoor ik door de kleinste categorie: het lidwoord. Al bij de titel. Moet De introductie van het plot niet de plot zijn? Het Groene Boekje geeft me gelijk.

En klopt ‘het etymologische doolhof van martin’? Het Groene Boekje geeft zowel de optie mannelijk als onzijdig. En ‘de hof van eden’? Het Groene Boekje geeft Keizer gelijk.

Hindert hier alsnog een esthetische autonomie? Had het anders gekund? Bij mijn weten debuteerde Arjen P. Duinker in 1980 in Hollands Maandblad met acht gedichten, waarvan het vijfde nogal onvergetelijk is geworden: 

De moet

een zijn