zondag 4 december 2016

Vertrouwensdemocratie




Het is een understatement dat het toespraakje van Jan Terlouw in De Wereld Draait Door iets heeft losgemaakt. NRC heeft inmiddels een heus ‘dossier Het touwtje van Terlouw’, genoemd naar het beeld dat de voormalige D66-lijsttrekker voor zijn kritiek gebruikte (het touwtje dat ooit door de brievenbus stak en waarmee de voordeur door iedereen viel te openen, getuigde van vertrouwen).
Twee dingen vielen me in die reacties op. Ten eerste dat een majeur punt in Terlouws aanklacht, de welbewuste verrampetamping van het milieu, kennelijk zo evident is dat er snel aan werd voorbijgegaan. Daarnaast verwekte de touwtjesanekdote een keur aan persoonlijke associaties en herinneringen, die moeiteloos werden geëxtrapoleerd tot een statement over de huidige maatschappij.
Dus laat ik daar even onbeschroomd aan meedoen, zij het in ontkennende zin. Waarschijnlijk ben ik, opgegroeid in de jaren zeventig, te jong voor de tijd waarover Terlouw spreekt en die een nogal monoculturele gedaante heeft, met vrouwen die thuis zitten ook. Ik kan me geen touwtjes in de sesam-open-u-functie herinneren. Wel werd binnen de wijk, aan de rand van de stad, een fiets voor een winkel niet op slot gezet. Toen ik dat in het centrum had herhaald en de fiets prompt gestolen werd, snapte ik wel dat moedertjelief mijn handelwijze onbegrijpelijk vond.
Wel werden meer of minder bekende wijkbewoners van mijn ouders' generatie ‘oom’ of ‘tante’ genoemd. Dat voelt echter niet anders dan nu, als vriendjes van mijn kinderen, al dan niet uit de wijk, me bij mijn voornaam aanspreken en ik daar blij mee ben (geen ruimte voor insinuaties in de pedofiele sfeer).
De ‘vertrouwensdemocratie’ die Terlouw in eerste instantie van politici verlangt, heeft inclusieve bedoelingen. Dus zouden er op basaal niveau ook bijdragen van burgers mogen komen. Bijvoorbeeld dat ze auto rijden zonder alcohol, downloaden met respect voor auteursrechten, producten kopen die niet onredelijk goedkoop zijn, geen schadelijke stoffen lozen, argumenten van een tegenstander correct weergeven.
Alleen vanwege dit willekeurige rijtje zou ik mezelf geen volkomen betrouwbaar persoon noemen. Maar het irriteerde me werkelijk dat de liberale voorvrouw Gwendolyn Rutten in de Krant op Zondag het voorstel om, tegen de uitstoot van fijnstof, geen openhaardhout meer te verstoken beschouwde als inbreuk op de persoonlijke vrijheid.
De hele wereld lijkt boos, maar terwijl het afgelopen decennium links begon te hameren op plichten, ziet rechts plots alom rechten.
Als ik me niet vergis druist Ruttens standpunt in tegen de interventie-ideeën van John Stuart Mill, maar mij stoort haar onwrikbare overtuiging dat de overheid zich gedraagt als een ouwe pastoor. Ze staat in die observatie bepaald niet alleen. Wat betekent dat de vertrouwensdemocratie, die immers steunt op een algemeen belang, bij voorbaat ondermijnd wordt.
In verband met Terlouw wil ik begrijpen dat niet iedereen één facet van zijn idylle terug wil: sociale controle. Maar dan de meest moralistische gedaante ervan, niet een zogezegd helpend oog. Ik sluit overigens niet uit dat de gesmade pastoors van ooit wel eens een boek hadden gelezen en zelfstandig konden nadenken.
Over het optreden van Terlouw durf ik niet te oordelen. Daarvoor zijn mijn vooroordelen te groot. Een gemeenschapspleidooi bij DWDD! Podium van anti-intellectualisme! Ik moest ook slikken van de stelling dat Terlouw ‘een man met een missie’ was. ‘Hij wil straks graag geen TED-talk geven, maar een Jan-talk’, enz.
Ik ben benieuwd of het nu Oorlogswinter of Koning van Katoren of Briefgeheim of Oosterschelde Windkracht 10 is dat afvalt, nu Terlouw ‘twee klassieke jeugdboeken’ blijkt te hebben geschreven. Kijk, daar is mijn vooroordeel dus, dat door het geprezen object bevestigd werd met de aanspreking van zijn gesprekspartner als ‘Matthijs’.
Da mag nie van Marc.
Laat ik het zo zeggen, dat ik schrok van het beeld dat oude mensen aankleeft. Terlouw bleek ‘kwiek’ te zijn, mede omdat hij een tekst ‘uit het hoofd’ kon opzeggen. De sympathie die de presentator ongetwijfeld oprecht uitte, leek me sentimenteel en stigmatiserend – een uitnodiging om in de deelbelangenindustrie van ouderenpartijen een extra niche te scheppen.
Misschien moet ik dus maar een eigen barrière doorbreken door mijn variant te vertellen van het touwtje door de brievenbus. Ik vergeet namelijk geregeld mijn sleutels uit de garagedeur te halen. Toch is er nog nooit iemand onaangekondigd binnengekomen.
Een tijd geleden werd er aangebeld. Het was onze straatjunk, die lachend me mijn sleutels gaf. Hij zei erbij dat hij te vertrouwen was, waarna een dosis wantrouwen door mijn aderen schoot.
Op een avond werd er aangebeld en was hij het weer. Ik tastte al naar mijn sleutels toen hij met een arcadische gejaagdheid zei dat hij te vertrouwen was. Betrapt liet ik hem binnen.
Hij vroeg of hij geld van me kon lenen. In de tijd die mijn brein nodig had om een diplomatieke oplossing te vinden begon hij zijn levensverhaal. Hij liet foto’s zien van zijn moeder (met hoofddoek) en vertelde dat hij in de gevangenis had gezeten maar louter omdat hij op de uitkijk had gestaan.
Ook herhaalde hij dat de teruggave van mijn sleutels bewees dat hij betrouwbaar was. Toen ik redelijkerwijs niets menselijks wist te verzinnen, leende ik (vader met verantwoordelijkheid) hem (een gespierde man) het gevraagde geld. Met een bedenkelijke rationalisatie poogde ik het te zien als een laat bedankje voor zijn goedheid en als straf voor mijn wantrouwen.
De dagen erna vertelde ik het verhaal aan verschillende mensen. Ik weet niet of het iets over hen of over mij zegt, dat ze me allen een ongelooflijk ruggengraatloze sukkel vonden. En dat ik dat volledig met hen eens was, maar toch vond dat ik iets nobels had gedaan.
Een week later ging de bel en gaf de man me het geleende bedrag terug. Hij wilde er wat rente bij geven, maar dat weigerde ik. Het staat me niet meer bij of dat uit principe was. 

dinsdag 29 november 2016

Ready?



Gisteren de eerste aflevering gezien van Als de dijken breken. De titel van deze Vlaams-Nederlandse televisieserie door Hans Herbots zegt het eigenlijk al: het is een wemeling van scenario’s. Daardoor kan zo’n prent flink zwenken tussen fictie, kans en realiteit.
Ondertussen appelleert Als de dijken breken aan wel heel verschillende oergevoelens.
Voor een neutrale laaglander roept de serie natuurlijk de angst op dat het water alles komt terugpakken. Maar de vinger van Hansje Brinker is op termijn niet bestand tegen de satéprikker van de Almachtige. Daarom zal Als de dijken breken bij gelovigen een sfeer kunnen oproepen waarin Iemand terecht wraak neemt voor onze zonden.
Disclaimer: de serie is mede opgezet door de EO.
Is dat alles? Misschien laat ik me meeslepen door momenteel nogal wat malaise te ontwaren en deel dan ook nog in een gevoel van apocalyptiek dat mensen verspreiden in wie ik me allerminst kan herkennen. Het zij zo. Volgens mij roept Als de dijken breken meer scenario’s wakker.
Wilders vergelijkt immigranten met een ‘tsunami’. Vaker werd opgemerkt hoe pervers die metafoor is. Die een ramp rond kerstmis 2004 aan de andere kant van de wereld met 230.000 slachtoffers aan de eigen luxesituatie ophing en die mensen verdinglijkte voor een land dat een ‘doucheputje’ van Europa zou zijn. Maar door de serie zou je ergens in je onbewuste nog kunnen gaan menen dat vluchtelingen, bovendien meestal benoemd in een ‘stroom’, de overhand krijgen.
En dan zijn er vanzelfsprekend nog de ingrijpende changementjes in het klimaat wegens opwarming, waardoor bijvoorbeeld water gaat stijgen.
Dat iemand die daar hevig aan twijfelt onlangs hoogstwaarschijnlijk tot president van Amerika is verkozen, sterkt het ongemak dat Als de dijken breken veroorzaakt. Naarstig zoeken en negeren we tekens die het ergste voorspellen.
Bijvoorbeeld de reactie van Trump op het overlijden van Fidel Castro. Ze was bepaald onpresidentieel en voegde de twitteraar bij de zeer velen die het belangrijk vonden hun mening over de Cubaan met de wereld te delen.
Nog voordat Trump officieel aan de macht is gekomen, breken de dijken van westerse zekerheden. Ik hoor de laatste tijd in de Lage Landen althans veel reclame voor de vrijheid van meningsuiting en nu heeft aan de andere kant van de oceaan een veelbelovende republikein een digitale executieplaats geschapen waar 'radicale' professoren kunnen worden verzameld.
Wie wist zo zeker dat de thought police links is? Op de lijst vond ik de naam van Peter Singer al terug (‘believes children should be able to be aborted up to 2 years old’). Ook is iemand aangegeven die had durven te beweren dat klimaatontkenners hun brillenglazen misschien eens moesten poetsen.
Natuurlijk kijk je altijd het best eerst in eigen boezem. Maar daarna kan het geen kwaad te luisteren naar een raad van Dave Eggers bij al zijn ongeloof over wat er gebeurd was: ‘Keep your eyes open, your hearts stout and be ready for the fight.
Overigens ben ik van mening dat Als de dijken breken gelijktijdig in Nederland en België zou mogen worden uitgezonden.

donderdag 24 november 2016

Een gezellige polonaise (vervolg)



Beminde gelovigen, hierbij waarlijk mijn steekproef.
Naar aanleiding van een rel over bevoordelende literaire kritiek suggereerde ik een besproken boek gewoon eens te lezen. De toetsing van die lectuur ontbrak echter. Lui verkeerde ik in de veronderstelling dat het stuk (van Arie Storm in Het Parool over Jamal Ouariachis roman Een honger) niet beschikbaar was. Maar het staat op de blog van de geprezene.
Nu er intussen meer te doen blijkt over literaire kritiek, wegens een interview en een meer bezonken commentaar op de aanleiding, haal ik de achterstallige arbeid in.
De recensie telt bijna 600 woorden. Ik ben zo verwaand daar het genre van een signalement op te plakken – voor mij begint een recensie met 1500 woorden – maar Storm zal ervaren genoeg zijn om die omvang te accepteren en te benutten.
Toch overtuigen de openingsalinea’s me niet:

‘Het lijkt wel alsof Jamal Ouariachi (1978) met Een honger, zijn vierde roman, eens even goed wil laten zien wat hij allemaal kan. Hij is een begenadigde verteller. Hij is iemand die op smeuïge wijze een verhaal weet te brengen. Dat doet hij met verrassende plotwendingen, het inbrengen van een liefdesgeschiedenis en het voortdurend suggereren van gevaar en onraad.
Daarnaast is hij wel degelijk ook een man van de letteren. Hij richt zijn roman geheel naar eigen zin in, met knappe perspectiefwisselingen, literaire pastiches en postmoderne knipoogjes naar de lezer.’

Er wordt een tegenstelling geschapen waarvan ik het bestaan niet had vermoed. Blijkbaar zijn er vertellers en literatoren. De eersten zorgen voor amusement, de tweeden penetreren het brein van lezers. Schept literatuur een esthetisch genoegen dat hoger wemelt dan de spreekwoordelijke onderbuik (die vertellers dan zouden vullen)?
Als ik Storm goed begrijp, schuilt uniciteit in de techniek. Maar bij Een honger ervoer ik dat Ouariachi juist daarin vastliep. Gebrek aan controle fnuikte zijn verteldrift en de vermelde pastiches zijn zo doorzichtig dat ik aan een schoolkrant moest denken. Die postmoderne knipoogjes lijken uit een handboek te komen, conform de ideeën die de mannelijke held heeft over ‘Franse filosofen’ van wie Derrida en Foucault worden genoemd.
Daarna meldt Storm dat Een honger volgens de reacties over pedofilie zou gaan. Hij treedt die indruk bij. Zelf ervoer ik dat Ouariachi niet aan dat maatschappelijke onderwerp toekomt, laat staan aan ontwikkelingshulp waarin hij het verhaal wil kaderen en dat het boek geëngageerd had kunnen maken.
Even verderop maakt Storm nog een draai in zijn redenatie:

‘En nu hangt het er vanaf welk standpunt je inneemt: wil je vooral de maatschappelijke boodschap, áls die er al in zou zitten, van dit boek eruit lichten, of waardeer je het meer om de stilistische krachtpatserij ervan.
Ik waardeer Een honger vooral om die laatste kant.

De recensent trekt hier een hoofdambitie van het boek in twijfel. Ergens begrijp ik dat, omdat Ouariachi voor zijn engagement een visie op de jaren zestig tot en met tachtig moet optrekken die bol staat van clichés. Het zijn er zoveel dat Een honger soms een reproductiemachine lijkt, die inderdaad amusement brengt en die betrokkenheid ridiculiseert.
Door deze reductie kan Storm wel vertelkwaliteit benadrukken, inclusief de staalkaarten van technische bekwaamheid en plotwendingen die geen optimisme brengen. En hij eindigt de recensie haastig:

‘De ellende blijkt al snel alom aanwezig, maar wordt in zekere zin verzacht door het taalplezier in dit boek. Ouariachi laat zien dat onze taal en van welk register we gebruikmaken, medebepalend is voor onze blik op de werkelijkheid. Hij put daarvoor op een intrigerende wijze uit de wereldliteratuur – van Virginia Woolf tot Bret Easton Ellis.’

Hier haak ik af. Ik zie dat Ouariachi alles uit de kast wil halen. Het erge is alleen dat hij door dat etaleren zijn constructie aantast. Dat spijt me des te meer uit poëticaal opzicht, omdat ik heterogene teksten liefheb en me niet slaag te interesseren voor wat wegkijkt van de grote boze wereld daarbuiten.

zondag 20 november 2016

De wolken gaan verdampen




In het hoofd van de gourmande moet het spitsuur zijn. Ze leert momenteel lezen en schrijven, en ze kent al de meeste letters van het alfabet. En nu ze het woord ‘zeep’ ontmoet heeft, schrijft ze ongevraagd haar debuutgedicht:

een boot
koen zet een doos in de boot
een doos met zeep
koen zit
in de boot
zit er zeep in de zee
er zit er zeep
o de doos

Een prestatie, waaruit misschien te begrijpen valt waarom vaders bespottelijk trots kunnen zijn op hun dochters. In de ogen van getrainde lezers kan door deze aanleiding echter enige late Van Ostaijen geroerd zijn. Maar zo’n vader ben ik ook weer niet (laat staan dat mijn voorleessessies zich op officiële literatuur richten).
Wel probeer ik mijn kinderen, zoals al eens bekend, een brede muzikale smaak bij te brengen. Daarvoor heb ik een playlist samengesteld met Nederlandstalige liedjes, die gestaag wordt bijgewerkt. Vlak voordat de gourmande haar gedicht schreef, was er bijvoorbeeld een carnavalskraker toegevoegd. Zij viel er meteen voor en ik kan me indenken dat het lied van invloed is geweest op haar debuutgedicht.
De overeenkomst moet dan liggen in de schijnbare afwezigheid van betekenis, die zich vult met constateringen die vanzelf spreken.
Enfin, dit is het refrein:

Ik heb unne spijker in munne kop, au-au
Daar zit unne kikker boven op, nou-nou
Maar dat vuul ik niet alleen, maar dat vuul ik niet alleen
Want dat het nou iedereen

Dit nummer brachten De Stipkes in het voor het carnavalsgenre gedenkwaardige jaar 1976. Ze probeerden er vermoedelijk een toestand mee te beschrijven die zich tijdens dit feest met ijzeren regelmaat aandient: de kater.
De gourmande weet uiteraard nog niets van de effecten die alcohol heeft, maar haar gedicht is zeker te interpreteren als een indicatie van de bijbehorende sensaties the day after.
Ook gaan haar veel meer woorden deelachtig worden na ‘zeep’. Als verantwoorde beloning zou ze nu alvast de vertaling van Francis Ponges Le savon verdienen. Maar ik word niet voor niets vervloekt als ‘omgevallen boekenkast’. Sinds iemand jaren geleden mijn bibliotheek grondig heeft schoongemaakt en de banden (voor mijn brein) willekeurig terug in de kasten heeft gezet, ben ik mijn exemplaar van Zeep niet meer tegengekomen.
Des te spijtiger vind ik het dat vertaler Peter Nijmeijer onlangs overleed. Daar is betrekkelijk weinig aandacht aan besteed, en hetgeen de openbaarheid haalde ging over zijn levenswandel. Dus nu maar gauw van hem het gedicht ‘De schaduwzijde’, uit De afstand tot (ook uit 1976):

Neem je stenen
op, de wolken gaan
verdampen.

donderdag 17 november 2016

Autocentrisme


Kleine aanvulling op het voorafgaande.
Uit de tien tips die het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid onlangs gaf aan de zwakke weggebruiker: ‘Pas op voor onverwachte hindernissen. Een portier dat plots opengaat, een auto die uit een garage of parking komt gereden... Je rijdt best op 1 meter afstand van de kant van de rijbaan of van geparkeerde wagens. Blijf aandachtig, zodat je hindernissen tijdig kan ontwijken.
Het zou inderdaad duizelingwekkend vreemd zijn om aan automobilisten om voorzichtigheid te bidden wanneer ze hun portier opentrekken. Dus erger je toch niet, fietser (en stap ook in de auto en parkeer die bij school en trek je kind dan een fluohesje aan).

dinsdag 15 november 2016

Opgepast: overstekende boom


Bij mijn weten voor de derde keer begint Vlaanderen na de herfstvakantie aan zijn actie voor zichtbare fietskinderen in het verkeer. Visibiliteit is dan ook een mooi woord. Nog steeds heet de campagne Helm op fluo top.
Zoals dat gaat, tipt de commercie inmiddels met haar grote teen in het dienstdoende water. Niet elk kind neemt nog genoegen met een geel fluohesje. Er blijken nu ook groene en roze op de markt, in diverse modellen – en prijzen.
Eerder heb ik opgemerkt dat dit lovenswaardige initiatief, met zijn aandacht voor het lot van fietsers in het algemeen en kinderen in het bijzonder, een accent legt dat een kleinigheidje uit de constellatie vergeet: het gemotoriseerde verkeer en automobilisten in het bijzonder.
Zouden die mensen zich, met het donker wordende weer, ook niet een beetje mogen laten zien? Anders gezegd, waarom eigenlijk worden de bedreigers van de veiligheid niet, eh, gesensibiliseerd?
Het zal toch een kleine moeite zijn om over motorkap, dak en achterklep een gele fluostrook te plakken? Groen of roze mag natuurlijk ook, tegen een bescheiden meerprijs.
Ongetwijfeld ligt het aan mijn Hollandse afkomst dat het aantal auto’s in België me topzwaar lijkt voor het te bestrijken oppervlak. Zoveel fietsen zijn er in het dichtslibbende Amsterdam niet eens!
Ik hoef niet al te veel achttiende-eeuws Latijn te spreken om de oorzaak van dat Belgische overgewicht te benoemen. Tegen notoir hoge werkgeverslasten en dito belastingvoet staat aan velen immers een deel van het loon in natura ter beschikking. Daarom zou behalve de fluostrook op het portier van menig karretje een sticker geplakt kunnen worden: Ik ben een bedrijfswagen. Wellicht schept dat een band bij een ontmoeting van twee van die karretjes in pakweg Zuid-Italië.
Bovendien wordt het kinderen niet echt makkelijk gemaakt om ergens te fietsen. Het gaat met de jaren vooruit, maar veilige afzonderlijke paden zijn er niet heel veel. En de bestaande worden met liefde eveneens ingenomen door automobilisten, als parkeerplaats of voor het laden en lossen. Hoewel ook wandelaars er in België gebruik van maken, suggereer ik toch maar voor auto’s een tweede sticker: Ik lach om fietspaden.
(Natuurlijk zou er – voor veiligheid, gezondheid en schoonheid – in de bebouwde kom geen gemotoriseerd privévervoer hoeven zijn. Maar dat idee zal te revolutionair zijn, aangezien het, memoreert Benjamin Barber in zijn boek Als burgemeesters zouden regeren, al in de jaren twintig in Zwitserland werd gelanceerd voor kantons. Wel behoud ik me het recht voor op verbazing over al die Belgen die wegens een sixpack melk of een paar druppeltjes regen hun bolide naar een supermarkt sturen, terwijl ze bij de scouts in elk jaargetijde nog met volle bepakking bergen beklommen in korte broek of rok.)
Bij wijze van laatste aanvulling op Helm op fluo top zou er in België-Bourgondiëland een mentaliteitskwestietje bij volwassenen aan de orde mogen komen. Het gaat over alcoholconsumptie bij bestuurders, die bij mijn weten sociaal geaccepteerd blijft. Rik Torfs is ook gerespecteerd jurist na zijn sofisme ‘Je kunt perfect een glas drinken en nog steeds in staat zijn om te rijden’. Helaas bericht Krant op Zondag wekelijks van dodelijk auto-ongevallen in het holst van de nacht wegens een overstekende boom. Ter sensibilisering van die mentaliteit stel ik een derde sticker voor: Ik drink dus ik rijd.
Toevallig heeft het recentste nummer van de Vogelvrije fietser een reportage over een actie voor fietsers in Berlijn. Er pedaleren dan twee mensen naast elkaar en prompt wordt er nijdig getoeterd achter hen door ‘een dure Audi’. De bestuurder blijkt niemand minder dan Stefan Aust, die ‘stuurs’ voor zich uitblikt.
Denkend aan de RAF zie ik vluchtauto’s op twee wielen door de bocht gaan.
Ach, hoe lang moet ik dit soort evidenties nog opsommen? Waarom pleiten voor veiligheid en zichtbaarheid van fietsers, wanneer de publieke ruimte hun amper plaats biedt? Zelfs voor de eigen deur is een parkeerplaats bijna steeds voor auto’s bedoeld.
Courage, Marc, in Oostende zijn voor de fiets straatcontainers gesignaleerd, zoals ze, zij het iets minder kek, in Amsterdam ook bestaan!
Engelsen gebruiken fluohesjes voor scharrelkippen. Zekerheidshalve heb ik de term dus maar even losgelaten op de site Veiligverkeer. Dat geeft 1 resultaat: ‘In een dode hoek is niemand zichtbaar, ook niet met een fluohesje of goede fietsverlichting. De dode hoek is de ruimte die buiten het gezichtsveld valt. Een fluohesje en goede fietsverlichting zijn uiteraard nuttig om op te vallen. Zo merkt een vrachtwagenbestuurder je misschien sneller op als je nog niet in de dode hoek “verdwenen bent”.’

woensdag 9 november 2016

Hermetische poëzie, poésie pure?


Klonk daar bij Trumps overwinningsspeech werkelijk ‘You Can’t Always Get What You Want’? Ja dus.
In De ondergang van Makarov zei Helga Ruebsamen het ooit zo: ‘De kunst is nóóit, aan geen sterveling, te laten merken hoe ver je de afgrond bent genaderd. Alleen een houding alsof iedereen reden heeft je ernstig te benijden biedt kans zo’n nijpende situatie te overleven.’
Maar soms lijkt gisteren al een eeuwigheid geleden. Toen werd in de aardige rubriek Woord Van De Dag van Van Dale gespeculeerd hoe Bill Clinton moest worden genoemd, mocht hij de rol van First Lady krijgen. De uitkomst was: First Gentleman.
Bij Melania Trump, stond er volgens mij, was de oplossing makkelijker: First Pussy. Vandaag staat dat antwoord niet meer op die site, dus het zal een product zijn geweest uit de kleedkamer van mijn geest.
Het wordt sowieso een control-alt-delete-operatie voor betekenissen. Wat beweren woorden als incredible, amazing, honour en proud ook alweer? Waarnaar verwijzen the people, things en historic
Tegen de tijd dat dat allemaal duidelijk raakt, valt allicht na te voelen wat great is.

maandag 7 november 2016

Een gezellige polonaise




O zalige onwetendheid. In Amsterdam woedde een literaire rel die begon in de brontosaurus onder de media: het literaire tijdschrift. Wel had dat de gevoelige tekst ook online gezet.
Schrijver Philip Huff beschuldigde Arie Storm ervan een onethische recensiepraktijk te voeren (deze zin had beter in de lijdende vorm gestaan, saai maar duidelijk wie subject en object zijn). In Het Parool zou deze titels bevoordelen die zijn vrouw heeft geredigeerd. Daarop reageerde Jamal Ouariachi, een van haar fondsauteurs. Daarop reageerde Huff weer, en Ouariachi andermaal, pertinenter: ‘de literaire wereld in Nederland is veel te klein voor een scheiding der machten: iedereen kent iedereen’. Aanleiding voor deze observatie was een NRC-column van Arjen Fortuin die de affaire had becommentarieerd, met aanbevelingen. Over het geheel bestaat minstens één metacommentaar.
Ziezo.
Voor zover ik het uit België kan zien, ontbreken er nog wat dingetjes. Bijvoorbeeld België zelf. Dat blijkt uit een Excellbestand dat Huff had aangelegd met uitgeverijen waarvan drie Nederlandse recensenten, onder wie Fortuin, titels bespraken. Maar misschien is dat geen nieuws.
Ook heeft het altijd smeuïge onderwerp vriendjespolitiek een keerzijde. Vriendschap kan een recensent voor dilemma’s stellen. Bij een negatief oordeel doet hij zijn kritische praktijk geen eer aan wanneer hij decent zwijgt. Maar wanneer hij zich uitspreekt, loopt hij het risico dat de vriendschap sneuvelt.
Ik heb in het debat evenmin iets gelezen over een in schandaaltermen minstens zo groot obstakel voor literaire kritiek: de status van een auteur. Als die hoog is terwijl het boek opzichtig faalt, kunnen recensenten de kluit doorschuiven naar een collega, het middel van het interview aangrijpen, enz. Maar is de auteur non grata, dan kan het boek ongelezen op de stapel voor het antiquariaat.
Tegelijk slaag ik er niet in me voor te stellen hoe Storm door zijn vrouw titels gepusht krijgt. Waarschijnlijk ben ik niet de geschikte persoon om dit toe te lichten, maar redacteuren zijn van de representatie. De stiel bestaat uit opzitten en pootjes geven. En wie wel tijd neemt om te lezen, moet alle zeilen bijzetten zich niet te schamen voor bagger (waarom klinkt deze zin aardig maar is ze beroerd gestileerd?).
De voorstelling die bij mij veeleer opdoemt, werd recent afgedraaid in een documentaire over de 8mm-filmpjes tijdens het presidentschap van Nixon. Extremer was diens parallelle universum waarin iedereen inderdaad iedereen kent, maar de wat-zeggen-de-media-obsessie lijkt me verwant. Buiten werktijd zal Storm overlevingshalve dus wel andere interessantigheden op zijn bord krijgen.
Maar stel dat er gepusht was én de recensent ging op die suggestie in, had zo’n titel dan ahw niet onafhankelijk onderzocht mogen worden? Ouariachi had immers Huffs ethische appèl weggewuifd met de stelling dat het voortkwam uit wrok: negatieve Storm-recensies. Daarmee was het debat bij voorbaat afgesloten, terwijl de onmin kon voortwoekeren – in deze tijden van verkiezingen geen voorbeeld.
Ouariachi erkende dat zijn eigen boeken uitstekend waren besproken. Daarvan dan maar eens de recentste proberen, dat op ‘een gezellige polonaise van vier- en vijfsterrenrecensies kon rekenen, waarna ik er de BNG Literatuurprijs voor won’? Naar Een honger had ik sowieso uitgezien. Uit eigenbelang: na overdoses zou die ambitieuze roman mijn leesrentree in Nederlands proza kunnen bewerkstelligen. Nu was er dus een aanleiding.

vrijdag 21 oktober 2016

Dat zijn wij



Op Neerlandistiek.nl schreef Maartje Lindhout een intrigerend stuk over het verschil tussen je/jij, je/jouw, we/wij. Als ik het goed begrijp is het subtiel, zij het met grote gevoelsgevolgen. Aanleiding voor haar was een schrijven met de acquitstoot: ‘Hartelijk dank voor jouw mail.’ Volgens Lindhout kan er ook te klare taal bestaan.
Ik moest hier even over denken. Nou ja, eerst dacht ik op mijn stokpaard te kunnen springen om soeverein de onbewuste invloed van het Engels op het Nederlands aan te wijzen: your mail.
Een halve dag later zei iets me dat Lindhout gelijk heeft. Maar meer dan voorbeelden weet ik er niet van te geven. Het punt is wel dat ze gekoppeld moeten zijn om het verschil te kunnen navoelen.
Een paar pogingen. Eerst over het aanduiden van een richting. Als een ouder ontiegelijk boos is op zijn hartendief, zegt hij:

(1a) Jij gaat nu naar je kamer

Als een stadsbewoner de weg uitlegt aan een onbekende, zegt hij:

(1b) Je loopt tot aan het kruispunt, dan sla je linksaf

Voilà. Snel over naar de je/jouw-kwestie. Hier schieten me louter zinnen te binnen met ‘jouw’ – en valt me op dat die een scheiding forceren met de ander:

(2a) Het is jouw schuld
(2b) Het is jouw leven

Hier is de ander niet erg populair bij de spreker, maar die scheiding blijft gehandhaafd wanneer, al dan niet vals bescheiden, de ander juist op een schild gehesen wordt:

(2c) Dat is helemaal jouw verdienste
(2d) Ik draag een vaandel met jouw naam

De laatste zin komt uit het controversiële Koningslied, waaruit ik graag nog een zin citeer in verband met de openingskwestie:

(1c) Ik zal waken als jij slaapt

Nadruk inderdaad, die afstand en misschien wel plichtmatigheid schept. Wanneer de ander een geliefde is, verandert de zin waarschijnlijk.

(1d) Ik zal waken als je slaapt

Nu nog het we/wij-vraagstuk. Omdat ik ooit in het openbaar een laat gedicht van Sybren Polet mocht lezen, uit de bundel Donorwoorden (2010), valt me eerst toe dat deze het concept heeft bedacht van (eenzelvige) ‘wijmensen’. Voor de details verwijs ik door naar mijn poging tot begrip, en voor een definitie naar het gedicht zelf: ‘Voor hen is alle werkelijkheid alibi/ voor andere alibi’s.’
De vraag is natuurlijk of Polet ook iets te zeggen zou hebben gehad over ‘wemensen’. Maar het antwoord kan helaas niet meer worden gegeven.
Als tegenprestatie twee literaire fragmenten waarin ‘we’ en ‘wij’ tegelijkertijd voorkomen. Het eerste behoort tot de bekendste van de Noord-Nederlandse literatuur:

(3a) Jongens waren we - maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is. Wat hebben we al niet willen opknappen. We zouden hun wel eens laten zien hoe 't moest. We, dat waren wij, met z'n vijven. (…)

Met deze openingszet van Titaantjes weet Nescio de intuïtie van Maartje Lindhout te bevestigen. Het ‘wij’ komt pas boven wanneer er ondubbelzinnig gedefinieerd moet worden.
Het tweede fragment komt uit een gedicht dat Paul Demets schreef na de aanslagen in Brussel:

(3b)
(…)
Ochtend. Altijd weer ochtend. Iemand heeft een pak met spijkers
voor ons bedacht. Dat lichaam van ons. Het stinkt van geluk
en wordt door een stofwolk verdonkeremaand.

Die vreemde, dat zijn wij. Hij heeft al onze kleren aan.
Met de handen van de ander weten we geen blijf.
Huidskleur is eender. Rood. Dat lichaam van ons heeft nu
niets meer om het lijf. Lockdown en spreadsheets.

Ochtend, altijd weer ochtend. Hadden we hem? We hebben niets.

Ook hier staat ‘wij’ bloot aan het onbarmhartige licht van de werkelijkheid. Die slechts te verdragen valt als we toch maar ‘we’ blijven?
Ik stel me nu zo voor de locatie van twee bijna identieke zinnen te kunnen bepalen.

(3c) We lezen hoofdstuk drie

Dit speelt zich af in een klas, waar de leraar, om de moed er bij de leerlingen in te houden, de indruk wekt dat hij ook niet meer weet dan iedere andere aanwezige in het lokaal.

(3d) Wij lezen hoofdstuk drie

Dit speelt zich af in een kerk, waar de spreker, om geen twijfel te wekken dat hij ingewijd is, de aanwezigen aanspoort hem na te volgen.
Voilà. In het kader van de nadere studie die steeds gewenst is, gooi ik alvast een enigszins gelijkend balletje op dat te maken kan hebben met het verschil tussen België en Nederland. Daar kan men een mens of situatie kwalificeren met respectievelijk:

(4a) Zo … als iets
(4b) Zo … als wat

woensdag 12 oktober 2016

Moet je prefereren leren?




Er blijkt een nieuwe vertaling uit van Bartleby. Hoe staat het refrein ‘I would prefer not to’ van Melvilles prachtnummer er inmiddels op?

De bespreking resumeert:

-           Liever niet (Johan Palm, 1958)
-           Ik doe het liever niet (Auke Leistra, 1989)
-           Dat deed ik liever niet (Jacq Vogelaar, 2004)
-           Ik zou liever niet (Walter van der Star, 2015)
-           Liever niet (Rosalien van Witsen, 2016)

(Onvermeld want onbekend blijft wat de oplossing was van Frans Kellendonk, begin jaren tachtig.)
Me dunkt dat het bijna Vlaamse meebuigen bij de pertinente afwijzing onvoldoende tot uitdrukking komt. Dit zou mijn voorstel zijn:

   Toch maar liever niet.


Of beter:

  Toch liever niet.

Of nee:

    Toch maar niet.

dinsdag 11 oktober 2016

Grabbing



Misschien is op het hoogste niveau de pussy grabbing van Trump veel meer standaard dan ik wil weten?
Naar verluidt vergeleek Chroesjtsjov op het hoogtepunt van de Koude Oorlog Berlijn met testikels: ‘Elke keer dat ik het Westen wil laten kermen, knijp ik in Berlijn’.
En voor ze op logopedie ging, wist de gourmande zeker dat de zevende dag voor God zijn lustdag was.
In dat geval zou het louter nog even te verifiëren zijn of op dat niveau de olympische gedachte heerst (dan wel dat winnen belangrijker is dan beethebben).

zaterdag 8 oktober 2016

Georges De Schrijver (1935-2016)



Wat een bericht dat hij in Manilla plots is overleden! De Adorno-specialist die in spijkerbroek op een binnenplaats sigaretten rookte en altijd grijnzend sprak. Die vanaf zijn emeritaat grote delen van het jaar buiten Leuven verkeerde, doordat hij her en der op de aardbol gastlessen gaf. Bijvoorbeeld over het jongste boek van Sloterdijk, dat hij had gelezen voordat een laaglandse uitgever de vertaalopdracht kon verstrekken.
Door een recent interview met zijn kameraad Ludo Abicht drong afgelopen week nog tot me door hoe grondig de opleiding was die jezuïeten van zijn generatie kregen. Waar te lezen viel dat wegens onvoldoende kennis van een landstaal dan maar in het Latijn werd geconverseerd, meen ik dat De Schrijver als twintiger moederziel alleen naar München uitgezonden werd om een jaartje of meer nog wat extra theologie te studeren. En daar, als ik het wel heb, de jonge Joseph Ratzinger trof?
Terwijl die latere paus voor mij altijd een boekenwurm is gebleven, wekte De Schrijver de indruk ook kennis uit de eerste hand te hebben én directe actie te wensen. Dat kon ook niet anders, gepokt en gemazeld als hij was door het marxistische christendom van de bevrijdingstheologie en door de zorg om het klimaat die hij met iedereen wilde delen.
Het archief van het cultureel-maatschappelijke tijdschrift Streven openbaart dat De Schrijver in 1984 zijn studiegenoot alsnog op zijn noten heeft gegeven:

In een onlangs gepubliceerde studie betoogt Kardinaal Ratzinger dat de bevrijdingstheologie op meerdere wezenlijke punten een dwaalleer verkondigt. De auteur legde Ratzingers 'beschrijving' van die theologie naast Sobrino's eigen uitspraken in verband met het reeds aanwezige en het nog te betrachten en te verwachten heil, de hermeneutische overbrugging van de ten dele historische evangelische boodschap naar de eveneens historische actualiteit en de partijdige keuze voor de armen in de gegeven Latijns-amerikaanse situatie. Het degelijk verantwoord christelijk gehalte van Sobrino's theologische interpretatie wekt het vermoeden dat veel - westers - verzet tegen de bevrijdingstheologie andere , minder geestelijke wortels heeft dan de zorg om het behoud van de ortodoxie.

Geen wonder dat De Schrijver in collega-jezuïet Jorge Mario Bergoglio meer vertrouwen had. Dit werkte hij eind vorig jaar althans uit.

In zijn encycliek Laudato si (‘Geprezen zijt gij’) neemt paus Franciscus een thema op dat Franciscus van Assisi dierbaar was: eerbied voor de schepping en zorg voor de armen. Voor hem is duidelijk dat de armsten in de ontwikkelingslanden het felst worden getroffen door de milieuafbraak en dat deze teruggaat op de ongebreidelde consumptiedrang en technocratie van de rijke landen. Het artikel belicht de specifiek Argentijnse achtergrond van deze provocerende, ‘bevrijdingstheologische’ stellingname.

Ik weet niet meer in welk boek Daniel Robberechts kritische, minachtende woorden richtte aan het adres van De Schrijver, als zijnde een conservatief. Lang geleden. Zoals iedereen zal De Schrijver voortschrijdende inzichten hebben ontwikkeld. Toch staat me mijn irritatie nog bij toen ik kennisnam van Robberechts’ kritiek, allerminst een globetrotter maar wel iemand met even maatschappijkritische oogmerken.
Mogelijk reageerden de twee anders op de ontideologisering van de jaren tachtig. Robberechts trok zich zo mogelijk nog verder terug, De Schrijver werd polemischer:

Waar tot voor kort ook vele christenen zich beijverden om politieke en andere seculiere aangelegenheden te onttrekken aan kerkelijke interventies en bevoogding, doet zich nu het merkwaardige fenomeen voor dat vele kerken zich opnieuw gedrongen of gedwongen voelen om zich met o.m. politieke en economische problemen in te laten. De auteur analyseert en kritiseert H.M. Kuiterts radicale afwijzing van enige collectief-christelijke bemoeienis met de wereldlijke gang van zaken, welke de Amsterdamse theoloog z.i. ten onrechte hanteert als louter een kwestie van (te erkennen) ideologie-vrije (vak)competenties.

Dit is 1986. Waar babyboomers hun kar begonnen te keren, radicaliseerden theologen als De Schrijver. In het trickle-down effect dat Reagan voorspiegelde, geloofde hij niet. In de solidariteitsaanpak van Amartya Sen – ontwikkeling via lager onderwijs en gezondheidszorg voor iedereen – dan weer wel.
De Schrijvers focus op uitbuiting verbreedde zich tot een roep om ware diversiteit en een stellingname tegen elke vorm van uitsluiting. Anders dan vele kosmopolieten die in principe verwant zijn, durfde hij daartoe de verleiding van populisme te weerstaan. Hij maakte ideeën van Lyotard en Habermas toegankelijk voor zijn engagement. Dicht bij huis was daarbij niet Vlaanderen maar Europa het instituut waar hij het meest van verwachtte. Getuige het archief wierp De Schrijver zich de laatste jaren vooral op het werk van Giorgio Agamben.
Het stemt me weemoedig dat kort na Joris Gerits weer een redacteur van Streven is overleden. Temeer omdat het blad afgelopen jaar geruisloos zijn bescheiden subsidie van de Vlaamse Gemeenschap is verloren. Tegelijk maakte het evenementenbureau Behoud de Begeerte, dat op zijn manier ook aan cultuuroverdracht doet, luid misbaar en werd gespaard. Dat zich daar vele grote namen voor leenden, onttrekt zich aan redelijk commentaar.
Vanaf januari 1981 heeft De Schrijver 66 artikelen voor Streven gemaakt. Een van de recentste zal me zeker bijblijven: ‘Martelaren in El Salvador. Uit naam van welk geloof?’ Hij zegt daarin zelf pas in de jaren tachtig de bevrijdingstheologie te hebben ontmoet. Vooral beschrijft hij zijn band met enige jezuïeten die hij namens Broederlijk Delen had leren kennen. Onder wie Jon Sobrino, die hij aan Ratzinger ten voorbeeld had gesteld. Als enige ontsnapte deze de dans. De andere mannen zouden door doodseskaders, gespijzigd door de regering-Reagan, worden afgemaakt. Een van hen kon lezen en schrijven met de overtuigingen van de revolutiegetrouwe aartsbisschop Romero, die sneller het loodje legde.
De jezuïeten golden als martelaren, Romero niet. Hij moest daartoe zijn gestorven voor het christelijk geloof, niet voor een politiek ideaal. Pas in 2015 lukte het de status te krijgen, dankzij paus Franciscus.
De Schrijvers relaas staat in het themanummer Strijders voor een ideaal dat mede door hem en Abicht was samengesteld. Twee tachtigers! Ik meen dat zijn held Adorno uiteindelijk in de eigen tijd wat minder thuis was.
In Manilla is Georges De Schrijver nu dus overleden en hij zal daar ook worden begraven. Dan reist hij door naar de rand van de hemel, de enige plaats waar nog gerookt mag worden (zolang het venster op de wereld openstaat). Daar wacht Kant al op hem om de details van een nieuwe categorische imperatief door te nemen. 

Naschriftje
Hoe kom ik erbij Ratzinger als studiegenoot van De Schrijver te beschouwen? Er blijkt acht jaar leeftijdsverschil! Wel heeft Ratzinger lesgegeven aan het priesterseminarie van het aartsbisdom München-Freising.

woensdag 5 oktober 2016

Lügenpresse




Op een of andere manier verdroeg ik het de eerste keer niet en klikte de uitzending na een paar minuten weg. Waarom het in de rebound wel lukte blijft duister, en het zou ook niet interessant zijn het publiekelijk te formuleren – maar ik ben blij de Tegenlicht-aflevering Wij zijn het volk te hebben gezien.
Plaats van handeling was Dresden, met zijn maandagdemonstraties tegen… Ja, tegen wat eigenlijk? Buitenlanders? Niet-inheemse invloeden? De wereld die door de globalisering verandert? Beweging van dienst is natuurlijk Pegida, maar het ging de televisiemakers om de weg die dit griezelige project had geplaveid voor de AfD.
Om unieke, laat staan landgebonden verschijnselen gaat het helaas niet, zelfs wanneer ik me beperk tot Europa. Overal steken zulke bewegingen de kop op. Recent ook in Nederland, mocht ik met maar niet geamuseerd rakende verbazing constateren, toen zich de zoveelste kakelverse partij aandiende.
Had Tegenlicht langs een omweg dus ‘nieuw rechts’ op het oog, dat zich tussen PVV en VVD wil wringen? Ik vind het alleszins lofwaardig om uit de eerste hand tekst en uitleg te krijgen. Dat vond een CDU-politicus ook, die pleitte protestgeluiden niet te marginaliseren of ridiculiseren, maar ernaar te luisteren.
(Het ontging me waarom die man geportretteerd werd met beelden waarop hij, voorafgaand aan een operabezoek, een black tie probeerde te vouwen in navolging van een techniek die zijn vrouw hem live op haar smartphone voortoverde.)
Wat bezielt dus voorstanders van AfD? In geen geval: kranten. Men zei ze niet meer te lezen, omdat het toch onwaar was wat daarin allemaal stond. Kloek werd dat geloof verbreid op een protestbordje met het opschrift ‘Ich bin ein Kaffeemaschine’. Daar stond een afbeelding bij van een citroenpers, en daaronder: lügenpresse.
Het ongeloof geldt ook de democratie. In Wij zijn het volk zei iemand dat ze drie seconden duurde, waarin voor vier jaar een kruisje viel te zetten op een stembiljet. Zoiets voldoet niet langer voor ‘de voorheen zwijgende meerderheid’.
Ook op dit vlak lijken de links-rechts-verhoudingen gedraaid. Men zag geen mogelijkheid voor individueel protest, Merkel werd opgevoerd als censor die alles zou uitsluiten wat niet ‘politiek-correct’ is. Ook hier kan dus het referendum worden opgeëist en kan er bekommernis opwellen om de rechten van pakweg dieren en vrouwen en homoseksuelen.
De immense bedreiging die immers wordt beleefd gaat over een ultiem goed: de vrijheid van meningsuiting.
Absurd.
Toch?

maandag 26 september 2016

De Oude mens zoals hij te boek staat


  
In zijn luimige columnbundel Klein digitaal verdriet toont Antoine Compagnon zich begaan met zijn eigen coups de foudre. Dat is bijna een verademing in tijden dat alleen al, pakweg, het noemen van Aleppo het omringende asgrauw kleurt. De Franse literatuurwetenschapper komt over als iemand die ergens volstrekt in opgaat om bij obstructies de betrekkelijkheid van zijn avontuur te zien, zonder het af te vallen.
Zo is Compagnon als babyboomer en dus niet-native gebruiker een vroege verslinder geweest van allerhande revolutionaire apparatuur, waarbij hij nooit gebruiksaanwijzingen raadpleegde. Hij wijt het aan een aanpalende opleiding tot ingenieur dat hem het wat hij noemt ‘hands-on leren’ beter ligt.
Toen tot mij doordrong wat ‘hands-on’ kennelijk betekent, stond ik paf. Niet dat ik een manisch gebruiker van handleidingen ben, maar woordenboeken lust ik rauw. Bij een naar mijn aanvoelen al te reflexmatig opduikende vraag naar een ‘hands-on-mentaliteit’ overvalt me echter koppigheid. Die betekenis raad ik zelf wel.
Persoonlijk dacht ik aan het noodlottige cowboymoment dat mij het tegendeel leek: ‘hands up’. In mijn beleving had ‘hands-on’, dat ik misschien niet helemaal onterecht verbind met een neoliberaal denken, te maken met nooit opgeven, zelfs niet ‘in de meest hopeloze gevallen’. Hulp vragen kan al helemaal niet.
Het grappige vind ik dat een hands-on-mentaliteit wel degelijk tot zulke gevolgen leidt. Want een gezaghebbende bron kan best helpen. Compagnon memoreert een student die voor een werkstuk over Brave New World de dienstdoende Wikipediapagina had vervangen door die van Lord of the Flies, zodat zijn lerares niet zou ontdekken dat zijn werkstuk een copypaste-operatie was.
Daartegenover plaatst Compagnon sluwer bedrog van een leraar die in de vakantie op het web allerlei desinformaties over een minder belangrijke barokdichter verspreidde die natuurlijk op het programma stond. En ja, hij kreeg zijn eigen snode verzinsels keurig in werkstukken gepresenteerd.
Compagnon geeft ook nog de onontkoombare – herkenbare – realiteit mee van een aan hem gewijde Wikipediapagina die foutieve gegevens bevat. Deontologisch zouden ze door iedereen mogen worden verbeterd, behalve door hemzelf, degene die er door het copypaste-klimaat jaar na jaar last van heeft.
Wat dat aangaat is een recent verbod van laptops door studenten tijdens hoorcolleges nog tamelijk galant. Het gaat ervan uit dat zulke apparaten speciaal voor die les zijn meegenomen. Vanzelfsprekend zouden handgemaakte aantekeningen nopen tot een grotere concentratie, maar ‘hands-on’ worden ze geenszins. Ze volgen immers de handleiding van de professor.
Zouden zulke pagina’s bij een eerste blik dan ook gezaghebbendheid verraden? Ooit kwam de papieren kennis tot mij dat het fenomeen alinea betrekkelijk jong is. Ik wist toen nog niet dat het genre van de internettekst vereist voor bijna elke zin een nieuwe alinea in te zetten; Compagnons columns, die verschenen in de exclusief digitale Huffington Post, houden zich daar niet aan.
Voor zulk opportunisme zich in mij had genesteld, meldde een handboek een bovengrens van twintig regels. Meer zou een goed begrip doen stuiken van een wetenschappelijke tekst, het moeilijkste genre. In diezelfde tijd leerde een ander werk me dat het begrip ‘opportunisme’, volgens weer een ander boek, in Zwitserland is geïntroduceerd door Henri Rochefort. Hij sarde er bange revolutionairen mee.
Als stamvader van het opportunisme heb ik op een of andere manier immer Machiavelli opgevat. Maar da’s ook maar gebaseerd op slechts één van zijn boeken dat derden wellicht doorademd vinden door realisme. Hans Magnus Enzensberger huldigde bijvoorbeeld Machiavelli ooit met geknars van tanden zo:

‘Voor je kale meedogenloze zinnen, voor je moed om lafhartig te zijn,
je diepzinnige banaliteit, en je nieuwe wetenschap

Niccolò, schoft, dichter, opportunist, klassiek schrijver, beul:
jij bent de Oude mens zoals hij te boek staat, en daarom prijs ik jouw boek

Broeder Niccolò, dat vergeet ik nooit, en dat je leugens
zo vaak de waarheid spreken, daarvoor vervloek ik je kromme hand.
(vert. Peter Nijmeijer)

Ook Ayaan Hirsi Ali moet iets voor die lafhartige moed hebben gevoeld. In Nomade verklaarde ze zich gecharmeerd van de Nederlandse aard, die eruit zou bestaan de natuur aan te passen aan je wensen. Ging dat ooit met dijken en molens, in vacatures waar onder het gesternte van de hands-on-mentaliteit de notie opportunistisch uiteraard niet kan vallen, heet dat waarschijnlijk een ‘groot probleemoplossend vermogen’.
Maar wie ben ik om al die leesscherfjes bijeen te vegen? Door een onthutsend rapport uit Nederland over laaggeletterdheid ontmoette ik het begrip ‘oudkomer’. Plichtsgetrouw en optimistisch nazicht in Van Dale leerde me een zelfportret te hebben ontmoet, naar de definitie van mijn woonland:

oudkomer
zelfstandig naamwoordde moudkomers
1997, gevormd naar het voorbeeld van nieuwkomer
1 vreemdeling die al langere tijd legaal in zijn nieuwe vaderland woont
a in NL vreemdeling tussen 16 en 65 jaar zonder Nederlands paspoort, die in de leerplichtige leeftijd minder dan acht jaar in Nederland woonde, die geen diploma’s heeft waaruit voldoende beheersing van de Nederlandse taal blijkt en die daarom verplicht is een inburgeringsdiploma te behalen
b in BE meerderjarige vreemdeling die meer dan twaalf maanden ingeschreven is in het Rijksregister

Eigenlijk wilde ik iets zeggen over het boekje van Compagnon, die volgens Wikipedia trouwens geboren is in Brussel. Het hoogtepunt van Klein digitaal verdriet lag voor mij in 4’33”. Deze omstreden compositie van John Cage, louter gevuld met omgevingsgeluid, kent een duur die Compagnon verregaand duidt.
Autobiografisch, omdat hij precies die tijd kreeg om op de televisie te spreken over een klassiek boek. Technisch, omdat dit in geschreven tekst zou uitmonden in maximaal 4800 tekens, inclusief spaties – minder dan deze blog. Ideologisch, omdat hierdoor de wet van de jungle gedicteerd blijkt die zich volgens Antoine Compagnon uit in een persconferentie van een Franse president.
Vragen? Geen vragen.