zondag 14 september 2014

Pudor sinister

In welk tijdvak waren the good old days? Zijn er sectoren waarin ze al dan niet voortleven?
Als het gaat om reclame, lijken de tijden definitief veranderd. Het houterig tonen van een product onder het slaken van een slogan? Misschien alleen als pastiche. Het zou ook al te mooi zijn wanneer de Wikepedia-overlevering een vervolg krijgt: ‘25 juni 1945. De Nachtwacht arriveerde via een binnenschip in Amsterdam. De toenmalig directeur van het Rijksmuseum viel toen boven op het schilderij. Hierdoor ontstond geen schade.’ (Niet dat Rembrandts beroemdste werk reclame nodig had. De vader van de directeur, Arthur van Schendel, wijdde aan dit oer-Hollandse fenomeen dan ook geen boek.)
Ook de meneer in laboratoriumjas die objectief bewijst dat zijn product het beste is, belandde in de kantlijn van de geschiedenis. Het was zeer verhelderend wat Roland Barthes daar een halve eeuw geleden over schreef. Bijvoorbeeld bij een wasmiddelreclame: dat anders dan bij chloor en ammonia ‘het vuil wordt verjaagd, niet meer gedood’. Dat waren nog eens witwaspraktijken! De arcadisch gepresenteerde reinheid, stelde Barthes, ging uiteraard gepaard met vernietiging van de chemisch geïmpregneerde stof. Maar vermoedelijk hoeft dat geloof nu niet meer te worden ontmaskerd.
Sowieso komt reclame inmiddels tot voor de neus en zorgt voor dilemma’s. Opfloepende pop-ups kun je met wat muissouplesse nog wegklikken, maar is het slim om bij zelfpromotie en spam in te gaan op het aanbod dat je je kunt uitschrijven? En moet je akkoord gaan met nieuwsbrieven volgens opt-in / opt-out? Wat met al die eerder onrustbarend dan geruststellend ogende informaties over cookies?
In mijn vak van de literatuur bestond al een tijd het type aanprijzing dat een auteur, zeker een debutant of een jongere, ‘de nieuwe xxx’ is. Gelukkig werd geen exacte kopie bedoeld, maar een richtingwijzer, zodat er een zekere orde ontstaat in het aanbod. Bij Amazon en andere webshops is deze idee gestandaardiseerd. Bij elke titel staat een rijtje boeken dat verwant zou zijn.
Door de automatisering ontstaan ook in de analoge wereld andere reclamepatronen. Na een donatie blijken Artsen zonder Grenzen ongeneeslijk obstinaat, net als Animal Rights Watch. In vergelijking komen Jehova’s aan de deur beleefd en begripvol over.
Tot slot is er het lichaam. Politiek filosoof Michael J. Sandel gaf kennis van het bestaan van met reclame getatoeëerde nekken.
De houdbaarheid van het lichaam werd onlangs getoetst in een reclame van een nationale fitnessclub. Daarin legt Marouane Fellaini in de hal van een vliegveld uit waarom passanten, terug van hun vakantie, fit zijn of niet. De ster van de Rode Duivels is daarbij goed gecast. Als international komt hij overal; het vliegveld is een decor dat hem ligt. En als topsporter weet hij precies hoe het lichaam op peil te houden.
Toch is de reclamespot in het verkeerde keelgat geschoten. Zwaarlijvigen voelden zich dermate gekrenkt dat het woord ‘discriminatie’ toch maar weer eens viel. Er kwam tekst op van een Jury voor Ethische Praktijken inzake Reclame, aka de reclamewaakhond. Hoewel vrijspraak volgde, bleef het de vraag of de flauwe of desnoods mislukkende humor – die mij als verschijnsel triggert – zo aanstootgevend was.
Er werd vaak opgemerkt dat Fellaini barslecht Nederlands laat horen. Dat greep me aan. Tegelijk vind ik die reactie van mij vreemd, want Fellaini’s voormalige collega’s René en Willy van de Kerkhoff maakten ooit reclame voor Bolletje beschuit waarin ze hun Helmondse roots niet verheelden. En in de fitnessreclame spreekt een blondine met een Limburgs accent dat me koud laat.
Wat mankeert me dan? Ik heb het even aan mijn persoonlijk kwakzalver gevraagd: linkse schroom (pudor sinister).
De in Etterbeek geboren Fellaini is een toonbeeld van profijt uit de multiculturele samenleving. En nu blijkt hij even competent Nederlands te praten als ik Frans! Is dat erg?
In dit soort kwesties rijst geregeld de kritiek op eurocentrisme: dat men louter over de ander praat, en hem nooit een eigen stem geeft. Dat is bij Fellaini echter wel gebeurd. Al doet hij dat in een scenario van derden en gesticuleert hij inderdaad houterig.
Is dan het pastiche-idee van tel? Deze mogelijkheid heb ik tussen de comments op de reclame vaak aangetroffen – en ik moet bekennen dat ze me telkens een beetje ergerden. Dat het spotje zo slecht was, dat het hilarisch werd en zo: zulke frases getuigen volgens mij van minachting en superioriteit.
Ook de rationalisering dat Fellaini zich hopelijk vorstelijk voor zijn optreden heeft laten betalen en dat een eventuele afgang verdisconteerd is, vergoedt niet alles. Dat zou betekenen dat economie de eerste en laatste beweger is.
Tekortschiet verder de vaststelling dat er een groot verschil is ontstaan tussen mondeling en schriftelijk taalgebruik. Om allerlei beleidsmatige en technologische redenen praat de homo sapiens inmiddels aanmerkelijker vlotter dan dat hij stileert. Maar wat verhelpt zo’n nuance aan dit specifieke geval?
Plots schoot me deze optie te binnen: Fellaini dribbelt met de kijkers- en makersverwachting en doet alsof hij er niets van kan! Maar die hypothese loopt vast, want op YouTube vind ik geen filmpjes waar hij Nederlands spreekt. Ook begin ik dan bedenkelijke bokkensprongen te maken, alsof ik een bepaalde werkelijkheid niet accepteer. Terwijl Barthes met zijn analyses nota bene beoogde het begrip schriftuur te laten zien: ‘een taal die ten doel heeft de normen en de feiten te doen samenvallen en aan de cynische werkelijkheid de rechtvaardiging van een edele moraal te geven’.
Dus stel nu, dat Fellaini spreekt zoals hij spreekt. Dat hij met de reclame projectieschermen wegtrekt, onder het motto FYI (waarvan de populist in mij lang heeft gegokt dat het Fuck You Intellectuals betekende). Dan zou hij een bewonderenswaardige demonstratie van zelfrelativering aan de dag hebben gelegd. En een lange neus trekken naar beleidslui die aan inburgering of aan allerlei praktische beslommeringen de beheersing van een landstaal eisen.
De nieuwe voorzitter van de Europese Raad, uit Polen, spreekt Engels noch Frans. Is dat een goed voorbeeld, dat doet volgen?

dinsdag 2 september 2014

Leraren, vogels, paarden


Bij de start van het nieuwe onderwijsseizoen zijn de apocalypsen in vertrouwde hoeveelheid komen aanrollen. Ik besefte een tijd terug een film te hebben gezien, waarin de klas inderdaad de hel op aarde was. Dat is in Kes, het debuut van Ken Loach uit 1969. Een schooljongetje wordt omspoeld door dermate veel ellende, dat je als kijker geneigd bent hem door het scherm naast je op de bank te trekken en hem stroopwafels te voeren die gedoopt zijn in warme chocomel.
Gelukkig heeft hij een adembenemend goede leraar. Die vraagt tijdens een les over ‘fact and fiction’ aan het jongetje een verhaal over zichzelf te vertellen. Eerst wil hij niet, gewend als hij is dat anderen voor hem praten, maar als de leraar het lot van zijn klasgenoten aan het verlangde verhaal verbindt, begint het jongetje te vertellen over zijn valk.
De klas raakt geïntrigeerd, de leraar ook en wel zodanig dat hij zelf komt kijken hoe het jongetje met de valk omgaat. De rillingen lopen over je rug, zo mooi. Dat kan dus niet goed gaan. Nu is er over het algemeen weinig rechtvaardig op de wereld, maar wat in Kes gebeurt is godgeklaagd. Wat een film! Het jongetje zelf krijgt geen enkele aandacht. Hij heeft een moeder zonder man, en een soort broer die kwelgeest is.
Het jongetje voedt de valk op aan een lijn, die hij dan weer laat vieren en dan weer aan trekt – een ouder in spe.
Het beeld herinnerde me aan twee andere films, waarin de school eveneens een rolletje speelt. In 4 Havo, een klas apart, de VPRO-documentaire van Maarten Schmidt en Thomas Doebele uit 1992, zit een legendarische scène over een leerlinge op wie elke redelijke leraar het liefst meerdere zwepen der wraaks tegelijk zou laten neerkomen. Het meisje wordt dan gefilmd in haar eigen omgeving, bij een manege geloof ik, waar ze vertelt over hoe ze haar paard behandelt: ‘Strak houden, anders komt er niks van terecht’.
De andere film is ook een documentaire. Benoît Mariage vertelt in Michel Stree, Une âme chevaleresque uit 2007 over de Waalse adolescent-kaper van de bus met schoolkinderen in Vielsalm, die als eis had om voor de radio een verklaring tegen onrecht en ongelijkheid af te leggen. Heden verzorgt hij in een steengroeve vogels en bet wondjes in hun poten.
Aldus blijkt de vader het kind van de man. Als zevenjarige vond hij langs de weg een gewonde vogel, die hij meenam naar de klas. De meester zei dat hij hem moest verzorgen, maar toen de vogel een kraai bleek kwam het advies het dier te doden. Maar de jongen genas de kraai en het beest bleef acht jaar bij hem tot het stierf van de ouderdom.
Over, amen, uit. Of wat is nu de openbaring (die een les kan zijn en een straf)?

dinsdag 26 augustus 2014

So true, baby


Over problemen voor een dj die al jaren draait onder die naam, haar eigen trouwens, is mij niets bekend, maar een identiek geheten antiquariaat dat sinds 1984 bestaat was het haasje. De meest hilarische treurigheid viel ten deel aan een lingeriebedrijf dat, ongetwijfeld na lange voorbereiding, een campagne had gelanceerd voor een nieuwe lijn die Isis heette. Dat bleek not done en leidde zelfs tot de onvermijdelijke excuses.
Tja, de naam komt overeen met de afkorting waaronder de kalifaatsbeweging opereert die haar zendingsdrang nogal kracht weet bij te zetten. Toch valt bij dat gekneusde feit niet te loochenen dat die beweging pas sinds dit jaar echt in het nieuws is – en dat ze de afkorting inmiddels bekort heeft tot IS.
Bovenal bestond Isis al een tijdje. Het lingeriebedrijf kon echter sputteren wat het wilde door naar de vruchtbaarheidsgodin uit de Egyptische mythologie te verwijzen.
Volgend medium beter. IS(IS) heeft ook de reputatie als geen ander de kracht van sociale netwerken te exploiteren.
Vlak voordat ik ging ‘studeren’, publiceerde Kees Fens een column waarin hij als hoogleraar er zijn verbijstering over uitsprak dat zijn studenten amper op de hoogte waren van de meest basale gegevens uit de Bijbel. De vakterm ‘kerstening’ was, als ik me Fens’ voorbeelden goed herinner, al helemaal duister.
Dik dertig jaar later maakt het gevoel zich van mij meester dat de toenmalige hoofdverdachte, de popcultuur, ook steeds meer annotatie behoeft, ironischerwijs vanwege de vrije val van een ouder communicatiemedium, papier.
De loop der dingen, vadertjes en moedertjes. Och ja, er valt te websurfen, maar kennis zonder ervaring drupt door het spiraalmatras van de werkelijkheid.
Het wordt een kwestie van tijd dat ‘When I’m Sixty-Four’ van The Beatles een toelichting moet krijgen:

Will you still be sending me a Valentine
Birthday greetings (…)?

Zouden die verklarende regels in een posting komen? Of is er te zijner tijd zo’n stroomtekort dat we allemaal weer met een roestige spijker in kleitabletten peuren, lekker authentiek ook?
Stomtoevallig stuitte ik op een papieren exemplaar van de Financial Times, mooi eigenlijk, met twee formaten. Er was iets te lezen over de onthoofding van journalist James Foley. Dit weinig appetijtelijke evenement mag virtueel verbreid heten, ware het niet dat het buitenstaanders zijn die daar met een muisklik voor zorgen.
Inmiddels blijkt het filmpje ten prooi gevallen aan de secuurste onderzoeken, met uiteraard de bloedballistisch verantwoorde optie dat het een enscenering was.
De Financial Times plaatste slechts de kanttekening dat internet een publiek domein blijft. Dus dat wanneer ISIS een ‘unauthorized copy’ van Beyoncé had verbreid, de video binnen een mum van tijd van het web zou zijn verwijderd. Met de rekening?

dinsdag 19 augustus 2014

Morgen misschien


De draagkracht van de planeet hangt samen met het gebruik ervan. Flora en fauna beroepen zich op de rijkdom van het hen omringende en putten eruit voor hun leven en welzijn. Daarbij is het natuurlijk vooral de mens die raad weet met het bereiken van zijn doelen. Maar pas in de jaren zeventig drong het besef door dat er bij deze bezigheid zoiets bestaat als de korte termijn en de lange termijn.
De aarde moet herstellen van het beslag dat op haar gelegd wordt. Voor dat talent bestaat de term “regeneratieve capaciteit”. Ze staat één dag per jaar openlijk ter discussie. Op Earth Overshoot Day wordt duidelijk hoeveel de mens heeft geconsumeerd ten opzichte van wat zijn planeet aankan. De aarde moet immers grondstoffen in voorraad hebben en CO2 weten te absorberen. Dat daarbij zogeheten kritische drempels werden overschreden, daaruit bestond genoemd besef in de jaren zeventig. De Earth Overshoot Day 2014 beweert dat de mens van 20 augustus tot 31 december op krediet leeft. In 2000 begon deze periode nog op 1 oktober.
Misschien typeert zo'n handelwijze de homo sapiens, omdat hij ermee boven zijn stand kan leven. Daar bestaan prachtige romans en gedichten over, die een drijfveer blootleggen: altijd meer willen of, zoals dat in bepaalde kringen heet, stilstaan is achteruitgaan. De Bijbel is goed en wel begonnen of Eva plukt na de lunch een giftig appeltje, het vliegtuig was nog ondenkbaar en Phaëton stortte in de mythologie al neer met vleugels van was.
Uit die ervaringswetenschap is de nodige apocalyptiek voortgekomen. Ze doemt bij tijd en wijle op, en de aanleiding blijkt dan slechts een primus inter pares. In België is het bijvoorbeeld sinds de uitslag van de verkiezingen op 25 mei al hommeles met het humeur van velen. Sinds kort is er een Vlaamse regering en de federale regering op Zweedse leest in de maak, maar inktzwarte meningen over hun voornemens en beleid ontbrandden op de verkiezingsdag zelf.
Nadat op 5 augustus een kernreactor in Doel stil werd gelegd, kon die grafstemming er naadloos in geprojecteerd worden. Ik bedoel niet dat de demissionaire regering en de beloofde regering elkaar met de vinger wezen over genomen en te nemen maatregelen. Intrigerender dunkt me dat bij nieuwe wederwaardigheden over de oorzaak van het mankement ook hier steeds een datum verschoof, zij het de andere kant op. Augustus werd september werd najaar werd winter – als ogenblik dat de reactor weer functioneert.
Deze kwestie wordt overstemd door iets wat prangender blijkt: hebben we komende winter wel voldoende stroom? Ironisch genoeg behoort in de boycotactualiteit België, met Nederland, tot de weinige landen in Europa die niet hard getroffen worden door eventuele machtsoprispingen bij Poetin over een alternatieve warmtebron: aan gas zal er geen gebrek zijn. Gelet op ontwikkelingen in het klimaat hoeft de winter in West-Europa sowieso geen angst op te roepen voor kou.
De onrust betreft dan ook niet zozeer de verwarming van woon- en werkkamers. Helaas, zou ik menen, gelet op het gerenommeerde energieverbruik van Belgen. Grootste besogne is of, in de breedste zin van het woord, ons productiepeil gehandhaafd kan blijven. Uiteraard kan er stampij worden gemaakt over het functioneren van 'de industrie' of van 'het bedrijfsleven'. De zonder twijfel geheel geautomatiseerde distributie van goederen zal evengoed schade ondervinden. Allicht gaat het verder over 'beveiliging', desgewenst tegen 'terrorisme'.
Er vallen basalere plekken te bedenken die van stroom afhankelijk zijn. Ziekenhuizen bijvoorbeeld. Of het onderwijs, waar de computer als leermiddel een centrale rol is gaan spelen. Soms valt het amper te geloven dat dit een recente ontwikkeling is. Ik herinner me uit mijn studieperiode een 'cataloguszaal', een ruimte ter grootte van een voetbalveld die gevuld was met fijne kaartenbakken waarmee de boekencollectie ontsloten was; één beeldschermpje volstaat allang om de gezochte titel op te diepen. Wel is er elders plek nodig om al die gegevens te bewaren, op ontzagwekkende harde schijven.
Toch is ook dat een fractie van het verhaal. In hoeverre hangt namelijk ons dagelijks leven af van stroom? Hoeveel mensen staan nog op na het geklingel van een mechanische wekker? Lollig aan de Earth Overshoot Day kort na Doel 4 is de herinnering dat consumeren meer is dan inkopen en uitgeven. Die evidentie vergeten we met onze levensstijl. Maar hoe zou een doorsnee dag in West-Europa verlopen zonder twee fundamentele stroomslurpers: computer en smartphone?
Iets ontologischer misschien: bestaat er een leven buiten Facebook? (Het optreden van koning Willem-Alexander op de tribune bij de Olympische Winterspelen in Sotsji doet vermoeden van niet: wanneer hij op onbewaakte momenten niet aan zijn gsm friemelde, stak hij zijn duim wel op naar een zonder uitzondering goed presterende sporter.)
Ik waan me Methusalem als ik denk aan stroomuitval. In mijn herinnering was dat business as usual. Op elke kamer in huis lagen kaarsen, voor het geval dat. En omdat het sociaal geaccepteerd was dat bijna iedereen rookte, tot op de badkamer, waren er altijd lucifers en aanstekers bij de hand om de kaarsen aan te steken. New York in de protestjaren is een notoir voorbeeld dat er bij stroomuitval van alles gebeurt – waarvan soms negen maanden later de uitbetaling volgt.
Mooi toch? Ik zal wel weer een arrogante Hollander zijn die vindt dat met name Belgen de Earth Overshoot Day in het verlengde mogen interpreteren van Doel 4. Bijna geen ander land ter wereld heeft zo'n joekel van een ecologische voetafdruk als België. Tegen een verwant klinkend fenomeen als Tax Freedom Day vallen allerlei ideologische bezwaren aan te voeren. Maar zelfs de meest oneerlijk berekende Earth Overshoot Day kun je nog zien als 'opportuniteit'. En dan wordt het defect in Doel 4 een investering. Voor de lange termijn.

maandag 11 augustus 2014

Tabula rasa


De voorstelling was ‘voor grote en kleine mensen vanaf 7 jaar’ – een geweldige aanleiding om er een date met het taalkundig genie van te maken.
Het begon goed. Er waren diverse personages, die grappig oogden en hun gezichten met verf bestreken. Ook had het stuk een voice-over. Die kent het taalkundig genie als verteller uit sprookjes, om het haardvuur van de suspense op te poken. Dat genre stond in de aankondiging zelfs vermeld, net als het onderwerp dat het pedagogische hart warmer had doen kloppen: ‘over een kind dat opgroeit zonder kans om terug te keren naar haar land’.
Het beluisteren van de stem werd bemoeilijkt door twee percussionisten. Vooral was het taalkundig genie in de war doordat de personages zelf zelden spraken. Ze zongen bijna voortdurend, zij het zonder woorden, melismatisch, terwijl er op aanpalende schermen natuurbeelden werden vertoond en gezichten.
Telkens gebeurde er iets. Of preciezer: verrichte een personage op een andere plek van het prachtige decor een handeling. Telkens gaf het taalkundig genie dan een exacte verwoording van wat ze zag, gevolgd door de vraag ‘Wat betekent dat?’
Terwijl de eerste kinderen, ogenschijnlijk beschaamd voortgedreven door hun ouders, de zaal begonnen te verlaten, werd er een rookmachine in werking gezet. Het taalkundig genie begon te zwaaien. Natuurlijk kreeg ze de rook, die trouwens voorbeeldig werd uitgelicht, niet weg. Ik streelde haar hand.
Haar vraag bleef dezelfde, maar nam in frequentie af. Ze ging op mijn schoot zitten. Het leek alsof het toch al volwassen volume van stem en percussie en zang toenam. Het taalkundig genie stak haar vingers in de oren. Ik wachtte op het moment dat ze een andere vraag zou stellen. Die kwam, vrij laat: ‘Mogen we weggaan?’
Voorbeelden te over.
Niemand zat verder van de uitgang dan wij. Ik suggereerde haar om te proberen een beetje te slapen en spon mijn ledematen tot verlegenheidscocon. Dat lukte niet. Net toen ik vermoedde dat de afschrikking totaal was geworden, hield de voorstelling op. Er steeg een daverend applaus op, waaraan het taalkundig genie enthousiast meedeed.
Wie van de organisatoren had verzonnen dat 7 jaar een passende instapleeftijd was voor deze vertoning? Of beter nog: wat was de reden?
Al gissende rest mij een citaat uit Hazepeper, van Charlotte Mutsaers:

‘Ik heb kunstenaars die in hun Manifesten het kind op de troon zetten altijd een beetje gewantrouwd. Als je zelf nog stevig verankerd in de kinderwereld staat (onontbeerlijk voor een kunstenaar) waarom zou je dan in godsnaam allerlei vruchteloze pogingen gaan ondernemen om anderen op hetzelfde spoor te zetten? Bovendien is het ene kind het andere niet en een mediocere kindergeest levert even weinig huzarenstukjes af als een mediocere volwassen geest. Zou het sommige kunstenaars die geen enkele culturele poot hebben om op te staan, niet verdraaid goed uitkomen om zich met het "pure" kind te vereenzelvigen dat nog niet "bedorven" is door kennis? Fatale achterstanden opgelopen door gebrek aan intelligentie, een bescheiden opleiding, een gering temperament, een matig milieu en vooral een minimale artisticiteit: in één klap doe dat er allemaal niet meer toe, want je bent tenslotte domweg kind. Ja, kras en klodder en schrijf maar raak op je tabula rasa, het is altijd goed.’

Klinkt gedecideerd, en voor sommigen misschien blasé. Toch wil ik achter de rug van een derde niet beweren dat de voorstelling slecht of pretentieus was of wat dan ook. Ik kon er namelijk geen mening over hebben, omdat me bijna vanaf het begin duidelijk was dat kinderen er niets bij te zoeken hadden. Derhalve besprong mij een onbedaarlijk soort identificatiedrift die mijn ogen en brein liet wegslurpen door de dochter. Te veel vader voor een mening?
De gewoonte is notoir bij kinderen allerlei eigenschappen te ontwaren. Kinderlozen doen daar evengoed aan mee. Bijvoorbeeld door te stellen dat de slab een verstelde stropdas is.
De meest voorkomende reflex is vermoedelijk kinderen te idealiseren in de zin dat ze inderdaad “ontvankelijk” zouden zijn. Dat maakt hen in mijn branche tot aantrekkelijke leveranciers. De reden dat een gedicht van mij ooit zowaar in een aangevulde versie van Gerrit Komrijs bloemlezing werd opgenomen, moet door diens diagonale leeswijze in de slotregel liggen: ‘De wereld is zo vreemd wat de bewoners betreft.’
Dat was dus een citaat, en niet van een leeftijdsgenoot.
Er zijn bedrijven die dergelijke diepzinnigheden onder mails zetten, als bewijs van hun goede bedoelingen. Daartoe is de verleiding dus groot, onomstotelijk in elk geval voor mij. Goddank was ik al gestopt met dichten toen het taalkundig genie meedeelde dat de maan op alle landen schijnt behalve aan de omgekeerde wereld.
Over haar heb ik trouwens wel een mening. In deze posting regeert echter de vraag waar de grens ligt van het projecteren.
Terwijl het Gazadrama in volle hevigheid woedde, verzocht Amazon aan de Franse uitgever Hachette, met wie de gigadistributeur tijden een in steeds geruchtmakender wordend conflict is verwikkeld, op te houden om auteurs ‘te gebruiken als menselijk schild’.
Enfin, daags na de voorstelling gaf het taalkundig genie op haar knieën, samen met de gourmande die behoorlijk moest rekken en strekken, een vingerpoppenkastperformance, achter de bank. Het scenario was in een uurtje door een conclaaf gerealiseerd. Er kwam een prinses in voor, en een prins en oneindig veel dieren. Volgens een andere aanwezige ouderlijke deskundige hadden de jongedames zich voor de ontwikkeling van de plot laten inspireren door het oeuvre van hun papa.
Deze was onder de indruk van de buiging die het tweetal onder daverend applaus maakte. Handen ineen, een zwiep omhoog en dan de kruin tonen aan het publiek. De papa herkende deze beweging uit de zeer recente westerse geschiedenis.

zondag 3 augustus 2014

Verschijningen, verdwijningen


Dus er is intussen een Vlaamse regering! Ook weer geen daverende verrassing, maar ik had in de webloosheid vermoed dat er toch wat van naar het buitenland zou doorsijpelen. De informatie die de Duitse en Nederlandse teletekst loslieten, ging ampel over de Gaza-kommer en dat andere ondraaglijke van hier tot Australië.
‘Heer, mijn hert is boos en schuldig’? Wel wil ik niet beweren dat vakantie het alledaagse relativeert.
Ook passeerde ik vele malen in mijn leven een verkeersbord dat waarschuwt voor overstekend wild, maar vorige week, nog voor mijn vijftigste, mocht ik daadwerkelijk een hinde, twee zelfs, de weg zien overgaan. Springen eigenlijk. Misschien was het mijn prettige verbazing dat er buiteniconische werkelijkheid bestaat, die de indruk wekte dat het om kangoeroes ging.
Voor de vakantie was er een brief gekomen volgens welke de leeftijd van zeven jaar ideaal is om zich met eenvoud en oprecht geloof open te stellen voor de liefde van God. Door daar een kruis over te trekken, kwam mogelijk het gedicht ‘Feitelijk ongezegd’ van Atte Jongstra in de praktijk:

Feitelijk kwam alles hier op neer: hij sprak er niet
over, hij was niet in staat het te doen.
Ik moest het zeggen. Wat ik niet wist viel me
moeilijk, ik kon mij niet herinneren waar het was,
wie het verteld heeft, hoe en wat het was precies.

Hij wist het zelf niet: wat moest ik dan vertellen?
Hij verzekerde dat alles waar was, als hij maar
in staat was om het natuurlijk op te zeggen.
Daar kan ik niet over oordelen.
Ik houd me liever op een afstand.

Feitelijk veranderde er niets in zijn
niets vertellen, feitelijk niet. Hij sprak almaar
nergens over en nu ik liever op afstand gehouden
mij niet herinneren kan waar of wie, hoe en wat
alles was, valt me moeilijk anders te zeggen dan
dat hij niet tot spreken in staat was,
dat alles onbesproken bleef.


Ten slotte, zou ik de enige zijn die hummelt met knoploze wastafels in restaurants en hotels? Met kranen waar door handbewegingen op onbekende hoogten water uit moet gaan stromen? Bij zulke innovaties lijkt de verschijning verrekend in de absolute verdwijning (van de epistemologie).
Overigens dunkt me de opmerking van de kakelverse Vlaamse minister dat cultuur tot niets dient een waarheid als een koe. Dit kan een kracht zijn, haaks op de rijrichting.

vrijdag 11 juli 2014

Riedeltje


Wow. ‘Van de drie idealen van de Franse revolutie – vrijheid, gelijkheid en broederschap – benadrukken Amerikanen steeds weer het eerste en Europeanen steeds weer het tweede, maar alleen het derde verwijst naar opname in de samenleving, vertrouwen en gemeenschapszin.’ Het citaat zwerft reeds een tijd door mijn gestel, terwijl de brontekst alweer verzonken lijkt. In tegenstelling tot mijn leesaantekeningen.
Frans de Waal begint Een tijd voor empathie met de vaststelling dat wij er nooit zouden zijn geweest wanneer onze voorouders altijd onderling hadden gestreden. Natuurlijke selectie door de eeuwen heen ziet hij plaatsgrijpen op basis van empathie, gelijk oplopend met ouderzorg. Moeders die de nood van hun baby’s negeren, droegen geen genen over. En dieren die er niet om bekendstaan veel rekening te houden met hun soortgenoten, zoals bavianen dat zouden zijn, leven in ‘een aanhoudende angstdroom’. Daartegenover komt De Waal op de proppen met de gelukkigste mensen ter wereld, naar verluidt de Denen, die een ongekend vertrouwen in elkaar hebben. Hun fortuin noemt hij sociaal kapitaal.
Met het idee van bittere concurrentie zijn volgens De Waal vooral economen en politici aan het projecteren geslagen. Hij noemt de verhoogde sterfkans bij partners wier echtgenoot net overleden is. Dat risico duurt een halfjaar en is groter voor mannen dan voor vrouwen – mannen hebben bovendien de genetisch bepaalde eigenschap schadenfreude te beleven bij zichtbare tegenslag van vijanden, die vrouwen nog altijd noopt tot medeleven.
Er blijkt een spreekwoord te bestaan: ‘Als je een “altruïst” krabt, zie je een “hypocriet” bloeden.’ Maar toevallig is het inmiddels niet eenvoudig een huid te penetreren; gekleurde inkten zullen ook een coating zijn, tegen kwetsing en bijgeloof.
Past het reveleren van zo’n citaat bij uitstek op deze plek? Ongewild laat De Waal zien dat de Vlaamse burgermeester die foto’s en aantijgingen jegens ongehoorzame burgers op zijn blog publiceerde, in een traditie werkt die bij Enron grote hoogten bereikte. Dat bedrijf huldigde Milton Friedmans adagium ‘Weinig tendensen kunnen de grondslagen van onze vrije samenleving zo diepgaand ondermijnen als de acceptatie door managers van een sociale verantwoordelijkheid die is gericht op iets anders dan het verdienen van zo veel mogelijk geld voor hui aandeelhouders.’ Er was een beoordelingscommissie die jaarlijks het personeel ijkte op een schaal van 1 tot 5, waarna de slechtsten, zo’n 20 procent, op de website met portret werd vereeuwigd voor ze de laan uit gingen.
Ook binnen de Lage Landen is der burgemeesters handelwijze onbijzonder. Ongeveer dezelfde tijd kwam er boven de grote rivieren soortgelijke reuring toen er veel gelikete digitale verzamelplaatsen werden opgericht als Marokkaanse hoeren, waarop het faciliterende medium zei uit te gaan van een zelfregulerend vermogen bij de gebruikers. ‘Wij bepalen niet wat controversieel is. We zijn jong, zitten in een permanent leerproces. We weten niet onmiddellijk hoe om te gaan met nieuwe fenomenen.’
Een verademing vind ik dat De Waals perceptie van Amerika niet eenduidig negatief is. Hij ziet een reusachtige, nagenoeg ongeletterde onderklasse en erkent dat zwakkeren daar wel meteen erg zwak want amper ondersteund door de dagen moeten, maar ook dat er voor een grote en oprechte motivatie van eender wie beloning volgt. De Waal wijst er fijntjes op dat Europeanen niet alleen standsbewuster zijn, maar zelfs negatieve aanduidingen hebben bedacht voor mensen die opklimmen: nouveau riche, parvenu.
Wellicht slaat hij vervolgens door: ‘De staat is geen speen waaruit je elk moment wat melk kunt knijpen.’ Communistische experimenten, voor zover ze iets opleverden, zouden hebben aangetoond dat er grenzen zijn aan solidariteit: we denken eerst aan onszelf, dan aan de samenleving. Dus toch egoïsme? Nee, De Waal hanteert het perspectief van ‘zelfbeschermend altruïsme’, en vermoedt dat het onderscheid tussen zelfzuchtig en onzelfzuchtig nogal permeabel is.
Mij dunkt dat het bij menselijke activiteiten tenminste de blik van de ander is die meespeelt. Het taalkundig genie danst elke ochtend bijna over de stoep op weg naar de bakker waar ze, ‘net als de groten,’ brood gaat kopen. En de gourmande klimt op een stoel met een ukelele waarvan ze de stemknoppen bevingert en spreekt dan één woord perfect uit: ‘podium’.
Niet alles hoeft meritocratisch te zijn. De Waal wijst er wel op dat Amerikaanse politici in het openbaar opvallend vaak baby’s in de hoogte steken. En hij eindigt het boek toch zo: ‘Je kunt niet verwachten dat er een hoge mate van vertrouwen heerst in een samenleving met enorme inkomensverschillen, enorme onzekerheden en een van haar rechten beroofde onderklasse.’
De aap in ons, een ander De Waal-boek, las ik zeer onlangs. Zo kwam er wel een bepaald riedeltje van deze auteur naar boven. Dacht ik. Cynisch of scherpzinnig of gewoon hooghartig want hypocriet?
Het spreekwoord van het krabben stond er, zonder aanhalingstekens, ook in, en andermaal had ik het genoteerd – alsof het de eerste keer was. Wel situeert De Waal het in de jaren zeventig, het decennium van Dawkins’ The Selfish Gene dat volgens hem toen selectief gelezen werd. Voorbereidend, lijkt me, omgekeerd chronologisch dus, op een wereldbeeld uit wat De Waal de ‘laagjestheorie’ noemt en waarvoor bovengenoemd medium voorbeelden en bewijzen aanlevert: dat een dun laagje beschaving niet helemaal verhult dat wij net als dieren zijn, zonder remmingen, in staat tot wreedheid en moord op de eigen soort. Omdat we minder gewend zijn aan dat junglegevoel dan roofdieren, zou ons temperament zelfs struiser omgaan met het beheersen van extreme omstandigheden.
Maar dat is eigenlijk een verhaal, dat een aparte uitwerking verdient. Los ook van de idealen uit de Franse Revolutie. Dat bloggen, ik vind het maar zwaar. Iets wat ook al zijn onschuld heeft verloren? Soms is het misschien toch wel handig enige chronologie aan te houden. In Taal zonder mij uit 1998 kan Hemmerechts nog ongecompliceerd vertellen dat Herman De Coninck met veel folkloristische pret aan kinderen leert hoe te bidden voor iemand die hij zomers in Oostduinkerke in een tegenoverliggend appartement ziet, ‘bisschop Roger’.
Moge in elk geval broederschap de tand des tijds doorstaan.

zondag 29 juni 2014

Gelijkenis


Er is destijds stennis gekomen van de suggestie dat de kindercrèchemoordenaar Kim van G. – of beter: de enige foto die van hem rouleerde – veel weghad van dichter Jotie ’t Hooft. Misschien werkt het zo dat wanneer zo’n overeenkomst iemand begint te frapperen, al het verschil opgeslorpt wordt.
Maar ook toen al dacht ik: wat moet ik daar eigenlijk van vinden? Heb ik daar een mening over? Herkenbaar was een schrijver-columnist als Martin Bril voor mij nauwelijks, behalve met één, voor vak niet geringe bekentenis: dat hij niet graag een opinie had, omdat hij de redenering ernaartoe niet kon onthouden.
Verder herinner ik me dat na het overlijden van Jacques Vergès, advocaat van de duivel, als veelbetekenend detail werd opgevoerd dat hij het loodje had gelegd in de kamer waar Voltaire ooit het tijdelijke met het eeuwige verwisselde.
Wat moest ik daar dan weer uit begrijpen? Een gevalletje van misstop ofwel ‘beschermende onnozelheid’, zoals dat in Orwell 1984 heet? ‘Misstop betekent het vermogen om plotseling, als het ware instinctief halt te houden voor de drempel van elke gevaarlijke gedachte. Het omvat het vermogen om aan analogieën voorbij te zien, om denkfouten niet op te merken, om de eenvoudigste argumenten verkeerd te begrijpen zo zij vijandig zijn aan Engsoc [de ideologie van de heersende, geschiedenisherschrijvende partij, MK] en om te worden verveeld of afgestoten door elke gedachtegang, die een ketterse richting zou kunnen uitgaan.'
Vanavond bij Nederland-Mexico ging ik alsnog voor de bijl met mijn gelijkeniservaring, toen Klaas-Jan Huntelaar het veld in kwam. Voor het eerst deze WK, na een teleurstellend want door blessures geteisterd seizoen. Hij had een ander, wuft kapsel dan dat mij van hem bekend was, en ineens viel mij op dat zijn tanden lichtjes naar achteren staan.
Die combinatie was voldoende om gefixeerd te raken. En pas nadat zijn adrenaline, na die fantastisch brutaal ingeschoten strafschop, met een karatetrap de cornervlag deed zwiepen, wist ik het: ‘Boys Keep Swinging’, waarin de microfoonstandaard zelden rechtop staat.
En waarin de zanger, wiens tanden achterwaarts hellen, dat kuifje in de coiffure heeft en door de clip heen andere gezichten toont.
Dat gaat nog wat worden voor Oranje, met op de reservebank de immer tevreden David Bowie. Als geen ander heeft hij laten zien in verschillende systemen te kunnen renderen.

dinsdag 24 juni 2014

Jan Starink (1927-2014)


Eerlijk gezegd dacht ik dat hij het eeuwige leven had. Maar gedachten schijnen vroeg of laat een prooi van de werkelijkheid te worden.
Jan Starink werd geboren op 12 juni 1927 in Den Haag, werkte als leraar Nederlands in Tilburg, woonde sinds 1964 in Hilversum en was hoofd van de afdeling Cultuur KRO radio. Op 29 september 1969 had hij zijn oud-leerling Ruth Sabatier herontmoet, met wie hij op 27 juli 1977 trouwde. Sindsdien noemde ze zich Gertrude Starink.
Deze gegevens kopieer ik uit Proces verbaal, een studie die Jan Starink aan de poëzie van zijn geliefde heeft gewijd. Het is een bizar leerzaam document, waarin hij zelf in de derde persoon voorkomt. Het gaat over gedichten, over tekenen, over vertalen, over lezen, uitgeven, over bronnen en interpreteren – maar misschien vooral over een type samenwerking tussen twee mensen waarvoor ik het verpulverde woord ‘creatief’ in zijn oorspronkelijke betekenis zou durven te reserveren.
Vrucht van die samenwerking is bijvoorbeeld Het Leven en de Opvattingen van de Heer Tristram Shandy, de vertaling die het tweetal in 1990 publiceerde van Laurence Sternes onvertaalbare antiroman.
Het was toen al eventjes geleden dat Jan Starink zijn debuut had gemaakt. Dat was met De Katholieke roman: bijdragen tot zijn geschiedenis. Over dat proefschrift uit 1952 deed hij geloof ik nogal ironisch.
Ik ben daar niet zeker van, omdat ik Jan Starink maar een handjevol keer heb gesproken en gezien. Een zeldzaam heldere man, onderhoudend en hoffelijk. Ik had hem gecontacteerd om een programma te maken over een van de grootste Nederlandse dichters van de twintigste eeuw, Gertrude Starink.
De aanloop en het evenement zelf liepen anders dan ik had gehoopt, maar het publiek vond het aardig en Jan Starink beweerde bij hoog en laag dat hij het gewaardeerd had. En zo goed als hij bij de KRO programma’s had voorbereid, was natuurlijk ook onmogelijk. Toen was er tijd (en geld en hij had ideeën).
Dus beroep ik me voor informatie over Jan Starink maar op zijn eigen doorwrochte tekst

Sinds hij op te jeugdige leeftijd in het Oude Testament iets intrigerends over Jozef en de vrouw van Potifar had gelezen, was hij Egypte-hobbyist. Hij grasduinde in Gardiners Egyptian Grammar en droeg als merkteken van een verloren geliefde een scarabee aan zijn ringvinger. Op 7 maart 1970 zat Gertrude op haar studentenkamer een brief te schrijven aan deze man aan wie ze “zeven jaar tevoren haar ziel en zaligheid had verpand”, zoals ze in 1994 schreef in een autobio-tekst. Aangezien ze hem na de herontmoeting “Seti I” was gaan noemen, tekende ze zijn portret in faraogedaante ter verluchting van die brief. Tegelijkertijd viel haar het volgende tekstje in dat ze in één moeite door met dezelfde stift in haar schetsblok noteerde:

ik heb het koren nog gezien
en ook de koning die sindsdien
de barre woestenij regeert

ik heb hem distels aangeboden
en de graven van mijn dode
jongelingen gesigneerd


Dode jongelingen? Vanmiddag, vlak voordat het verdrietige bericht tot mij kwam, heb ik in een boek van Frans de Waal kennisgemaakt met het fenomeen infanticide.
Sinds ik weet dat Jan Starink overleden is, bekruipt me de overtuiging dat ik iets erg lekkers moet gaan eten en drinken. Maar wat? De begeleidende muziek zou naar mijn gevoel wel makkelijk op te snorren zijn. Het is de slotsong van dat programma, dat nu toch nog integraal en helder kan klinken, voor wie dat zou willen: Corinne Bailey Rae, ‘I Would Like To Call It Beauty’.

vrijdag 20 juni 2014

Debuut


Het principe won van het zakelijk belang. Dat was het idee van de opzegging door cultuurhuis KVS van een mediapartnerschap met De Morgen wegens racisme. Er viel immense aandacht, bijval én tegenkanting bij te ontwaren. Maar ook het zich aan weerszijden dieper ingraven in een eigen waarheid. Wat is het vooruitzicht?
Om die onmogelijke vraag te beantwoorden schreef ik op m’n oude dag een heus opiniestuk. Vanaf heden kan mijn ongeloof in de opinist dus in mijn gezicht worden uitgesmeerd. Maar omdat dit ter plekke technisch onmogelijk is, zal het desgewenst hier moeten gebeuren.
Wegens de gevoeligheid van de materie lijkt het me sowieso netjes ergens een ventiel aan te brengen. Al is die beeldspraak wat versteend. Nu ja, ooit schijnt een interne memo bij de ChristenUnie aldus zijn gegaan: ‘Uitrollen doen we met tapijt, niet met beleid.’

Update, 21 juni: Vandaag publiceert De Standaard een opiniestuk van een brede groep wetenschappers en artiesten die, de KVS steunend, hun verontwaardiging uitspreken over de banalisering van racisme. De tekst wordt gesierd door een afbeelding van Marouane Fellaini Bakkioui, die op de WK afgelopen week de winnende goal scoorde voor de Rode Duivels tegen Algerije.
De tekst vind ik een sympathiek initiatief, dat de kwestie echter naar een abstracter niveau trekt. Zo kan het in de verklaring en handeling van de KVS alle aporieën wegwuiven, die een licht werpen op minder eensluidende reacties. Op zo’n abstract niveau bestaan slechts evidenties, waartegen kritische bedenkingen pervers zouden zijn. De daartoe benodigde constructie van ‘machtsbastions’, bestaande uit ‘een deel van het Vlaamse establishment’, ‘zelfverklaarde progressieven’ en ‘gevestigde waarden’ die zelfs tegen deze ethische basishouding vijandig zouden staan, getuigt van Calimero-gedrag.
En vermoedelijk zullen beide ‘partijen’ in de concrete reacties ter overzijde de bevestiging zien van hun gelijk. Netto resultaat: selffulfilling prophecy.

dinsdag 10 juni 2014

Mit Grausen


Dat Feyenoord hofleverancier van het Nederlands elftal is, ontging louter misschien Amsterdammers. Helemaal imponeert dat bijna de helft van de selectie op dezelfde Rotterdamse middelbare school heeft gezeten. Daar is dus geen team voor daklozen uit voortgekomen.
Bij die mannen klopt een resem aan etnische achtergronden in de borst, waarmee uiteraard een internationale trend wordt gevolgd. Uit een schitterende documentaire over zijn eerste regeerperiode bleek dat Van Gaal voor de teamgeest van zijn selectie verlangde het volkslied mee te zingen, maar dat lijkt nu werkelijk raar. Zoals de voertaal bij de Rode Duivels evengoed Engels kan zijn. In dat opzicht is de FIFA-slogan ‘ALL IN ONE RHYTHM™’, waarin menig cliché over gastland Brazilië is vervat, wel goochem. Temeer daar de hoofdsponsor niet heeft gekozen voor one global brand, maar vele merken met eigen associaties op de markt gezet heeft.
Die posthomogeniteit, waardoor in de voorbeschouwingen als sterspeler van Duitsland geregeld de naam van Mesut Özil valt, is fenomenaal in het licht van de Nederlandse wereldgeschiedenis ter zake, met de oeroorlog van 1974 – van Jongbloed tot Bonhof.
Berti Vogts, beter bekend als De Man Die Johan Cruyff Toen Vloerde, bleek weinig later voor zijn afscheidswedstrijd aanspraak te hebben gemaakt op de recette en op de huur van het stadion. Hiermee ging de gemeente Mönchengladbach niet akkoord, wat Bild tot deze redenatie verleidde: ‘Wenn er den Ball links oder rechts schlug – haben Sie da an SPD, FDP oder CDU gedacht? Sicher nicht. Aber Berti denkt jetzt an SPD- und FDP-Ratsherren seiner Stadt. Mit Grausen. (...) Weil Berti sich immer zur CDU bekannt hat.’
Mij kwam dit onder ogen bij Günter Wallraff, die niet vermeldt dat Cruyff de opbrengst van zijn benefietwedstrijd aan het Kankerfonds schonk. Wel snap ik sinds kort de gevoeligheid van Vogts afscheid. Zijn club Borussia Mönchengladbach bleek in die jaren de linkse tegenpool van Bayern. Dat zei Gerhard Vinnai, in een terugblik op zijn Fußballsport als Ideologie uit 1970. In dat boek valt te lezen dat Uwe Seeler, voor kiezers ook wel ‘Uwe’, door de socialistische partij werd uitgespeeld als troef.
Bij Voetbalsport als ideologie voelt de auteur, een sociaal-psycholoog, zich vier decennia na dato wat ongemakkelijk. Volgens de inleiding blijkt het spelletje bepaalde affecten te vieren en andere te onderdrukken. Als massa-evenement zou het in hooggeïndustrialiseerde en laatkapitalistische landen gedrag sturen en, sterker dan in de Derde Wereld kan, solidariteit tegengaan: ‘Wat gescoord wordt in de wedstrijd gaat bij de onderdrukten in eigen doel’. Eerst zou voetbal agressiviteit kanaliseren, opgewekt door systematische uitbuiting. Daarom is een ‘cultuurrevolutionaire communicatiestrategie’ nodig.
Om te beginnen stelt Vinnai vast dat voetbal de kapitalistische verhoudingen stabiliseert. Hij bewijst dat met een jargon dat vertrouwd aandoet: ‘werken aan de conditie’, ‘werken met de bal’, ‘spelersmateriaal’. Het zou de band met arbeidsprestaties verdoezelen (en met militaire technologie), zodat winst het oogmerk is van alle activiteiten. Wie dan de ‘vorm’ niet heeft, wordt uit de wedstrijd gehaald, geofferd aan het collectief.
Spelers hebben geen notie van de onvrijheid en het systeem waarin ze opereren. Bij ‘techniek’ snappen ze niet dat hun motoriek doelgerichtheid van het menselijk lichaam aanduidt. Vinnai noemt in dat kader het taylorisme, dat arbeidsbewegingen heeft gerationaliseerd om het rendement te verhogen. Als gewenning optreedt met de maximale capaciteit, wordt het lichaam een automaat dat de tactiek kan uitvoeren.
Historisch blijkt voetbal fysiek steeds sneller te gaan, wat automatismen vereist. Volgens Vinnai worden spelers ‘geprogrammeerd’ om voor situaties vaste oplossingen te geven, volgens een trainersboek ‘antwoordformules die in het zenuwstelsel zijn verankerd’. Die onderwerpingen zouden toeschouwers evengoed uit hun eigen vertechniseerde arbeid kennen. Gemeenschappelijke idolen veroorzaken een supporterslegioen, ‘een surrogaat voor de kameraadschap die uit de spontaniteit van autonome individuen ontstaat en die aan de mensen wordt ontzegd’.
Door identificatie met macht en heerlijkheid van een collectief is er eventjes geen narcistische krenking. Terug komt het zelfrespect waarvan men continu wordt beroofd. Een wedstrijd deblokkeert periodiek frustraties en agressie door ‘affectontlasting’ zonder dat dit sociale structuren vernietigt. Haatexplosies richten zich op vreemde teams of hun fans.
Overigens zegt Vinnai dat ‘beherrsschen’ geen equivalent heeft voor het andere geslacht: ‘befrauen’ bestaat niet. Het zijn bij voetbal dan ook de spieren die worden gestaald, plus het incasseringsvermogen bij grove charges. Hij meldt dat de belangstelling voor voetbal bij de man taant na het huwelijk (en dat baron Pierre de Coubertin, ideoloog van de Olympische Spelen volgens wie meedoen belangrijker zou zijn dan winnen, een overtuigd militarist was).
In dit arbeidsproces is de werkman een levenloos aanhangsel van de machinerie. Historisch blijkt de dribble teruggedrongen, als te individualistisch of autonoom. Vinnai ontwaart voor de verhoudingen binnen het laatkapitalisme dan ook een opgelegde regressie. Afwijkingen van de discipline worden niet getolereerd. De speler moet opdrachten uitvoeren. Ruimtelijk wordt zijn actieradius begrensd binnen de elftalstructuur. Vinnai signaleert de psycholoog annex ‘zenuwarts’ bij sportprocessen. Deze kent het privéleven van de spelers, de thuissituatie en levenswandel, om te kunnen taxeren hoe reacties, gevoelens en hartstochten zijn.
Achterhaald lijkt dan weer Vinnais overtuiging dat, door de wijde mediale verbreiding van profvoetbal, het minder perfecte spel van amateurs geen interesse opwekt. Ik zou menen dat het onvolmaakte, onder het mom van authenticiteit, terug in de picture staat, desnoods voor een reality show.
De slotconclusie moet zijn: ‘Onder regie van een organiserende bureaucratie zorgt de sport net als de overige manifestaties van de cultuurindustrie voor de identificatie van de mensen met de bestaande normen en de verhoudingen die daarachter schuilen. Niet-aangepast gedrag is uit den boze op het sportveld, waar men tot in de meest subtiele psychische roerselen wordt opgevoed tot conformisme. Wat na de vernietiging van de utopische en kritische momenten overblijft van wat eens ideologie was, is (…) slechts het model van een gedrag dat zich voegt naar de overmacht der omstandigheden.’
Achteraf vindt Vinnai zijn bevindingen te recht in de leer, in het spoor van sportfilosofie à la Adorno die natuurlijk nooit een balletje had getrapt. Mij valt op dat ondanks de disciplineringsprocessen juist voetbalsterren, uit alle milieus, larger than life geworden zijn, zodat clubs en coaches in hun dienst lijken.
Vinnai’s hedendaagse evenknie René van der Gijp zou smakelijk om Fußballsport als Ideologie kunnen lachen. Maar juist door hun onversnedenheid ontroeren de stellingnames, een requiem voor een bepaald denken. Ironisch genoeg moet er een markt voor zijn geweest. Na twee jaar verscheen er al een vertaling door Peter Kaaij bij Meulenhoff.
Het was ook in 1972 dat Cruyff een betaalde voetbalclub vergeleek met ‘een soort toneelgezelschap in de (semi-)vrije sector, waarbij de leden van het gezelschap evenveel risico lopen als hun leiders’. Hij waarschuwde dat goede spelers vertrekken uit Nederland, omdat elders het belastingklimaat gunstiger was. ‘Dat dus de passieve recreatie in het gedrang komt. Ik dacht dat de overheid, die wel dure orkesten en toneelgezelschappen op de been houdt, aan dit probleem aandacht moet besteden.’
Toen moest de Amsterdamse heiland Feyenoord nog gaan verlichten.

maandag 2 juni 2014

Witte olifanten (in gele truien)


Het bericht vandaag dat koning Juan Carlos terugtreed, deed me beseffen dat ik niet wist dat de man nog leefde. Even later schoten me redelijk recente jachtfoto’s te binnen waarop hij stond afgebeeld met een verslagen olifant. Ik had me bezondigd aan een uitdrukking die me prompt werd geleerd: het negeren van de (witte) olifant in de kamer.
Vrij zeker is dat de koning op de troon kwam na het terugtreden van Franco. Aan het pijnlijke proces dat daaraan voorafging, heb ik wel een herinnering. Om precies te zijn refereert Duco Hellema in Nederland en de jaren zeventig aan de toespraak van Den Uyl bij een demonstratie in december 1975 te Utrecht, met megafoon op een auto, tegen het Franco-regime: ‘dat liggen in de zon aan de Costa Brava verraad is’.
Een fraai staaltje van wat ik nu als links populisme zou betitelen. In genoemd decennium bestond vooral – vermoed ik, het onderzoek moet nog worden gedaan – rechts populisme. Zoals van liberaal Hans Wiegel, in 1971 als ‘hyperintelligente boer Koekoek’ geïnstalleerd om ‘in te spelen op onbewuste emoties’ van potentiële kiezers, en wiens zekerheden over steunfraude en over socialist Den Uyl die Sinterklaas was, gretig aftrek vonden.
De grootste populist van die tijd ontwaart Hellema echter in de figuur van Dries van Agt, die als katholiek destijds echter de kerk in het midden heette te houden en heden opgeschoven is in de richting van Den Uyl. Waar geen hond meer weet dat zijn Ethisch Reveil uit 1977 zich kantte tegen ‘de morele verwording van Nederland’, is in het nationale geheugen opgenomen dat Van Agt het ene toneelstuk na het andere opvoerde over zijn liefde voor de fiets, die hem zelfs op het podium bij Joop Zoetemelk bracht toen deze de Tour won.
Inmiddels moet ik echter ook denken aan een liefde voor de fiets die destijds uitgesproken werd in de talkshow van Sonja Barend. Daar werd een maniakale cyclist live door zijn vrouw voor de keuze gesteld: zij in zijn bed of zijn racefiets.
Helaas koos hij goudeerlijk (maar weinig complimenteus voor de vrouw).
Men projecteert in de verontwaardiging over vanzelfsprekendheden van fatsoen en recht wat af, maar was die keus onaannemelijk of utopisch? Sinds vandaag moet ik het antwoord schuldig blijven. Dat komt niet, met alle respect voor zijn jachtgeweer, door Juan Carlos, maar door een jarenoud bericht uit Schotland dat ineens tot de populairste posts behoort op de onvolprezen website van de BBC: er was een van onder ontklede meneer in een hotelbed aangetroffen in compromitterende activiteiten met een rijwiel.
O tijd dat Luis Ocana nog probleemloos van Merckx en Zoetemelk won (mocht hij niet zijn gevallen).

maandag 26 mei 2014

Wat een mooie kajuit


Toen verkiezingen nog geen moeder hadden, schreef Hans Groenewegen een essay naar aanleiding van een ruzie. Punt van geschil was of je door poëzie op jezelf te betrekken, geschiedenis mag instrumentaliseren voor je eigen beperkte doelstellingen. Mij fascineerde Groenewegens zijdelingse constatering dat hij bij een verwant verhit gesprek plots vloeiend Duits was gaan spreken. En dat hij het internaliseren van andere problematieken verwoord zag in een gedicht uit Circulaire systemen: ‘Men roert de eigen roersels op / met een betrekkingswaan.’
De bundel is van de hand van Paul Bogaert en vormt voor mij nog altijd het hoogtepunt van zijn werk. Maar ik ben niet vergeten wat Groenewegen uit het specifieke gedicht begreep: dat je geen poëzie kunt lezen zonder betrekkingswaan. Over het onbepaald lidwoord dat Bogaert in het citaat daarbij invoegt, heeft mijn brein overigens nog geen uitsluitsel gegeven.
Misschien staat Groenewegens overtuiging me ook bij omdat ze bij voorbaat vrijpleit van interpretaties waar de honden geen brood van lusten. Bijvoorbeeld over een gedicht uit Bogaerts recentste bundel Ons verlangen. Het staat ook op de achterflap:

Is dat wel iets

Hij smijt haar op het bed, dat moet,
die coltrui moet uit,
de rest ook, een scheur is niet erg, hij moet snel
met zijn huid
op haar huid gaan liggen; zij is onderkoeld.

Of dat wel iets voor mij is? Natuurlijk.
Als het lukt met die poriën, dan is zij gered!

Ik ben oud genoeg; ik weet
tot welke combinaties deze context leidt.
Ze zweet en ze hoest en ze moet hem nu voelen.
De oranje-bruine kajuit – wat een mooie kajuit – is een kajuit
rond een rat. Voor het leven.


Zonder enig verwijl transporteerde dit gedicht mij naar een scène uit de televisieserie Hollands Glorie uit 1976. Ze ging tussen Hugo Metsers en Josine van Dalsum en wist mijn toenmalige verwarring, aangericht door een misschien wat premature lezing van Turks fruit, op te stuwen tot een hoger stadium – van de visualisering.
Zoals ik het me herinner was op volle zee Josine van Dalsum uit het water opgepikt. Ze was bewusteloos en moest volgens de bemanning onmiddellijk terug op temperatuur worden gebracht. Daartoe werd ze helemaal uitgekleed en op een tafel gelegd. Zeeman Metsers ontdeed zich voor de goede zaak eveneens van zijn plunje en ging op haar liggen. De opwarming duurde een tijdje en toen kwam Van Dalsum bij en keken de twee elkaar aan, in schaamte.
Achteraf valt me natuurlijk op dat deze scène de enige is die me van de televisieserie is bijgebleven. Ik weet verder dat Rudi Falkenhagen ook aan het drama meedeed, maar dat kon ook moeilijk anders: hij was in die tijd niet van het scherm weg te slaan, zoals Metsers en iemand als Peter Faber (en later Derek de Lint) in elke Nederlandse speelfilm opdoken. Wat dat betreft zorgt bij mijn weten alleen Jan Decleir nog voor historische continuïteit.
Maar goed, de leeservaring. Ik besef dat ik al enige jaren materiaal vergaar over ‘de jaren zeventig’. Toch lukt het me zelfs met die wetenschap van vooringenomenheid niet om Bogaerts gedicht te ontknopen uit Hollands Glorie. Ik kan er veeleer tekstuele details mee verbinden. Zoals de oranje-bruine kajuit, een kleurcombinatie die bijna archetypisch is geworden voor ‘de jaren zeventig’.
Bizar bij mijn betrekkingsgewaande Bogaert-interpretatie is bovendien dat het gedicht op de pagina erna, identiek getiteld, doodleuk op het uitgezette spoor verdergaat:

Is dat wel iets

‘Een man heeft een vrouw – wat een storm, zeg –
uit het water gevist
en nu vaart het bloot hier onze living binnen
zoals een groep met handopsteking en groepsdruk
zichzelf tot complete stilte kan dwingen.

Niet dat het stil is.
Over het gedaver van de onderdekse motor
hebben ze Bilitis-muziek gesmeerd.

“Is dat wel iets voor jou?”
Ik herhaal het niet. Ik kan hem niet
extra winteruren blijven breien.

Ik zal dit moment vergeten.
Hij zal, als alles ontgrendeld is, dit decennium
verlaten
, verhuizen, met deze pullover aan
ervaren hoe log een matras wel kan zijn.’


De cursivering is van mij en de Bilitis-muziek is uit hetzelfde jaar 1976.
Kan ik mijn betrekkingswaan blussen? Bijvoorbeeld door vast te stellen dat Paul Bogaert geen weet kan hebben gehad van Hollands Glorie? Oei, hij is zowat van mijn leeftijd en kan bij het zien van naakte lijven ook zonder Turks fruit iets hebben vermoed ‘tot welke combinaties deze context leidt’. Bovendien wil de geschiedschrijving dat in de jaren zeventig Nederlandse zenders dermate interessant waren dat Vlamingen erop afstemden.
Warum müssen sich ein paar Leute mit diesen Pelzen schmücken? Met Hans Groenewegen kan ik er geen ruzie meer over maken (hoewel zijn initialen dezelfde zijn als die van Hollands Glorie).

vrijdag 23 mei 2014

Vogelperspectief


Nu ga ik een verhaal vertellen dat, blijkt na wat surfwerk achteraf, vaak is verteld. Waarom is me dat ontgaan? Het feit dat we omringd zijn geraakt door informatie, omsingeld of gewurgd, kan niet anders dan ruis hebben meegezogen. Wat dan? In Zingen is geluk introduceert Barber van de Pol het begrip ‘fonofilie’, liefde voor geluiden, en dat lijkt een overlevingsstrategie.
Twee andere manieren om met prikkels om te gaan worden, naar we vermoeden, weleens gedemonstreerd door de gourmande: het opzetten van een filosofische blik (met in haar hand de draad van een jojo die op de grond rust) of het trappelen (terwijl ze de handvatten van het springtouw tegen elkaar tikt en er dan mee zwaait).
Maar goed, hier volgt het verhaal.
Onlangs kreeg het taalkundig genie een kluit deeg. Hij heette Herman en hij wou vriendschapskoek worden. Niet niks, maar er zaten instructies bij. Daaruit bleek dat hij traag groeit, op kamertemperatuur, maar door zuurdesem niet kan bederven.
Het ouderhart klopte bij het zien hoe het taalkundig genie Herman over de voorgeschreven periode van tien dagen verzorgde, met roersessies en toevoeging van eenvoudige ingrediënten.
Uiteindelijk aten we Herman met het hele team lekker op, bij de koffie. Een uitspraak over die drank kan trouwens nog een overlevingsstrategie aan het oppervlak brengen: ‘An American version of an Italian evolution of a beverage invented by Arabs brewed from a bean discovered by Africans’. Het draait uiteraard om het overzicht en het historisch perspectief dat er heus niet zelfgenoegzaam uit spreekt.
Een stap verder ging Sir Ken Robinson, die eens een blijkbaar bekende karakteristiek van zijn landgenoten citeerde, de Englishman: ‘Naar huis rijden in een Duitse auto, even stoppen om Belgisch bier en Turkse kebab te kopen of een Indiase afhaalmaaltijd, om de avond daarna door te brengen op Zweeds meubilair en naar Amerikaanse programma’s te kijken op een Japanse tv.’ De noviteit schuilde in een extraatje, dat zelfkritiek behelsde over de ultieme Britse identiteit: ‘Alles wantrouwen dat uit het buitenland komt.’
In de redenatie als geheel gebruikt Robinson het wapen van de paradox, die zowel wijs als grappig als een beetje vermoeiend is. Dat begreep ik althans uit het wedervaren van Herman.
Feitelijk hebben we hem namelijk niet helemaal gegeten, maar voor een vijfde, wat al veel was. De crux was dat het taalkundig genie, vóór afwerking in de oven, vier Hermannetjes in hun deegstadium moest wegschenken.
Een echte daad dus, die liberaal (investeren) en socialistisch (delen) valt te interpreteren. Of religieus, met dank aan een wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging? Zuurdesem heeft van oudsher bijzondere connotaties. Waarschijnlijk in het verlengde daarvan moet ik denken aan een andere Herman, die in zijn meest autobiografische nummer ‘Blue’ vertelde dat hij een wanderer was.
Hoe kijken we, als vogel, vis of mol? Misschien is het in de informatiestroom een basisreflex van de westerse cultuur geworden dat reacties per definitie wisselend zijn, maar het viel op dat de bestemmelingen van de vriendschapskoek, en hun ouders die het voorbeeld schijnen te moeten geven, niet bijster enthousiast de kluit in ontvangst namen. Ik zou kunnen gissen naar de redenen, maar dat zijn mijn zaken niet.
Zelfkritiek, meen ik te hebben begrepen van Robinson, kan niet van anderen komen. Wel ontspringt er dan een conflict met daden van geëngageerde mensen, die nooit aflaten om anderen op hun tekortkomingen te wijzen. De eeuwige wedervraag aan hen luidt vervolgens: en jijzelf dan?
Daarom was een interview met babyboomer Joni Mitchell over babyboomers misschien ook zo groots, ze ‘zag het rond zich gebeuren’.
Alleen al voor haar zou iedereen fonofilie mogen ontwikkelen.
Rijmt het met mijn ethiek dat ik me niet wil afvragen waarom er Hermannetjes feitelijk worden uitgesloten? Door de rouw bij de gedachte dat er linea recta in vuilnisbakken zijn beland? Maar ook daar kunnen Hermannetjes voer zijn.

woensdag 30 april 2014

Elite tegen elite: een uitnodiging

Ik zou graag eens een posting met ik beginnen. Dat zou nu helemaal gepast zijn, omdat mijn eigenbelang ermee is gediend dat de navolgende woorden ter harte genomen worden.
Graag nodig ik u, beminde lezer en criticus, uit om commentaar te geven op mijn jongste publicatie op mijn digitale archief. Dat artikel bevat stof voor een boek waaraan ik sinds 2008 werk. Mede met steun trouwens van het Vlaams Fonds van de Letteren, dus het is ook in het belang van burgers dat die tekst een beetje de moeite waard wordt.
Het artikel probeert parallellen te trekken tussen poëticale opvattingen van Leo Tolstoi en Gerrit Komrij, als geformuleerd in respectievelijk Wat is kunst? en Kunstwonderen. Op zoek naar de drijfveren van de moderne kunstmarkt en van de terreur die design heet.
Tussen die boeken ligt een eeuw. Mijn stelling is dat de constante ligt in twee punten van twijfel: aan de integriteit van zich vooruitstrevend achtende kunstenaars en hun beoordelaars, én aan het nut en de waarde van hun producten voor de samenleving. Bij die ingrijpende kritiek hebben Tolstoi en Komrij verder gemeen dat ze een centrum veronderstellen, waarvan ze zelf deel uitmaken. Ten slotte ontwaar ik een methodische overeenkomst. Om hun punt te maken zetten de twee auteurs populistische middelen in.
Ik kan niet beoordelen of mijn betoog hout snijdt. Wel dat ik bepaalde punten niet uitgeklaard kreeg. Daarvan is het belangrijkste dat mij ontglipt of Tolstoi nu links of rechts populisme bedrijft. Die wat onnozel klinkende etikettenvraag vind ik gewichtig, omdat mijn betoog iets wil opsteken van het hedendaagse cultuurpolitieke domein, grofweg het onderwerp van mijn boek. De Tolstoi-Komrij-materie zou historisch vergelijkingsmateriaal moeten aanleveren voor mijn behandeling van enige recente publieke debatten.
Links-rechts-tegenstellingen zijn verscherpt. Ik begon aan mijn boek naar aanleiding van de euthanasie van Hugo Claus, de vermeende veroordeling daarvan door kardinaal Danneels, de kritiek daarop van Erwin Mortier, enz. Met name bekeek ik de strijd zoals die op het internet werd en wordt uitgevochten, ook in comments. Daar zit van alles aan vast, waarvan ik geregeld verslag heb gedaan.
Steeds speelden ideologieën mee. Stond destijds Yves Leterme in het brandpunt van hoon en bijval, inmiddels zorgt de N-VA voor conflictstof. Blijvende factor ter overzijde is vooralsnog Guy Verhofstadt.
Inmiddels lijkt er een onoverbrugbare kloof ontstaan, waarbij het publieke debat minder door politici dan door opiniemakers gedomineerd wordt. Ze weten elke kwestie tot geestesgesteldheden te herleiden. Terecht is opgemerkt dat daarbij veel energie wegvloeit naar zelfgeschapen karikaturen van de tegenstander.
Onlangs zette een Italiaanse ex-president zijn grappig bedoelde opmerkingen over ‘de Duitsers’ voort door te stellen dat voor hen nooit concentratiekampen bestaan hebben, terwijl een Vlaamse intellectueel het Antwerpse N-VA-beleid tegenover werklozen vergeleek met ‘dwangarbeid’. Ik zou niet weten of hier retorisch verschil tussen zit. Maar wellicht ben ik in die bekentenis zelf populist.
Mijn opvattingen horen in het linkse kamp thuis, maar ik betrap me erop dat mijn sympathie taant voor de vorm waarin sommigen hun idealisme gieten. Die vaststelling beschaamt me, omdat ze een cliché bevestigt: liever een uit de bocht vliegende conversatie dan een donderpreek. Ik kan het ook formuleren in termen van mijn Tolstoi-twijfel: rechts populisme verdraag ik beter dan links populisme. Omdat links op basis van inclusiviteit iets aan de maatschappij wil veranderen en daarbij meteen taal van haar bestendigingen ontdoet?
Tegenover Leterme hanteerden ze nog een corpsballerige meewarigheid, maar nu zie ik intelligente mensen, die zich bij hun pleidooien amper impliciet beroemen op hun ruimdenkendheid, de meest vanzelfsprekende minachting over de N-VA uitserveren. Niet anders dan geobsedeerd valt de houding te noemen waarmee ze Bart De Wever als een ziektegeval behandelen en Liesbeth Homans met seksisme besproeien.
Welke effecten willen hun analyses eigenlijk sorteren?
Onlangs maakte ik een treinreis met ongunstige overstappen. In mijn tas stak Benno Barnards Dagboek van een landjonker. In die verzameling blogstukken stond veel waarmee ik het hartgrondig oneens ben, maar met de lectuur beleefde ik aangename uren. Wat mij voorkwam als onzin, werd in elk geval puntig geformuleerd. Dat talent is weinigen gegeven, al denken velen er over te beschikken. Ook vergt stijl een permanent onderhoud. In dat opzicht bevindt Komrijs Kunstwonderen zich in een pijnlijk stadium, temeer daar zijn specialiteit was iemand te pakken op geïsoleerde zinnetjes.
Een van Barnards koppen van Jut is Jan Blommaert, die als ‘professor’ door de auteur zelf denkelijk met niet eens serieus genomen strafwerk in de hoek wordt gezet. Het geschil schuilt in laatste instantie minder in ideologie dan in taalgebruik (incl. toon). Beiden hebben de gewoonte om zowel op de bal als op de man te spelen, en de een doet dat handiger dan de ander.
Hier dunkt mij dat tragisch, omdat Blommaert deskundig is in ‘het debat’ én omdat hij veel meer maatschappelijke ambities heeft. Zijn ideeën over superdiversiteit veronderstellen een eenheid die hij tegenover N-VA-sympathisanten ondermijnt met uithalen. Die interventies versterken bij de getroffenen het gevoel dat ze moreel minderwaardig worden geacht. Bij uiting van die indruk krijgen ze een trap met de psychologiserende diagnose voor Calimero te spelen. Om het gemekker over dat televisie-eendje te framen hoeft er louter nog een screentest te komen voor de minst empathische geit.
Soort zoekt soort, beweerden Tolstoi en Komrij (tegen de eigen soort). Dat is misschien een makkelijk verwijt, maar lastig weerlegbaar.
Ooit vond ik het een geweldig compliment dat een vooraanstaand recensent me toevertrouwde een boek van mij na een halve pagina al door de kamer te hebben geslingerd. Inmiddels kan ik er minder om lachen. Vandaar dat ik u, beminde lezer en criticus, waag te vragen om mijn jongste artikel van suggesties en verbeteringen te voorzien.
Op mijn blog heeft eerder zo’n verzoek gestaan. Die keer is mij goed bevallen. Wel bleek dat de publieke ruimte van comments, die hier erg toepasselijk is, niet iedereen vertrouwen inboezemt. Wie liever een andere weg verkiest, zou ik even dankbaar zijn.

zaterdag 19 april 2014

Net als in de film (ik wil het)


En zo geschiedde het dat, in de zestiende week van het jaar 2014, we rondliepen in Prenzlauer Berg. Basaal begrepen we waarom die voormalige DDR-buurt de overigens betwiste bijnaam Pregnancy Hill draagt. En waarom het een paradepaardje heet van gentrificatie.
Voor de kinderen was het een paradijs: speeltuinen tot en met. Maar toen we hun onze belofte gestand wilden doen van een bak friet met iets vlezigs, liepen we verloren rond. Het wemelde van de psycho- en fysiotherapeutische ruimten (met keuze tussen ‘zwei oder vier Hände’) en brocantes, maar op het vlak van eten was het aanbod monomaan. Voor biowinkels, echte Italianen en dito Vietnamese en Thaise restaurants was geen ongezond alternatief.
Uiteindelijk stuitten we op een hamburgerzaak van vriendelijke, potig uitziende heren. Bij de bestelling moest ik schroom weghappen toen het taalkundig genie wees op de kok en riep: ‘Kijk, die meneer heeft een ring door zijn neus’. Maar alles wat ze zegt bedoelt ze registrerend.
Megaflessen ketchup en mayo en een keukenrol stonden op het terras. Vanaf daar konden we de bestelling, tot in detail opgesomd, ophalen bij de bar. Die mededeling kwam uit een megafoon. Alsof de kok rechtstreeks van een demonstratie kwam waarbij hij verhoging van leeflonen had geëist.
Ja, dit is een cliché. Het paarde zich platonisch aan mijn besef dat hier evengoed een niche uitgebaat werd, zoals in die fijne groteske Soul kitchen van Fatih Akin waar zelfs de aftiteling retro was. Het concept van de hamburger, uitgedragen door een of andere keten uit Amerika, krijgt een ander scenario waarbij de klant onvermijdelijk een personage wordt.
De stoere mannen bleken de catering te doen bij bijeenkomsten van Harley Davidson-fanaten, niet de minst draagkrachtigen. En de menukaart had van elke burger een biologische variant en bood meerdere vegetarische burgers.
Plots viel bij mij het kwartje (of de franc) dat de meeste klanten hip oogden. En kinderen, in gezelschap van besmuikt lachende ouders, zelfs peperduur. Thuis ontdekten we op meer websites dat de hamburgerbar momenteel the place to be is of the talk of the town of hoe heet zoiets eigenlijk.
Vooral viel op hoe blank de buurt als geheel is. Waar zijn de immigranten? Mij werd verteld dat bij koude er zwervers in portieken slapen en dat er uit afvalbakken wordt gesnoept – maar vertelt dat meteen niet iets over de welvaart ter plekke? Wie houden daar de nachtwinkels open?
We liepen ook iets verderop in Friedrichshain, rond de Warschauer Straße, waar nog zoiets als een alternatieve scene grijnsde, maar een enorme Veganistische Groothandel annex Restaurant de eerste signalen afgaf van een tegenhegemonie. Wellicht knepen we te zacht in onze arm.
Uiteindelijk belandden we halverwege, op de Karl-Marx-Allee, alwaar ondanks onszelf onder de indruk van een ritmische kitsch. Ze leidde tot vergapen, aan gigantische, van symboolopsmuk voorziene woonkazernes aan de oeverbrede tweebaansweg, waar tanks elk moment uit leken op te doemen.
We werden aangesproken door een mevrouw die zei in 1952 nog zelf de stenen voor haar appartement te hebben gekapt en gedragen. Ze had gewerkt als lerares en beklaagde zich over de cirkelgang van de geschiedenis, nu Duitsland wederom de wereldveroveraar uithing. Daarbij gebruikte ze termen als kapitalisme en fascisme.
Weinig complimenteus was ze eveneens over Angela Merkel, die ze een verrader van de DDR vond. Overal hingen nota bene aanplakbiljetten van de partij van de bondskanselier, steevast in combinatie met Europa en steevast vergezeld door antiteksten van Die Linke.
Meteen daarop peripateerde het taalkundig genie over haar jongste ervaring: dat ze niet goed weet of ze leeft of dat ze in een lange droom zit. Ze hoopt het eerste, maar het tweede geeft aan dat er een schrijver in haar broedt. Sterker nog, afgelopen weekend schreef ze in anderhalf uur twee boeken.
Ik ben trots dat ze met fragmenten daaruit hier op deze blog debuteert. Eerst een exclusieve voorpublicatie uit Het verhaal van prinsesia:

(…) Die prins noemde prins Roevus. Iedereen wilde hem al zien. Maar dat kon niet. Want ze moeste van juf Flora gedult hebe. Maar ze wilden geen gedult hebe. Ze wilde alle vijf trouwe met de prins. En daarom riep ze alle vijf ik wil met de prins trouwe nee ik wil met de prins trouwe nee ik wil met de prins trouwe. En zo ging het maar door. Tot juf Flora zij stop prinsesen. (…)


En dan nu uit De paashaas en zijn gesmolte paaseiere:

De paashaas zag hoe de paaskloke zoekte naar chocolade. Maar ze vonde niks. Maar de paashaas hat een idee. Ik ga naar de kipe. En dan pak ik de eiere. Ik sgilder de eiere. En dan doe ik er een papiertje ront.


Misschien kan iemand literair agent Paul Sebes inseinen, die onlangs een achtjarige heeft gecontracteerd? Het taalkundig genie is net zeven, kan een radslag afronden in een loodrechte hoek, heeft verregaande ontologische inzichten over Jezus en leest de oeuvres van B. van Wijckmade en Annie M.G. Schmidt. En natuurlijk zou ze kunnen meedrijven op mijn internationale bekendheid.
Momenteel verricht ze research voor De paashaas komt (werktitel).
Eventueel kan Sebes, tegen een bescheiden meerpercentage, de gourmande mee in het pakket stoppen. Die is drie en leest en schrijft nog niet, maar doet iets veel rendabelers: ze imiteert die handelingen. Wel ziet ze weinig toekomst in het handwerk van haar zus en ze zeurt al weken om een computer.
Andere selling points aan de gourmande zijn haar blonde golvende haar en haar eis overal een zonnebril te dragen. Nog even en de Nederlandse literatuur heeft haar eigen Brigitte Bardot, zodat de echte zich definitief om bruine en witte hazen kan bekommeren.

vrijdag 11 april 2014

Ik is een presentatie


Onlangs wist Antwerpen heel wat pennen, harten en maagzuur in beweging te krijgen door in een (Engels getiteld) promotiefilmpje de stad een roomblanke aanblik te geven. Indien het doel was geweest aandacht te genereren, dan kon de opzet geslaagd heten.
Beduidend minder was het multiculturalistische facet ermee gediend. Het tegenvoorbeeld, op klanken van Pharell Williams, was echter van een deprimerend optimisme: de tentoongestelde nationaliteiten waren vrolijk, dansten allemaal en waren niet bejaard.
Ik moest denken aan een imposant gedicht, dat op zijn manier ook aan citymarketing doet. Het begint zo:

Telkens moet ik van je houden,
omdat je het zo werkelijk mij
vreemde bent; even vreemd haast

als mij mijn kern (…)


De Surinaams-Nederlandse dichter Hans Faverey nam het op in een reeks ‘Persephone, herrezen’. De mythische koningin van de onderwereld is even op aarde, ten prooi aan blikken van stervelingen. Over haar weigert de dichter in algemeenheden te spreken. Het vreemde strekt zich misschien uit tot de wereld en de taal waarin hij zich moet uitdrukken. Minder schematisch dan de Antwerpse voorbeelden trekt al dat vreemde hem aan, omdat hij zichzelf evenmin doorgrondt, wat uiteindelijk ook een algemeenheid is.
Nu heeft Antwerpens neefje Mechelen eveneens een filmpje over identiteit aan de ogen van burgers en toeristen prijsgegeven. Onder het thema Vijftig jaar diversiteit valt op hoe constructief deze provincieplaats de mensheid tegemoet treedt: ‘Elke Mechelaar heeft een eigen verhaal. Elk van ons is uniek. Samen creëren we iets moois ... Mechelen, een bijzondere stad met wortels in 128 landen.’
Kwaadwilligen kunnen hier doorgeschoten tolerantie in ontwaren, van ‘de jaren zeventig’ toen er aan professioneel potverteren zou zijn gedaan. Aan het eind van dat decennium kwamen de filosofen Gilles Deleuze en Félix Guattari nota bene aanzetten met een paar mobiele wortels, die ze rizomen noemden.
Mechelen draait die beweging om, en plant de wortels vriendelijk maar onvrijblijvend binnen de gemeentegrenzen. Dat is, geloof ik, een impliciete kritiek, die door kunstsocioloog Pascal Gielen verbonden is met een ‘neoliberaal’ arbeidsethos. Daar hangt boven een tijdelijk contract wierook van heiligheid, met flexibiliteit als god. Er hoort een omgang bij die van mensen contacten en concurrenten maakt, binnen of buiten LinkedIn:

‘“Netwerken” als werkwoord houdt altijd een vorm van zelfverwijdering in. Het verhindert wortel schieten. Rizomen zijn inderdaad geen wortels. Bodemvastheid heet in de natte, vlakke wereld van het postfordisme “nostalgie”, “rigiditeit”, “inflexibiliteit”, of soms zelfs “fundamentalisme”.’


Hier toont zich een van de paradoxen rond het diversiteitsdebat. Mensen die om wat voor reden ook iets willen vastleggen, mogen rekenen op ruimhartige minachting en onverdraagzaamheid. De andere paradox is dat ze het zelf zoeken in verboden en quota, waarbij ze zich in laatste instantie beroepen op de vrijheid van meningsuiting.
Tegen die wat harteloze etiquettes toont Mechelen, pragmatisch, vooral aangezichten, eerst van allochtonen en dan van autochtonen. Hun beloofde eigen verhalen zijn down to earth, praktisch en, zoals dat in Nederland heet, gezellig.
Voor tegenstanders zal de stemming bijna te blijmoedig zijn, terwijl het taalgebruik eerder postideologisch aandoet, met daadkrachtige werkwoorden als ‘creëren’ en ‘vormgeven aan’. In de ideologische fase werden de voordelen van multiculturaliteit veeleer zalvend aan de man gebracht. Paternalistisch klonk in Nederland de dubbelzinnigheid van de aanbeveling ‘kleurrijk’.
Later werd Ahmed Aboutaleb een wel erg zwaar gemarket schoolvoorbeeld van geslaagde integratie. Hij kan amper nog namens zichzelf spreken. Rotterdam, waarvan hij burgemeester is, laat zich voorstaan op de kwantiteit van talen die er gesproken worden. Overigens vertoont deze havenstad in haar metropolische aandrift en haar houding tegenover de hoofdstad overeenkomsten met Antwerpen.
Een ander staaltje Vlaamse zelfpromotie haalde zelfs de Nederlandse pers. Een werkeloos 22-jarig meisje had bij wijze van open sollicitatie zichzelf te huur gezet op de site 2dehands.be. In een mum van tijd had ze vele reacties van werkgevers gekregen, en van de pers dus.
Nochtans vroeg ze minimaal 2250 euro per maand. Daar komt geen consultant, koppelbaas of voetballer voor uit zijn bed, en een diversiteitsambtenaar misschien evenmin, maar heel wat geschoolde arbeiders zouden ervoor tekenen.
Wilde het meisje het nog altijd bestaande inkomensverschil tussen mannen en vrouwen aan de kaak stellen? Het slinkt en soms begint het kostwinnerschap tussen de geslachten te wisselen.
Geestig was dat het meisje van de deskundigen onder aan het artikel in Nederland terstond commentaar kreeg over haar blijkbaar profijtelijke uiterlijk. De journalist meldde dan weer dat ze weinig vakopleiding genoten had, maar ‘creatief’ overkwam.
Ook dat epitheton behandelt Pascal Gielen, en wederom niet gunstig. Hij spreekt zelfs van ‘lucreatief’ en bedoelt daar onkritisch ‘probleemoplossend’ beroepsgedrag mee, dat elke politieke context versmaadt.
Het contrast was bovendien groot met een andere sollicitatiegetuigenis, ironischerwijs van een jonge Nederlandse in Vlaanderen. Met haar hadden zich meer dan honderd mensen kandidaat gesteld voor een functie die in principe één maand zou duren. Ze redde het niet.
Onlangs las ik E.F. Schumachers boek Small is Beautiful uit 1973. Het stemde pessimistisch omdat voorspellingen over blinde economische groei in combinatie met een uitputting van de aarde zijn uitgekomen.
Toch bespeurde ik vooruitgang, blijkens deze stelling:

‘Als een koper een koopje zou weigeren omdat hij zou vermoeden dat de lage prijs van de goederen in kwestie berustte op uitbuiting of andere verwerpelijke praktijken (behalve diefstal), zou hij zich blootstellen aan de kritiek zich “oneconomisch” te gedragen en dat komt erop neer dat hij in ongenade valt. Economen en anderen plegen zulk excentriek gedrag met spot, zo niet met verontwaardiging, te bejegenen.’


Veertig jaar later is onder hen die het zich kunnen veroorloven, onder en boven de Moerdijk, shoppen of statten inderdaad een topsport. Toch bestaat er nu een Fair Wear Foundation (FWF) en een Schone Kleren Kampagne (SKK).
Is het daarom tijd om een lijst aan te leggen met woorden die verantwoord succes garanderen? Ook is er de beroemdste regel uit de moderne poëzie, van Arthur Rimbaud: ‘Je est un autre’. Alleen weet ik niet of er buiten managementcongressen nog vraag is naar zieners. Rimbaud zelf zwoer de poëzie af en ging zwerven. Zou hij Persephone nog zijn tegengekomen?

donderdag 3 april 2014

A-Changing?


Gerard van Westerloos verzamelbundel Niet spreken met de bestuurder (2003) is bekend vanwege het titelstuk uit 1984, geschreven in samenwerking met Emma Verhey. In die reportage over een Amsterdamse tramlijn, ook door immigranten gebruikt, zou achteraf bezien reeds de kloof tussen het zogeheten gewone volk en de hen vertegenwoordigende partijen zichtbaar zijn geworden.
Fameus is verder de reportage over de PvdA-fractie ten tijde van Ad Melkert, vlak voor de moord op Pim Fortuyn. Daarin zegt Ella Kalsbeek naar aanleiding van Scheffers terstond roemruchte artikel over het zogenaamde multiculturele drama: ‘Allemaal intellectuele bevrediging. Dat kan ik niet terugvertalen naar wat er gedaan moet worden’.
Voor iedereen was en is het een ingewikkeld debat, waarvan Willem Schinkel later, in De gedroomde samenleving, zou vaststellen: ‘Iedere spreker is volledig afhankelijk van het totale discours in de mogelijkheid te communiceren en in de mogelijkheid een strategische positie in te nemen. (…) Dat betekent dat men maar zo ver kan afwijken als de parameters van het discours toestaan. Wie te ver afwijkt – wie bijvoorbeeld in het geheel niet over integratie wil spreken maar een volledig alternatief vocabulaire voorstaat – wordt niet gehoord. Dat geldt voor de aandacht die zulk spreken krijgt in de media, voor politiek en beleid, en het geldt ook voor de wetenschap. Ook de wetenschap kent een censuur die behelst dat “de problemen” alleen echt aan de orde gesteld kunnen worden met behulp van het dominante vocabulaire.’
Wie vond ook alweer dat deze of gene zijn taal niet sprak?
Van Westerloos bundel bevat eveneens een reportage over de jongste lichting politici van toen, vlak na de moord op Pim Fortuyn die, wordt tevens in Niet spreken met de bestuurder gesteld, een ander taalgebruik en een explicietere politiek opleverde. Tot die nieuwe politici behoorden toen Mark Rutte, Agnes Kant, Diederik Samsom en Femke Halsema.
Samsom kant zich tegen ‘het Haagse systeem’ en wil de politieke zeden en gewoonten door de mangel halen. Agnes Kant weet echter dat het mensen trekt ‘die weinig ambitie hebben en een minimum aan lef’. Rutte vindt dat de Tweede Kamer wel toekan met de helft van het aantal leden. Dat zou de discussie verlevendigden tot grote thema’s en geen oeverloze details voor het voetlicht halen.
Ook openhartig toont Rutte zich over iets anders, dat evenzeer het politieke systeem en de poppetjes aangaat: ‘Ik geloof in een vrije markt voor alles, maar die banenmarkt, die is in Nederland gesloten.’ Hij neemt zich ook voor zelf niet meer dan vier jaar het kamerwerk te doen, tenzij hij het kan combineren met een deeltijdbaan in de maatschappij. Dat heeft hij gedaan.
Ik moest hieraan denken bij mijn comeback gisteren op een voorlichtingsvergadering in mijn woonwijk over een aanstaande, ingrijpende renovatie aan een toegangsweg. Winkeliers en wat heet het volk waren ruimschoots aanwezig. In tegenstelling tot de allochtone medemens, laat staan tot de gegoede Vlaamse middenklasse die, met een – voor een Noord-Nederlander als ik – ongrijpbare bricolage van de geest, haar plan wel trekt.
Voorspelbaar was dat de verantwoordelijke schepen, van een partij die het allemaal anders zou gaan doen dan de gevestigde orde, een falikante infrastructurele mislukking terugvoerde op het vorige bestuur. Als gevolg daarvan had een negen meter brede kippenkraam het veld moeten ruimen naar de toegangsweg en zoals het er nu naar uitziet kan het in ‘het nieuwe plaatje’ evenmin een plekje vinden.
Ik moest eigenlijk ook denken aan een fragment uit Gospels en psalmen van Erik Jan Harmens: ‘je maakt geen ruzie met de tumorlijer / dus bestrijd je de verlichter van zijn pijn’.
Werkelijk teleurstellend vond ik namelijk dat het publiek, bij voorbaat aangebrand, bijna uitsluitend verontwaardiging loosde over parkeerplaatsen voor hun eigen auto(’s) en ervan uitging dat ‘het studiebureau’ van toeten of blazen wist. Des te aangrijpender was het dat de ingenieur van dat bureau zich voorafgaand aan zijn uitleg excuseerde voor zijn Limburgs accent.