maandag 26 september 2016

De Oude mens zoals hij te boek staat


  
In zijn luimige columnbundel Klein digitaal verdriet toont Antoine Compagnon zich begaan met zijn eigen coupe de foudres (coupes de foudre?). Dat is bijna een verademing in tijden dat alleen al, pakweg, het noemen van Aleppo het omringende asgrauw kleurt. De Franse literatuurwetenschapper komt over als iemand die ergens volstrekt in opgaat om bij obstructies de betrekkelijkheid van zijn avontuur te zien, zonder het af te vallen.
Zo is Compagnon als babyboomer en dus niet-native gebruiker een vroege verslinder geweest van allerhande revolutionaire apparatuur, waarbij hij nooit gebruiksaanwijzingen raadpleegde. Hij wijt het aan een aanpalende opleiding tot ingenieur dat hem het wat hij noemt ‘hands-on leren’ beter ligt.
Toen tot mij doordrong wat ‘hands-on’ kennelijk betekent, stond ik paf. Niet dat ik een manisch gebruiker van handleidingen ben, maar woordenboeken lust ik rauw. Bij een naar mijn aanvoelen al te reflexmatig opduikende vraag naar een ‘hands-on-mentaliteit’ overvalt me echter koppigheid. Die betekenis raad ik zelf wel.
Persoonlijk dacht ik aan het noodlottige cowboymoment dat mij het tegendeel leek: ‘hands up’. In mijn beleving had ‘hands-on’, dat ik misschien niet helemaal onterecht verbind met een neoliberaal denken, te maken met nooit opgeven, zelfs niet ‘in de meest hopeloze gevallen’. Hulp vragen kan al helemaal niet.
Het grappige vind ik dat een hands-on-mentaliteit wel degelijk tot zulke gevolgen leidt. Want een gezaghebbende bron kan best helpen. Compagnon memoreert een student die voor een werkstuk over Brave New World de dienstdoende Wikipediapagina had vervangen door die van Lord of the Flies, zodat zijn lerares niet zou ontdekken dat zijn werkstuk een copypaste-operatie was.
Daartegenover plaatst Compagnon sluwer bedrog van een leraar die in de vakantie op het web allerlei desinformaties over een minder belangrijke barokdichter verspreidde die natuurlijk op het programma stond. En ja, hij kreeg zijn eigen snode verzinsels keurig in werkstukken gepresenteerd.
Compagnon geeft ook nog de onontkoombare – herkenbare – realiteit mee van een aan hem gewijde Wikipediapagina die foutieve gegevens bevat. Deontologisch zouden ze door iedereen mogen worden verbeterd, behalve door hemzelf, degene die er door het copypaste-klimaat jaar na jaar last van heeft.
Wat dat aangaat is een recent verbod van laptops door studenten tijdens hoorcolleges nog tamelijk galant. Het gaat ervan uit dat zulke apparaten speciaal voor die les zijn meegenomen. Vanzelfsprekend zouden handgemaakte aantekeningen nopen tot een grotere concentratie, maar ‘hands-on’ worden ze geenszins. Ze volgen immers de handleiding van de professor.
Zouden zulke pagina’s bij een eerste blik dan ook gezaghebbendheid verraden? Ooit kwam de papieren kennis tot mij dat het fenomeen alinea betrekkelijk jong is. Ik wist toen nog niet dat het genre van de internettekst vereist voor bijna elke zin een nieuwe alinea in te zetten; Compagnons columns, die verschenen in de exclusief digitale Huffington Post, houden zich daar niet aan.
Voor zulk opportunisme zich in mij had genesteld, meldde een handboek een bovengrens van twintig regels. Meer zou een goed begrip doen stuiken van een wetenschappelijke tekst, het moeilijkste genre. In diezelfde tijd leerde een ander werk me dat het begrip ‘opportunisme’, volgens weer een ander boek, in Zwitserland is geïntroduceerd door Henri Rochefort. Hij sarde er bange revolutionairen mee.
Als stamvader van het opportunisme heb ik op een of andere manier immer Machiavelli opgevat. Maar da’s ook maar gebaseerd op slechts één van zijn boeken dat derden wellicht doorademd vinden door realisme. Hans Magnus Enzensberger huldigde bijvoorbeeld Machiavelli ooit met geknars van tanden zo:

‘Voor je kale meedogenloze zinnen, voor je moed om lafhartig te zijn,
je diepzinnige banaliteit, en je nieuwe wetenschap

Niccolò, schoft, dichter, opportunist, klassiek schrijver, beul:
jij bent de Oude mens zoals hij te boek staat, en daarom prijs ik jouw boek

Broeder Niccolò, dat vergeet ik nooit, en dat je leugens
zo vaak de waarheid spreken, daarvoor vervloek ik je kromme hand.
(vert. Peter Nijmeijer)

Ook Ayaan Hirsi Ali moet iets voor die lafhartige moed hebben gevoeld. In Nomade verklaarde ze zich gecharmeerd van de Nederlandse aard, die eruit zou bestaan de natuur aan te passen aan je wensen. Ging dat ooit met dijken en molens, in vacatures waar onder het gesternte van de hands-on-mentaliteit de notie opportunistisch uiteraard niet kan vallen, heet dat waarschijnlijk een ‘groot probleemoplossend vermogen’.
Maar wie ben ik om al die leesscherfjes bijeen te vegen? Door een onthutsend rapport uit Nederland over laaggeletterdheid ontmoette ik het begrip ‘oudkomer’. Plichtsgetrouw en optimistisch nazicht in Van Dale leerde me een zelfportret te hebben ontmoet, naar de definitie van mijn woonland:

oudkomer
zelfstandig naamwoordde moudkomers
1997, gevormd naar het voorbeeld van nieuwkomer
1 vreemdeling die al langere tijd legaal in zijn nieuwe vaderland woont
a in NL vreemdeling tussen 16 en 65 jaar zonder Nederlands paspoort, die in de leerplichtige leeftijd minder dan acht jaar in Nederland woonde, die geen diploma’s heeft waaruit voldoende beheersing van de Nederlandse taal blijkt en die daarom verplicht is een inburgeringsdiploma te behalen
b in BE meerderjarige vreemdeling die meer dan twaalf maanden ingeschreven is in het Rijksregister

Eigenlijk wilde ik iets zeggen over het boekje van Compagnon, die volgens Wikipedia trouwens geboren is in Brussel. Het hoogtepunt van Klein digitaal verdriet lag voor mij in 4’33”. Deze omstreden compositie van John Cage, louter gevuld met omgevingsgeluid, kent een duur die Compagnon verregaand duidt.
Autobiografisch, omdat hij precies die tijd kreeg om op de televisie te spreken over een klassiek boek. Technisch, omdat dit in geschreven tekst zou uitmonden in maximaal 4800 tekens, inclusief spaties – minder dan deze blog. Ideologisch, omdat hierdoor de wet van de jungle gedicteerd blijkt die zich volgens Antoine Compagnon uit in een persconferentie van een Franse president.
Vragen? Geen vragen.

donderdag 15 september 2016

De grammaticaal correcte volzin



Vers van de plank is de documentaire De slag om het Maagdenhuis. Ze blikt terug op de bezetting door studenten in 2015 en laat de hoofdpersonen van toen, met kennis van heden, aan het woord.
Natuurlijk moet deze gebeurtenis optornen tegen de legende van de Maagdenhuisbezetting in 1969, die vijf dagen duurde. In 2015 verbleven er meer studenten ongeveer achtmaal zo lang, maar het is de vraag of de geschiedenis hun een even prominente plaats geeft. ‘De revolutie van de jaren zestig’ heeft vooralsnog betere papieren.
Centrale stelling in De slag om het Maagdenhuis is het ontbreken van elk begrip tussen de partijen. Studentenvoorman Jarmo Berkhout zegt dat de gesprekken nooit gelijkwaardig zijn geweest: bestuurders hadden nu eenmaal de macht.
Om die notoire asymmetrie te legitimeren, en feitelijk selffulfilling prophecy te installeren, gebruiken partijen hun eigen woorden. Bestuurders reppen van hun verlangen naar een ‘dialoog’, studenten ontmaskeren dat gedrag als ‘regentesk’ (en voegen zich zo naar het beeld van ‘de jaren zestig’, dat nogal wat voorgeschiedenis aldus retoucheert. Ook spandoeken met de knipogende slogan Baas in eigen hoofd onderstrepen die vertekening.)
Zelf was ik vooral gespitst op hoe de instituties hun posities vertegenwoordigden. Amsterdams burgemeester Van der Laan kwam gehaaid over. Luisterend, geïnteresseerd, soms complimenterend, leek het alsof hij voortdurend ruimte had gelaten, maar helaas door de studenten genoopt werd tot gewelddadige ontruimingen.
Verhoudingsgewijs was collegevoorzitter Louise Gunning onhandiger, helemaal toen ze verklaarde problemen te willen oplossen ‘met elkaar’. Voor mij is die frase gaan kleven aan Wim Kok, officieel een socialist, toen hij als premier van paarse regeringen een dialoog aanging met collectieve voorzieningen.
Toch ontroerde Gunning me. Ze had een dictie waarvan ik niet wist dat die nog bestond, met uitdrukkingen als ‘zich toegang verschaffen’ ook. Minstens zo aangrijpend was een actievoerster. Haar stem leek rechtstreeks uit Kinderen voor kinderen weggetrippeld.
De slag om het Maagdenhuis gaf verder inzicht in Occupy-vergaderregels met wapperende handen. Ook verplaatste Typhoon het decor ogenschijnlijk naar de historische protestjaren, met een uitvoering van ‘Redemption Song’. Maar die dateert van 1980, toen Thatcher al aan de macht was.
Tot slot zag ik een poster voorbijkomen van The University of Colour, die dik een jaar later van zich zou doen spreken.

zondag 4 september 2016

Staatsangehöriger zum gegenwärtigen Zeitpunkt!

Staatsangehöriger zum gegenwärtigen Zeitpunkt!


In een supermarkt kun je uren talmen over welke boter je moet kopen en dan nog twijfelen of het de goede keuze is geweest, maar grote beslissingen neem je in een oogwenk en lijken nog verantwoord ook. Dat heet tegenwoordig volgens mij serendipiteit. Consequentheid en logica wekken niet de indruk er prominent bij aanwezig te zijn.
Iets dergelijk bewijst ook weer de reconstructie van Angela Merkels besluit om in september 2015 de grenzen open te zetten voor vluchtelingen die in het Hongarije van Orban letterlijk vastgelopen waren. Ook met de kennis van een jaar nadien voelt het aan als een wijs besluit. Merkels arbeidsethos imponeert sowieso (en dat van mannelijke collega’s in binnen- en buitenland stelt teleur).
Mij verbaasden kwesties die vermoedelijk details zijn. Dat één tweet een cascadewerking kan hebben, dat een aan Oostenrijk opgedrongen persverklaring zo spoedig mogelijk op Facebook moest komen opdat ook de vluchtelingen on the road zich konden informeren. En dat de humanitaire ramp na hen met geweld afgestopt te hebben eindeloos door ‘de media’ zou worden gereproduceerd.
Door de reconstructie vierde meteen een slogan een eenjarig jubileum, waarbij de gevreesde media evengoed stilstaan.
In mijn functie van vakidioot hoor ik in ‘Wir schaffen das’ evenveel lettergrepen als in het nogal anders gestemde ‘Eigen volk eerst’ (Vlaams Belang). Merkel voegt in haar tegendeel met een persoonlijk voornaamwoord tegelijk daadkracht toe. Dat deze van een gemeenschap moet komen, bewijst de klank van ‘Wir schaffen das’ die al samenhang laat horen – ‘Eigen volk eerst’ suggereert los zand.
‘Vol is vol’ (Centrumdemocaten) zit ritmisch en fonetisch beter in elkaar. Het doet daarin denken aan alweer een tegenhanger: ‘Yes, we can’ (Obama). Assonantie aan weerszijden, inclusiviteit uitbeeldend! Wel is het verschil tussen die twee slogans essentiëler doordat ook ‘Yes, we can’ een persoonlijk voornaamwoord inlast.
Uiteraard staan ‘Wir schaffen das’ en ‘Yes, we can’ ook inhoudelijk anders in de wereld dan ‘Eigen volk eerst’ en ‘Vol is vol’. Bij de eerste twee is er nog werk aan de winkel, terwijl de derde en vierde een status quo willen.
Daarmee doemt voor mij nog een beruchte uitspraak, een dieptepunt uit de laaglandse politiek – dat ik louter cliffhangerig, met stuiterende voorzetsels, kan formuleren. Ik doel op de reactie van Geert Wilders op het antwoord ‘Minder’ van PVV-publiek op zijn vraag ‘Willen jullie meer of minder Marokkanen?’: ‘Dan gaan we dat regelen.’
Voor Wilders lijkt er dus evengoed werk aan de winkel en zijn uitspraak komt bijna letterlijk overeen met die van Merkel, maar toch voelt iedereen aan dat zijn ‘Dan gaan we dat regelen’ diametraal staat op haar ‘Wir schaffen das’.
Bij Merkel domineert een geloof in de toekomst, bij Wilders een prikkel in het heden die boter bij de vis wil geven. Het woordje ‘dan’ suggereert dat hij op een tegenovergesteld antwoord tegenovergesteld had gereageerd. Tegelijk is dat een democratische schijn, omdat hij, als enig lid van zijn partij, zijn eigen gang gaat.
Het ‘we’ van Wilders fungeert dus als een verhuld ‘ik’. Om zijn doel te bereiken moet hij aan achterkamertjespolitiek doen: ‘regelen’ verdraagt geen daglicht, en heet hier in België zoiets als arrangeren.
Het ‘wir’ van Merkel heeft juist openbare steun nodig. Het is wat het is; ‘schaffen’ is arbeid die valt te controleren door iedereen die dat wil. Gezamenlijkheid dient als voorwaarde.
Bij Wilders kunnen begunstigden achterover leunen omdat één iemand voor hen aan het fiksen is. Bij Merkel is moeite nodig door iedereen voor iedereen.
Voordeel bij Wilders valt toe aan individuen wier belangen elk middel heiligen. Dat maakt zijn strategie opportunistisch. Voordeel bij Merkel valt toe aan de gemeenschap. Dat maakt haar strategie principieel. Maar ook utopisch?


P.S. En toen verloor Merkel de deelstatenverkiezingen in ‘haar’ Mecklenburg-Vorpommern van een partij die Alternative in haar naam heeft, ooit een garantie voor links gedachtegoed, en die de slogan ‘Mut zur Wahrheit’ voert. Evenveel lettergrepen en een assonantie – die echter meteen obstinaat wordt. En weer geen persoonlijk voornaamwoord te bekennen.

dinsdag 23 augustus 2016

Vitae Summa Brevis




Dat hij dermate aardig was, dat hij onmogelijk vijanden kon hebben. Vreemd dat dit het eerste is wat mij bij Toots Thielemans te binnen schiet. Zo’n begaafde muzikant! De gave om een onooglijk instrument, dat hij broodje noemde, te emanciperen! Het verbijsterende aantal hot shots met wie hij heeft samengewerkt! De overbodigheid van het potjeslatijn!
Telkens gaan mijn gedachten de niet-kennerskant op. Er bestaat een bescheidenheid die niet vals is! Eventjes determineren. Wie van jongs af in cafés verblijft, moet wel een sociale intelligentie ontwikkelen. Voeg daarbij muziek als voor iedereen toegankelijke taal, en de voorwaarden zijn geschapen.
Ieder zijn idolen en beurse plekken. Onvermijdelijk herinner ik me de BRT-reportage waarin Thielemans die andere instrumentemancipator, de inmiddels opzichtig manische Jaco Pastorius, inclusief baret die veeleer de associatie met een Willempie-act in het leven riep, liet betijen en bij al dat respect de muziek losjes in ietwat betamelijke banen leidde.
Als er na Boudewijn nu iemand is wiens dood in België eenheid kan scheppen, dan lijkt Toots het wel.
Bij hem kan er ook geen verdenking geweest zijn van intellectualisme, dat er zo slecht op staat, en waarbij ditmaal jazz dient voor de mogelijk oprechte uitvlucht ‘ik begrijp het niet’. Op mijn beurt snap ik dat niet. Vanuit jazz en jazzrock of fusion heb ik kennisgemaakt met een resem van genres, zoals Thielemans zelf is overkomen.
Ook dunkt me dat jazz is voortgekomen uit armoede, waartegen muzikanten troost en optimisme in stelling brachten. Enkelingen wisten zich op te werken, maar het zakdoekje van Louis Armstrong wuifde toch ook een beetje naar plantage-eigenaren voor wie de muzikant zich in het zweet werkte.
Geld verbind ik met oude stijl jazz, die de olijke protestgroep RK Veulpoepers BV begin jaren tachtig als ‘Ouwe Kwijl Jazz’ ontmaskerde: ‘O zweethart van mijn / O geef me wat wijn / En de sauzen van Calvé’. Dit zal geconsumeerd moeten zijn door ‘blauwe blazers’, en daarmee zijn geen instrumenten maar kledingstukken bedoeld.
Hier toont zich iets wat volgens mij waarlijk de virtuositeit van Thielemans is geweest. Hij wist ook deze liefhebbers zonder dedain aan zich te binden. Waar in die niche openbare pushing van Willem Duys iemand als Thijs van Leer de nek omdeed, bleef de reputatie van Thielemans onbesmet. Desnoods kitsch sloot hij binnen.
Zelf heb ik alleen bijverschijnselen daarvan ervaren, op festivals. Er blijven daar reservaten van goed eten en veel lege plaatsen, waarbuiten ik een vrouw eens haar beklag zag doen over de witte wijn: die kon ze onmogelijk drinken uit een plastic bekertje. Hopelijk was zij niet te laat gearriveerd op haar peperdure zitplaats en was ze niet voortijdig weggegaan (Michael J. Sandel signaleerde dat verschijnsel evengoed op sportvlak).
Anderzijds herinner ik me van zo’n evenement een oude man met T-shirt-opschrift: ‘Onder het plaveisel ligt het strand. Nog altijd.’ Dat past mijns inziens bij jazz, en zo heeft Thielemans dat in zijn permanente inclusie van nevengenres toegepast.
Sterker, het hoort bij wat David Graeber stelde in een oproep voor Occupy: ‘The power of Occupy lies in its ability to harness the collective intelligence of our leaderless movement to tactically innovate. We move at viral speed – always one step ahead. “Fight, fail, fight again, fail again, fight again… till victory.” When one tactical constellation fails, we innovate spontaneously – we play jazz.
Alleen ontpolemiseerde Thielemans de buitenkant van die muziek.
Is er van zo’n karakter, dat moeiteloos goed humeuren aanricht, een evenknie in Nederland? Ik ben kennelijk te lang weg, want weet er geen. Zelfs de meest geliefde muzikanten hebben altijd wel enige strijdvaardigheid verwekt. Een overblijfsel van de debatcultuur die al tijden is gestold in uniforme compromissenbaksels?

donderdag 18 augustus 2016

Vooruitgang



Opgepast, een lange zin. Talloze malen op televisie gezien, op foto’s, over gelezen in tijden toen het bij schaatswedstrijden, waar de zilvervloot gewonnen moest worden, zichtbaar winter was en toen de publieke voetbalscheidsrechtersverwensing hiha hondenlul geen tussen-n kende en koosjer noch halal was – en nu, dik 51 jaar oud, ben ik vanachter het schuifraam naar onze koer getuige geweest van die oerscène: moedervogel dropt van boven de nestrand wormpjes in de opengesperde snavels van heur kinderen.
Dit betekent eveneens dat het taalkundig genie en de gourmande iets eerder deze illustratie van kennis beleven. En dat zal veeleer regel dan uitzondering worden. Maar ja, van hoe ver kom ik, ongeveer? Volgens een woordfrequentieschilderij over 1960 tot en met 1968, afgebeeld in een gids over het laatstgenoemde iconische jaar, vielen uit het nieuwe Frans van Le Petit Robert destijds het vaakst twee woorden uit mijn geboortejaar: ‘minijupe’ en ‘phallocratie’.
Trekt nu een zucht van vermoeidheid door de gelederen van hen op wie onze hoop gevestigd is?
Dertig jaar later pleitte Hugo Claus voor geduld dat het lezen van moeilijker boeken mogelijk zou maken. Ook de letterenverslaafde moet immers rijpen. Hij vergeleek dit proces werktuiglijk met consumptie: ‘De meeste kinderen moet je olijven leren eten.’ En ik besef dat het taalkundig genie en de gourmande, die nooit een tijd hebben gekend dat er geen olijven in huis waren, deze zaligheden, die mij in eerste instantie het meest smaakten naar zeewater, altijd als vanzelfsprekend gulzig hebben gegeten.
Houdt dit in dat makers van die boeken evengoed veranderd zijn? Opgepast, een paar namen. Ooit lanceerde Dubravka Ugrešić de term ON-schrijver. Die afkorting verwijst, vrees ik, niet naar een prachttitel van mijn hand, maar naar Out of Nation. En juist dat concept dunkt me te grofmazig voor de actualiteit.
In zijn multiculturele interviewbundel Kaaskoppen sprak Robert Vuijsje met autochtoon Mai Spijkers, die als weinig anderen hun producten weet te slijten. Hij komt aan het woord omdat hij zich uit een achterstandsmilieu heeft opgewerkt tot multimiljonair ‘en bekenstond als een meedogenloze patser’. Vuijsje vertelt erbij dat Spijkers met afstand de meeste auteurs publiceert van wie de familie niet in Nederland geboren is. Over hen zegt Spijkers:

‘Ik generaliseer nu: de doorsnee Hollander met een redelijke opleiding, die kun je wel uittekenen. Maar deze mensen hebben meer meegemaakt, daardoor zijn ze meer spannende sparring partners. Het verhaal van die jongens en meisjes, daar herken ik me in. Ze zijn de kinderen van fabrieksarbeiders, met de vader hadden ze geen contact want die moest altijd werken, de moeder regelde alles thuis. Allemaal armoede, maar ze hadden wel intellectuele interesse en ambitie. Het is mijn eigen verhaal, dat voelen zij ook.’

Ik vind dat mooi, al kan ik me commentaar voorstellen over profijt en misplaatste identificatie, inclusief de onvermijdelijke historische parallel, hier pakweg met kolonialisme waar de bezongen zilvervloot aan refereert.
Toch ben ik zo vrij in Spijkers’ observatie én in Claus’ gedateerde beeldspraak een ververste institutionalisering te zien. Voor hen die vrezen dat hiermee nabije tradities naar de knoppen gaan, lijken me gelijktijdig de kansen juist te stijgen. Twee bewijsjes.
In Amerika is trompettist Wynton Marsalis al heel lang bezig met hardhandige conservatie van muziek die volgens hem, en en Stanley Crouch, aan het verdwijnen is. In Nederland was tamelijk recent een initiatief om de Groningse eierbal op de UNESO-lijst voor immaterieel erfgoed te krijgen.
Als inwoner van België durf ik niet goed de spot te drijven met culinaire hoogstandjes uit Nederland, maar erg smakelijk lijkt me het frituursel niet, in een combinatie van gekookt ei, ragout en paneermeel.
Volgens het Wikipedialemma van de eierbal is er verwantschap met de sambal goreng telor uit de Indonesische keuken. Dit dunkt mij een belediging, en helaas niet de eerste. Al verkeer ik over oorspronkelijkheid altijd al in prettige verwarring, en alleen maar meer sinds over Arno is beweerd dat hij ‘met zijn mengelmoes van Engels, Frans en een beetje Nederlands een zeldzaam authentiek vertolker [is] van de Vlaamse volksziel.’
De opstoting van de eierbal in de vaart der volkeren ging gepaard met een actiefoto van de premier die het ding binnen probeerde te spelen. Hij bleek dat niet met het grootste genoegen te hebben gedaan, bang als hij was te worden vereeuwigd à la McCain in verkiezingstijd.
Bij wijze van alternatief had hij de eierbal kunnen doorgeven aan hen die een voedseltekort doormaakten. Aan vogeltjes bijvoorbeeld. Al was het mogelijk dat die de voorkeur bleven geven aan wormen. Een lekkernij, dat weet ik nu wel zeker. 

maandag 8 augustus 2016

Schutplaats op de planeet



Lang geleden dat ik me nog zo ongemakkelijk gevoeld heb bij een boek als tijdens lezing van Astrid Roemers Liefde in tijden van gebrek: memoires van een thuisloze. Die recentste titel, verschenen tussen toekenning en uitreiking van de P.C. Hooft-prijs 2016, blijkt nogal apart ontvangen. Ik stuitte op een paar interviews en oeuvre-overzichten, terwijl ik recensies en analyses via de hoofdingang had verwacht. Stil bleef de recensente die op de binnenflap haar nieuwsgierigheid naar Liefde in tijden van gebrek uitspreekt. De ontvangst in zijvertrekken lijkt een verlegenheidsoplossing, omdat het boek als onversneden autobiografisch is gepresenteerd en een heikel thema aanroert: betrekkingswaan.
Liefde in tijden van gebrek druist in tegen het exotische en maatschappijkritische beeld van Roemers schrijverschap dat rond de P.C. Hooft-prijs gereproduceerd werd. Beeldspraak blijft vaak achterwege, de stijl is veeleer sober dan exuberant. In dit boek registreert Roemer. In combinatie met het thema en de keuze voor één centrale hoofdfiguur die nevenpersonages, ‘kwaad-aardigen’ genoemd, door haar gedachtewereld filtert, levert dat een oer-Hollands, bijna naturalistisch boek op. Schitterend is een toevoeging bij het eerste voorzetsel in deze vraag: ‘Wat is er toch met betrekking tot mij aan de hand?’
De drukst optredende ambachtsmannen uit Liefde in tijden van gebrek zijn slotenmakers. Toch worden de – permanent tijdelijke – woonruimtes van de hoofdfiguur tijdens haar afwezigheid binnengedrongen, gaan haar elektrische apparaten stuk, verdwijnt er voedsel van haar geliefde katten, worden haar vuilniszakken onderzocht, wordt haar e-mailbox geopend, haar laptop gehackt, haar bankrekening geplunderd en een begrafenisverzekering voor haar afgesloten, zijn er seksboekjes geschoven tussen haar naslagwerken, medische gegevens van een onbekende in haar dossier bijgeschreven, verschijnt er een politiebericht op het scherm van haar gsm. ‘De gemeenschap’ formeert een status quo tegen het individu.
Wel dunken mij dit symptomen die zich evengoed aftekenen op de huid van de westerse samenleving. Cybercrime en NSA-gewemel behoren daar even vanzelfsprekend toe als zogeheten verdacht poeder. De term ‘dreigingsniveau’ is ingeburgerd. Achterdocht lijkt uiteenlopende fenomenen te verzamelen voor wat een onderbuikgevoel heet. Dat er aanslagen komen, dat een geloof de macht overneemt, dat er een systeem zit achter de terreur, dat ‘de media’ de kluit belazeren, enz.
Zo’n gevoel heerst overigens evenzeer in hogere kringen, wanneer Donald Trump insinueert dat Putin toegang heeft tot alle Amerikaanse instituties, inclusief ik weet niet wat, of wanneer Hillary Clinton insinueert dat Trump samenspant met Putin.
Roemers hoofdfiguur valt niet te betrappen op het belangrijkste bijverschijnsel: angst. Ook schiet de term ‘hoofdfiguur’ tekort. Het boek spreekt veelvuldig van ‘mijn organisme’, en hanteert het bijvoeglijk naamwoord ‘mentaal’ tevens als substantief (‘het mentaal leert, repeteert, integreert, adapteert’). Doordat Liefde in tijden van gebrek op meerdere plaatsen aanhankelijkheidsverklaringen uitspreekt tegenover Darwin en zijn survival of the fittest komt het ‘ik’ neer op een beweeglijke kern die door weloverwogen aanpassing (‘ik dans naar hun pijpen en speelt de naïeve negerin’) tracht te overleven.
Typisch is namelijk dat die beweeglijkheid beperkt blijft tot de gedachten, die motieven aan de nevenpersonages toeschrijven én die eigen gedrag legitimeren dat veeleer geduldig meebuigt dan ageert: ‘Ik ben niet iemand die anderen overvalt, de privacy van anderen ongevraagd binnendringt: ik heb geen kankermentaliteit. Ik ben liever een reeks vitaminen die vrijwillig wordt ingenomen en het organisme opwekt, versterkt, in stand houdt’. Wanneer het ‘ik’ haar autonomie heeft herwonnen is het juist onbeweeglijk. Dagen worden dan stukgeslagen in meditaties en geconcentreerde voorbereidingen op het maken van teksten.
Een andere sidderende tegenspraak binnen Liefde in tijden van gebrek is dat de argwaan grossiert in voorbeelden van hoe de privacy van het ‘ik’ geschonden wordt, en dat de beschrijvingen die dat willen bewijzen diezelfde privacy nog grover onthullen. Elke verklaring over de binnendringing van een ander boort een dieper gat in het zelf. De aanvallende mensen en instanties worden bedreigender doordat ze initialen krijgen of slechts vage aanduidingen: ‘de persoon aan wie ik liever niet denk’, de Haagse Mevrouw, de Amsterdamse Geliefde, de R-bank, Bekende Landgenoten,… Bij hen stelt de ik-figuur zich netwerken voor, die per dag in grootte toenemen.
Nog een middel waarmee Liefde in tijden van gebrek paranoia verzwaart is de alinea-indeling. Het lijvige boek kent, tegengesteld aan het opengewerkte proza van Roemers vroegere titels, amper wit of inspringing. Zo wordt het beschreven universum geslotener, meer verschanst. De drie delen waarin Liefde in tijden van gebrek uiteenvalt en die verbonden zijn met plaatsen, bevestigen die indruk, doordat er geen verschil tussen is: ‘Net als een vaderland en een nationaliteit, geslachtssolidariteit en rasidentiteit, familiekringen en liefdesrelaties, kan een stad die je ooit geborgen heeft de meest gevaarlijke schutplaats worden op de planeet’.
Niet voor niets valt het woord ‘hermetisch’ nogal eens voor de toestand waarin het ik verkeert. Zelfs ontbreekt ‘ik’ als persoonlijk voornaamwoord en onderwerp van een zin geregeld – het is in de omgeving vervloeid.
Sporadisch verheft dit personage zich dan uit alle macht. Bijvoorbeeld door eraan te herinneren dat ze ‘door een gezaghebbend feministisch maandblad in Nederland was uitgeroepen tot een van de zes belangrijkste vrouwen van de afgelopen eeuw: IK!’

maandag 1 augustus 2016

Joris Gerits (1943-2016)


Hij was ‘liefste prof van de UFSIA’. Die titel, die vandaag bij zijn drukbezochte afscheidsbijeenkomst onthuld werd, lijkt me niet weg te lachen. Volgens vele sprekers beschikte hij verder over de moed van de hoop. Dat bleek mede uit de herinnering van een zogeheten pluskind, die de eerste ontmoeting beschreef met hem, gestoken in witte sokken in sandalen, een plastic zak in de hand van Thomas Cook.
Ook de vakterm ‘ontmijnen’ werd toegelicht. Wanneer de spanning in een gezelschap steeg, maakte Gerits steevast een grap. Mij staat dat inderdaad bij (inclusief het sikkeneurige gevoel dat agonismen toch ook niet zo kwaad waren), al was de tijd dat ik met hem vergaderde bij Streven peanuts vergeleken met de periode dat hij redacteur van dat tijdschrift is geweest: 45 jaar.
Geweldig dat deze functie als tweede wapenfeit op Gerits’ rouwbrief vermeld stond. Toch nog een postume polemiek, met de minister die het blad zijn subsidie afhandig maakte? (En is ‘hottentottententententoonstelling’ wel het langste woord uit het Nederlands? Zou dat niet zoiets kunnen worden als ‘‘hottentottententententoonstellingssubsidieaanvraagbodemprocedure’?)
Elk overlijden van iemand die je ook maar een beetje kent en voor wie je al genegenheid hebt opgevat, biedt de verleiding herinneringen op te dissen. Ook dient spijt zich aan, bepaalde vragen niet gesteld te hebben.
Zo had ik graag Gerits’ mening geweten over een tekst waarop ik een tijd geleden stuitte bij het afgrazen van een oneindige zaak die Turing Gedichtenwedstrijd heet. Lang niet alle deelnemers bleken me onbekend. Maar de naam die mij het meest opviel was Rikkert Zuiderveld (‘Naam van de moeder?Maria. Gehuwd? Nee juffrouw. Maar het kind had Jezus moeten heten’).
Hij blijkt al heel wat boeken te hebben geschreven, en wekelijks een sonnet voor Met het oog op morgen. Zijn winnende gedicht, dat althans de top 100 haalde, heette ‘De maaltijd’:

Ze komen op een avond bij ons eten,
de moeder en haar kinderen. Ze lacht,
ja, uit Aleppo, zegt ze dan. Zo zacht
alsof ze het al bijna was vergeten.

De bonen smaken goed, de kip is mals,
we praten, drinken, proosten op het leven.
Ik vraag: waar is je man? Dan maakt ze even
een snelle snijbeweging langs haar hals.

Ze ziet hem lopen langs de rozenhagen,
zijn sterke rug, zijn innerlijke rust
en om hem heen de geur van zomerdagen.

Misschien heeft ze hem nooit vaarwel gekust.
Ik durf het haar gewoonweg niet te vragen.
Dan vraag ik maar of ze een toetje lust.

Wat zou Gerits hiervan gevonden hebben? Hij was een generatiegenoot van Zuiderveld, die de omgekeerde ontwikkeling had doorgemaakt. Gerits kwam volgens mij uit een gelovig gezin, volgde een gedegen jezuïetenopleiding – en brak de wereld in.
Bij al het geweld van ongetwijfeld veel belangrijker kwesties in de actualiteit die het overlijden van Joris Gerits overschaduwen, wil ik ten slotte wijzen op een unieke eigenschap van hem. Niet alleen de utopische wil om objectief en pluralistisch te zijn, maar ook – in poëzierecensies – het bewijs te leveren dat zeer veel verschillends hem lief was, desnoods tegensprekelijk.

zaterdag 9 juli 2016

Kamasi for President



Staan de Angelsaksische landen in brand? De berichtgeving, die hier van oudsher een Angelsaksisch smaakje heeft, doet vermoeden van wel. Tegelijk lijken culture wars naar de Lage Landen overgewaaid. Er woeden allerlei debatten over details die futiel hebben geleken en over tradities die onmogelijk een haar in de boter dachten te kunnen serveren.
Bij die geschillen is er beduidend meer kritiek dan zelfkritiek; er worden vooral diagnoses gesteld zonder geneesmiddelen. Toch kan ik lastig aannemen dat westerlingen te verdelen zijn in hen die een ivoren toren bewonen en hen die betogen vanuit de onderbuik. De crux zou dan liggen in de omgang met angst.
Een recensie bood deze charmante fehlleistung: ‘Het racisme in Nederland rijkt verder dan directe, openlijke beledigingen en zit ingebakken in zowel culturele als politieke structuren.’ In de spelwijze ‘rijkt’ zit een sociaaleconomische positie die, grosso modo, de aanzet vormt voor huidige tegenstellingen. Tegelijk bijt haar hoge generalisatiegehalte de bewering in de staart.
Er lopen meer breuklijnen door Angelsaksië, die de debatten blootleggen. Dat is op zichzelf verhelderend en vruchtbaar, maar het is dikwijls moeilijk te geloven dat die geschillen het fameuze wij-zij-denken beweren te overwinnen. Eerlijk gezegd ontgaat me het volkomen hoe men van weerszijden zo’n alwetendheid demonstreert. Ik snap althans niet hoe een pleidooi voor inclusiviteit gepaard kan gaan met stelligheden over wat anderen waarom over derden denken, vinden en wel of niet bedoelen.
Zelfs vraag ik me af of het dienstdoende standpunt ruimte laat aan de mogelijkheid de ander te overtuigen. In Twitterland blijkt bijvoorbeeld, met referte aan het begrip ‘solidariteit’ dat mij na het hart gaat, een foto van ‘blanke vla met een negerzoen’ het te hebben opgenomen tegen een pannenkoek in de vorm van een hakenkruis en cupcakes die eruitzagen als KuKluxKlanners. Over de aanstichtster van deze culinaire rel berichtte het artikel in stijl: ‘Nu toonde zij eerder al niet het licht der beschaving te zijn, het is dus maar de vraag of ze de kritieken begrijpt.
Misschien blijft de onmin ook sidderen omdat het ontbreekt aan een ‘positief voorbeeld’. Dat ik op mijn oude dag zo’n stichtelijke term durf te gebruiken (had ik in mijn jonge jaren niet gedacht)! Zo’n positief voorbeeld mag geen prooi worden voor rolmodellering of voorbeeldfuncties. En het belangrijkste: het hoeft niet zozeer te gaan om een persoon, als wel om wat deze aan ervaringen teweegbrengt.
Welnu, volgens mij is de redding nabij.
Vanuit de theorie, meer in het bijzonder door een wandtegeltje van Stevie Wonder, wist ik al dat muziek is: een language we all understand. En de plaat had ik al uitgevoerd gezien op het internet. Maar nu ben ik er als levend lijf getuige van geweest, en is mijn campagneadvies af te geven op basis van ondervinding: Kamasi for President!
Er is al veel over The Epic van Kamasi Washington geschreven, maar het project dunkt me op dit moment relevanter dan ooit. In tijden waarin het woord ‘cultuur’ al afschuw opwekt en in Vlaanderen na de toekenning van subsidies de poorten van de rituele verontwaardiging weer opensloegen, verheugt het dat The Epic bij uitstek cultuur is – en toegankelijk blijkt zonder drempels.
Ja, dit is jazz, maar met alle denkbare andere stijlen erdoorheen, in wisselende verhoudingen. Ja, er staat een contrabas bij, maar deze is letterlijk getatoeëerd. Kortom: alle windstreken, weertypes en zonnestanden komen binnen. Eenmaal in deze cultuur geraakt neemt de kennis spectaculair toe.
Evenmin valt te ontkennen dat religies terug een rol spelen in het alledaagse leven die ook voetbal niet weet in te vullen. En dat een concert van Washington de indruk biedt aanwezig te zijn bij een mis, zij het voor alle gezindten. Maf is dat er geen richting wordt gewezen, maar sensaties de kop opsteken van zoiets als gemeenschappelijkheid. De ongewone grootte van Washingtons band werkt dat gevoel in de hand.
Deelnemen (niet: ‘participeren’) lijkt bij hem het parool. Solisten krijgen alle ruimte, zonder dat ze in het narcisme van technische exploitatie kunnen vervallen. Mij deed bijvoorbeeld een drumsolo herademen. In de geschiedenis begon die op kant drie van een dubbelelpee, terwijl Washington twee drummers in dienst heeft die wel op elkaar moeten reageren. Etaleren zou misplaatst zijn.
Als bandleider benadrukt Washington de kleine verbanden, van familie en vrienden die niet alleen bij hem op het podium staan, maar die hem ook hebben geïnspireerd. Vanuit de traditie van de vadermoord is dat toch een ander geluid, om nog te zwijgen van het etiket ‘burgerlijk’ dat in protestjaren vanzelfsprekend werd geplakt op alles wat die vader te vertegenwoordigen leek.
Mijn gedachten gingen even naar een uitspraak van Catherine Ongenae. In Seksisme. Nee, wij overdrijven niet! vertelde ze dat ze er moeite mee heeft aangesproken te worden als ‘mama’ – alsof een vrouw geen andere ‘kwaliteit’ heeft dan het moederschap. Bij Kamasi Washington is dat dus niet eens meer een kwestie. (Ik snap nu waarom er trots in me opwelt wanneer in professioneel pedagogische kringen iemand ‘papa’ tegen me zegt.) 
The Epic wordt intenser naarmate het verhaal langer duurt. Dat is niet bij elk optreden binnen de programmering mogelijk, maar ik vind het geweldig dat het woord ‘uitrollen’ ook eens in deze betekenis mag bestaan. Via de onderbuik verspreidt de muziek zich over het lichaam, tot in de ivoren toren die wel brein genoemd wordt. Kamasi Washington vertoont een inclusief project.

donderdag 30 juni 2016

‘Teruggestuurd in een bootje’: drie gedichten




Vandaag: Joris Vercammen (1984). Gitarist en gitaardocent in Berlijn. Publiceerde gedichten in DWB, De Brakke Hond en Yang. Momenteel werkt hij samen met schilderes Aya Onodera. Daarvoor gaan ze samen twee weken in Italië in residentie bij Case Sparse. Vercammen interesseert zich o.a. voor natuurlijke feedback, boven- en ondertonen. De opname van Onze Nietzsche verrijkte hij met muziek.




Welke plaats heeft het goud in het elektrische universum?
De koning kon zich niet beheersen, en gebruikte zijn macht.
  
In Avignon vond het jaarlijkse festival plaats, waar de paus woonde.
Maria draagt geen kind. In St. Remy, bij Arles zag Van Gogh de kleuren.
  
In Saint Marie de la Mer wordt Sara la Kali teruggestuurd in een bootje.
Bij de gouden bron draagt Maria de Egyptische vlecht. Ze wijst naar zichzelf.
  
De vis toont de geometry. De ring is het unicaat.
Push-back-beleid is een sterk woord. Het mummiestof kon je kopen.
  
In de hogere octaven werd gemerkt hoe het goud transponeerde.
Wat komen onze moordenaars hier zoeken?
  
Het witte poeder deed je oren fluiten. In het fluiten hoorde je stemmen.
Je bloed is je individualiteit. Zij dronken je bloed.
  
Bij het propere dal werd de sneeuwpop, ritueel van de berg geduwd.
A.V.V. - V.V.K. , in het tempelkruis staat de V. in het centrum.
  
Dat is een W met A er boven en V er onder. Kristus schrijven we nu met C.
  
Het Enochiaanse alfabet, in de torenkamer in Praag, met de trap uit een stuk.
Naar wie luister jij? Ken jij je eigen stem? Is het allemaal in beeld?





De plant in de pot bij het raam


De strijd is weg. Er is geen strijd in onze haren.
We sneden de haren op onze armen af.

Uit de liefde kwam nog iets gezwommen als een waterrat.
In de hitte ging het ordelijk verder.

Ik ging verder en wist niet meer naar wie te luisteren. 
Ik had de politicus bijna geslagen.

Daarover struikelen bracht mij niet verder.
We zouden slapen en dan verder denken.

Het ritme is voorbij. De slaap heeft ingezet.
Nu lopen de dromen binnen.

We zwijgen.
We denken, voelen en willen.







Naar het propere hart van Europa stroomde het geld.
  
In de hoofdstad van Europa werden de kinderen gekeeld. 
De politicus was een beul. Willen we revolutie?
  
Zij willen een opstand. Le commune de Paris, die Märzrevolution,
Cinque giornate di Milano, startten, op, jawel, 18 maart.
  
Op 18 maart loog Blair voor het Britse parlement,
686 jaar nadat Jacques de Moulai stierf, 686 = 11 en 18 = 9.

9 dagen na 13 maart 2016 ontplofte een bom in het vuile hart.
  
Artevelde wijst. Moeten we dan, in regios bij elkaar, elkaar niet verstaan?
  
Het is niet allemaal een droom. De uil is de kronkelende draak.
  
In de pharao's, in de heilige strijders, in de menselijke mythe,
stroomt het blauwe bloed, het lijkvocht, het chemische huwelijk.