zondag 28 mei 2017

Wittemannenbastions (3)


  
Dumoulin wint de Giro! NAC terug in de eredivisie! En Gijsbert Pols dient me weer van repliek!
Behalve trots ervaar ik schaamte, bijvoorbeeld omdat ik onhelder blijk te zijn geweest. Zo meent Pols dat ik een bepaalde interpretatie van het Boekenweekgeschenk (van zelfkritiek) oninteressant vind. Maar volgens mij heeft het boekje Pols’ andere (moreel veroordelende) visie er slechts mee uitgelokt en bij voorbaat gedemonteerd. Mijn punt is dan dat hij die essentiële truc verzwijgt.
Aan dat onder de pet houden van informatie verleent Pols de neoliberale term focus. Hij leest teksten dus niet singulier maar meet ze af aan zijn privé-eisen. Die houding benoemde hij al na een comment op zijn Hermans-lezing: ‘Ik vind zijn werk niet doorleefd, wel harteloos en steriel.
Voorbij poëticale voorkeuren stelt zo’n houding morele voorschriften. Op zichzelf geen probleem, ware het niet dat Pols dan een onhandig teksttype kiest. Literatuur speelt bij uitstek met meerduidigheid of tenminste met ambivalentie. Voor wat Pols eist, zijn alleen dagboeken geschikt. En dan nog alleen van gelijkgezinden?
Aangrijpend vind ik dat die kritische opstelling welbewust kiest voor de fameuze bubble (normaliter louter bij les autres waarneembaar).
Ik was niet zozeer misogyn als wel pervers benieuwd naar de reactie op mijn flauwigheidje dat partnergeweld in de buitenfictionele wereld niet alleen van man op vrouw gaat, maar dat alle seksen (elkaar) matten. Die optie meldt het Boekenweekgeschenk niet, zegt Pols, dus een recensie hoeft het daar evenmin over te hebben.
Dat vond ik equivalent aan vele conclusies die Pols trekt voor de wereld:

-        - hij is tegen een marktlogica, behalve wanneer hij die met een recensie ondersteunt
-        -  hij is tegen een marktlogica, behalve bij een partnership van een ideële site met een opinieweekblad voor de middenklasse
-        -  hij volgt de antihegemonische instructies van de Lezeres des Vaderlands, die alleen niet gelden voor het podium waarop hij ze etaleert
-        -  van zijn kruistocht tegen privileges vrijwaart hij een groepje mensen dat werk moet verrichten naast een baan.

Pols’ kritiek belichaamt zijn hoon van de keuze voor een holle Boekenweekschrijver. Zelf heeft hij nog altijd geen enkel inhoudelijk argument gegeven waarom vijf door hem opgevoerde alternatieven (één heeft hij inmiddels laten vallen) wel geschikt zijn. Die namen zijn dus geurvlaggen, zoals Hans Groenewegen dat noemde.
Pols pareert mijn kritiekpunten op zijn podium De Reactor met intentieverklaringen. Zijn aanhankelijkheid is zelfs zo groot dat hij zijn principes moet overtreden. Met zijn strijd tegen machtsstructuren die gesloten werelden opleveren, hangt Pols een project aan dat vanuit zijn redactie en raad van bestuur een op neoliberale basis opererend netwerk faciliteert (UU, DWB, nY, UGent).
Daar is enige uitbreiding op gekomen. Pols vertelt dat er sinds enige tijd incentives zijn. En prompt doen er bekendere namen mee, vertrouwd uit de printniche. Zo mag De Reactor zich verheugen – ik zeg dat zonder ironie – in de medewerking van Ger Groot, die wegens ‘emancipatiekramp’ niet door de ballotage van Pols’ leidster de Lezeres des Vaderlands was geraakt.
Zelf heb ik beweerd, voor zover de moeite waard te memoreren, dat het gemiddelde niveau van Reactor-bespreking hoger ligt dan elders. Daar kan de site niet genoeg om geprezen worden. Wel ligt het niveauverschil vooral aan de beperkingen door formats bij andere media, inclusief impressionisme van columnisten. In het land der blinden…
Pols maakt van zijn podium een martelaarsmissie door belangeloosheid te claimen. Zijn nadruk op onbezoldigdheid van Reactor-redacteuren vind ik onaardig voor vele auteurs die sinds jaar en dag collega’s met detailkritiek bijstaan. Voor redacties van literaire tijdschriften. Voor bloggers. Voor vrijwilligers in alle geledingen van de maatschappij.
Even selectief dunkt me het drama dat Pols maakt van poëzierecensies die beantwoorden aan de kwaliteitseis van De Reactor. Ze blijken niet te vinden. Gaat dit over de ‘sneeuwwitte academische neerlandistiek’ die Pols zo aanstekelijk karakteriseerde? Wie eens op Meander of Tzum kijkt, kan geregeld redelijke besprekingen vinden. Er is Klecks, op Ooteoote heeft Jeroen van den Heuvel een rubriek over openingsgedichten, beide van een intensiteit die ik niet associeer met De Reactor. Literaire tijdschriften en privéblogs hebben sporadisch zeker ook aansprekende poëziekritiek te bieden.
Wie buiten de eigen wereld weigert te kijken, zou nog een zelfkritiek kunnen formuleren. Met de vraag bijvoorbeeld of er in de neerlandistiek veel poëzie gelezen wordt. Er is al bericht over onvoldoende garantie op return on investment bij het genre. Daarnaast heeft het begrip frame de aandacht van interpretatie verlegd naar leeswijzen. Nog een stap verder weg van de primaire literatuur is de studie van poëziekritieken en van dichterspostures.
Dat de primaire tekst bijzaak dreigt te worden, bewijst volgens mij ook Pols’ reactie op mijn kanttekening dat er door het Boekweekgeschenk een veel belangrijker boek, van Samuel Vriezen, van De Reactor aanmerkelijk geringere aandacht kreeg: ‘Ik wil best geloven dat het historische belang van de recensie van Serge Delbruyère alleen benaderd wordt door het Evangelie van Johannes en het Communistisch Manifest. Maar als dat zo is, dan vertrouw ik er op dat het besef daarvan ook wel bij de goegemeente zal doordringen zonder dat het stuk op de website van Knack geplaatst wordt.’ Of dit humor is, of populisme of opportunisme of conformisme of kolonialisme of domineestalent, of een combinatie ervan, weet ik niet. Wel dat Pols ook expliciet laat zien dat voor hem alleen de bespreker telt.
Toch blijf ik Vriezens boek aanbevelen. Er staat bijvoorbeeld een lastig retweetbare analyse in van hoe neerlandici Arnon Grunberg lezen.
Ik vind het fatsoenlijk dat Pols De Reactor verdedigt. Wel lijkt dit eenrichtingsverkeer. De redactionele begeleiding waar hij hoog van opgeeft, heeft bij zijn Boekenweekgeschenk-recensie plaatsgemaakt voor cynisme. Zoveel rammelende en tegensprekelijke informatie toelaten is één ding. Een ander ding is als kennelijk neutraal platform Pols’ moreelpolitieke boodschap verbreiden dat witte, mannelijke hegemonieën moeten worden doorbroken.
Turflijstje erbij, ik speel nu even Lezeres des Vaderlands. Op de voorpagina van De Reactor stonden gisteren besprekingen van 30 titels. Die boeken waren geschreven door 26 mannen (28 feitelijk wegens trio) en 4 vrouwen. Van de dienstdoende recensenten waren er 26 (feitelijk 27 wegens duo) mannelijk en 2 vrouwelijk.
Voor zover mij bekend waren alle titels en recensenten wit.
Verder bood de site een rijtje comments, alle van witte mannen – onder wie ik. Nog een laatste steekproefje in verband met Pols’ pleidooi: wat deed De Reactor met het werk van Rachida Lamrabet en Karin Amatmoekrim? Oeps.
Is dat alles niet toch een pietsiebeetje, zoals Pols het uitdrukt, ‘binnen de culturele context machtsaffirmatief’? Minstens zou ik durven denken dat de boodschap brengen dat witte, mannelijke hegemonieën moeten worden doorbroken, bij De Reactor even geloofwaardig wordt als veganisten die vleesrecepten verspreiden.
Zelf heeft Pols echter goed nieuws over de invulling van dit personeelsbeleid: er zit geen racist tussen.
Misschien mag ik die evidentie nog belichten vanuit mijn eerste commentaar. Ik stelde daar, plastisch eigenlijk, dat er extra plaksel wordt gegeven aan het weerzinwekkende etiket Gutmensch. Pols velt immers een vernietigend moreel oordeel over de Boekenweekgeschenk-auteur. En aangezien hij opbiechtte welbewust boeken te bespreken ‘met een groot bereik, omdat ze maatschappelijk meer gewicht hebben’, doet hij dus aan volksverheffing. Internet leert dat de standaardreactie daarop luidt: en wat doe jullie zelf dan?
Da capo.

vrijdag 26 mei 2017

Wittemannenbastions (2)



Ik voel me gevleid dat mijn commentaar op een recensie antwoord heeft gekregen van de recensent zelf. Gijsbert Pols reageerde vandaag, nota bene een hete dag die louter draaglijk is met de luiken dicht, op mijn vorige posting. Die ging over zijn Koch-bespreking voor het recensieplatform De Reactor.
Ik begrijp nu beter waar Pols heen wilde en waarom hij redeneert zoals hij redeneert.
Pols erkent nu dat zijn interpretatie van Kochs Boekenweekgeschenk Makkelijk leven een reductie was. Ik poogde te demonstreren dat Koch – nogal simpel en studentikoos, voeg ik zekerheidshalve toe – de mogelijkheid open liet satire als zelfkritiek te lezen. Maar Pols verdraagt domweg het verhaalrelaas niet en verlangt empathie die het boek bewust niet geeft.
Waarom dan zo’n lange bespreking gemaakt, zou een nuchtere kanttekening luiden. Of waarom het literaire boek gelezen, als de trukendoos ervan door Pols opzettelijk dicht wordt gehouden? Wel snap ik nu waarom hem in het Boekenweekgeschenk het decorstuk Vedett opvalt: het is zijn biermerk niet.
Mij bekruipt inmiddels vooral de vraag waarom Pols’ eigen empathie zich eveneens schijnt te beperken. Hij wraakt met een beroep op statistieken namelijk uitsluitend geweld tegen vrouwen. Terwijl er ook, zij het op minder grote schaal, geweld van vrouwen tegen mannen voorkomt.
Als man neemt Pols het dus op voor vrouwen. Galant en terecht, daar niet van. Maar is het misschien ook niet een beetje, letterlijk, paternalistisch? Feministe Rebecca Solnit begint en eindigt haar vlammende betoog tegen (seksueel) geweld tegen vrouwen juist met de nuance dat niet alle mannen gewelddadig zijn, dat de daders een minderheid uitmaken in hun sekse dat vrouwen evengoed partnergeweld ontketenen.

Pols weerlegt mijn idee dat hij over zijn alternatieve namen voor het Boekenweekgeschenk eerst moest hebben geschreven. Daar heeft hij uiteraard gelijk in. Toch worden die auteurs bij gebrek aan enige bewijsvoering veeleer gratuit dan singulier. Ze krijgen symboolwaarden te dragen.
Dat frappeert vooral aan Pols’ rijtje Marja Brouwers, Sana Valiulina en Astrid Roemer. Ik durfde dat in eerste instantie niet te schrijven, maar ze belichamen evident de rijkdom van de multiculturele samenleving: een vooruitstrevende witte, een begaafde immigrante en een geëngageerde zwarte. Wenst Pols ook hier louter de geluiden die hij nu eenmaal wil horen?
Omdat Brouwers niet meer lijkt te publiceren, onderstreept Pols slechts haar representatie. Over Valiulina was ik trouwens inexact. Haar roman Honderd jaar gezelligheid heeft niet Kochs Grachtengordel als decor (daartoe dient de Bijlmer), maar als afzetpunt. Haar diagnose bevestigde daar wel hetgeen Pols graag blijkt te lezen.
Roemer is volgens Pols een ‘totem’ geworden. Op mijn beurt moet ik bekennen dat die hoedanigheid in de hand gewerkt kan zijn door het gemor dat opsteeg nadat bekend werd dat zij de P.C. Hooftprijs zou krijgen. Een onsmakelijke reactie op een kolossaal oeuvre, die nog schriller wordt in de wetenschap dat het een jaar later stil bleef na de toekenning van dezelfde prijs aan Bas Heijne (voor essay, maar ook voor de lifestyle van een blanke middenklasse?).

Wat is de status van Pols’ bespreking? Net als ik deinst hij terug voor spektakel en nepdiscussies. Maar ik blijf denken dat zijn Koch-arbeid de door ons beiden verafschuwde marktlogica slechts huldigde. Alleen principiële kritiek als die van Pols kan een mainstream titel namelijk ensceneren als ‘spraakmakend’ dan wel ‘controversieel’ – gelukkig heb ik geen weet van wat de tekst aanrichtte op sociale media.
Het dunkt me ook vanzelfsprekend dat De Reactor én Knack Pols’ stuk publiceerden, terwijl de minstens zo bekwame recensie op Samuel Vriezens Netwerk in eclips beperkt bleef tot De Reactor. Daarbij durf ik de stelling aan dat beide participerende media Vriezens boek vele malen belangrijker hebben gevonden dan dat van Koch. Maar geen aansprekende auteur, geen aansprekend genre… Indien echter een merknaam als Arnon Grunberg over Netwerk in eclips had willen schrijven, dan had Knack uiteraard de loper tot en met de printversie uitgerold.
Dergelijke waarheden vallen onder de marktlogica, waarbij ditmaal Pols voor het verwachte spektakel mocht zorgen.

zondag 21 mei 2017

Wittemannenbastions



Vertraagd reageer ik op een recensie van Herman Kochs Boekenweekgeschenk door Gijsbert Pols op De Reactor. Wat me aan openbare formulering deed twijfelen was dat de materie in eerste instantie specifiek literair oogde. Ook ken ik de criticus een beetje en heb een blauwe maandag geprobeerd aan genoemde site mee te werken, dus ik stond niet echt te popelen iets publiekelijks te opiniëren. Maar Pols moedigde me aan, en gelukkig woont hij zo ver weg dat hij grotendeels afgekoeld zal zijn voor hij me verpulvert.
Pols formuleert in zijn lange recensie, waarvan de inzet mij voorbeeldig voorkomt, diverse bezwaren tegen Makkelijk leven. In dit Boekenweekgeschenk slaagt Tom Sanders, een extreem succesvolle Amsterdamse schrijver van zelfhulpboeken, er niet in op te treden tegen geweld van zijn zoon tegen zijn schoondochter, op wie hij ook nog verliefd wordt. Het decor is naar Pols’ overtuiging al te vaak uitgelicht en te bevoorrecht.
Ook mist het boek volgens hem een vrouwelijk perspectief: het slachtoffer krijgt geen stem. Dit is echter het gevolg van Kochs keuze voor een ik-vertelling. Indien Pols’ wens een eis zou worden, kan een fikse portie literaire geschiedenis in de prullenbak. De vertelwijze speelt ook met betrouwbaarheid, waarbij lezers de werkelijkheidsaanspraak kunnen napeilen, inclusief empathische bekwaamheid. (Recent voorbeeld: de roman Compassie van Stephan Enter.)
In dit geval verkoopt hoofdpersoon Tom als Nederlander miljoenen exemplaren in Amerika en is dus een karikatuur. Zijn stilistische beheersing oogt navenant: ‘Wie met alle winden meewaait maakt veel meer mee dan wie zich zijn leven lang uitsluitend aan zijn eigen wind vastklampt’.
Sterker, Makkelijk leven behandelt het fenomeen van de tunnelvisie, over hetgeen ons ontgaat. Pols vindt het nota bene te gek voor woorden dat het hoofdpersonage niet in de peiling heeft verliefd te zijn op de schoondochter.
In de wel erg vertrouwde wereld waardoor Tom zich beweegt, gelden argumenten uit een populistische variant van het nationalistisch discours. Hij vraagt zich bijvoorbeeld af in hoeverre privélevens geschonden worden ‘door mensen die ongevraagd van buiten komen’, zodat ‘de oorspronkelijke bewoners massaal’ wegtrekken bij gebrek aan werk.
Deze Tom haalt wijsheden uit zijn verwendheid, waardoor zijn narcisme radicaliseert: ‘Veel mensen beseffen niet dat ze zichzelf doodongelukkig maken met hun reizen naar almaar exotischer bestemmingen’. Zoiets kan alleen worden beweerd bij gelijkgezindheid. Hij zegt dan ook: ‘Het behoeft hier geen betoog…’
Door zulke nadruk op een parallel onder-ons-universum met zogenaamd pragmatische wisecracks, laat Koch basaal en pesterig wrijving ontstaan met het voornemen iets te doen tegen huiselijk geweld: ‘Ook door na te laten doen we iets, ik kan dit niet vaak genoeg benadrukken’. Er wordt ‘met de beste wil van de wereld’ ontkend dat er een patroon zit in misstanden. Men moet van Tom positief blijven, of nooit ‘te negatief’.
Voortdurend ordent het personage fenomenen op binaire wijze: je hebt mensen die… en je hebt mensen die. Steevast verbindt hij daar twee waardeoordelen aan, die sterk uiteenlopen. Komt nogal bekend voor, misschien?

vrijdag 12 mei 2017

Godzijgeprezen




Bij de recentste toekenning van de P.C. Hooft-prijs, voor het genre van het essay, lijkt er iets te zijn misgelopen. De wereld heeft vernomen dat de eer gaat naar Bas Heijne, volgens mij door een administratief slordigheidje.
Daarmee wil ik Heijnes capaciteiten niet betwisten. Aan zijn recentste boek Staat van Nederland is een interview toegevoegd met de scoop dat zijn ‘zijn naam al jaren rondging’. Wel liggen zijn teksten mij niet zo erg, ik vind ze eigenlijk al meer dan een decennium hetzelfde punt maken, maar ze bereiken ook België geregeld, waar ze als kritisch-realistisch gelden. En Heijnes collega’s vinden hem de beste.*
Waarom denk ik toch dat de prijs per abuis aan hem is toegekend? De afhandeling wordt overgelaten aan een stagiaire die met wat copy-and-paste het dossier gewicht moet geven. En dit jaar zal het een hamerstuk geweest zijn. Zo evident dat het bestuurslid van de prijs even niet op de naam kon komen.
‘Dé columnist van NRC Handelsblad’.
Misschien past het wel bij Maxim Februari dat hij door zo’n misverstand wordt gepasseerd. En draagt hij het wederom op zo’n waardige wijze, dat het beter wordt zijn verhaal door te vertellen. Hij is de enige columnist die ik volg vanwege zijn onthechtheid die het toestaat een professionele omgeving samen met zichzelf te beoordelen zonder verlies aan solidariteit.
Zijn columnbundels Park Welgelegen en Ons soort mensen waren dan ook, zoals dat heet, gebeurtenissen. ‘Er staat iets op het spel.’ Waarschijnlijk wijkt Februari’s werk hierom af, omdat hij zich een echte onderzoeker betoont.
Zou een andere schrijver in het Nederlandse taalgebied genres zo vernieuwd hebben? De zonen van het uitzicht herzag de roman, God. Een collage de bloemlezing, Een pruik van paardenhaar & Over het lezen van een boek het doctoraat, De maakbare man de autobiografie… Daarom beschouw ik Februari als een oer-essayist. Dit lijkt een scheldwoord, maar ik bedoel het complimenteus.
Dat het naar klinkt, komt misschien door de stortvloed van ‘literaire non-fictie’, van schrijvers aan wie eigenlijk die naam niet toekomt maar die veeleer het honorabele vak van journalist of wetenschapper beoefenen. Die het allemaal wel erg goed weten.
Mijn compliment geldt een beweeglijkheid die opportunistisch noch snobnomadisch is. Door essayistiek lopen dan ook twee lijnen: studie en moraliteit. Ergens, hopelijk niet in het oneindige, snijden ze elkaar in een punt dat de waarheid heet.

Ik begrijp niet dat voorafgaand aan de toekenning van de recentste P.C. Hooft-prijs er, nota bene in een column, twijfel is gezaaid over de relevantie van het essay voor de huidige tijd. Romans en desnoods poëzie zouden voorrang mogen krijgen.
Op basis waarvan is die bewering gedaan? Volgens mij bestaat er consensus dat Multatuli een zeer groot literair schrijver was. En in de kern is hij een essayist die fictionele technieken op de koop toe neemt.
Hij is niet de enige. Op het gevaar af namen te vergeten: Carry van Bruggen, J. van Oudshoorn, Til Brugman, W.F. Hermans, Paul Rodenko, Christine D’haen, Willy Roggeman, Jan Hanlo, Sybren Polet, Tip Marugg, K. Schippers, J.F. Vogelaar, Kees Ouwens, Jacob Groot, Pol Hoste, Frans Kellendonk, Charlotte Mutsaers, Patricia de Martelaere, Joris Note, Anneke Brassinga, Dirk van Weelden, Marie Kessels…
Naar mijn overtuiging is er, ondanks of dankzij de non-fictie, nog steeds toekomst voor het genre. Bijvoorbeeld Netwerk in eclips van Samuel Vriezen benut de heterogeniteit die goede boeken aankleeft maximaal. Er zijn ook blogposts en comments in verwerkt, bij mijn weten voor het eerst in een essay, dus het boek is zelfs formeel al mee.
Volgens Vriezen moet voor vernieuwing (de impliciete definitie van het ambacht van de essayistiek) het primaat van de krant opgegeven worden, samen met de droom een centrum te veroveren. Wie nu denkt dat hij ‘een ouderwetse avant-gardist’ is, met dito clichés over ‘de marge’, vergist zich. Tenzij die persoon wordt bezien als een individu dat in onderzoeksnetwerken gemeenschapsdienst verricht.
De ideale blog volgens Vriezen spreekt informeel, en is dus een podium voor uitwisseling. Het geeft bovendien de mogelijkheid een hyperlink aan te brengen, naar een zijspoor. Ook daarin floreert essayistiek, waarbij de rol van de lezer me veel bepalender lijkt dan bij proza of poëzie.
Uit het te raadplegen deel van het juryrapport voor Heijne: ‘Hij schrijft als een denker én denkt als een lezer.
Verder puilt Netwerk in eclips in montaigneaanse geest uit van de citaten, waarop de auteur-verzamelaar kan voortdenken. Als een architect bijvoorbeeld de noodzaak van originaliteit bepleit, reageert Vriezen:

‘Om deze opvatting van originaliteit te kunnen waarderen moet je af van elk idee dat originaliteit een al dan niet wenselijke eigenschap van een werk of oeuvre is. Liever: origineel is diegene die in staat is om het eigene van zijn situatie te begrijpen – waarzonder overleving niet mogelijk is. En elke situatie, in welk premodern, postromantisch, experimenteel of eventueel volstrekt traditioneel paradigma gelegerd dan ook, is iets eigens dat begrepen moet worden, dat je enkel tot je schade niet begrijpt. Originaliteit is dan een universeel gegeven – dat misschien door zekere takken van het romantisch denken gethematiseerd is, maar daarmee niet enkel aan die artistieke opvattingen vastzit. (…) Bij originaliteit gaat het er niet om dat ik iets zeg wat nog niet is gehoord. Het gaat om de mogelijkheid om een stem van buiten te horen. Deze stem van buiten is niet mijn stem; het is ook niet een stem die het Buiten of de Stilte of het Niets zelf toebehoort en hoorbaar maakt, maar een stem die spreekt over onze situatie en in onze taal; alleen, op een vreemde manier. Vreemd tenminste voor diegene die het vreemde in zijn eigen taal kan – wil – horen.’

De P.C. Hooft-prijs pretendeert godzijgeprezen kwaliteitsoordelen te vellen – zoals de columnist al zei: zonder nominaties, stemmen of weddenschappen. De oer-Hollander in mij is ondertussen benieuwd naar wat Heijne ‘met het geld gaat doen’. Hij schijnt het te moeten investeren in een bijzondere uitgave.
Spannend was zijn project Kleine filosofie van de volmaakte mens, dat verhoudingsgewijs wetenschappelijk was. Mag er ter gelegenheid van PCH een tikkeltje meer essay in?

*Maarten Dessing vermeldt voor Septentrion dat sociologische feit eveneens, plus het ontbreken van commotie nadat bekend was geworden dat de P.C. Hooftprijs naar Heijne ging. Maar dit onderstreept dat er geen literaire kritiek meer bestaat. En dat controverses alleen nog anekdotisch kunnen zijn.

maandag 24 april 2017

De gouden kalveren van Jimmy Carter



In de prachtfilm 20th Century Women wordt een fragment uit de ‘malaisespeech’ van Jimmy Carter vertoond. De toenmalige president diagnosticeerde op 15 juli 1979, meer dan een halfuur lang live op de televisie, een ‘crisis of confidence’. Hij zag genotzucht en ongebreidelde consumptie hand over hand toenemen. Als een Mozes klaagde Carter tegen de aanbidding van een gouden kalf (in hetzelfde jaar bracht ayatollah Khomeini elders een soortgelijke boodschap).
Ik had ooit gelezen dat de president als voorbereiding op zijn speech een diner pensant in het Witte Huis had gehouden. Daarvoor maakten intellectuelen als Daniel Bell, Jesse Jackson en Christopher Lasch hun opwachting. Ze moeten geen blad voor de mond hebben genomen, want Carter geeft in zijn toespraak geen erg vrolijk beeld van zijn land. Hij doet dat overigens naar aanleiding van de energiecrisis, die bijna het hele decennium van de jaren zeventig heeft gedomineerd.
Nu ik dankzij het internet de hele speech heb kunnen bekijken en lezen, valt me de relevantie van het betoog des te meer op. Wat Carter zegt lijkt me dermate actueel, dat ik hieronder wat fragmentjes heb vertaald.
Ik weet niet hoe zijn huidige imago is, na zijn koppige bemiddelingspogingen voor vrede en na een vooralsnog overwonnen ziekte, maar Carter gold als een slapjanus. Hij hield zich bezig met een schier decenniumbeperkt onderwerp als mensenrechten, heette het. Deze preoccupatie, merkte Ian Buruma al eens op, heeft in elk geval heel wat levens gered. En vanuit de huidige tijd voeg ik er de evidentie aan toe dat het bijna ongelooflijk is: dat een politicus zijn electoraat de les leest, al was het vanwege een dalende productiviteit. En dat hij aan datzelfde electoraat offers vraagt, tot in hun alledaagse handelingen.
In 20th Century Women vindt Carters pleidooi geen genade bij de personages. Na een resoluut verwerpen, putten ze zich uit in bekentenissen over menstruatie en ontmaagding. Het zal een onbeduidend detail zijn dat ze daarmee het kakelverse betoog van de president bevestigen.


'In de afgelopen drie jaar heb ik bij vele gelegenheden voor u gesproken over nationale kwesties, de energiecrisis, de hervorming van de overheid, de economie van het land en over zaken van oorlog en, vooral, vrede. Maar gedurende die jaren verengden de onderwerpen van die toespraken, de gesprekken en de persconferenties. Ze raakten steeds meer gericht op wat de afgezonderde wereld van Washington belangrijk vindt. Gaandeweg hoorde u meer en meer over wat de overheid vindt of wat de overheid zou moeten doen en minder en minder over de hoop van ons land, onze dromen en over onze blik op de toekomst. (…)
Ik nodigde mensen uit bijna elk deel van onze maatschappij uit om naar Camp David te komen – zakenlui en arbeiders, leraren en priesters, bazen, burgemeesters en gewone burgers. En daarna verliet ik Camp David om naar andere Amerikanen te luisteren, mannen en vrouwen zoals u. Het zijn tien bijzondere dagen geweest en wat ik heb gehoord wil ik met u delen.
Allereerst kreeg ik persoonlijke tips. Ik zal er een paar aanhalen die ik heb genoteerd. (…)
“Zwijg toch over politiek of over het wezen van de overheid, zeg liever iets over het begrip voor wat we samen bezitten.” “Meneer de president, we hebben het moeilijk. Vertel ons over bloed, zweet en tranen.”
Veel mensen vertelden over zichzelf en over de staat waarin ons land verkeert. Een jonge vrouw in Pennsylvania bijvoorbeeld: “Ik voel me zo ver verwijderd van de overheid. Alsof gewone mensen uitgesloten zijn van politieke macht.” En een Mexicaan zei: “Sommigen onder ons lijden al hun hele leven onder de recessie. Sommigen mensen hebben nodeloos veel energie gebruikt, maar anderen hebben niets gehad om te verspillen.” (…)
Mij sprak vooral dit advies aan, van een zwarte vrouw die toevallig burgemeester van een stadje in Mississippi is: “De grote jongens zijn niet de enigen die belangrijk zijn. Vergeet niet dat je niets op Wall Street kunt verkopen voordat niet iemand anders het eerst ergens anders heeft opgegraven.” (…)
Ik ben er weer op gewezen dat wat fout is aan Amerika door geen enkele wetgeving ter wereld kan worden hersteld. Daarom wil ik vanavond eerst voor u spreken over een onderwerp dat zelfs nog ernstiger is dan energie of inflatie. Ik wil u meteen vertellen over een essentiële bedreiging voor de Amerikaanse democratie. Ik doel dan niet over onze politieke en burgerlijke vrijheid. Die zullen wel voortduren. En ik verwijs ook niet naar de uiterlijke kracht van Amerika, een land dat vanavond overal ter wereld in vrede is, met ongeëvenaarde economische sterkte en militair machtsvermogen.
De bedreiging is op gewone manieren bijna niet te zien. Het is een crisis in het vertrouwen. Het is een crisis die het hart en ziel en geest van onze nationale wil vol in de kern treft. We kunnen deze crisis ontwaren in de groeiende twijfel over de betekenis van ons leven en in het verlies van een eensgezind doel voor ons land.
De afbrokkeling van onze vertrouwen in de toekomst dreigt het sociale en politieke weefsel van Amerika te vernietigen. Het vertrouwen dat we altijd hebben gehad als een volk is niet domweg een of ander romantische droom of een spreekwoord uit een stoffig boek dat we uitsluitend op 4 juli lezen. Het is het idee waarop ons land is gebouwd en dat de weg heeft gewezen voor onze ontwikkeling als volk. Vertrouwen in de toekomst heeft al het andere ondersteund – openbare instituten en zelfstandige ondernemingen, onze eigen gezinnen, en de grondwet van de Verenigde Staten. Vertrouwen heeft onze loop bepaald en heeft tussen generaties als een schakel gefunctioneerd. We hebben altijd geloofd in iets wat vooruitgang wordt genoemd. We hebben altijd geloofd dat de dagen van onze kinderen beter zouden zijn dan de onze.
Ons volk valt van dat geloof af. Niet alleen de overheid zelf moet dat bekopen maar ook de mogelijkheid om als burgers te functioneren als de ultieme heersers en scheppers van onze democratie. Als een volk kennen we ons verleden en we zijn daar trots op. Onze vooruitgang is een deel geweest van de levende geschiedenis van Amerika, en zelfs van de wereld. We hebben altijd geloofd dat we deel uitmaakten van een grote beweging van menselijkheid zelf die democratie wordt genoemd, betrokken in de zoektocht naar vrijheid; en dat geloof heeft ons altijd gesterkt in ons doel. Maar uitgerekend nu we ons vertrouwen in de toekomst aan het verliezen zijn, sluiten we ook nog de deur naar onze verleden.
In een land dat trots was op zware arbeid, sterke families, hechte gemeenschappen, en ons geloof in God, neigen te velen onder ons gemakzucht en consumptie te aanbidden. De menselijke identiteit wordt niet langer bepaald door wat men doet, maar door wat men bezit. Maar we hebben ontdekt dat zaken bezitten en consumeren onze verlangen naar betekenis niet bevredigt. We hebben geleerd dat het hamsteren van materiële spullen de leegte niet kan vullen van levens die geen vertrouwen of doel hebben.

woensdag 19 april 2017

Een bespreking? Op jouw ouwe dag?



In Ik was een van hen: drie jaar undercover onder moslims, waarvoor de Haagse wijk Transvaal het decor mag zijn, onthult Maarten Zeegers de namen van de grootste ronselaars voor jihadstrijders: ‘sjeik Facebook, imam Twitter en broeder YouTube’. Voordien heeft hij inheemse comments geciteerd op een interventie in de wijk, waaruit ik ene Dutchadriaan aanhaal: ‘kijk, zo zie ik de marokkanen het liefst. strak in de handboeien en met hun lippen kapot op de straatstenen. goed gedaan heren en dames van de politie.’
Tja. Het internet doet wat, wil wat, ontkent wat. Maar het viel me op dat Bas Heijne in Staat van Nederland voor zijn doen streng was voor het medium. Er vielen me meer kwesties in zijn recentste boekje op. Ik begon er een paar aantekeningen over te maken. Voor ik het wist keek ik op mijn scherm naar iets onmogelijks, dat in pre-virtuele tijden een bespreking heette. Jij, alleen jij, vindt die tekst op mijn digitale archief – daar, om precies te zijn. Eventueel commentaar kun jij, alleen jij, desgewenst hier geven.

maandag 17 april 2017

Ruimtebesparing



Al voordat de spijkers in mijn vloer omhoog begonnen te komen, werd me te verstaan gegeven beter geen boeken meer te kopen. Dus lees ik al jaren van de openbare bibliotheek, ook in vakanties.
Soms haal ik toch nog een kleinigheidje in huis (overmacht, strictly business). En als dan precies over zo’n titel beweringen worden gedaan, dan kan ik daar evengoed ter plekke op reageren. Elders dus.

vrijdag 7 april 2017

Overeind houden



Wie kan het nog, na Simson? Overheden en proactieve personen, lijkt me. De begunstigden van hun energieke optreden zijn banken, grote bedrijven. En individuen? Ik wil er bovendien op wijzen dat de kracht die Simson op pilaren zette zich hierin manifesteerde: de tempel der Filistijnen ging onder zijn bevlogen biceps neer, met hemzelf.
Wel zag ik vanmorgen een kale chauffeur zijn vrachtwagen midden op straat stoppen om een oude – onder haar boodschappentas extra gebogen – mevrouw te helpen met oversteken. Afgaand op het geclaxonneer achter ons kon deze daad niet rekenen op algemene instemming.

donderdag 6 april 2017

Het verschil maken




In De schelmenjaren van Martin Bril weidt Astrid Theunissen uit over de escapades van haar hoofdpersoon, die met de alinea saaier wordt. Zijn leven wordt er ook steeds overzichtelijker van, inclusief ommekeer uit de shit.
Het laatste dramatische wapenfeitje is dat Bril ook als eindredacteur, bijv bij HP/De Tijd of Esquire, niet echt kon overtuigen.
Maar dan gaat hij het Hakkelaar-proces verslaan voor Het Parool. Theunissen citeert er een legendarische zin uit: ‘De getuige was een gesoigneerde neger die geheel in het zwart gekleed ging en die zijn prachtige kasjmieren jas – ook zwart – als een minnares over de knieën vleide en gedurende het onderhoud gedachteloos streelde’.
De literatuurverslaafde in mij wendt zich hier af, de schoolmeester in mij zou een rode streep zetten onder ‘vleide’.
Verder meldt de biografie tweemaal dat eindredacteuren onder hun bureau doken als Bril kwam aangerend om zijn beklag te doen over een verplaatste komma. Inderdaad kan zoiets woordsoorten democratiseren, zoals uit te proberen valt in de slotzin van Paul Rodenko’s gedicht Zomerconstellatie:

Maar het licht, in concentrische cirkels
Trok als een schijnwerper samen
Waar onder een wolkloze boom
De leeuwen en het meisje paarden

woensdag 5 april 2017

Alles uit de kast halen


  
Maxim Februari weerlegde in een column met frisse tegenzin nogmaals een mythe waarop veel recente beschavingstheorie wordt geënt: dat begin 2002, kort voor zijn dood, Pim Fortuyn artikel 1 uit de Grondwet (gelijkheidsbeginsel) had willen afschaffen. Het betrof namelijk artikel 137 uit het Wetboek van Strafrecht (discriminatie en belediging). Maar een slordigheidje bij één medium was nooit hersteld, wel gekopieerd, tot op de dag van vandaag.
Kent de literatuur ook zo’n mythe? Ik moet denken aan ‘De witte fuckende konijnen’ van Els Moors, verschenen in yang 2004/4. Het idee is dat deze grootse gedichtenreeks van stonde af legendarisch was en klassiek werd bevonden. Zo staat het nog opgetekend in de bloemlezing Dichters uit de bundel (2016): ‘Het gedicht [?] verscheen in het literair tijdschrift Dietsche Warande & Belfort [?] en werd meteen overal opgemerkt, driftig gedeeld en gebloemleesd, nog voor het in een bundel terechtkwam.’
Op mijn geheugen durf ik niet af te gaan en misschien zijn mijn Google- en GoPress-account kapot, maar in de tijd tussen yang en de bundel Er hangt een hoge lucht boven ons (2006) lijkt welgeteld één tekst enthousiast op de cyclus te zijn ingegaan. Verder vond ik voorzichtige instemming bij de concurrent en een paar sikkeneurige kanttekeningen. Maar toen was de bundel er al en werden in recensies de konijnen naar mijn indruk niet meer gesmaakt dan andere gedichten in Er hangt een hoge lucht boven ons. Anthologische opnames geschiedden nadien.
Opwinding over zoiets marginaals als poëzie kan ik me eerlijk gezegd ook moeilijk indenken. Bovendien was yang, even linksmaatschappelijk betrokken als intellectueel, geen tijdschrift dat meer dan vijftig lezers aansprak. De konijnenbejubelende tekst diagnosticeerde zelfs ‘het latente en soms merkbaar opborrelende maagzuur dat dit blad periodiek parten speelt’. Maar voor een debat hoeft men de materie niet te kennen. Toch verrast het me dat de zoekopdracht ‘Els Moors’ op De Contrabas, waar tussen 2005 en 2015 het poëzieklimaat aan de orde van de dag was, geen enkele treffer oplevert. Net zomin als ‘fuckende konijnen’.
Maar toegegeven, die ene tekst, een column in De Standaard, was zo lyrisch over Moors’ reeks dat de zeven redenen die Vestdijk opsomde waarom ‘A thing of beauty is a joy for ever’ een betere regel is dan ‘A thing of beauty is a constant joy’ er acht werden. En de sikkeneurs klaagden met het vorderen der jaren over een konijnenhype. Die mogelijk werd bekrachtigd doordat een decennium later, in een andere Standaard-column, de openingsstrofe bleek genomineerd voor ‘de mooiste zin ter wereld’.

dinsdag 4 april 2017

Verbinden




In Heilige identiteiten zegt Machteld Zee moeite te hebben met het woord ‘we’. Ze verklaart alleen verantwoordelijkheid te nemen voor gebeurtenissen vanaf ongeveer 1998, omdat ze is geboren in 1984. Even hoofdrekenen aan de kassa van het geweten: veertien jaar… Dat zou mogelijk de reden zijn waarom ze eerder in dit boek Tariq Ramadan heeft afgeserveerd, ondanks het feit dat ze bij diens kleinzoonschap van de Moslimbroederschapstichter erkent: ‘Dat is op zichzelf niet iets wat we tegen hem kunnen gebruiken’.

maandag 3 april 2017

Draagvlak, geloofwaardigheid,





Hoe ingewikkeld het ook is, aan woorden moeten we blijven proberen strakke betekenissen te geven. Adolf Eichmann noemde zichzelf een ‘idealist’, want hij hield zich dusdanig trouw aan zijn nazi-belofte om bevelen op te volgen dat hij desnoods zijn vader ervoor om zou brengen… Hier heeft de categorische imperatief van Kant een herformulering ondergaan: ‘Handel zo dat de Führer, als hij van uw handelen op de hoogte was, dit handelen zou billijken.’ Wel had Eichmann een matig contact met zijn vader, dus de kwalificatie ‘opportunist’ ligt meer voor de hand. Zijn fictieve voorbeeld doet bovendien denken aan de misschien nog wel moeilijkere vraag waaraan Abraham moest voldoen van God: om zoon Isaäk te doden. Zouden Abraham en/of God idealisten zijn?

donderdag 23 maart 2017

Minor details



Het blijkt alweer bijna Boekenweek. Mij viel het pas op nadat er in het vaderland gedoe was gekomen over een betrekkelijk jonge, bizar vaak belichte uitgeverij van wie enige jonge, bizar vaak belichte auteurs geen kaartje hadden gekregen voor een ritueel aan de Week gekoppeld Feest dat van oudsher Bal wordt genoemd.
Ik geloof dat me nu pas begint te dagen waar het woord ballotage vandaan komt. Het gedoe stuiterde tussen belangrijke auteurs en zogeheten boekenvakkers. Het liep van tweets over verklaringen en interviews naar tweets.
Ondertussen distantieerde zich onder de grote rivieren een overheidsinstelling van een daar als jurist werkzame schrijfster die, aangesproken als ‘mevrouw’, door de broer van de voormalige minister-president in een opiniestuk werd beticht van paternalisme. Ook ondergingen haar ideeën een vergelijking met het nazisme.
Net een tikkeltje feestelijker vond ik dat er de afgelopen jaren in het titelbombardement van Nederlandstalige literatuur een paar boeken op te merken waren die me, eh, goesting gaven: De maakbare man door Maxim Februari, Nieuwe zon door Jacob Groot, Hallo muur door Erik Jan Harmens, Allemaal gedichten door Gerard Herman, Van de wereld door Joris Note, We zullen niet te pletter slaan door Nina Polak, Nu is al te laat door Erik Spinoy, Netwerk in eclips van Samuel Vriezen.
En Tonnus Oosterhoffs Op de rok van het universum. In die harde montage van weetjes, verhalen, dialogen en anekdotes zitten vermoedelijk heel wat teksten die niet door de laconiek-heterogene bronverantwoording worden gedekt.
Op pagina 180 komt bijvoorbeeld, niet gemotiveerd door de context, het volgende voorbij:

Al botsend op de harde baen,
Vingh plots dat hert te spreken aen;
Al weenen vinghet te spreken aen:
‘Och jonghe, hebs di seer gedaen?’

Dit is het slot van ‘Een oudt liedeken’, zo’n beetje het enige gedicht door Victor Alexis de la Montagne dat de tand des tijds heeft weten te doorstaan.
In nep-middeleeuws gaat het over een meisje dat haar hond fatsoenlijk wil voeren. Daarom vraagt ze een knaap het hart van zijn moeder te pakken. Hij gehoorzaamt door zijn moeder te vermoorden en het hart mee te nemen. Naar het meisje holt hij, en hij struikelt.
Dan begint het citaat, waarmee het gedicht eindigt.
Alleen citeert Oosterhoff niet helemaal vlekkeloos. Na het tweede vers hoort een witregel. En er staat bij De la Montagne geen tegenwoordig deelwoord ‘botsend’, maar ‘botsen’.
Dit beweer ik op basis van de versie die te vinden is in Komrijs De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten (zowel in de oorspronkelijke als in de uitgebreide bloemlezing). En op die bij de DBNL
Nu entte De la Montagne zijn gedicht op een Franse tekst, waarvan hij auteur Jean Richepin keurig vermeldde. Deze schrijft:

Et pendant que l’ coeur roulait,
Entendit l’ coeur qui parlait.

Er geschiedden dus ook in het origineel meerdere kwesties tegelijk. Dus is het tegenwoordig deelwoord ‘botsend’ van Oosterhoff niet alleen een correctie, maar ook een vergroting van de logica. Voor de eeuwigheid.
De huiskamervraag voor het Boekenbal wordt dan wel, waarom Oosterhoff ‘weenen’ ook niet veranderde (in ‘weenend’).
Dit met de beste wensen gezegd hebbende, teken ik,

zondag 19 maart 2017

Stapsgewijs


Onlangs belandde ik per ongeluk in een Albert Heijn. De vestiging was ook nog gelegen aan een handige uitvalsweg in Antwerpen. Met mijn drie bakjes hummus vond ik me terug in een ellenlange rij terwijl andere kassa’s geen alternatieven boden. Wel was er haast geen klant te vinden bij één kassa. Vele wachtenden banjerden eropaf – en keerden weer in hun oude rij, tierend op die stomme Hollanders.
Wie niet waagt die niet wint, naar verluidt. Dus uiteindelijk waagde ik het ook maar eens te polsen bij de bijna lege kassa. En stond binnen een halve minuut buiten, bij mijn vouwfiets. Aan de kassa bleek louter contant te kunnen worden betaald. Nog best een handeling, een beetje futuristisch.

Half wakker begon ik in De Zondag een interviewtje te lezen met Marine Le Pen. Toen ze verklaarde ‘gewoon naar de feiten te kijken’, schoot ik uit mijn krammen. Is er heden nog een politicus die iets anders zegt te doen?
Wel stonden op dezelfde pagina nog twee rechtsextremen hun welvoeglijkheden uit te pakken – naast een soort kalender met data van aanslagen. Pas daarna ontdekte ik in de hoek van de krantenbladzijde dat het inderdaad een advertorial was.
De betreffende Beweging voor een Europa van Naties en Vrijheid was me onbekend, maar haar logo van een breed wiekende vogel meende ik vaker te hebben gezien. In de allerkleinste letters stond erbij dat de Beweging ‘gedeeltelijk gefinancierd [wordt] door het Europees Parlement’, wat voor de partij van het logo normaliter volstaat voor speekseluitstoot over linkse subsidies.
Het was ook de Beweging zelf die ‘de uitsluitende verantwoordelijkheid’ voor de pagina onthulde te dragen. Letterlijk omgezet uit het Frans of Engels (exclusive), dit onbestaande taaltje dat ’s lands zeden en gebruiken geen eer bewijst. Maar dat het verantwoordelijkheid neemt voor uitsluiting is in verkiezingstijd opvallend eerlijk.

Nu er nog altijd plenty chauffeurs tijdens de rit blijken te mailen en sms-en, vind ik dat de tegenmaatregel van de waarschuwings-app een uitvinding is die weliswaar knap bedacht lijkt maar te zeer meedenkt in dit frame. Het doel van verkeersveiligheid zou pas gediend zijn met een app, wanneer die de dienstdoende smartphone definitief onbruikbaar kan maken. Of verandert in een slagroomtaart.
Nog adequater zou ik het achten wanneer er consequenties worden getrokken uit de hoogste juridische legitimatie van het verbod op hoofddoeken in privéondernemingen. Laat die onverbeterlijke chauffeurs ongebruikte hoofddoeken omknopen en er op oorhoogte – zoals het innovatieve straatbeeld al wil bij vrouwen – hun gsm tussen klemmen. Gegarandeerd handsfree!

Naschriftje
De advertorial blijkt nieuws te zijn.

zaterdag 11 maart 2017

Stemstress




Is het volbracht? Het uitbrengen van een stem is niet alleen een fijn privilege, zoals Philip Huff uitlegde. Wie dat, zoals ik, vanuit het buitenland mag doen, voelt de verantwoordelijkheid exponentieel aanzwellen. Stemmen kost meer moeite, dus moet die investering lonen.
Dat betekent ook dat ik me gedegen wil informeren. Wat in het vaderland logisch en helder is, en misschien op straat wordt besproken, moet de expat zien op te vissen van het web. Sowieso lijkt het me hopeloos te zaniken over politici die niet geïnteresseerd zijn in het volk wanneer je je zelf niet van politici op de hoogte stelt.
Wat dat aangaat was het een choquerend bericht dat er drie keer zoveel kijkers waren voor Boer zoekt vrouw als voor een gelijktijdig uitgezonden lijsttrekkersdebat. En ontluisterend dat daar vrolijk over werd gedaan.
(Dat laat onverlet dat ik zelf evenmin zo’n debat wil zien, om niet afgeleid te kunnen worden door personen. Als zelfverklaarde kritische burger volstaan voor mij de ideeën.
Ook wordt de topos van ‘achterkamertjespolitiek’ in België al enige weken kracht bijgezet door de – buitengewoon boeiende – documentairereeks Wissel van de macht, waarin Marc Vande Looverbosch terugkijkt op conflicten bij allerlei partijen. Om nog te zwijgen over het daarbij ontplooide machismo van voze witte mannen.)
Dus daar zat ik met een dikke envelop vol electorale bescheiden. Was de kieslijst vroeger een mooi uitvouwbaar gevalletje, inmiddels gaat het om een soort leesmap. Nog een geluk dat de 28e en laatste partij bij de verkiezingen slechts één kandidaat inzet.
En met het effect dat gebruiksaanwijzingen als te doen gebruikelijk op mij weten te sorteren, bleef ik na afwikkeling van de briefstemprocedure over met één element: de stemenvelop. Mij restte niets anders dan het oranje geval waarin deze met een identiteitsherkenningvelletje had gemoeten open te scheuren.
De beambte die in Den Haag mijn post ontvangt, zal allicht denken dat hier wel een heel kras en brutaal geval van fraude werkzaam is geweest. De oranje moederenvelop ging slechts terug dicht met stukken plakband (volgens het online Vlaams Woordenboek wordt de uitdrukking ‘met spuug en paktouw aan elkaar hangen’ vooral overdrachtelijk gebruikt).
Maar, bureaumevrouw of -meneer, ik ben echt degene voor wie ik me per post uitgeef. En als u me, wat ik zou begrijpen, onverhoopt toch niet gelooft, dan geef ik u het woord waarmee de gourmande het in het spel Galgje schier onverslaanbare taalkundig genie wist te verschalken: sssstt.
Het was nochtans niet voor het eerst dat ik gebruikmaakte van het recht te participeren in de verkiezingen van het vaderland. Des te drukkender was het besef dat pas na het slechten van de envelophorde de ware bezoekingen komen. Ze zijn welgeteld met twee.
Zekerheidshalve laat ik de envelop frankeren in het postkantoor. En daar, waar de overheid nog altijd de grootste aandeelhouder is, wordt mijn ongeloof in de zegeningen van de markt op de proef gesteld.
Ook ditmaal was het er zeer druk. En volgens de logica van het huis deden de beambten weer geen enkele zichtbare poging daar iets aan te verhelpen. Ze bleven weglopen, papieren halen, aan hun waterflesje nippen en vooral veel met elkaar praten. Na een kwartier heb ik al mijn aanvechtingen tot loketvredebreuk ingeslikt en ben ik vertrokken richting sigarenzaak, waar de klus in een halve minuut werd geklaard.
Thuis heb ik gewacht tot na het diner om, welgevuld en rozig, de tweede bezoeking te lijf te gaan: het invullen van het Kieskompas. Die achterafcheck sta ik me toe als breekijzer tot de veelgeroemde competentie van zelfkritiek, vermoedelijk op een fond van zelfkennis.
Had ik gestemd voor de partij waarvan ik denk dat ze mijn ideologie dekt? Kloppen mijn praatjes?
Ik durf het bijna niet te bekennen. Ja! Als dat maar goed gaat (met die partij).

zondag 5 maart 2017

Schip ahoy!




Hebben generaties een eigen polemische geest? Aan iemand met zicht op literatuur is het opgevallen dat ‘jongeren van nu’ een veel harmonischer wereldbeeld hebben dan ‘wij’ (Babyboom t/m Verloren Generatie). Tegenwoordig zouden literatoren niet alleen elkaar opzoeken, maar ook onwelkome geluiden wegpoetsen. De trend om elkaar in poëzie bij de voornaam te noemen, bevestigt dan een minigemeenschap van gelijken. Van daaruit kunnen felle aanvallen worden gelanceerd en reacties daarop genegeerd.
Het is moeilijk zo’n stelling anders op waarde te schatten dan door naar bekenden te kijken – zodat het gegeven frame een antwoord particulier maakt. Ik heb ooit al geschreven literair te hebben mogen ontwaken bij het tijdschrift Yang, waar meer zielen in de borst klopten en waar de stelling, inclusief de spreekwoordelijke uitzonderingen (kortstondig redacteur Jeroen Mettes, geboren in 1978), grond vindt.
Ongetwijfeld onder invloed van de niet-aflatende berichtgeving denk ik tevens aan ongekende verschillen door ‘de bubbel’ waarin huidige nieuwsconsumenten zich zouden bevinden. Wegpoetsen is dan al door derden gedaan.
Toch zullen ook gebruikers van sociale media, waarop de selectie naar verluidt het meest virtuoos wordt doorgevoerd, beseffen dat wat op hun bordje komt een keuze is van een veel uitgebreidere kaart. Ze willen eten wat ze krijgen te eten. Andere smaken en gerechten, met hoeveel panache ook aangeboden, doen er niet toe.
In die houding lijken ze op lezers van fictie die voor de duur van de tekst accepteren dat wat er staat waar is (a willing suspension of disbelief). Doen ze dat niet, dan wordt de ontspanning een inspanning die onnodig is, zoiets.
En zoals polemisten niet accepteren dat diverse opinies naast elkaar voortbestaan als zouden ze evenwaardig zijn, en zoals publicisten momenteel proberen de bubbel te doorbreken door andere gezichtspunten voor bepaalde duur op te vragen, zo zijn er altijd, vanaf pakweg Don Quichot, auteurs geweest die de fictieafspraak hebben opgebroken.
Zoals de in 1972 geboren Franse schrijver Laurent Binet, wiens blijkbaar moderne klassieker HhhH (2009, Nederlandse vertaling 2010) ik eindelijk heb doorgenomen. Het boek handelt over de moord op SS-er Heydrich in Praag 1942 en de ik-verteller laat de lezer meebeleven hoe de tekst ontstaat. Hij weigert ‘aan literatuur te doen’. Ten gunste van de historische waarheid moet hij bijvoorbeeld weerstaan aan ‘de verleiding van de monologue intérieur’.
Binet hamert op de kennis die hij over Heydrich heeft opgedaan, waardoor de simpelste bewering al onverantwoord kan worden voor wie de werkelijke gang van zaken wil weten. Tegen die bubbel moet hij zelf beweringen soms intrekken en de geloofwaardigheid van details heroverwegen. Tijdens het maken van HhhH verschijnt bovendien de minstens zo ambitieuze WO2-roman De Welwillenden, die tot commentaar verlokt.
Doordat de ik-verteller zijn do’s and don’ts op tafel legt, waant de lezer zich op het grensvlak van fictie – dat de echte wereld nooit binnen kan brengen. Alles blijft van papier, zodat ik me eeuwen teruggeworpen kan wanen, naar een boek als Tristram Shandy. De koele genummerde paragraafjes verraden een wensdroom.
Persoonlijk vind ik zo’n vaststelling dodelijk. Ze maakt van kunst een vrijblijvend vermaak, en van zelfs de meest geobsedeerde kunstenaars idioten omdat ze netto een beetje hun verveling hebben verdreven.
Twee recente exposities gaven me twijfel over die evidentie.

zondag 26 februari 2017

Hoor ik erbij?




Het niet-aflatende gefulmineer tegen ‘de elite’ suggereert ook dat er een code bestaat die eerst gekraakt moet voor je erbij hoort. Daarna heb je alle mogelijkheden om ‘macht’ te kunnen ontplooien.
Die code heeft gelukkig meritocratische trekjes want is vermoedelijk niet helemaal gelijk aan formele correctheid, in wat ooit etiquette beloofde. Als schoolmeester springen mij namelijk vaak taalfoutjes bij aanzienlijke personages in het oog.
Bijna ontroerd was ik bijvoorbeeld toen Zuhal Demir, toen en nu niet meteen de vertolkster van mijn gedachtegoed, haar trots op het nieuw verworven staatssecretarisschap toelichtte in een dank aan haar vader, die had gewild dat ze beter Nederlands beheerste ‘als mij’. Of zette de publieke omroep, instituut met taaladviseurs, haar in de zeik door juist dit fragment uit te zenden, zonder commentaar?
Dat zo’n alternatieve grammatica bijzaak lijkt, bewijst het highbrow tijdschrift nY in zijn jongste aflevering met een gedicht van Çaglar Köseoglu: ‘het gedood worden door een politieagent is niet de rol die ik ben toebedeeld in deze situatie’.
In hetzelfde nummer kijken Isabelle Stengers en Lieven De Cauter terug op het incident anno 2011 op het proefveld voor genetisch gemanipuleerde organismen in Wetteren. Ze achten het cruciaal voor de recente politieke geschiedenis.
Na het incident werd Barbara Van Dyck ontslagen op de universiteit, omdat zij zich als woordvoerster van de activisten weigerde te distantiëren. Protest tegen die maatregel kwam dan ook van De Cauter en Stengers. Niet van de cultuurnamen die gewoonlijk op de opiniepagina van hun tak geven. Ze bleven stil toen de complete actiegroep veroordeeld werd wegens bendevorming. Waarschijnlijk hadden ze het in die tijd te druk met relevantere verontwaardiging.
Hoewel Stengers en De Cauter toonaangevende academici zijn, hebben ze in deze affaire betrekkelijk alleen gestaan. Kenden ze de code niet?
Er bestaat een recent werkje dat onbedoeld codes aanraakt. Het vertelt, ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan, de geschiedenis van de gerenommeerde boekhandel Amsterdamse Athenaeum. De titel Is u bekend met het alfabet? verwijst naar bedoeld verschil en blijkt een antwoord van een verkoper op een vraag van klanten.
Ook Joris van Casteren, de bekende schrijver van de tekst wiens non-fictieboeken mij eerlijk gezegd onwarm hebben gehouden, lijkt de code te kennen. Hij vleit zijn opdrachtgevers met anekdotes die als ‘hilarisch’ kunnen worden gepercipieerd, vol details die voor ‘sprekend’ zullen doorgaan.
Zelfs maakte het boekje gerucht. Dat een beschreven collega ‘geen gêne’ zou kennen, leek na diens publieke reactie misschien meer op Van Casteren zelf van toepassing. Al was het omdat hij het betreffende verhaaltje door een ander liet vertellen, zekerheidshalve in de directe rede.
Om het boekje op waarde te schatten, moeten lezers in dat oordeel dus de codes volgen. Zo blijk het ‘keurkorps’ van het personeel alle vrijheid te krijgen om hun specialismen zelf in te richten ‘tenzij iemand een boek van Diederik Stapel of René Diekstra bij de kassa legt’.
Wat een fraai staaltje goede smaak, in het voetspoor van de publieke opinie!
Ofschoon ik niet houd van theorieën over ‘hoe het werkt’, illustreert een wat langer citaat perfect een code. Van Casteren is dan met winkelchef Herm Pol op een halfjaarlijkse boekenbeurs in Houten:

We schuiven aan bij de kraam van New Book Collective, een commerciële dienstverlener voor boekenuitgevers, zo legt de oprichter ervan uit. Hij heeft een ringbaardje en neemt met ons de folder door van de Vlaamse  uitgeverij Polis, die door zijn Collective in Nederland wordt  vertegenwoordigd.
De oprichter prijst een boek aan van Karl van den Broeck, zoon van de in België niet onbekende auteur Walter van den Broeck. Het gaat over een bepaalde indianenstam waarvoor Karl diepe sympathie heeft opgevat, en de ondertitel luidt Op zoek naar het kruis van Sitting Bull. Pol vindt het een vreemde ondertitel. ‘Het kruis van Sitting Bull?’ ‘Nou, eh, in Vlaanderen heeft het die connotatie denk ik niet zo,’ zegt de oprichter.
Meer belangstelling hebben we voor Van onzen correspondent. Journalistiek werk van Willem Elsschot, bezorgd door C.J. Aarts, dat eveneens bij Polis zal verschijnen. ‘Dat nemen we’, zegt Pol verheugd.

Salonpopulisme uiteraard, maar waarin precies stemt zo’n fragment me moedeloos?
Om te beginnen de beschrijving van New Book Collective als een bizarrerie, waarvoor het ‘ringbaardje’ een knipoogbewijs wil zijn. De branche is door megaspelers en daarin acterende auteurs als Van Casteren namelijk zodanig naar de vaantjes geholpen, dat ex-werknemers in bedrijfjes als deze hun expertise ten dienste stellen van onafhankelijke spelers.
Vervolgens de zelfgenoegzame blik op anderen. Wie is Van Casteren dat hij Walter van den Broeck ‘in België niet onbekend’ noemt? En waarom zo schamper over diens zoon, die nochtans in hetzelfde vak zit als Van Casteren, zij het langer? Het hier bespotte boek zit in diens non-fictie-niche.
Ten slotte weigert Van Casteren manifest zich te informeren. Dat hij niet opzoekt van welke ‘bepaalde indianenstam’ Sitting Bull opperhoofd was zal de meesmuilendheid over de ondertitel van een boek extra cachet geven.
Ongetwijfeld heeft er op de beurs de catalogustekst gelegen, die wel een halve minuut leestijd vergt. De verklaring staat mede tussen hemeltergende aanhalingstekens:

Sitting Bull verpersoonlijkt het mysterie dat rond de Indianen hangt. Een van de weinige blanken die het vertrouwen van het legendarische opperhoofd genoten, was pater Pieter-Jan De Smet, een jezuïet uit Dendermonde die de Indianen kwam redden. (…) Als kind speelde Karl van den Broeck de overwinningen na die Sitting Bull behaalde op generaal Custer. (…) Als journalist begreep hij al snel dat niemand zit te wachten op artikels over de Indianen. Hij putte moed uit de ontdekking dat vanuit zijn geboorteplaats Turnhout een vermetele poging werd ondernomen om de Indianen in de VS te behoeden voor uitroeiing, en hij begon aan een “kruistocht” die hem moest leiden naar het crucifix dat Sitting Bull kreeg van de Belgische “zwartrok” pater De Smet.’

Het erge is dat het boek waarvoor ‘we’ wél belangstelling hebben een voorspelbare auteur én samensteller kennen. Wat een geloogd vakmanschap vraagt die code!