donderdag 4 februari 2016

Hulp


In haar belangrijke en veelbesproken open brief aan Nederland schrijft verslaggever Nadia Ezzeroili over de speelse bijdehante stem uit mijn jeugd’. Mijn spellingscontrole zet een vermanend golvend lijntje onder ‘bijdehante’, Maar wat is er mis met dat woord?

Ik weet het niet. Een blik op Van Dale leert me evenmin iets.

Door lang naar het woord te staren begin ik het wel enigszins vreemd te vinden. Waarom worden bijvoeglijk naamwoorden als goed en rond, verstoord, onderkoeld wel verbogen als goede en ronde, verstoorde, onderkoelde? Wat is er dus zo bijzonder aan ‘bijdehand’ dat het niet ‘bijdehande’ wordt?

(En waarom denk ik meteen dat ik iets elementairs over het hoofd zie? Ben ik ‘bang dat ik op een gegeven moment ontmaskerd word’? Of dat Het is begonnen nu ik bij reflexmatig gebruik steeds vaker de namen van mijn twee dochters door elkaar haal?)

Het verbaast me dan weer niet dat Ezzeroili voor een brief heeft gekozen om haar punt te maken. Ooit berichtte ik al over de om zich heen grijpende aandrang om verontwaardiging in die vorm te stileren; gisteren besefte ik dat deze neiging een traditie heeft van pakweg Kafka’s Brief aan vader over Het einde van Amerika door Naomi Wolf tot Ta-Nehisi Coates’ Tussen de wereld en mij.

Ezzeroilis betoog, en de consequentie die ze eruit trekt, vertoont een paradox van meer strijdteksten tegen racisme: ze generaliseren dusdanig vanzelfsprekend over daders dat het verwijt een beetje terugslaat (de boemerang van het gelijk). Toch beroert deze open brief mij. Ezzeroili onderscheidt de stem uit haar jeugd van ‘de behoedzame, zakelijke stem die ik gebruik in de buitenwereld’ – die ze verbindt met de hogere blanke middenklasse.

Ik moest denken aan de film Caterina va in città van Paolo Virzi. Over een dertienjarig meisje uit de provincie dat in de grote stad met die klasse in aanraking komt. Zonder uitgesproken eigenschappen laat ze zich meeslepen, maar nooit te veel. Ze komt uit een eenvoudig gezin, waarin een bijna karikaturale vader veel wil maar machteloos fulmineert tegen ‘kliekjes’ die alles beslissen.

Volgens mij speelt deze film in de tijd, vroege jaren tachtig, waarin Cherry Wijdenbosch het liedje ‘De kleine man’ bracht. Daarin ontwaart dezelfde hogere middenklasse gewoonlijk het gedachtegoed van Wilders al. Misschien wel het grootste drama in Ezzeroilis betoog is dat ze verklaart te zijn opgegroeid tussen mensen die denigrerend Tokkies worden genoemd.

Haar solidariteit ligt daar waar ze is afgewezen, niet daar waar ze is binnengehaald. Nadia Ezzeroili heeft naar eigen zeggen een droombaan bij een kwaliteitskrant.

zondag 31 januari 2016

Marginaal

Zo snap ik het weer! Dat dacht ik, toen in De Zondag deelnemers aan Temptation Island werden gemerkt met het woord ‘marginaal’. Ik herinner me althans dit televisieprogramma als wat ranzig; het was de bedoeling dat koppels met behulp van zon, drank en laaghangende badkleding uiteenvielen door overspel.

Bij wie zich daar publiekelijk toe leent, is de waarde van de geliefde én het zelfrespect ongeveer nihil. De camera’s benadrukken dat alles waar niemand iets mee te maken heeft wordt uitverkocht. Dan articuleert ‘marginaal’ het gevoel niets te verliezen te hebben. Het zou onbemiddelde mensen betreffen: amper geld, opleiding, werk. ‘Tegen de bestaansgrens aan’, zegt Van Dale. Ze kunnen gewelddadig zijn. Er bestaat zelfs een overkoepelende term voor: een ‘randgroep’.

De Temptation Island-connotatie draagt een moreel en moralistisch facet in zich mee: smakeloos. Maar ‘marginaal’ kan natuurlijk ook een geuzennaam zijn. Met name in kunst is het een teken van kwaliteit en geloofwaardigheid geweest in het type van de bohème. Een belangenvrije positie aan de rand van de maatschappij verleende niet alleen street credibility, ook het produceren van andersoortig werk deed dat. De mainstream stroomde nooit in de goot.

Tegenwoordig is zo’n visie bij kunst dubbelhartig. Succes van enkelingen hangt zozeer samen met massamedia en kwantificatie, dat marginaliteit het overgrote deel van artiesten treft, ook uit de mainstream. Zich erop beroepen ‘marginaal’ te zijn, dus onzichtbaar en vermoedelijk integer, heeft iets meewarigs. Het lokt een verwijt van zuiverheid die misplaatst is omdat de wereld definitief is veranderd.

Die pragmatische kritiek is bijvoorbeeld in de reeks Barbapapa vervat in het personage van schilder Barbabob. Tussen gladvellige familieleden valt hij op door een ruige vacht. Zijn artistieke marginaliteit wordt bespot in Barbapapa is in vorm. Geïnspireerd door allerhande koekjes belooft Barbabob ‘abstracte kunst’. In de praktijk schept hij geometrische figuren in allerlei kleuren. ‘Dat is mooi, dat is moderne kunst’. Telkens ontdekt hij echter dat die figuren ook in huis voorkomen, en in de natuur en op straat en aan zee en op het voetbalveld. En rusteloos als Barbabob is (‘Alle kunstenaars zijn zo’) wil hij eveneens gaan beeldhouwen, maar zwicht uiteindelijk voor eten.

Zulke betekenissen van ‘marginaal’ lijken te verschuiven. Misschien komt het door de vele vluchtelingen die in Europa het afgelopen jaar zichtbaar zijn geraakt. De morele component in de plots erg relevante term rijmt niet met hun werkelijkheid die de onze te blasé zou maken. Nu klinkt te pas en te onpas ‘marginaal’ op als stopwoordje – net als het bijvoeglijk gebruikte ‘zen’. Wat het mag beduiden is me niet helemaal duidelijk, maar heeft een vanzelfsprekende klank van foutheid.

zondag 24 januari 2016

Bericht tussen de linies

In haar mooie boek Kool! Alles over voetbal haalt Anna Enquist een vriendin aan, volgens wie een zwakke prestatie van Feijenoord te wijten was aan de achternamen van de spelers. De redenering was dat de tegenstander door Heus, Bosz, Maas en Vos te zeer verleid werd tot overrompeling, terwijl alleen al een achterste lijn met Schui-te-man, Bo-a-teng en Zwij-nen-berg moeilijker te kloppen zou zijn.

Het is flauw om achteraf te constateren dat genoemde meerlettergrepige namen niet echt hebben geleid tot betere prestaties. Op Boateng na zijn ze opgeslokt door de geschiedenis, terwijl historische collega’s als Krol en Haan, en heden Vlaar en Kuijt, nog bij velen een bel doet rinkelen. Net als oer-Feijenoorders als Van Ha-ne-gem, Rijs-ber-gen, Is-ra-ël en La-se-roms trouwens.

Toch realiseer ik me dat er over de theorie van Enquists vriendin wat tekstmateriaal is. Dat wijst wel op het tegendeel. Zo legde Victor Klemperer in zijn geweldige Lingua Tertii Imperii (iets krachtiger bekend als LTI) uit dat afkortingen krasse gevolgen hadden bij de nazi’s. Hun zogeheten Lastwagen won eerst aan aantrekkingskracht onder de naam Laster, maar werd pas echt een onverslaanbaar snorrend karretje als LKW.

Ik weet niet of George Orwell die specifieke werkelijkheid kende op het moment dat hij ‘The Principles of Newspeak’ in 1984 uit de doeken deed. Maar ook zijn totalitaire en theoretisch onklopbare regime had die gedrongenheid in haar taal verwerkt: 

‘The words COMMUNIST INTERNATIONAL call up a composite picture of universal human brotherhood, red flags, barricades, Karl Marx, and the Paris Commune. The word COMINTERN, on the other hand, suggests merely a tightly-knit organization and a well-defined body of doctrine. It refers to something almost as easily recognized, and as limited in purpose, as a chair or a table.’

In die Newspeak zag Umberto Eco dan weer een verband met oude nazistische en fascistische schoolboeken, die zich bedienden van een pover lexicon en een basale syntaxis. Daarmee zouden complexe en kritische redeneringen kunnen worden vermeden.

Ik formuleer die gedachte expliciet voorwaardelijk, omdat er inmiddels zoiets is gekomen als Globish. Met die gestripte versie van het Engels, veeleer fungerend als tool dan als taal, communiceren inwoners uit snel opkomende economieën van Brazilië tot India met elkaar en met traditionele kapitalisten.

Mist deze meerderheid van de wereldbevolking per definitie de nuance? Heet Globish dus met recht ‘cafeïnevrij Engels’? Zo geformuleerd lijkt het antwoord ontkennend voordat de vraag uitgegalmd is. En los van ideologische voor- en nadelen, zouden er juist westerse kindjes mee worden gediscrimineerd. Steeds harder klinkt hier immers de roep om Engels op prille leeftijd, opdat het rendement in de survival van ‘het curriculum’ zo groot mogelijk is.

Ook denk ik dat in de niet-metaforische jungle Tarzan en Jane elkaar best aardig begrepen. Een tikkeltje inlevingsvermogen en fantasie volstaan. Eventueel kan na kennisname uit boeken nog het een en ander aangescherpt, maar de ervaring is reeds opgedaan. Onvergetelijk.

Dat weten ook Anna Enquist en haar vriendin, alleen al getuige die boektitel Kool! Opdracht voor de aanvalslinie van Feijenoord: ga buitenom en geef een voorzet door die titel definitief te veranderen van taal en scoor door hem te laten rijmen op tool.

vrijdag 15 januari 2016

De roman van het leven


Wat een fantastisch idee van Hans Goedkoop om een boek te wijden aan een samenkomst op één avond. Iedereen was er. Feest voor Renate Rubinstein heeft alle ingrediënten voor niet minder dan een cultuurgeschiedenis: spraakmakende personages uit kunst en wetenschap en politiek en media, relationele banden en breuken die decennia terug voerden, verschillen en nuances in ideologie anno 1979.

Dit is nu eens wat ‘de elite’ te noemen valt. Er zaten mensen tussen die zich hadden kunnen opwerken, geruggesteund door een veel betere opleiding dan hun ouders. Nog niet maakten hyperrijken met een elastische moraal de dienst uit.

Zelfs dus geen aanleiding voor het zoveelste partijtje bashing.

Ook het verloop van de bewuste avond, die toespraak op toespraak stapelde, speelt een meer dan grandioze stof voor Iedereen was er in de kaart. Voordat Rubinstein voorbij middernacht haar dank voor de verrassing mag uitvouwen, deconstrueert het evenement zichzelf. De laatste van al die briljante, antiburgerlijke en ruimdenkende sprekers merkt namelijk op dat nog geen enkele vrouw aan het woord geweest was.

Zou dit komen omdat die mannen vooral ook zo blank waren, dat Ellen Ombre louter exotisch aanwezig leek te mogen zijn? Ze had moeilijk aan Peter Schat achter de piano de partituur kunnen geven van Millie Jacksons toen al weer zes jaar oude hit ‘It Hurts So Good’.

Ombre lijkt op dat moment slechts de ‘vrouw van’. Effen meldt Goedkoop dat ze voor het eten heeft gezorgd. Op één van de in Iedereen was er afgedrukte foto’s van de samenkomst is ze terug te vinden. Vergis ik me nu of staat haar blik echt strak?

Een buitenkans voor een geweldig boek was bovendien dat verder het personage Norbert Elias geboortelandgewijs niet helemaal in het rijtje paste. Dit is misschien een wat makkelijke constatering om naar het heden door te stappen, maar een ijzingwekkende passage uit Rubinsteins bekendste boek Niets te verliezen en toch bang uit 1978 zou licht op onze niet-aflatende actualiteit kunnen werpen.

woensdag 6 januari 2016

Vlak ernaast


Hoe recent is het verschijnsel dat mensen bij elkaar parallelle universa waarnemen? Ik herinner me striemende debatten over de te verwachten werkelijkheid onder ‘de Amerikanen’ versus die van ‘de Russen’. Weinig later verdween de titel ‘gastarbeiders’ en begon steeds bitser gekibbel over de wereld die zij al dan niet veranderden of verrijkten. Toen werd het ‘de islam’ die diametrale overtuigingen losmaakte.

En steeds denken ‘we’ aan de onberispelijke kant te staan. Zeker weten. Dat kan regelrechte geschiedvervalsing in de hand werken. In zijn bijdrage aan het boek Ontworteld. De schrijver als nomade wijst Ernst van den Hemel erop dat er in ‘de jaren zestig’ wel erg luid het idee van bevrijding werd gelanceerd – de echo’s zijn tot op heden te horen. Maar die zelfverklaarde emancipatie gold per definitie niet voor, bijvoorbeeld, mensen die een geloof beleden en geen individualiseringwaarden aanhingen.

Steeds is er kennelijk een wereld vlak ernaast, waarvan je tegen een ander roept: ‘Zie je dat dan niet?!’ Momenteel gaat, na een volgens sommigen betekenisvolle hiaat, alle aandacht naar nieuwjaarstoestanden in Keulen. De letterlijk aangrenzende uren en dagen ervoor leek Brussel weer het centrum van de westerse wereld, waar het feestvuurwerk voor afgeblazen werd.

De oppervlakte van deze plaats van handeling was eigenlijk nog geringer: de deelgemeente Molenbeek. Niet elke bewoner kon dat rijmen met zijn werkelijkheid. Curieus was dat media, aanrichters van die contrasten, ook die belevingskloven wilden weergeven.

In een wel erg professionele reportage in NRC klaagde ‘een van oorsprong Nederlands-Marokkaanse vrouw (…) over de gebrekkige samenhang in de wijk’. Waarschijnlijk was dat een politica, die het te ideologische begrip ‘saamhorigheid’ had verdrongen. Verderop in de tekst werd opgetekend van een onbevreesde Belgische die met een vriendin een dagje naar Brussel gekomen was: ‘Ik heb wel het gevoel dat de autoriteiten maatregelen nemen.’ Dat gevoel had enige visuele steun van de empirie.

Voor Knack snoof de als ‘ gepresenteerde Montasser AlDe'emeh ‘Jammer dat er geen vuurwerk is. We wisten dat trouwens niet omdat we het nieuws niet hebben gevolgd. We gaan nu terug naar Antwerpen waar er wel vuurwerk zal worden afgeschoten. We voelen die Nieuwjaarssfeer wel, maar niet genoeg. Schrik hebben we niet. We zijn totaal niet bezig met al die dingen’. Dan volgt een onvervalst stukje vrije indirecte rede: ‘Uiteindelijk is het zover! De klok slaat middernacht. Het is nu 1 januari 2016.’ Het maakt de weg vrij voor AlDe'emehs slotcitaat dat ik kinderlijk aangrijpend vind: ‘Moslims en niet-moslims vieren hier samen met elkaar! We zijn allemaal mensen.’

Juist dat inclusieve wij is iets wat ontbreekt of misschien onmogelijk wordt gemaakt door alle non-stop informatie. Het lijkt wel alsof het verlangen naar een ernaast domweg te groot is. Ik associeer dat met zoiets zalig paradoxaals als Duitse popmuziek. Het stomste liedje uit je jeugd heeft het nog vermalen (al waren de Nina & Mike mij onbekend die ‘Paloma Blanca’ vertolkten, laat staan dat ik wist dat James Last zich verdienstelijk vergrepen heeft aan ‘Sweet Lucy’).

Muziek! Wat willen we nog horen? Ongeveer op de helft van zijn verslag van de Spaanse Burgeroorlog vraagt George Orwell zich bij een fascistisch hoornsignaal af of het behoort tot ‘incidenten die misschien te onbelangrijk zijn om opgehaald te worden’: een medestrijder had er een lange neus naar getrokken.

En bij het overlijden van de legendarische manager Robert Stigwood begreep ik pas dat zijn mogelijke annexatie van de Beatles-staf aan Paul McCartney een dreigement in de mond had gegeven. De band zou onder het regime van deze ‘music mogul’, ‘a king of shlock’ louter nog valse versies van ‘God Save The Queen’ opnemen! Is het de farce van de geschiedenis dat dit dreigement tien jaar later alsnog werd voltrokken? De daders heetten toen alleen wel Sex Pistols, overigens onder niet-aflatende aandriften van een andere manager.

dinsdag 29 december 2015

Verpersonificatie


Dat ontwikkelingen niet te stuiten zijn, is wel leuk. Ik besef dat eens te meer nu mijn computer steeds vaker Hildegard von Bingen laat weerklinken. Tegelijk heb ik eindelijk Ibrahim Maalouf in de peiling gekregen en categoriseer hem, met mijn allergie van het etiket ‘wereldmuziek’, toch in het vertrouwde foldertje ‘jazz’.

Ontwikkelingen in taal geven meer ambivalente sensaties. Ik doe bijna wellustig mee met de vraag ‘Is het oké dat…’ Maar al enige tijd worstelen mijn geest, vlees en skelet met iets wat het taalkundig genie geregeld zegt. Misschien als voorbereiding op de meningencarrousel bleek een vast onderdeel in haar vriendenboekjes de invuloefening ‘Ik vind niet leuk’, waarbij een variant voorkwam die ze standaard is gaan gebruiken.

Telkens weet ik niet wat pedagogisch listig is nadat ze heeft beweerd dat ze een ding of een handeling ‘haat’. Ik zeg haar dan ongevraagd maar oprecht dat ik dat werkwoord niet verdraag. Waarschijnlijk rijzen mijn toch al niet uitbundig voorradige haren te berge omdat ik ‘haten’ met personen verbind. Het bestaan, en desnoods het praktiseren, van dat fenomeen kan ik me levendig indenken, maar liever niet op haar prille leeftijd.

Is het iets Belgisch, zoals ‘dixit-attest’ of die oudtestamentische kwalificatie ‘wraakroepend’? Uiteraard kan de uitdrukking evengoed uit het Engels stammen. Dan zou ze vallen in de categorie ‘gaan voor’, die mij even afgrondelijk als onstelpbaar voorkomt. ‘Ik haat zus en zo’ zou zo een letterlijke vertaling zijn van ‘I hate doing this’. In werkelijkheid wordt daar volgens mij iets milders mee bedoeld: ik wil niet, ik ben er niet dol op, ik houd er niet van, enz.

Maar wat klaag ik, wanneer een Tweede Kerstdag het inmiddels toelaat te drinken op een onverwarmd terras. Wanneer in de omgordende periode fietstochten nog kleiner bier zijn, bij schier mediterrane omstandigheden. Dat ik niet alles als studiemateriaal wil zien? En wens dat er nog wat anders dan taal bestaat?

vrijdag 18 december 2015

Priesteres in haar vak?


Ze is niet meer. Ik weet niet of in Nederland Mieke Telkamp nog altijd de meest klinkende zangeres is bij uitvaartplechtigheden, maar redelijkerwijs had zij dat mogen zijn. Haar oeuvre bood zogezegd voor elk wat wils. Over haar leven was, gelukkig maar, minder bekend. Wel verscheen er in 2008 een biografie, die ik destijds signaleerde in Streven. De tekst volgt hieronder, met de hoop dat er bij haar eigen uitvaart een paar nachtegalen en pindarotsjes de dienst overnemen. 

 

Wie haar ooit heeft horen zingen, weet wat de uitdrukking ‘naar de keel grijpen’ betekent. Misschien ontroert Aafje Heynis zo, omdat haar stem de illusie wekt dat er zoiets bestaat als zuiverheid. Dat vergroot slechts het raadsel dat ze eind 2008 nog bleek te leven, in een schemertoestand aangericht door de ziekte van Alzheimer, maar het zou ook een verklaring kunnen zijn voor haar imago van christelijk zangeres. In Aafje Heynis. Priesteres in haar vak wordt dit gerelativeerd: als alt heeft ze veel oratoria kunnen brengen, waardoor het steeds minder voor de hand lag haar te vragen voor opera – een genre dat Heynis, wier stem werd vergeleken met die van Kathleen Ferrier, graag had willen bestrijken.

Dat ze er zeker met haar status vervolgens niet zelf op aandrong, zal te maken hebben met haar legendarische bescheidenheid, op het schuwe af. Het boek biedt daar menig voorbeeld van. Überhaupt gaat het op de psychologische tour. In het Concertgebouw nog debuterend onder Eduard van Beinum zou de in 1924 te Krommenie geboren Heynis vanwege haar eenvoudige afkomst en minimale scholing contact met cultuurbobo’s zo mogelijk hebben gemeden, at tijdens tournees een broodje op het hotel, haar kapsel en kleding waren altijd tiptop: alles opdat ze maar niet afgewezen kon worden en elke beloning een heel piepklein beetje verdiend was.

Vanuit dat perspectief zou het succes van de heruitgaven op haar 75e verjaardag Heynis extra verlegen hebben gemaakt, een populariteit als de spreekwoordelijke molensteen om de hals dus, teleologisch onontkoombaar en door elk wapenfeit in het boek van aanvullend bewijs voorzien. Vriendin en collega Annette de la Bije verklaart bijvoorbeeld over hun tournee door Indonesië: ‘Toen waren we wel moe; het was allemaal heel leuk, maar een kopje koffie drinken in een cafeetje in Amsterdam is ook leuk’ (blz. 53). In genoemde plaats, om precies te zijn in het Vondelpark, ontmoette Heynis op rijpere leeftijd bij het uitlaten van haar hond Grimbald een advocaat, die simpelweg de man van haar leven werd.

zondag 13 december 2015

Balanscensuur


Frank Keizer schreef een voorbeeldige en beklijvende recensie over Het plein. Ik kan hem dikwijls volgen, maar niet bij zijn stelling dat de uitgever van dit boek auteur Jan-Willem Anker publicitair in een hoek geduwd heeft, waar ‘de pers’ vervolgens kon poeren. Hoe ben ik daar zo zeker van?

Het plein beschrijft zijn eigen ontstaan. Dit dagboek, dat voordrong op een roman, heet in het voorwoord semipubliek. Het geldt als ‘tegenvoeter’ van fictie. De auteur maakt er met zijn dochter ‘grappen over dat ik mijn schrijfsels uiteindelijk in boekvorm zal publiceren, waarna we, in het geval van een daverend succes, verhuizen naar het KNSM-eiland’. Een saillante locatie, omdat ze door welgestelden bewoond wordt, terwijl Anker, veronderstellend dat mensen met een universitaire achtergrond en/of kunstenaars hoogopgeleid zijn, realist genoeg is om te beseffen dat zijn inkomen als kunst-ZZP’er daar niet bij past. Daarmee mist zijn andere zelfrepresentatie van middenklasser ook precisie (tot hij zijn een bijscholing tot leraar Frans heeft verzilverd).

Wanneer ‘de kogel min of meer door de kerk’ is en het besluit valt ‘deze notities’ uit te geven, dringt zich gelukkig de vraag op of passages zullen moeten worden geanonimiseerd. Tevens krijgt Anker een omslagontwerp en wordt er een achterflapfoto van hem gemaakt die hij ‘zeer noords’ noemt. Innemend bericht hij dat zich euforie van hem meester maakt wanneer er voor zijn deur weer iets gebeurt, zodat hij verder kan schrijven.

Ik kan me kortom niet indenken dat de tagline ‘Hoe overleef je een achterstandswijk? Een verslag uit de arena’ buiten medeweten van de auteur verbreid is. De laatste belligerente term knipoogt nota bene naar de titel van Ankers tweede poëziebundel. Keizer heeft wel gelijk dat de tagline een wereldbeeld en allerlei vooronderstellingen met zich meedraagt – die volgens mij niet automatisch ‘neoliberaal’, ‘geprivilegieerd’ en de hele rimram hoeven zijn.

Degene die dat complex het best zou kunnen ontrafelen, dunkt me Anker zelf. In en door Het plein solliciteert hij met succes naar de functie van discoursanalist. Hij voelt zich genoopt bij tijd en wijle aanhalingstekens te gebruiken, woorden te proeven en, bij een passerende straatveegmachine, slogans tegen het licht van de werkelijkheid te houden. Tegelijk betoont Anker zich terughoudend in zijn oordelen, als het gaat om fenomenen die hij later heeft leren kennen (‘de neiging zo’n gewaad een djeballa te noemen, maar wat weet ik ervan?’).

Daarbij komt zogezegd de input van allochtonen. Het is te makkelijk om Anker aan te wrijven zich dan ‘politiek correct’ te betonen. Er is immers geen reden om incorrect te zijn. Dat weten tegenstanders evengoed, vooral op het moment dat hun intenties in twijfel worden getrokken – bijvoorbeeld bij hun aanhankelijkheid aan een zwarte Zwarte Piet. En Anker weigert te generaliseren of te stigmatiseren. Is hij daar ook te volhardend optimistisch voor? Misschien gaat het niet eens zozeer om ontkennen; hij hoort liever even verder en eventueel ongemak internaliseert hij bij voorkeur.

zaterdag 5 december 2015

Altijd hypocriet

De top in Parijs is al even bezig en eindelijk, met een aanloopje van zes jaar, schenkt België een klimaatakkoord aan de mensheid – nog meer aan de kinderen en kleinkinderen dan aan de ouders. Dat het akkoord van de vier verantwoordelijke bewindslieden als een ‘evenwichtig compromis’ wordt gepresenteerd, waarbij elke partij ‘water in de wijn’ moest doen, daarbij gehinderd door ‘te zware engagementen’, maakt de onderneming voor mij alsnog tot een heterdaadje.

Hoe is het mogelijk dat er met dergelijke taal over iets zo cruciaals wordt gesproken en dus ook gedacht en gehandeld? Mijn systeem steigert tegen een ander systeem. Weg met artikelen als ‘politieke wil’! Pletten onder de buitenmuurse werkelijkheid!

Met dergelijke oordelen word ik bang van mij. Even een lakmoesproefje. Mijn voorkeur voor pakweg de onderkast kan wel wat spot gebruiken. Van een column uit 1984 in die opmaak, geheten ‘tegen racisme, seksisme en grandisme’, gebundeld in Het lied van de kosmopoliet (1987). Daarin nam Abram de Swaan onder de noemer Tijdsverdriet meer teksten op die helemaal tussen aanhalingstekens staan. Het zijn dus monologen, in de meest letterlijke zin:
 
‘in beginsel zijn kortmensen tot alles in staat wat langmensen kunnen, maar de sociale repressie berooft hen van hun kansen. langmensen blinken bijvoorbeeld uit in basketball, uit amerikaans onderzoek blijkt dat wanneer de korf lager wordt geplaatst, kortmensen minstens zo goed spelen. bij het polsstokspringen met de éénmeterstok komen kortmensen zelfs verder.’
 
Nee, de kracht van relativering krijgt geen vat op mij. Mijn tweede truc bij evidente oordelen is commentaar op te zoeken dat me uit de zogeheten comfortzone haalt. Dat is überhaupt voor mij een reden om bezoekjes te brengen aan de site Doorbraak. Ook afgelopen week werd ik niet teleurgesteld, door maar liefst twee opiniestukken op één dag.

De onderhandelingsimpasse kreeg meteen een andere belichting doordat Het Belang van Limburg er als enige op bleek te hebben gewezen dat België vorig jaar ook de trofee ‘Fossiel van de Dag’ had gekregen. Strategisch is dit slim, nieuws halen uit een gebied dat letterlijk ver van het centrum ligt (ik heb Amsterdammer Kees Fens ooit de krantennaam Tubantia horen uitspreken). De vraag is alleen: maakt die tweede keer op rij de wanprestatie minder erg? Als niet-wiskundige zou ik denken dat die dubbele winst op het tegendeel wijst.

Daarnaast wees Doorbraak erop dat de commissie die de trofee uitreikt wordt geleid door ‘een gewezen kandidaat-parlementslid van sp.a’. Kan iemand van een andere klaarblijkelijk foute partij niet integer zijn? Of geen organisatie leiden?

zondag 22 november 2015

Een leven lang


Ik heb er echt over proberen te lezen. Warm liep ik slechts voor een zwart omrand vierkant. Daarbinnen stond: ‘Er zijn zoveel meningen, zoveel oordelen. Daarom laat Wablieft deze plek nu wit. Wij denken aan alle slachtoffers van geweld.’

Al die uitleg, abstrahering, reflectie en kritiek naar aanleiding van Parijs, al dan niet in het verlengde van Beirut, heeft ongetwijfeld iets zinnigs, maar verkeert tegelijk in een fog of theories. Gemeen zullen ze hebben dat ze een proces moesten beschrijven, dat vervat is in één werkwoord: ‘radicaliseren’. Daarmee wordt de betekenis van ‘radicaal’ gereduceerd.

Ik zou het onmiddellijk geloven indien omringende werkwoorden in het commentaargeweld geregeld bezoek hebben gekregen van voorzetsels. Meer in het bijzonder van ‘door’ en ‘om’. Waar heb ik het dan over? Werkwoorden als omturnen, omslaan, doordraaien, doorslaan… In dit rijtje is waarschijnlijk ook ‘doorzetten’ te begrijpen, zij het een tikje paradoxaler: met je wil verder gaan dan je wil.

Er zit een verschil tussen wat deze voorzetsels uitdrukken. Bij ‘door’ gaat een proces verder in dezelfde richting, bij ‘om’ gaat de ontwikkeling de andere kant op. Klassiek voorbeeld is de conservatief die zijn diametraal andere politieke voorkeur van weleer als logische jeugdzonde beschouwt.

Na alles wat ik erover gelezen heb weet ik niet onder welke variant radicalisering onder jonge moslims valt. Beide opties kunnen. En uit de geschiedenis tot en met de toekomst is berucht dat verse gelovigen, ook wel bekeerlingen genoemd, zich meer fanaat opstellen.

Laat ik me bij mijn leest houden. Van de bedoelde voorzetsel-werkwoordcombinaties zijn me onlangs, overigens naar aanleiding van heel andere onderwerpen, drie exemplaren onder ogen gekomen. Een artikel over tendensen bij arbeidscontracten in het onderwijs meende dat de zaak hier was ‘doorgeflext’.

Verder was er Op de rok van het universum, het nieuwe boek van Tonnus Oosterhoff dat zo uitzonderlijk is dat ik mag hopen dat die eigenschap niet op gangbare laaglandse wijze wordt afgerekend. Eén van de talloze realityromans die er de revue in passeren meldt: ‘Duiven zijn monogaam, hun huwelijken duren gewoonlijk een leven lang. Gedwongen omparen gaat echter gemakkelijk.’

dinsdag 10 november 2015

En de bloesem nikte


Vraagt het taalkundig genie: ‘Waarom zit er een w in het woord erwt?’ Specialisten blijven op deze blog welkom, temeer daar ik persoonlijk geen antwoord heb. Ik heb nooit iemand zelfs een zweem van de w horen uitspreken. Bovendien spel ik voor een aangenaam dier dat bijna hetzelfde klinkt, evenmin ‘herwt’.

Het is tamelijk gênant, maar bij de erwt moet ik snel denken aan een gedicht. Gelukkig is het een fraai exemplaar, geschreven door niemand minder dan Wilfred Smit:

 

Parabel

 
Zo zag ik een erwt weifelen
aan een stoeprand,
de erwtebloesem onzeker zijn
naar welke wind
haar dolle rose hoofd te hangen –

 
en de bloesem nikte, er kwam een hand
in handschoen haar bedekken,
en de erwt viel, er kwam een schoen
om op haar te staan.
 

Het gedicht staat in de bundel Franje uit 1963, toen bijvoorbeeld Wilders geboren werd en de schedelinhoud van Kennedy tot puree wederkeerde.

Smits werkwoord ‘nikken’ is literaire taal voor knikken. Hier past het mooi, uit het hangend hoofd valt de k en de bloesem voelt al dat het niet goed afloopt met haar kindje. Wel vind ik het minstens zo gênant ook meteen de associatie met een kind te maken. Ofschoon het immer pril aanvoelende vaderschap zich zelden onbetuigd laat, biedt hier de actualiteit minder kans op ontsnapping, gelet op het zoveelste onomkeerbare lot van een jonge, zogeheten zachte weggebruiker (om nog te zwijgen van mensen en families voor wie een vloedlijn de stoeprand moet zijn omdat ze op een bootje een ander continent opzoeken).

Zo wordt de erwt een kwetsbaar ding. Da’s eigenlijk raar, omdat het beroemdste verhaal over de peulvrucht juist zoiets als stekeligheid presenteert. Hans Christian Andersens sprookje van de prinses die een erwt gewaarwordt onder vele kussens, maakt van hare hoogheid dan wel een heuse hoogheid maar bovenal een verwend nest.

Omdat een erwt zo zacht is? In de Brickyard Blues zeker!

vrijdag 30 oktober 2015

Witte zwanen

Afgeven op ‘het moderne leven’ ligt me niet, maar ik kan niet ontkennen steeds vaker in restaurants en andere openbare gelegenheden in verlegenheid te raken na wc-bezoek. Als ik mijn handen wil wassen maak ik tegenwoordig de vreemdste bewegingen – en zie me ze ook maken in de onvermijdelijke spiegel.
Heb ik een revolutionaire zwemslag ontwikkeld? Een choreografie die het midden houdt tussen de macarena en de vogeltjesdans? Vond ik het bewijs dat de mens wel degelijk kan vliegen? Probeer ik meerdere insect tegelijk weg te slaan?
Feitelijk druk ik een vrij eenvoudig verlangen uit: ik wil water, uit de kraan.
Draaien kan niet meer. En timmermansogen schieten tekort. Er blijken decent weggewerkte knoppen te zijn, voetpedalen, sensoren op niet-gestandaardiseerde hoogten en veel meer dat ik verdrongen heb. Een designmuseum waar ik onlangs was, wilde ook in deze niche kennelijk iets extra’s brengen. De kraan had twee wijde vleugels, waarvoor evenzeer bewegingen moesten worden gemaakt – en dan blies er drogend bedoelde lucht.
‘Like water,/ language runs to the sea, flush with information.’ Dit schreef Ron Silliman in The Alphabet. Kan iemand mij wellicht even de A aangeven, opdat de publieke handenwasser ten minste iets heeft om voor aap mee te staan? Noten en miezen worden ook steeds op hoge prijs gesteld.
Kranen zonder knop. Waar is de ratio? Wie deze per ongeluk vindt, mag gelijk aan de dienstdoende beambte een vervolgvraag lanceren: wat is de ratio?

woensdag 21 oktober 2015

Techneuten, rijken, intellectuelen

In een column werd uit een nieuw boekje over taal, dat weer eens streeft naar begrijpelijkheid, een citaat geplukt: ‘Voor de voet weg moet dit probleemveld worden neergetunneld in een motie, om langs deze weg in lijn met de afspraken met het kabinet al zwaluwstaartend de pijnpunten snelstens en bestens af te concluderen. Daarom moet het tekort op Volksgezondheid eerstens worden versleuteld en verspijkerd, waarvoor een tijdpad dient te worden uitgezet. Langs deze weg moet de problematiek geleidelijk aan worden afgekocht en verschmertzt.’
Deze tekst komt van Ruud Lubbers, uit de tijd dat hij, in de jaren tachtig en begin negentig van de vorige eeuw, alleenheerser was in Nederland. En de columnist vervolgt: ‘Het is vrijwel onbegrijpelijk dat Lubbers, zoals zovele anderen, hiermee wegkwam.’
Zo onbegrijpelijk vind ik dat niet. De premier gebruikt woorden en zinswendingen in een cadans die ingebed lagen in zijn era (‘neertunnelen’ zal geïnspireerd zijn op de Betuwelijn). Misschien zal iemand zich over een paar decennia afvragen hoe het mogelijk is dat, behalve voetbaltrainers, ook een columnist sprak over ‘ermee wegkomen’.
Wie het niet gelooft, of meent een Hollander generalisaties te zien verheffen tot universalismen, wijs ik op het boekje Wetstratees van Bert Bultinck. Het dateert van 2004, toen er nog gerookt mocht worden zonder dat excommunicatie erop volgde. Iets meer dan een decennium later is het een soms bizarre ervaring Bultincks boekje, feitelijk een verklarende woordenlijst, door te bladeren. Veel bestaat nog, veel is er bij gekomen, maar de accenten liggen totaal anders.


woensdag 14 oktober 2015

Onblijde boodschappen

Eindelijk hebben we de ontkenning opgegeven. De garderobe is aangepast, de verwarming ging aan, de eerste kastanjepuree heeft onze magen gevuld. Vooruit dan maar, het is herfst. We gaan weer eens opnieuw beginnen.
Laat dat nu zijn wat Jean-Pierre en Luc Dardenne laten gebeuren in Deux jours, une nuit. Ooit lieten ze zich voor die film inspireren door een artikelenboek onder redactie van Pierre Bourdieu, met de opbeurende titel La Misère du monde. Daarna moest het scenario een decennium rijpen.
Zekerheidshalve. Een kleine arbeidersploeg kan kiezen tussen een bonus van 1000 euro per persoon of het behoud van een collega. Bij een stemming op vrijdag valt de balans uit ten gunste van de bonus. De in principe ontslagen werkneemster krijgt een weekend de tijd om haar collega’s een voor een op andere gedachten te brengen.
Voor mij was het een nogal hallucinerende ervaring geen toeschouwer te kunnen zijn. Het is film! Het is maar film? Ik besefte ineens hoe mijn ontwijkgedrag is ingedaald, sinds ik na een gewenningsperiode in de grote stad besloot niet langer geld te geven aan wie, met of zonder vergunning, erom vroeg.
Aan Deux jours, une nuit valt niet te ontkomen. Telkens moet ik me identificeren met de antagonisten. Ook met de bonusklanten? Jazeker, het gaat hier niet om bankiers, sommigen blijken krabbelaars. Ik meen zelfs – voor zover die absurde vergelijking te trekken valt – dat de werkneemster minder verontwaardigd is dan een kijker over de meermaals gestelde collegiale wedervraag: ‘Kun jij je dan niet in mij verplaatsen?’ En zoals die collega’s niet al te inhalig willen ogen tegenover de werkneemster, zo doet haar lichaam er alles aan om geen te expliciete smeekbede op te voeren.
Natuurlijk borrelen wel veruit de meeste gevoelens op bij de manoeuvres van de vragende partij,
Pas achteraf besefte ik dat die ontmoetingsscènes, vanuit één standpunt, real time zijn opgenomen. Bestaat de geweldige film Victoria zelfs uit één take, bij de Dardennes sorteert de herhaling van dat procedé schoksgewijs een heftiger gevolg.


maandag 5 oktober 2015

Als er vier eendjes waren

Niet alleen Max Havelaar is een vat vol tegenstydigheids. Herman van Veen is het ook, afgaand op zijn Herinnerde dagen.
In dat tweede deel van zijn memoires ontbreekt in heel wat zinnen het onderwerp. Je kunt er ‘ik’ invullen. Techniek of formalisme? Het beoogde effect blijft bescheidenheid. Bizar is wel het boek wemelt van artikelen over en brieven van beroemdheden aan Van Veen. Valse bescheidenheid is nergens goed voor, en Van Veen heeft een imposante loopbaan – hij betoont zich zijn eigen hagiograaf.
Van een soortgelijke spreidstand getuigt zijn ijver voor het milieu. Van Veen was een early adopter. Wel kon hij door zijn vak lastig sedentair zijn. Hij beschrijft zijn optredens in binnen- en buitenland als permanent motorische reizen. Vergis ik me, of is zijn ecologische voetafdruk gigantisch? Zoals ik dit noteer, klinkt het als een verwijt dat ik, nochtans getalenteerd op dat vlak, niet wil maken.
Eindelijk eens iemand die er zelfs met overdoses humor niet in slaagt te relativeren. De werkelijkheid overweldigt hem telkens.
Iemand ook die sentimenteel durft te zijn. Jacques Brels ‘La Chanson Des Vieux Amants’ reikt in het origineel ver, maar gelukkig voor Hollanders is dat in het onverstaanbaars want Frans. En Van Veen? Inclusief scherpe randjes in Erik van der Wurffs pianobegeleiding is zijn bewerking ‘Liefde van later’ schaamteloos gevoelig. De poging van de betreurde en bekwame Thé Lau gaf veeleer een associatie met dronkenschap.
In wat ik tegenkwam over Van Veens bewerking, uit 1969, bevat ze voor vele luisteraars een sleutelzin: ‘Zo hebben we dan geleerd: je kunt altijd opnieuw beginnen’. Die notie staat niet in het origineel en is ook niet direct hetgeen waar je, zeker destijds, bij ouderen aan denkt. Wel bij de tijdgeest?


maandag 21 september 2015

Armeluiswoorden

Wie had ooit kunnen voorspellen dat Dirk De Wachters studie Borderline Times meer dan 100.000 keer over de toonbank zou gaan? De auteur zelf lijkt er bijwijlen nog altijd met stomheid over geslagen en ik, vanuit tekstambachtelijk opzicht, eigenlijk ook wel. Toch komt zijn aanpak me vertrouwd voor. Het manische, het niet kunnen laten ontglippen omdat in het laatste rechte eind naar de finish elk nieuw bericht van toepassing lijkt…
De studie is misschien vooral een proeve van een fanaat kranten- en bijlagenlezer, die vooral uit de jaargangen 2011 en 2012 citeert – toen de auteur aan Borderline Times werkte.
Veel van de smakelijke bijzaken in De Wachters verhaal komt van horen zeggen, zien lezen feitelijk dus. In interviews, voorpublicaties, getuigenissen van derden,… Vaak werkt dat, soms niet. Bijvoorbeeld als het initiatief Eenzame Uitvaart wordt toegeschreven aan F. Starik in plaats van aan Bart FM Droog, omdat De Wachter zich baseert op het geheugen van Luuk Gruwez.
De schrijver als knutselaar of, deftiger en toch zonder voetnoot, als bricoleur. Op basis mede van een bak aantekeningen, waarin soms in de haast en verstrooidheid een redenatie tweemaal wordt gebruikt (bv over rijstpap en gouden lepeltjes). Plus de charme van uitdrukkingen als ‘Waar is de tijd dat…’ of juist ‘Tegenwoordig is het heel gewoon…’ – goddank gevoegd bij verzekering dat het vroeger heus niet beter was.
Dat Borderline Times een seller werd, mag kortom een wonder heten. Maar niets is natuurlijk zeker, helemaal in deze branche. Extra hilarisch dunkt me daarom de verzekering van Volkert van der G over hoe hij grote inkomsten kan verwerven in de Lage Landen: met het maken van een boek. Er was ook al sprake van geweest, maar mediaverbod, kweenie of ik de waarheid wil vertellen, kan die ook verzinnen, enz.
Op deze voorspelling van het lucratieve boek heb ik geen reactie vernomen. Op overige uitlatingen van Van der G wel. In de betreffende televisie-uitzending zou hij zich gewetenloos hebben betoond. Om precies te zijn sprak hij zich vrank uit over het leven dat hij leidt in voorwaardelijke vrijheid na zijn moord op Pim Fortuyn.
Die uitspraken deed Van der G aan een meneer wiens doopceel mij is ontgaan. In elk geval had deze ‘informant’ voor een ‘onkostenvergoeding’ van 1500 euro Van der G. op zijn praatstoel weten te krijgen. Die stond op een terras in Utrecht, waar technici aanpalende geheime apparatuur hadden geïnstalleerd, zodat er geluid én beeld was. Het was er, zoals dat heet, zonovergoten. Van der G dronk een tomatensap.
Natuurlijk is het nieuws van de eerste orde. Het hoe en wat rond een moordenaar, terug uit de onderste onderwereld van zijn bestraffing. Ongetwijfeld zullen de programmamakers – journalisten die gewend zijn informatie te vergaren – met de informant de strijdwijze doorgesproken hebben om een maximum aan krasse details te winnen. De ironie wil dat een van de onvermijdelijke deskundigen bij de beelden rept van Van der G als een uitgekookte strateeg.
De informant steunde Van der G dermate empathisch in diens redenaties, dat de ondertitels soms ongemarkeerd zijn concluderende tekst gaven na Van der G’s beweringen. Zo ontstond een redelijk sluitend betoog, dat echter nog altijd een beeld is. Noodzakelijk uit zijn context gerukt, die door de programmamakers werd verstrekt.
Ik ben geen psycholoog, laat staan dat ik me zou durven beroepen op mentaal doorzicht, maar Van der G maakte op mij een eenzame indruk.

maandag 14 september 2015

My baby’s heart

Vaak ogen uitlatingen van kunstenaars over multidisciplinariteit gratuit. Voor het meer kwaadaardige deel der mensheid dienen ze subsidiedossiers. Maar de fameuze koorddanser Philippe Petit grossierde er zo gul in, dat mij alvast enig geloof bekroop.
Eerst had hij op keurig modernistische wijze nog verteld over dat niet hij niet bewust in het vak getreden, maar dat kunst hem had geroepen. De uitwerking ervan was echter leuk, toen Petit het had over zijn dans op de Notre Dame in 1971, tussen de twee torens. De bakstenen gevaarten hadden hem toegeroepen: ‘Kom, doe iets wat ons leven verandert’.
Geweldige pretentieuze bescheidenheid! Petit deed zijn naam niet echt eer aan.
Het was, redeneerde hij voort, de koorddanser die hier zorgde voor het goddelijke verband. Hij was de postiljon d’amour voor de torens. Hij schiep letterlijk verbintenissen, en alsof dat niet genoeg was, kwam Petit aan met de tergendste en meest snobistische aller verklaringen: uit de etymologie. Daarbij openbaarde zich heus Latijn, namelijk het werkwoord religare.
Ik denk dat ik val voor dat constaterende. In kunst is het gebruikelijker om ‘onderzoek te doen’ of ten minste zaken ‘in vraag te stellen’.
Om die reden charmeert mij ook het liedje ‘Jacques Derrida’ van Scritti Politi, uit 1982:

I'm in love with a Jacques Derrida
Read a page and know what I need to
Take apart my baby's heart
I'm in love.

Vooral dat a voor de door bergen vooroordelen over ‘Franse filosofen’ beladen eigennaam maakt het hilarisch. Er zijn mensen die zoiets heel goed, om niet te zeggen brutaal naturel kunnen uitleggen, maar het zijn rare en verdrietige tijden. En de tekst maakt, onder een muziekje dat een campingachtige uitbundigheid ten beste geeft, nogal wat kronkelingen.
Om te constateren moet je durven. De laatste weken wordt dat wel erg vaak bewezen met beweringen van politici over vluchtelingen. Hoe omineuzer, hoe controversiëler en dus, voor een groter publiek, commerciëler.

dinsdag 1 september 2015

In weelde van cola

Hoewel getraind in weerstand bieden met alle hersenspieren, klikte een complete huishouding van mijn reflexen onmiddellijk op de kop ‘UvA verbiedt gedicht studentenraad op opening academisch-jaar’. Natuurlijk, er wordt veel verboden, ongetwijfeld ook op universiteiten, maar een gedicht? Anno 2015?
Het schijnt dat het woord ‘hoer’ niet door de beugel had gekund. Op basis van de YouTube-beluistering van de met percussie gelardeerde tekst, aangeprezen als ‘Gedicht verboden door de UvA’, leek me vooral de spanningsboog wat slap te staan. Het begin ent zich dan wel expliciet op Howl van Allen Ginsberg, we zijn inmiddels zestig jaar verder. Hedendaagse oren en ogen hebben naar verluidt minder uithoudingsvermogen, en zijgen mogelijk ineen wanneer een ‘trap met voeten wordt getreden’. Rijm hoorde ik dan weer niet.
Huidige studenten kun je lastig nog verwend noemen. In het gedicht wordt rekening gehouden met volgende generaties en, daarom ietwat hovaardig, met een Amsterdamse lente. Het signaleert echter ook dat acties ingekapseld worden door een beroepssector. ‘Dat hadden we kunnen leren van onze vaders’. Zou het geholpen hebben wanneer de dichter had gezongen?
Wel moest ik, tegenover mijn ‘hermetische’ praktijk van weleer, toegeven dat onmiddellijk duidelijk was waar het gedicht over ging. Voor dezelfde prijs bood het gevolg en resumé van de Maagdenhuisbezetting begin dit jaar. Ik besefte ook dat de kennis die daar, op de kritische Nieuwe Universiteit, was opgedaan toch weer voortkwam uit een zittende houding. Dat maakt die kennis tegelijk wat ruimteloos.
Zitten op iets wat beweegt behoort momenteel tot de meest uitgeoefende houdingen op dit deel van de wereld. In een bark op weg naar waar het beter zou zijn, in elk geval onmogelijk slechter dan in het vertrekpunt, en waar misschien wel vrijheid heerst. Ik vraag me af hoe de omgeving bij al dat wachten wordt ervaren, ook door degenen die te voet verder gaan en op een trein raken, met een zitplaats als luxe.
Kan vrijheid worden gepersonifieerd? De gedroomde landen van aankomst heetten ooit Utopia, Atlantis en dies meer. Maar nu?