zondag 28 juni 2015

Niet leuk

Sinds enige weken is de gourmande dermate overtuigd van haar liefde voor de trompet, dat we haar hebben ingeschreven voor zogeheten initiatielessen. Het is hartverwarmend hoe graag ze wil, maar ook wat vreemd. Haar lippen heeft de gourmande nog niet tegen een mondstuk wagen te zetten. Ook is ze erg jong, zeker voor dit instrument dat het moet hebben van de embouchure. Al haar melktanden zijn in volle glorie aanwezig.
Ik mag haar begeleider worden op gitaar, of als het niet anders kan op piano.
Haar ervaring met blaasinstrumenten beperkt zich tot een geelroze plastic saxofoon in het grootouderlijk huis. Als ze erop blaast, zweven er bellen uit de beker. Tegelijk wekt elk ander instrument haar interesse, tot het moment dat we het als optie noemen. Zo krijgt het wagenpark aan mogelijkheden bij haar principieel de status van uitweiding – het specialisme van Multatuli. Die naam noem ik mede, omdat de meneer heel goed wist wat zijn hoofdlijn was.
De vakterm voor uitweiding is parenthese. Ze komt voor in een gedicht van e.e. cummings. Ooit vertaalde Peter Verstegen dit als ‘haakje sluiten’. Dat trof me met terugwerkende kracht. De enige twijfel die de gourmande namelijk nog even openbaarde, richtte zich op de viool. Maar toen was het ook definitief gedaan. Het werd de trompet. Cornet, in de praktijk. Die beslaat al voldoende van haar lengte.
Inmiddels begrijp ik hoe deze passie heeft kunnen ontstaan. De gourmande heeft haar uit het oude lievelingsboek van haar grote zus: Het rode kippetje door Max Velthuijs. Dat bevat een dierenverhaal getiteld ‘Trompet voor olifant’. Als in meer van Velthuijs’ geweldige teksten staat daarin een conflict centraal, dat wordt beslecht door samenwerking en begrip.
Interessant is de verhouding tussen de partijen, hier een trompettist en – uiteraard – een violist. De violist krokodil noemt zich van nature kunstenaar die zonder muziek niet kan leven. De trompettist olifant begint met zijn instrument pas op latere leeftijd wanneer hij door zijn schuchterheid en wanhoop heen ontdekt heeft dat iedereen kunstenaar is.
Krokodil en Olifant hinderen elkaar bij hun repetities, doordat ze buren zijn. Ze verdragen elkaars herrie niet, of beter: worden erdoor gestoord bij de perfectionering van hun eigen kunstje. Het conflict escaleert als de muur tussen hen letterlijk valt. Eerst pakt de krokodil een ‘pneumatische boormachine’, dan bekroont olifant de woede met ambachtelijke slagen met de hamer.
Twee waarheden botsen tegen elkaar, waarna de werkelijkheid verandert. Heden dringt zich de vergelijking met Griekenland en de EU op. De EU wil Griekenland alleen helpen als het haar voorwaarden aanvaardt. Dan zou het land moeten tekenen voor de realiteit dat een groot deel van die hulp naar schuldeisende Noord-Europese banken gaat. Hoe neoliberaal dat scenario ook is, mij doet het denken aan showprocessen onder Stalin. Op zijn beurt tovert Griekenland het middel van het referendum uit de hoge hoed, om het eigen volk te laten beslissen. Dat staat dan weer haaks op de Europese gedachte waarbij landen een deel van hun zelfstandigheid hebben overgeheveld.
Bij het conflict tussen krokodil en olifant, dat resulteert in de val van een muur, is de gourmande ervan overtuigd dat het eenzijdig de schuld is van de violist. En dat is ‘niet leuk’.
Met die interpretatie lijkt ze in te gaan tegen Velthuijs’ opzet. En eventueel zelfs tegen de cultuurgeschiedenis. De muren rond het plaatsje Jericho gingen immers niet plat door strijkers, maar door koperblazers. Zo schijnt het in de Bijbel te staan; mijn bron is echter, vrees ik, Joni Mitchell uit haar middenperiode.
Kiest de gourmande voor de onschuld? De olifant blijkt over de trompet al in zijn jeugd te hebben gedroomd. En hij is een natuurtalent, een autodidact ook, terwijl krokodil veel moet oefenen om in vorm te blijven. De olifant verandert bovendien van uiterlijk en vereenzelvigt zich met het muzikantentype. Hij draagt een t-shirt met het opschrift Love.
Dus, wat gaat het worden? Bloed, zweet of tranen? Miles Davis, Wynton Marsalis of toch maar gewoon Ornette Coleman?

vrijdag 19 juni 2015

Geen lol te beleven

Heb ik een stand? Ben ik het daaraan verplicht te zeggen wat ik vind?
Wat me aan mezelf opviel, was dat ik het boek snel wilde hebben en lezen. Ondanks het wat snobistische bepaalde lidwoord in de titel: De brieven. Wethouderhekkingachtig viel op het omslag ook te vernemen ‘Samengesteld, ingeleid en geannoteerd door’ enz.
Maar ja, een nieuw boek van Frans Kellendonk is een nieuwe Kellendonk. En het fijne nieuws is dat het, voor mij althans, de scoop van twee vertalingen gaf. Hij heeft Nederlands gemaakt van Bartleby en ‘The idea of order at Key West’ (een lang gedicht van Wallace Stevens).
I would prefer to read it all indeed.
Verder betrapte ik me op de gewaarwording dat Kellendonk mij een aardige man leek. De bundel bevat een acrobatisch lichte liefdesbrief aan Pieter Kottmann, maar misschien had ik mijn gewaarwording uit mijn beroeps-bias, want ik vond het knap hoe Kellendonk als redacteur van De Revisor ultimata-ego’s tegemoet trad.
Vanuit die bias ontwaarde ik dat hij lang maandelijks met zijn uitgever blijkt te hebben gegeten. Wijst dat op een belangrijk auteur of op een slimme baas? Ik ontkom er niet aan in dat kader een streepje te zetten bij de annotatie dat het toenmalige huis ‘op dat moment de meest prestigieuze literaire uitgever in Nederland’ zou zijn geweest. De brieven is de eerste titel die elders verschijnt.
Komt Kellendonk me daarom voor als een schrijver ‘van een uitgestorven ras’? Hij schreef natuurlijk nog met de hand. Toch acht ik hem allerminst geraakt door de pijl van de tijd. Hij brengt hooguit een andere subcultuur aan het licht. Zoals provo’s in de jaren zestig praatten met een bekaktheid die heden uit de mond van corpsstudenten komt.
Mogelijk bedoel ik vooral dat hij me als vakman scrupuleus voorkomt. Schrijver tot aan het eind: ‘Het probleem is dat ik zo duidelijk weet wat ik zeggen wil dat er aan het opschrijven geen lol te beleven valt.’
Was dat het?
Er is opgemerkt dat Kellendonk niks over zijn groeiende katholicisme heeft geuit. Die houding hoort voor mij bij dit schrijverschap, dat eerder gereserveerd uitstort dan biechtend stremt. Daarnaast blijkt Kellendon weinig honkvast geweest, waardoor mededelingen in brieven aan het vaderland meer feitelijk-toeristisch gekleurd raakten.
De opmerking was onderdeel van een fikse kritiek. Bijvoorbeeld dat Kellendonk niets bijzonders meemaakt. Is een auteur dan geen doorsnee mens? En hij werd juist kleinzielig bevonden. Ook het niveau van Kellendonks gedachten viel tegen. Heeft een auteur in vergelijking met de rest van de mensheid dan een bijzondere optiek? Kennelijk, anders zouden er geen opinisten bestaan. Ten slotte zou de stijl minder bijzonder zijn dan Kellendonks boeken lieten verwachten. Maar over wie zegt dat iets? Hoort hier geen onderscheid bij over doel en middelen (een brief als pronkstuk of om informatie over te dragen)?
Enfin, één comment door de medesamensteller volstond om elders te gewagen van een twist. O cultuurindustrie, ook virtueel zingt gij het uit.
Een bijkomende kwestie was of er geen opmerkingen bestonden van Kellendonk over Kees Fens. Ik vond dat een opwindende gedachte. Laatstgenoemd criticus stond op zijn top toen hij zijn weerzin en afscheid van het literaire bedrijf bekendmaakte naar aanleiding van Bouwval. De publiciteit rond Kellendonks debuut, die heden vermoedelijk van een amateurisme getuigen zou, was Fens te hijgerig.
Stel dat het tweetal jarenlang in een briefwisseling had gesoebat, dan had Kellendonk zijn correspondent vanaf de rel rond Mystiek lichaam gelijk kunnen geven! Wel zat Fens in een jury dat dit meesterwerk nomineerde, maar Publiek geheim bekroonde.
Er zou sprake blijven van twee werelden. In zijn knappe lezing Grote God toont Wiel Kusters andermaal dat Fens een gesloten joods-christelijk wereldbeeld meedroeg dat instortte en een subcultuur werd. Kellendonk kende het nog, maar persifleerde uiteindelijk het hemelse Jeruzalem. Als homoseksueel voelde hij zich van continuïteit buitengesloten. Is er eigenlijk veel veranderd, al was het materieel?
Kusters noemt Fens een moderne traditionalist. Is Kellendonk dan een traditionele modernist?
De rel rond Mystiek lichaam was tweevoudig. De beschuldiging van antisemitisme in het boek, gewraakte uitspraken tegen multiculturalisme in een bijbehorend interview.
Aan dat laatste moest ik denken toen we een kinderboek leenden, dertig jaar later verschenen. Het heette Twaalf kleine peuters, wier namen achterin apart werden vermeld en ingekleurd: Britt, Pjotr, Aisha, Mahmud (het taalkundig genie leest hardnekkig ‘Mohammed’), Yentl, Yuk, Chen, Malik, Lars, Kofi, Zyta, Gauri. Geen van die peuters valt uit. Zo blijkt dat Kellendonk zich onnodig zorgen heeft gemaakt.
Verder stuitte ik op een uitspraak van Rushdie: ‘Er is binnenin een leegte waar zich vroeger God bevond’. Wanneer heeft hij dat gezegd? Voor- of nadat Kellendonk zijn these over de seculiere ‘leemte’ lanceerde, waar God best in zou passen? Waar de eerste zich bevrijd achtte, wilde de tweede min of meer terug. Daarom ook zijn pleidooi voor gemeenschap, juist omdat hij het omgaf met intellectueel voorbehoud. Actueel?
Ik delfde Rushdie op uit Van Fatwa tot Jihad door Kenan Malik. Die studie bevat ook een stelling van Monica Ali: ‘Een boek, een beeld of een argument wordt niet zozeer beoordeeld op zijn morele of politieke merites, maar op het gevoel dat ze geven.’ Betekent dit dat analyse verdacht is, of het snuisteren naar context, en misschien ook dat clichés getest worden?
Bij Kellendonk hoef je dan niet alleen te denken aan Mystiek lichaam of aan zijn verdediging ervan in ‘Ons Wilde Westen’, opgenomen in zijn misschien wel geweldigste boek, De veren van de zwaan. Uit de brievenbundel blijkt hij zich vaak te hebben moeten verweren tegen dezelfde pertinente verwijten. Bijvoorbeeld het idee dat hij alles ‘taal’ zou vinden.
Kenan Malik eindigt bij de paradox dat we reacties op wat we zeggen niet kunnen beheersen. Daardoor komt de verantwoordelijkheid voor onze beweringen eveneens bij anderen, zeker wanneer zij interpretaties omzetten in daden.
Maar natuurlijk had ook ik Frans Kellendonk al lang geschapen naar mijn beeld en gelijkenis.

woensdag 10 juni 2015

Laat ons denken aan de vrienden uit holland

Het nodige gelezen en herlezen van Hans Groenewegen. Ook onverwacht. Vlak voor het bericht kwam dat deze essaybundel integraal op het web staat las ik Groenewegens exemplaar van Oneigenlijk gebruik door Geert Buelens, die vol bleek te staan met potloodstreepjes, uitroepen en kanttekeningen. Gratis dus twee ervaringen voor dezelfde prijs.
Op zijn beurt toont Groenewegen twee gezichten. De strepen zijn er duidelijk voor de studie, opdat hij onthoudt en terugvindt. De uitroepen zijn echter vaderlijk. Ik weet toevallig dat hij Buelens hoog had, maar afgaand op deze bundel vond hij dat er nog veel huiswerk te doen viel.
De twee poëziekenners van de Lage Landen hebben altijd de wens getoond zoveel mogelijk nuances in hun stellingen aan te brengen en de praktijk altijd voorrang te verlenen boven de theorie. Dit exemplaar leerde mij dat ze verschillende talen spreken. Uitgerekend de nuances zijn Groenewegen met termen als ‘soms’ en ‘vaak’ een doorn in het oog. Of zouden ze hem zijn voorgekomen als relativeringen?
Veel durf ik niet meer met zekerheid te beweren. Onlangs beaamde ik dat van Barthes’ Plezier van de tekst uitsluitend de politieke kant is benadrukt. Maar het slotessay van Oneigenlijk gebruik bewijst de boudheid van die stelling. Ook ben ik in dat boek een gedicht van mezelf tegengekomen waar een witregel in zat.
Onbetwistbaar is slechts de bladwijzer: dat tijdens Groenewegens lectuur een treinkaartje Rijswijk-Amersfoort 7,80 euro kostte (met reductie).
Al met al een verwarrende toestand. Waar de eerste auteur aan wist bij te dragen, met zijn opmerking dat Marvin Gayes protestsong ‘Inner city blues’ grotendeels uit dah-dah-dah gezang bestaat – klopt werkelijk niet, zelfs als je ‘o’ en ‘no’ meetelt.
Het hebben-we-het-over-hetzelfde-gevoel bekroop me onlangs ook bij een foto van iemand die haar arm liet rusten op de vertaling De blikken trom. Wat had de tijd met mel gedaan?
Ik kreeg dat gevoel nog sterker toen via een databank Hans Groenewegens vele artikelen voor De waarheid op het scherm kwamen. Kan dat: voor een krant in meer dan 1500 woorden strijdbare redenaties opzetten? Het waren nota bene de de-ideologiserende jaren tachtig. Andere tijden.
Anno 1988 interviewde Groenewegen bijvoorbeeld Bram van Ojik, toen kandidaat-voorzitter van de PPR, in een periode dat er sprake was van een links front met PSP en CPN (er wordt geen melding gemaakt van de EVP). Altijd grappig kennis van te nemen, met de wetenschap en de wensen van het heden: ‘Samengaan is niet zo goed, omdat blijkt dat de optelsom van de drie progressieve partijen niet voldoende werfkracht heeft.’
Wie verder teruggaat in de geschiedenis zou evengoed kunnen zeggen dat Hitler maximaal 37% van de stemmen gehaald heeft, minder dan de som van toenmalige linkse partijen. De evenwichtskunst die dat misschien had kunnen oplossen, werd nog langer geleden in de verf gezet door Groenewegens lijfschilder Paul Klee met Seiltänzer (1923), en vervolgens bedicht door Paul Eluard:

Sur la pente fatale, le voyageur profile
De la faveur du jour, verglas et sans cailloux,
Et les yeux bleus d'amour, découvre sa saison
Qui porte à tous les doigts de grands astres en bague.

Sur la plage la mer a laissé ses oreilles
Et le sable creusé la place d'un beau crime.
Le supplice est plus dur aux bourreaux qu'aux victimes
Les couteaux sont des singes et les balles des larmes.

Interessant is dat Van Ojik voor de PPR in 1988, voordat ze wel degelijk opging in GroenLinks, een werkplaatsmodel het beste achtte. Daarbij zou de landelijke factie minder sturend zijn, ten gunste van plaatselijke afdelingen en soms zelfs van individuen. ‘Een voorbeeld is de werkplaats basisinkomen; daar zitten wij in als politieke partij, er zitten vakbonden in en bewegingen van uitkeringsgerechtigden.’
In die zin is het logisch dat Van Ojik dan aan Groenewegen de overtuiging overbrengt ‘dat het soort politieke partij dat alle terreinen wil beslaan zijn invloed gaat verliezen. Op tal van terreinen kom je tot een soort gratuite solidariteit. Daardoor brokkelt het vertrouwen in de politiek af.’
Wegens de machtswissel binnen het huidige GroenLinks is ook de volgende observatie van weleer interessant, al was het voor Jesse Klaver: ‘Je kunt een politieke partij niet verkopen met marketingtechniek en door te kijken en te zeggen: daar ligt een gat in de markt. “De” jongeren en “de” vrouwen bestaan niet. Motieven voor stemgedrag zijn divers. Dus zo werkt het niet. En of je naar de jongeren moet kijken met oog op vernieuwing? Mijn ervaring in actiegroepen voor de Derde Wereld is dat ouderen daar vaak een hele verfrissende bijdrage in hebben. De vredesbeweging wordt voor een belangrijk deel gedragen door oudere vrouwen.’
Tot mijn voldoening heeft Hans Groenewegen voor De waarheid ook over een zekere drank geschreven. Bijvoorbeeld bij een campagne van Solidaridad, met de nogal ondraaglijke titel ‘Zuivere koffie, een kwestie van smaak’. Hoe had het anders gekund?
In Groenewegens spectaculaire poëziecollectie zat De langste adem. Gedichten over geduld en revolutie, een bundel van Dorothee Sölle. Er was helaas geen leesaantekening in te bespeuren, dus plaats ik vandaag die alsnog, in de vorm van een citaat:

laat ons denken aan de vrienden uit holland
toen zij merkten dat de koffie
die wordt ingevoerd uit angola
naar bloed smaakt en naar de napalm
waarmee de frelimo’s worden vermoord
hebben ze een heel volk ertoe gebracht
zulke koffie niet meer te drinken
wat angola is weet nu iedereen daar
het vietnam dat europeanen in afrika maken

Er is vaak beweerd dat Nederland ooit ‘een gidsland’ was, maar hier is daar ook een bewijs voor. Met alles erop en eraan.

dinsdag 2 juni 2015

Haardvriendin

Getuige geweest van een mooie uitvaartdienst, de eerste in een rouwcentrum dat de heiden die ik ben niet deed verlangen naar een kerk. Veel licht en ramen, waardoorheen velden met mogelijk het bordje Scharrel eieren en, iets verder op de achtergrond, het geluidloze schokken van treinen.
Dat uitzicht vond ik troostend. Het was nodig, hoe licht de toespraken ook waren. Heen was gegaan de burgemeester van onze straat. Helaas is het altijd achteraf dat je je, al was het met het oog op de toekomst, afvraagt of er nog veel van zulke mensen bestaan. Iemand die iedereen in elk huis kent en aanspreekt met verhalen zonder begin, die gemeentewerkers feilloos kan wijzen welke leidingen waar onder het trottoir lopen en die de parkeerpolitie immer kan laten aanbellen bij het huis waarvan de bewoner zijn auto al te onmogelijk heeft geparkeerd.
De meisjes waren eveneens onder de indruk. In eerste instantie natuurlijk van al het snoep dat ze gaan missen en de vaste flauwe grap op weg naar school die door herhaling steeds leuker wordt. Ik vermoed ook dat ze even beseften wat vertrouwdheid kan zijn of nabijheid buiten de muren van het ouderlijk huis.
Is het typisch dat ze rangordes maken van vriendinnen, of doen jongens dat ook? Doordesemd met ironie ken ik de term ‘beste vriend’ eigenlijk niet in de 100%-waarde van mannen. In België spreekt men van ‘mijne maat’, maar ik heb nooit begrepen hoe dik het dan aan is. En weliswaar bestaat de zogeheten boezemvriend, maar die is sinds André van Duin en Vanessa van betekenis veranderd en van gedaante.
Meisjes durven misschien gewoon. In If I was your girlfriend stelt Prince zich voor hoe het is om een meisje te zijn. Hij zingt à la falsetto een potentiële geliefde toe met zijn woeligebarenfantasie, waarvoor hij de touwladder al heeft uitgerold: ‘If I was your best friend…’
Dit heeft geloof ik ook te maken met alles van elkaar weten. Want dat zit besloten in een burgemeester van een straat. Het taalkundig genie zegt dat ze haar geheimen niet meer aan mij verklapt, spreekt de laatste tijd wel van haar ‘beste vriendin’ in termen van ‘hartsvriendin’ en vraagt zich ineens af wie van hen na mij het eerst zal overlijden. De gourmande hoort het aan en zegt, op zijn Frank Boeijens, haardvriendin.
Waarschijnlijk voelt het, ‘voor buitenstaanders’, aan als claustrofobisch of zoiets als benepen. Iets gepredestineerds? Vermoedelijk heb ik het zelf ooit ‘burgerlijk’ genoemd. Dat was tot het moment dat ik op een ochtend in mijn appartement in het centrum van Antwerpen, toen fijnstof nog als fijn stof gespeld werd, de bejaarde buurvrouw zag worden weggevoerd. Dood. Haar had ik hooguit driemaal gegroet. Ze had één zoon, en zelfs dat weet ik niet zeker.
Om zulke belachelijke drama’s te voorkomen mag het fenomeen cohousing extra serieus worden genomen, zeg ik inmiddels, als ouder wiens bestaan volledig veranderd is, ook sociaal. (In de buitenlucht fungeren kinderen als honden: ze ontlokken bij passanten gesprekken met hun zogenaamde baasjes.)
Nog even over dat gepredestineerde. Een paar jaar geleden liet Beatrice de Graaf in Zomergasten een fragment zien waarin de beroemde verklaring voor het hoge Puttense dodental in de concentratiekampen aan de orde kwam: een te hoog werkethos, ten koste van de lichamelijke recuperatie.
De Graaf betoonde zich nog steeds boos. Cijfermatig zou dit helemaal niet hebben geklopt en in Putten waren er vele verzetslieden. De verklaring noemde De Graaf een proeve van ‘randstedelijke arrogantie’ (in de vertoonde beelden zat de hypothese dat eenzelfde aantal Amsterdammers in de concentratiekampen minder slachtoffers zou hebben opgeleverd) over ‘domme boertjes’.
Onderhuids speelde volgens haar bovendien een geloofskwestie, die een dichotomie wist te scheppen tussen makke lammetjes en weerbare mensen – de betreffende critici waren niet of nauwelijks protestant. De Graaf noemde hun verklaringen een gevalletje van blaming the victim.
Op een rare manier kreeg deze tweevoudig gepareerde kwestie een metaniveau, toen de presentator bij De Graaf bleef hengelen naar haar geloof. Uiteindelijk beet ze hem toe dat hij evengoed een frame had door zijn afkomst uit Rotterdam, de Randstad dus.
Het had iets onweerstaanbaar grappigs. De briljante jeugdige wetenschapster uit de ommelanden met al haar wereldse kennis die de gelouterde low culture-ambassadeur uit de grote stad terechtwees over zijn ‘dorpse insteek’. Tegelijk was het ongemakkelijk (voor mij als provinciaal) uit een zo geleerde mond, op gegarandeerd docerende wijze, clichés over de Randstad te horen verlaten, met een weerlegging van een stereotype dat zelf ook niet echt vrij was van stereotypering.
Het kan natuurlijk altijd gekruider. Wim Daniëls uit Aarle-Rixtel onthulde dat er in 1960 een boek is verschenen onder de titel De allochtonen in Brabant. De titelhelden bleken geboren te zijn in andere Nederlandse provincies.
Overigens had de burgemeester van onze straat een meer intercontinentale uitstraling. Ik heb de voorbije jaren geregeld aan hem moeten denken: wanneer er weer eens nieuws kwam over scheurtjes in Doel nummer zoveel. Hij heeft die centrale mede helpen bouwen en liet niet na de buurt erover te vertellen. Dat hij, nadat hij op zijn ladder had geluncht uit ‘de vloeibare brooddoos’, van veertig meter hoogte zijn beitel in de reactor had laten kletteren.

maandag 25 mei 2015

Cockless sex

Eerst eventjes alles in volgorde. Presentatrice Sylvana Simons had iets gezegd bij DWDD. Daar schreef televisierecensent Jean-Pierre Geelen een stuk over. En tegen dat stuk is socioloog Merijn Oudenampsen van leer getrokken.
Geelen had pacificerende opmerkingen van Simons ‘voorbeeldig’ genoemd en dat vond Oudenampsen behalve paternalistisch ook racistisch. Schrander en gedecideerd liet hij zien dat de televisierecensent onbehagen aan lagere klassen had uitbesteed. ‘De zaken staan er zo voor in Nederland dat degene die racisme ondervindt, rekening moet houden met de gevoeligheden van degene die racistische taal gebruikt.’ Zo bleef de blanke middenklasse schuldenvrij en fatsoenlijk.
Altijd weer de middenklasse! Boksbal en knuffeldier, de ene keer alomtegenwoordig, de andere keer op haar laatste benen lopend.
Het gaat mij er nu niet om te vragen wie er in opinieland eigenlijk niet bij die blanke middenklasse hoort en waarom deze zich telkens het recht toe-eigent het op te nemen voor mensen die daar niet om vragen, maar dat het trekken van de racismekaart hier de bijna vanzelfsprekende seksisme-optie buiten beschouwing laat.
Er is al – in een opinie – vastgesteld dat racismebeschouwing een niche begint te worden, maar die observatie van Nadia Fadil ging over minderheden als subject.
Waarschijnlijk verbaast me dat achterwege laten van een evidentere diagnose (voor wie de behoefte heeft met grote woorden te zwieren), omdat in mijn huidige studieperiode van de jaren zeventig het verwijt van seksisme frequent gedaan werd. Het was natuurlijk ook het decennium waarin ‘het feminisme’ tot wasdom kwam. Elke tijd zijn eigen fascinaties en stuipen?
Ik vrees dat het mijn manier van proberen is, om begrip te laten doordringen met een blik op de overzijde. Eindelijk kwam Renate Rubinsteins artikelenpamflet Hedendaags feminisme van de plank. Het ventte slim populisme uit dat zichzelf steeds probeert te legitimeren. En dat feminisme in de rug aanvalt, met een woord dat zich ogenschijnlijk op enige afstand ophoudt.
In papieren van de toenmalige PSP had Rubinstein zich gestoten aan het woord ‘solidariteitsbeginsel’, waarna ze uitroept: ‘Hemel, de jaren vijftig, Romme, de paus, wat krijgen we nu?’ Een vervolgstuk geeft die toch wat instinctieve reactie een schier overrationele steun, als Rubinstein solidariteit poogt te deconstrueren. In eerste instantie in de toepassingen:

‘Zionisme, feminisme, blackisme – er zit een element in van wrekende rechtvaardigheid dat ook mij bevalt. Wat mij hindert is de rationalisatie die zich bedient van dezelfde soort redenering (alleen de strekking is omgekeerd) die vroeger tegen de underdog gebruikt werd. In zijn ergste vorm gaat deze redenering nog verder dan het aanwijzen van wie eigenlijk aan wie superieur is. Hiërarchische ongelijkheid sluit immers nog steeds de mogelijkheid van communicatie niet uit.’

Al argumenterend belandt ze bij ‘de Black-Power-ideologie’ die uitwisseling met blanken principieel uitsluit: ‘Emoties en redeneringen zijn incommunicabel omdat de ervaringswereld van de beide rassen zo wezenlijk verschillen dat de kloof onoverbrugbaar is. De omgang tussen de mensen en met de literatuur leert ons dat dit onjuist is.’ Dat ons zalft, al zou het ook bijtend ironisch kunnen wezen..
Rubinstein verdraagt wel een universalistische ideologie uit emancipatoir oogpunt. Maar bij feminisme proeft ze een collectivistische ideologie die in laatste instantie de menselijkheid van de rest van de wereld ontkent. Black power en zionisme vindt ze daarvan een variant, omdat respectievelijk blanken en niet-joden de unieke eigen aard domweg niet zouden kunnen begrijpen. Dit vraagt uiteraard om strijd, niet om overleg. En: ‘Alles jankt om solidariteit’.
Hier neemt volgens Rubinstein een niet-bestaande essentie de overhand: ‘Solidariteit is een begrip dat zich voordoet als liefde maar dat in werkelijkheid gebaseerd is op een opgeblazen eigenbelang.’ Ik vis dat citaat niet uit een blog, maar uit een publicatie van maart 1979.
Naar mijn indruk werd met deze deconstructie het hele feminisme van toen voor Rubinstein bijzaak. Het doet haar niks om oerfeministe Hanneke van Buuren er verschrikkelijk van langs te geven. Waarschijnlijk nog minder als producent van ‘discriminerend braaksel’, dan zonder commentaar haar te citeren als vertaalster van de dichtregel ‘On Saturday I gave myself to cockless sex’ tot ‘Afgelopen zaterdag gaf ik mij over aan niet-hanige sex’.
Het is een raar besef dat pas in de tweede helft van de jaren zeventig het wapenwoord seksisme opdook (net als assertief en trendvolger). Ik vraag me af wat het uitrichtte met fenomenen uit dezelfde tijd, toen Johnny “Guitar” Watson opkwam met de elpee Ain't That A Bitch, waarop nummers als ‘I Want To Ta-Ta You Baby’. Redelijkerwijs zijn daar geen kwalificaties voor; ‘seksistisch’ is maar een klappertjespistool.
Mij had dat toen kunnen treffen, bevroed ik vandaag. Voor de puber-in-opleiding die ik was, belichaamde Lio van ‘Amoureux solitaires’ het archetype van de vrouw: donker haar, bleek en kwijnend. Dat laatste was het belangrijkste. Haar existentiële verdriet zou kunnen worden opgelost door mij. Ik waande me al een ridder (c.q. een blanke opiniemaker avant la lettre), dus het kwam als geroepen dat ze zong ‘La vie est si triste’.
Even archetypisch oogde presentatrice Dieuwertje Blok. Of zij de Sylvana Simons van haar tijd was weet ik niet, wel dat het mij logisch leek dat aan haar een liedje gewijd werd. Het was evengoed artistieke stalking te noemen of, met een term van Mettes, identifixatie. Ook Isabelle Adjani had trekken van mijn oervrouw. Het curieuze is wellicht dat ze mij algemeen geldig leek, terwijl ik tegelijk moet hebben gemeend een strikt persoonlijke smaak te hebben ontwikkeld.
Het complexere individualisme van Renate Rubinstein zal verder hebben gestrekt dan afkeer van feminisme, dat voor haar een onbegrijpelijk mandaat verstrekte om namens een groep allerlei theses te doen die veralgemenisering niet kunnen afschudden. De onmiskenbare scherpte daarvan, die al in ‘seksistisch’ zit, zou Rubinstein wel eens minder hebben kunnen steken, gewend als ze was zelf bliksemoordelen uit te vaardigen.
Het ging er haar om, te allen tijde exclusief voor zichzelf te kunnen spreken. Is dat een manier om aan paternalisme te ontsnappen? Mogelijk. En aan racisme? Nooit.

zondag 17 mei 2015

Eenzijdig nuttig

Voordat het woord ‘gun-kloof’ in mijn leven kwam, had ik kennisgemaakt met ‘botanisch racisme’. De term stond in een samenvatting van een lezing die Jos de Mul had gegeven bij Natuurmonumenten. Hij citeerde er op zijn beurt mee uit Plantaardig. Vegetatieve filosofie van Wouter Oudemans. Deze filosoof schreef dit boek trouwens, volgens de razende postbode die internet heet, samen met zijn student-assistent Norbert Peeters.
Met ‘botanisch racisme’ wordt bedoeld dat exotische natuur in Nederland moet wijken voor inheems bos. Eigen vegetatie eerst! Het klonk bizar. En ook een beetje lachwekkend, toen De Mul die trend veroordeelde omdat ze geen recht zou doen aan ‘het nomadische karakter van planten’. Maar da’s natuurlijk mijn autobiografisch persoonlijke privé-lach, die iets te veel (over) toepassingen heeft gelezen van het nomadisme, van kunst tot levenspolitiek.
De Mul neemt een pragmatisch standpunt over natuur in. Alles verandert constant, er lijkt geen begin, enz. Streven naar behoud is volgens hem dus ondoenbaar. Onder referte naar stadsecoloog Jelle Reumer had hij erbij kunnen vermelden dat in metropolen de natuur evengoed haar eigen gang gaat.
Dat maakt de kwalificatie ‘racisme’ wel niet helemaal volgbaar. Tegen de realiteit van een reeds over generaties heterogeen geraakte samenleving wordt daarmee allerlei sluipend gif ingespoten, waar het ene individu beter tegen bestand is dan het andere. Maar tegen de realiteit van flora blijkt hier een beleid gaande van uitroeien met wortel en tak. Zou de term ‘botanische genocide’ dan gepaster zijn?
Ik voel me hopeloos blank, middleclass en hoogopgeleid.
Met dank aan de biotechnologie meent De Mul dat je beter nieuwe natuur kunt scheppen om huidige problemen het hoofd te bieden. Een bionet of things. Hij gaf er geestige voorbeelden van die, ondanks de verzekering dat er geen sciencefiction in het geding is, iets provocerends hadden. Wat heb je immers aan innovaties, hoe bevorderlijk voor de biodiversiteit ook, indien businessmodellen en vernietiging essentieel voor hun wezen zijn?
Die vraag herinnert me aan vaststellingen die achteraf over Provo van Roel van Duijn gedaan zijn. Dat het veeleer een binnen- dan een buitenpartij was die de stadsvlucht wilde keren, en over ruimtelijke ordening standpunten ventileerde ‘tegen de voortdurende verloedering’ die, zoals Virginie Mamadouh in haar studie De stad in eigen hand liet zien, letterlijk conservatief waren: behoud en reparatie van krotten boven sloop en nieuwbouw.
Als voorafspiegeling van de tegenwoordig vaak gesignaleerde omkering van links en rechts, volgens welke de verdediging van culturele instituties altijd van ‘rechts’ is gekomen terwijl het nu het culturele leven verafschuwt en voorstander is van fundamentele veranderingen, en volgens welke het oude politieke ‘links’ dat doende was universele waarden als rede en vooruitgang af te breken, daarvan nu de verdediging ter hand neemt?
Provo speelde te Amsterdam in de protestjaren, de navel van de wereld. Een voorbeeld van de houding tegenover stadsvernieuwing bood de Nieuwmarktbuurt, waar een metro onder werd gepland. Tegenstanders vonden ideeën over solidariteit binnen de wijk hooguit vaag en romantisch, maar meestal gewoon kneuterig. En oorspronkelijke bewoners, waartoe evengoed bejaarden en grote buitenlandse gezinnen behoorden, voelden zich niet altijd even verbonden met revolutionairen die geen gordijnen hadden en de trap niet schoonmaakten.
De finale veldslagen rond de Nieuwmarkt, ‘tegen in onze ogen fascistische maatregelen’ van de sloop, kregen wel steun van Johnny Kraaijkamp, Willy en Willeke Alberti, Koot en Bie, Adèle Bloemendaal, Piet Römer, Berend Boudewijn, Sonja Barend, Rijk de Gooijer en Peter Schat.
Pas als kabouter lijkt Van Duijn de natuur werkelijk te hebben ontdekt. Hij streefde naar harmonie ermee en wilde, alsnog binnen stedelijke muren, meer groen en hij stimuleerde biowinkels. Toch zijn het veelal hoogopgeleiden die nu in volksbuurten wonen. Niet zozeer door verdrijving – de stadsvlucht is bepalender geweest voor het lot van de eerste bewoners – maar ze hebben wel voor een lage prijs een verdieping of huis kunnen kopen en weten zich verzekerd van een appeltje voor de dorst.
Dat allemaal terzijde. Het ging over ‘botanisch racisme’. Wat me verbaast, is het gemak waarmee ik teksten aanvaard die praktijken onmiddellijk politiseren. Hoe dat? Ooit leek het me van een geweldige moed en dito zelfvertrouwen getuigen om iets ‘racistisch’ of ‘fascistisch’ te noemen, maar simultaan met de Zeggen-waar-het-op-staat-cultuur van internet lijkt er een routinemodel van politieke kritiek ontstaan dat iets luxueus heeft.
Ik besefte dat eens te meer door twee essays afgelopen week. Het ene was van Henri Beunders over ‘politiek correct’. Dat begrip is vaak gepasticheerd maar bleef voor mij wat ondoordringbaar. Omdat Beunders de terugkeer van politieke correctheid aankondigt, schijnt de werkelijkheid deze: er bestaan opnieuw taboes en de smetvrees keerde weder om maar één verkeerd woord te zeggen. Toch dunkt me incorrect zijn door doelbewust te kwetsen geen verdienste. Beunders vervalt bij het schilderen van de voorgeschiedenis, die hij in mei ’68 laat beginnen, in karikaturen. Zijn detail dat op de Universiteit van Colombia het persoonlijk voornaamwoord ‘hir’ circuleert, als samenvoeging van ‘him’ en ‘her’, zal hij vernielzuchtig oplepelen, maar voor mijn beroepsgedeformeerdheid is het een charmante opluchting. Onverlet blijft de schrilheid dat, ‘onder het mom van tolerantie en empathie met minderheden, een vorm van intolerantie’ de dienst uitmaakt. Dat in de spiegel uitgerekend het mombakkes van een dorpspastoor opdoemt, mag een tragedie heten.
Het andere essay stond in nY en ging over Barthes’ Plezier van de Tekst. Die auteur nodigde inderdaad uit tot praatjes over doxa en zo, maar uitte in dit programmatisch stuk ook andere wensen. Zou het een generatiekwestie zijn daar overtuigd naast te kijken? Christophe Van Gerrewey heeft het dan over kunst, maar het onderwerp kan moeiteloos worden uitgebreid naar, inderdaad, natuur of stedenbouw: ‘In een kapitalistische wereld in crisis wordt geen enkele activiteit getolereerd die niet eenzijdig nuttig is en die niet bijdraagt tot vooruitgang en economische welvaart. In de vaak onbewuste en goedbedoelde verwachting dat kunst dit alles bekritiseert, wordt de kunst zelf geïnstrumentaliseerd, of wordt de esthetische ervaring ingezet om overbekende, gemediatiseerde en daarom enkel zogenaamd kritische thema’s opnieuw op een voetstuk te zetten.’
Dan nu een oorverdovende conclusie.

vrijdag 8 mei 2015

En toch

Misschien is het ergste nog de onverschilligheid tegenover motieven. Je principe is te heilig. Zodat je wel moet overgaan tot veroordeling van geweld. Dat gebeurt nogal eens, ook in kringen waartoe je roepingshalve schijnt te behoren. Misschien moet het ook te vaak gebeuren en maakt het moe steeds het debat open in te gaan. Er is voldoende stof in de klassieken om je weigering elegant te legitimeren.
En de aanvechting toch op te staan, en te gaan zitten, enz.
Jens Christian Grøndahl probeert in Rode handen door een reconstructie van één RAF-gewelddaad inzicht te krijgen in wat revolutionairen destijds heeft bewogen. En: hoe er nu voor hen mee om valt te gaan. Duizelingwekkende vragen, alleen al door de voortgang van geplogenheden en denkkaders:

‘Als ik de kranten van toen teruglees, kan ik niet begrijpen dat ik de tijdgenoot van Hans Martin Schleyer en Andreas Baader was (…) De gebeurtenissen aan het eind van de jaren zeventig leken ver en onbegrijpelijk toen we er vijftien jaar later op terugkeken, alsof we zelf die afstand niet hadden afgelegd door het leven dat respectievelijk haar leven en het mijne was geworden. Maar al toen het net was gebeurd, maakte iedere afzonderlijke gebeurtenis in al haar rauwe werkelijkheid de indruk uit een afgrond omhoog te steken. Ik begreep niet hoe mensen die niet zo anders waren dan ik, in staat waren de benodigde koelbloedigheid en wreedheid op te brengen.’

Dit zegt het naamloze mannelijke hoofdpersonage, wegens een toevalsgeschiedenis met ene Sonja die zelf door willekeur kort aan de periferie van de RAF stond. Toch wil zij veel later naar een proces tegen twee mensen die dus eventjes, en zonder dat dit benoemd werd, medestrijders waren. Ze staan terecht voor de moord op een bankbeambte, tijdens zo’n overval die de RAF pleegde om de lopende uitgaven te dekken.
Een van de twee, de vrouw Angela, ontplooit voor de rechtbank nog dezelfde houding en hetzelfde expliciet ideologische taalgebruik. Ze begint een verklaring voor te lezen die weigert de premissen van de bijeenkomst te erkennen. De vragen van de aanklager beantwoordt ze niet en ze leest door. Uiteindelijk wordt ze al tegenstribbelend uit de zaal verwijderd.
Het tafereel wekt bij het publiek lachlust op. Van de familie van het slachtoffer staat vermeld dat ze een ‘onpolitiek verdriet’ vertonen. Angela’s tirade geldt als ‘een nostalgisch citaat, een soort politieke kitsch’. Daarbij de uitleg dat de nazi’s tegen wie zij zich destijds kantte al dood zijn (sic) en dat de argumentatie niet langer in het model van de wereld past dat alles zou moeten verklaren. ‘Je denkt dat je het begrijpt, terwijl Gudrun Ensslin, Andreas Baader en UIrike Meinhof nog steeds onbegrijpelijk zijn. Zijn die misschien nog niet lang genoeg dood?’
Sociologisch worden RAF-strijders geduid als ‘een generatie die als eerste had beleefd dat meer mensen welstand bereikten dan ooit tevoren en toch dachten ze in volle ernst de arbeidsklasse te vertegenwoordigen in haar gewapende opstand tegen het kapitalistische systeem. (…) Het moest allemaal anders en ze begonnen bij zichzelf in een soort ideologisch exorcisme, maar waarom?’
Inderdaad gnuift het van pretentie om met onomfloerste veralgemeniseringen namens anderen te spreken. Steven Pinker signaleerde dan weer een recentere hebbelijkheid van intellectuelen die slang inzetten om de schijn van betweterigheid te vermijden. Voor hem vergelijkbaar met politici, uitkeringsgerechtigden en studenten die onder druk van officiële documenten verheven onnozelheden blijken te openbaren.
En toch. Een documentaire over de Cito-toets deed me van de bank veren. Ik had het al eens gehoord, maar het blijkt geen uitzondering dat aan Hollandse kindjes vanaf twaalf les wordt gegeven in het Engels omdat een ‘zesjescultuur’ niet volstaat. Van mij mogen gestaalde termen dan in hergebruik.
Even grote bibbers bezorgde mij de euroliberale goedkeuring aan initiatieven als Uber wegens innovatie: ‘Je zou het kunnen vergelijken met de strijd tussen de gildes en de massaproducenten die de stoommachine introduceerden in de negentiende eeuw.’
Of dat een ketenboekhandel een lenteactie houdt onder de naam Primaverba, ingeleid door de gedelegeerd bestuurder met de bewering 163.000 boeken in huis te hebben. Te bestellen uiteraard. ‘Ons gespecialiseerde personeel maakt de beste selectie van het moment en zet die mooi in de kijker’.
Zulke onomkeerbare fenomenen doen me geloven dat het niet geheel zinloos is om studie te maken van en lering te trekken uit ‘de jaren zeventig’. Wel ondervind ik zogeheten accentverschuivingen in mijn fascinaties. Sinds ik vader ben, frame ik nevendrama’s, te beginnen bij de RAF.
Ook naar aanleiding van Wer Wenn Nicht Wir, die de historische ontwikkeling tot het geweld uitvouwt en daarbij aandacht heeft voor Ensslins ex-man Bernwart Vesper. Mij gaf deze film de meest ongewenste prikkels bij kind-ouderscènes: als dominee Ensslin zijn dochter moet laten gaan, en als Gudrun per telefoon aan haar ex adviseert hun zoon weg te geven.
Wat was dat toch in de seventies? Guido Ceronetti krijgt in zijn bizarre en aangrijpende boek De stilte van het lichaam (1979) de kieren in zijn studeerkamer niet gedicht. Zodat er fragmenten ontstaan als:

- ‘Gebeurd in Belfast. Het kan zo ver komen dat men uit een rijdende auto op een loslopend meisje van anderhalf schiet, uit algemene politieke haat tegen de bewoners van die wijk. De schutter acht zich vast en zeker een strijder.’
- ‘Een psychiater over Baader-Meinhof: “Zij zoeken hun heil in een paranoïde houding, die hen blind voor de realiteit maakt omdat zij alles om zich heen als smerige manipulatie beschouwen.” Op dit punt zijn zij niet blind, en toch kan de mens het sluimerende kwaad niet zien en tegelijk ontkomen aan de bestraffing, bestaand uit een algehele verblinding en verdwaling, als hij niet een geïnspireerde ziener en vooral een atleet is die het kwaad heeft overwonnen en zich immuun ervoor heeft gemaakt alvorens zich aan het visioen over te geven. Voor Arjuna werkt het visioen van de god onder het aspect van de verschrikking louterend, hij blijft een krijger en rechtvaardig man; voor iemand als Baader betekent het oplichten van een tipje van de sluier een mentale schok.’

En toch. In een glazen bol ziet politicoloog Bart Maddens een breed front ontstaan. Het zou zich gaan verenigen rond twee thema’s: veiligheid en belastingen. Rolluiken neerlaten! Wat er verder waar ook gebeurt, is jouw zaak niet meer. Wegens bemoeizucht?

woensdag 29 april 2015

Iedereen weet dat ik de revolutie wil

Nu de eerste rook is opgetrokken na de bezetting van het Maagdenhuis (historische fase twee, uiteraard), vraag ik me af hoe het komt hoe dat zoiets niet in België gebeurt. In Nederland is het Amsterdamse initiatief, inclusief Nieuwe Universiteit, slechts een startschot geweest. Aan wat studenten daar waren begonnen haakten docenten hun karretje en vervolgens denderde het door andere universiteitssteden. Het protest heeft zich als het ware gedecentraliseerd. Zelfs de minister van Onderwijs heeft dat erkend. Wat wil je ook, wanneer ‘efficiency’ de enige motor van wetenschappelijke vooruitgang moet zijn.
Waarom blijft het in België dan zo stil? De Vlaamse scholierenkoepel, luidt een vers bericht, kreeg een recordaantal vragen over rechten, wegens de sensatie bij jongeren dat ze nog immer niets te zeggen hebben. En dat zou wegebben bij de aanvang van de volwassenheid?
Deze uiteenlopende assertiviteit zou toch niet het stereotype van karakterverschil tussen Nederland en België bevestigen? Ik was juist zo verheugd over een andere tijding. Steeds wanneer ik het internet bijna uit heb, begin ik namelijk graag, bij wijze van gezond chips eten, aan nieuws dat nogal calorierijk is: van het psychologisch doorzicht.
Een eerbiedwaardige Amerikaanse site meldde dat wetenschappelijk onderzoek enige feilen had geconstateerd aan emotionele intelligentie. Er was een morbide, narcistisch trekje bij losgekomen. Machiavellistisch zelfs. Niet zozeer toebehorend aan empathische mensen, als wel aan manipulators.
Een fijne boodschap, vond ik. Het mag zijn dat een hoog IQ niet onophoudelijk de meest prettige, veeleer evengoed narcistische omgeving heeft geschapen. Dat was in de tijd dat socialisme niet gezellig hoefde te zijn. Toen raakten kennis en specifieke vertolking ervan betwist, en kwam er nadruk op emotionele intelligentie. Tot op heden? Het nieuwe paradigma sloeg wat mij betreft door. Het produceerde net iets te veel personages die bij vacatures vlekkeloos voor de dag kwamen bij het onderdeel ‘echte teamplayer’, zonder schaamte voor ‘creatief’, ‘proactief’ en ‘dynamisch’.
Bizar dat ik dit sinds kort, tegen mijn zin, met de historische studentenopstand associeer. In de eerste fase – opa schrijft het jaar 1969 – centraliseerde het protest nog. De eerste bezem door de instituties ging immers in Tilburg , in wat toen even, maar in de geschiedschrijving voor eeuwig, de Karl Marx Universiteit heette.
Onlangs kwam me daarover een reportage onder ogen, door de legendarische journalist Joop van Tijn. Hij was uit de Grachtengordel als 31-jarige voor Vrij Nederland naar de provincie getogen. Met die zin verraad ik meteen mijn gevoel, maar ik kom zo’n beetje uit de streek van Tilburg. Van Tijn schreef in die tijd bijvoorbeeld ook over het Vlaamse wielerleven, wat, toegegeven, knappe details opleverde: een wedstrijd om de beste supporter van Rik van Looy werd gewonnen door degene die al het badwater van de coureur na criteriums had verzameld in plastic limonadeflessen.
Op de bezette universiteit gaat Van Tijn zijn partij van acquit met een ouderpaar dat voor hun revolutiezoon ‘schoon goed’ meegebracht heeft. Dat zet de toon over hoe de journalist de eis van medezeggenschap in zijn eigen markt zet.
Onvermijdelijk passeert het epitheton van het paternalisme: ‘We hebben nu eens niet laten zien hoe goed we als linkse mensen alles weten, maar de mensen zelf laten ontdekken hoe autoriteiten denken en reageren.’ En voor je het goed in de smiezen hebt, heeft Van Tijn de lezer geleid naar een halszaak: ‘de verdere tactiek’. Die term is volgens mij net wat banaler dan ‘strategie’, temeer daar Van Tijn er meteen ‘de contestatie en de confrontatie’ bij zet. Daarmee laat hij zijn reportage ontsporen.
Want er ontstaat natuurlijk ‘discussie’ tussen de actievoerders, met een vileine erlebte rede: ‘moet je de massa manipuleren of niet? Of liever gezegd: ga je dat niet automatisch doen, omdat je niet mag verwachten dat iedereen precies weet waar het over gaat.’
Niet voor niets zet Van Tijn hier een punt in plaats van een vraagteken. Hij is degene die manipuleert. Dus eindigt zijn stuk, over efficiency gesproken, met frasen van derden:

‘Frijns: “Ik snap niet dat linkse mensen altijd weer van zichzelf denken dat ze niet democratisch zijn”.
“Nou Jean”, zegt iemand, “jij bent ook wel eens van het podium afgeroepen. Toen je daar met die toeter stond.”
Jean grijnst: “Ja, ik kan slecht manipuleren. Iedereen weet dat ik de revolutie wil. Dat weten ze als ze me drie minuten horen spreken. Dan kan je toch niet zeggen, dat ik manipuleer? Als ik zég dat ik die revolutie wil”?’

vrijdag 24 april 2015

Zonder papieren alleen maar een mens

De rampen die zich op de Middellandse Zee blijven voltrekken, met vluchtelingen die op bootjes Europa hopen binnen te raken en daarbij eerder de zeebodem zien dan het vasteland, worden op een of andere manier nog steeds gerationaliseerd met niet heel erg smakelijke (BE: ‘problematische’) twijfels over meerwaarde van migranten. Behalve dat nooit iets zeker is, evenmin in ‘de economie’ trouwens, kan de rol van het onverwachte best wat meer in de verf worden gezet.
Zo is dat binnen de grenzen van Europa zelf evengoed gebeurd.
De reputatie van Cadbury is bijvoorbeeld gered door Van Houten. De Engelse firma was eigenlijk voor chocolademelk en raakte aan de grond, tot ze in 1864 naar Hollands inzicht een cacaopers kochten waarmee het poeder van boter te scheiden viel. Geen smaakstoffen meer nodig voor de ‘cocoa essence’! In verpakkingen met de lieflijke landschapjes kon onder de slogan absolutely pure: therefore best de chocolademarkt met succes veroverd worden.
Dit staat in De geest in dit huis is liefderijk van Daniela Hooghiemstra. Zij schildert er het leven van de legendarische onderwijsvernieuwer Kees Boeke, die met zijn ideeën zelfs tot in de Koninklijke familie wist door te dringen, maar net niet helemaal. Het Cadbury-verhaal is in de biografie opgetekend, omdat Boeke getrouwd was met een erfgename van die firma. Het geld dat hieruit vrijkwam, kon Boeke natuurlijk prachtig gebruiken voor zijn idealistische schoolproject in Bilthoven. Maar zo eenvoudig ging dat niet; op geld keek de man neer, net als op paspoorten die voor een universele mens inderdaad wat al te beperkend zijn.
Boeke verkeerde in kringen die hooggestemde projecten van de grond konden krijgen. In Bilthoven woonden wel meer erfgenamen. Ze konden het zich permitteren zich toe te leggen op de geestelijke rijping. Of ze hadden interessante contacten. Bijvoorbeeld met een astroloog die van elk van zijn kippen de horoscoop trok.
Fascinerend is de vrijheid die Boeke aan de kinderscharen wilde brengen. Zelf zat hij in het speciaal ontworpen gebouw in een soort uitkijkpost, met glazen wanden waardoor hij alle lokalen kon observeren. Het doet denken aan Benthams panopticum, zoals in de jaren zeventig terug in de herinnering gebracht door Foucault, maar daarin, in het historische ontwerp bedoel ik, viel de bewaker zelf niet te ontwaren.
Kees Boeke was ook violist. En bij gelegenheid schreef hij een gedicht. Bijvoorbeeld vlak voor het begin van de Tweede Wereldoorlog:

Opent de grenzen, opent ze wijd
Holland sta open voor alles wat lijdt
Zo is het vroeger altijd geweest
Zo is van oudsher de Hollandse geest

Als nu eens Jezus stond aan de grens,
Zonder papieren alleen maar een mens
Zoudt gij hem zeggen: word maar gedood
Gij zijt een vreemd’ling, een vlucht’ling, een jood?

Het is verleidelijk dit heden te lezen als opdracht aan Europa, in het licht van de rampen op de Middellandse Zee. Zo’n parallel geeft een gelijk dat ontkend of bevestigd kan worden.
Geregeld is opgemerkt hoe wanhopig mensen moeten zijn om zich, losgescheurd van familie en vrienden, op zulke gammele bootjes naar een ander werelddeel te begeven. Maar zou je dit tegelijk niet kunnen opvatten als een enorm compliment aan Europa?
Elke schooldag zet de gourmande haar tas in een op borsthoogte gelegen gangetje, legt haar brooddoos (NL: ‘broodtrommel’) in een kist en treedt dan tevoorschijn. Ze staat boven aan een trappetje en laat zich voorover vallen. In het niets. Het is te zeggen, in de armen van haar papa die haar, voor zover dat op de oude dag nog gaat, pirouettegewijs een paar maal in de rondte slingert.
De papa beschouwt dat als een verrukking – haar gilletjes, zijn duizeling. Op sommige dagen is hij bang, doodsbang om precies te zijn, dat hij niet goed oplet. Vooral voelt hij zich bevoorrecht dat iemand hem zo’n vertrouwen schenkt.
Europa zou dat niet mogen beschamen.

woensdag 15 april 2015

Caramels, bonbons en chocola

Lily Tomlin – volgens Wikipedia zowel actrice, comédienne, schrijfster, als producer – schijnt een antwoord te hebben gevonden op de eeuwige vraag waarom taal bestaat. Taal is een uitvinding van de mens, zegt ze, om de vraag naar klagerij te bevredigen.
Mooie stelling, vind ik. Omdat ze meteen en onvermijdelijk inhoudt dat taal in alle opzichten dialogisch is. Er valt niks ‘kwijt te kunnen’ zonder afvalbak. Klagen blijft onvoltooid zolang niet een of andere ontvanger, desnoods doof of met een half oor, er iets van meekrijgt. (De Klaagmuur is een treurige fopspeen.)
Ik ben ook door Tomlins stelling getroffen omdat muziek deel moet uitmaken van haar idee over taal. Klagen is zagen. Nu ik dit opschrijf, wreken zich mijn jaren in België. Als het tenminste een probleem zou zijn onnavolgbaar te worden voor de Nederlandse markt.
Het werkwoord ‘zagen’ is onder de Moerdijk een nogal ongelukkige kruising tussen ‘zeuren’ en ‘zeiken’. De bezigheid wordt dan ook geregeld als zodanig aangeduid. Dat ik er op een of andere manier muziek in hoor, komt vermoedelijk door een liedje uit mijn jeugd. Het blijkt uit 1972 en heette ‘Parole, parole’. De vertolkers zijn Mina & Alberto Lupo.
Het lijkt me uitgesloten dat ik destijds een idee had wat het betekende. Dat is het grootse van muziek, en het nodigt uit, zeker aan kinderen, om fantasiewoorden voor het mysterie in de plaats te schuiven. Aldus was dit lied extra vatbaar voor een parodie, die nog hetzelfde jaar gestalte zou hebben gekregen.
Allemaal wederom Wikipedia-weetjes, waarmee valt op te lepelen dat artiesten als Dalida en Alain Delon zich aan dit liedje hebben vergrepen. Zelf schoot het pas door mijn geheugen wegens een recente kennismaking met de Nederlandse versie. Ze behelst een vertaling, uit 1973 al, door niemand minder dan Cees Nooteboom. Ze was voor Ramses Shaffy en Liesbeth List en heette ‘Gebabbel, gebabbel’. En ook daarvan blijkt er een parodie te bestaan, van Paul de Leeuw en Willeke Alberti.
In het Nederlands is ‘Parole, parole’ een liedje over een afscheid tussen geliefden. De man heeft de vrouw bedrogen en komt daarna ogenschijnlijk om van de spijt. Maar zij vindt hem onoprecht – en hoe meer hij praat, hoe sterker haar overtuiging.
Het liedje moet een remedie tegen slap gelul zijn. Tegen onzin waar veel te veel woorden voor nodig zijn: de paraaf van de leugenaar. ‘Gebabbel, gebabbel, alleen maar gebabbel / en verder hete lucht’. Dateert de spreekwoordelijke ‘gebakken lucht’ uit latere decennia of hebben we hier een noodregering van de metriek?
De grap bij dit liedje is dat de melodie onder deze grimmig te noemen tekst juist van een onbeschofte zorgeloosheid is. Of projecteer ik nu enige slagen in de rondte? ‘Wat neemt iemand waar die de ernst van een melodie gewaarwordt? – Niets wat door weergave van het gehoorde zou kunnen worden meegedeeld.’ (Wittgenstein, Filosofische onderzoekingen)
Maar ook dit wordt in taal beweerd.

maandag 6 april 2015

Een profetische daad?

Aartsbisschop Léonard herinnerde aan het zilveren jubileum van koning Boudewijns daad die eventjes aftrad om geen abortuswet te hoeven ondertekenen. Nog los van de principes die eromheen speelden, was dit nogal een acrobatie. Ze oogde juridisch gegrondvest, maar zelfs dat was vermoedelijk niet het geval. Omdat ze indruiste tegen de soevereine volkwil, waarvan een vorst grosso modo sinds 1789 de spreekbuis is.
Jaap Kruithof heeft destijds de argumenten op een rijtje gezet (opgelijst, heet dat volgens mij officieel in het Vlaams). Hij kwam tot de conclusie: ‘Nette mensen houden niet van knoeien en ze hebben geen ongelijk’.
Ik vroeg me wel af hoe zo’n daad, die wegens het samenspel met de toenmalige regering nog wat complexer was, tegenwoordig, na 25 jaar dus, zou worden gekenschetst. Mijn gevoel is namelijk dat, na de kredietcrisis en de goochemheidjes van bankiers en hun advocaten, het taalrepertoire op het vlak van institutioneel bedrog wat is bijgesteld.
Léonard noemt het anno 2015 ‘een profetische daad’. Maar dat lijkt me wel een heel erg grote dichterlijke vrijheid. Wat dan wel? Ineens wist ik het. Wat koning Boudewijn, op advies kabinetssecretaris en hoogleraar grondwettelijk recht André Alen, op de mat legde, heet nu gewoon: out of the box-denken.
Misschien is de term zo lachwekkend omdat hij een pleonasme is. Denken ontstaat pas in de afstand tussen een ik en zijn object – het is precies die ruimte die moet worden overbrugd. En in die inspanning raakt men eventjes poreus, is men een soort niemand. Aan de eettafel zou mevrouw Husserl niet voor niets aldus haar kinderen hebben gemaand te zwijgen voor haar man-filosoof in volle actie: ‘Ssst, Es denkt’.
Het lachwekkende aan de dikdoenerij rond out of the box-denken zit er dus in dat het een bijzondere kwaliteit zou zijn, terwijl iedereen het kan en wellicht niet anders doet.
De gourmande heeft al laten zien hoe het in zijn werk gaat. Meer dan vier jaar oud is ze, en ze speelt geregeld schaak met haar zus. Wel kent ze de regels nauwelijks. Dit compenseert ze met een razend knappe intuïtie hoe haar positie is. Meestal beroerd. Dan doet ze haar zetten al voorover buigend. Met haar mouw veegt ze telkens per ongeluk heel wat stukken om, die ze vervolgens terug plaatst op gunstiger ogende plekken op het bord.
Zelfs voor de bekende frustratie niet weg te raken achter je eigen pionnen heeft de gourmande een out-of-the-box-oplossing gevonden: ze slaat met het stuk vol aanvallende intenties eerst haar eigen hinderlijke pion.

vrijdag 3 april 2015

Meer Stevaert?

Goed, vogels en bloemen, komt er ergens nog een punt achter? Wat hebben we sinds Witte Donderdag?

1. Aankondiging van een drama.
2. Verslaggeving met pauken van een drama.
3. Ontknoping van een drama.
4. Instantane pogingen tot zelfreflectie over verslaggeving van dat drama
5. Metabeschouwing over pogingen tot zelfreflectie over verslaggeving van dat drama

Vijf bedrijven nu, op Goede Vrijdag. Verder?

Deze uitspraak, voor het terugwerkendekrachtgevoel: ‘Je moet altijd te vroeg weggaan, want anders vertrek je te laat. Omdat je nooit op het moment zelf beseft dat je tijd op is.’ Dit is een beetje in de sfeer van Johan Cruyff, wiens initialen natuurlijk uitstekend dienst doen.

De soundtrack lag min of meer vast. ‘Mache dich, mein Herze, rein.’ Dat komt handig uit, wegens oprecht uitgestoten, zij nogal vies geraakte woorden, waarvan ‘riool’ het meest courante is.

Dit soort overledenen krijgen een rouwregister. Een boek om in te wonen?

Voor de componist zelve is een rituele ruimte ingericht. In het brave Bachmuseum in Leipzig, een uit de kluiten gewassen lifestylehuis, vond ik het meest bijzonder een relict van Anna Magdalena. Dat was een koorzangeres, tevens de vrouw van de componist, die de kopieën van zijn manuscripten schreef. Op de plek waar Johann Sebastian en zij vermoedelijk zijn begraven, zijn wat dingetjes gevonden. Waaronder een vingerhoedje.
De originele manuscripten waren dan weer gering in aantal, omdat inktvraat hen kent. Van de overgebleven vellen vielen me krabbeltjes in de onderhoek op. Dat bleken blijken van ongeduld. Dan had JS zo geïnspireerd en snel geschreven dat de inkt nog niet droog was voor de achterzijde – en wilde hij zijn ideetjes niet verliezen.

‘Het gebaar wordt gemaakt ook als het niet is gemaakt / en is zelfs gedacht een gewelddaad’

Naschriftje
En zelfs naar aanleiding van een voormalig horecaman verflauwt op sociale media niet het verwijt dat het steevast de ander is die ‘toogpraat’ uitslaat, laat staan dat zich het tragische misverstand eens gedeisd weet te houden.

dinsdag 24 maart 2015

Crisispakket

Bij een museum vraag ik waar ‘de garderobe’ is. Men kijkt me beleefd verwilderd aan: ‘Ah, de vestiaire!’ Ja, ik woon al jaren in België. En ik ben een snob. Behalve in de frituur. Daar word ik analfabeet.
Al die sauzen met schier Latijnse namen die er aan plastic uiers lonken! Van Andalouse naar Samoerai over Mamoet tot Tomataise (Joppie lijkt een bastaard). Inmiddels begin ik er een beetje aan te wennen, zonder te hebben geproefd. Maar sinds kort moet ik wederom opnieuw leren lezen. Onze frituur biedt namelijk nu, voor de somma van tien euro, een zogeheten crisispakket.
Om het binnen het werelddeel te houden: dit lijkt niet bedoeld voor Griekenland. Het bestaat uit een superfriet, koude saus uit een uier naar keuze, stoofvleessaus, saté en een curryworst. Vermoedelijk mogen drie personen – veeleer Belgen dan Grieken – er hun buik aan vol eten.
Wat zou de rijkste meneer op aarde op zijn bord hebben? De Hollander in mij ervaart de prijs van het pakket niet als redelijk. Maar hij heeft gezwegen bij het A4’tje dat het, onder het motto NIEUW NIEUW NIEUW, wilde verbreiden. Voor evenveel geld, luidt mijn overtuiging, maak ik iets gezonders. En dat heus niet heel erg onsmakelijk kan zijn.
Dit is de praktijk, niet zoiets als ‘theorie’ die volgens de spellingscontrole ‘Belgisch Nederlands’ behelst. Maar volgens dezelfde bron voor het Engels is dit een correcte zin: ‘Miss steaks aye can knot sea.’
Die steaks duwen me terug in het crisispakket. Een vettige en vleesachtige toestand. Het zal depressies willen troosten? Bloed tegen bloed? Ondanks de opiniepeilende vakliteratuur (‘het aandeel Vlamingen dat dagelijks groenten eet, daalde tussen 2008 en 2013 van 87,5 procent naar 79,3 procent’) blijft het me frapperen dat er in het pakket niks gezonds te bekennen is.
Daar kan niet grappig of meesmuilend over worden gedaan. Of is gezondheid een linkse hobby? Toegegeven, door voorbereidende studie van de jaren zeventig, weet ik dat menig cliché over dat decennium met eten samenhangt: zilvervliesrijst, rietsuiker, onbespoten wortelen, … Maar forget it.
Het crisispakket lebbert aan een doelgroep die over een gering inkomen beschikt en, de correlatie is pijnlijk maar bestaande, een allerminst florissante constitutie. Concreet kan dat, in Europa, een verschil uitmaken van zes (6) jaar tussen rijk en arm. Levensstijl krijgt een zetje van lichaamscultuur.
Verder strekken de correlaties. Wat de frituur als welkom pakket aanbiedt, kan bij structureel gebruik beter de prullenbak in, indien er een piepklein beetje kennis bij mag komen kijken. Maar daarvoor dient in de regel onderwijs, en daar is sociale ongelijkheid ook al groot: zwakke broeders zijn meer dan gemiddeld afkomstig uit kwetsbare klassen. Wel heten ze, met een perverse metafoor, te kunnen bogen op een ‘gezond verstand’ (ontwikkeld op de universiteit van het leven).
Niet dat de rijkste man ter wereld nooit in de Andalouse zal badderen. Hij behoort immers tot de mensensoort.
Voor onbepaalde tijd de koude sauzen toch maar gauw terug in de koeien steken?

dinsdag 17 maart 2015

Epifanie

Mooie titel is dat hier. Over wat het betekent, schreef ik ooit een tekst. Ik wist alleen niet goed wat epifanie was.
Nog niet, eerlijk gezegd. Maar er zijn van die momenten. De overdonderende film Biutiful van Inarritu Bardem eindigt tussen bomen, met een inmiddels gestorven hoofdpersoon en zijn vader. Waarna de aftiteling begint:

A mi hermoso y viejo roble…
Hector Gonzalez Gama
Mi padre


('Voor mijn prachtige oude eik… / Hector Gonzalez Gama / Mijn vader')
Wat het precies met mij gedaan heeft, kan ik niet vertellen omdat ik op datzelfde moment een klap kreeg.
Rationeel valt desgewenst te melden dat het griezelig profetische Wall Street uit 1987 van Oliver Stone ook zo’n slotstrofe herbergt:

Dedicated to Louis Stone
Stockbroker 1910-1985


Da’s ook een vader, volgens de regisseur zelf een ouderwets integere man aan wie hij eerder Salvador opdroeg, en later Nixon zou opdragen.
Van de afdeling beeld snel over naar geluid. Dit vind ik ook nogal aangrijpend, de gourmande zingt het soms:

Helicopter
Helicopter
Mag ik met je mee omhoog
Hoog in de wolken wil ik wezen
Hoog in de wolken wil ik zijn
Helicopter
Helicopter
Vliegen is zo fijn

Op dezelfde melodie bracht het taalkundig genie onlangs:

Astronautje
Astronautje
Mag ik met je mee omhoog
Boven op de maan daar wil ik zweven
Boven op de maan daar wil ik zijn
Austronautje
Austronautje
Zweven is zo fijn

Valt er verder nog wat te zeggen? Laatstgenoemde, betrouwbare bron meldt: ‘De maan schijnt op alle landen behalve aan de omgekeerde wereld.’

zondag 8 maart 2015

Rode draad als ankerpunt

Aan een bureau maak ik weer eens mee hoe een gedrukte tekst in de markt wordt gezet. Het boekje gaat gepaard met een aanbeveling op de linkerbinnenflap (Jef Lambrecht) alwaar ook de sponsor (Itinera), heeft de gewaagde ondertitel (‘essay’) en is gedateerd op deze maand. Het onderwerp is brandend actueel (Syrië-strijders), de titel bestaat uit drie hashtags en de auteur is betrekkelijk jong (en allochtoon).
Eerst het instrument van het interview. In de krant of op het televisiescherm. In het ene medium herhaalt hij in een interview letterlijk passages, in het andere medium heeft hij een voorpublicatie met de meest conflictueuze standpunten uit de tekst.
Of het toeval is, weet ik niet. Maar aan hetzelfde medium gaf Mark Elchardus over hetzelfde onderwerp deze week een interview, waarin hij niemand minder dan Marion van San bijvalt en als linkse intellectueel standpunten huldigt die doen denken aan de paradigmatische shift die Paul Scheffer te Nederland met ‘Het multiculturele drama’ in 2000 forceerde.
Normaliter waren de haantjes van dienst al lang de opinie-arena binnen gestoven. Maar bij mijn weten blijft het oorverdovend stil. Misschien had Elchardus al voldoende verwarring gesticht door lid te worden van de antipopulistische, dus onmogelijk meer exclusief linkse denktank Ceci n'est pas une crise.
Ik betrap mezelf op cynisme. Op mijn bureau ligt een nieuw boek! Leuk, lezen! Eerst maar eens de slotzin: ‘Als alle beleidsniveaus een substantieel antwoord op radicalisering en gewelddadig extremisme uitwerken, en het lokale niveau dat het dichtst bij de burger staat als ankerpunt nemen, dan hebben we de rode draad meteen te pakken.’
Sommige bijvoeglijke naamwoorden zijn kennelijk met zelfstandige naamwoorden vergroeid. Vooral valt me iets op dat ik, naar aanleiding van geschriften door Verhofstadt, fusionbeeldspraak heb genoemd. Meer versteende metaforen bij elkaar, die een krachtdadige indruk wekken.
Maar doe ik met die vakopinie een poging tot lezen? Of wil ik het risico lopen me te laten bedriegen door mijn zintuigen?
Ooit hoorde ik boven in huis een vriendelijke stem die me bekend voorkwam, piekerdepeins – het was Martin Reints! Maar toen ik in de zolderkamer kwam, bleek de radio er te spelen: een oud interview met Pim Fortuyn.
Vandaag nog, op de eerste dag van het jaar die, hoe toepasselijk, al als lente aanvoelt, kreeg ik vanaf een bankje in een speeltuin de indruk dat het taalkundig genie een jurkje aanhad dat geïnspireerd was op Hirsi Ali’s boemerangpropaganda Fitna. Of waren het Hebreeuwse tekens? De zon stond laag. Pas van dichtbij bleek het patroon op de stof plantjes te verbeelden, die iets weg hebben van menora’s en die nota bene vredesboompjes heten.
Kortom, ik moet lezen. Maar ik blader. Er blijken zes à acht soorten strijders: de loser, de hardcore-jihadi, de romanticus, de rebel, het kuddedier, de opportunist, plus soennitisch-Syrische Belgen en Koerdische Belgen. Ik identificeer me telkens enige seconden in de rondte, en val uiteindelijk voor de onbedoelde charme van woorden als ‘jihadelasticiteit’ en ‘radicaliseringsbarometer’.
Weet ik het cynisme nu wel of niet af te schudden? Uit mijn vroege schrijversjaren herinner ik me mijn verontwaardiging dat collega’s uit voorafgaande generaties niet of nauwelijks kennisnamen van verse sterren aan het firmament. Deze auteur (Bilal Benyaich) had mijn zoon kunnen zijn.
Als corrector is mijn schoolmeesterschap bovendien geïnstitutionaliseerd. Ik hoor mezelf voor de zoveelste keer snibben dat er een verschil bestaat tussen ‘zogeheten’ en ‘zogenoemde’ enerzijds, en ‘zogenaamde’ anderzijds. Het eerste geeft de betiteling van iets weer, het tweede ontmaskert het als fake.
Dus wat valt er te begrijpen uit de aanbeveling dat er ‘sterk [moet] worden ingezet’ bij bijna-Syrië-strijders op ‘zogenaamde time-out-projecten’? Wie is er eigenlijk begonnen zijn geloof te verliezen?

zaterdag 28 februari 2015

Die wat zijn ogen zien met zijn handen maken kan

Minister Jet Bussemaker van Onderwijs trekt 75 miljoen euro uit om een paar ambachten voor uitsterven te behoeden: schoenmakers, hoefsmeden, schoenlappers, glazeniers... Grappig. Al deze ambachten zijn gericht op het behoud van producten, terwijl onze economie er juist op gericht is steeds nieuwe aankopen te doen. Een bekende stadsmythe luidt dat producten, met als typevoorbeeld de gloeilamp, er zelfs op zijn gemaakt om sneller te verslijten dan technisch nodig is.
Een schoenmaker verlengt door de reparatie van een zool of hak de levensduur van het kostbare leer dat onze voeten omhult – en waarvoor we, inmiddels alle dagen van de week, ook in zogeheten koopgoten, vervanging kunnen dokken. Hoe ouderwets is dat? Er bestaat in dat kader zelfs een spreekwoord, dat oud-Hollands mag heten: 'Men moet geen oude schoenen wegwerpen voordat men nieuwe heeft.'
Het ambacht van glazenier doet dan weer verwijlen in jarenvijftigfilms, van Bert Haanstra. Toen de eerste uitstervingssymptomen zich aandienden?
De klacht dat mensen hun vak niet meer kennen, zou wel eens bijna zo oud kunnen zijn als de wereld zelf. In de televisieserie ’t Schaep met de vijf poten zong Leen Jongewaard er al uitgebreid over:

Waar vind je tegenwoordig nog een goede timmerman
Die wat zijn ogen zien met zijn handen maken kan
De hele samenleving wordt er zenuwachtig van
Waar vind je tegenwoordig nog een goede timmerman

Zou voor deze kunde de schier Latijnse term 'proletariaat', klasse van bezitlozen, door bezitters zijn bedacht? Om het feit weg te moffelen dat echt handwerk onmisbaar is en daarom peperduur behoort te zijn? Richard Sennett herinnert er in De cultuur van het kapitalisme aan dat juist in lagere regionen de vrijheid toeneemt. Wie naadloos begrijpt en doet wat er van hem verlangd wordt, verliest zijn autonomie, zegt hij. Een bevel van een generaal moet steeds vrijer worden geïnterpreteerd naarmate het daalt in de gelederen. Da’s nog eens een leuke betekenis van de werkvertaling!
De grap is natuurlijk ook dat uitgerekend een ogenschijnlijk geformaliseerde omgeving als de bureaucratie vrijheden kan scheppen voor ambtenaren, wier exegeses van de wet zo machtig kunnen zijn dat de term 'kafkaesk' gratis hun deel werd. In hun relatief lage positie beschikken ze ook over institutionele kennis, waarbij de ervaring heeft geleerd hoe gesmeerd, of juist niet, een organisatie kan lopen. Vakmanschap dus, Sennett noemt het de ethiek van de uitgestelde beloning.
Ik weet niet of handwerk te vergelijken valt met denkwerk. Het Manifest voor een Accelerationistische Politiek onderscheidt namelijk een cognitariaat. Daarin zou individuele creativiteit zitten, die wel slinkt doordat de technologisering en de procedures van de markteconomie hun beslag krijgen, ‘naarmate de algoritmische automatisering zich een weg baant door de sferen van de affectieve en intellectuele arbeid’.
Affectief en intellectueel dunkt me het handwerk bij een slager. Ooit waagde ik te vragen hoe deze er toch altijd weer in slaagt bijna exact de opgegeven zwaarte van een worst af te knijpen. Dat blijkt een kwestie van een vooraf berekend aantal keer rond de hand te wikkelen, met wat speling wegens de specifieke dikte van de dienstdoende worst.
Zelfs hardplastic visitekaartjes die in ruiten gestoken zijn van autoportieren, blijken proeven van bekwaamheid. Ik werd althans voor onnozel en naïef verklaard dat ik niet wist 'dat dieven zo testen of de ramen goed dicht zitten'. Gelukkig hebben wij geen auto. Anderzijds heb ik zo’n kaartje gelezen. Er staat een telefoonnummer op, wat mij voor een dief strategisch niet slim lijkt. Een garage biedt in elk geval aan de desbetreffende auto te kopen, ‘cash, sans contrôle technique ou accidentéé’.
Ik weet het niet. Zou er zoiets bestaan als een arcadische beroepsfantasie? Als ik me probeer voor te stellen dat mijn kinderen ooit iets ernstigs gaan doen, hoop ik dat het 'iets met de handen' wordt. Dat zal uit economische geruststelling zijn (een loodgieter komt altijd van pas), maar ook omdat het me van bepaalde beroepsinvullingen dun door de broek loopt.
Antropoloog David Graeber had het grootste gelijk van de wereld dat bepaalde tijdsbestedingen te gênant voor woorden zijn, omdat de wereld er geen enkel nut van ondervindt: CEO, lobbyist, telemarketeer, enz. Maar goed, wat je kinderen doen (en welke partner ze ooit mee naar huis brengen) is natuurlijk altijd dik in orde.
Ik hoop wel dat minister Bussemaker haar cadeau niet inpakt in termen van bijscholing, wegens lifelong learning. Zoiets geeft meteen problemen bij ervaren en bekwame krachten doordat ze de waarde van dikke woorden sneller in twijfel trekken en omdat hun zinvolle kanttekeningen minder renderen dan die van jongeren die als ze geen zin hebben om te plooien domweg elders hun heil zoeken.
Dit relativeert fameuze competenties als 'ontwikkelingspotentieel', 'gretigheid om te leren', 'multifunctionaliteit', 'kritisch denkvermogen', 'stress- en veranderingsbestendigheid'... Arme spreekwoordelijke teamplayer. Geef hem een hamer, beitel en een leest. En een apero van het huis.

zondag 22 februari 2015

No longer my business

Voor even was het groot nieuws: de open brief van neuroloog-auteur Oliver Sacks waarin hij bekent ongeneeslijk ziek te zijn en uitlegt hoe zijn laatste maanden te willen doorbrengen.
De houding van Sacks tegenover de dood mag waardig en gelaten heten. Misschien behoort het tot westerse geplogenheden dat er pakweg vanaf Socrates naar Bonhoeffer niet alleen immense waardering voor die houding bestaat, maar dat ze ook vanuit binnenuit wil worden belicht. Ditmaal speelt David Hume een belangrijke bijrol. De wens lijkt te weten wat het betekent ‘met opgeheven hoofd’ te verliezen.
Bij dergelijke relazen voel ik me altijd wat dubbelhartig, barbaars. Mij bekruipt ontzag voor de kalmte of expliciete niet-paniek waarmee de dood in het gezicht wordt gekeken. Maar ik kan niet goed tegen alle dankbaarheid (gratitude) die iets anders reëels wegdrukt. Waar is de woede, het verdriet? En de drift om voort te leven, al was het voor dierbaren?
De onvermijdelijke keuzes die op korte termijn moeten worden gemaakt, leveren bij Oliver Sacks een detail op dat mij nog niet heeft losgelaten:

‘I shall no longer pay any attention to politics or arguments about global warming. This is not indifference but detachment — I still care deeply about the Middle East, about global warming, about growing inequality, but these are no longer my business; they belong to the future.’

Wat suggereert zoiets, hoe charmant en elegant geformuleerd ook? Is wat ik dan maar even algemeen ‘engagement’ noem een surplus, een luxeverschijnsel? Valt het pas te ontplooien wanneer je fit bent?
Mij zijn inderdaad personen bekend die fysiek onvermoeibaar zijn, altijd in de weer voor anderen. Daarnaast bestaat er een onvermoeibaarheid uit een terriërachtig gemoed. Vanuit een deplorabele situatie kunnen mensen zeer ver gaan om hun solidariteit te betuigen met de ander, eerst als zwakkere gekenmerkt. Publiekelijk, herhaaldelijk. De ander dient dan als een soort boei, waarop een reddingsfantasie kan worden losgelaten. Steile stijging van het aandeel eigenwaarde!
Of ontgaat mij iets? In het amusante boek Ik lieg, dus ik ben vertelt Stine Jensen over een zogeheten Othello-complex. Dan wordt de waarheid als een leugen opgevat, omdat de spreker zo zichtbaar onder druk staat dat achterdochtige, immer ontmaskerende wijsneuzen er een teken in ontwaren – een pijnlijk gevalletje van miskenning. Kennelijk wordt het risico iemand vals te beschuldigen liever genomen dan zelf te worden misleid.
Wat valt er echt te zien en te weten? Pas onlangs werd me duidelijk dat bij zijn vlucht uit het brandende Troje Aeneas niet alleen zijn vader Anchises op zijn rug droeg, maar aan de hand ook zijn zoontje Ascanius meevoerde. Waarom is het voor mij zo belangrijk dat aan mijn geringe kennis toe te voegen? Sommige recepten werken in hun deconstructie blijkbaar een beetje te makkelijk.
Sacks’ woordje detachment dunkt me subtiel. Is de combinatie engagement-onthechting onmogelijk? Er dringt zich de associatie op met negentiende-eeuwse liefdadigheid, al dan niet uit verveling bedreven.
Beperkingen opleggen, prioriteiten stellen: dat is wat Sacks lijkt te willen doen. Vanuit mijn veilige studeerkamertje ogen het Midden-Oosten, het klimaat en ongelijkheid als hete hangijzers, zo niet intellectuele verplichtingen voor progressieven. Dat Sacks nu toch ‘voor zichzelf kiest’, is dan misschien niet zozeer een schuldbekentenis als wel een vraag om vergeving vooraf (in De sandwich typeerde Van der Heijden een personage uit de jaren zeventig zo, dat deze heimelijk van soul hield.)
Zelfs in het aangezicht van de dood blijkt zich gewicht te doen voelen van wat ooit geweten heette, een externe harde schijf vol vermoedens en projecties. Nu heet dat ding peer pressure. Ineens vraag ik me af of dit inderdaad een morele standaard betreft, of een kadaverdiscipline bij een dagelijkse praktijk?
Het idee dat je openbaar zou moeten verklaren ziek te zijn, valt in dezelfde orde van grootte: antwoord geven voordat de vraag gesteld wordt en zelfs lastig kan raken.

zondag 8 februari 2015

De leugenaar is niet thuis

Vanochtend in de De Zondag antwoordde een politicus op de vraag van de interviewer of een gestelde diagnose niet wat populistisch was: ‘Populair misschien, maar niet populistisch. Toen Galilei zei dat de aarde rond de zon draait, en niet andersom, verweet men hem ook populisme. Hij heeft voet bij stuk gehouden.’
Wat een parallel! Deze politicus heeft vanaf heden mijn eeuwige steun.
Of is dit de bullshit die Harry G. Frankfurt in zijn gelijknamige essay uit 1986 tracht te pletten? De filosoof achtte nep de belangrijkste eigenschap ervan, terwijl hier volgens mij juist oprechtheid in het geding is. Ook het niet-aanhangen van de waarheid noch van de onwaarheid dat Frankfurt in bullshit ergerde, lijkt irrelevant. De spreker oogt buitengewoon overtuigd van zijn gelijk.
Volgens Frankfurt geschiedt het spreken in het algemeen niet altijd met verstand van zaken. Dat is een minder onweerlegbaar punt aan zijn boringen, die overigens – in de beginjaren van de Reagan-regering – de democratie wilden bevorderen. Naar kennis bestaat namelijk minder vraag dan naar mening, laat staan naar samenhang met de werkelijkheid.
Zelf vind ik het van een ongekende schoonheid dat er juist in die werkelijkheid een filosoof op aarde rondloopt die Frankfurt heet. Verdienstelijk dunkt me verder dat in de vertaling de ondertitel van Bullshit, ‘Een traktaat’, op de voorflap is vervangen door: ‘Waarom er zoveel geluld wordt’.
In het blijkbaar noodzakelijk geworden vervolgessay On Truth uit 2006 wordt wel duidelijk wie Frankfurt destijds viseerde: ‘de’ postmodernisten met hun ‘doctrine’. Relativisme tot in de oneindigste graad is hun vaker aangewreven, maar voor een filosoof dunkt me deze generalisatie opmerkelijk. Temeer daar Frankfurt expliciet zijn heil zoekt bij bijvoorbeeld Kant en Spinoza (en Montaigne), terwijl hij geen postmodernist bij naam noemt.
Dat hij deze anything goes-houding tegenover de waarheid ‘endemisch’ noemt en eveneens bij politici en journalisten bespeurt, verbaast dan weer minder. On Bullshit keerde zich tegen het spinnen. Maar ook tegen symptomen van een vroeger decennium, waarin eerlijk zijn tegenover de feiten minder belangrijk zou zijn geweest dan ‘eerlijk zijn tegenover jezelf’. Laks en narcistisch, zegt Frankfurt er ten overvloede bij.
Interessant is dat hij stelt dat beschavingen nooit hebben kunnen functioneren zonder grote hoeveelheden betrouwbare feitelijke informatie – en dat hij bij zijn klachten, anno 2006, al waren de gevolgen nog niet zo voorspelbaar, geen enkele melding maakt van het bestaan van internet.
Zelfs correcte handelingen en het verkrijgen van succes relateert Frankfurt aan relevante informatie. Feiten geven de ware aard van de realiteit weer en ‘vormen de laatste en onaanvechtbare toevlucht van elk onderzoek’.
En hoewel het soms lastig is, vindt Frankfurt het altijd beter feiten onder ogen te zien dan er onkundig van te blijven. Er blijkt namelijk zoiets te rond te darren als zalige onwetendheid en gelukkig bedrog:

‘Wat wij voor realiteit aanzien, is een wereld die anderen niet direct kunnen zien, aanraken of ervaren. Wie in een leugen gelooft, wordt er dus toe gedwongen “in zijn eigen wereld” te leven – een wereld die anderen niet kunnen betreden en waarin zelfs de leugenaar zelf niet huis is. Voor zover hem de waarheid wordt onthouden, wordt het slachtoffer van de leugen afgesloten van de wereld van de gemeenschappelijke ervaring en opgesloten in een illusoire wereld waarheen geen pad leidt dat door anderen kan worden gevonden of gevolgd.’

Thans een poging tot praktische verheldering, tevens update. De gourmande is gespitst op haar naaste omgeving. Zo ziet ze haar zus vaardigheden van lezen en schrijven dermate genotzuchtig oefenen, dat ze zelf nu ook aan het schrijven is geslagen. Daartoe heeft ze een eigen ringband, waarin ze vel na vel volschrijft. Dichtbeschreven regels, soms wat doorhalingen. Het heeft iets van art brut.
Er is eigenlijk maar één probleempje: ze kan nog niet schrijven. Maar op onze vraag wat er in het schrift staat, zegt ze dat ze herinneringen in staan, notities en lijstjes. We hebben een fragment aangewezen om dat toegelicht te krijgen. En inderdaad, er bleek te staan ‘dat de hagelslag op is’.
Ook ziet de gourmande haar ouders helaas wel eens raar doen aan tafel. Dus heeft ze nu haar roze plastic telefoontje in haar zak, en haalt ze dat soms tevoorschijn om tijdens het eten een gesprek met een derde te beginnen, waarbij ze de hoorn professioneel tussen oor en schouder geklemd houdt.
Op de vraag van haar zus wie er aan de lijn is, wil ze slechts na zwaar te overwinnen aarzeling antwoord geven. Waarna zich een eindeloze lijst van ontkenningen ontspint. Met een variant op Jean-Luc Dehaene: ‘Je hoeft een probleem pas uit de weg te gaan, als je het geschapen hebt’. Het blijkt voor de Galilei’s in ons mogelijk in een lastig parket te raken wanneer je dat zelf opricht. Mogelijk komt het doordat ik direct bij de hoofdrolspeelster betrokken ben, maar mij fascineert dit allemaal nogal.
In het fijne boekje Honderd speelteksten: nieuwe speelteksten voor iedereen vanaf 8 jaar van Paul Rooyackers, Bor Rooyackers en Liesbeth Mende staat wat dat betreft een dialoog waarvoor ik, om het populistisch uit te drukken, mijn hele ‘oeuvre’ cadeau zou doen, mocht het mijn idee zijn geweest (niet dat oeuvre, maar die dialoog):

- Ik deed niks. (stilte) Ik heb helemaal niks gedaan. Helemaal niks.
- Wat heb je niet gedaan?
- Ik heb niet je chocola opgegeten.
- Waar is mijn chocola?
- Niet je witte chocola.
- Ik had drie repen.
- Ook niet die met die nootjes.
- En die pure reep?
- Die heb ik zeker niet op.
- Waar zijn die repen dan gebleven?
- Geen idee.
- Vreemd.
- Heel vreemd. (stilte)
- Was het lekker?
- Heerlijk.

zondag 1 februari 2015

Dan is hij weer alleen

Kunstenaar Nikolaas Demoen heeft een filmpje gemaakt onder de titel L’Homme qui marche. Het gaat hier om een plank die met de bovenkant is geschroefd aan een in rubberrepen genaaid stuk piepschuim (Frits zegt: isomo). Op muziek van blazer Joachim Badenhorst loopt dit object door het SMAK in Gent.
Zo trippelt het voorbij objecten van Berlinde De Bruyckere en van Jannis Kounellis. Bij Das Welttheater 79 van Hanne Darboven gaat het planken mannetje bijna in de kunst op, mimicry, omdat voor- en achtergrond een driehoekige vorm gemeen hebben. Curieus te ontdekken en te erkennen dat Demoens creatie feitelijk geen driehoek is. Ze lijkt veeleer op een wasknijper (die slechts door te knijpen vooruitgaat).
Ook is het geen mannetje. Het heeft niet eens een hoofd. Zelfs de titel is niet wat hij is, omdat ze van Alberto Giacometti stamt.
Hallo! Wie wandelt er nu eigenlijk en valt er onderweg iets te zien of te wederzien? Misschien is dat niet de goede vraag. Voor De kunst van het verliezen uit 1980 wist Giacometti dit gedicht te ontlokken aan J. Bernlef:

Hij was er al voorbij
toen iets zijn ooghoek trof
nu keert hij op zijn schreden terug
en ziet maar weet niet wat

Een voorwerp
zonder kant noch wal
een ding maar
zonder naam

Hij bukt zich
bang en blij ineen
maar pakt het niet
hij kijkt zich rijk

Dan is hij weer alleen.


Raar dat de hier beschreven handeling, meer dan twee decennia later, de actualiteit na 9/11 mede is hertekenen. O paranoia met uw zijstraten. O boom, waarachter bosjes vijanden staan. O, alfa die altijd omega moet zijn. Alles confronteert de kijker met zijn hoogstpersoonlijke algemene achterdocht, die ofwel schrander ofwel goedkoop is.
Ooit zag ik op een vrijdagmiddag wegens een of ander koffertje in de stationshal oneindige stromen reizigers langs het spoor van Antwerpen Centraal naar Berchem gaan. Afgelopen week was het raak in station Leiden, wegens een plastic zak.
De vraag die Demoen naar mijn gevoel stelt is of zijn object bijdraagt aan de werkelijkheid door nieuwsgierig te zijn, of interfereert door in de weg te staan.
Wat een geduld zal er ondertussen zijn uitgeoefend om deze film L’Homme qui marche in elkaar te steken! Elke keer moest het object worden gefotografeerd in een andere stand die de volgende beweging belichaamt.
Het object reikt ongeveer tot kniehoogte. Misschien komt het daardoor dat ik aan een peuter moest denken. Temeer daar mij onlangs duidelijk werd dat op ongeveer anderhalfjarige leeftijd het taalvermogen van de mens een tussensprint trekt die verband houdt met een ander schier Bijbels trucje: rechtop staan en beginnen lopen.
De wereld wordt dan wel ineens zeer veel groter. En tast- en hapbaarder. Door spectaculair meer woorden te kennen vallen, dankzij oplettende ouders, de risico’s van het vak dat leven is enigszins in te dammen.
Stills van Demoens object zijn te vinden in het boek In Courtesy of The Unknown . Daarin krijgt volgens mijn laveloos duidende brein de peuter alle ruimte. Het boek bevat quasi-pornografische afbeeldingen. Ze zijn bijgeknipt en laten netto geen daad zien. Demoen heeft er ook geometrische figuren doorheen getekend.
Collages dus, die volgens mijn recentste frame het denken van een peuter tastbaar maken. Deze kleine mens ziet al ongeveer van alles, zonder verband. Hij kan er dus ook al bijna over praten, gewapend met een basale grammatica.
In Courtesy of The Unknown bevat eveneens twee tekstjes van mij. Ze voldoen aan mijn definitie van voltooidheid in de zin dat ik ze niet meer als van mezelf herken. Wel is het me duister of ze proza, poëzie of essay zijn. Hangt mogelijk ook een beetje af van de context.

zondag 25 januari 2015

You say Potato

De Haagse heren Jacobse & Van Es hebben zich met allerlei wijsheden in mijn abominabele geheugen weten te nestelen. Onder meer met de empirisch gestaafde zekerheid ‘dat ‘de Russen’ niet hoeven te komen omdat ze er al lang zijn.
Dit speelt begin jaren tachtig, nog in koudeoorlogstijd. Na de dooi kwamen er nieuwe vijanden en daarnaast is er een economie die haar eigen aangestuurde grillen heeft.
Steeds vaker zijn in onze vaste groothandel voor heerlijkheden schapenkaas en pecorino niet beschikbaar. Navraag leert dat het te maken heeft met lactose-intolerantie, een rond zich heen grijpende kwaal aan de darmen die petomane onhebbelijkheden uitserveren. Door zogeheten harde kazen worden zij min of meer geneutraliseerd.
Deze bruikbare eigenschap blijkt nu doorgedrongen tot een consumentengroep die aan de grote kant is en die steeds vermogender wordt, met alle opkoopmogelijkheden van dien: de Chinezen. Zij hoeven dus ook niet meer te komen. Tot in Den Haag zijn ze er al lang.
We moeten het zoeken in andere producten die zalig en gezond zijn. Het toppunt binnen ons team is dan wel broccoli. Deze groente meen ik te kunnen dateren op na mijn jeugd, waarin de verwante bloemkool alleenheerschappij had. Door het woordbeeld al nascholend te hebben moeten herkennen, heb ik nog altijd moeite met de juiste spelling van broccoli.
Toch had George Bush sr. er al een hekel aan in zijn jeugd, minstens veertig jaar voordien. En deze afkeer is niet uniek, en al helemaal niet bij kinderen, leerde ik uit Frans de Waals Een tijd voor empathie. Trans-Atlantisch geldt broccoli als ‘iets walgelijks’.
Hoe dit op te lossen? Appelmoes erbij? Bisschopswijn? Er stamppot van maken? Bush had een fameus incompetente vicepresident Dan Quayle die ‘potatoe’ op een schoolbord krijtte. Omdat ik die spelling eveneens steevast moet controleren, heb ik een oplossing gevonden. Ik volg gewoon iemand uit hetzelfde bouwjaar en uit dezelfde Noord-Nederlandse gebiedsdelen, die met haar geweldige eenvrouwsband Solex wist: ‘You say Potato, I say Aardappel’.
Het is een pragmatische oplossing, dat wel. Maar voor een stamppot biedt ze uitkomst. Mij is verteld dat Broccoli de roepnaam is van een personage uit het boek Figuranten, wiens echte fictienaam Michaël Eckstein luidt. Da’s schrander bedacht.
De hoeksteen van de samenleving wordt inderdaad gecementeerd met gezond eten. Meer dan ooit zelfs. Nederland is al vergeleken met een clubsandwich omdat boven- en onderkaste elkaar niet raken en er verschillende lagen zijn.
Wat eten we naast stamppot broccoli, nu schapenkaas en pecorino naar de oosterzon vertrokken zijn? Ooit: een balletje gehakt, waarbij de jus stil blijft liggen. Nu: de vleesvanger seitan. Die wordt door de gourmande, nog ver verwijderd van spelling, louter benoemd. Tot satan.
Ik vermoed dat deze op zijn beurt slechts voorbereidselen verricht voor het dessert. Sinds kort houdt de gourmande van sojamelk. Die spreekt ze uit als shoahmelk.