zondag 19 november 2017

Voorzetselduister




Hoe komt het dat veel van de geïnterviewden in Joost Vullings’ De kinderen van Pim, politieke nazaten van Fortuyn, bij hun terugblik op het kortstondige avontuur als tegenpartij het taalgebruik in ‘Den Haag’ hekelen en daar dan vaak een zegwijze uit Rotterdam tegenover stellen: ‘niet lullen maar poetsen’?
Kennelijk zit er een kinkje in de kabel die van zender A naar ontvanger B loopt. Van Dale geeft dan een Hans van Mierlo-citaat: Het probleem in Nederland is niet dat we te veel praten, maar juist dat we te weinig communiceren’. Dus niet louter de publieke zaak van spreken is inefficiënt?
Lang geleden, toen de vissen nog Latijn spraken, keek ik als redacteur terug op de ontwikkeling van een werkwoord waarvan het gebruik in een werkbiotoop explosief was toegenomen:

‘Communiceren deed je mét iemand, in een dialoog. Inmiddels blijkt het een overdrachtelijk werkwoord, zeker in de boekenbranche. Je communiceert “iets”, ook nog “naar” iemand, in de richting van, dus. En dan, zou je zeggen, wordt het afwachten.’

Ai meneertje, ‘overdrachtelijk’ moet ‘overgankelijk’ zijn. Niet iedereen met een vakdiploma is dan ook een autoriteit, zelfs niet inzake het eigen leven. Bovendien bestond het overgankelijk gebruik van ‘communiceren’ al veel langer. Het heeft wel zo’n beetje een monopolie verworven.
Toch heb ik ergens een vermoeden wat ik heb bedoeld met ‘overdrachtelijk’, dat verwijst naar een figuurlijke betekenis.
We schreven 2004. Internet en e-mail hadden zich in dagelijkse levens genesteld, op mobiele telefoons was het middel van de sms ingeburgerd. Misschien is het raar, zeker voor late adopter als ik, om meteen die technologische details aan te brengen, maar na herlezing van Jannah Loontjes memoire Roaring nineties realiseerde ik me weer hoe ze aan taal verklonken zijn.
Loontjes, een decennium jonger dan ik, herinnert er zelf al aan dat het medium de message is. Ze laat zien wat er in de recente geschiedenis is veranderd in de omgang, in het begrip van privacy. Meestal onbereikbaar zijn! Beid je tijd als er op een afgesproken tijdstip niemand opdraaft! Mateloze brieven schrijven en herschrijven!
Communiceren richtte zich dus op een welomschreven ander als object van handelingen en beweringen. Dat bedoelde ik zeker in mijn citaat. Ook praten ging ‘met’ – of evengoed ‘tegen’ – iemand.
Dan krijgt het nieuwe ‘communiceren spatjes. De overload aan copy-paste-informatie heeft alleen een abstract publiek. In hoeverre mensen er daarin eigenlijk toe doen, in buitenconsumenteel opzicht, lijkt een vraag voor cynici.
Zelf verkeer ik door deze absorberende reductie in een voorzetselduister. Met welke woordschakel betrek ik de ander bij het postideologische communiceren?
Deze kwestie diende zich recent aan, op nog een voor mij betrekkelijk recent medium, het intranet (ik veronderstel dat mijn adoptievermogen vertraagd is door een activiteit bij het opstarten van mijn e-mailprogramma: ‘gegevensintegriteit controleren’). Op die plaats werd aandacht gevraagd voor een vacature van beleidsmedewerker in de kunst van de communicatie:

-          Je gaat actief aan de slag met de externe communicatie en wervingmomenten naar studiekiezers
-          Je vormt, in samenwerking met relevante partners, het communicatiebeleid, zowel naar gedrukte als niet-gedrukte media.

Vielen mij eerder het containerwoorden ‘momenten op of meende ik inderdaad onmiddellijk te weten dat ‘naar niet klopt? Reeds opgericht had zich in elk geval mijn hoonzintuig, inclusief notoire historische boosdoeners uit de welzijnssector. Toen vroeg me af wat hier wel een correct voorzetsel is.
Schrijven doe je ‘aan’ een specifiek iemand. Richard Sennett suggereerde dat dit bij e-mails niet opgaat omdat ze een middel zouden zijn om de ruimte voor interpretatie te beperken. Een baas deelt een bedoeling mee, en geen werknemer kan beweren daarvan niet op de hoogte te zijn. Bovendien zou het tekstbericht een onttakeld gesprek zijn, omdat er geen gelegenheid is voor twijfels of bezwaren, ironie, uitweiding, enz.
Vertellen kan volgens mij nog wel ‘aan’ iemand. Ik kan tevens vertellen ‘tegen’ een ander. Maar communicatie?
De intranetvacature deed me tegelijk beseffen dat de informatieoverload een echokamer heeft ingericht van een volstrekt homogeen discours. Onder het vereiste profiel stond namelijk:

-          Je schrijft taalkundig correct, hebt een vlotte pen

Het deel vóór de komma biedt geweldige kansen voor teksten met waarheden als ‘Colorless green ideas sleep furiously’. Helaas worden ze om zeep geholpen door wat er achter de komma staat. Dat een pen, die volgens mij trouwens nauwelijks nog gebruikt wordt, ‘vlot’ moet zijn tart elke minimale beheersing van taal.
Ik vrees dat hier ‘beeldend’ taalgebruik wordt geëist, inderdaad van een communicator, dat ooit aan kunstenaars was voorbehouden voor wie correctheid burgerlijk zou zijn. En het zou me niet verbazen dat deze functie in de plaats is gekomen van de aloude tekstredacteur die ik, al te ijdel, ooit meende te zijn. Daar was de missie om gemeenplaatsen te onderscheppen, die voor het nieuwe paradigma juist zijn gewenst.
Node ontbreekt ‘communiceren’ dan ook in het Klein lexicon van het managementjargon (2016) door Laermans, De Cauter en Vanhaesebrouck, dat het neoliberalisme dacht te fileren. Gelukkig is daar wel de ‘content’ te vinden die naar buiten moet komen.
Hoe hoog het percentage betekenis in zo’n boodschap ook precies mag liggen, helder is dat een communicator de subjectiviteit moet verlaten. Hij/zij is de bemiddelaar van een boodschap uit een consensus, na ‘constructieve’ bijdragen van collega’s, over een merk of imago.
Nu nog de status vaststellen van deze beleidsmedewerker. Laat ik er een artistiek omweggetje voor nemen. Volgens Ben Lerner moet je in poëzie ‘Walt Whitman’ tussen aanhalingstekens zetten omdat deze niet zozeer een historische persoon is geworden als wel een aanduiding voor democratisch dichterschap. Wie onder dat gesternte ‘ik’ bescheidenheidshalve inruilde voor ‘je’, kreeg van vakdiplomatici te horen dat er een ‘verhuld ik’ werkzaam was.
Maar wanneer de communicator, zoals topvoetballers dat zo mooi kunnen, over zichzelf ‘je’ zegt, dan is dat volgens mij een gevallen ik.
Tot slot richt diens zoektocht zich alsnog op een publiek. De Haagse wijsgeer F. Jacobse, van de Universiteit van de Straat, had er deze formule voor: ‘Ik ben niet ik nou, ik ben een spreker’. Dat communiceerde hij bij een oefening voor het Kamerlidmaatschap, om een punt te leren maken. 

zondag 12 november 2017

Meneertje vwo




Net nu ik door de bestandsnaam ‘def’ afstand heb gedaan van het voorrecht een boek te herschrijven, gebeurt er iets wat in die tekst aan bod had kunnen komen. Of het met identiteitspolitiek te maken heeft of met instituties of met geen van beide, weet ik eerlijk gezegd nog steeds niet. Maar feit bleef dat afgelopen week voor De Groene Amsterdammer Christiaan Weijts een standenmaatschappij heeft bevestigd in laaglandse literatuur.
Naar aanleiding van de jongste roman van Alex Boogers waren dit de frappantste passages:

‘dit soort literaire buitenbeentjes. Ik denk aan Henk van Straten, Jan van Mersbergen, Auke Hulst, Walter van den Berg… dat soort mannen. Of jongens eigenlijk. Hoe verschillend ze ook zijn, in grote lijnen delen ze dit verhaal: ze zijn opgegroeid in achterstandswijken of plattelandsdorpjes, hadden een jeugd van gebroken gezinnen, ontsporingen, vulden hun cv’s met baantjes voor ongeschoolden (…)
Ook de uiterlijke overeenkomsten zijn meer dan bijkomstig. Ze beoefenen ruige sporten, hebben tatoeages of spelen in gitaarbandjes. (…)
Ook stilistisch is hier een verwantschap: geen mooischrijverij, geen stilistische virtuositeit, maar een directheid, een rauwheid, die je volks zou kunnen noemen. Mannen van weinig woorden. De blueszangers van onze literatuur. Ironie zul je hier evenmin aantreffen als geraffineerd gegoochel met fictie en werkelijkheid. Geen diepere lagen, intertekstuele verwijzingen of experimentele vormen. We hebben hier te maken met een andere literaire familie dan de tak Flaubert-Nabokov-Couperus-Nooteboom’

Heuse chavs in Holland! Ik vind Weijts exercitie nogal wat. Academisch populisme, populistisch would-be academisme of journalistiek die de eigen tijd weerspiegelt?
‘Vroeger’ konden laaglandse literatuurgeschiedenissen periodiseren naar beroep: dominees, juristen, schilders, copywriters, neerlandici, beeldend kunstenaars, filosofen… Bij het Manifest voor de jaren zeventig, dat grof samengevat pleitte voor toegankelijkheid en heroverweging van werkbeurzen, is wel aangetekend dat hun makers niet uit een academisch milieu kwamen.
Nu gaat het echt om sociale klasse, in uiterlijkheden, met alle vooronderstellingen an sich. Aan de andere kant spreek ik zelf net zo makkelijk van een witte middle class.
En natuurlijk, de betreffende editie van De Groene vierde een jubileum door zich te werpen op het fenomeen ‘de elite’ en Weijts staat mij, die zijn romans niet ken, bij om studentikoze columnistiek, maar het is licht verbijsterend om zulke generalisaties voorgeschoteld te krijgen. Temeer daar Weijts redeneert vanuit de faketerm ‘volksschrijver’ van Gerard Reve, die toch werkelijk uit een intellectueel gezin kwam.
Zelf heb ik van de aangehaalde auteurs alleen Van Mersbergen en Van den Berg gelezen, één roman per persoon om precies te zijn. Die ik me herinner als (wat ik kennelijk beschouw als) ‘literair’.
Nog vreemder vond ik het dezelfde week in NRC dezelfde namen te zien in de hoedanigheid van ‘volkse schrijvers’, aan wie nog Dimitri Verhulst werd toegevoegd.
Goed dat – voor zover het binnen mijn gezichtsveld kwam – Jan van Mersbergen, Henk van Straten en Walter van den Berg meteen reageerden. Wel doneerden ze een portie tegenclichés:

‘die auteur van De Groene (die ook maar van werkbeurs naar werkbeurs gaat, amper boeken verkoopt en hoopt dat de mensen hem om zo’n artikel zullen applaudisseren, zodat hij zich weer heel even compleet en goed kan voelen, waarna het allemaal meteen wordt vergeten en tot stof vergaat). Zo deprimerend en voorspelbaar allemaal, zo zinloos, en vooral: zo sáái.’
Chris, meneertje vwo dat je bent
dat culturele slag dat met enge pianohandjes en vlotte zinnetjes de hokjes bepaalt’

Schaamte nam mij in bezit. Temeer daar ik onlangs uit een naslagwerk begreep dat Van den Berg de eerste blogger was die doordrong tot het literatuurwezen, wat betekent dat hij een principieel andere weg bewandelde dan via het papieren literaire tijdschrift. Ook las ik dat Hulst een exponent zou zijn van een mediacultuur waarin fictionaliteit verdrukt is door een schematisch genoemd onderscheid tussen waar en niet-waar.
Vooral besefte ik, schoolmeesterige semi-academicus, notie te hebben genomen van de zin ‘Hij sponste saus op met zijn brood en maalde het zompig geworden deeg’, uit Auke Hulsts mooie roman En ik herinner me Titus Broederland (2016), naar aanleiding waarvan ik over spellingseigenaardigheden wilde gaan bloggen.
Tegelijk zijn voor mij weinig boeken zo ‘urgent’ geweest als De lezer is niet dood van Alex Boogers, uit wiens werk Weijts in instantie zijn wijsheden haalde. Hij signaleert in dat pamflet dat er een groot potentieel leespubliek over het hoofd wordt gezien, ook voor de ‘de tak Flaubert-Nabokov-Couperus-Nooteboom’.
Volgens Boogers is er nood aan gidsen, bemiddelaars. Hij toont overtuigend dat bij ontstentenis van hen cultuur helaas culturen blijven – eilandjes waar vanaf naar overzijden wordt geblaft.
Daarin valt de treurigheid van Weijts’ bevindingen louter te historiseren. Het onderscheid dat hij maakt, komt namelijk bekend voor uit de vermaledijde jaren zeventig (die in hetzelfde Groene-nummer minstens zo voorspelbaar en a-solidair worden gekraakt). De ‘tak’ zat toen in de rugzak van De Revisor, het literaire tijdschrift dat boeken van bijvoorbeeld Nabokov bewonderde. Kroonluchters die niet kunnen branden, zei de geleerde Maarten ’t Hart.
Dus heette het tijdschrift een podium voor saaie academici. Decennia later was Van Mersbergen er redacteur. En tegenwoordig lijkt het schimmiger dan ooit wat een academicus inhoudt.
Enfin, op dit soort momenten dringt zich het gemis op van Jeroen Mettes, die overigens van Weijts een studiegenoot was.
Toevallig lees ik in het boekje Opzienbarende ontdekkingen over taal van het duo Milfje Meulskens over prototypes. Ze behandelen die aan de hand van meubels en vogels, maar in een achterafblokje staat de uitdrukking meisje-meisje die stereotiepe kenmerken van dat geslacht op jonge leeftijd blijken uit te serveren, ‘zoals een voorliefde voor roze jurkjes’.
De taalexperts vragen zich dan af aan welke kenmerken een schrijver-schrijver moet voldoen. Daar heeft Weijts hun nu op geantwoord. Maar ze hadden uiteraard ook even Engels kunnen raadplegen, in de categorie writer’s writer.
Succes niet verzekerd?

donderdag 2 november 2017

De nieuwe punk




Meyrem Almaci, partijvoorzitter van Groen, heeft een boek gepubliceerd. Het heet Respect is de nieuwe punk. Mij fascineert die titel om meer redenen.
Allereerst om het doel ‘respect’. Enerzijds roept het een oubollige witte sfeer op, anderzijds laat het, voor mij althans, zwarte topvoetballers als Davids en Seedorf aan het woord over de niet-uniforme waardering van hun prestaties.
Met ‘respect’ bedoelt Almaci ‘empathie’. Ze verklaart de vergelijking van dat doel met ‘punk’ uit een contrastwerking. Punk staat niet direct bekend om invoelendheid, dus demonstreert de vergelijking hoe bizar het is om aandacht te moeten vragen voor iets wat zo elementair is als respect.
De Spotify-lijst bij Respect is de nieuwe punk schijnt ook andere genres te brengen.
Zelf associeer ik de titel met een herpositionering van Almaci’s partij. De ten voorbeeld gestelde muzieksoort was immers anti-establishment en arbeiderisch (dat Joe Strummer van The Clash een diplomatenzoon was, lag niet zo lekker). Maar binnen het gebutste linkse spectrum is Groen in muziektermen zogezegd middle of the road aan het worden.
Ik wees al eens op de naam van het partijblad, Pesto, die een kiezerssegment uitsloot dat mogelijk wat minder gefortuneerd was. Heden heet het blad Pit. Daar kunnen zich allicht meer mensen mee identificeren.
Almaci legt uit dat identiteit voor haar gelaagd is: ‘Ik ben feministe, politica, links, dochter van Turkse migranten, Vlaming, Belg’. Ze noemt dit inzichtelijk een lasagne. Dat is toch weer een culinaire term, ook met een voorgeschiedenis, zoals een heuse Vlaamse warrior deze eeuw nog wist te melden.

Vooral valt me aan Almaci’s titel het naamwoordelijk gezegde op. De ongrammaticale uitspraak ‘A = de nieuwe B’ lijkt al tijden een trend. De Vlaamse warrior zou de beschuldigende vinger misschien wijzen naar het Engels, en komen aanzetten met een serietitel als Orange is The New Black.
De digitale boekenboer geeft ondertussen gedienstig Zitten is het nieuwe roken (2015) en Uitrollen is het nieuwe doorpakken (2016, over taal, door een eindredacteur).
Zelf vind ik de bron van Almaci’s uitdrukking de nieuwe punk niet. Mij verwart veeleer het lidwoord ‘de’, dat in België juist weg kan vallen voor allerminst onzijdige zelfstandige naamwoorden: men gaat hier naar ‘het school’.
Dus wanneer Respect nog ‘het nieuwe punk’ was geweest…
Tenzij Respect de voornaam is van iemand, die in een organisatie de permanent innoverende functie van punk vervult, een wat gemeenzame aanduiding voor punker. ‘Beste mensen, mag ik jullie even voorstellen: Respect is de nieuwe punk’.
Slechts als het om The New Black gaat, weet het Urban woordenboek dat het de principieel laatste mode betreft.

Ik vrees dat ik rond de eeuwwisseling al afhaakte na een frase waarbij in het naamwoordelijk gezegde een adjectief ook al werd verzelfstandigd: ‘***is de max’. Of zou die Pepsi-achtige uitdrukking exclusief Belgisch zijn? Dat zou precair zijn, gelet op de duistere relaties tussen de twee Lage Landen, niet het minst op talig vlak.
Zo was er recent een even prachtige als prestigieuze Atlas van de Nederlandse taal, die doodleuk beweerde dat in Nederland de Sint laat strooien met pepernoten en in Vlaanderen met nicnacjes (p. 169). Dat laatste geloofde ik niet en heb ik nagevraagd bij de gourmande: fake news! Alleen in West-Vlaanderen waar!
Mijn indruk is dat er nog altijd een sentimentele hang naar ‘sappig Vlaams’ bestaat in Nederland, wanneer ik tenminste mag afgaan op de bekroningen van de Tzum-prijs voor de mooiste literaire zin van het jaar.
Als ik zou mogen kiezen, dan Tjalie Robinsons desnoods ‘Hollands’ te noemen directheid. En hij was geeneens een Hollander, het is te zeggen, daar op KNIL-verlof geboren en meteen terug naar Indië.
Toen hij na de oorlog wel naar Holland moest, werd het vanzelf 1960 toen een gerenommeerd letterkundige, al heette hij Voeten, over een verhaal een brief kreeg van een onbekende, Robinson dus, met deze aanhef: ‘Godallemachtig Bert, Ik hoop niet dat je je gekwetst voelt, maar je valt me enorm mee’.
De overtreffende trap van directheid beluisterde ik echter in België, toen een vrouw me meedeelde: ‘Mijn man en ik zijn racisten. Pas op, niet bij negers of bij Turken, maar we zijn wel racisten tegen Marokkanen.’

Terug naar de aanjager van mijn Bergrede, Meyrem Almaci’s titel Respect is de nieuwe punk.
Dat iets ‘de nieuwe…’ heet, klinkt in mijn oren onbedaarlijk positief, voorspoedig en gunstig. Dat past bij politiek, die voor mij althans perspectief mag bieden. Alleen moet ik me sterk vergissen, of je verrast geen kip met een nonsens-stelling à la ‘Veertig is het nieuwe dertig’.
Sorry, weer geen ‘de’.
Het rare is wel dat een Google-controle op ‘het nieuwe dertig’ zeer uiteenlopende treffers oplevert. Recent onder meer een instantie die Lifehack heet, maar ook Daphne Deckers alweer bijna tien jaar geleden, in het blad Grazia.

Saai is het nieuwe sexy
Old is the new new

Naar aanleiding van een nieuwe glossy, Fab, kwam er een commentaar dat de stelling echter doorrekende: ‘Veertig is het nieuwe vijftig’. Dat had met de realiteit te maken, van zware hypotheken, werklasten, puberende kinderen, steeds uitgesteld pensioen, minieme kans op de arbeidsmarkt, enz.
Het commentaar was zo eerlijk het vrouwenblad Opzij te vermelden, dat wel degelijk de schier overmontere kop ‘Vijftig is het nieuwe veertig’ droeg. En volgens een ‘hoofdeconoom van het CBS’ wordt vijftig zelfs het nieuwe dertig.
Kenners weten het niet. Zelfs het Urban woordenboek redeneerde zichzelf klem met een ander voorbeeld:

Obama is the new black (pun intended, no disrespect to African Americans)

Ten slotte valt op dat Almaci’s boek tegelijk uitkomt met dat van Ignaas Devisch, waarin gestreefd wordt naar een werkbare onverschilligheid. Terwijl zij pleit voor meer empathie, mag empathie van hem wel een onsje minder zijn. Is empathie dus de nieuwe klassiek?

vrijdag 27 oktober 2017

Geachte,




‘Mama, mama, ik heb een biografie gelezen!’
‘Wat is er, jongen, was je ziek?’
‘Nou ja, de noten en de bibliografie heb ik overgeslagen.’
‘Toch flink hoor, jongen.’
Indien ik examen zou moeten afleggen over Jolande Withuis’ Juliana. Vorstin in een mannenwereld, dan was allicht de indruk ontstaan dat ik die mooie pil niet had geslikt. Het ene feit kwam mij als royalty-leek nog vreemder voor dan het andere.
Waarlijk memorabel vond ik passages over aanspreekvormen. Bernhard wilde onder geen beding ‘prins-gemaal’ heten, en had bij zijn schoonmoeder Wilhelmina afgedwongen dat hij ‘de prins der Nederlanden’ genoemd werd. Bij het voorgenomen huwelijk van zijn dochter de kroonprinses jaren later oefende hij druk uit op zijn vrouw de koningin om het lidwoord in die titel te behouden. En om die zelfverzonnen regel louter te laten opgaan voor echtgenoten van regerende vorstinnen.
Zo kwam Claus von Amsberg gewoon ‘prins der Nederlanden’ te heten. En deze liet dat natuurlijk zo toen hij zich vanaf 1980 feitelijk ‘de prins’ had mogen noemen.
Withuis articuleert vanuit die optiek nog iets waar ik nooit een tel over had nagedacht (nadat ik het stompzinnig had bevonden): dat de andere schoonzoon Pieter van Vollenhoven altijd door het leven ging als ‘mr.’. Voor Bernhard – bepaald geen academicus, lijkt me zo – belichaamde dit een extra vernedering.
Overigens lepel ik op mijn beurt graag op dat Mr. Van Vollenhoven familie is van de dichter.
Ook fantastisch, en logisch na Withuis’ uitleg, vind ik dat het personeel na haar abdicatie ‘prinses’ zei tegen Juliana en ‘Koninklijke Hoogheid’ tegen Bernard. En dat hij de lakeien toen tutoyeerde, en zij hen vousvoyeerde.
Wie zulk soort schaamte achter zich wil laten, bekenne zich tot het Engels. Met ‘you’ zit je altijd goed. In België kom je met ‘u’ ook een heel eind. Het zal snobisme zijn dat ik dat zelf graag zeg, ook tegen mijn kinderen, die ‘je’ terugzeggen en de ‘u’-optie vooral lichten bij bezittelijk voornaamwoorden.
Het taalkundig genie heb ik om opheldering gevraagd. Enigszins verwonderd maar geduldig legde ze me uit dat ze eigenlijk tegen iedereen ‘jij’ zegt, uitgezonderd drie categorieën: koningen, politici en sporters die een medaille hebben gewonnen.
Dwars door mijn ouderlijk gezin liep vroeger ook een u-jij-grens. De twee oudsten zeiden ‘u’ tegen vader en moeder, de tweede jongsten ‘jij’. In mijn middelbareschooltijd – eind jaren zeventig, begin jaren tachtig – viel zo’n verschil dan weer op te tekenen in de amper subtiel uitgelokte benadering van respectievelijk ‘rechtse’ en ‘linkse’ leraren.
Natuurlijk heb je hier in België ook nog ‘gij’. Het geldt als gemeenzame variant. Een recent boek dat tussentaal aanbeveelt heet: Wat zegt ge? Heel veel wijkt dat niet af met wat vlak over de grens voor gewoon doorgaat. Uit West-Noordbrabant, de streek waar ik vandaan kom, staat me althans bij: Wazeedegai?
Inzake spelling blijken werkwoordsverbuigingen bij ‘gij’ heden dan weer misverstanden op te leveren, maar die treffen literaire lezers.
De gerenommeerde vertaalster Yolanda Bloemen benoemde in De nachtegaal van de Katholieke Kerk bij gedichten van Pasolini het heikele probleem van ‘Tu’ jegens Christus. In Italiaans kennelijk best gangbaar voor een heer die in het Nederlands met ‘U’ of ‘Gij’ moet worden aangeschreven. En voor wie ‘Jij’ behalve incorrect ook een beetje tegenstrijdig is.
Dus koos Bloemen de naar eigen zeggen niet helemaal bevredigende oplossing ‘u’, in onderkast. Om tenminste de kloof tussen spreker en aangesprokene wat minder te doen gapen:

Waartoe troffen ons
de slagen van de vuisten
en van de zwarte spijkers,
als niet uw vergeving
ons had aanschouwd
vanuit een eeuwige dag
van mededogen?

Dit wekte in mij dan weer de herinnering aan commotie toen op de televisie emeritus-professor Etienne Vermeersch door zijn veel jongere collega Devisch aangesproken werd met ‘jij’. In een debat, als het ik goed heb, dus misschien was er zoiets als het vuur van de strijd.
Omgekeerd klinkt het me geforceerd in de oren wanneer in België leeftijdsgenoten ‘jij’ tegen me zeggen, waar ik ‘je’ verwacht. En ronduit onnavolgbaar wanneer zij het hebben over ‘jullie’ als ze het onderwerp ‘Hollanders’ behandelen (terwijl ‘wij’ evolutionair nog maar zo’n klein waffeltje hebben overgehouden).
De noordelijke uitgeefbranche vertoont op haar beurt een uiterst doortastende aanpak van de aanspreekkwestie. Uit schriftelijk verkeer is dit me althans vertrouwd geworden: ‘Geachte heer Kregting, beste Marc,’ (en dan doorpakken in de jij-vorm). De Belgische manier overtuigt mij na al die jaren nog steeds beduidend minder: ‘Geachte,’ / ‘Beste,’.
Maar je kunt natuurlijk moeilijk onthullen dat je geen Komma heet. Zomin als Bernhard vertellen kon hoe de vork in de steel zat. Het zal toeval zijn dat recent de filmrechten van Juliana verkocht werden, voor de televisie. Maar een biografie verfilmen, is niet dat zoiets als een compositie veranderen in een bak met nootjes? Toch kan ik nu al bijna niet meer wachten op de dialogen.

donderdag 12 oktober 2017

Ga nooit weg zonder te groeten




Vandaag hebben we afscheid genomen van de locoburgemeester. Dik twee jaar nadat we zijn boezemvriend weg brachten. In de mini-gemeenschap die een straat mag heten is het nu echt stil. De herfst was nota bene maar net officieel begonnen toen hij om de hoek, bijna terug van een boodschapje voor de lunch, van zijn fiets viel. Toen was het al voorbij.
Gelukkig dat er mensen bestaan voor wie topzwaar metaforisch bedoelde woorden als ‘verbinden’ onnodig zijn. Met zijn lila-lichtblauwe trui en bril met getinte glazen sprak de locoburgemeester iedereen aan die wilde horen en zwaaide naar iedereen die het wilde zien. Behoudens een dagelijkse pelgrimage naar de vaart om de eendjes te voeren, verplaatste hij zich uitsluitend per fiets.
De eendjes kregen de restanten van het brood dat elke morgen in een zak voor zijn deur klaar werd gezet door een andere buur. Dat noem ik, misschien wat makkelijk, een mini-gemeenschap.
Natuurlijk kennen we inmiddels het begrip ‘deeleconomie’. Het is nog van toepassing ook. Op zijn koer kweekte de locoburgemeester meticuleus zo veel tomaatjes en prinsesjes (in Nederland: sperziebonen) dat hij het meeste weggaf.
Onwezenlijk om op deze dagen verbouwingsgeluid te ervaren van de nieuwe achterburen die aan hun tuin geen prioriteit geven, zodat ik geregeld op mijn platte dak bolsters van hun kastanjeboom uit mijn afvoerbuis vis. Deze jonge tweeverdieners communiceren met geprinte briefjes maar schijnen ook te bellen vanuit de auto.
Om te delen moet je elkaar eerst kunnen verstaan. Dat was bij de locoburgemeester, geboren en getogen in Mechelen, voor mij als Hollander niet eenvoudig. In Antwerpen had de ervaring al geleerd dat het begrip toeneemt naarmate het volume daalt. En op mijn beurt snapte ik ‘goeiemorgend’ meteen.
Bij de locoburgemeester voelde ik me sowieso gesterkt, doordat hij van stonde af grappen plaatste die uitliepen op een soort universeel nazagend keelgeluid. Waarna ik oprecht en in onbegrip altijd schaterde.
(In Antwerpen had een medebewoonster van het appartementengebouw me na een week toegebeten dat zij door mij, omdat ik de deur naar de binnenkoer zou hebben laten openstaan, ‘een valling’ had gekregen.
Zo uitgebreid mogelijk verontschuldigde ik me en nam daarna polshoogte bij de deur. Een drempel ontbrak! Zou dit zo iemand zijn die denkt nog één traptree te moeten maar al op het bedoelde niveau is aangekomen?
Het duurde maanden voordat ik uit een andere context de mededeling alsnog ontcijferde. Overigens gelooft Louis uit Hugo Claus’ Het verdriet van België niet dat zijn Bomama in bed ligt wegens een valling, omdat oude vrouwen geen kinderen meer kunnen krijgen.)
Spoedig konden de locoburgemeester en wij aan onze deeleconomie beginnen. Hij leverde groenten, wij lieten onze bereidingen daarvan, en ander baksels, door onze prinsesjes (in Nederland: kids) aan de deur bezorgen. Waarna klonk: ‘Zeg tegen uw ouders dat ze vriendelijk bedankt zijn.’
Wanneer driemaal de deurbel ging of er, meer keren per dag, werd geklopt op het raam, wisten we wie het was. Hij bracht ook zonnebloemen en legde uit hoe we de pitten eruit konden krijgen en op smaak moesten brengen.
Nu al missen we hem. Dat belooft wat voor zijn nabestaanden! Ze hebben geen afscheid kunnen nemen. Op het gedachteniskaartje stond dan ook een gedicht van Toon Hermans:

Ga nooit weg zonder te groeten
Ga nooit heen zonder een zoen
(…)
Wat je ’s morgens hebt verlaten
Kan er ’s avonds niet meer zijn

Dit kun je beschouwen als een reeks aanbevelingen uit De tuinman en dood door P.N. van Eyck. Op wat onontkoombaar is bereidt een slimme aardbewoner zich maar beter voor. Dus geen ruzie meer maken zonder het bij te leggen! Bwoeaah. Lief zijn voor de wereld!
Behalve met een onstandvastig lichaam heeft de mens rekening te houden met dusdanig stupide ongelukjes dat het niet-bestaan van God zich ook volmaakt woordeloos openbaart. In onze vaart bijvoorbeeld zwemmen behalve eendjes ook metaalrestanten – een jong koppel had in het holst van de nacht een bocht gemist.
Achter de op Belgische wijze inderhaast opgetrokken vangrail is het aangrijpende herdenkingstekstje op een geplastificeerd A4tje inmiddels verdwenen.
Van Reybroucks Para verhaalt onder meer van een militair die na een geslaagde missie wacht op het vliegveld voor vertrek. Om de verveling te verdrijven kruipt hij met een maat in de cockpit van een wrak. De maat drukt op een knop en de schietstoel blijkt nog te werken. ‘Zijn lief was al onderweg vanuit Duitsland naar Melsbroek om hem op te halen.’
Misschien had iemand met de handigheid van onze locoburgemeester die stoel gerepareerd. Hij was een echte fikser. Of hij daarmee ook ‘proactief’ opereerde, weet ik niet. Volgens mij beantwoordde hij gegeven omstandigheden. Zoals de hoofdpersoon van de film Oh Boy zijn sigaret, bij gebrek aan alternatief, aansteekt via een broodrooster.
Is streetwise dan het woord? Ik zou het wensen, gelet op het gemeenschapje dat de locoburgemeester mede heeft gesticht. Bij het afscheid werd verteld dat hij, ‘zoals dat toen ging’, op zijn veertiende van school is gegaan om te gaan werken. Inmiddels spreekt men daaromtrent, geloof ik, van de universiteit van het leven.
Welke instituut de opleiding ook mag hebben verzorgd, nu weten we zeker niet meer weg te mogen gaan zonder te groeten. Wel staat er een Addy Kleijngeld-liedje op YouTube, in een uitvoering van Dolf ‘Van Oekel’ Brouwers, dat die Ga-nooit-weg-tekst als refrein draagt.
Ik hoor het momenteel liever dan laaglandse regeringen, al dan niet in spe, die zich beroemen op economisch perspectief of op kansen voor ‘normale’ burgers. Of, aan de andere kant van het spectrum, op wie het meest recht in de leer is bij de edele sport van het ‘verbinden’.
‘Broere’, zei de zus van de locoburgemeester vanmorgen.
Mijn slotherinnering aan hem is non-verbaal. Hoe hij de laatste kastanjes uit bomen gekregen had. Eerst maakten zijn armen trekkende bewegingen, daarna vouwde hij ze schaterlachend om zijn hoofd.

zondag 8 oktober 2017

Om van te duizelen




Misschien komt het doordat ik recent enige Albert Camus-titels heb herlezen, maar kan het zijn dat bij alle commotie rond Het beste wat we hebben van Griet Op de Beeck een basale verwijzing wordt genegeerd?
Ik begrijp dat het hoofdpersonage een voormalige rechter is die op een brug probeert mensen te weerhouden van zelfmoord. Hint dat niet naar La Chute (1956)? Daar geeft een advocaat de brui aan zijn praktijk, nadat hij is doorgelopen ondanks een plonsgeluid in de Seine, waar hij een meisje op een brugleuning had gezien.
Moet ik verder iets bloggen? Het oeuvre van Op de Beeck is mij onbekend, net als het televisie-interview met haar dat controverse wist op te wekken. Ik kan dus niet oordelen. Dat lucht me op.
Wel zag ik een recensie op Het beste wat we hebben die de stijl bekritiseerde. Die invalshoek kwam superieur op me over. In de postideologie een bestsellerauteur confronteren met de beheersing van de stiel geeft aan de criticus de aura van het ware inzicht.
Wat krijgen we nou? Shooting the messenger? Ik die altijd emmer en vit over techniek? Betrek ik nu de stellingen van leraren uit de seventies, die bij de Citotoets antwoorden op – huns inziens irrelevante – spellingsvragen verklapten aan hun leerlingen?
Tot tweemaal toe wees Dirk Leyman ambachtshalve Op de Beeck terecht: ‘Toch valt uit haar romans en verhalen een objectieve waslijst van stilistische onbeholpenheden en kromme metaforiek te distilleren. (…) Veel zinnen kronkelen en meanderen als een op hol geslagen bergriviertje.
Wordt hier niet tegen de wind in gepiest? Of moet ik werkelijk opmerken dat dit zelf proeven van onbekwaamheid zijn? En veronderstellen dat er vele andere vallen op te duikelen in mijn eigen teksten?
Het stijlverwijt vind ik bovendien misplaatst, omdat het als argument al lang niet meer opgaat. Mij schieten slechts een paar laaglandse romans uit de postideologie te binnen die getuigen van een volwaardige beheersing en exploratie van de Nederlandse taal.
Volgens mij raakte literatuur gewend aan een andere standaard, die door literatuurjournalistiek is getoonzet. Leymans citaten uit Het beste wat we hebben stemmen mij inderdaad niet vrolijk, maar zijn recensie doet dat evenmin, zeker stilistisch. Omdat ze zowel in De Morgen als de Volkskrant stond, hebben eindredacteuren in België en Nederland beeldarmoede bekrachtigd.
Literatuur en bijlagentaal zijn aan elkaar gewaagd. Mede door de vraag naar non-fictie zorgden journalisten voor uitbreiding van het personeelsbestand in wat ooit met grote vanzelfsprekendheid bellettrie heette.
Leyman lijkt me van die cultuurindustriële ontwikkeling een voortbrengsel. Dat maakt de intro van zijn bespreking bijna pervers:

Het is een kwestie waar menig successchrijver mee worstelt. Omarmd worden door extatische fans. Verkoopcijfers om van te duizelen. Publiek bezit worden en merken dat elk woord dat je welbewust in de media-arena gooit, het effect van een voetzoeker heeft. Toch loopt de literaire kritiek met een boog om je heen en drukken boekenjury's meestal hun neus wanneer je roman op tafel ligt. Dat wringt. Want je wil toch ook literaire erkenning?

Ik zal maar niet meer jijbakken opsommen. Al was het omdat de nepidentificatie van recensent met auteur me kwalijker voorkomt.
Nu etaleer ik dus alsnog een oordeel. Snel het woord terug aan Albert Camus, die in 1954 te Den Haag een lezing hield over De kunstenaar en zijn tijd: ‘Beroemd worden betekent in onze tijd vaak dat je erin geslaagd bent niet meer gelezen te worden. (…) Deze tijd van marktdenken geeft een verstikkende toename te zien van commentaren op kunstwerken ten koste van de kunstwerken zelf.’

zondag 1 oktober 2017

Gendertender




1.
Dit weekend leerde ik het woord mancave. Het blijkt een ruimte waarin een man zich terugtrekt om de dingen te doen die hij graag doet. Volgens de vakliteratuur gaat het vaak om een garage of zolder, of letterlijk een kelder annex hol, maar een stadsgenoot biedt nu een mobiele versie te huur aan.
Daarvoor had hij een caravan omgebouwd.
De ondernemer was begonnen met typische cadeautjes ‘in houten kratten die je met een koevoet moet openbreken’, maar de mancave op wielen brengt ‘de ultieme mannendroom’ pas echt tot vervulling. Er staat een bar in, een televisie met Netflix, een muziekinstallatie met dj-mengpaneel en verder nog wat authentiek belevingsmateriaal dat mij onbekend is (‘een beerpongtafel’).
Volgens mij is het de bedoeling dat de huurder van dat ding bezoek krijgt van geslachtsgenoten.
Ontroerend vind ik dat de aanleiding autobiografisch was. De stadsgenoot had de edele kunst van het wonen aangeleerd als vrijgezel. Toen was hij getrouwd geraakt en vader geworden –en drong tot hem door ‘dat de frisse pintjes in de koelkast hadden plaatsgemaakt voor verse groenten’.
Mij blijft onduidelijk hoe het verzamelde manvolk aan eten gaat komen. Pizza’s bestellen? Op de foto waren achter de mancave bomen te zien. Echte mannen gaan natuurlijk jagen!
In deze tijd van het jaar ligt het voor de hand kastanjes te rapen. Eventjes wassen, aansnijden, laten koken, pellen, weer koken, opromen – binnen een uur of vier een godenmaal dat de oermens in de cultuurmens wakker kan roepen.


2.
Ook dit weekend hoorde ik een ouder woord dat mij pas in derde à vijfde instantie daagde.
Van een afstandje praatte een vrouw over een feest rond ‘wedlook’. Ze bedoelde volgens mij een wedloop – heel populair hier, mede voor het goede doel – maar dat leek bij nader toehoren minder waarschijnlijk.
Ook kwam er cava aan te pas. Iets culinairs dus, temeer daar knoflook in België kortweg met look wordt aangeduid?
Helemaal een scherp beeld kreeg ik uiteindelijk niet van het evenement, tot ik besefte dat in België Engelse woorden uitgesproken worden zoals je ze schrijft. (Om niet definitief voor snob te worden versleten, zeg je dus beter niet dat je met de trem gaat of op een tendum rijdt).
Toen snapte ik wat voor een feest het moest zijn. Zo vrouwelijk als de menkeef mannelijk heet? Had ik iets verdrongen, naughty you? Uitgerekend in de week dat Hugh Hefner overleed, wat een kleine zondvloed aan obituary’s, herinneringen en cultuurduiding had aangericht.
De d moest een t zijn: wet look.
Goed dat er internet is voor de laatste controle. Het feestje van de vrouw betrof een recent soort kapsels.
De met de minuut ongeslachtelijker wordende kern in mij kent nu wel nog altijd niet het jargon voor de ietwat marginale feestjes waartoe mijn semantische scan had geleid. Voor zover ik het begreep kwamen daar niet noodzakelijk pintjes bij te pas, wel lauw water.


3.
Over de exacte beheerder van een fantasie, laat staan de verdeling ervan over de geslachten m/v/x, bestaat in de literatuurwetenschap geen consensus. Ooit hoorde ik tijdens een promotieplechtigheid annex doctoraatsverdediging beweren dat Olga, de vrouwelijke hoofdfiguur in Wolkers’ Turks fruit, in haar relatie de baas was omdat ze tegen haar minnaar had gezegd: ‘Nou moet je me keihard en heel regelmatig neuken.’
Aangezien zowel die minnaar als de auteur mannen waren leek mij dat deze observatie over de machtsverhoudingen nogal tendentieus was.
De observant op de plechtigheid was trouwens ook mannelijk.
En het vervolg van dat beroemde citaat blijkt: ‘(Zo gezegd, zo gedaan.)’ Dat mag übermannelijk heten. Die haakjes!


4. 
Scharlaken is de wonde van de huurling

Het zijn andere woorden die ik, niet hoorbaar
Na de nederlaag, bij de koude slaap van iemand leg.

Ik denk barbaars, zoals jarige koningen in de haat
Aan je bloed dat nader kwam met romeinse leugen
En draag bitter om je mond het slib vandaag,
Het vreselijk zonlicht van je hoofdletters.

De gipsaarde herinner ik me, de breuksporen
Van een gewonde rat, en voel kaak mijn woord
De zware veerschakel van een wantrouwig gebed.
Ben ik het niet gevaarlijk jachttuig, met aders
Onkruid in mijn buikvol hopen, onbeweeglijk
Of geworden, verkocht in bleke ogen.

Zal heel ver met het kransschuim van de kreeft
De soms zachte tong der werkelijkheid dwalen,
Op wat aanwezig na het beeld, de vorm neemt
Van nieuwe geslachten waarvan verdienste werd
Wat steden in elke eed tot buigzame bloemen maakte.
Met winters en donkere zomers, de schaamte het wachten
Nadien, de onbewaakte terreur die ouderdom schiep
En reeds met de witmens waarachtig in ijzig alfabet leeft.

Hughues C. Pernath 

zondag 24 september 2017

Enz. enz.




Mijn maag keert om. Kan de AfD, naar valt te vrezen de derde partij van Duitsland, een gemeenschap gezond krijgen als ze nu al voorspelt Angela Merkel te gaan ‘opjagen’? Hashtag dinges?
Laten die lui eventjes wegkijken van de rats, kuch en bonen (bij geestverwante organisaties blijkt couscous al reuze controversieel) en de blik richten op België. Daar zette, twintig jaar na de vorige, de nieuwe voedingsdriehoek het land op zijn kop. En de oude driehoek letterlijk trouwens ook, maar dat is kinderspel voor mensen die voetbalanalyses volgen.


Veel, zo niet alles, draait eindelijk om groenten. De reacties waren dan ook aan de gekruide kant. Een of andere bond van vleesverwerkers lanceerde het schitterende sofisme: ‘Alsof een boterham met hesp hetzelfde is als een zak snoep’. Die logica laat een verschiet voor een stronk broccoli, dat net niet geopend wordt.
Toch snap ik als bijna-vegetariër (vakterm: flexitariër) de onrust wel een beetje. Vlees moet een voorsprong hebben gekend die nu nogal griezelig wordt gefixeerd in ‘een rijke Vlaamse eetcultuur’.
Vrij in het begin van de roman Pallieter staat een feestmenu beschreven waarvan, na de soep, alleen het eerste onderdeel vis bevat: tarbot met aardappelen, hesp met laboonen, kalfsgebraad met aspergiën, kempisch kieken met salaad, een heel speenvarken, honderd meters worst met witte kool. Even later zijn er jonge duiven met kriekenspijs, looze vinken met bloemkool, ‘enz. enz.’.
Zwaai dan maar eens vrolijk met je bos radijsjes.
Feit dunkt me immers ook dat in dezelfde, toch alweer wat langere tijd dat pleidooien voor minder vleesconsumptie mainstream werden, fenomenen opgeld deden als de sparerib, de Argentijnse biefstuk van een halve kilo p.p., de verantwoorde hamburger,… (en de tattoo, maar die correlatie is puur persoonlijk).
Wil men niet weten wat men best weet? Ook precies deze afgelopen week begreep Nederland onmatig te snoepen van de alcohol. Plus dat het meest compromisvolle fruit denkbaar, de banaan, op de aftocht blijkt.
Of had het een andere reden dat, nog altijd in dezelfde week, een Michelin-chef plots al zijn drie sterren inleverde? Zijn eten en drinken ten prooi gevallen aan een identiteitscrisis?
In waarschijnlijk het meest geborneerde gedicht uit de Nederlandse poëzie, over de verzenbakker Piet Pluimers, tracht deze aan te sluiten bij experimentele mode met deze strofe:

ik drijf spelden van wanhoop
in de huid van je
grutten wezenloos
woezie woezie 17 en
klaan uit klukhaar versuikeren
bleke bliezen in schedels met spuigaten
vol blauw gehakt

Dit is, voor de goede orde, spot. Ook met bijvoorbeeld essayist Paul Rodenko die experimentele poëzie bewonderenswaardig kon uitleggen.
Nu gaat het me even om dat slotbeeld van het blauw gehakt. De oer-Hollandse stem in dit gedicht zegt: overdreven, die poëzie, het vlees heeft nu een kleur uit onze nationale vlag en zit daarom in spuigaten, het gaat te ver. Van gehakt moet dichters afblijven, als ze het niet willen bakken (op woensdag?).
Ook dat versuikeren lijkt op een verdacht alchemistisch proces, dat iets raakt waarvan het af moet blijven opdat grutten niet echt wezenloos worden.
Ten minste heb ik de indruk dat ongezondheid diep in onze cultuur door is gedrongen. Wanneer de roman De literaire kring van Marjolijn Februari begint met de zin ‘De suikerpot viel van tafel’, dan verwacht ik althans een tragedie. Buiten die mogelijk te persoonlijke overtuiging, weet ik (uit films) dat geliefdes sugar of sweetie of honey genoemd kunnen worden. En in België, schijnbaar galanter: zoetje.
Ik zou het beter anders formuleren: is groente sexy? Er schijnen verkiezingen te zijn voor best beroemde vegetariërs die dat moeten beamen. Dan nog blijft het de vraag of dit is doorgesijpeld in het bewustzijn.
Oer-Hollands vind ik bijvoorbeeld de volgende pastiche op Gorter, waarmee Ingmar Heytze niet eens de enige was:

Hoor eens ik haat je,
ik schreef dat je lief was en licht –
en nog wat onzin over je gezicht
maar nu haat ik je, god wat haat ik je.

Die neus, dat hoofd, die paardenbek,
die ogen en die gierennek
dat kraagje en dat bloemkooloor
met al je slierten er voor.

Hoor eens ik wou graag zijn
jou, maar het kon niet zijn,
het licht is uit, ik zie je alsnog
zoals je werkelijk bent.

O ja, ik haat je,
ik haat je zo vreselijk,
ik wou het helemaal niet zeggen –
maar ik moest het even kwijt.

Het bontst maakt Heytze het natuurlijk in het woord ‘bloemkooloor’. Een belediging voor deze sympathieke groente, die hooguit deernis en solidariteit wil uitdrukken met in de strijd gehavende boksers en judoka’s.


Maar het in het gedicht gehanteerde procedé van debunking, het alsnog zien ‘zoals je werkelijk bent’, heeft voor concreet gedrag slechts defaitisme in petto. Toevallig las ik afgelopen week eveneens een Nederlands artikel over peperdure en futiele afvalscheiding. Gelukkig was de boodschap van geraadpleegde deskundigen monter.
Mochten ze hun opwachting kunnen maken in België! De resultaten van De Week Tegen Het Sluikstorten hebben weinig optimistisch gestemd.
Daarom vond ik het des te interessanter dat de lancering van de voedingsdriehoek gepaard ging met een algemeen advies: beweeg! Dat legt het accent immers op de context of, zoals sommigen zeggen,  het brede plaatje.
Zo’n advies zou mogen worden ‘geflankeerd’ (beleidsterm) door boetes voor wel erg diep ingesleten nodeloze gewoontes. Voor pakweg autogebruik naar een bakker die binnen een straal van 1 km zit. Of voor het vragen naar een plastic zakje.
Met dat laatste ben ik terug bij het afval. Terwijl ik eigenlijk wilde afsluiten met iets over de politieke actualiteit en toekomst in Duitsland. Maar ik kan het toch niet zeggen.


zondag 17 september 2017

Opkuisen / schoonvegen




Ik geloof niet dat ‘in het oog van de storm staan’ de laatste weken een erg gelukkige vergelijking is, maar Theo Francken, staatssecretaris voor Asiel en Migratie, flikte het ‘m weer. In een Facebookpost bleek hij de aanhouding van vermeende illegalen te hebben samengevat als #opkuisen.
Vanzelfsprekend kwam daar protest tegen, eveneens op sociale media. In dat soort termen praat je niet over mensen, was de teneur. Vervolgens facebookte Francken dat hij slechts problemen had opgekuist, wegens immense puinhopen van links.
Toch schrapte hij in een repetitio op Twitter van zijn oorspronkelijke verklaring de hashtag – en pleitte dus schuldig.
Naar mijn gevoel, maar ik ben geen Vlaming, kun je problemen niet eens opkuisen. Wel oplossen, zij het niet in bleekwater. Volgens Van Dale heeft opkuisen als tweede betekenis opeten. Kannibaliseert Francken dus zijn problematiek?!
De kwalificatie ‘puinhopen’ voor het beleid van andersdenkenden lijkt me alvast niet willekeurig. Pim Fortuyn had een uitgesproken mening over migratie en publiceerde in 2002, vlak voor zijn dood, het boek De puinhopen van acht jaar Paars.
Vanuit tegenovergesteld perspectief heeft opkuisen een weinig aanbevelenswaard semantisch veld. Ik doe een greep: oorlog als enige hygiëne (Marinetti), gaskamers die als douches ingericht waren, De Gucht die Vlaams Belangers vergeleek met mestkevers
Toch vind ik het bizar dat er in het Noord-Nederlands een sterk gelijkende variant bestaat in de zin die Francken wel degelijk op het oog leek te hebben: schoonvegen. Hierbij geeft mijn geheugen als historisch feit dat in de protestjaren langharig werkschuw tuig, hippies enz. op genoemde wijze van De Dam werden verwijderd door mariniers.
Waterkanonnen kwamen daar niet aan te pas.
Ik nam de proef op de som, door op Google een standaardzegswijze uit mijn Hollandse jaren in te geven: "veegde het plein schoon".
Dat leverde ongeveer 120 resultaten op, met als subject van het zinnetje bijna uitsluitend ‘De politie’ of ‘De ME’ en als object mensen. En inderdaad was werkterrein en gebruik van die taal exclusief Noord-Nederlands.
Ik moet dan twee bijzondere vermeldingen doen:

-        -   NRC gebruikte in 1997 aanhalingstekens bij een artikel over drugsoverlast in Groningen: ‘De politie “veegde” het plein schoon en hield enkele dealers aan.’ Ofwel de auteur ofwel de eindredacteur had kennelijk moeite met de gesuggereerde normaliteit van het idee, waar mogelijk wel waterkannonnen aan te pas waren gekomen.
-        -   Alleen De Standaard heeft de uitdrukking éénmaal toegepast, in een artikel over de macht van president Loekatsjenko in Wit-Rusland, wiens verdachte verkiezingsoverwinning in 2006 tot protest op de straten had geleid: De politie veegde het plein schoon en arresteerde de oppositieleden. Auteur was Floris Akkerman, een Nederlandse correspondent.

Volgens Van Dale heeft ook schoonvegen een tweede betekenis: zich van blaam trachten te zuiveren. Misschien een tip voor Francken, als hij zijn Facebookposts en tweet nogmaals zou willen herzien?
Hoe dan ook is het mij een raadsel waarom politici zo gretig optreden op sociale media, indien het hun doel is een grotere aanhang te krijgen. Ze worden er wel menselijker van, met hun vreugdeloos gekissebis. Maar dat is mijn mening, vanaf een weblog.

woensdag 13 september 2017

De dunne scheidslijn




Onlangs werd een advertentie bekroond waarop Charles Michel, premier van België, was gefotografeerd in zwembroek. Wel verzekerde het begeleidende artikel dat het lichaam onder het hoofd uit Photoshopland kwam.
Zou Michels Nederlandse collega ook al eens die eer te beurt zijn gevallen? Voor mij verifieerbaar is dat Mark Rutte tot op heden in minstens twee gedichten figureert.
Het eerste, uit 2014, was van de hand van K. Michel (geen familie) en stond in De Gids. Het gaat uit van de marathonachtige vrolijkheid van de premier, die volgens insiders binnenskamers niet volgehouden wordt:

De lach van Rutte

En dan op een dag
– een doodgewone doordeweekse dag
tijdens een normale niets aan de hand persconferentie
zo rond een uur of vier –
na al dat jarenlange glimlachen
grinniken, giechelen, grijnzen
gniffelen, ginnegappen, grapjurken
lachebekken, proesten, schateren, dijenkletsen
dubbelklappend naar adem happen
schatert de premier het zó luid uit, zó breed en
gul en gretig, extatisch en spastisch
zó open en vol overgave
dat zijn lach letterlijk van zijn gezicht spat
en op de grond smakt

om daar enkele seconden verdwaasd
beduusd tot zichzelf te komen
'wah... wah... wie...'
om dan versuft maar vrij overeind te krabbelen
en het op een lopen te zetten
ja in blinde paniek alsof zijn leven ervan afhangt
de benen te nemen
weg, weg van hier de vrijheid tegemoet

weg van hem die verbaasd verbijsterd
half over het katheder hangt zijn gezicht
verfomfaaid zijn mond een slappe cheeseburger

terwijl alle journalisten zich als één man afwenden
'wat?' 'wat?' 'waar?'
en naar buiten stormen zwaaiend met hun microfoons
'volg die lach'
camera's flitsen, deuren klapperen....

de geluidsinstallatie bromt
de airconditioning ruist
stofjes stofjes in het spotlicht
en het rumoerige hoeftrappelende geluid
dat traag in de verte wegsterft

Destijds raakte ik er weinig enthousiast van. Heden verandert niets aan mijn dufheid. Die één-na-laatste strofe! Ik kan alleen niet uitmaken of dit het dichtst staat bij scholierencabaret of bij een tekenfilm. Deze besluiteloosheid zal aan een sikkeneurig gevoel voor humor liggen.
Van een andere inzet is het tweede Rutte-gedicht, in Het Liegend Konijn 2016, en het is van Lucas Hirsch:

Ik dacht er bruine hemden bij

Voor Mark Rutte

Er is een bruine boosheid over ons neergedaald
Te veel meningen over te weinig feiten
maakten ons bang voor vurige pikken,
geloof dat oorlog brengt en gammele gebitten
Tongen werden gescherpt, messen geslepen,
fakkels ontbrand. Een hooivork
in het hart van Nederland geplant
Het toonde onze christelijke waarden
Liberaal zijn kent zijn grenzen,
voorspelde het weer
Ook vreemdelingen hebben recht
om te weten dat het koud is in dit kikkerland
Dat gunstige wind alleen maar waait voor hen
die onder Oranje Blanje Bleu geboren zijn
De politiek de dunne scheidslijn tussen
opportunisme en populisme bewandelt
Dat het land tolerant is tot de achtertuin
Vreemdeling voor vreemden is

In eerste instantie deinsde ik terug. Al in de titel een verwijzing naar het historische fascisme! Mij vermoeit dat. Maar aangezien ik las dat er naast een Godwin nu ook een Pim-win bestaat, heb ik de tekst niet meteen in de hoek geworpen. Ook niet toen de openingsregel wel erg prominent op Lucebert hintte. Zich meten met de keizer van het geëngageerde gedicht?
Belangrijk en lovenswaardig vind ik de poging om de politieke actualiteit te importeren naar een gedicht. Zonder als soortement antropoloog te willen spreken, mis ik namelijk een beetje die functie in poëzie. Literatuur schijnt altijd een omweg te moeten nemen, van de suggestie, de parabel of allegorie. De poëtica van de figuurlijkheid.
Mij bevalt Hirsch’ lef om door een gedicht termen als ‘christelijke waarden’ en ‘liberaal’ en ‘tolerant’ te strooien, en aan het slot het NIMBY-fenomeen letterlijk te benoemen. Ook de hooguit als cliché fungerende hooivork die in het hart van Nederland geplant wordt, vind ik aardig. En ja, als immigrant hoor ik hierin nog dat het SBS6-programma meeklinkt.
Toch zijn er twee versregels die mijn bedenkingen oproepen: ‘De politiek de dunne scheidslijn tussen / opportunisme en populisme bewandelt’. Vóór deze zin moet de lezer dat invullen, hier als middenpaneel van een poging tot retorische opwarming door een drieslag.
Mij plaagt een beeldspraakconflict. Steeds vaker wordt over een ontwikkeling of proces gezegd dat iemand ‘een weg bewandelt’. Daarnaast heet de scheidslijn – als het spreekwoordelijke ‘laagje vernis’ over de beschaving – dan wel immer dun, maar ze valt onmogelijk te bewandelen.
Officieel zouden de twee rap versteende uitdrukkingen dus moeten leiden tot: ‘De politiek op de dunne scheidslijn tussen / opportunisme en populisme wandelt’. Even grote bullshit, waarbij formeel de voorzetsels hinderen.
Zou Hirsch bewust deze botsing hebben veroorzaakt? Ik weet dat uiteraard niet. Wel vrees ik het ergste door het verwijt van populisme, dat altijd iemand anders lijkt te betreffen. En door de in het gedicht heersende wet voor hoofdletters aan het begin van een regel, had de slotzin helemaal in onderkast horen te staan. Het woord Vreemdeling is dus bewust afwijkend. En dat is vanuit de ideologie van het gedicht conventioneel (De Ander was nog erger geweest).
Ik werd aan dergelijke gemakzucht herinnerd door Chimamanda Ngozi Adichies Lieve Ijeawele of Een feministisch manifest in vijftien voorstellen. In dat mooie en nuchtere boekje, dat ik als witte man beter niet kordaat noem, haalt Adichie een heleboel overhoop.
Ze adviseert feministen bijvoorbeeld tegen een kind niet, of zelden, over ‘misogynie’ en ‘patriarchaat’ te spreken. Dat is jargon en voelt abstract aan, zegt ze. Van het eerste woord wist ik eerlijk gezegd niet dat tot het feministische instrumentarium bij de diagnosestelling hoorde, wel dat ik het altijd moeilijk vind om te spellen (net als ‘dyslexie’).
In laatste instantie wens ik Hirsch’ gedicht meer Lucebert toe. Daarmee bedoel ik ook de unieke beat en klankvirtuositeit die van diens ‘hermetische’ gedichten gelukspoppetjes maken die je met je mee kunt dragen als Michels lach van Rutte.
Poëzie als broedplaats van semantische klank? Of klank als broedplaats van semantiek? Waarom niet? Het onweerstaanbare motiefje van ‘Sex and Drugs and Rock and Roll’ haalde Ian Dury uit een bassolo van Charlie Haden.