zaterdag 19 april 2014

Net als in de film (ik wil het)


En zo geschiedde het dat, in de zestiende week van het jaar 2014, we rondliepen in Prenzlauer Berg. Basaal begrepen we waarom die voormalige DDR-buurt de overigens betwiste bijnaam Pregnancy Hill draagt. En waarom het een paradepaardje heet van gentrificatie.
Voor de kinderen was het een paradijs: speeltuinen tot en met. Maar toen we hun onze belofte gestand wilden doen van een bak friet met iets vlezigs, liepen we verloren rond. Het wemelde van de psycho- en fysiotherapeutische ruimten (met keuze tussen ‘zwei oder vier Hände’) en brocantes, maar op het vlak van eten was het aanbod monomaan. Voor biowinkels, echte Italianen en dito Vietnamese en Thaise restaurants was geen ongezond alternatief.
Uiteindelijk stuitten we op een hamburgerzaak van vriendelijke, potig uitziende heren. Bij de bestelling moest ik schroom weghappen toen het taalkundig genie wees op de kok en riep: ‘Kijk, die meneer heeft een ring door zijn neus’. Maar alles wat ze zegt bedoelt ze registrerend.
Megaflessen ketchup en mayo en een keukenrol stonden op het terras. Vanaf daar konden we de bestelling, tot in detail opgesomd, ophalen bij de bar. Die mededeling kwam uit een megafoon. Alsof de kok rechtstreeks van een demonstratie kwam waarbij hij verhoging van leeflonen had geëist.
Ja, dit is een cliché. Het paarde zich platonisch aan mijn besef dat hier evengoed een niche uitgebaat werd, zoals in die fijne groteske Soul kitchen van Fatih Akin waar zelfs de aftiteling retro was. Het concept van de hamburger, uitgedragen door een of andere keten uit Amerika, krijgt een ander scenario waarbij de klant onvermijdelijk een personage wordt.
De stoere mannen bleken de catering te doen bij bijeenkomsten van Harley Davidson-fanaten, niet de minst draagkrachtigen. En de menukaart had van elke burger een biologische variant en bood meerdere vegetarische burgers.
Plots viel bij mij het kwartje (of de franc) dat de meeste klanten hip oogden. En kinderen, in gezelschap van besmuikt lachende ouders, zelfs peperduur. Thuis ontdekten we op meer websites dat de hamburgerbar momenteel the place to be is of the talk of the town of hoe heet zoiets eigenlijk.
Vooral viel op hoe blank de buurt als geheel is. Waar zijn de immigranten? Mij werd verteld dat bij koude er zwervers in portieken slapen en dat er uit afvalbakken wordt gesnoept – maar vertelt dat meteen niet iets over de welvaart ter plekke? Wie houden daar de nachtwinkels open?
We liepen ook iets verderop in Friedrichshain, rond de Warschauer Straße, waar nog zoiets als een alternatieve scene grijnsde, maar een enorme Veganistische Groothandel annex Restaurant de eerste signalen afgaf van een tegenhegemonie. Wellicht knepen we te zacht in onze arm.
Uiteindelijk belandden we halverwege, op de Karl-Marx-Allee, alwaar ondanks onszelf onder de indruk van een ritmische kitsch. Ze leidde tot vergapen, aan gigantische, van symboolopsmuk voorziene woonkazernes aan de oeverbrede tweebaansweg, waar tanks elk moment uit leken op te doemen.
We werden aangesproken door een mevrouw die zei in 1952 nog zelf de stenen voor haar appartement te hebben gekapt en gedragen. Ze had gewerkt als lerares en beklaagde zich over de cirkelgang van de geschiedenis, nu Duitsland wederom de wereldveroveraar uithing. Daarbij gebruikte ze termen als kapitalisme en fascisme.
Weinig complimenteus was ze eveneens over Angela Merkel, die ze een verrader van de DDR vond. Overal hingen nota bene aanplakbiljetten van de partij van de bondskanselier, steevast in combinatie met Europa en steevast vergezeld door antiteksten van Die Linke.
Meteen daarop peripateerde het taalkundig genie over haar jongste ervaring: dat ze niet goed weet of ze leeft of dat ze in een lange droom zit. Ze hoopt het eerste, maar het tweede geeft aan dat er een schrijver in haar broedt. Sterker nog, afgelopen weekend schreef ze in anderhalf uur twee boeken.
Ik ben trots dat ze met fragmenten daaruit hier op deze blog debuteert. Eerst een exclusieve voorpublicatie uit Het verhaal van prinsesia:

(…) Die prins noemde prins Roevus. Iedereen wilde hem al zien. Maar dat kon niet. Want ze moeste van juf Flora gedult hebe. Maar ze wilden geen gedult hebe. Ze wilde alle vijf trouwe met de prins. En daarom riep ze alle vijf ik wil met de prins trouwe nee ik wil met de prins trouwe nee ik wil met de prins trouwe. En zo ging het maar door. Tot juf Flora zij stop prinsesen. (…)


En dan nu uit De paashaas en zijn gesmolte paaseiere:

De paashaas zag hoe de paaskloke zoekte naar chocolade. Maar ze vonde niks. Maar de paashaas hat een idee. Ik ga naar de kipe. En dan pak ik de eiere. Ik sgilder de eiere. En dan doe ik er een papiertje ront.


Misschien kan iemand literair agent Paul Sebes inseinen, die onlangs een achtjarige heeft gecontracteerd? Het taalkundig genie is net zeven, kan een radslag afronden in een loodrechte hoek, heeft verregaande ontologische inzichten over Jezus en leest de oeuvres van B. van Wijckmade en Annie M.G. Schmidt. En natuurlijk zou ze kunnen meedrijven op mijn internationale bekendheid.
Momenteel verricht ze research voor De paashaas komt (werktitel).
Eventueel kan Sebes, tegen een bescheiden meerpercentage, de gourmande mee in het pakket stoppen. Die is drie en leest en schrijft nog niet, maar doet iets veel rendabelers: ze imiteert die handelingen. Wel ziet ze weinig toekomst in het handwerk van haar zus en ze zeurt al weken om een computer.
Andere selling points aan de gourmande zijn haar blonde golvende haar en haar eis overal een zonnebril te dragen. Nog even en de Nederlandse literatuur heeft haar eigen Brigitte Bardot, zodat de echte zich definitief om bruine en witte hazen kan bekommeren.

vrijdag 11 april 2014

Ik is een presentatie


Onlangs wist Antwerpen heel wat pennen, harten en maagzuur in beweging te krijgen door in een (Engels getiteld) promotiefilmpje de stad een roomblanke aanblik te geven. Indien het doel was geweest aandacht te genereren, dan kon de opzet geslaagd heten.
Beduidend minder was het multiculturalistische facet ermee gediend. Het tegenvoorbeeld, op klanken van Pharell Williams, was echter van een deprimerend optimisme: de tentoongestelde nationaliteiten waren vrolijk, dansten allemaal en waren niet bejaard.
Ik moest denken aan een imposant gedicht, dat op zijn manier ook aan citymarketing doet. Het begint zo:

Telkens moet ik van je houden,
omdat je het zo werkelijk mij
vreemde bent; even vreemd haast

als mij mijn kern (…)


De Surinaams-Nederlandse dichter Hans Faverey nam het op in een reeks ‘Persephone, herrezen’. De mythische koningin van de onderwereld is even op aarde, ten prooi aan blikken van stervelingen. Over haar weigert de dichter in algemeenheden te spreken. Het vreemde strekt zich misschien uit tot de wereld en de taal waarin hij zich moet uitdrukken. Minder schematisch dan de Antwerpse voorbeelden trekt al dat vreemde hem aan, omdat hij zichzelf evenmin doorgrondt, wat uiteindelijk ook een algemeenheid is.
Nu heeft Antwerpens neefje Mechelen eveneens een filmpje over identiteit aan de ogen van burgers en toeristen prijsgegeven. Onder het thema Vijftig jaar diversiteit valt op hoe constructief deze provincieplaats de mensheid tegemoet treedt: ‘Elke Mechelaar heeft een eigen verhaal. Elk van ons is uniek. Samen creëren we iets moois ... Mechelen, een bijzondere stad met wortels in 128 landen.’
Kwaadwilligen kunnen hier doorgeschoten tolerantie in ontwaren, van ‘de jaren zeventig’ toen er aan professioneel potverteren zou zijn gedaan. Aan het eind van dat decennium kwamen de filosofen Gilles Deleuze en Félix Guattari nota bene aanzetten met een paar mobiele wortels, die ze rizomen noemden.
Mechelen draait die beweging om, en plant de wortels vriendelijk maar onvrijblijvend binnen de gemeentegrenzen. Dat is, geloof ik, een impliciete kritiek, die door kunstsocioloog Pascal Gielen verbonden is met een ‘neoliberaal’ arbeidsethos. Daar hangt boven een tijdelijk contract wierook van heiligheid, met flexibiliteit als god. Er hoort een omgang bij die van mensen contacten en concurrenten maakt, binnen of buiten LinkedIn:

‘“Netwerken” als werkwoord houdt altijd een vorm van zelfverwijdering in. Het verhindert wortel schieten. Rizomen zijn inderdaad geen wortels. Bodemvastheid heet in de natte, vlakke wereld van het postfordisme “nostalgie”, “rigiditeit”, “inflexibiliteit”, of soms zelfs “fundamentalisme”.’


Hier toont zich een van de paradoxen rond het diversiteitsdebat. Mensen die om wat voor reden ook iets willen vastleggen, mogen rekenen op ruimhartige minachting en onverdraagzaamheid. De andere paradox is dat ze het zelf zoeken in verboden en quota, waarbij ze zich in laatste instantie beroepen op de vrijheid van meningsuiting.
Tegen die wat harteloze etiquettes toont Mechelen, pragmatisch, vooral aangezichten, eerst van allochtonen en dan van autochtonen. Hun beloofde eigen verhalen zijn down to earth, praktisch en, zoals dat in Nederland heet, gezellig.
Voor tegenstanders zal de stemming bijna te blijmoedig zijn, terwijl het taalgebruik eerder postideologisch aandoet, met daadkrachtige werkwoorden als ‘creëren’ en ‘vormgeven aan’. In de ideologische fase werden de voordelen van multiculturaliteit veeleer zalvend aan de man gebracht. Paternalistisch klonk in Nederland de dubbelzinnigheid van de aanbeveling ‘kleurrijk’.
Later werd Ahmed Aboutaleb een wel erg zwaar gemarket schoolvoorbeeld van geslaagde integratie. Hij kan amper nog namens zichzelf spreken. Rotterdam, waarvan hij burgemeester is, laat zich voorstaan op de kwantiteit van talen die er gesproken worden. Overigens vertoont deze havenstad in haar metropolische aandrift en haar houding tegenover de hoofdstad overeenkomsten met Antwerpen.
Een ander staaltje Vlaamse zelfpromotie haalde zelfs de Nederlandse pers. Een werkeloos 22-jarig meisje had bij wijze van open sollicitatie zichzelf te huur gezet op de site 2dehands.be. In een mum van tijd had ze vele reacties van werkgevers gekregen, en van de pers dus.
Nochtans vroeg ze minimaal 2250 euro per maand. Daar komt geen consultant, koppelbaas of voetballer voor uit zijn bed, en een diversiteitsambtenaar misschien evenmin, maar heel wat geschoolde arbeiders zouden ervoor tekenen.
Wilde het meisje het nog altijd bestaande inkomensverschil tussen mannen en vrouwen aan de kaak stellen? Het slinkt en soms begint het kostwinnerschap tussen de geslachten te wisselen.
Geestig was dat het meisje van de deskundigen onder aan het artikel in Nederland terstond commentaar kreeg over haar blijkbaar profijtelijke uiterlijk. De journalist meldde dan weer dat ze weinig vakopleiding genoten had, maar ‘creatief’ overkwam.
Ook dat epitheton behandelt Pascal Gielen, en wederom niet gunstig. Hij spreekt zelfs van ‘lucreatief’ en bedoelt daar onkritisch ‘probleemoplossend’ beroepsgedrag mee, dat elke politieke context versmaadt.
Het contrast was bovendien groot met een andere sollicitatiegetuigenis, ironischerwijs van een jonge Nederlandse in Vlaanderen. Met haar hadden zich meer dan honderd mensen kandidaat gesteld voor een functie die in principe één maand zou duren. Ze redde het niet.
Onlangs las ik E.F. Schumachers boek Small is Beautiful uit 1973. Het stemde pessimistisch omdat voorspellingen over blinde economische groei in combinatie met een uitputting van de aarde zijn uitgekomen.
Toch bespeurde ik vooruitgang, blijkens deze stelling:

‘Als een koper een koopje zou weigeren omdat hij zou vermoeden dat de lage prijs van de goederen in kwestie berustte op uitbuiting of andere verwerpelijke praktijken (behalve diefstal), zou hij zich blootstellen aan de kritiek zich “oneconomisch” te gedragen en dat komt erop neer dat hij in ongenade valt. Economen en anderen plegen zulk excentriek gedrag met spot, zo niet met verontwaardiging, te bejegenen.’


Veertig jaar later is onder hen die het zich kunnen veroorloven, onder en boven de Moerdijk, shoppen of statten inderdaad een topsport. Toch bestaat er nu een Fair Wear Foundation (FWF) en een Schone Kleren Kampagne (SKK).
Is het daarom tijd om een lijst aan te leggen met woorden die verantwoord succes garanderen? Ook is er de beroemdste regel uit de moderne poëzie, van Arthur Rimbaud: ‘Je est un autre’. Alleen weet ik niet of er buiten managementcongressen nog vraag is naar zieners. Rimbaud zelf zwoer de poëzie af en ging zwerven. Zou hij Persephone nog zijn tegengekomen?

donderdag 3 april 2014

A-Changing?


Gerard van Westerloos verzamelbundel Niet spreken met de bestuurder (2003) is bekend vanwege het titelstuk uit 1984, geschreven in samenwerking met Emma Verhey. In die reportage over een Amsterdamse tramlijn, ook door immigranten gebruikt, zou achteraf bezien reeds de kloof tussen het zogeheten gewone volk en de hen vertegenwoordigende partijen zichtbaar zijn geworden.
Fameus is verder de reportage over de PvdA-fractie ten tijde van Ad Melkert, vlak voor de moord op Pim Fortuyn. Daarin zegt Ella Kalsbeek naar aanleiding van Scheffers terstond roemruchte artikel over het zogenaamde multiculturele drama: ‘Allemaal intellectuele bevrediging. Dat kan ik niet terugvertalen naar wat er gedaan moet worden’.
Voor iedereen was en is het een ingewikkeld debat, waarvan Willem Schinkel later, in De gedroomde samenleving, zou vaststellen: ‘Iedere spreker is volledig afhankelijk van het totale discours in de mogelijkheid te communiceren en in de mogelijkheid een strategische positie in te nemen. (…) Dat betekent dat men maar zo ver kan afwijken als de parameters van het discours toestaan. Wie te ver afwijkt – wie bijvoorbeeld in het geheel niet over integratie wil spreken maar een volledig alternatief vocabulaire voorstaat – wordt niet gehoord. Dat geldt voor de aandacht die zulk spreken krijgt in de media, voor politiek en beleid, en het geldt ook voor de wetenschap. Ook de wetenschap kent een censuur die behelst dat “de problemen” alleen echt aan de orde gesteld kunnen worden met behulp van het dominante vocabulaire.’
Wie vond ook alweer dat deze of gene zijn taal niet sprak?
Van Westerloos bundel bevat eveneens een reportage over de jongste lichting politici van toen, vlak na de moord op Pim Fortuyn die, wordt tevens in Niet spreken met de bestuurder gesteld, een ander taalgebruik en een explicietere politiek opleverde. Tot die nieuwe politici behoorden toen Mark Rutte, Agnes Kant, Diederik Samsom en Femke Halsema.
Samsom kant zich tegen ‘het Haagse systeem’ en wil de politieke zeden en gewoonten door de mangel halen. Agnes Kant weet echter dat het mensen trekt ‘die weinig ambitie hebben en een minimum aan lef’. Rutte vindt dat de Tweede Kamer wel toekan met de helft van het aantal leden. Dat zou de discussie verlevendigden tot grote thema’s en geen oeverloze details voor het voetlicht halen.
Ook openhartig toont Rutte zich over iets anders, dat evenzeer het politieke systeem en de poppetjes aangaat: ‘Ik geloof in een vrije markt voor alles, maar die banenmarkt, die is in Nederland gesloten.’ Hij neemt zich ook voor zelf niet meer dan vier jaar het kamerwerk te doen, tenzij hij het kan combineren met een deeltijdbaan in de maatschappij. Dat heeft hij gedaan.
Ik moest hieraan denken bij mijn comeback gisteren op een voorlichtingsvergadering in mijn woonwijk over een aanstaande, ingrijpende renovatie aan een toegangsweg. Winkeliers en wat heet het volk waren ruimschoots aanwezig. In tegenstelling tot de allochtone medemens, laat staan tot de gegoede Vlaamse middenklasse die, met een – voor een Noord-Nederlander als ik – ongrijpbare bricolage van de geest, haar plan wel trekt.
Voorspelbaar was dat de verantwoordelijke schepen, van een partij die het allemaal anders zou gaan doen dan de gevestigde orde, een falikante infrastructurele mislukking terugvoerde op het vorige bestuur. Als gevolg daarvan had een negen meter brede kippenkraam het veld moeten ruimen naar de toegangsweg en zoals het er nu naar uitziet kan het in ‘het nieuwe plaatje’ evenmin een plekje vinden.
Ik moest eigenlijk ook denken aan een fragment uit Gospels en psalmen van Erik Jan Harmens: ‘je maakt geen ruzie met de tumorlijer / dus bestrijd je de verlichter van zijn pijn’.
Werkelijk teleurstellend vond ik namelijk dat het publiek, bij voorbaat aangebrand, bijna uitsluitend verontwaardiging loosde over parkeerplaatsen voor hun eigen auto(’s) en ervan uitging dat ‘het studiebureau’ van toeten of blazen wist. Des te aangrijpender was het dat de ingenieur van dat bureau zich voorafgaand aan zijn uitleg excuseerde voor zijn Limburgs accent.

donderdag 27 maart 2014

I.M. de bompa

Toen ik vanmorgen de garagepoort openrolde om de fiets naar buiten te rijden, was een vrouw iets in de bus aan het steken. Alsnog overhandigde ze me een brief: ‘Meneer is gestorven’.
Enige jaren zijn we er elke morgen aan de ontbijttafel getuige van geweest dat recht tegenover de bompa in zijn pyjama naar buiten slofte voor zijn krant (door het taalkundig genie ‘gazet’ genoemd, als enige van ons gezelschap, tot de gourmande haar begon na te zeggen). Wat voor een weer het ook was, voor de brievenbus begon hij al aandachtig te lezen, geregeld met als voorspelbaar resultaat dat de deur in het slot viel.
Hij sprak ons altijd vrolijk aan en had er, als een van de weinigen, lol in wanneer de straat was afgezet voor een Tour de Force.
We hadden gehoord dat hij overdag soms een eindje verder ging lopen, en soms was hij zoek. Steeds vaker kwamen aan de randen van de dag zijn kinderen en kleinkinderen langs. Die bezoeken zijn onlangs opgehouden. Vorige week werd achter het raam van het appartement een affiche geplakt met de tekst ‘Te huur’.
Zo gaan die dingen. En nu ik de rouwbrief heb, ken ik de naam van de vrolijke krantenlezer. Wel blijken er inmiddels 500 miljoen stuks zijn verkocht van de iPhone, waarmee nieuws op een andere manier binnenkomt. Meer versnipperd, om het gegarandeerd moralistisch te zeggen. Tegelijk is dit een kwalificatie die ik met de materialiteit van een krant associeer.
Misschien werkt mijn hoofd zo ook wegens bompa’s verslaving, die ik herkende. Er bestaan er in meer soorten en maten. Dé rondgetoeterde verslaving geldt seks en drugs en rock ’n roll, maar eveneens in aanmerking komen werk en, sinds kort wetenschappelijk bewezen, geld (de dienstdoende geleerde had voor de laatstgenoemd slachtoffer als oplossing meer belastingen, bij wijze van disincentive).
De bompa hield van lezen. Hij is mijn man. Of kent iedereen de paniek ergens te moeten wachten zonder tekst (of is daarvoor de iPhone uitgevonden)? Voor mij was het een logische daad, ooit, dat iemand voor een lange reis in een vliegtuig al de beschikbare en reeds geconsumeerde boeken ruilde voor een onbekend werkje van een medepassagier.
Naar ik vrees is die verslaving overgeplant op het taalkundig genie. Laatst vroeg ze of een van de boeken op de wc weg mocht. Het lag in haar uitzicht en ze moest voor zichzelf telkens de titel oplezen en raakte die woorden dan niet goed meer kwijt.
Toch zal de bompa minstens één andere verslaving hebben gehad. Waarom anders kwamen er zoveel familieleden zo dikwijls op bezoek? Zelf van een andere constellatie en besproeid door een artistieke ideologie die ‘antiburgerlijk’ dacht te zijn, ontroerde me telkens de aanblik van een persoon of duo of gezin dat aanbelde.
Mogelijk had de bompa een iPhone, maar niet om te skypen met zijn kleinkinderen. Goddank voor hem geen eenzame uitvaart, laat staan poëzie van je gazetteketet.

woensdag 26 maart 2014

Puntje van orde



Dag vogels, dag bloemen,

Gisteren stuitte ik op een recent gesprek tussen de Gallicische dichteres Chus Pato en haar Canadese vertaalster Erín Moure. Het had plaatsgevonden per e-mail. Ik meen te weten dat Pato geen Engels verstaat en Moure geen Gallicisch. Beiden zijn wel erg dol op Google Translate, en de vertaalster heeft wel eens een lans gebroken voor wat ze noemt de methode-Tarzan.
Deze restricties voor (of uitbreidingen van) het fenomeen gesprek in acht genomen, vielen mij twee passages op, die ik voor de gelegenheid heb omgezet in een soort Nederlands. Eerst deze:

“Voor een schrijver is vertaald worden het mooiste noodlot. Voor mij wordt poëzie pas echt aangedreven door 'Ik lees wat jij schrijft en ik schrijf / Jij leest wat ik schrijf en jij schrijft ook'. Ik kan me helemaal geen dichter voorstellen die volledig in zijn eentje werkt; ik heb de dichter nooit beschouwd als een absoluut en afgezonderd individu: we schrijven poëzie opdat poëzie rondgaat, zodat jij, zodat ik, zodat alle zes de grammaticale personen – ik, jij, zij, hij, wij, zij – schrijven en lezen. Dat betekent dat het wezen van het gedicht, zijn kern, dit communisme is, de samenleving van poëzie die nooit fusie of gemeenschap is maar een blootstelling aan grenzen.”

De derde persoon enkelvoud valt bij Pato uiteen in man en vrouw. Voor die nuance doet ze de tweede persoon meervoud cadeau. Logisch misschien, want welk individu vindt het nu prettig te worden aangesproken met 'jullie'?
Des te geestiger dat deze dichteres in de kern van haar producten onbekommerd een communisme ontwaart, net als Badiou en Ann Cotten.
Welke singulariteiten aller landen mogen zich dan verenigen?

“Ik schrijf, zoals je weet, in het Gallicisch, een taal zonder soevereiniteit. Dit betekent niet dat ik poëzie opvat als iets nationaals of nationalistisch. Laat me dat toelichten: ik beschouw een dichter niet als iemand die voor zijn taalgenoten schrijft maar voor alle soorten, en niet alleen – denk aan Orpheus – voor mensen, maar als het even kan ook voor stenen, voor dieren en voor de sterren die het verst af staan van de aarde, of ze nu lezen wat is geschreven of niet, en of ze het nu horen of niet. Tegelijk houd ik vol, op een heel ander niveau, dat mijn eigen taal, het Gallicisch, net als elke andere taal, het verdient soeverein te zijn.”

woensdag 19 maart 2014

By convention


In de heidense jaren zeventig bundelde Les Murray in Etnic Radio het geweldige gedicht ‘The Future’. Da’s tenminste nog eens een onderwerp waar je niets over kunt zeggen. En dat doet Murray met verve:

Even the man we nailed on a tree for a lookout
Said little about it; he told us evil would come.
We see, by convention, a small living distance into it
but even that's a projection. And all our projections
fail to curve where it curves.


Volgens mij werd Jezus uiteindelijk aan ander hout vastgespijkerd dan een boom (onder het gewicht waarvan Murray’s oom werd verpletterend onder de ogen van zijn broer, Les’ vader). Maar Diens voorspellingen (waarvan Murray als geboren presbyteriaan en later als gedoopt katholiek veel weet) beloofden weinig goeds, zo duidelijk dat ze waren. In tegenstelling tot concurrerende haruspices had Hij daar geen ingewand of koffiedrab voor nodig. Louter enige zekerheden van Zijn vader.
Tegenwoordig is het onderwerp toekomst gekaapt door mijn collega-opinisten. Maar in Nederland zijn ze vandaag even druk met de voor-, simultaan- en naduiding van de gemeenteraadsverkiezingen, en in België geven ze al dagenlang gehoor aan de uitnodiging van een politicus iets te vinden van het feit dat hij zich op een gala voor televisie-awards had uitgedost als panda.
Wel doet de panda een beroep op de verbeelding van de toekomst als zodanig. Zijn soort heet immers bedreigd en wordt op zijn beurt omgeven door een dampkring die ook zijn kwaaltjes heeft gekregen. Is de toekomst voor zogeheten klimaatsceptici nochtans vooral iets om de spot mee te drijven? Of worden hun lachspieren geprikkeld door niet-aflatende Apocalypsen, dermate zuur dat het zoet van de negatie wenkt die relativering heet?
Onlangs bracht Parijs een prachtoplossing voor een smogalarm: het zogeheten alternerend rijden. De ene dag mochten auto’s met oneven nummerplaten, de andere dag auto’s met even nummerplaten. Het plaatselijke openbaar vervoer, dat zijn voornaamste bewegingen nota bene onder de grond maakt, was gratis (4 miljoen euro per dag). Na één dag werd de onderneming afgeblazen omdat de luchtkwaliteit opmerkelijk was verbeterd.
Nu is mij de gave des geloofs nooit deelachtig geworden, maar dit lijkt me toch de goden verzoeken. Zouden zij ermee kunnen instemmen dat kosten van de korte termijn zwaarder wegen dan van de lange termijn? Wat is erop tegen om, juist vanwege de directe resultaten, het experiment voort te zetten? En het te intensiveren, bijvoorbeeld door een opgevoerd ritme van autoloze zondagen dat aan niet-gelovigen een glimp biedt van het paradijs?
Wat zou daarvan het motief zijn of, in postideologische termen, het belang? Etnic Radio bevatte eveneens het gedicht ‘Immigrant Voyage’, waarin Murray de naoorlogse volksverschepingen naar Australië schilderde. Wie zaten daartussen en waarom?

Those who said Europe
has fallen to the Proles
and the many who said
we are going for the children


Heden hoef je niet meer naar Australië om te ontsnappen aan milieuvervuiling, terwijl wel degelijk de belofte blijft aan de kinderen (van de rekening).
Kijk, het is makkelijk kritiek te uiten op vetzakken van bankiers. Maar hoe luidt het verwijt precies? Jeukt bij hun gedoe met bonussen en gouden handdrukken niet vooral de eenzijdigheid van hun blikrichting?
Rond het nieuwe jaar onzes Heren 2014 adverteerde een bank met een hogere rente voor een getrouwheidsrekening, waarna een maand later die alweer was gezakt. Na de commotie – die begrijpelijk was, daar niet van – zette een woordvoerder de puntjes op de i: ‘Dit was een commerciële actie in het kantorennet, zoals we elk jaar doen in januari. We hebben nooit beloofd dat de rente zo hoog zou blijven.’
Bertus Borgers had dit allang voorspeld in een tamelijk geniaal nummer:

Ah, de zon komt op
Blijf lachen
Leg neer die flappen
En betaal


Valt hieraan te ontkomen? Eerst eens maar eens mentale soepelheid ontwikkelen, die het even slapeloze als zelffeliciterende out of the box-denken definitief passé maakt. Een gymnastische oefening dus, mede als ode aan Les Murray die naar eigen zeggen een hersenboer is: schroef je hoofd los, neem het in je handen en laat het in je binnenzak koekeloeren.
Murray, of zijn lyrische ik, probeert wel degelijk de blikrichting te veranderen en kijkt in wat tafereeltjes terug, naar stervelingen met elk hun eigen overtuiging en verlangen:

And as I look, I know they are utterly gone,
each one on his day, with pillow, small bottles, mist,
with all the futures they dreamed or dealt in, going
down to that engulfment everything approaches;
with the man on the tree, they have vanished into the Future.


Misschien de smog dus maar gewoon zien als een voile. Over wraak, over wetendheid?

P.S. Baas boven baas: in Brussel had eveneens alternerend moeten worden gereden wegens het smogalarm – maar het autopark ontsnapte omdat de intergewestelijke Cel voor het Leefmilieu een verkeerde voorspelling had gedaan. In elk geval tot opluchting van de rechtspraak, die geen beboetingsmacht heeft voor overtredingen ter zake. En natuurlijk tot opluchting van de politiek, die toekomstperspectieven heeft begraven wegens achterhaald.


donderdag 13 maart 2014

T.a.v. de goede verstaander


Jacques de Vaucanson had het slim bekeken: wel de lusten, niet de lasten. In 1739 stelde hij een eend tentoon waarvan de vleugels wapperden. Het ding dronk water en at en verteerde, terwijl in werkelijkheid de kaka in een apart reservoir zat. Volgens hardnekkige, onbevestigde geruchten zal een themanummer uit de komende jaargang van Reader’s Digest onthullen dat De Vaucanson een canard van jewelste voortbracht.
Ik wist daar uiteraard niets van toen ik boeken begon te publiceren. Vanaf de eerste bladzijde komen er eenden in voor. Ik heb dat altijd innemende dieren gevonden, die bij jong en oud geen kwaad kunnen doen. Vergeten wordt bijna dat ze naast hun geestige loopje, dat Chuck Berry inspireerde, goed zwemmen en ook een aardig potje vliegen.
Op het beest zijn stripverhalen van de familie Duck gebaseerd, en in mijn jeugd was er de televisiereeks Calimero die nog dient om politici te stereotyperen, zowel in Nederland als in België.
In die tijd serveerde de popmuziek, broederlijk verdeeld over gitaar en toetsen, minstens twee technische vernieuwingen uit waarvan het geluid onmiskenbaar aan eenden deed denken: de clavinet (het nog steeds verbluffende ‘Superstition’ van Stevie Wonder) en de in het gebruik wat wonderlijk ogende talk box (de intro en tussenstukken van ‘Show me the way’ van Peter Frampton).
Later leerde ik op school over de kwalificatie loquax, waarin vanuit de oudheid de eend al te horen viel. Ze ging verbanden aan met vrouwen op leeftijd, in een idioom dat wereldbeelden ver weg is komen te liggen vertaald als ‘snapzieke oude bessen’. Hun bezigheid heet in goed Brabants kwekken en blijkt Konrad Bayer te hebben geïnspireerd.
Bovendien is er de Lelijke Eend, een aandoenlijk personage uit een sprookje van Andersen én een nogal opvallende auto die ook kortweg Eend wordt genoemd. Ook deze Deux Chevaux lijkt te behoren tot de verleden tijd. Hij was goedkoop, reed niet snel en scheen de harten te hebben veroverd van mensen die meesmuilend ‘hippies’ werden genoemd. Misschien was het daarom dat de Eend destijds al op zijn retour was en dat hij idealistische ideeën representeerde die gestaag aan weerklank verloren.
Een statussymbool? Ik kende de Deux Chevaux vooral als wagen voor muzikanten, die er via de achterklep hun instrumenten makkelijk in kwijt konden. Hij viel onder het merk Citroën. Over een geavanceerder type daarvan, de DS die doorging voor een snoek, bleek Roland Barthes scherpzinnige dingen te hebben geschreven (Déesse). Maar dat ontdekte ik pas toen ik ook eend had gegeten, nogal botrijk, uit de Chinese keuken.
Enzovoorts.
Het openingsgedicht van mijn debuut De gezel eindigde met de regel: ‘En wat zit je nou met die eend voor het raam’. Toen ik begon te publiceren was er namelijk een rage om uit triplex gezaagde dieren op de vensterbank te zetten die voor tulp of roos speelden. Ook had ik buren die, aan de andere kant van het raam, een donkerrode Eend parkeerden.
Ik wou eigenlijk altijd volle bak geven met mijn werk. Voor zover het anklang gekregen heeft, gebeurde dat in België, waar je volgens een spreekwoord een kat een kat moet noemen. Er werd beweerd dat ik principieel meerzinnigheid ontplooi. Deze week is mij gebleken, nota bene bij de Franse les, dat de Deux Chevaux daar geit wordt genoemd.
Wacht even, geit is toch chèvre?
De eend – mijn eend – afwezig en onbegrepen in het land van genade! En wat moet ik met een geit voor het raam? Daar gaat mijn uitzicht! Wanneer ik het raam open om hem dat mee te delen, komt het aroma me tegemoet. Stel dat hij naar binnen springt, dan schijt hij mijn hele werk onder. Beseft zo’n beest eigenlijk wel hoeveel manuren er kruipen in het schrijven van boeken?
Stomme geit.
Hebben de Belgen me gepaaid met beleefdheidsfrasen? De Deux Chevaux gaat er trouwens eveneens door het leven als wippertje en in Engeland kiest men met de tin snail voor een slak.
Volgens het woordenboek is ‘geiten’ een onschuldige activiteit voor meisjes onder elkaar. Mij is bericht dat het ontwijken van risico’s in het Duits ‘ducken’ genoemd wordt. In Nederland heeft men het dan over ‘zich drukken’, maar ‘ducken’ doet eerder denken aan de loop van een eend terwijl die in Duitsland, ondanks de globalisering, heus geen duck is maar Ente, in het lokale circuit ook bekend als Deux Chevaux.
Daar zit je met je handen in je haar dat je uit het hoofd trekt terwijl je in de weerspiegeling nog ziet dat het grijs is geworden van de eerbied voor de waggelende mobiliteit van betekenis.

maandag 3 maart 2014

Missionaire mogelijkheden


Voor een Nederlander is het ingewikkeld de finesses van het Vlaams te begrijpen. Zo heb ik na meer dan tien jaar België nog niet helder wat ‘alvast’ betekent (‘wij hopen alvast dat…’). De lens krijg ik evenmin scherp bij ‘alleszins’ (‘wij hebben daar alleszins geen duidelijk antwoord op’). Wel zijn mijn gissingen omtrent het oordeel ‘intellectueel oneerlijk’ sinds kort opgeheven. Dankzij een artikel van een Nederlander in een Belgisch tijdschrift.
In de langste bijdrage aan een themanummer van Deus ex Machina over ‘Literair engagement 2.0’ blikt Cyrille Offermans terug op Sybren Polets bloemlezing Ander proza (1978). Onvermeld blijft dat hij dit vaker heeft gedaan, steevast als geschiedenisretoucheur en beul. De terechtstellingen staan desgewenst opgesomd in een wrevelig artikel dat ik in 2002 publiceerde. Nadien hervatte Offermans deze praktijk in elk geval als keynotespreker in 2012.
Verandert het geheugen met de jaren? Een gelijkaardige tijdspanne overbrugde Tymen Trolsky met Karl Marx Universiteit (2009). In die revolutieroman maakt Mulisch zijn opwachting, van wie de hoofdpersoon ‘Het donkere licht’ gelezen heeft. Door het geweld van de geschiedenis is Het zwarte licht gekruist met De donkere kamer van Damocles, van Mulisch’ tegenpool Hermans.
Waarschuwing voor een lezer: het navolgende speelt in Sebastopol noch Hollywood.
Polet wilde met zijn bloemlezing niet direct toegankelijke experimenten een voorgeschiedenis geven en, vandaar de plaats in het themanummer, met kunst democratisering bewerkstelligen. Halfweg toen en nu zei Offermans echter expliciet: ‘Het idee dat lezen met inspanning gepaard moet gaan, is gedateerd. Niet dat ik voor makkelijk leesbare literatuur wil pleiten, maar ik heb geen geduld meer voor dingen die ik niet begrijp.’
Inmiddels is Polets oogmerk voor Offermans ‘bedenkelijk radicalisme’. Optimisme over maatschappelijke ambities ontaardt in ‘infantilisme’ indien ‘ontregeling en onbegrijpelijkheid doel in zichzelf worden’. Daarbij moet de lezer domweg ‘gelovige’ zijn. Offermans bekent dat het hem niet verwondert dat zulke auteurs zich ‘graag, vergelijkbaar met de vooroorlogse surrealisten, in sektarische groepjes verenigden’. Om wie of wat het hier gaat, blijft ongezegd.
Aan het slot van zijn artikel biecht Offermans op dat hij ‘uit discretie’ de zwartste bladzijden verzwegen heeft uit de gepolitiseerde literatuurtheorie, ‘maar wie er belang in stelt zal gauw ontdekken dat hij in een slangenkuil is beland van elkaar te vuur en te zwaard bestrijdende sektes voor wie literatuur alleen nog bestaansrecht heeft als ze een leninistisch of maoïstisch goedkeuringsstempel kan overleggen’. Zo’n metafoordichtheid maakt de terugblik erg overzichtelijk.
Zo had Offermans dat veronderstelde principiële nee-zeggen verklaard in de persoon van Aalstenaar C.C. Krijgelmans, die hij als een absolutist wegzet, met totalitaire trekjes:

‘Lang leek het erop dat Krijgelmans zijn missionaire mogelijkheden weliswaar had overschat, iedereen schreef per slot van rekening door alsof Homunculi (1967) nooit verschenen was, maar in elk geval was hij zelf zo consequent er een tijdlang het zwijgen toe te doen. Tot 2007, toen er twee prozaboeken van zijn hand verschenen die veel weg hebben van een laat postscriptum bij Labris, soms geestige, soms vindingrijke maar al gauw ook irritante en vermoeiende taalcapriolen, salonanarchisme, vier decennia te late avant-garde voor eeuwig verongelijkte pubers.’

Dit is inderdaad iets anders dan te vuur en te zwaard bestrijden. Is het beneden Offermans’ waardigheid titels te noemen, de verhalenbundels Tandafslag uit 2007 en Patogeen Halogeen uit 2009? En te verklappen dat Krijgelmans’ ultieme roman De Hunnen alsnog uitkwam in 2010? Voor Offermans mag dit allemaal gedateerd zijn, feit blijft dat Krijgelmans een nieuw én gemêleerd publiek aanboorde.
Meer onverschilligheid wordt uitgestort over Willy Roggeman en Mark Insingel, die na 1978 toch nog het nodige hebben geschreven. Over hen bericht Offermans slechts dat ze geen spectaculaire ontwikkeling hebben doorgemaakt.
Als interessanter figuur in Ander proza noemt Offermans Lidy van Marissing, ‘een literair geïnspireerde, lichtelijk wereldvreemde vakbondswerker’. Schijnbaar geheugenloos vervangt hij die karikatuur even later door een andere: ‘een eerder politiek dan literair geïnspireerde auteur, met alle dubieuze gevolgen van dien’. Van Marissing blijkt door de lectuur van onder meer Brecht ‘op het spoor gezet’ (Polet geldt als ‘veellezer’ en Vogelaar is ‘onwaarschijnlijk belezen maar zonder het geringste spoor van epigonistische behaagzucht’).
Auteurs die hij niet kan pruimen duidt Offermans dieptepsychologisch. Enige jaren geleden verklaarde hij Daniël Robberechts voor geestesziek. Heet deze auteur ditmaal scrupuleus en integer, alles bij elkaar spelt Offermans eigenschappen van experimentelen uit die doen vermoeden dat negeren van de hele kluit het efficiëntste is: puberaal, hoogmoedig, verwaand, elitair, misantropisch, gekwetst, gekrenkt.
Verder frappeert dat Offermans perfide gedachtegoed zelfs niet bibliografisch aanduidt. Dit artikel trekt aan het slot Ander proza door naar het heden zonder auteurs te behandelen wier werk voortbouwt op Polet, maar anderen in de schijnwerpers te zetten die wel de goedkeuring van Offermans wegdragen.
Het grootste raadsel is waarom de bijna zeventigjarige Offermans de negentigjarige Polet voor de zoveelste keer exclusief berispt over een meer dan drie decennia oud project dat de bloemlezer een cordon sanitaire opleverde. Polet heeft later diverse toelichtingen en nuances verstrekt, die Offermans evenmin noemt, laat staan verdisconteert. Aan de moeite die hij zich getroost te onderstrepen dat Ander proza destijds niet aansloeg, geeft hij geen vervolg met inzichten over hoe Polet in eigen kring behandeld werd. Wel trapt hij andermaal na (net als de bijna vijftigjarige ik die dit hersignaleert?) door te beweren dat allerlei auteurs opname in de bloemlezing hadden betreurd. Ze waren daarvoor echter om toestemming gevraagd en de inleiding was tevoren openbaar uitgeprobeerd.
Waarom brengt Offermans het niet op in een bijzinnetje te berichten dat Polet nog volop publiceert? Dan mag desnoods verzwegen dat deze boeken kennelijk zo vitaal zijn dat zich jonge geestverwanten hebben aangediend.
Het ontgaat me waarom Deus ex Machina voor dit onderwerp deze auteur heeft aangezocht. Zou zij, over een cordon sanitaire gesproken, voor een geschiedenis van het Vlaams Belang dan Jos Geysels polsen? Overigens dateert de redactie in de inleiding de objecten van Offermans’ banvloeken op ‘de jaren zestig’. Een decennium verschil telt niet?
Terug naar de studio in Ajuinenland.

vrijdag 28 februari 2014

Vertwijfeld van verlangen


Het was prettig verwarrend dat filosoof Johan Braeckman in kranten en op de televisie wereldkundig maakte dat hij zich voor één jaar had teruggetrokken in stilte. Hij ging op reis in zijn geest. Daartoe zette Braeckman de computer uit; handgeschreven kaartjes mogen lopende zaken afhandelen.
Zo denkt hij te ontkomen aan de overload aan mails, ongevraagde informatie en meer dat een publieke intellectueel consumeert maar eveneens produceert. Braeckman verlaat de competitie en gaat nu bijvoorbeeld echt teksten lezen, ‘ongestoord’. De verdieping die zijn leven wil krijgen, schuilt voor hem mede in het herstel van niet-instrumentele contacten. En in het verbouwen van een stal en het aanleggen van een tuin.
Minder verwarrend is dat de opinie- en lifestyle-industrie deze stap representatief achtte voor iets. Had Braeckman dan een statement gemaakt? Dan kon hij in zijn tuin worden bedolven onder zelfbewieroking. ‘Menigeen trekt zich terug in de wildernis en gluurt door het struikgewas of niemand hem uit de verte bewondert’. Dat zei Rabbi Bunam (de watervlugge spits die, zoals bekend, op het punt stond een lucratief contract te tekenen bij GazpromArabia toen hij in een pompbak wegvloeide).
Elk voordeel heeft nu eenmaal zijn nadeel. In Nederland zorgt de ecologische triomf van de fiets voor files en parkeerproblemen. Ook blijken er nieuwe zeden voor de roltrap, waarop men afhankelijk van de haast links en rechts moet voorsorteren.
Braekman kende ik van de zaak-Van Dyck. Internet vertelde dat hij uit mijn geboortejaar stamt. De oppervlakkigheid waarmee hij zich voelt bedropen, is voor mij een uitgangspunt. Alessandro Baricco’s beeld van de surfer die de breedte van de zeespiegel bestrijkt, dunkt me geen verwijt noch geuzennaam. De kennis die ik in een soort tussenperiode heb opgedaan, laat niet meer toe dan dat te constateren. Voor de gedaante die de surfer op land aanneemt, de receptietijger, ontbreekt me de drift.
In vaktermen neemt Braeckman voor zijn herbronning geen sabbatical, maar onbetaald verlof. Hij pauzeert dus ‘echt vrij’, op spaargeld. Hem lijkt dit doenbaar omdat hij geen kinderen hoeft te onderhouden. Onlangs is inderdaad berekend dat dit per stuk een Ferrari kost.
In rijke landen als de Verenigde Staten en Duitsland hebben mensen twee banen om rond te komen, in Spanje moet eigen familie onderdak bieden en op de grote rest van de aardbol heerst soms stuitende armoede – die geen zaak is van natuurlijke schaarste, zoals John Berger vlak na de val van de Muur opmerkte, maar van het stelsel van prioriteiten dat rijken aan de rest van de wereld hebben opgelegd. Zou Braekmans besluit hun de schouders kunnen doen ophalen?
Sinds Syrië, en onlangs de Oekraïne, is het in deze contreien lastig afficheren met artikelen als rust en concentratie. Een volledige dag studie spenderen aan vijftig pagina’s?
Misschien heeft Braeckmans afstand tot alle snelle contacten, in zijn geval 150 mails per dag, nog meer gevoelens verwekt. In een krant die hem interviewde stond toevallig een reportage over een niet-praktiserende pedofiel, die zich zo eenzaam voelde dat hij zich ‘in een glazen gevangenis’ waande. Zelfs toen hij rond Kerstmis aan zijn omgeving berichtte euthanasie te willen werd hij door niemand benaderd, behalve door zijn therapeut.
Wat dan? Hoe kan een filosoof, of eigenlijk elk denkend dier, ontkomen aan de schijn van narcisme of verwendheid? Berger citeert een gedicht van Pier Paolo Pasolini:

Ik dwing me om alles te begrijpen,
onkundig als ik ben van elk leven dat niet
het mijne is, tot ik, vertwijfeld van verlangen,

een ander leven ten volle tot mij
door laat dringen; ik ben een en al mededogen
maar ik wou dat de weg van mijn liefde voor

deze werkelijkheid anders liep, zodat ik
van mensen zou houden, een voor een.

Het past in Bergers betoog voor mededogen, een eigenschap die, zoals hij erkent, niet de makkelijkste is (en, with all due respect voor cracks in communicatief, pro-actief, hands-on en netwerkend vermogen, misschien is meedogenloosheid meer vruchtbaar). Er zit ook iets superieurs aan.
Braekman verwacht inzichten uit doelgerichte doelloosheid. Dat kost tijd, en dat snap ik uit muziekrepetities in groepsverband waar het jammen de flauwe hoop in zich draagt een som te bereiken die groter is dan de delen. Onlangs hoorde ik nagelaten sessies van Derek and the Dominos, een groep die me met ‘Thorn Tree In The Garden’ had gecharmeerd, maar nu geen teksten of melodieën serveerde (behalve in ‘Devil Road’) en zich bediende van akkoordenschema’s, ritmes of rudimentaire breaks. Prachtig. Dat past in een decennium dat de studio reserveerde voor rijping, voor productief wachten. Tegenwoordig rijdt er een bolide voor om tot resultaat te komen. Een fijne documentaire onthulde dat per uur bestelde achtergrondzangeressen door computers worden gefinetuned.
Iets intiemers dan een stem zou ik niet weten, een meer precaire gemeenschap dan een koortje evenmin. Harmonie zal per persoon veroverd moeten worden? De laatste jaren, krijg ik de indruk, wordt er steeds meer verwacht van empathie. Telkens verwijst de term naar Frans de Waal, die apenonderzoek heeft doorgetrokken naar de mens. Hij geldt als hoopvol alternatief voor gedrag dat verwacht wordt bij de survival of the fittest, en als geheugensteuntje voor politieke stelligheden. Te abstract? Ik kan me voorstellen dat het idee zich te verplaatsen in een consument zoals Braeckman, en velen die geoutilleerd zijn, helpt in het verijdelen van blinde bombardementen met frases en pogingen tot contact die hooguit getuigen van competenties.
De Waals Een tijd voor empathie ben ik nu aan het lezen, nadat ik, en deze reclame is gratis voor de prijs van tijdsbeslag, over empathie een heus internetfeuilleton van vier delen gepubliceerd heb. Het gaat over recente voorvallen met literatuur, die als kunstvorm een zekere waarde had kunnen uitdragen voor de werkelijkheid. Over grenzen van fictie, en hoe niet-beroepslezers die ervaren. Over interpretatie dus, maar dan vanaf een nulpunt dat, sinds een dramaserie rond zijn leven begon, Johan Cruijff eveneens hanteert. Is hij het schoolvoorbeeld van een wereldreiziger die de deur niet uithoeft om bijgedachten van zijn erf te krijgen?

woensdag 19 februari 2014

Canvassen


Diplomaatje dan maar inleveren? Ik heb altijd gedacht dat canvas verwijst naar de bokssport en dat de gelijknamige Vlaamse televisiezender de woordspelige ambitie in zich droeg de kijker voor meer dan tien tellen knock-out te laten gaan. Nadat ik de term echter in werkwoordsvorm tegengekomen ben, leert Van Dale me:

canvassen
overgank. werkw.; canvaste; h. gecanvast
(na 1950) Eng. to canvas
1 werven, m.n. van kiezers door politici die daarbij bij willekeurige mensen aanbellen


Zou het dan toch niet handig zijn dat deze politici boksen, eventueel met een kek rijmend liedje erbij? Op voor mij onnavolgbare wijze moest ik bij kennisname van het woord ogenblikkelijk denken aan linkse politici – zit er ergens in mij een oerbeeld van een rechtse politicus die, op een markt of zo, de mensen op zich af laat komen?
Niet alleen uit wekelijkse opiniepeilingen valt af te leiden dat linkse politici grote moeite hebben met canvassen, ze kampen ook al een tijdje met de vervreemding van hun kiezers. Dat zou in twee fasen zijn geschied: eerst ‘de arbeiders’ die overbodig raakten door machines, en toen ‘de ambtenaren’ (en volgens Thijs Wöltgens en meer tegenstanders van postideologisch socialisme zelfs de complete middenklasse) die overbodig raakten door computers.
De vraag is wel: wat valt er voor links precies te canvassen? Behalve nostalgie voor de een en heimwee voor de ander? Bij de recentste editie van de Grammy Awards was er bij wijze van geamputeerde reünie veel aandacht voor Paul McCartney en Ringo Starr. Zij traden weer eens met elkaar op, op de wijze van hun generatiegenoten The Rolling Stones: omgeven door een complete band die de muziek verzorgde. Tussen het door facelifts en botoxinjecties overeind gehesen publiek werd de camera gericht op Yoko Ono, toch alweer tachtig jaar, die ‘danste’.
Wordt voor links canvassen dan het soundmixen van minder goed rijmende liedjes?
Een hebbelijkheid van de postideologie is dat weinigen zich nog geroepen voelen op te staan tegen ‘het systeem’ – wat het laatste restje twijfel wegneemt over het bestaan van een nieuw systeem. Een commentator signaleerde zelfs ‘angst om “progressief” genoemd te worden’. De afkeer en kritiek zijn eensluidend: ophouden met die zuurpruimerij vol lumbale superioriteit!
Het idee is dat er thermoskannen vol overleggeleuter aan te pas komen, terwijl men heden uiteraard bij de allerindividueelste koffie een mening plengt. Een bewijs gaf de derde reeks van Borgen, het heerlijke politieke drama dat de vinger aan de pols van de tijd houdt. Bij de oprichting van een tolerante partij wil een bevlogen type een plan voor overheidsbemoeienis verbreiden. Hij maakt daar diverse printjes van, 450 bladzijdes elk – door de voorzitster vergeleken met de Sovjet-Unie in haar ergste dagen.
Is links dus niet bevlogen maar wereldvreemd? Die klacht deed langer de ronde. Jacques Rancière heeft voor de val van de Muur over Bourdieu beweerd dat deze een viool met één snaar is, bijdragend aan ‘het eeuwig hernieuwbare genot van het weten, van het demystificeren en ontmaskeren, van het onthullen van “de mechanismen van het systeem”.’
Toevallig botsten socioloog Merijn Oudenampsen en ex-Groen Links-leidster Femke Halsema onlangs over de vraag wat voor iemand een politicus moet zijn om een stem te krijgen. Iemand die een bovenpersoonlijk perspectief schildert, zoals Oudenampsen wil met een revitalisering van links? Of een mens zoals jij en ik, zoals Femke Halsema beweert met een relativering van links? De laatste wist toen nog niet dat premier Elio Du Rupo de pers zou halen met het verwisselen van een overhemd.
Zelf zou ik het fijn vinden wanneer mensen niet zo zijn als ik, helemaal in de politiek. Van voorbeeldfuncties ontgaat mij de werkelijkheidsaanspraak. Ik snap evenmin waarom politici zich nadrukkelijk als persoonlijkheid van vlees en bloed willen voordoen, al zie ik dat dit een pijler is onder het systeem waarin ze acteren. Ik heb op Halsema’s Twitteraccount gekeken of ze wat beweerd heeft over koning Willem Alexander, die zich recent immers als feilbaar mens heeft bekend. Maar ter zake retweette ze louter drie dingetjes, en even tevoren had ze ingetikt: ‘Kan een persoonlijke tragedie ook eens passeren zonder dat elke Jan Boerenlul er een MENING over heeft?’
Ik moet hier ook alles zelf doen! Is dat trouwens rechts? De koning betoonde zich een burger in zijn sportenthousiasme (dat op mij authentieker overkwam dan dat van de twee politici die hem op de foto’s omringden). Of de koning daarmee ook canvaste, zoals gesuggereerd werd, weet ik niet. Maar verkiesbaar oogde hij nooit. Hij is in elk geval geen burger. Anders zou hij geen pint hebben kunnen pakken met Poetin.
Inzake het oercanvassen kan elke politicus, van welke gezindte ook, beter thuisblijven. Daar is de kans het grootst het evenbeeld te treffen, aan wie in zijn jonge jaren Rutger Kopland een cabaretesk gedicht wijdde:

De macht van het evangelie

De heer die de deur open deed
en die ik vriendelijk vroeg
om hem dicht te laten,
deed dit niet. Ik sloot
de deur. Eerste waarschuwing.

De heer deed de deur weer open
en toen ik hem vroeg dan ten-
minste zijn mond dicht te doen
deed hij dit niet. Ik sloot
de deur. Tweede waarschuwing.

De heer probeerde weer de deur
open te doen, maar omdat ik er
krachtig tegenaan was gaan staan,
lukte dit niet. Ik hield de deur
dicht. Derde waarschuwing.

De heer ramde de deur toen open
en omdat ik even op zij was gegaan
viel de heer op zijn knieën
voor mijn voeten. Ik sloot
de deur. Vierde waarschuwing.

De heer was grauw en zocht ruzie,
maar toen ik vriendelijk zei dat ik
niet hier maar later vreselijk zou
worden gestraft, vroeg hij vergeving
en verdween door de deur, die ik
voor hem open hield.


Het avondgebed wijd ik dus maar aan de vraag of er een canvassische vakterm bestaat voor Jehova’s in volle actie? Zekerheidshalve vervul ik mijn burgerplicht met het antwoord: ‘een voet tussen de deur proberen te krijgen’.

vrijdag 7 februari 2014

Lustrum


Vandaag is De Honingpot vijf jaar geworden. Heb ik iets gemist? Is het tijd om, zoals dat heet, over mijn eigen schaduw heen te springen? Ik moet me wel een beetje bekommeren om mijn Trade Related Intellectual Property Rights natuurlijk.
Dat ik me de eerste posting herinner ‘als de dag van gisteren’ zal niet alleen iets zeggen over gewenning aan het bloggen maar ook over een zwak ervoor. Het distributieprobleem van literatuur, waarbij sommige teksten potentieel geïnteresseerden nooit bereiken, speelt er niet. In de geest van Chantal Mouffes pleidooi voor het antagonisme dunkt mij de weblog ideaal om een maatschappelijk geschil te organiseren dat niet op een voor iedereen teleurstellend compromis hoeft uit te draaien. De scherpe randen kunnen blijven. En doordat blogs zich in het publieke domein bevinden, ondergaan ze sociale controle – zodat randen geen onnodige snijwonden geven.
Waarom stel ik meteen de kwestie van ‘polemiek’? Zelf een constructie zijnde, met mijn anti-opinismen die even inwisselbaar zijn, ben ik nog niet zo cynisch om, gesteld dat ik daar geld voor had, onderzoek te laten doen naar wat voor een persoon bezoekers hier het liefst zouden tegenkomen opdat hun droom werkelijk wordt (bizarre dinges toch, die realiteit). Ik keten internet inderdaad aan krasse oordelen. De geijkte relativering door een blik op verleden doet vermoeden dat er niets nieuws onder de zon is. Maar het verleden lijkt me niet herhaalbaar. Bovenal heeft een medium van deze omvang en met zo’n rechtstreekse bereikbaarheid over de grootste delen van de wereld bij mijn weten geen voorloper.
Krankzinnig is het wel, de bereikbaarheid die penetreert in het privéleven. Mogelijk komt het doordat ik binnen korte tijd met On The Road, Lemmy en Ramses meer rolprenten aan me voorbij heb zien trekken die de lof prediken van het vitalisme, maar ik kan me niet indenken dat alle hoofdpersonen, mits geëquipeerd, elke minuut hun smartphone controleren. Daar hebben ze ook geen tijd voor, want ze moeten roken.
Een korte samenvatting van de eenentwintigste eeuw: nicotine maakte plaats voor megabytes en de overheid zei vanuit de verte dat het goed was.

Je kunt bloggen over wat je in extase brengt. Dat zet een toon die mij te blijmoedig is en waarvan ik als papa de valkuilen ken: kroostgezwijmel. Je kunt ook bloggen over dingen die je absurd vindt. Maar dan gaat het snel over woorden, zoals ‘pionieren’, ‘vooronderstelling’, ‘bodemanalyse’ en ‘tabakslobby’. Je rijdt je karretje binnen de poorten van De Verwondering, een fabriek met uitstekende arbeidsvoorwaarden, behalve dat je altijd moet doen alsof je nooit ouder dan acht jaar bent geworden. Ten slotte kun je bloggen over zaken die onrechtvaardig zijn. Dat zet een toon die prettig kritisch is, maar die verongelijkt kan overkomen. Door het bereik van internet heeft dat negativisme eveneens iets griezeligs. Wat zegt dat nu weer? In Je hebt niet van mij, maar… beweert Joris Luyendijk: ‘outsiders kunnen in Den Haag alles opschrijven maar weten bijna niks. Insiders weten heel veel maar kunnen bijna niks meer opschrijven’.
Wat mij aan bloggen doet terugdeinzen is de macht, de door niets gehinderde mogelijkheid tot het verbreiden van onwaarheid en tot veroordelen. Nou ja, door niets... Er is die sociale controle, een denkbeeldige meelezer. En mijn kinderen spelen een even zelfcensurerende rol. Nu zijn ze nog klein en dateren ze alles uit het verleden op ‘gisteren’ en ik neem aan dat het internet op apocalyptische wijze vanzelf wel ontploft – maar stel dat De Honingpot over een jaar of tien nog vindbaar zou zijn… Ik moet er niet aan denken dat zij louter vakidiotie aantreffen. (‘Hij vierde een half decennium van zijn blog, terwijl vijf decennia tevoren The Beatles in Amerika landden en in Sotsji de Olympische Winterspelen begonnen.’)
Met een tandspiegeltje oefen ik dan wel in wat Luyendijk ‘functionele woede’ noemt.
Nogmaals, waarom zo pontificaal over het meningsverschil? Hoewel er naast een anxiety of influence ook een desire to be influenced zal bestaan, heb ik binnen mijn vak een boontje voor de materialistische literatuurkritiek die niet direct polemiekvrij is. Een bundel die een voorbeeld is geweest voor mij is Konfrontaties van J.F. Vogelaar uit 1974. Zelfs voor deze blog. Ooit legde ik in een papieren blad nogal omstandig uit waarom ik De Honingpot ben gestart, maar ik had evengoed één zin kunnen citeren uit de inleiding bij het essay Woekering van betekenissen: ‘Ik beschouw deze aantekeningen als een vorm van reflexie die in feite integraal bestanddeel van het schrijfwerk zelf moet uitmaken, zeker als dit wordt opgevat als een sociale aktiviteit en niet als individuele expressie en expansie.’
Hier is meteen verklaard waarom ik graag werk met onmundig veel hyperlinks. In termen van een win-winsituatie heeft de moralist in mij daar hopelijk baat bij.
Doordat Vogelaar kunst niet als autonoom lichaam beschouwde, moest hij zijn neus elders in steken. Bij een honingpot is dat makkelijk gezegd, maar hij speurde in instituties en in uiteenlopende teksten naar veronderstellingen en fenomenen die deze autonomie wilden verankeren. Zo kwam hij vanzelf in conflict. Zijn definitie van ideologie voorspelde dat: ‘een geheel van denkbeelden die een bepaalde maatschappij nodig heeft om zich te rechtvaardigen, denkbeelden dus die niet of maar ten dele met de feitelijk sociale verhoudingen samenvallen, maar er niettemin een reële funktie in vervullen.’
Ik snap dat zulke kwesties eerder plicht en paranoia oproepen dan enthousiasme en elan, maar ze zijn cruciaal – helemaal in een global village die roept van ideologie gespeend te zijn. Zijn arbeidsintensieve en bijna tot aan in soevereine slimme betogen ten spijt, was er geen belangstelling voor Vogelaars sociale oogmerk. Op mijn beurt hoef ik er niet chic over te doen dat buiten de spertijd van updates het aantal dagelijkse bezoekers van De Honingpot rond de twintig ligt. Nochtans een huis vol, een familie bijna, ware het niet dat statistieken het laatste restje ijdelheid verdelgen. Van de tien best bezochte stukken, waarbij de koploper nog op de meest gênante eenzame hoogte staat, zijn er drie door gastschrijvers verzorgd; zoektermen maken duidelijk dat men hier meestal niet de gewenste zoetigheid vindt.
Vogelaar heeft afstand genomen van Konfrontaties. Aan Arnold Heumakers deed het boek bij herlezing nog altijd pijn aan de ogen. In hoeverre bij die allergie vooroordelen over marxisme een rol spelen is mij duister, temeer daar ik nooit iets van Marx heb gelezen. Maar zijn de verwijten van dienstbetoon aan een politiek dogma zelf vrij van dogmatisme? Een blik op de concrete kritieken leert hooguit dat het oordeel vaak hard is, en knorrig en soms arrogant wordt geformuleerd. Zelfs als teksten van Mulisch van ‘domheid’ zouden getuigen, doet dat echter niets af aan de argumenten waarmee diens aanpak en engagement worden onttakeld.
Mij weet Vogelaar te overtuigen. En Sybren Polet een keertje niet zodat, alsof Mouffe aan het voorzeggen was, Konfrontaties van hem een ampele repliek bevat op een kennelijk toch niet geheel vernietigende kritiek die Vogelaar hem had bereid. Ook in Oriëntaties, de al wat betoomde opvolger uit 1983, komen in polemieken tegenstanders (Klaas Hellinga, Carel Peeters) nog integraal aan het woord. Dit oogt on-Nederlands. Bij verschil van mening wordt meestal ironie ingevlogen, soms de karikatuur, en daarnaast is er draconisch fatsoen zoals wegkijken, negeren en verzwijgen.
Curieus is dat met mijn hooggestemde opvattingen, die een toegespitst beeld in zich dragen van wat ‘democratie’ kan zijn, het dieptepunt van De Honingpot volgens mij ligt in een confrontatie, die mij er nota bene toe noopte comments te wissen. Ai, dat is kennelijk ook ‘gisteren’. Ik heb er al eens op teruggeblikt, zonder in de gewraakte thread één reactie, van Eddy Warmerdam, bij te treden – ‘dat we zelfs ook maar de elementaire beginselen van een internetpsychologie ontberen’. Wel voel ik me inmiddels meer gesterkt in mijn optreden. Destijds werd de voorzitter van een adviescommissie voor subsidie aan papieren tijdschriften hier beschuldigd van belangenverstrengeling omdat hij in één blad een rubriek had. Zijn opvolger heeft in hetzelfde blad ook een rubriek en dat bleek geen bezwaar.
Curieus is verder dat De Honingpot openging toen het bloggen in buiten- en binnenland passé bleek, ‘heel erg anno 2005’. Het klopt dat in mijn branche mensen als Cornets de Groot, Reugebrink, Roelens en Vriezen hun weblog niet of nauwelijks meer aanvullen. Als medium maakt het dan weer een comeback in de neerlandistiek, voor zakelijke informatie en om buitenwereldse prestaties van medewerkers in de etalage te zetten. Mij was al opgevallen dat zodra daar een persoonlijke toon wordt aangeslagen de gesuggereerde bezieling niet rijmt met de vermoeidheid die spreekt. Het contrast is daarom zo frappant, omdat het hoogtepunt van de laaglandse letterkundige blogkunde vooralsnog inderdaad ligt rond 2005, bij literatuurwetenschapper-dichter Jeroen Mettes.
En zo’n rouwbrief post ik op mijn weblog! Wendy Kroy deed zoiets nota bene al eleganter op de hare. Zij is mij als blogger gaan opvallen. Haar teksten probeer ik te volgen, net zoals die van Benders, Beurskens, Van ’t Hof, Huet, Hüsgen, De Jager, Van Oostendorp, Pollet, Stolk, Velter,… Niet om te ontdekken of zij ‘gelijk’ hebben, maar om welk project ze in deze specifieke ruimte uitwerken. Zonder dat ik zou kunnen zeggen waaruit het precies bestaat, rijst de gewaarwording dat ze buiten hun karakter om kenbaar zijn.
Tegelijk baden deze auteurs niet in het succes dat toestaat een merknaam te zijn. Zij hebben hun podium niet gebruikt voor het behoud van het cultuurprogramma Joos. Da’s een andere wereld, de reële, die er door bloggersogen virtueel uitziet?

Ik stelde al eens vast dat er allerlei categorieën auteurs zijn gekomen waarbij zichtbaarheid sterker verbonden is geraakt aan institutioneel succes. Ooit konden zogeheten A-auteurs neerkijken op de bestsellermaker, na structurele veranderingen in het uitgeverswezen, de kritiek en boekhandel mogen ze blij zijn met een plaatsje onder de zon. Het valt slechts te hopen dat ze op een of andere manier met elkaar verbonden blijven.
Ook wie WikiLeaks wantrouwt kan het niet ontgaan dat het internet een aanvullende bron van informatie vormt op mainstream media. Ook een deel van de literaire kaalslagen is aldus opgevangen. Alleen heeft het internet daarbij uitgerekend het publieke debat bemoeilijkt. Een oorzaak daarvan zit dan in een apert soort kritiek, waarover straks meer. Ook werkt een andere site contraproductief, getuige standaardfrases als: ‘Op Facebook zei ik al dat…’ Maar goed, ook die plek viert dezer dagen een jubileum en er schijnen wedstrijden te worden gehouden in poëzie vertalen. Het goede nieuws is bovenal dat in de literaire berichtgeving bijna volledig wordt voorzien door Tzum en De Contrabas, in de breedte van kritieken door Meander en De Reactor, en in de reanimatie van tijdschriften door Alphavillle en Samplekanon (terwijl Tirade geëxpandeerd is in zijn virtuele nevenvorm).
Dat maakt het des te teleurstellender dat de literaire site OoteOote, ondanks een overvloedig en gecertificeerd personeelsbestand, niets extra’s biedt. Gelukkig zijn er postings geweest over de actualiteit van Komrij en over de grenzen van ironie, met relevant uitwaaierende reacties ook (inclusief Komrij zelf, die zich niet te groot voelde te reageren), evenals toen iets interessants overgeplant werd van Facebook, maar ik snap niet dat de drijvende kracht achter het geheel Perdu is. In dat poëziecentrum, waar ik twee decennia geleden mocht debuteren, heerste juist interesse voor alles wat buiten eigen kringen lag.
Maar ook bij deze kritiek past ontzag voor de verhoudingen. Voor de hoeveelheid treffers die OoteOote op zijn eerste dag verklaarde te hebben gekregen heeft mijn blog drie maanden nodig. Toch blijf ik zaniken, omdat de praktijk van die website suggereert dat het literaire bedrijf berust op één activiteit: netwerken. En dat zou in de traditie van Perdu, en van de vroege Vogelaar waar dat centrum uit voortkomt, een jammerlijke suggestie zijn. Welke dikke termen je ook voor macht en machtstructuren wilt gebruiken, de aandacht lag bij de manier waarop zij niet minder dan kennis baarden.
Zo konden kunstenaars geen vervolg geven aan de beste humanistische geplogenheden door unverfroren waarheid te spreken, maar moesten ze begrepen worden in hun omgeving, in hun gelegenheidsverbanden. Met dat inzicht ontbrandde een ecologische bezigheid avant la lettre, een bodemanalyse waarin ‘krities’ zijn afhing van de scherpte van de tanden die het terrein afgraasden. Pas nadat een complexe hegemonie van ideologische en culturele apparaten was blootgelegd, kon waarheid terug in zicht komen. Hier toont zich ook de invloed van Michel Foucault, die zelf een heel parcours heeft afgelegd. Zijn laatste stuk naar de meet werpt misschien nog een aardig licht op het bloggen.

In De moed tot waarheid ziet Foucault in het midden van de negentiende eeuw een kunst postvatten die het vehikel van cynisme is. Ze reduceert mensenlevens op gewelddadige wijze tot het elementaire dat zelden erg fraai is. Makers houden zich dan bezig met ‘ontmaskeren, afkrabben, uitgraven van het bestaan’. Ik moet dan denken aan comments die, voor de goede orde, hier en elders soms relevanter zijn dan de initiërende posting, maar die nogal blussend uitpakken als voor de honderdduizendste keer dezelfde diagnose rondgebazuind wordt: corruptie en hypocrisie. Willekeurig voorbeeldje uit de literatuur: dat de principiële natuureenzaat Thoreau er in de weekenden tussenuit piepte naar de stad, om appeltaart te eten bij zijn mama.
Bijna zeker zijn dergelijke ergernissen door de hele geschiedenis heen gevoeld maar telkens weggewuifd, uit schaamte of onvoldoende emancipatoire kracht maar evengoed omdat ze nergens toe zouden kunnen dienen. Internet biedt echter de mogelijkheid er direct lucht aan te geven. Aldus heeft het medium mee aan een maatschappijtype geboetseerd: ‘Waar vroeger ongeveer iedereen aannam dat een gezagsdrager een hoger ideaal vertegenwoordigde en met de uitoefening van zijn ambt alleen maar de realisatie van dit ideaal beoogde, wordt er nu van uitgegaan dat iemand met macht vooral op eigen profijt uit is, en dus op het eigen genot’ (Paul Verhaeghe, Liefde in tijden van eenzaamheid).
Een praktisch probleempje daarbij is de suggestie zelf compleet integer en onkreukbaar te zijn, zonder frictie tussen opvattingen en daden. Maar de meest basale frictie openbaart zich meteen, doordat hypocrieten als bij een natuurwet een ideologie of een politiek uit blijken te venten. Hoezeer je dit ook afkeurt, altijd leg je dan zelf een mening of mensbeeld op. Voor Hans Achterhuis, die zelf nogal een ontwikkeling doormaakte, was dit in De erfenis van de utopie de kuil die men voor een ander graaft: ‘Het inclusieve denken dat steeds de onechte behoeften en gevoelens van de ander onthult om vervolgens de ware en echte visie op te kunnen leggen, loert bij de cultuurkritiek net als bij de utopie tenslotte altijd vlak om de hoek.’
Gezeten op mijn stokpaardje van confrontaties fascineert me dit nogal. Elk spreken wordt onmogelijk gemaakt dat ook maar de geringste gelijkenis vertoont met een aanklacht.
Tevens kan men het recht op kritiek eisen en ontkennen zelf een haar beter te zijn. Hypocrisie betreft dan een routinehandeling jegens personen en zaken die niet rijmen met het mooie beeld dat de beklaagde schetst, zonder dat er een alternatief aangedragen wordt. Tom Naegels heeft dat laten zien bij de ACW-affaire: ‘De redenering is dus niet: “Er geldt hier in deze gemeenschap een morele code, een stelsel van waarden en normen dat jij achter onze rug aan je laars lapt terwijl je voor de schone schijn toch doet alsof. Wij, die ons wel aan die normen houden, veroordelen je daarom.” De redenering is: “Je bent geen haar beter dan wij.” Het verwijt van hypocrisie dient niet om het ideaal in stand te houden of te versterken; het helpt om het van zijn voetstuk te sleuren.’
Nu vind ik niet dat een ideaal gespaard moet worden indien het louter rampen aanricht. Toch zou het al schelen wanneer protest niet klinkt als business as usual. Daarvan geven weblogs, in de volledige combinatie van posting en comment, helaas te vaak bewijzen. Oordelen over niet- of halfgelezen teksten, over namen – ze waren de vroege Vogelaar al een doorn in het oog. Maar omdat op het internet bij elke toevoeging het tijdstip geregistreerd staat, is in het adembenemende tempo zelfs het begin van geloofwaardigheid onmogelijk.
Opnieuw voel ik me genoopt tot een ‘maar’. De weblog is een medium voor ongevraagde bijdragen. Daaruit begreep Vogelaar in Je zit niet alleen in je vel, zijn laatste bij leven verschenen boek, dat er geen zelfbeperking meer bestaat en dat bloggen neerkomt op het opendraaien van een kraan. Als gezegd ervaar ik door denkbeeldige meelezers allerminst die sensatie. Frequenter het tegendeel van vrijblijvendheid, namelijk een druk van binnenuit, discipline misschien – die vaak aangenaam is maar, zoals dat gaat met verslavingen, soms ook kokervormig.

Een zeker in papieren kringen even ingeburgerde, maar iets ingewikkelder evenknie van de hypocriete annex corrupte mens is de kortzichtige. Hier schijnt de Illusion of Asymmetric Insight te regeren, die bij de ander intellectueel-psychologische vooronderstellingen openbaren van een grootse bekrompenheid waaraan je zelf uiteraard niet zou lijden, enz. ‘Liberals believed they knew more about conservatives than conservatives knew about liberals. The conservatives believed they knew more about liberals than liberals knew about conservatives.’ Mij zou het een kek project lijken om het verschil te formuleren met de oorspronkelijke kritische praktijk van Vogelaar, waarbij de verleiding groot is er één pot nat van te maken.
Hoe dan ook doemt bij de diagnose van kortzichtigheid, te herkennen aan het symptoom ‘provincialistisch’, evenzeer onmiddellijk een praktisch probleempje op. De ontleding van denkpatronen bij de ander is zelden smeuïg om te volgen, mede omdat de onvermijdelijke uitkomst, domheid, verder strekt dan een karaktertrek die enigszins te repareren is. Daarbij vergeleken valt een ander obstakel aan de Asymmetric Insight in het niet: de ietwat suggestie van de analyticus snugger en restloos zelfkritisch te zijn.
Niet toevallig wordt dit notoire citaat van Walt Whitman erbij geleverd:

Do I contradict myself?
Very well then I contradict myself.
(I am large, I contain multitudes.)’.

De Bijbel koos een even comfortabele oplossing door, met copy-paste uit het oeuvre van Tante Leen, te stellen wie zonder zonde is de eerste steen mag werpen.
Ook vergen zulke ontledingen heel wat ruimte. Het blijft de vraag of een weblog daarvoor geëigend is. Omdat ik me heb voorgenomen op dit jubileumpje niet weemoedig te worden, stel ik alleen vast dat de antagonistische schermutselingen uit de begintijd van Vogelaar een woordental met zich meebrachten dat in papieren media nu de associatie met een harakiri wekt. Wie om die reden in het internet een vluchtplaats ziet, heeft nog wel wat rechtvaardigen aan longreads.
Tegenover de klassieke onheilstijdingen over het medium staat de overtuiging dat de lengte van een tekst uiteindelijk niet zo’n groot probleem is. Ik hoop dat dit zo is, want Maarten Doorman meldt in Rousseau en ik dat, in tegenstelling tot een emoticon, reeds een lange, grammaticaal gelaagde zin frustreert en en bij voorbaat inauthentiek overkomt. Ik hoop ook dat lengte geen argument is omdat u, beminde bezoeker, al dan niet in lieftallig en volkomen naturel gezelschap van een sigaret of smartphone, helemaal op dit punt bent geraakt bent.
Ga nu terug naar start.

Meest gelezen postings:

1. Het onvoltooide: een uitnodiging
2. Schromeloos (1)
3. Coreferenties (1)
4. Coreferenties (6)
5. Jeroen Mettes (2)
6. De open bibliotheek van morgen
7. Kleine wasjes, grote wasjes
8. Nico
9. Hans Groenewegen (1)
10. Ja meneer de burgemeester (4)

Zoektermen:

1. honingpot
2. marc kregting
3. honingpot kregting
4. louvre
5. bertram mourits
6. ridder
7. jeroen mettes
8. het is makkelijker met zijn zestigen
9. dehoningpot.blogspot.com
10. www.dehoningpot.blogspot.com

maandag 27 januari 2014

Cross Your Heart


Zonder pertinenties geen betrekkingsdrang? Bij het inhalen van het nieuws tijdens slenterende boekenconsumptie waande ik me zo ongeveer – de beeldspraak hapert – een rij dominostenen. Mij gewerd het Einde van het Feminisme. Het schijnt er niet meer om te gaan wie in huis de broek aanheeft, noch dat alle bewoners ’m zelf kunnen ophouden, maar dat iedereen dat zelf beslist. Daarna kwam er een beschouwing over de trend armoede te zien als keuze.
Voor ik het wist, heette het bruggetje Margaret Thatcher die bij mijn weten nooit een broekdragend type geweest is, maar die armoede een ‘fundamental character-personality defect’ had genoemd. Was die boude uitspraak dan een teken van emancipatie?
God mag het weten. Maar die hebbe haar ziel. Zijn huidige plaatsvervanger op aarde, paus Franciscus, laat in zijn naam al uitschijnen dat hij zich beroept op Franciscus van Assisi. De film Iron Lady herinnerde me eraan dat Thatcher dat bij haar aantreden eveneens deed, voor Downing Street 10, omringd door de pers. Wel ging de heilige aan Thatcher niet voor wegens nederigheid of liefde voor de natuur, maar omwille van zijn kwaliteiten als verbindingsspeler: ‘Where there is discord, may we bring harmony. Where there is error, may we bring truth. Where there is doubt, may we bring faith. And where there is despair, may we bring hope.’
Bij Thatchers overlijden had ik over deze scène gelezen, maar het was een beetje veel dat toen over haar werd geschreven. En op het historische moment zelf verkeerde ik als veertienjarige in mijn eigen prehistorie, volgens welke Franciscus van Assisi hooguit de linksbuiten kon zijn van het team waarnaar Michel van de Korput een lucratieve transfer zou maken (maar zijn vrouw kreeg heimwee).
Een latere uitspraak van Thatcher, ‘There is no alternative’, was mij wel bekend. Zoals aan iedereen, eventueel onder de weinig feministische afkorting Tina. Door het lezen van E.F. Schumachers Small is Beautiful uit 1973 weet ik nu dat Thatcher ermee citeerde. Het boek zelf, vertaald als Hou het klein, is overigens verbijsterend actueel. Het schetst en voorspelt milieu- en energieproblemen door overconsumptie, identificatieverlies door schaalvergroting en verstedelijking, enz. Schumacher signaleerde toen al dat rijken rijker werden en armen armer. Het Mattheuseffect in zijn versie: ‘Niets is zo succesvol als succes, niets leidt zo tot mislukking als mislukking’.
Dankzij Small is Beautiful mag genoteerd dat Thatcher met ‘There is no alternative’ nota bene een Nederlander citeerde. Sicco Mansholt trachtte voor de toenmalige EEG boerenkielen te strijken met technologie en rationalisering. ‘Meer, sneller, verder, rijker zijn de wachtwoorden van de huidige samenleving’.
Aan die dynamiek viel zijns inziens niet te tornen. Volgens Schumacher wel. Zou hij daarmee een vrouwelijk standpunt innemen? Feit is dat Mansholt no alternative zag in zijn beginjaren bij de Gemeenschap en dat hij toen de rode stier genoemd werd. Feit is eveneens dat hij vlak voor zijn pensioen op dat standpunt terugkwam onder invloed van het Meadows-rapport maar zeker ook van Petra Kelly (die de Canto General van Neruda op haar nachtkastje had toen ze werd vermoord). Mansholt werd voorstander van een zogeheten krimpeconomie en die kentering negeert Schumacher.
Frank Westerman liet fabuleus zien dat Mansholt op zijn beurt inspiratiebron is geweest voor Kennedy’s Berlijnse rede. Maar vanuit het perspectief van armoede en feminisme bepaal ik me liever tot Kennedy’s vrouw Jacqueline ‘Jackie’ Bouvier. Dat komt, zei de dominosteen van dienst, door de simultane lectuur van Der Tod und Das Mädchen IV van Elfriede Jelinek.
In een vernietigende tekst van één lange alinea laat zij Jackie redeneren – en reduceren tot een bewust bedrogen echtgenote. De presidentsvrouw propageert spaarzaamheid tegenover de privésfeer, desnoods met een reusachtige leegte als omhulsel. Of ze een broek draagt doet niet meer ter zake. Met varianten van de cirkel, vierkant, bol en ruit berustten zelfs haar kleren op lijnen uit een grondvorm. Haar mama had haar familiegetrouw gevoed met discipline en ze had gezegd dat ze met een rijke man moest trouwen. Deze kreeg al zijn testosteronstreken vergoed van zijn papa, ervoer Jackie vervolgens. Zulke autonomie kent bij Jelinek een U-bocht: ‘Pas als je overal opvalt, heb je je echt aangepast.’
Kun je kiezen voor rijkdom? Is dat een kwestie van zelftucht? Vrouwelijke autonomie via de calculator? Nogal een wordy rappinghood, dunkt me. Veel cynischer valt het niet te verzinnen, zolang ‘werk’ niet is gedefinieerd en geïsoleerd van ‘vrije tijd’. En tegenkanting vanuit feministische invalshoeken leidt onvermijdelijk tot het gevoel van belering uit naam van hen die de verlichte staat al bereikt zouden hebben, en zoiets verloopt in een multiculturele samenleving ver over de gezindten heen.
Zou Jackie Bouvier een inspiratiebron geweest zijn voor de eega van een recentere politicus-hormonenbom? Nee, Veronica Lario heeft zich aan hem ontworsteld én daarbij gekozen voor rijkdom. Er was onlangs immers nog een berichtje: dat zij als alimentatie dagelijks 3.835 euro krijgt van Silvio Berlusconi. Eigen schuld, dikke bult! Maar waar doet me dat spreekwoord aan denken? Aan zwangerschap of oedeem?