donderdag 21 maart 2019

Als hij niet steeds onderging




Is het vandaag niet officieel lente geworden? Prompt ervoer mijn lichaam iets wat het niet kende. Mij lukte het namelijk niet Thierry Baudets overwinningstoespraak bij de Provinciale Statenverkiezingen aan te zien. Met alleen geluid ging het net.
Inmiddels wordt aan Baudets woorden al het mogelijke gewicht verleend. Dat kan een vorm van kritiek zijn, die onvermijdelijk cultuurindustrieel wordt. Kenners van de menselijke geest ontwaren in al die achterafcommentaren op de traumatische uitslag misschien ook rationaliseringen.
Zelf vond ik de speech simpelweg gênant, vreselijk, enz. Kennelijk bestaat er zoiets als een plebejisch elitarisme.
Soit, zoals ze in Noord-België zeggen.
In het ostentatieve deel van de literaire wereld blijkt consternatie ontstaan over het feit dat Baudet en Hiddema zich beriepen op (regels uit) poëzie van Herman Gorter en Menno Wigman. Dat begrijp ik niet. Die consternatie, bedoel ik.
Lezen is toe-eigenen. Zeker schrijvers weten dat wat ze naar buiten brengen vogelvrij is. Omdat het wordt geïnterpreteerd, gepoëticaliseerd, in een niche tot slogans gelifestyliseerd, enz.
Onlangs verscheen een prachtig documentaireboek van Marja Vuijsje, Oude dozen, waarin zij laat zien dat teksten zelfs ongelezen een betekenis kunnen krijgen die verregaand is. Identiteitsvormend, niet alleen vlak na het verschijnen, ook in retrospectief.
Wat de poëzie van Wigman overkwam, is dus gangbaar. De consternatie daarover rijmt wel met safe-spacepraktijken die met de beste bedoelingen ideeën die onwelgevallig zijn op afstand houden. En ze zo bevestigen?
Teksten, kunstuitingen, en zeker literatuur: ze lenen zich voor toe-eigening in iedere ideologische richting. Voor dat even ellendige als geweldige vermogen heeft de roman Briljante man van Michael Tedja een microbewijs in het woord ‘macaberlinerbolhoed’.
Ieder leest zichzelf.
Zo publiceerden de dag na deze wat mij betreft deplorabele verkiezingen de jongens van Terras uit de nalatenschap van Raster – het tijdschrift dat zij zich toe-eigenden – drie ondergangsgedichten van A. Roland Holst.
Hopelijk is mijn punt nuchter. Wie het niet bevalt dat taal wordt geïnstrumentaliseerd, kan beter proberen de democratie omver te werpen en een staat oprichten waarin uitsluitend contextbehoud van betekenis mag heersen.
Wie selectief citeert, belandt dan in de gevangenis.
Iedereen zit dus in de gevangenis. Met vele illustere, soms oneindig extremischer voorgangers. Hitler die (de zus van) Nietzsche had laten lezen.
Logisch toch?
Dat nu ook Wigmans nabestaanden zich ongelukkig verklaren met de cherrypicking van Baudet, is beter te volgen dan de collegiale onmin. Solidariteitshalve dan. Ze citeren van hun geliefde onder meer:

De zon was mij niet opgevallen als hij niet
steeds onderging […]

Vervolgens corrigeren ze Baudet omdat die de zon in de voltooid verleden tijd had laten verdwijnen. Een andere betekenis, ja. ‘Wigman besteedde altijd zeer veel zorg aan het ritme van zijn gedichten.’
Ik weet niet of ik het tragisch of pathetisch vind dat de familie daarvoor een persbericht inzet, waarin ze geen irritatie of schaamte uit maar zich ‘nadrukkelijk distantieert’. Het zal rouwverwerking zijn.
Is het kies, laat staan belangrijk dat ik mijn ambivalente gevoelens hierover publiek maak? Heb ik tot nu toe iets beweerd dat niet iedereen kan bedenken?
Hmm.
Laat ik op deze lentedag dan maar volgens de beste cultuurindustriële zeden eens een waarheid proclameren die volgens diezelfde zeden ‘ongemakkelijk’ kwam te heten: het verbaast me niet dat Wigmans poëzie voor Baudets karretje te spannen valt.
Disclaimer: mijn kennis van beide oeuvres is oppervlakkig.
Baudets ideeën vind ik aan de narcistische kant. Dat viel me aan Wigmans poëzie ook altijd op, al lengde hij dat narcisme aan met een scheut ironie. Het verkeerde geciteerde gedicht heet nota bene ‘Afscheid van mijn lichaam’. Toch werd bij Wigman de draaischijf gevormd door een beperkt aantal spelers: ik, mijn teksten, de eeuwigheid, enz.
Verder staan me van hem gedichten bij die in die activiteit een houding tot de ander had die volgens mij tot de basisbeginselen van Baudet behoort en die ook diens debuutroman demonstreert. Ik voel me bijna verguld om voor de definiëring ervan eindelijk een bijdetijdse vakterm te kunnen gebruiken: ‘heteronormatief’.
Baudet en Wigman hebben zeker gemeen dat hun teksten niet zozeer progressief en experimenteel zijn als wel klassiek en traditioneel. De poëzie schiep daarbij enig voorbehoud, moet ik toegeven – alsof Wigman het erom deed vormvastheid zo opzichtig te etaleren.
Voorbehoud ontbreekt bij de politicus dan weer helemaal in zijn opvattingen over cultuur die ook de overwinningsrede dusdanig reactionair plengde, dat ik onwillekeurig wachtte op het verlossende, voor mijn part even kakkineus uitgekreten woord ‘GRAPJE’.
Misschien ben ik te makkelijk in mijn parallelindruk en moet ik Wigmans gedichten herlezen. Ze zijn momenteel in mijn herinnering armageddonesk, en dat past helaas bij de doem die Baudet over de samenleving uitspreekt.
That’s life, folks. Tot zover een stukje dat goedkoop en overbodig is. Het seizoen moet nog beginnen.

maandag 18 maart 2019

Naar Zinzendorp




Aan het eind van J.Z. Herrenbergs roman Nederhalfrond wordt een personage, werkzaam als docent en groepsbegeleider op het John Lennon Marktcollege, uitgeroepen tot ‘het symbool van… de neerlandicus’. Wat betekent dat in hemelsnaam?
Over het nut van de neerlandicus bestaat momenteel weinig consensus. Aan opinieafdracht nochtans geen gebrek de laatste tijd. Bovendien verscheen er vorige maand een rapport over het belangrijkste dat er in deze stiel gaande is: taalvariatie.
Het rapport stelt terecht dat het niet alleen onwenselijk is zich vast te klampen aan standaardtaal, maar ook dat het steeds onrealistischer wordt ervan uit te gaan. Geschreven taal week al af van gesproken taal, en daarbinnen zouden gebruikers inmiddels een ‘registerkeuze’ doen als uit een ‘kledingkast’. Dat beantwoordt aan het principe van de meervoudige identiteit: taal weerspiegelt wat iemand op één moment tegenover één doelgroep wil zijn.
Nederhalfrond biedt van die idee verbluffende staaltjes. Steeds wordt gesproken in geschreven taal getrokken en andersom, vaak al binnen een zin. Herrenberg heeft die instabiliteit ook aangebracht in de naam van een personage, popicoon Bor von Singlecell t/m Europa.
Van de veronderstelde registergevoeligheid is deze roman echter een zeldzaam voorbeeld. Regel lijkt me hoornhuidigheid. Als ik jongeren De Test Van Note voorleg met een lijst van versteende uitroepen (‘De minister is op weg naar de uitgang. Dit willen we nog even meegeven. Hoog tijd om een tandje bij te steken. Hij houdt de vinger aan de pols van de samenleving. Absoluut!’), dan wordt daar weinig inauthentieks in aangetroffen.
Mij verwart die werkelijkheid telkens weer. Het rapport over taalvariatie maakt melding van ‘digitale geletterdheid’, en ik vrees dat hiermee geïnstitutionaliseerd onvermogen wordt bedoeld. Copypaste is immers navolging die bepaalde taal bevestigt zonder varianten te wegen. Niet iedere digital native beseft, ervaren verantwoordingsgezinde docenten geregeld, taal van een ander te citeren.
Met het traditionele beeld van de lappendeken (cento) voor een tekst kan uitsluitend hyperbewust worden omgegaan; men ziet draden die de verstaander afwikkelt. Nu kun je voor taal beter spreken van een kant-en-klare saus. Alleen het ironieteken kan markeren dat die saus soms nog een klont bevat.
Dominant is de taal van de marketing, waaruit ook laattwintigste-eeuwse communicatieneerlandici verdreven werden. En zo schiep Niemand een dynamische standaardtaal, vol gemeenplaatsen en suggesties van gepassioneerde uitwisseling.
Ik geloof soms mijn ogen niet. Na onze ervaringen met kanaaltrein dienden we vanzelfsprekend een klacht in, die reacties oplevert waarin taalvariatie inderdaad de boventoon voert. Na de verrassend familiaire aanhef ‘Beste Marc’ gaan ‘u’ en ‘je’ door elkaar, is er copypasting uit andere documenten en waarschijnlijk, leve Google Translate, uit andere talen, wordt er doorverwezen naar irrelevante informatie, doen lange, nevengeschikte zinnen mededelingen die geen ander verband hebben dan de adem die ze uitblaast,…
Manifest is dat een medewerker van de klachtendienst een format aanvult. Maar er ontstaat zo’n ratjetoe dat het bij een groot bedrijf als Eurostar ondenkbaar zou zijn dat dergelijke teksten het huis zouden mogen verlaten. Behalve wanneer het honorabele management, dat de medewerker zal ‘aansturen’, hetzelfde taalgevoel heeft.
De pertinent volgende vraag om kwaliteitscontrole van ‘het gesprek’ in gradaties tussen slecht en uitstekend maakt de grap compleet. Taalcodedoorbreker Gerard Reve heeft jaren gedaan om teksten te componeren van zo’n heterogeniteit. Zijn boeken moeten onleesbaar zijn geworden, zonder uitleg over de hinkstapsprongen tussen registers.
Inderdaad is taal, gelukkig, voortdurend aan verandering onderhevig, maar tegelijk hangen ook professionele gebruikers hun aandeel midden in de zojuist met weinig eetlust getoonde saus. (Zij doen dat in metaforenland met een blinde vlek.)
Het taalvariatierapport noemt zichzelf een ‘visietekst’, wat in mijn wereldbeeld vooronderstellingen lostrekt over een neoliberalisme. Een rapport doet verslag. Daarvan is in expliciet ideologische tijden opgemerkt dat het niet objectief hoeft te zijn, evengoed selectief. In een visietekst wordt echter iets neergelegd, waardoor lijkt dat dit tenminste gezamenlijk gebeurt en toch voorzichtig-beslist. Wat alsnog objectiever oogt, duwt in een richting. Hetgeen in het onderhavige rapport, door taalkundigen dus, steun krijgt van een term als ‘implementatieplan’.
Bij Herrenberg toont registergevoeligheid of ‘situationele taalvariatie’ zich als intertekstualiteit. Zijn roman levert voor het popicoon een datumoverzicht van een Tour de Pays-Bor, waarbij telkens een grote Nederlandse stad wordt vermeld. De drie finale locaties vallen dan uit de toon: Rommeldam, Zinzendorp en Hoefbeek. De laatste is Herrenbergs verzonnen dramadecor. De eerste is erfgoed als bedenksel van Marten Toonder. Zinzendorp komt uit het proza van Kees Ouwens, waarmee deze in en met literatuur, variërend op Marsman, Zeist herstichtte.
Wat een neerlandicus uit te richten heeft met Nederhalfrond is dus ongewis. Het gevoel ontstaat dat in Herrenberg alles citaat is, dan wel toespeling. Tijdens het lezen groeide mijn verlangen naast de roman ‘iets gewoons’ te consumeren. En zo deed ik extra ijverig naspeuringen voor mijn studie naar ‘de jaren zeventig’ en trof het liedje ‘Friet met mayonaise’ door een zekere Mike Vincent (1974).
Vincent heeft een Brabantse tongval die me richting geboortecontreien slingerde. YouTube gaf er een grappige entourage bij, met spencers, dus voelde ik me een hele piet dit te hebben herontdekt – ik (Kregting 1965) moet destijds hooguit negen geweest zijn.
Het liedje gaat over de charme van eenvoudig voedsel, dat lichaam en geest meer genoegen schenkt dan spul met ingewikkelde Franse namen. Zo’n stelling is populistisch, wat dat ook concreet moge betekenen, maar handig om het beeld van de pretentieuze jaren zeventig scherper te stellen. Toch zingt Vincent voldoende te hebben aan een hoofdschotel. In een ‘chique tent’, bediend door ‘een gerant’, voelt hij zich misplaatst. Dat past aardig bij de ecologische boodschap van soberheid door de Club van Rome rond die tijd.
Tegelijk richt de ontelitarisering van Franse gastronomie een nieuw cliché aan. Zijn favoriete eten haalt Vincent namelijk bij ‘den Bels’ en bevindt zich in ‘een tentje’ (ooit vielen me verkleinwoorden op bij Doe Maar-songteksten van Henny Vrienten, zo overweldigend in aantal dat bescheidenheid begon te tollen).
De overtuigingen zou ik hoe dan ook kunnen toetsen aan culinaire ideeën van een Fransman zelf, die recent in literatuur zijn vereeuwigd. In Eduard Louis’ roman Weg met Eddy Bellegueule (2014) is de vader een vroeg werkloos geraakte fabrieksarbeider die consequent van ‘vreten’ spreekt. En dus niet zoals zijn zoon later, inmiddels hoogopgeleid, ‘het avondmaal gebruiken’.
Ik kies zelf geen partij in dat debat. Ik wil slechts die spanning laten zien, dat lijkt me ook mijn taak als wetenschapper.
Wel begon me, galant associërend over aardappels, de melodie van Vincents liedje bekend voor te komen, in tegenstelling tot de tekst. Aan dat verschijnsel heb ik eens een boekje gewijd (Kregting 2004), dus vreesde ik het zoveelste losse draadje te hebben opengewerkt.
Totdat de verlossing kwam: dit was niets meer of minder dan ‘Gigi Amoroso’. Van Dalida, vooraan in mijn hoogculturele onbewuste, met een single die doodleuk zeven minuten duurde.
Frankrijk had de mosterd dus gehaald in Brabant! Een bewijs voor de Stelling van Eus (2019) dat media zoveel aandacht aan het eigen centrum besteden dat razend interessante buitengebieden onontgonnen blijven.
Toch vreemd dat het Amoroso-liedje ook uit 1974 bleek te stammen (Michaële, Lana Sebastian & Paul Sebastian). Dit leerde nazicht op Wikipedia, daarbij vermeldend dat ‘Friet met mayonaise’ er een bewerking van was, eveneens gebracht door Johnny Hoes (1974, sic). Veel later deed Wendy van Wanten (1998) weer de Franse versie.
Het wordt nog vreemder bij vergelijking van de varianten. Hoes blijkt Vincents bewerking bewerkt te hebben. Commercieel en misschien ook auteursrechtelijk leep schoof hij het refrein naar voren en snackte in de coupletten. Een zoekopdracht naar de lyrics van het Nederlandse origineel levert bovendien zinnen op die niet door Vincent zijn gezongen. Tenzij hij, ten gunste van dezelfde commercie, een korte én een (niet meer terug te beluisteren) lange versie heeft uitgebracht.
De vervanging van de kreet Gigo Amoroso door Friet met Mayonaise vind ik knap. Aan de ene kant is dit een spel dat veel kinderen doen met popliedjes in vreemde talen, overwegend het Engels. Dan resteert er grammaticale of semantische nonsens. Maar Vincent laat een volwaardige variant verschijnen, die een wereldbeeld vertoont.
Hij citeert niet, parafraseert niet, alludeert niet – het Brabants lied bleek een vrolijke plundering. Is dat voor neerlandici ook een manier om te dealen met Herrenbergs intertekstualiteit? Ergens in zijn roman staat: ‘Contracten worden tot contracties in de ure des doods.’ Welja, daar was het gedicht Werkster van Gerrit Achterberg, en daar viel de overrompeling theoretisch te dekken met het etiket travestie. Maar meteen voert Herrenberg dan ene Beumer op, aan wie Achterberg evenzeer een beroemd gedicht wijdde dat op zijn beurt refereert aan Werkster.
Snaveltje toe dan? Da’s nooit verkeerd, tenzij om zich welgedaan te laten ondersproeien door een taaldouche. Die zou mijn zicht beperken dat in Nederhalfrond werktuiglijk tweemaal deze zin dacht te hebben ontwaard: ‘De neerlandicus keek verstoord voor zich uit onder een vlakke hoek’. Cursief en in romein.
Overigens schijnt Herrenberg in zijn vrije tijd positie te kiezen in de verdediging van Liverpool, onder de naam Virgil.

zondag 10 maart 2019

Back stabbing




Wie ben ik? Met een kleine twintig jaar België op de teller wordt de vraag voor een Hollander als ik moeilijker en moeilijker. Onlangs hier ter sprake kwam Mick Matthys’ boek Waarom Belgen gelijk hebben en Nederlanders gelijk krijgen, eerder grasduinde ik door de verzamelbundel Beste buren, er liggen nog (bitse) aantekeningen over Avonturen van een Nederbelg door Derk-Jan Eppink en over België-Nederland door Paul Wouters.
Geen idee. Behalve dat het misschien een aardig stuk zou opleveren wanneer het woord ‘eventueel’ van alle kanten zou worden besnuffeld.
Een uitweg vormt het europeanisme. Maar van stonde af is me gebleken dat een eenwording niet alleen veel taal vergt, maar vooral een uitgelezen praktijk – die nog altijd ontbreekt. Denkend aan het statuut van de grensarbeider voel ik derrie langzaam langs mijn dijen gaan.
Des te kordater is het witte E-pasje ter grootte van een betaalkaart, dat in België mag doorgaan voor een identiteitskaart. Het is goedkoper dan een paspoort en vervult nevenfuncties in het alledaagse. Er kunnen treinkaartjes op geladen worden, geleende bibliotheekboeken geregistreerd,…
En je kunt er Europa mee doorreizen, bleek ons vorig jaar tijdens de Grand Tour. Dat onvoorstelbare gemak hield ook een teleurstelling in. Ik had speciaal een paspoort aangevraagd voor onze reis, een kostbare en tijdrovende procedure.
Waarvoor dient dat Nederlandse gevaarte dus nog? Och ja, het geeft recht om in het geboorteland te stemmen.

We gingen naar Engeland om de Brexit voor te zijn.
Omdat mijn geprinte kanaaltunnelticket geen reactie verwekte bij het apparaat, waren we met vertraging door de incheckformaliteiten geraakt. Bij de Belgische douane kreeg ik vervolgens te horen niet mee te mogen.
Mijn identiteitskaartje was volgens de beambte ongeldig voor Engeland. Toen ik zei dat we er Europa mee hadden doorgereisd, ook per vliegtuig, bleek dat aan het Schengen-akkoord te wijten geweest waar Engeland, uiteraard, niet aan meedeed.
Kennelijk kon ik mijn oren al te zichtbaar niet geloven, want de beambte riep door de vertrekhal dat ik thuis beter een paspoort ging halen omdat ik hem helemaal geen identiteitskaart getoond maar ‘een tijdelijke verblijfsvergunning’.
De laatste restjes Europa-illusie vielen van me af. Ook dat moet aan mijn gestiek af te lezen geweest zijn. De beambte besloot dat ik met deze verblijfsvergunning Nederland zelfs niet eens binnenkwam.
Dit moet de Hollander in mij wakker hebben geroepen. Reflexmatig hoorde ik me half liegen dat ik journalist was. Waarna het prototype van de zuidelijke gendarme opsprong, wiens pietje zo groot is dat je onmogelijk niet op kunt trappen. ‘Dat vat ik op als een dreigement’.
Samen met twee collega’s werkte hij mij – en de wegkapitein, die met haar full monty Belgische identiteitskaartje al door de controle heen was maar ook haar onbegrip uitte – de vertrekhal uit. Weg! Weg! Weg! Associaties met een niet-meegemaakt verleden drukte ik goddank weg.
Ik betrapte me evenzeer op dat ik de naam van de beambte had ingeprent, en zijn geprononceerde uiterlijk, maar niet de aanvechting voel hem, bijvoorbeeld hier, te schandpalen. Mij werd achteraf verder gevraagd of ik de scène gefilmd had. Maar zelfs als ik in bezit was van een smartphone had ik dat niet over mijn hart gekregen.
Katholiek of voorgoed ongeschikt voor de actualiteit?

Uren later dan gepland en voor een nieuw ticket een bedrag lichter waarmee, zoals de radio op vrijdag voor de krokusvakantie openbaarde, ‘een week eventjes helemaal niets doen in Mumbai’ had kunnen gefinancierd, stonden we in Londen.
Ook mijn paspoort was machinaal blijven steken. De Engelse douanier die het manueel controleerde, keurde me geen blik waardig.
En nu wisten we ons pas echt omringd door regels en waarschuwingen. Niet eerder toonde de risicomaatschappij zich aan mij althans in een zo naakte gedaante.
Zijn obers in restaurants en ontbijtketens en koffieplaatsen, de ene nog organischer dan de ander, gepromoveerde microbiologen? Getuige opschriften functioneren ze niet alleen als vraagbaak voor de precieze bestanddelen van een gerecht, ze weten ook de finale hulp te bieden bij oprispingen van elke allergie.
Of gaat het hier om een extremistische mate van voorlichting? Waarna een gewaarschuwd mens voor minstens twee geldt?
Toen we de laatste trappen van de metro bestegen verscheen op een lang scherm een mededeling die tegelijk weerklonk: dat de trappen door de regen mogelijk een pietsje glad waren (handiger ware de inhaalwaarschuwing geweest dat men op roltrappen wel de continentale linksrechtsverdeling gebruikt).
Deze lijn werd moeiteloos doorgetrokken door gratis musea. Heel wat zalen bezitten een bordje met het bericht dat de geëxposeerde werken door sommigen als aanstootgevend beleefd worden. Met de uitnodiging bij een onverhoopt identieke ervaring de directeur te verwittigen.
Toch schrokken we, oog in oog met De Arnolfini-bruiloft en met de zoveelste Rembrandt die in geen schema van highlights te vinden was. Ook waren we verrast dat uit museumkranen uitsluitend warm water stroomde.
Voor de indruk zou rijzen dat Londen een stadstaatje van melk en honing is, overal in musea staan plexiglas bakken voor op de pond afgemeten donaties. We troffen lieftallige medewerkers met i-Pads waarop met één handbeweging elektronische overboekingen vielen te doen. De terugtrekking van de overheid moet kennelijk worden gecompenseerd door liefdadigheid.
Een paar jaar geleden kwam Londen in het nieuws toen banken voor de ingang scherven en spijkers op hun richels hadden bevestigd, zodat er geen zwervers meer konden vertoeven (het fijne Soane-museum heeft op antieke stoelen een soort getande dennenappeltjes neergelegd). Nu las ik dat schoonmakers van de metro op hun vingers waren getikt, nadat ze in de warme gangen kartonnen dozen en slaapzakken had weggebezemd.

We gingen dus naar Engeland om de Brexit voor te zijn.
Maar dit fenomeen speelde amper in de media. Alles ging over back stabbing. Dat behelsde geen terugverwijzing naar The O’Jays, maar letterlijkheid. Jonge mensen in steden die de afgelopen tijd zonder enige aanleiding in de rug waren gestoken en stierven.
Geen statements, noch motieven, laat staan – tot voor kort – daders.
Als ik het goed begreep waren er twee vragen. Kon dit worden betiteld als terrorisme (wat strafmaat en opsporingsbevoegdheden vergroot)? Eisten jarenlange bezuinigingen op het politieapparaat hun tol?
Zelf bleef ik me verbazen over het consumptieparadijs dat het Londense centrum geworden is. Blijft er voor bankiers tijd over naast het ontbijten, lunchen en dineren? Dat zeg ik nota bene als getuige voor Paul Wouters, die op de landkaart vice versa ging: ‘Een kleine supermarkt in mijn ouderlijk dorp heeft een groter assortiment dan een Albert Heijn in een grote Nederlandse stad’. Toen moest deze keten de Vlaamse markt nog beginnen te geselen.
Ook darde ik tijdens deze citytrip met namijmer. Ben ik wel een Nederlander? Of veeleer een West-Noord-Brabander? Wanneer ik lees dat daar achternamen zonder voorvoegsel vaak eindigen op een s of een x, schiet me onmiddellijk Braspennings of Braspenninx te binnen. Minder spontaan kan ik me herkennen in een annotatie van Christine D’haen in De spiegel van Alexander, over Bergen op Zoom: ‘was in de Middeleeuwen kosmopolitisch’.
En stel dat de Belgische douanier gelijk had gehad dat ik zonder paspoort heel Nederland niet meer binnenkom, wat staat me dan te wachten? Moet ik nu ik nog zo’n ding heb bij verkiezingen partijen zien te vinden die voor open grenzen zijn, kan ik beter asiel aanvragen of rekenen op een generaal pardon? Eventueel?

zondag 3 maart 2019

Starting a sentence in the middle





Bij alle terechte commotie rond een voornemen van de Vrije Universiteit Amsterdam om de bachelor Nederlands op te heffen, vind ik me als neerlandicus terug in een onhobbyistisch raadseltje. De vele protesten en solidariteitsbetuigingen van vakgenoten werden, zeker door de institutionele broeders, gesteld in een taal en gemeenplaatsreiterei die verleidt tot een radicaler voorstel: de hele neerlandistiek maar opheffen.
Als dit alles is wat specialisten weten voort te brengen, dan kan het lot van de taal beter in handen worden gelegd van leerlingen. In dezelfde week stemden zij alvast mild door, bleek uit een enquête, met de fameuze leeslijst hun gang te gaan, betrekkelijk los van ‘de canon’ en literair-journalistieke bevindingen.
Het hardst trof mij, toch allerminst een hoogvlieger, een dichterlijk protest tegen de VU-intentie. Het kwam van Ilja Leonard Pfeijffer, in zijn sonnettencolumn voor NRC. Bij een vroeger exemplaar uit die reeks heb ik op deze plaats al eens wat vraagtekens gezet en de genoemde krant lijkt sowieso wel erg onder de indruk van zichzelf, maar toch. Wat moet dit nu voorstellen?

Doordesemd spreken in je moedertaal
met elegantie van een palimpsest,
waarin uit elke tijd en elk gewest
nuance schemert als een godenmaal

van connotaties, is iets anders dan
te denken dat je best goed Engels spreekt
op krukken als je een verweekt, gebleekt
gesprekje voert, gespeend van elk elan.

In Nederland heeft men zijn taal verpatst
voor inschrijfgeld van uitheemse studenten.
Zorgvuldigheid en zwier zijn opgedoekt

om op zijn ordinairst en allerplatst
te cashen. Wie zijn taal denkt uit te venten,
heeft ook cachet en gratie afgeboekt.

Ik kan hier een exposé houden over techniek en retoriek, maar de vraag die zich aan mij opdrong was in hoeverre hier niet een opdrachtgever wordt uitgetest. Hoe ver kan ik gaan, poogt de leverancier van de komrijeaanse maskerthematiek, tot de krant ermee ophoudt mijn als gedichten verpakte routine te publiceren en te honoreren?
Mij ontgaat het niet dat deze vraag ‘als een boemerang’ in mijn gezicht kan terugzeilen, omdat ik nu eenmaal geen rubriek heb, nog geen honderdduizendste van Pfeijffers bekendheid geniet, enz. Maar ik voel me senang op deze blog, schrijf al tijden geen gedichten meer en mijn ambities liggen elders. Bovenal kwam mijn vraag voort uit een ervaring met een andere kunstvorm.
Al enige tijd ben ik in de ban van twee zangeressen die ik voor de duidelijkheid maar aanbiddelijk noem. Ik wil daarmee niet suggereren dat ze gouden kalveren zijn, maar vaststellen ze dat de grenzen van mijn empathische vermogens aftasten, door zich zo oprecht te presenteren dat mijn brein, gewend aan artistiek decoderen, kortsluiting maakt.
Zo is er Nai Palm, frontvrouw van (mijn late ontdekking) Hiatus Kayote. Vorig jaar bracht ze een mooi en virtuoos soloalbum uit, Needle Paw. Vlak daarna werd bij haar borstkanker gediagnosticeerd. Waar ik dan naartoe wil is een filmpje op YouTube waar ze in het ziekenhuis, een dag na de operatie, een versie zingt ‘The Makings of You’, het legendarische nummer van Curtis Mayfield.
Mijn brein zou dit gewoonlijk afwimpelen, met termen als exhibitionisme en zo, maar die taal bleef hier domweg niet kleven. Zou dat de tol van de neerlandistiek zijn? Zo’n beetje het eerste wat ik ooit op de universiteit leerde, was dat de artiest niet dezelfde was als zijn personage want in personage zat het Latijn van persona dat masker betekent.
Wat dan aan te vangen met mijn andere heldin Tarriona Tank Ball, uit de geplaagde smeltkroes New Orleans? Ze ontbrak ooit in mijn verkenning van het curieuze ouroboros-liedje ‘When Your Life Was Low’. waarvan zij de gedenkwaardigste uitvoeringen heeft gegeven. De ene nog strotafknijpender dan de ander.
Recenter maakte ze naam met een emotioneel optreden in de NPR-Tiny Desk-reeks dat even vrolijk als depressief was, ongecensureerd. Het deed mijn bange brein afdwalen naar het totaaltheater van de jaren zeventig, de Boulevard of Broken Dreams, De Parade, het Festival of Fools, Jango Edwards, Frank Zappa, Ian Dury, de vroegste Nina Hagen,… Extremistisch toegankelijk, laconiek radicaal.
Ik denk dat de vraag of er sprake is van geacheveerd toneel of hyperoprechtheid uiteindelijk naast de kwestie is. De twee zangeressen praktiseren een ideaal dat verwoord werd in de lines notes van John Coltranes spectaculaire nagelaten Lost Album. Daar kenschetst Wayne Shorter het program: ‘starting a sentence in the middle, and then going to the beginning and the end of it at the same time…’ (Zoals Coltrane zelf in die week met Johnny Hartman een totaal andere balladplaat opnam.)
Ik weet niet wat het is. Nai Palm en Tank Ball maken voor mij de vloedgolf aan publiciteit rond de neerlandistiek, hoe relevant ook , tegelijk een beetje komkommernieuwsachtig. Verwend. Mag ik dat wel zeggen? Met mijn geloof en hoop in literatuur, bedoel ik?
De twee zangeressen zijn bij mijn weten in leven. Het staat iedereen vrij hun optredens bij te wonen. Hun oeuvre kan zo groeien door gedeeld te worden (nog zo’n geloofsartikel uit de neerlandistiek: de autonomie).
Onlangs begreep ik pas dat funkzanger Rick Hogendorp overleden is. En regisseur Claude Goretta. Ik heb ongetwijfeld weer eens niet goed opgelet. Anderzijds, ook wie nooit van de neerlandistiek heeft gehoord, kan er nu even niet meer omheen kijken. Waar is dan het momentum van ietwat eeuwiger grootheden?

maandag 25 februari 2019

Met een ijsbijl



  
Natuurlijk is elke historische roman actueel, maar ik heb de indruk dat de veronderstelde parallellen bij Zoeklicht op het gazon van Auke Hulst levensgroot zijn. Hier staat Richard Nixon centraal, in het derde kwart van de twintigste eeuw.
Hulst belicht hem op drie, niet-chronologisch geordende momenten: als door Amerikaanse studenten betwiste president, als verliezend presidentskandidaat een decennium eerder, en als aftredend president. Centraal idee van de roman lijkt dat Nixon een spreekbuis is van de werkelijke noden en zorgen bij ‘het volk’. Dat mag geestig heten, omdat deze president de geschiedenis is ingegaan als oplichter van het volk en alles en iedereen, Tricky Dicky.
Doordat Hulst de nadruk legt op Nixons eenvoudige afkomst en op zijn beproevingen bij de klim naar de top, zonder ooit door ‘de elite’ geaccepteerd te worden, ontstaat dat afwijkende perspectief. Zo kan Zoeklicht op het gazon bovendien de fameuze tegenpool uitspelen, John F. Kennedy, de telg uit gegoede familie voor wie alles geritseld werd en voor wie waarheid een flexibel begrip was – en die ook na zijn dood voor de Nixon van Hulst een plaaggeest blijft.
Toevallig las ik de roman tegelijk met Kleine anti-geschiedenis van het populisme door Anton Jäger. Daarin ontbreekt Nixon, terwijl hij een appel deed op de silent majority. Dat moesten hardwerkende burgers voorstellen die belasting betaalden maar, anders dan hippe, ouderlijk betoelaagde studenten die deel waren van ‘het establishment’ dat ze bekritiseerden, niet aan bod kwamen in de media.
Jägers stelling is dat waarachtig populisme allerlei niet altijd even sonore stemmen aan bod laat komen die bij voorkeur gedempt worden. Hij geeft ze een historische oorsprong, in de negentiende eeuw, wanneer zowel democraten als republikeinen geen ingang bieden voor arme, zwarte burgers. Er dient zich dan een derde speler aan, The People’s Party, van wie sinds 1892 een aanhanger een Populist werd genoemd.
Kleine anti-geschiedenis van het populisme demonstreert dat in de twintigste eeuw door mediale en academische trucs antisemitisme, een onwelriekend facet van deze nobele beweging, uitvergroot werd als zijnde essentieel voor populisten. En van daaruit loopt er een lijntje naar de tegenwoordige, niet helemaal rechtvaardige betekenis van het etiket ‘populistisch’: demagogie door versimpeling en paranoia, een kunst die in de huidige Amerikaanse president (weer een rijkeluiszoon) een grootmeester kent.
In die zin rehabiliteert Auke Hulst, die zelf ooit een literaire elitebehandeling ten deel viel, de figuur van Nixon een beetje. Maar vooral nuanceert hij hem. Tot tweemaal toe vermeldt Zoeklicht op het gazon in het voorbijgaan de bekommernis van de toch ‘rechtse’ president met het milieu. Ook de ideologisch en klassetechnisch aan hem verwante Margaret Thatcher, die bij Jäger wel voorbijkomt, had daar oog voor – en leeft op dat vlak evenmin voort in de herinnering.
Ik speelde met de vorige alinea ietwat vals om te kunnen overgaan naar de actualiteit. Mij fascineert dat het milieu ten prooi is gevallen aan wat nu met ‘populistisch’ bedoeld wordt. Ik doel uiteraard op de reacties die de klimaatbetogingen van scholieren verwekken. Spectaculair is het signalement van Van Dale-redacteur Ton den Boon daarbij, dat ‘klimaat’ recent een betekenisverandering ondergaan heeft. Tot ‘klimaatverandering’.
Ik begrijp wat Den Boon bedoelt, maar kan hem niet helemaal volgen. Naar mijn gevoel betekent ‘het klimaat’ momenteel alles wat een westerse witte mens erin wil zien. Voor de een dus inderdaad een punt van zorg, voor de ander van overdrijving, voor een derde van drammerigheid, en voor nog een ander van een elitecomplot (er zou helemaal geen klimaatverandering bestaan).
Omdat de marsen nog volop bezig zijn vind ik het lastig om grote uitspraken over de reacties te doen. Toch komen er tot nog toe twee zaken telkens terug. Allereerst zijn de hoofdrolspelers vrouwen, en ze worden soms op een voetstuk gezet, al dan niet dieptepsychologisch, maar vaker helaas weinig zakelijk bejegend. Net als in deze materie een tegenspeelster als Joke Schauvliege – destijds sprong dat bijeffect van de an sich terechte kritiek op Liesbeth Homans me ook in het oog.
Ten tweede proef ik een overdreven gekwetstheid bij mensen die zich aangesproken voelen. Zoals in een recent verleden moslimbashers bij tegenkritiek meteen ‘de vrijheid van meningsuiting’ in gevaar zagen, zo voelen mensen zich nu beperkt in hun actieradius. Een mij onbekende BV klaagde erover dat hij al zoveel voor ‘het milieu’ deed en dan nog een vermanend vingertje voelde over het feit dat hij vijftien keer per jaar een vliegretour naar zijn appartement in Barcelona nam. In dit zelfbeklag heerst, vanuit het huidige populisme, volgens mij toch demagogie over een cliché van moralisme.
Bar en boos in dat opzicht dunkt me van journalist Joël de Ceulaer een column in de vorm van een grappig bedoelde open brief over het klimaat, waarin hij zorgen daaromtrent karikaturaliseerde tot apocalyptiek. Maar vermoedelijk wou deze ‘senior writer’ (mijn leeftijd!) van De Morgen taalvirtuoos zijn. Hij ontwaarde in het heden althans: kwikschrik, vliegverdriet, smulschroom, biefstukberouw, plasticpaniek, poolkapparanoia, autorexia, koolstofkramp.
Ik weet niet wat er hier sneuer is: al die alliteraties of de pretentie nu al mee te dingen naar het Woord van het Jaar.
Snel terug dus maar naar de roman Zoeklicht op het gazon. Getuige Trumps niet-aflatende pogingen een muur tegen Mexico te laten oprichten, zal Auke Hulst extra genoegen hebben beleefd aan het gegeven dat Nixon op de historische dag van de verkiezingen in 1960 een ontspannende autorit maakte naar Mexico.
Wel veroorzaakt deze trip kortsluiting in mijn taalgevoel. Hulst laat zijn personage gelukzalig terugdenken aan een huwelijksreis met Pat daar, die de vraag had opgeworpen waarom ze er niet gingen wonen: ‘Omdat Trotski er de hersens waren ingeslagen met een ijsbijl?’ Eerst dacht ik dat hier ‘was’ had moeten staan. Toen besprong me de klassieke grammaticazin ‘De koningin werd het eerste kievitsei overhandigd’. Trotski als meewerkend voorwerp? De logica van de menselijke geest die het meervoud ‘hersens’ enkelvoudig aanvoelt?
Echt onnavolgbaar voor mij was dat Hulst de strenggelovige moeder van Nixon een soort Vlaams of Brabants laat spreken tegen haar zoon, afgaand op de persoonlijk voornaamwoorden ‘ge’ en ‘gij’.

Naschriftje

Naar me nu duidelijk wordt is ‘ge’ een poging om in het Nederlands de Plain Speech te vangen dat de moeder in eigen kring sprak. Quakers van de oude stempel bezigden die (inmiddels uitgestorven) taal, met thou, thy and thee, maar zonder werkwoordsvervoegingen.

zondag 17 februari 2019

Uit de werkplaats (2)




1.
Onuitputtelijk, dit subdebatje. Socioloog Mick Matthys stelt in Waarom Belgen gelijk hebben en Nederlanders gelijk krijgen dat de vermeende achterstand van Zuid tegenover Noord ruimschoots is ingehaald. Voorbij de tijd dat Hollanders met het rode potlood het wereldraadsel oplosten en uitlegden, om te beginnen aan de sappig sprekende Vlamen!
Het zal dus een relaps zijn dat het boek, verschenen bij de Amsterdam University Press, eventjes anders handelt. Bijna aan het eind van zijn tekst rept Matthys over Bart De Wever, baas van de N-VA. Maar deze heet dan: ‘NVA-voorman Bart de Wever’. De corrector zal hebben gedacht dat Matthys in zijn verstrooidheid een koppelteken te veel gebruikte. In dezelfde moeite werd het tussenvoegsel bij de achternaam gewijzigd.
De eerste fout kan voortkomen uit kennisgebrek. Maar de tweede is een vernoordnederlandsing die, vrees ik, als cultuurimperialisme valt te zien.
Ten slotte verraad ik met deze betweterij mijn nationaliteit. Vanuit een gezelligheidspanopticum?

2.
Homo universalis Walter Benjamin kon geen Engels (wel Frans). Een zelfmoordplan werd verijdeld doordat hij Tristram Shandy begon te lezen. Wat een effect van een boek: het omgekeerde van wat Goethes Werther heet te hebben bereikt!
Deze weetjes diste ik op uit in Het tijdperk van de tovenaars door Wolfram Eilenberger. Ik begon dit boek over Benjamin, Cassirer, Heidegger en Wittgenstein gretig, maar kreeg er gaandeweg tegenzin van. Volgens mij doemden er twee bezwaren – die formeel zijn.
Ten eerste binnen elk hoofdstuk te korte, betussenkopte paragrafen, die telkens eindigen met een cliffhanger, veelal een vraag. Zoiets moet hongerig maken naar het vervolg, maar doordat de lezer net op gang is gekomen treedt er verstoring op.
Hoe geforceerd dat procedé is, blijkt wanneer Eilenberger vlak voor zo’n nieuwe paragraaf van de ene filosoof naar de andere overstapt. De brug die hij opzichtig legt, maakt veeleer wankel. Is het verband tussen de vier minder groot dan gesuggereerd?
Ten tweede heeft Eilenberger zijn chronologische opzet, beloofd door de ondertitel Het grote decennium van de filosofie, 1919-1929, ingebed in een debat te Davos uit 1929. Daar discussieerden Cassirer en Heidegger. De andere twee hoofdrolspelers van het boek waren dus afwezig.
Ondanks de martiale termen waarmee Eilenberger het debat samenvat en telkens voorziet van een tussenstand, erkent hij aan het eind dat het nooit van de grond kwam omdat Cassirer en Heidegger hoffelijk langs elkaar heen praatten. Waar wil de compositorische dramatologie dan?
Het tijdperk van de tovenaars markeert voor mij het bezwaar aan non-fictie, die ik na een overdosis romans ging liefhebben. Auteurs met schwung, zeker bij het gebaar van een overzichtelijke geschiedenis, blijken even inwisselbaar als hun titels.
Sneu aan Het tijdperk van de tovenaars dunkt me dat het geen slecht boek is. Eilenberger toont zich slim en vaak onderhoudend. Maar het beklijft niet en het erge is dat de achterflap dat aankondigt:

De jaren twintig van de vorige eeuw zijn cruciaal in de geschiedenis van het Europese denken. In Het tijdperk van de tovenaars wekt Wolfram Eilenberger deze jaren tot leven: het decennium tussen levenslust en economische crisis, vlak na de Eerste Wereldoorlog en aan de vooravond van het Europese fascisme. Aan de hand van vier denkers beschrijft hij de opmerkelijke explosie van geestelijke creativiteit die deze jaren kenmerkte.
Eilenberger vertelt over de pijlsnelle opkomst van Martin Heidegger en diens liefde voor Hannah Arendt. Over de immer dolende Walter Benjamin, die in Parijs op zoek gaat naar de wortels van de moderne tijd. Over genie en miljardairszoon Ludwig Wittgenstein die, terwijl hij in Cambridge als een God aanbeden wordt, in Oostenrijk in armoede als onderwijzer werkt. En over Ernst Cassirer, die in de wijken van de Hamburgse middenklasse het antisemitisme aan den lijve ondervindt.
Wolfram Eilenberger ziet in de levens en de ideeën van deze denkers de oorsprong van onze huidige wereld. Zij hebben tot op de dag van vandaag een beslissende invloed op de filosofie. Eilenbergers terugblik op de jaren twintig is tegelijk een inspiratie en een waarschuwing, maar vooral ook een bron van groot leesplezier.

Conform dit frame ontvouwt zich een koffietafelboek, een cultuurgeschiedenis. Maar juist op dat punt stopt Eilenberger, hij toont zich meer filosoof dan journalist. Wat mag trouwens ’geestelijke creativiteit’ betekenen? Ik vrees het ergste.
De tweede alinea scharniert om ‘vertelt’. Dat openingswerkwoord suggereert smakelijkheid. Wel laat Eilenberger zien dat Heideggers opkomst allerminst ‘pijlsnel’ was en aan de fameuze verhouding met Arendt maakt hij weinig woorden vuil. De onrustige Benjamin registreert hij op meer plaatsen. Net als Wittgenstein. Hamburgs antisemitisme staat me zelfs niet scherp bij.
De flaptekst serveert dus de zogeheten insteek bij het uitzetten van de vertaling, samengebald in de uitsmijter ‘leesplezier’.

3.
Met Een knipperend ogenblik laveerde Mirjam van Hengel tussen biografie, letterkundestudie en sociologie. De ondertitel ‘portret’ is in de roos. Body krijgt de even beminnelijke als enigmatische Remco Campert, die in depressieve genietingen en hardwerkend negeren van verantwoordelijkheid aan Herman Brood doet denken.
Van Hengel bezit alvast één gave. Ze kan fantastisch citeren, waarmee ze dit toch ongelijke oeuvre opblinkt. Wel geeft het recente, integraal aangehaalde gedicht Zaventem de grenzen van Camperts kunnen aan.
Literair-historisch is dit boek volgzaam, maatschappelijke tijdsbeelden zijn summier en bevestigend. Dit bijvoorbeeld: ‘Het waren de alles-moet-kunnen jaren zeventig, jaloezie hoorde er niet bij, je mocht impulsen van het moment volgen, andermans vrouw en andervrouws man begeren en meenemen, niet zeuren maar genieten’.
Tegelijk toont ‘andervrouws man’ een oververzorgde stijl, precieus in achteloosheid. Geen andere karakteristiek weet me te ontsnappen dan een seksistische: meisjesachtig. Zoals Annie M.G. Schmidt die altijd acht schijnt te zijn gebleven, terwijl Van Hengel de leeftijd van achttien programmeert.
Als biografie is Een knipperend ogenblik onwetenschappelijk. Voor het schrijven kreeg Van Hengel een werkbeurs vanuit een journalistiek kader; haar loslippige bronnen beschermt ze met opname in een namenoverzicht. Hier lezen we een schrijver die meer weet dan er staat.
Dat er niet echt wordt gekozen voor een genre, ligt wellicht aan het doel. Van Hengel maakte waarlijk een publieksboek. Het accent ligt op een knappe, invoelende benadering van de hoofdpersoon als publieke figuur en schrijverscliché. Een karrevracht aan steevast typerende anekdotes moet daartoe verplaatst worden.
Bij dat verlangen naar paradoxale ontsluiering blijkt Campert een leger bekende vrienden te hebben. Bijna logisch dat de naam van de belangrijke, niet-tafelspringende fondsauteur Piet Meeuse incorrect wordt gespeld (p. 389).

4.
In Geschiedenis van geweld, de vertaling van Édouard Louis’ amper onafgebroken te lezen roman, worden tot tweemaal toe (p. 62, 64) verwante werkwoorden in verschillende verleden tijden gepresenteerd: zwol op, zwelde aan. Hoe kan dat nou?
De verleden tijd van ‘aanzwellen’ is volgens Woordenlijst Nederlandse Taal en volgens Van Dale ‘zwol aan’. Volgens deze twee bronnen bestaat ‘zwelde’ niet eens.
Ik neem dat voor kennisgeving aan. Niet alleen omdat ik op vele fronten een ezel ben die meer dan twee keer tegen dezelfde steen slaag te lopen, ook omdat ik bij bepaalde werkwoorden altijd de mist inga – wanneer ik de verleden tijd onnadenkend schrijf, en wanneer ik er al mijn concentratie op loslaat.
Zo onderschepte een oplettende redacteur pas in de proef van een boek van mij ‘scheerde’ waar ik, met een barbiersmes van hier tot Ockham, ‘schoor’ bedoelde.

donderdag 7 februari 2019

Jubileum




Is het heus tien jaar geleden dat ik hier, op een om privéredenen altijd heuglijke dag, mijn eerste schreden zette op het pad der bloggologie? De spreekwoordelijke dag van gisteren ervaar ik nu ook weer niet, maar het posten van een tekstje, met een zekere regelmaat, doet het tijdsbesef kennelijk een beetje vervagen.
En, mensheid, wat er ondertussen allemaal niet is veranderd! Vier jaar geleden babbelde ik wat in de rondte over een crisispakket van de nabijgelegen frituur, dat inmiddels met 10% opgeslagen blijkt. De inflatiecorrectiepen laat zien dat er kort tevoren een tussenverhoging is geweest van 5%.
Venezolaanse toestanden? Natuurlijk niet. Het zou even populistisch zijn om individuen op te voeren aan wie de wet het kennelijk toestaat honderd crisispakketten per uur te kopen. Over zulke dingen begin ik dus beter niet.
Nee, terugkijken en reflecteren op metaniveau, dat zou wel het minste mogen zijn. Wel heb ik daar minder puf voor dan toen ik vijf jaar geleden zo’n tussenstop maakte.
Nog steeds heb ik volgens mij moeite met bloggen, omdat het uitnodigt tot confidenties. Ik onderken tegelijk iets wat niet anders te benoemen valt dan als een verslaving. De aandrift om iets te doen met de kwantiteit van taal die dagelijks het gewaande timmermansoog passeert, dat dan maar bewijzen moet geconcentreerd te lezen. Minstens herken ik me in Marc van Oostendorp, die niet lang geleden om goede redenen stopte met dagelijkse postings – en die inmiddels is hervallen.
Dat wil niet zeggen dat ik zijn tempo zou kunnen volgen, laat staan een kwaliteit bieden die constant is. Maar de prikkel om iets de virtuele ether in te smijten is me bekend. Het is voor mij wel zaak om niet te snel te opereren (‘kort op de bal te spelen’), al pakt te veel arbeid en herziening evenmin erg gunstig uit voor mijn gestel.
Ook blijf ik gefascineerd door effecten van taal en verkeer ik graag in de illusie door een blog te zijn opgenomen in een circuit, dat per definitie internationaler is dan dat van boeken die bij tijd en stond onder mijn naam verschijnen. De wens een smeltkroes te zijn, die vooral mijn poëzie gekenmerkt heeft, gaat op internet gemakkelijker in vervulling.
Of zit dat heterogeniteitstrekje ingebakken in taal? Maxim Februari memoreerde:

Een redacteur van een literaire uitgeverij sprak me ooit toe over het gebruik van Germaanse en Romaanse woorden. Volgens hem moest je in Nederlandse teksten een juiste balans tussen de twee zien te vinden, een juiste afwisseling van robuustheid en melodie. Zijn lievelingsvoorbeeld haalde hij uit het Engels: de beroemde eerste zin van Keats’ gedicht ‘Endymion’: A thing of beauty is a joy for ever. Daarin heerst een werkelijk volmaakte harmonie. Thing, Ding, ding is Germaans. Beauty, beauté: Romaans. Joy, joie: Romaans. Ever, immer: Germaans.

Ophouden dus met somberen over verengelsing en helemaal met het naspeuren en terechtwijzen van germanismen, anglicismen en gallicismen? Ik weet wel, mama mama, dat die redacteur – het openingshoofdstuk van – De glanzende kiemcel heeft gelezen. S. Vestdijk had het daar over Saksisch in plaats van Germaans, en hij zei dat we als Hollanders het verschil niet konden navoelen.
Van één Engels woord vind ik het niet leuk dat het gangbaar is geworden, omdat het een compleet mensbeeld met zich meetrekt dat mij niet ligt. En het erge is, in de klas van de gourmande , vol acht- en negenjarigen, is het een normale aanduiding, onder elkaar, voor elkaar, over elkaar: loser. (De spelling is anders.)
Mijn allereerste Honingpot-posting bestond uit poëzie die in Onze Nietzsche zou belanden. Dat bleek mijn laatste boek te zijn waarover met enige goede wil te zeggen was dat het dichtkunst herbergde. Inmiddels heb ik het genre verraden. Maar het was op voor mij.
Wat meer van een afstand probeer ik, precies zoals literatoren op leeftijd van wie ik nooit veel moest hebben, hapsnap wat laaglandse gedichten te volgen. En uit vakidiotie vooral teksten daarover, een behoorlijke klus omdat het merendeel over kanshebbers op long- en shortlisten gaat.
Thans lees ik woorden temmen van Kila & Babsie, dat poëzie voor een groot publiek ontsluit. Het enthousiasme spat van de pagina’s, de uitleg is van een helderheid waarvan ik alleen kan dromen.
Toch ben ik, zoals het een oude zeur betaamt, ook teleurgesteld. Kila & Babsie zetten namelijk aan tot het schrijven van poëzie. Daar ben ik tegen! Niet alleen vanwege de postume concurrentie, maar ook omdat zo’n drang naar mijn overtuiging alleen van binnenuit kan komen (waarbij in mijn poëtica dat innerlijk wordt afgelegd). Ze sluit wel aan bij de populariteit van schrijfscholen en cursussen creativiteit allerhande.
En bij een trend waarbij er, gestimuleerd door het internet waar zelfs gekken als ik een blog kunnen beginnen, meer wordt gezonden dan ontvangen. Een twitterisering van complexe materie? Dat sluit dan weer aan bij het literatuuronderwijs, in het zogeheten Curriculum Nu waar een meningenformat voorkruipt voor kennis. Maar daar heb ik al over gedramd.
Natuurlijk kan goede voorlichting een hoop ellende voorkomen. Kila & Babsie geven die, zij het dat hun voorbeeldgedichten nogal eensluidend zijn. Van het zich verwonderende type, met details van de bijgeschoolde observator die tragikomisch zijn, in een taal waar weinig spanning op staat want ‘oooh’ impliceert. Niet voor niets kent de Nederlandse poëzie meer dan één gedicht over het waargebeurde verhaal dat er speelgoedbeesten uit een scheepslading raakten en over oceanen dreven.
Dat maakt de keuze van Kila & Babsie natuurlijk wel aantrekkelijk. Verder frappeerde het me dat ze eerst hun eigen indruk bij de geselecteerde gedichten geven. Alsof ze willen zeggen dat elke lezer gelijk is, want even kwetsbaar en onzeker. Ik geloof niet dat dit helemaal klopt, maar die implicatie rijmt met een fris artikel dat Marieke Winkler over podiumpoëzie publiceerde. Dit ooit verdoemde genre, zegt zij, stelt nu de literatuurwetenschap voor identiteitsproblemen.
Ingewikkeld is dat Winkler daarbij Tom Lanoye, als schrijver van het Gedichtenweekgeschenk, tot exemplarisch voorbeeld promoveert. Meteen al het gebruik van spreektaal, dat hem van papieren dichters zou onderscheiden, zit ook bij Faverey en jongere, uitputtend geanalyseerde hermetici. De voorkeur voor evenementen boven bundels lijkt me evenmin van gisteren (wat me van Poetry International bijstaat is de verbazingwekkend geringe opkomst van betalend publiek).
Winkler spant zich in om bij Lanoye een genuanceerde, diepere poëtica bloot te leggen. Ze gebruikt daarvoor zijn beeld van de toverbal, dat het statische en het eeuwige zou relativeren en, net als bij een wat schematische versie van het postmodernisme, een ‘betekenisgevend centrum’ ontberen zou.
Maar als ik het trefwoord ‘toverbal’ loslaat op mijn files, dan blijkt die zowel bij Jacq Vogelaar voor te komen als in de titelsong van Pipo de Clown. Zou Lanoye dus werkelijk een upgraded performer als verhuller zijn, zoals Winkler voorstelt? Ik weet ook niet of Lanoye zijn populariteit aan poëzie dankt. En indien ik moet vorsen naar zijn traditie van een schrijverstype, dan schiet me de metabewuste kunstmiddenstander te binnen, zoals die benoorden de rivieren door Gerard Reve uitgevent is.
Ik wil geloven dat ‘oraliteit’, waaraan poëzie uiteraard haar ontstaan dankt, een revival doormaakt, maar mij overtuigt het niet om daar de acceptatie van het banale in te ontdekken. Laat staan slam te zien als voorhoede of tegengeluid. Kila & Babsie geven nota bene een fraaie performance van Martijn Teerlinck als voorbeeld, dat tegelijk kan dienen als instructietekst over hoe restloos poëzie te maken.
Tot nader bericht kennen gedichten een biotoop van het schrift. Waaraan een aantal liefhebbers behoefte blijft hebben omdat ze een betekenis gevende witregel onmogelijk kunnen horen.
Een tastbaarder ontwikkeling vind ik dat Antoon Coolen heden een ‘Brabantse schrijver’ genoemd wordt. Wellicht komt dat door het aanhoudende identiteitspolitieke gekrakeel, waar ik als witte hoogopgeleide man beter over zwijg, maar ik voel daar meer gewicht in dan er aan podiumpoëzie wordt gegeven. Dus hoe kostbaar ‘de momentane magie van het orale woord’ en ‘exclusieve authenticiteit’ ook voor de huidige instituties mag zijn, zonder context slaat dat woord dood.
Precies die context heeft op mijn weblog van stonde af grotendeels ontbroken. Schrijven beschouw ik althans als een openingszet van een partij waarvoor tegenstanders nodig zijn. De Honingpot heeft kennelijk niet de toon of de vertrouwdheid die verleidt tot reacties. Ik krijg ze wel, maar mondeling en per mail.
Langzamerhand ben ik ervan overtuigd geraakt dat hier iets fout loopt. ‘Vroeger’ weet ik de publieke stilte aan het feit dat ik niet op Facebook zit (of op Academia.edu of zoiets, dat mailen kan dat ik ‘gementiond’ ben). Inmiddels lijkt me dat ik domweg geen goede barkeeper ben. Dat is ook wel een opluchting, want hoe in het openbaar, met inachtneming van alle verschillen, een goed en scherp gesprek gaande te houden zonder bezopen te raken?
Toen De Honingpot begon, was de opiniërende poëzienieuwssite De Contrabas dé speler in het virtuele veld. Nu lijkt Tzum dit te zijn – dat ogenschijnlijk afstandelijker opereert. Vreemd genoeg was ik als onmiskenbare polemist beducht voor de animositeit, die soms terug opspeelt. En ik weet nog altijd niet of het fenomeen van de woedezoeker, dat vanzelfsprekend steevast anderen betreft, werkelijk voorbehouden is aan internet.
Misschien is mijn onderkoelde verslaving aan postings te danken aan stilte, die een fijne illusie kan scheppen van onverstoorbaarheid. Het zou me zelfs niet verbazen wanneer ik, met een poging tot datadeterminerende blik, amper bezoekers heb. Mijn publiek zou dan wel uit Nederland komen en vervolgens uit België, waar ik leef, maar deze naties hebben het moeilijk tegen runners up als de Verenigde Staten, Frankrijk, Oekraïne.
De Honingpot als zalige prooi van zoekmachines!
Alle reden dus om per direct deze onderneming te stoppen. Maar juist de laatste tijd ben ik optimistisch en strijdlustig gestemd, waarover aanstonds meer. Eerst, conform de geplogenheid bij mainstream media en bij mijn vorige jubileum, een overzicht van de meest gelezen postings:

15 mei 2012, 27 opmerkingen









24 jun. 2014, 2 opmerkingen









30 jun. 2016, 1 reactie









9 mei 2011, 1 reactie









5 mei 2010, 36 opmerkingen









26 mrt. 2010, 4 opmerkingen









3 jan. 2015, 2 opmerkingen









12 mei 2017









19 mei 2016, 2 opmerkingen









27 jan. 2012, 4 opmerkingen










Nog steeds zijn de populairste teksten op dit blog vooral door anderen geschreven. Interesse weet ik zelf blijkbaar het meest te wekken met in memoriams, alsof ik een insider ben.
Wel is dit een ranglijst met wat volgens mij unieke hits heten. Meer treffers dan sommige gemelde tekst kregen:

-         Tempora, Mores (LAT, 13 caps)
-         Hans Groenewegen (1)
-         De open bibliotheek van morgen
-         Kleine wasjes, grote wasjes
-         Ja meneer de burgemeester (1)
-         Overal waar de meisjes zijn
-         Nico

Het zal toch niet zijn dat surfers hiernaar terugkeren in de hoop er comments aan te treffen? Daarom ook nog maar even de favoriete zoektermen:

marc kregting









Honingpot









honingpot kregting









Louvre









bertram mourits









Ridder









jeroen mettes









dehoningpot.blogspot.com









het is makkelijker met zijn zestigen









www.dehoningpot.blogspot.com



Voilà, nu heb ik aan elke administratieve plicht voor de eeuwigheid voldaan. Opdat het hoofd leeg kan raken voor het evalueren van een merkwaardige stemming: het optimisme. Ook ik (naast mijn Instagram-collega Leonardo di Caprio vanzelfsprekend) betrap me daarop wegens de aanhoudende klimaatbetogingen door scholieren. Temeer daar ze zo’n beetje zijn gestart in België, waar de plastic zak nog heel gewoon is. En waar zelfs overwegend jonge artiesten in de rubriek Doodgewone dingen van De Standaard Magazine haast steevast iets met auto en vliegtuig vermelden bij wat ter wereld zoal voor geluk zorgt.
Of overschrijdt die oprechte voorkeur alle landsgrenzen? Wilders noemde bij wat hij na 12,5 jaar isolatie mist als eerste: autorijden! Trump had het daar ook over, na honderd dagen stennis trappen. Het kan dus dat dat mijn verbazing voortgebracht wordt door mijn fietsocentristische bril. Vanuit dat parallel universum herinner ik me van autoritten alleen nog het afspelen van muziek. Hoe verder je buiten het centrum kwam, hoe beter het geluid de verplaatsing leek te begeleiden.
Nieuwe poging. Ten minste is België toch wel zeker Olympisch kampioen in marathonrelativeren, uitstellen tot gisteren, afschuivend wegkijken, compromiszwachtelen, en wortel trekken uit een kwadraat. Misschien is het dus niet eens een erg groot wonder dat de jongeren hier, zelfs in de hoedanigheid van spijbelaars/brossers, door hun niet-onderhandelbare eis van structuurverandering brede steun krijgen. Eindelijk!
Dus werken bitse reacties contraproductief. Ze zijn even onthutsend als onthullend in hun diagnose van hypocrisie die, hoe kan het ook anders, bij de ander zit. In mijn recentste – zwaar gesubsidieerde – kaskraker had ik nog geen oplossing hoe de impasse kon worden doorbroken waarin karikaturen van twee partijen (hypocrieten versus moraalridders) elk debat onklaar maakten. Had ik domweg te lang het voorrecht gehad over de conflictstof na te denken? Nu zijn het twee jonge meisjes die de indruk wekken gewoon te doen. Desnoods voelen anderen zich genoopt om in de bres te springen tegen bijkomende onrechtvaardigheden.
Aardkloot en atmosfeer hebben zich in de recente geschiedenis nu eenmaal zo ontwikkeld, dat de jongeren met hun één-minuut-voor-twaalf-houding het gelijk aan hun zijde hebben. Dat verlost hen van pathetisch machismo en van eindeloze middel-doelafwegingen. Bovendien bepleiten ze iets wat werkelijk elke (toekomstige) aardbewoner aangaat. In het klimaat is er geen protocol. Begrijpelijke maar per saldo ietwat dwaas aandoende verboden van schoolbazen en politici om te demonstreren, kunnen met een gerust hart naast zich neer worden gelegd.
Ik ervoer die bevrijdend aanvoelende lichtheid afgelopen week, toen ik met het taalkundig genie in zo’n mars mee mocht. Politieke partijen die langs de kant van de straat de jongeren probeerden te masseren (Ecolo, logischerwijs, maar plots ook PTB/PVDA) liet men begaan. Zoals ouders dat wel kunnen doen met drukke kindjes.
Van het zogenaamde zwakke geslacht wordt de wereld beter. Het knappe is ook dat actieplannen moeiteloos worden bijgesteld zonder de schijn van opportunisme. Deze meisjes stellen er juist een eer in een handreiking aan de tegenstander te doen.
Da’s toch een andere houding dan van mijn witte hoogopgeleide middenklasse die zich vooral aan het wapenen is. Bijvoorbeeld tegen teksten die, getuigend van overbekend klinkende centrismen, niet hoeven te worden gelezen.
Hilarisch dunkt me verder dat gratis marketingadvies aan de klimaatjongeren inzake het momentum overbodig lijkt. De Zweedse Greta Thunberg, bij wie de revolte werkelijk begon, heeft lak aan meer of minder goed bedoelende communicatiewetten. Ze glimlacht niet eens bij haar toespraken en bij het verstrekken van de ik-boodschap spreekt ze namens iedereen, klaagt expliciet ‘jullie’ aan. Of wordt haar dit vergeven vanwege haar Asperger die ze zelf relateert aan haar vasthoudendheid? 
Het spijt me verschrikkelijk, maar bij zulke voorbeelden lukt het me niet de bloglier nu al aan de wilgen te hangen.