maandag 30 mei 2016

En ik zei niets van alles wat ik bedacht had




Hier in België zijn peters en meters belangrijke mensen. Ik ken ongelovigen die als het ware een moord doen om die status te bereiken – en daar de boreling levenslang voor betalen in de vorm van cadeaus.
In Nederland heet dat peetoom en peettante. Klinkt toch wat minder. Maar de mijne waren meer. Mijn peettante was bijvoorbeeld een wonder. Ze was erbij toen mijn ouders elkaar ontmoetten.
Als ze op bezoek kwam, dronk mijn moeder met haar bessenjenever. Op zijn beurt had mijn peetoom, volgens het parochieblad, uiteindelijk ‘de kelk van het lijden tot op de bodem uitgedronken’.
Daarna draaide mijn peettante het liedje Laat me alleen’ van Rita Hovink, tot grijswordens toe (van de elpee). Het was een beroemd liedje, een hit, waarvan mij slechts één frase bijbleef. Over een glimlach die pure parodie is.
Ik heb mijn peettante destijds het gedicht ‘Iep aan de kade’ van T. van Deel gegeven. Dat had ze voor de gelegenheid drastisch herschreven, door voor het bezittelijk voornaamwoord een hoofdletter te gebruiken: ‘De boom laat ons het uitzicht na / op Zijn afwezigheid’.
Een legitieme herschrijving, ze had bewust de oorlog meegemaakt.
Een jaar na haar grote hit slaagde Rita Hovink er volgens Wikipedia in de laatste plaats te halen bij het Nationale Songfestival. Dat was met het liedje ‘Toen kwam jij’.
Ik heb daar zojuist kennis mee gemaakt, en vind het niet slecht. De tekst is er een beetje over, maar op een songfestival was dat niet opgevallen – we schrijven 1977, lang voor Google Translate, het apparaat zonder omtrek waarmee ook getuigenissen van vluchtelingen worden ontcijferd.
In Hovinks refrein staat zelfs een best mooie regel: ‘En ik zei niets van alles wat ik bedacht had’.
Vanochtend is het taalkundig genie vertrokken op zogeheten boerderijklassen. Ze scheen de enige met een rugzak; een beetje lagerescholier reist voor twee overnachtingen met een koffer op wieltjes. En het zal aan de zondvloed te wijten zijn dat ik de enige ouder bleek die voor het wegbrengen de fiets had genomen.
Een auto kan ik alleen in nachtmerries besturen. Mijn peettante beschikte, nogal uitzonderlijk voor haar generatie, wel over rijvaardigheid. Wel gebeurde dat in een wagen met de duistere krachten van het ‘automatisch schakelen’.
Het was de tijd waarin Hannes Meinkema in haar cultroman En dan is er koffie het woord ‘mevrouwig’ lanceerde. Dat leek geen compliment, want verwijzend naar rolpatronen. Hovink moest toen nog met de parodie van de glimlach afkomen.
Tegen het taalkundig genie zeg ik alles wat ik bedenk. Ik durfde haar alleen nog niet om de oplossing te vragen. Volgens de folder staan boerderijklassen namelijk in het teken van de verwondering. Toch hoeft dit geen slechte poëzie op te leveren, aangezien de kinderen in verbondenheid beloven te raken met het Mysterie.
In de dagelijkse praktijk bedenk ik weinig dat de moeite van het zeggen waard is. Dat maakt mij een slechte aan de telefoon. Behalve met mijn peettante.
Een paar maanden geleden heb ik haar gebeld, en er is toen een persoonlijk record gevestigd van meer dan twee uur. We spraken over van alles en nog wat, behalve over koetjes en kalfjes (die een privilege zijn van boerderijklassen).
Wat mijn peettante altijd feilloos heeft kunnen benoemen is wat bij Kinderen voor Kinderen een droeverig gevoel’ heet. Over dat licht afwijkende woord, dat in een heel ander register dan het ‘mevrouwige’ ligt, blijkt op een forum van gedachten te zijn gewisseld. De meeste deelnemers vinden het iets herkenbaars oproepen.
Ook daarom beschouw ik mijn peettante als een echte intellectueel. Ze had een fabelachtig vermogen tot inleving, schreef, las in alle talen, speelde partijtjes simultaanscrabble op de iPad en bezocht permanent de universiteit van het leven.
Mij heeft ze blind leren typen met tien vingers, iemand uit haar wijk heeft ze op hoge leeftijd – plusvijfentachtig – nog Franse les gegeven.
Nom de dieu. In het songfestivalliedje dat haar Waterloo werd, zong Rita Hovink: ‘Liefde. Wat is er dwazer dan liefde? Wachten.’ Zou dat hetzelfde zijn als de bodem van de kelk bereiken?

donderdag 26 mei 2016

Geef het aan de bedelende poes




In het interviewboek Kaaskoppen van Robert Vuijsje biecht Mr. Polska op dat hij ‘half soep, half mens’ is. Hij wijt dat aan zijn geboorteland Polen. Als voorbeeld noemt hij rosul, een soep met grote stukken kip en groente. Ik vermoed dat zoiets in Nederland ‘maaltijdsoep’ heet, maar redelijkerwijs klinkt dat een beetje verwend, zo niet pleonastisch.
Misschien ligt de bron van rosul in een trans-Atlantisch recept. Van het feit dat de liefde door de maag gaat, heeft Maceo Parker de ingrediënten benoemd:

I need a magic stick
to get you in my trick
I need a rabbit's foot
just to get you hooked
I need a bowl of soup
just to make a stew
I need a turtle's egg
I wanna make you beg

Diende de Poolse variant zich aan door een geringere beschikbaarheid van (verse) producten? En smaakte less vervolgens werkelijk naar more?
Soep is een zelfstandig naamwoord, zowel mannelijk als vrouwelijk. Voor zover ik weet zijn zij en hij nooit voor een moderne identiteit ingezet, zoals lasagne. Raar, gezien de opties die een bouillabaisse biedt versus een bouillon, en het feit dat er, gazpacho indachtig, ook ijskoud iets bijzonders aan kan zijn.
Fijn aan soep is natuurlijk dat je ervan kunt slurpen als hij heet is. Toch is er iets aan waar ik me geen raad mee weet. Mij staat althans geen soep voor de geest die zelfstandig mijn buik- en maagbewegingen heeft weten te remmen. Altijd kwam er op zo’n dag een moment nadien, waarop meer warm voedsel nodig bleek.
Vermoedelijk heeft die sensatie al vroeg een stoeltje in mijn systeem bezet gehouden. Tot de eerste stukjes uit de Bijbel die ik las, behoorde zeker het verhaal over Esau die aan Jacob zijn eerstgeboorterecht verpatste voor een bord linzensoep. ‘Dat rode daar’ . Ik weet nog dat mij dat meteen een stomme zet leek. Zou het ongeloof daar begonnen zijn?

donderdag 19 mei 2016

Neeltje van Beveren (1977-2013)


De recente studie Allez, ge gaat het ook eens proberen’. Over uitgeverij Meulenhoff|Manteau (2003-2010) meldt dat Stijn Gooskens meer dan drie jaar geleden is gestorven. Zijn naam was me eerlijk gezegd ontschoten, zijn pseudoniem niet. Laat staan zijn begaafdheid, die zich helaas heeft beperkt tot één bundel Alles voor de vorm uit 2003.
Ik vind het nogal wat: het feit dat Neeltje van Beveren dood is. De onzichtbare dichter zwijgt voorgoed.
Te vertellen heb ik ongeveer niets over hem. Een intelligente student filosofie, vrolijke jongen met baard en zonder interessanterigheid, met wie ik als fondsredacteur in Amsterdam één keer gesproken heb. Boven een lijvige computeruitdraai die van mijn aantekeningen was voorzien.
Mijn geheugen laat me in de steek, terwijl ik zeer onlangs uit Dit kan niet waar zijn van Joris Luyendijk het begrip arse covering heb geleerd. Het betekent dat je, in ieder geval in de banksector, al je mails moet bewaren omdat je altijd beschuldigd kan worden, evengoed van dingen die je niet hebt gedaan, geschreven of gezegd.
Toch ben ik vrij zeker van die computeruitdraai, met in handschrift daarop louter een e-mailadres. Dat was voor mij toen een voorrecht – bij een inzending eens geen aanbeveling te lezen van een autoriteit die met mes en vork kon eten.
Mocht de indruk ontstaan dat ik een of andere heldendaad voor de literatuur heb verricht: mijn aandeel bestond uit het forwarden van Van Beverens e-mailadres naar een collega, die Alles voor de vorm heeft uitgegeven.
Dat poëziedebuut heb ik na het verlate nieuws van de dood herlezen, en ik viel onmiddellijk weer voor een openingsstrofe als

op bladzijde tachtig van zijn laffe roman
schrijft jean-paul sartre: ‘men moet geen
angst hebben’. ik zweer je had die schele
in mijn tijd geleefd, dan was ik hem met
zwarte maskers langs het pad gaan liggen.

Natuurlijk wordt de titel van de laffe roman niet vermeld, en is de ik zelf zo scheel dat zij ‘liggen’ voor ‘leggen’ aanziet. Dit is poëzie die risico neemt, door met meligheid een deel van het toch al kleine leespubliek uit te sluiten: de snobs.
Tegelijk speelt Van Beveren va-banque tegen insiders. Accepteren zij zoveel jaren na de experimentele golf dat er weer tegen lezersverwachtingen wordt aangetrapt? Dat het laatste werkwoord een fysieke component in zich draagt, komt misschien door een gruwelverhaal over Stijn Gooskens na zijn debuut: over een brand waarbij hij uit het raam moest springen en waaraan hij een dwarslaesie overhield.
Teruglezend met die latere, voor de bundel nog irrelevante kennis wordt Alles voor de vorm grimmiger. En heeft het getrap tegen lezers ook iets tragisch:

Kun je luisteren in koor of heet dat anders dan?

heilig is wie maalt en maalt en maalt, zo verkondigt
de profeet van de herkauwers. en je erover
verwonderen, waarom zou je?

het sterke van diens buiten boerenkringen schaars
gelezen boek, is dat het de liefde vermeldt
maar nergens loeit van een maker.

in het veld telt slechts de malsheid van het gras:
er is zover hij weet nog nooit een koe geweest
die graasde in naam van de wetenschap.

om te besluiten dat de werkelijk obscene beesten,
de koffietantes, die nu knauwend op kunstgras
in collegehokken zitten samengepakt

zo vlug als hun lamgeslagen poten het verdragen
in tastbare weiden moesten worden losgelaten
in verband met kans op oude,

overvolle melk die al bedorven wordt gemolken
als zij nog langer in hun stallen staan
te mekkeren in het donker.

kun je luisteren in
koor of heet dat
anders dan?

Het is net alsof alle bewegingen dan maar ten uitvoer moeten worden gebracht door de hersenen. En die willen op hun beurt zo veel mogelijk toelaten, en zoeken nog even naar eventuele redenen daarvoor. Wat is dit ondertussen nog steeds een geweldig gedicht!
Dat de slotstrofe de titel herhaalt en in stukken breekt op louter formele gronden, maakt het nog grimmiger. Alles voor de vorm heeft zelfs een apart gedicht in de gedaante van de inhoudsopgave die per stuk aanzwelt (hiervoor heeft hij vals moeten spelen met pagina 38).
Na zijn dwarslaesie blijkt Gooskens de stichting Scouters te hebben opgericht, die informatie, advies en hulpmiddelen geeft aan gehandicapten én, indachtig de geest van Van Beveren, hun zelfstandigheid vergroot.
Maar dan spreken we over een tijd waarin Neeltje, minder dan een decennium na haar debuut en een lustrum voor haar bij mijn weten laatste tijdschriftpublicatie ‘de geschiedenis van het denken 286-316’, werd aangezocht voor een avond over wat cultuurindustrieel Vergeten dichters heette. Uit de mailcorrespondentie rond dat evenement uit 2012 citeert de studie over uitgeverij Meulenhoff|Manteau dat Van Beveren een stand-in prefereert: ‘[d]emystificatie bewaar ik liever voor de filosofie, kunst is er in mijn ogen juist om hier en daar een rookgordijn op te trekken’.
Een voorbeeld van die procedure is het driedelige gedicht ‘Bezit zo leerde ik verblindde’. Het verhaalt van een ik-figuur die droomt een varkentje met pacemaker te zijn ‘dat voor / de kost verdronk’. De figuur heeft een grote liefde opgevat voor gaia, zijn goudvis, die ook een pacemaker heeft. Verderop in de droom verandert hij in een ander varkentje dat ‘iets had’ met mormonen. Na het ontwaken is zijn bed bevuild en is zijn wekker van moes geworden.
Hoe dat komt, belooft hij te vertellen ‘wanneer het beter uitkomt./ je zegt het maar. / ik wacht’. Ongevraagd uitstel! Even verderop in de bundel is er dan iets dat lijkt op een ’donker, eeuwige plasje drab‘ dat het gevoel blijkt te zijn, met een ‘schijnbare spontaniteit / en zomarisme’.
Zou het feit dat Van Beverens gedichten overwegend lang zijn behoren tot de strategische pesterigheid een nader te bepalen moment te verkiezen? Soms kon onder datzelfde gesternte bijna epigrammatisch werk ontstaan:

Mijn hart klopt zachter in het bos

vanavond pluk ik bramen voor een dode vriend
met zwaluwen, het vuur, de drie seizoenen
draag ik geen wanten maar een kruis
tegen de kou bevroren heuvels op

mijn hart klopt zachter in het bos
omdat het stilstaat bij de bomen
ik heb het leren donkerrood
te bloeden bij gevaar

Of plukt deze figuur voor zichzelf omdat hij, bijvoorbeeld bij ontstentenis van een pacemaker, al dood is? Door de nakennis van gebeurtenissen uit het leven van de maker wordt het gedicht minder melig, meer mellon collie zeg maar.
Uiteraard suggereert een titel als Alles voor de vorm ook dat de buitenkant wel moet regeren. Dat zou aan de wens onzichtbaar te blijven een politieke lading geven, zeker in tijden van visibiliteit’. Dat zijn zelfmoord de eerste in een rij tragische gevallen was, moest door de gewelddadige ineenstorting van de literaire kritiek haast wel onopgemerkt blijven.
Anderzijds had de maker wel belangrijker dingen aan zijn hoofd, omdat hij domweg met pijn moest leven. Ter nagedachtenis van die toestand richtte hij zelfs een webdomein op.

zondag 8 mei 2016

Nina’s


Als eerste wereldstad heeft Londen een moslimburgemeester. Nieuws dat klinkt als een heuse paradigmawisseling. Valt het te vertalen naar mijn branche?

Een lofzang op het essay sprak op zodanige wijze over een laaglands romandebuut, dat ik het, mijns ondanks, wilde lezen. De bibliotheek bood uitkomst. Na enige tientallen pagina’s snapte ik werkelijk niet wat het essay trachtte te beweren, en sloeg het erop na. Aha. De romanauteur heette dan wel Nina, maar dit bleek een andere.

En zo kwam ik alsnog bij De consequenties van Nina Weijers. Wat een knap boek! De macho in de lezer die ik ben, vond de toon wel wat ouwelijk tegenover de jeugdige leeftijd die deze auteur volgens de achterflap had. Weijers zette ook nadrukkelijk een verteller in, die veel wereldwijsheid debiteerde (mede over zoiets complex als kunstkritiek).

Een rijpe of gerijpte tekst? Anders dan of juist in het verlengde van overwegend introspectief Nederlandse proza? Onderzoekers van een databank weten beter wat de gemiddelden zijn bij man-vrouwverhoudingen en beroepsempathie; daarbij mag misschien verdisconteerd dat experimentele teksten niet mikken op identificatie.

De consequenties deed me denken aan de paar boeken die me van Milan Kundera bekend zijn. Daar moeten lezers verdragen dat de verteller het beter weet en de plot in soms curieuze richtingen stuurt. Destijds had ik er geen problemen mee, en stond versteld van de negatieve kritiek die Vogelaar erop formuleerde.

Dat ik inmiddels meer begrip heb voor Vogelaars standpunt, komt misschien door het andere Nina-debuut. Na De consequenties heb ik de lectuur hervat van We zullen niet te pletter slaan, door Nina Polak. Dit vond ik een groots boek. Polak vertelt vanuit elk personage afzonderlijk, en kan niet uit de voeten met systematiek.

We zullen niet te pletter slaan brengt de taal tot leven. Met metaforen, neologismen (‘thuisheid’), maar ook met muzikale middelen als tempo en ritme. Het boek valt per alinea te genieten, zij het niet snobistisch, maar als uit zichzelf brekende kunst. Op een of andere manier zit er een generatieroman in, temeer daar Polak niet mikt op representatieve objecten.

Weijers kan een smalle uitsparing in een wegdek én in een lichaam binnen een halve pagina een ‘geul’ noemen. Bij Polaks gulzige beschrijvingen lijkt me dat ondenkbaar, wegens de veelkantigheid van ervaringen. De consequenties onderwerpt die dan weer aan analyse, zodat ‘geul’ daar zeker volstaat.

In We zullen niet te pletter slaan wordt het apollinische gedomineerd door het dionysische. Ik besef door de ongeplande vergelijkende lezing dat van dat laatste Nederlandstalige literatuur wel wat kan gebruiken.

Ik moest denken aan nog een essay, ‘Onze cultuur wurgt ons’. Daarin wijst Gerrit Komrij op de schaduwzijden van al dan niet zelffeliciterend kunstgenot. Bijvoorbeeld dat Goebbels die voor het Derde Rijk op cultuur wilde schieten, een westerse traditie hooghield. Uitdagend (in de voorbije betekenis) stelt Komrij dat wiegeliedje en antisemitisch pamflet uit dezelfde bron komen.

Helaas kan Komrij het aan het eind niet laten vrij baan te geven aan zijn schimpscheuten, door officiële beoordelingsorganen van kunst  een ‘bezoldigend bedisselapparaat’ te noemen. Toch is zijn conclusie de moeite van het overdenken waard. Er is smaak, zegt hij, en er is geluk bij afwezigheid daarvan.

Zo voedt We zullen niet te pletter slaan volgens mij De consequenties. Het is goed dat er Nina’s zijn. En je hoeft er de deur niet voor uit. Honkvast als Kant! Over hem is opgemerkt dat hij een dermate verwoed lezer van reisverslagen was, dat Britse gasten na zijn verhalen niet konden geloven dat hij nooit in Londen was geweest.

maandag 2 mei 2016

Tell the world (deel 2, peripetie)


De inkt van mijn vorige posting is als het ware amper droog, of het proces-Hermans wordt in herinnering geroepen! In de NRC stond een ‘onthulling’ dat achter de obscure anti-EU-roman Oneigentijds (2010) van een zekere Vossius niemand minder dan Pepijn van Houwelingen schuilging, medeorganisator van het anti-EU-referendum.

Voor zover ik het vanuit het verre België overzie, sprongen er verontwaardigerds en likkebaarders bovenop. Tot de eerste groep behoorde de complete, nochtans in de ik-vorm schrijvende, ‘redactie’ van de website OpinieZ die in literatuur als vorm van onderzoek ziet, en als voorbeeld dan met Willem Frederik Hermans komt. De redactie citeert uit diens verdediging voor de rechtbank:


‘Aangezien ik in de eerste plaats literator ben, meen ik de literatuur, die mijn levenswijze en levensmogelijkheid is, met alle middelen te moeten beschermen tegen iedere aanslag op haar ontplooiingsmogelijkheden, hoe ook de wetgeving van Nederland moge wezen en hoe ook deze wetten à la rigueur kunnen worden toegepast en uitgelegd. Dat zij door u dusdanig zullen worden toegepast dat er voor de vrijheid van meningsuiting geen voetbreed gronds meer overblijft, ik hoop niet zulks te moeten ondervinden.’


Is het toevallig dat dit het enige fragment uit die rede is dat op internet staat? Hier schakelt Hermans van een technische identificatiekwestie over naar een abstracter, maatschappelijker niveau: de vrijheid van meningsuiting. Gelukkig liet het Sociaal Cultureel Planbureau, de dagelijkse werkgever van Van Houwelingen, in een reactie op de scoop weten dat de onderzoeker kon voortgaan met zijn activisme – geen ebru-emarrerij.

De vraag blijft natuurlijk of het meningsuitingsargument ook plausibel is. Ofwel: kan een auteur in literatuur alles beweren?

Mensen die hier ‘ja’ op antwoorden, is door Van Houwelingen inmiddels een heel rijtje namen met illustere voorgangers gegeven. Daar staan behalve Hermans ook Reve, Céline en De Sade bij, van wie bij mijn weten De Sade martelaarsaura geniet wegens langdurig verblijf in de gevangenis.

Mensen die op de vraag of alles in literatuur gezegd mag worden ‘nee’ antwoorden, kunnen dat ironischerwijs doen op basis van het onderzoeksmotief. In een goed laboratorium heersen immers ethische standaarden.

Geëngageerde literatuur die eruit tevoorschijn komt, hoeft zelfs niet de meest toegankelijke te zijn. In de anthologie Vuur! van A.H.J. Dautzenberg, die een mooi overzicht geeft van twee eeuwen ‘bezieling en betrokkenheid in de Nederlandstalige letteren’, ontbreekt elke wereldverbeterende experimenteel van Vogelaar tot en met Van Bastelaere.

Verontwaardigerds over de scoop zien een gebrek aan manieren bij de NRC. De term ‘karaktermoord’ valt. Of zoals Van Houwelingen het uitdrukt: ‘Van Powned had ik dit misschien verwacht – niet van een “kwaliteitskrant”.’

Ik ben teleurgesteld in dat ‘misschien’ en eveneens in die aanhalingstekens. Maar ze zijn klein bier vergeleken bij OpinieZ die NRC zag terugslaan wegens bedreigingen van een D66-achtig ‘kosmopolitisme’ en bij ThePostOnline die twijfelde aan de verstandelijke vermogens van de hoofdredacteur onder wiens verantwoordelijkheid het artikel verscheen.

Van Houwelingen lijkt vooral ontluisterd door de fysieke handelwijze. Als ik het goed begrijp, stonden de journalisten voor zijn deur. Dat is inderdaad onnozel, en wordt mogelijk gestimuleerd door een andere recente auteurskwestie, die zelfs Teletekst haalde: ‘Wie is Hendrik Groen?’

Bij de Vossius-affaire zijn de belangen groter, gedacht vanuit gemeenschappen die tegenwoordig vanuit het concept natiestaat ter discussie staan. Maar die belangen interfereren hier tragisch met human interest.

Tegelijk dunkt me Van Houwelingens verdediging moeilijk te volgen door zijn grillige niveau van pretentie. Hij noemt Oneigentijds een ‘boekje’ dat hij ‘in een aantal vakantieweken’ maakte. Toch karakteriseert hij de betreffende 220 pagina’s in de zin erna als ‘een filosofisch-literaire dialoog-roman, in de traditie van De Maistre, Maurice Joly, Nietzsche, Gabriele d’Annunzio, Dante, Adorno en Foucault – met een vleugje Malaparte en Norbert Elias’.

Wat is Vossius nu? Een frietenbakker of een driesterrenkok?

Wel vind ik het prachtig dat van Houwelingen in zijn dialoogidee fictie beschouwt als een strijdtoneel van opvattingen, conform de agonistische overtuiging van Chantal Mouffe die politiek hoogstwaarschijnlijk aan de overzijde van het spectrum zal staan.

Ook mooi dat NRC voor een eerste ontrafeling van de romantekst een paginagroot podium biedt, naar aanleiding van een boek bij een weinig verbreide uitgever, in plaats van de reguliere, door de geringe omvang al samenvattende esthetische recensies van voorspelbare titels.

Des te spijtiger lijkt me dat Van Houwelingen een relaps beleeft door louter het technische argument in de strijd te gooien. Net als Hermans stelt hij het veiligheidsslot in werking dat opvattingen van personages niet samenvallen met die van de auteur.

Dat veiligheidsslot respecteert de complexiteit van literatuur. In de stelligheid waarmee elk verband tussen auteur en personage wordt opgezegd, raakt deze opvatting echter alsnog eendimensionaal – en tekent, als gezegd, het morele failliet van kunst.

Wat vervolgens mijn wantrouwen aanwakkert, is dat Van Houwelingen verder gaat. Om het verschil tussen auteur en personages te accentueren, blijkt hij altijd onder pseudoniem te publiceren. Waarna zijn conclusie: ‘Mijn schrijverschap staat volledig los van mijn eigen (al dan niet politieke) opvattingen.’

De toevoeging tussen haakjes maakt de auteur voor mij waarlijk een Comical Ali. Had ik al onthuld dat deze Irakees een typetje van André van Duin is? Het is gafferpielekes altijd hetzelfde liedje.

woensdag 27 april 2016

Tell the world



Als juridische leek zal ik er te simpel tegen aankijken, maar geredeneerd uit mijn literairhistorische kennis zou alles wel eens met een sisser kunnen aflopen. Jan Böhmermann hoeft zich geen zorgen te maken te worden veroordeeld. Hans Teeuwen en Theo Maassen kunnen zelfs rustig slapen. Bij Ebru Umar staat de kwestie me nog niet helemaal helder voor ogen.


Op welke jurisprudentie beroep ik me? In 1951 kreeg Willem Frederik Hermans een proces aan zijn broek omdat hij in zijn roman Ik heb altijd gelijk katholieken zou hebben beledigd. De auteur werd vrijgesproken omdat de tirades kwamen uit de mond van zijn personage. Dat kon niet zomaar gelijkgesteld worden aan zijn schepper. En daartussen zat bovendien een vertellende instantie, die in- en uitzoomde: 


Hij beefde zo sterk in zijn kaken, of zijn wangen bezig waren te bevriezen. Maar hij bewoog zijn kin op en neer en de woorden sprongen over zijn tanden en werden door iedereen verstaan die zich in de gestadig groeiende menigte om hem heen bevond.
‘De katholieken! Dat is het meest schunnige (…) en rotte kiezen van het ouwels vreten!’
Hij wilde lachen maar het leek alsof hij kokhalsde. Niemand is het met mij eens, niemand, niemand. Zij kunnen mij overwinnen, zij kunnen mij vermoorden. Maar ik heb gelijk!

Het vonnis was een triomf voor de autonomie van kunst en een nederlaag voor de maatschappelijke waarde van kunst.

De belediging die Böhmermann zou hebben gericht aan het adres van president Erdogan, heeft technisch een soortgelijk fictief gehalte. Aanstootgevendheid zat in een gedicht dat testmateriaal vormde binnen een gesprek over de juridische status van schimpkritiek.

Dat metabewustzijn raakt nog een tikje verder ingezwachteld door Erdogans aanklacht – en nogmaals door Merkels erkenning daar weer van.

Uit de uitgeschreven tekst van de scène blijkt ten overvloede dat Böhmermann het gewraakte gedicht als illustratie gebruikte in een op zichzelf al geënsceneerd gesprek. Uiteindelijk valt er dus niet anders over te oordelen dan dat het zich op een ander vertelniveau bevindt, met een ander werkelijkheidsgehalte: 

JB: Laten we het eens met erg kort voorbeeld uitleggen. Ik heb een gedicht, dat heet schimpkritiek. [...] Wat nu komt, dat mag men niet doen.
RK: Dat mag men niet doen.
JB: Het zou in Duitsland verboden zijn dat in het openbaar op te voeren.
RK: Dat niet.
JB: Dat niet. Het gedicht heet schimpkritiek.
Sackdoof, feige und verklemmt,
(…)
das ist Recep Erdogan, der türkische Präsident
JB: En dat zou in Duitsland nu mogen....
RK: Vreselijk. [Tegen het publiek:] Niet klappen!
JB: Niet klappen. Dat is me wat. Wat zou er nu kunnen gebeuren?

Hans Teeuwen borduurde vervolgens voort op de seksuele insteek van het gedicht en bedde de ingebedde belediging verder in. Doordat Theo Maassen daar op zijn beurt op reageerde en dat verhaal dus herschrijvend voortvertelde, raakte hij alleen maar verder verwijderd van de belediging.

Waarom hierover gesproken wordt in termen van gewaagdheid, ontgaat me.

Daarbij kan de perverse geslotenheid van het kunstuniversum al worden aangetoond met een termpje als ‘geiteneuker’. Iedereen die het nu gebruikt, kan het verantwoorden als een citaat (uit het oeuvre van Theo van Gogh).

Sterker nog, het liedje ‘Erdowie, Erdowo, Erdowan’ waarmee de confrontaties hun aanvang namen, knipoogt naar Nena’s ‘Irgendwie, Irgendwo, Irgendwann’, maar roept bijvoorbeeld in mij een andere referentie op, ‘Alexandrie Alexandra’ van Claude François.

Om die vroegpostmodernistisch te noemen impasse te doorbreken, zou je nog gaan snakken naar een draconisch proces waarin woorden iets mogen betekenen.

Bij Ebru Umar verkeer ik in twijfel, omdat ik de geplogenheden van Twitter niet ken. Ze plaatste haar krachttermen in eerste instantie richting Turkse president. Toen dit een trending topic werd, kreeg dat de verwijzing @umarebru. Natuurlijk is dat haar twitternaam, maar daarmee treedt, net als bij Hermans, onderscheid op met de mens van vlees en bloed.

Misschien moet die door een apenstaart geflankeerde naam opgevat worden als ‘dubbele punt, aanhalingsteken openen’. Dan lijkt Umar met terugwerkende kracht niet-ontvankelijk voor welke klacht dan ook.

Dat ze gevangen heeft gezeten en vooralsnog Turkije niet kan verlaten, is bitter. Maar dat ze haar eigen personage lijkt geworden, heeft ronduit iets tragisch. Daar is geen gesneer vanuit de ‘policorwatch’ tegen opgewassen.

Of hoeft het paradoxale lot van Hermans niet gedeeld te worden door opinisten?

Vooralsnog moet ik bij al deze teksten denken aan een carnavalsliedje van André van Duin uit de jaren zeventig. Het heet ‘Ta-ta-ta’ en hij schreef het als vervolg op ‘Willempie’, waarover hem was verweten er ‘gehandicapte mensen’ mee te beledigen.

In ‘Ta-ta-ta’ bestaat de tekst louter uit klanken, alsof Van Duin de mogelijkheid wou uitsluiten dat hij nog naar de wereld verwees. Maar in de internationaal begrijpelijke slotzin, die overigens een citaat uit eigen werk was, kon hij het toch niet laten:

I’m invisible
Tell the world you want to know that I’m invisible 


P.S. Uit een interview met Böhmermann blijkt dat hij het gedicht van internet had geplukt. Zijn ingebedde belediging was dus een citaat.

vrijdag 22 april 2016

Een loopje


 

Hoe goed moet een musicus wel niet zijn dat twee mensen een televisieoptreden van hem op honderden kilometers afstand van elkaar hebben gezien, in hun jonge jaren, en twee decennia later, als ze elkaar ontmoeten en het gesprek er toevallig op komt, simultaan lyrisch worden over één pianoloopje van een paar seconden?


Volgens mijn handschrift op mijn cassettebandje speelde de gedenkwaardigheid zich op 9 september 1988 af  in Düsseldorf, maar ze blijkt in Dortmund te hebben plaatsgehad.

Ik vond er in eerste instantie op YouTube niets van terug, behalve een drumsolo van Sheila E., in een arrangement dat laat beseffen hoe dicht Prince aan lag tegen dat andere genie: Frank Zappa (de link zal diens toetsenman George Duke zijn die de percussioniste had opgeleid).

Wel blijkt er zoiets als YouKu te bestaan, een Japans filiaal, en daar is het hele concert terug te zien

Het fragment dat aan mij en tenminste één ander is blijven kleven begint op 93:06. De zanger-gitarist-pianist beweegt zich achter een lichtblauwe vleugel. Dat bewegen mag letterlijk worden genomen, want even later voert hij wat ballet uit en een grand écart.

Ook herinterpreteert hij in dat fragment eigen muziek. Het dienstdoende nummer ‘Strange Relationship’ vond ik zelf althans een minpuntje op Sign O' The Times, te rechttoe, maar nu wordt het echt en denk ik het te begrijpen.

Prince heeft daar trouwens nog het meest weg van Mozart. Cliché!

De huiskamervraag: dat de musicus nogal goed in zijn vak was, lijkt onbetwist. Maar kan een effect als hier vermeld, dat op delen berust, van alle kunsten louter worden voortgebracht door muziek? En hoe komt het dat de herinnering een gevoel van, ahum, dankbaarheid verwekt?

De sensatie iets te hebben meegemaakt?

P.S. Twee stervelingen bleken niet de enigen, et voilà: YouTube (aldaar vanaf 5:47). 

dinsdag 19 april 2016

De kneep zit ’m erin de kluts kwijt te raken zonder aanleiding (Don Quichote)


 

Volgens Mineke Schipper hangt het gevoel voor eigenwaarde in hoge mate af van de ander. Goedkeuring en waardering, bewonderende blikken en complimenten – welkom! Misschien is dat de reden, vervolgt ze, ‘waarom we ons vaak houden aan regels die we niet zelf bedacht hebben en waar we als individu lang niet altijd belang bij hebben’.

Heet zo’n conclusie niet ontnuchterend?

Na zo’n vijftien jaar België en ontelbare glazen daagt me dat een alcoholpercentage anders wordt uitgedrukt dan in Nederland. Hier spreekt men van ‘graden’, in de geboortenatie van ‘procent’. Ook bij wielerreportages waar serieuze cols in betrokken waren, moet ik het lang niet hebben willen weten. Nederland heeft het over het ‘stijgingspercentage’, terwijl dat bijna zeker slaat op een ‘hellingshoek’.

Belangrijker dan het raadsel hoe ik zo lang aan dat taalverschil ben ontsnapt, dunkt mij de vraag of mijn particuliere beleving valt te abstraheren. Dan hoop ik dat het antwoord nee wordt, en ik hum voorbij de anekdote een liedje mee met de trompet.

Hevig rondjes lopend gaat de gourmande rijmen. Onlangs berichtte ze:
 
De scheet was te warm
Toen ging het alarm
 
Het taalkundig genie vertelde dat op het internet een opgestoken middelvinger valt te vinden. En dat deze fuck you betekent. Ik schrok de uitdrukking plots uit haar mond te horen, maar ze zei zelf dat die woorden naar klinken. En was ik in mijn reflex calvinistisch geworden of gewoon roomser dan de paus – die tegenwoordig veeleer communistisch lijkt?

dinsdag 12 april 2016

Is it me you're looking for?


 
Vandaag misschien over achterafvoorspellingen. Er is al even geleden vastgesteld dat John Lennon zeker Twitter zou hebben gebruikt. Onlangs las ik dat Walter Benjamin dat, volgens Grunberg, ook zou hebben gedaan. En blijkt, volgens Tim Parks, dat Giacomo Leopardi een blogger zou zijn geworden.

Nee, dan W.F Hermans. Hij viel bij leven terug in mythische tijden. Dat maak ik op uit onofficiële foto’s van het koninklijk huis die zijn vrijgegeven door Vincent Mentzel. Ik raakte geboeid door een actiefoto uit 1985 van de huidige koning en toenmalige kroonprins terwijl hij De donkere kamer van Damokles leest. Bijna dan, het kan elk moment gebeuren. Met zijn vingers is hij al op de helft van Hermans’ meesterwerk.

Zichtbaar in de eigen, lichte kamer van de prins zijn onder meer woordenboeken van Wolters-Noordhoff voor Nederlands (Koenen) en Engels (Ten Bruggencate). Die hadden wij thuis ook! Maar we hadden geen hond. Als meelezer neemt de hond van Oranje driekwart van Willem Alexanders fauteuil in beslag en heeft zich in de Hoogheid genesteld die op zijn beurt goedmoedig en voorzichtig een flank als leuning gebruikt.

Herman Brood beweerde altijd dat de kroonprins fan van hem was, maar daar biedt deze foto geen bewijs voor. Ik detecteer wel een prentje van een andere zanger (Duran Duran?) en, zeer groot, van Lionel Richie. Hij is zelfs is gekartonneerd. Naast zijn hoofd staat He does it all. Dat dunkt mij een toekomstvoorspelling, zij het over iemand anders.

zondag 10 april 2016

Footloose


Wat een week! Helpt het om te zoeken naar één noemer? Met de Panama Papers openbaarden zich vermogende types die de grenzen van de wettelijkheid hadden laten aftasten. De mannen van GeenPeil richtten een referendum aan over iets wat hun niet interesseert om een grotere gemeenschap te vernaggelen. En de meest gezochte terrorist van de westerse wereld, te herkennen aan een hoedje, zou dat hoedje doodleuk hebben doorverkocht.

Is het verband een zekere mentaliteit? Graag een alternatief voor mijn voorstel: footloose.

Mijn aantekeningen over dat begrip begonnen met een betekenis die aanschurkte tegen wat kosmopolitisch heet: ‘able to travel freely and do as one pleases due to a lack of responsibilities or commitments’. Mijn associatie kwam mede voort uit de voorbeeldzin: ‘I am footloose and fancy-free – I can follow my job wherever it takes me.’

Tegelijk zat in die zin, dankzij een koningskoppel, de titel besloten van een elpee van Rod Stewart uit 1977. Daaruit volgde in mijn brein een uitloper naar lichamelijkheid; het openingsnummer was ‘Hot Legs’. Of kwam die assocatie voort uit informatie over een trend in Amerika? Van Afro-Americans die bewust te veel eten en dik willen zijn, om ook hoogstpersoonlijk afscheid te nemen van de slavernij en welvaart uit te stralen?

Van die trend blijkt trouwens ook een tegendeel te bestaan, orthorexia nervosa, dat noopt tot een antoniem van footloose. Daarin zouden onvrijheid en afhankelijkheid moeten regeren, al kun je je natuurlijk afvragen hoe vrij en onafhankelijk bunkeren is.

Footloose heeft daarnaast een uitloper naar een kunstenaarschap dat zichzelf als antiburgerlijk beschouwt. Ilja Leonard Pfeijffers Brieven uit Genua lijken daar een lange afrekening mee. Het boulimisch ogende boek valt te beschouwen als poging om van een ‘beroepsbohemien’ te veranderen in kwetsbaar persoon die niet per definitie ‘alles in dienst van de kunst’ stelt. In de eerste helft presenteert Pfeijffer zichzelf als iemand met veel ideeën die geen aansluiting vindt bij ‘de praktijk’ van allerminst footloose burgerlijkheid:

vaste werktijden, hypotheeklasten, een gezinsleven, tarieven van energiebedrijven, persoonlijke hygiëne, huisartsenposten, recreatie, verhuizingen, ouderavonden, familiebezoek, halfjaarlijkse controles bij de mondhygiëniste, verzekeringen, belastingaangiften, gesorteerde was, groenten, stofzuigen, kerstversiering, notariële akten, gazonsproeiers, wachttijden voor kinderopvang of bejaardentehuizen, kortingskaarten, afvloeiingsregelingen, pensioengaten, bakfietsen, inentingen, afwas, fruit, inruilwaarde, overwerk, kappersbezoek, wasstraten, bezwaarschriften, verjaardagskalenders en winterschilders

Omdat Pfeijffer steeds aankomt met voorbeelden, krijgt footloose bij hem evenzeer financiële betekenis. Hij noemt een kunstemployé die tot ‘de elite’ gerekend zal worden een virtuoos in het aanboren van fondsen, die hem in staat stellen om twee weken onderhouden te worden en ’s avonds voor te dragen à 5000 tot 8000 euro netto.

Of is dit juist niet footloose en genereert het oertype zelf inkomsten?