vrijdag 11 juli 2014

Riedeltje


Wow. ‘Van de drie idealen van de Franse revolutie – vrijheid, gelijkheid en broederschap – benadrukken Amerikanen steeds weer het eerste en Europeanen steeds weer het tweede, maar alleen het derde verwijst naar opname in de samenleving, vertrouwen en gemeenschapszin.’ Het citaat zwerft reeds een tijd door mijn gestel, terwijl de brontekst alweer verzonken lijkt. In tegenstelling tot mijn leesaantekeningen.
Frans de Waal begint Een tijd voor empathie met de vaststelling dat wij er nooit zouden zijn geweest wanneer onze voorouders altijd onderling hadden gestreden. Natuurlijke selectie door de eeuwen heen ziet hij plaatsgrijpen op basis van empathie, gelijk oplopend met ouderzorg. Moeders die de nood van hun baby’s negeren, droegen geen genen over. En dieren die er niet om bekendstaan veel rekening te houden met hun soortgenoten, zoals bavianen dat zouden zijn, leven in ‘een aanhoudende angstdroom’. Daartegenover komt De Waal op de proppen met de gelukkigste mensen ter wereld, naar verluidt de Denen, die een ongekend vertrouwen in elkaar hebben. Hun fortuin noemt hij sociaal kapitaal.
Met het idee van bittere concurrentie zijn volgens De Waal vooral economen en politici aan het projecteren geslagen. Hij noemt de verhoogde sterfkans bij partners wier echtgenoot net overleden is. Dat risico duurt een halfjaar en is groter voor mannen dan voor vrouwen – mannen hebben bovendien de genetisch bepaalde eigenschap schadenfreude te beleven bij zichtbare tegenslag van vijanden, die vrouwen nog altijd noopt tot medeleven.
Er blijkt een spreekwoord te bestaan: ‘Als je een “altruïst” krabt, zie je een “hypocriet” bloeden.’ Maar toevallig is het inmiddels niet eenvoudig een huid te penetreren; gekleurde inkten zullen ook een coating zijn, tegen kwetsing en bijgeloof.
Past het reveleren van zo’n citaat bij uitstek op deze plek? Ongewild laat De Waal zien dat de Vlaamse burgermeester die foto’s en aantijgingen jegens ongehoorzame burgers op zijn blog publiceerde, in een traditie werkt die bij Enron grote hoogten bereikte. Dat bedrijf huldigde Milton Friedmans adagium ‘Weinig tendensen kunnen de grondslagen van onze vrije samenleving zo diepgaand ondermijnen als de acceptatie door managers van een sociale verantwoordelijkheid die is gericht op iets anders dan het verdienen van zo veel mogelijk geld voor hui aandeelhouders.’ Er was een beoordelingscommissie die jaarlijks het personeel ijkte op een schaal van 1 tot 5, waarna de slechtsten, zo’n 20 procent, op de website met portret werd vereeuwigd voor ze de laan uit gingen.
Ook binnen de Lage Landen is der burgemeesters handelwijze onbijzonder. Ongeveer dezelfde tijd kwam er boven de grote rivieren soortgelijke reuring toen er veel gelikete digitale verzamelplaatsen werden opgericht als Marokkaanse hoeren, waarop het faciliterende medium zei uit te gaan van een zelfregulerend vermogen bij de gebruikers. ‘Wij bepalen niet wat controversieel is. We zijn jong, zitten in een permanent leerproces. We weten niet onmiddellijk hoe om te gaan met nieuwe fenomenen.’
Een verademing vind ik dat De Waals perceptie van Amerika niet eenduidig negatief is. Hij ziet een reusachtige, nagenoeg ongeletterde onderklasse en erkent dat zwakkeren daar wel meteen erg zwak want amper ondersteund door de dagen moeten, maar ook dat er voor een grote en oprechte motivatie van eender wie beloning volgt. De Waal wijst er fijntjes op dat Europeanen niet alleen standsbewuster zijn, maar zelfs negatieve aanduidingen hebben bedacht voor mensen die opklimmen: nouveau riche, parvenu.
Wellicht slaat hij vervolgens door: ‘De staat is geen speen waaruit je elk moment wat melk kunt knijpen.’ Communistische experimenten, voor zover ze iets opleverden, zouden hebben aangetoond dat er grenzen zijn aan solidariteit: we denken eerst aan onszelf, dan aan de samenleving. Dus toch egoïsme? Nee, De Waal hanteert het perspectief van ‘zelfbeschermend altruïsme’, en vermoedt dat het onderscheid tussen zelfzuchtig en onzelfzuchtig nogal permeabel is.
Mij dunkt dat het bij menselijke activiteiten tenminste de blik van de ander is die meespeelt. Het taalkundig genie danst elke ochtend bijna over de stoep op weg naar de bakker waar ze, ‘net als de groten,’ brood gaat kopen. En de gourmande klimt op een stoel met een ukelele waarvan ze de stemknoppen bevingert en spreekt dan één woord perfect uit: ‘podium’.
Niet alles hoeft meritocratisch te zijn. De Waal wijst er wel op dat Amerikaanse politici in het openbaar opvallend vaak baby’s in de hoogte steken. En hij eindigt het boek toch zo: ‘Je kunt niet verwachten dat er een hoge mate van vertrouwen heerst in een samenleving met enorme inkomensverschillen, enorme onzekerheden en een van haar rechten beroofde onderklasse.’
De aap in ons, een ander De Waal-boek, las ik zeer onlangs. Zo kwam er wel een bepaald riedeltje van deze auteur naar boven. Dacht ik. Cynisch of scherpzinnig of gewoon hooghartig want hypocriet?
Het spreekwoord van het krabben stond er, zonder aanhalingstekens, ook in, en andermaal had ik het genoteerd – alsof het de eerste keer was. Wel situeert De Waal het in de jaren zeventig, het decennium van Dawkins’ The Selfish Gene dat volgens hem toen selectief gelezen werd. Voorbereidend, lijkt me, omgekeerd chronologisch dus, op een wereldbeeld uit wat De Waal de ‘laagjestheorie’ noemt en waarvoor bovengenoemd medium voorbeelden en bewijzen aanlevert: dat een dun laagje beschaving niet helemaal verhult dat wij net als dieren zijn, zonder remmingen, in staat tot wreedheid en moord op de eigen soort. Omdat we minder gewend zijn aan dat junglegevoel dan roofdieren, zou ons temperament zelfs struiser omgaan met het beheersen van extreme omstandigheden.
Maar dat is eigenlijk een verhaal, dat een aparte uitwerking verdient. Los ook van de idealen uit de Franse Revolutie. Dat bloggen, ik vind het maar zwaar. Iets wat ook al zijn onschuld heeft verloren? Soms is het misschien toch wel handig enige chronologie aan te houden. In Taal zonder mij uit 1998 kan Hemmerechts nog ongecompliceerd vertellen dat Herman De Coninck met veel folkloristische pret aan kinderen leert hoe te bidden voor iemand die hij zomers in Oostduinkerke in een tegenoverliggend appartement ziet, ‘bisschop Roger’.
Moge in elk geval broederschap de tand des tijds doorstaan.

zondag 29 juni 2014

Gelijkenis


Er is destijds stennis gekomen van de suggestie dat de kindercrèchemoordenaar Kim van G. – of beter: de enige foto die van hem rouleerde – veel weghad van dichter Jotie ’t Hooft. Misschien werkt het zo dat wanneer zo’n overeenkomst iemand begint te frapperen, al het verschil opgeslorpt wordt.
Maar ook toen al dacht ik: wat moet ik daar eigenlijk van vinden? Heb ik daar een mening over? Herkenbaar was een schrijver-columnist als Martin Bril voor mij nauwelijks, behalve met één, voor vak niet geringe bekentenis: dat hij niet graag een opinie had, omdat hij de redenering ernaartoe niet kon onthouden.
Verder herinner ik me dat na het overlijden van Jacques Vergès, advocaat van de duivel, als veelbetekenend detail werd opgevoerd dat hij het loodje had gelegd in de kamer waar Voltaire ooit het tijdelijke met het eeuwige verwisselde.
Wat moest ik daar dan weer uit begrijpen? Een gevalletje van misstop ofwel ‘beschermende onnozelheid’, zoals dat in Orwell 1984 heet? ‘Misstop betekent het vermogen om plotseling, als het ware instinctief halt te houden voor de drempel van elke gevaarlijke gedachte. Het omvat het vermogen om aan analogieën voorbij te zien, om denkfouten niet op te merken, om de eenvoudigste argumenten verkeerd te begrijpen zo zij vijandig zijn aan Engsoc [de ideologie van de heersende, geschiedenisherschrijvende partij, MK] en om te worden verveeld of afgestoten door elke gedachtegang, die een ketterse richting zou kunnen uitgaan.'
Vanavond bij Nederland-Mexico ging ik alsnog voor de bijl met mijn gelijkeniservaring, toen Klaas-Jan Huntelaar het veld in kwam. Voor het eerst deze WK, na een teleurstellend want door blessures geteisterd seizoen. Hij had een ander, wuft kapsel dan dat mij van hem bekend was, en ineens viel mij op dat zijn tanden lichtjes naar achteren staan.
Die combinatie was voldoende om gefixeerd te raken. En pas nadat zijn adrenaline, na die fantastisch brutaal ingeschoten strafschop, met een karatetrap de cornervlag deed zwiepen, wist ik het: ‘Boys Keep Swinging’, waarin de microfoonstandaard zelden rechtop staat.
En waarin de zanger, wiens tanden achterwaarts hellen, dat kuifje in de coiffure heeft en door de clip heen andere gezichten toont.
Dat gaat nog wat worden voor Oranje, met op de reservebank de immer tevreden David Bowie. Als geen ander heeft hij laten zien in verschillende systemen te kunnen renderen.

dinsdag 24 juni 2014

Jan Starink (1927-2014)


Eerlijk gezegd dacht ik dat hij het eeuwige leven had. Maar gedachten schijnen vroeg of laat een prooi van de werkelijkheid te worden.
Jan Starink werd geboren op 12 juni 1927 in Den Haag, werkte als leraar Nederlands in Tilburg, woonde sinds 1964 in Hilversum en was hoofd van de afdeling Cultuur KRO radio. Op 29 september 1969 had hij zijn oud-leerling Ruth Sabatier herontmoet, met wie hij op 27 juli 1977 trouwde. Sindsdien noemde ze zich Gertrude Starink.
Deze gegevens kopieer ik uit Proces verbaal, een studie die Jan Starink aan de poëzie van zijn geliefde heeft gewijd. Het is een bizar leerzaam document, waarin hij zelf in de derde persoon voorkomt. Het gaat over gedichten, over tekenen, over vertalen, over lezen, uitgeven, over bronnen en interpreteren – maar misschien vooral over een type samenwerking tussen twee mensen waarvoor ik het verpulverde woord ‘creatief’ in zijn oorspronkelijke betekenis zou durven te reserveren.
Vrucht van die samenwerking is bijvoorbeeld Het Leven en de Opvattingen van de Heer Tristram Shandy, de vertaling die het tweetal in 1990 publiceerde van Laurence Sternes onvertaalbare antiroman.
Het was toen al eventjes geleden dat Jan Starink zijn debuut had gemaakt. Dat was met De Katholieke roman: bijdragen tot zijn geschiedenis. Over dat proefschrift uit 1952 deed hij geloof ik nogal ironisch.
Ik ben daar niet zeker van, omdat ik Jan Starink maar een handjevol keer heb gesproken en gezien. Een zeldzaam heldere man, onderhoudend en hoffelijk. Ik had hem gecontacteerd om een programma te maken over een van de grootste Nederlandse dichters van de twintigste eeuw, Gertrude Starink.
De aanloop en het evenement zelf liepen anders dan ik had gehoopt, maar het publiek vond het aardig en Jan Starink beweerde bij hoog en laag dat hij het gewaardeerd had. En zo goed als hij bij de KRO programma’s had voorbereid, was natuurlijk ook onmogelijk. Toen was er tijd (en geld en hij had ideeën).
Dus beroep ik me voor informatie over Jan Starink maar op zijn eigen doorwrochte tekst

Sinds hij op te jeugdige leeftijd in het Oude Testament iets intrigerends over Jozef en de vrouw van Potifar had gelezen, was hij Egypte-hobbyist. Hij grasduinde in Gardiners Egyptian Grammar en droeg als merkteken van een verloren geliefde een scarabee aan zijn ringvinger. Op 7 maart 1970 zat Gertrude op haar studentenkamer een brief te schrijven aan deze man aan wie ze “zeven jaar tevoren haar ziel en zaligheid had verpand”, zoals ze in 1994 schreef in een autobio-tekst. Aangezien ze hem na de herontmoeting “Seti I” was gaan noemen, tekende ze zijn portret in faraogedaante ter verluchting van die brief. Tegelijkertijd viel haar het volgende tekstje in dat ze in één moeite door met dezelfde stift in haar schetsblok noteerde:

ik heb het koren nog gezien
en ook de koning die sindsdien
de barre woestenij regeert

ik heb hem distels aangeboden
en de graven van mijn dode
jongelingen gesigneerd


Dode jongelingen? Vanmiddag, vlak voordat het verdrietige bericht tot mij kwam, heb ik in een boek van Frans de Waal kennisgemaakt met het fenomeen infanticide.
Sinds ik weet dat Jan Starink overleden is, bekruipt me de overtuiging dat ik iets erg lekkers moet gaan eten en drinken. Maar wat? De begeleidende muziek zou naar mijn gevoel wel makkelijk op te snorren zijn. Het is de slotsong van dat programma, dat nu toch nog integraal en helder kan klinken, voor wie dat zou willen: Corinne Bailey Rae, ‘I Would Like To Call It Beauty’.

vrijdag 20 juni 2014

Debuut


Het principe won van het zakelijk belang. Dat was het idee van de opzegging door cultuurhuis KVS van een mediapartnerschap met De Morgen wegens racisme. Er viel immense aandacht, bijval én tegenkanting bij te ontwaren. Maar ook het zich aan weerszijden dieper ingraven in een eigen waarheid. Wat is het vooruitzicht?
Om die onmogelijke vraag te beantwoorden schreef ik op m’n oude dag een heus opiniestuk. Vanaf heden kan mijn ongeloof in de opinist dus in mijn gezicht worden uitgesmeerd. Maar omdat dit ter plekke technisch onmogelijk is, zal het desgewenst hier moeten gebeuren.
Wegens de gevoeligheid van de materie lijkt het me sowieso netjes ergens een ventiel aan te brengen. Al is die beeldspraak wat versteend. Nu ja, ooit schijnt een interne memo bij de ChristenUnie aldus zijn gegaan: ‘Uitrollen doen we met tapijt, niet met beleid.’

Update, 21 juni: Vandaag publiceert De Standaard een opiniestuk van een brede groep wetenschappers en artiesten die, de KVS steunend, hun verontwaardiging uitspreken over de banalisering van racisme. De tekst wordt gesierd door een afbeelding van Marouane Fellaini Bakkioui, die op de WK afgelopen week de winnende goal scoorde voor de Rode Duivels tegen Algerije.
De tekst vind ik een sympathiek initiatief, dat de kwestie echter naar een abstracter niveau trekt. Zo kan het in de verklaring en handeling van de KVS alle aporieën wegwuiven, die een licht werpen op minder eensluidende reacties. Op zo’n abstract niveau bestaan slechts evidenties, waartegen kritische bedenkingen pervers zouden zijn. De daartoe benodigde constructie van ‘machtsbastions’, bestaande uit ‘een deel van het Vlaamse establishment’, ‘zelfverklaarde progressieven’ en ‘gevestigde waarden’ die zelfs tegen deze ethische basishouding vijandig zouden staan, getuigt van Calimero-gedrag.
En vermoedelijk zullen beide ‘partijen’ in de concrete reacties ter overzijde de bevestiging zien van hun gelijk. Netto resultaat: selffulfilling prophecy.

dinsdag 10 juni 2014

Mit Grausen


Dat Feyenoord hofleverancier van het Nederlands elftal is, ontging louter misschien Amsterdammers. Helemaal imponeert dat bijna de helft van de selectie op dezelfde Rotterdamse middelbare school heeft gezeten. Daar is dus geen team voor daklozen uit voortgekomen.
Bij die mannen klopt een resem aan etnische achtergronden in de borst, waarmee uiteraard een internationale trend wordt gevolgd. Uit een schitterende documentaire over zijn eerste regeerperiode bleek dat Van Gaal voor de teamgeest van zijn selectie verlangde het volkslied mee te zingen, maar dat lijkt nu werkelijk raar. Zoals de voertaal bij de Rode Duivels evengoed Engels kan zijn. In dat opzicht is de FIFA-slogan ‘ALL IN ONE RHYTHM™’, waarin menig cliché over gastland Brazilië is vervat, wel goochem. Temeer daar de hoofdsponsor niet heeft gekozen voor one global brand, maar vele merken met eigen associaties op de markt gezet heeft.
Die posthomogeniteit, waardoor in de voorbeschouwingen als sterspeler van Duitsland geregeld de naam van Mesut Özil valt, is fenomenaal in het licht van de Nederlandse wereldgeschiedenis ter zake, met de oeroorlog van 1974 – van Jongbloed tot Bonhof.
Berti Vogts, beter bekend als De Man Die Johan Cruyff Toen Vloerde, bleek weinig later voor zijn afscheidswedstrijd aanspraak te hebben gemaakt op de recette en op de huur van het stadion. Hiermee ging de gemeente Mönchengladbach niet akkoord, wat Bild tot deze redenatie verleidde: ‘Wenn er den Ball links oder rechts schlug – haben Sie da an SPD, FDP oder CDU gedacht? Sicher nicht. Aber Berti denkt jetzt an SPD- und FDP-Ratsherren seiner Stadt. Mit Grausen. (...) Weil Berti sich immer zur CDU bekannt hat.’
Mij kwam dit onder ogen bij Günter Wallraff, die niet vermeldt dat Cruyff de opbrengst van zijn benefietwedstrijd aan het Kankerfonds schonk. Wel snap ik sinds kort de gevoeligheid van Vogts afscheid. Zijn club Borussia Mönchengladbach bleek in die jaren de linkse tegenpool van Bayern. Dat zei Gerhard Vinnai, in een terugblik op zijn Fußballsport als Ideologie uit 1970. In dat boek valt te lezen dat Uwe Seeler, voor kiezers ook wel ‘Uwe’, door de socialistische partij werd uitgespeeld als troef.
Bij Voetbalsport als ideologie voelt de auteur, een sociaal-psycholoog, zich vier decennia na dato wat ongemakkelijk. Volgens de inleiding blijkt het spelletje bepaalde affecten te vieren en andere te onderdrukken. Als massa-evenement zou het in hooggeïndustrialiseerde en laatkapitalistische landen gedrag sturen en, sterker dan in de Derde Wereld kan, solidariteit tegengaan: ‘Wat gescoord wordt in de wedstrijd gaat bij de onderdrukten in eigen doel’. Eerst zou voetbal agressiviteit kanaliseren, opgewekt door systematische uitbuiting. Daarom is een ‘cultuurrevolutionaire communicatiestrategie’ nodig.
Om te beginnen stelt Vinnai vast dat voetbal de kapitalistische verhoudingen stabiliseert. Hij bewijst dat met een jargon dat vertrouwd aandoet: ‘werken aan de conditie’, ‘werken met de bal’, ‘spelersmateriaal’. Het zou de band met arbeidsprestaties verdoezelen (en met militaire technologie), zodat winst het oogmerk is van alle activiteiten. Wie dan de ‘vorm’ niet heeft, wordt uit de wedstrijd gehaald, geofferd aan het collectief.
Spelers hebben geen notie van de onvrijheid en het systeem waarin ze opereren. Bij ‘techniek’ snappen ze niet dat hun motoriek doelgerichtheid van het menselijk lichaam aanduidt. Vinnai noemt in dat kader het taylorisme, dat arbeidsbewegingen heeft gerationaliseerd om het rendement te verhogen. Als gewenning optreedt met de maximale capaciteit, wordt het lichaam een automaat dat de tactiek kan uitvoeren.
Historisch blijkt voetbal fysiek steeds sneller te gaan, wat automatismen vereist. Volgens Vinnai worden spelers ‘geprogrammeerd’ om voor situaties vaste oplossingen te geven, volgens een trainersboek ‘antwoordformules die in het zenuwstelsel zijn verankerd’. Die onderwerpingen zouden toeschouwers evengoed uit hun eigen vertechniseerde arbeid kennen. Gemeenschappelijke idolen veroorzaken een supporterslegioen, ‘een surrogaat voor de kameraadschap die uit de spontaniteit van autonome individuen ontstaat en die aan de mensen wordt ontzegd’.
Door identificatie met macht en heerlijkheid van een collectief is er eventjes geen narcistische krenking. Terug komt het zelfrespect waarvan men continu wordt beroofd. Een wedstrijd deblokkeert periodiek frustraties en agressie door ‘affectontlasting’ zonder dat dit sociale structuren vernietigt. Haatexplosies richten zich op vreemde teams of hun fans.
Overigens zegt Vinnai dat ‘beherrsschen’ geen equivalent heeft voor het andere geslacht: ‘befrauen’ bestaat niet. Het zijn bij voetbal dan ook de spieren die worden gestaald, plus het incasseringsvermogen bij grove charges. Hij meldt dat de belangstelling voor voetbal bij de man taant na het huwelijk (en dat baron Pierre de Coubertin, ideoloog van de Olympische Spelen volgens wie meedoen belangrijker zou zijn dan winnen, een overtuigd militarist was).
In dit arbeidsproces is de werkman een levenloos aanhangsel van de machinerie. Historisch blijkt de dribble teruggedrongen, als te individualistisch of autonoom. Vinnai ontwaart voor de verhoudingen binnen het laatkapitalisme dan ook een opgelegde regressie. Afwijkingen van de discipline worden niet getolereerd. De speler moet opdrachten uitvoeren. Ruimtelijk wordt zijn actieradius begrensd binnen de elftalstructuur. Vinnai signaleert de psycholoog annex ‘zenuwarts’ bij sportprocessen. Deze kent het privéleven van de spelers, de thuissituatie en levenswandel, om te kunnen taxeren hoe reacties, gevoelens en hartstochten zijn.
Achterhaald lijkt dan weer Vinnais overtuiging dat, door de wijde mediale verbreiding van profvoetbal, het minder perfecte spel van amateurs geen interesse opwekt. Ik zou menen dat het onvolmaakte, onder het mom van authenticiteit, terug in de picture staat, desnoods voor een reality show.
De slotconclusie moet zijn: ‘Onder regie van een organiserende bureaucratie zorgt de sport net als de overige manifestaties van de cultuurindustrie voor de identificatie van de mensen met de bestaande normen en de verhoudingen die daarachter schuilen. Niet-aangepast gedrag is uit den boze op het sportveld, waar men tot in de meest subtiele psychische roerselen wordt opgevoed tot conformisme. Wat na de vernietiging van de utopische en kritische momenten overblijft van wat eens ideologie was, is (…) slechts het model van een gedrag dat zich voegt naar de overmacht der omstandigheden.’
Achteraf vindt Vinnai zijn bevindingen te recht in de leer, in het spoor van sportfilosofie à la Adorno die natuurlijk nooit een balletje had getrapt. Mij valt op dat ondanks de disciplineringsprocessen juist voetbalsterren, uit alle milieus, larger than life geworden zijn, zodat clubs en coaches in hun dienst lijken.
Vinnai’s hedendaagse evenknie René van der Gijp zou smakelijk om Fußballsport als Ideologie kunnen lachen. Maar juist door hun onversnedenheid ontroeren de stellingnames, een requiem voor een bepaald denken. Ironisch genoeg moet er een markt voor zijn geweest. Na twee jaar verscheen er al een vertaling door Peter Kaaij bij Meulenhoff.
Het was ook in 1972 dat Cruyff een betaalde voetbalclub vergeleek met ‘een soort toneelgezelschap in de (semi-)vrije sector, waarbij de leden van het gezelschap evenveel risico lopen als hun leiders’. Hij waarschuwde dat goede spelers vertrekken uit Nederland, omdat elders het belastingklimaat gunstiger was. ‘Dat dus de passieve recreatie in het gedrang komt. Ik dacht dat de overheid, die wel dure orkesten en toneelgezelschappen op de been houdt, aan dit probleem aandacht moet besteden.’
Toen moest de Amsterdamse heiland Feyenoord nog gaan verlichten.

maandag 2 juni 2014

Witte olifanten (in gele truien)


Het bericht vandaag dat koning Juan Carlos terugtreed, deed me beseffen dat ik niet wist dat de man nog leefde. Even later schoten me redelijk recente jachtfoto’s te binnen waarop hij stond afgebeeld met een verslagen olifant. Ik had me bezondigd aan een uitdrukking die me prompt werd geleerd: het negeren van de (witte) olifant in de kamer.
Vrij zeker is dat de koning op de troon kwam na het terugtreden van Franco. Aan het pijnlijke proces dat daaraan voorafging, heb ik wel een herinnering. Om precies te zijn refereert Duco Hellema in Nederland en de jaren zeventig aan de toespraak van Den Uyl bij een demonstratie in december 1975 te Utrecht, met megafoon op een auto, tegen het Franco-regime: ‘dat liggen in de zon aan de Costa Brava verraad is’.
Een fraai staaltje van wat ik nu als links populisme zou betitelen. In genoemd decennium bestond vooral – vermoed ik, het onderzoek moet nog worden gedaan – rechts populisme. Zoals van liberaal Hans Wiegel, in 1971 als ‘hyperintelligente boer Koekoek’ geïnstalleerd om ‘in te spelen op onbewuste emoties’ van potentiële kiezers, en wiens zekerheden over steunfraude en over socialist Den Uyl die Sinterklaas was, gretig aftrek vonden.
De grootste populist van die tijd ontwaart Hellema echter in de figuur van Dries van Agt, die als katholiek destijds echter de kerk in het midden heette te houden en heden opgeschoven is in de richting van Den Uyl. Waar geen hond meer weet dat zijn Ethisch Reveil uit 1977 zich kantte tegen ‘de morele verwording van Nederland’, is in het nationale geheugen opgenomen dat Van Agt het ene toneelstuk na het andere opvoerde over zijn liefde voor de fiets, die hem zelfs op het podium bij Joop Zoetemelk bracht toen deze de Tour won.
Inmiddels moet ik echter ook denken aan een liefde voor de fiets die destijds uitgesproken werd in de talkshow van Sonja Barend. Daar werd een maniakale cyclist live door zijn vrouw voor de keuze gesteld: zij in zijn bed of zijn racefiets.
Helaas koos hij goudeerlijk (maar weinig complimenteus voor de vrouw).
Men projecteert in de verontwaardiging over vanzelfsprekendheden van fatsoen en recht wat af, maar was die keus onaannemelijk of utopisch? Sinds vandaag moet ik het antwoord schuldig blijven. Dat komt niet, met alle respect voor zijn jachtgeweer, door Juan Carlos, maar door een jarenoud bericht uit Schotland dat ineens tot de populairste posts behoort op de onvolprezen website van de BBC: er was een van onder ontklede meneer in een hotelbed aangetroffen in compromitterende activiteiten met een rijwiel.
O tijd dat Luis Ocana nog probleemloos van Merckx en Zoetemelk won (mocht hij niet zijn gevallen).

maandag 26 mei 2014

Wat een mooie kajuit


Toen verkiezingen nog geen moeder hadden, schreef Hans Groenewegen een essay naar aanleiding van een ruzie. Punt van geschil was of je door poëzie op jezelf te betrekken, geschiedenis mag instrumentaliseren voor je eigen beperkte doelstellingen. Mij fascineerde Groenewegens zijdelingse constatering dat hij bij een verwant verhit gesprek plots vloeiend Duits was gaan spreken. En dat hij het internaliseren van andere problematieken verwoord zag in een gedicht uit Circulaire systemen: ‘Men roert de eigen roersels op / met een betrekkingswaan.’
De bundel is van de hand van Paul Bogaert en vormt voor mij nog altijd het hoogtepunt van zijn werk. Maar ik ben niet vergeten wat Groenewegen uit het specifieke gedicht begreep: dat je geen poëzie kunt lezen zonder betrekkingswaan. Over het onbepaald lidwoord dat Bogaert in het citaat daarbij invoegt, heeft mijn brein overigens nog geen uitsluitsel gegeven.
Misschien staat Groenewegens overtuiging me ook bij omdat ze bij voorbaat vrijpleit van interpretaties waar de honden geen brood van lusten. Bijvoorbeeld over een gedicht uit Bogaerts recentste bundel Ons verlangen. Het staat ook op de achterflap:

Is dat wel iets

Hij smijt haar op het bed, dat moet,
die coltrui moet uit,
de rest ook, een scheur is niet erg, hij moet snel
met zijn huid
op haar huid gaan liggen; zij is onderkoeld.

Of dat wel iets voor mij is? Natuurlijk.
Als het lukt met die poriën, dan is zij gered!

Ik ben oud genoeg; ik weet
tot welke combinaties deze context leidt.
Ze zweet en ze hoest en ze moet hem nu voelen.
De oranje-bruine kajuit – wat een mooie kajuit – is een kajuit
rond een rat. Voor het leven.


Zonder enig verwijl transporteerde dit gedicht mij naar een scène uit de televisieserie Hollands Glorie uit 1976. Ze ging tussen Hugo Metsers en Josine van Dalsum en wist mijn toenmalige verwarring, aangericht door een misschien wat premature lezing van Turks fruit, op te stuwen tot een hoger stadium – van de visualisering.
Zoals ik het me herinner was op volle zee Josine van Dalsum uit het water opgepikt. Ze was bewusteloos en moest volgens de bemanning onmiddellijk terug op temperatuur worden gebracht. Daartoe werd ze helemaal uitgekleed en op een tafel gelegd. Zeeman Metsers ontdeed zich voor de goede zaak eveneens van zijn plunje en ging op haar liggen. De opwarming duurde een tijdje en toen kwam Van Dalsum bij en keken de twee elkaar aan, in schaamte.
Achteraf valt me natuurlijk op dat deze scène de enige is die me van de televisieserie is bijgebleven. Ik weet verder dat Rudi Falkenhagen ook aan het drama meedeed, maar dat kon ook moeilijk anders: hij was in die tijd niet van het scherm weg te slaan, zoals Metsers en iemand als Peter Faber (en later Derek de Lint) in elke Nederlandse speelfilm opdoken. Wat dat betreft zorgt bij mijn weten alleen Jan Decleir nog voor historische continuïteit.
Maar goed, de leeservaring. Ik besef dat ik al enige jaren materiaal vergaar over ‘de jaren zeventig’. Toch lukt het me zelfs met die wetenschap van vooringenomenheid niet om Bogaerts gedicht te ontknopen uit Hollands Glorie. Ik kan er veeleer tekstuele details mee verbinden. Zoals de oranje-bruine kajuit, een kleurcombinatie die bijna archetypisch is geworden voor ‘de jaren zeventig’.
Bizar bij mijn betrekkingsgewaande Bogaert-interpretatie is bovendien dat het gedicht op de pagina erna, identiek getiteld, doodleuk op het uitgezette spoor verdergaat:

Is dat wel iets

‘Een man heeft een vrouw – wat een storm, zeg –
uit het water gevist
en nu vaart het bloot hier onze living binnen
zoals een groep met handopsteking en groepsdruk
zichzelf tot complete stilte kan dwingen.

Niet dat het stil is.
Over het gedaver van de onderdekse motor
hebben ze Bilitis-muziek gesmeerd.

“Is dat wel iets voor jou?”
Ik herhaal het niet. Ik kan hem niet
extra winteruren blijven breien.

Ik zal dit moment vergeten.
Hij zal, als alles ontgrendeld is, dit decennium
verlaten
, verhuizen, met deze pullover aan
ervaren hoe log een matras wel kan zijn.’


De cursivering is van mij en de Bilitis-muziek is uit hetzelfde jaar 1976.
Kan ik mijn betrekkingswaan blussen? Bijvoorbeeld door vast te stellen dat Paul Bogaert geen weet kan hebben gehad van Hollands Glorie? Oei, hij is zowat van mijn leeftijd en kan bij het zien van naakte lijven ook zonder Turks fruit iets hebben vermoed ‘tot welke combinaties deze context leidt’. Bovendien wil de geschiedschrijving dat in de jaren zeventig Nederlandse zenders dermate interessant waren dat Vlamingen erop afstemden.
Warum müssen sich ein paar Leute mit diesen Pelzen schmücken? Met Hans Groenewegen kan ik er geen ruzie meer over maken (hoewel zijn initialen dezelfde zijn als die van Hollands Glorie).

vrijdag 23 mei 2014

Vogelperspectief


Nu ga ik een verhaal vertellen dat, blijkt na wat surfwerk achteraf, vaak is verteld. Waarom is me dat ontgaan? Het feit dat we omringd zijn geraakt door informatie, omsingeld of gewurgd, kan niet anders dan ruis hebben meegezogen. Wat dan? In Zingen is geluk introduceert Barber van de Pol het begrip ‘fonofilie’, liefde voor geluiden, en dat lijkt een overlevingsstrategie.
Twee andere manieren om met prikkels om te gaan worden, naar we vermoeden, weleens gedemonstreerd door de gourmande: het opzetten van een filosofische blik (met in haar hand de draad van een jojo die op de grond rust) of het trappelen (terwijl ze de handvatten van het springtouw tegen elkaar tikt en er dan mee zwaait).
Maar goed, hier volgt het verhaal.
Onlangs kreeg het taalkundig genie een kluit deeg. Hij heette Herman en hij wou vriendschapskoek worden. Niet niks, maar er zaten instructies bij. Daaruit bleek dat hij traag groeit, op kamertemperatuur, maar door zuurdesem niet kan bederven.
Het ouderhart klopte bij het zien hoe het taalkundig genie Herman over de voorgeschreven periode van tien dagen verzorgde, met roersessies en toevoeging van eenvoudige ingrediënten.
Uiteindelijk aten we Herman met het hele team lekker op, bij de koffie. Een uitspraak over die drank kan trouwens nog een overlevingsstrategie aan het oppervlak brengen: ‘An American version of an Italian evolution of a beverage invented by Arabs brewed from a bean discovered by Africans’. Het draait uiteraard om het overzicht en het historisch perspectief dat er heus niet zelfgenoegzaam uit spreekt.
Een stap verder ging Sir Ken Robinson, die eens een blijkbaar bekende karakteristiek van zijn landgenoten citeerde, de Englishman: ‘Naar huis rijden in een Duitse auto, even stoppen om Belgisch bier en Turkse kebab te kopen of een Indiase afhaalmaaltijd, om de avond daarna door te brengen op Zweeds meubilair en naar Amerikaanse programma’s te kijken op een Japanse tv.’ De noviteit schuilde in een extraatje, dat zelfkritiek behelsde over de ultieme Britse identiteit: ‘Alles wantrouwen dat uit het buitenland komt.’
In de redenatie als geheel gebruikt Robinson het wapen van de paradox, die zowel wijs als grappig als een beetje vermoeiend is. Dat begreep ik althans uit het wedervaren van Herman.
Feitelijk hebben we hem namelijk niet helemaal gegeten, maar voor een vijfde, wat al veel was. De crux was dat het taalkundig genie, vóór afwerking in de oven, vier Hermannetjes in hun deegstadium moest wegschenken.
Een echte daad dus, die liberaal (investeren) en socialistisch (delen) valt te interpreteren. Of religieus, met dank aan een wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging? Zuurdesem heeft van oudsher bijzondere connotaties. Waarschijnlijk in het verlengde daarvan moet ik denken aan een andere Herman, die in zijn meest autobiografische nummer ‘Blue’ vertelde dat hij een wanderer was.
Hoe kijken we, als vogel, vis of mol? Misschien is het in de informatiestroom een basisreflex van de westerse cultuur geworden dat reacties per definitie wisselend zijn, maar het viel op dat de bestemmelingen van de vriendschapskoek, en hun ouders die het voorbeeld schijnen te moeten geven, niet bijster enthousiast de kluit in ontvangst namen. Ik zou kunnen gissen naar de redenen, maar dat zijn mijn zaken niet.
Zelfkritiek, meen ik te hebben begrepen van Robinson, kan niet van anderen komen. Wel ontspringt er dan een conflict met daden van geëngageerde mensen, die nooit aflaten om anderen op hun tekortkomingen te wijzen. De eeuwige wedervraag aan hen luidt vervolgens: en jijzelf dan?
Daarom was een interview met babyboomer Joni Mitchell over babyboomers misschien ook zo groots, ze ‘zag het rond zich gebeuren’.
Alleen al voor haar zou iedereen fonofilie mogen ontwikkelen.
Rijmt het met mijn ethiek dat ik me niet wil afvragen waarom er Hermannetjes feitelijk worden uitgesloten? Door de rouw bij de gedachte dat er linea recta in vuilnisbakken zijn beland? Maar ook daar kunnen Hermannetjes voer zijn.

woensdag 30 april 2014

Elite tegen elite: een uitnodiging

Ik zou graag eens een posting met ik beginnen. Dat zou nu helemaal gepast zijn, omdat mijn eigenbelang ermee is gediend dat de navolgende woorden ter harte genomen worden.
Graag nodig ik u, beminde lezer en criticus, uit om commentaar te geven op mijn jongste publicatie op mijn digitale archief. Dat artikel bevat stof voor een boek waaraan ik sinds 2008 werk. Mede met steun trouwens van het Vlaams Fonds van de Letteren, dus het is ook in het belang van burgers dat die tekst een beetje de moeite waard wordt.
Het artikel probeert parallellen te trekken tussen poëticale opvattingen van Leo Tolstoi en Gerrit Komrij, als geformuleerd in respectievelijk Wat is kunst? en Kunstwonderen. Op zoek naar de drijfveren van de moderne kunstmarkt en van de terreur die design heet.
Tussen die boeken ligt een eeuw. Mijn stelling is dat de constante ligt in twee punten van twijfel: aan de integriteit van zich vooruitstrevend achtende kunstenaars en hun beoordelaars, én aan het nut en de waarde van hun producten voor de samenleving. Bij die ingrijpende kritiek hebben Tolstoi en Komrij verder gemeen dat ze een centrum veronderstellen, waarvan ze zelf deel uitmaken. Ten slotte ontwaar ik een methodische overeenkomst. Om hun punt te maken zetten de twee auteurs populistische middelen in.
Ik kan niet beoordelen of mijn betoog hout snijdt. Wel dat ik bepaalde punten niet uitgeklaard kreeg. Daarvan is het belangrijkste dat mij ontglipt of Tolstoi nu links of rechts populisme bedrijft. Die wat onnozel klinkende etikettenvraag vind ik gewichtig, omdat mijn betoog iets wil opsteken van het hedendaagse cultuurpolitieke domein, grofweg het onderwerp van mijn boek. De Tolstoi-Komrij-materie zou historisch vergelijkingsmateriaal moeten aanleveren voor mijn behandeling van enige recente publieke debatten.
Links-rechts-tegenstellingen zijn verscherpt. Ik begon aan mijn boek naar aanleiding van de euthanasie van Hugo Claus, de vermeende veroordeling daarvan door kardinaal Danneels, de kritiek daarop van Erwin Mortier, enz. Met name bekeek ik de strijd zoals die op het internet werd en wordt uitgevochten, ook in comments. Daar zit van alles aan vast, waarvan ik geregeld verslag heb gedaan.
Steeds speelden ideologieën mee. Stond destijds Yves Leterme in het brandpunt van hoon en bijval, inmiddels zorgt de N-VA voor conflictstof. Blijvende factor ter overzijde is vooralsnog Guy Verhofstadt.
Inmiddels lijkt er een onoverbrugbare kloof ontstaan, waarbij het publieke debat minder door politici dan door opiniemakers gedomineerd wordt. Ze weten elke kwestie tot geestesgesteldheden te herleiden. Terecht is opgemerkt dat daarbij veel energie wegvloeit naar zelfgeschapen karikaturen van de tegenstander.
Onlangs zette een Italiaanse ex-president zijn grappig bedoelde opmerkingen over ‘de Duitsers’ voort door te stellen dat voor hen nooit concentratiekampen bestaan hebben, terwijl een Vlaamse intellectueel het Antwerpse N-VA-beleid tegenover werklozen vergeleek met ‘dwangarbeid’. Ik zou niet weten of hier retorisch verschil tussen zit. Maar wellicht ben ik in die bekentenis zelf populist.
Mijn opvattingen horen in het linkse kamp thuis, maar ik betrap me erop dat mijn sympathie taant voor de vorm waarin sommigen hun idealisme gieten. Die vaststelling beschaamt me, omdat ze een cliché bevestigt: liever een uit de bocht vliegende conversatie dan een donderpreek. Ik kan het ook formuleren in termen van mijn Tolstoi-twijfel: rechts populisme verdraag ik beter dan links populisme. Omdat links op basis van inclusiviteit iets aan de maatschappij wil veranderen en daarbij meteen taal van haar bestendigingen ontdoet?
Tegenover Leterme hanteerden ze nog een corpsballerige meewarigheid, maar nu zie ik intelligente mensen, die zich bij hun pleidooien amper impliciet beroemen op hun ruimdenkendheid, de meest vanzelfsprekende minachting over de N-VA uitserveren. Niet anders dan geobsedeerd valt de houding te noemen waarmee ze Bart De Wever als een ziektegeval behandelen en Liesbeth Homans met seksisme besproeien.
Welke effecten willen hun analyses eigenlijk sorteren?
Onlangs maakte ik een treinreis met ongunstige overstappen. In mijn tas stak Benno Barnards Dagboek van een landjonker. In die verzameling blogstukken stond veel waarmee ik het hartgrondig oneens ben, maar met de lectuur beleefde ik aangename uren. Wat mij voorkwam als onzin, werd in elk geval puntig geformuleerd. Dat talent is weinigen gegeven, al denken velen er over te beschikken. Ook vergt stijl een permanent onderhoud. In dat opzicht bevindt Komrijs Kunstwonderen zich in een pijnlijk stadium, temeer daar zijn specialiteit was iemand te pakken op geïsoleerde zinnetjes.
Een van Barnards koppen van Jut is Jan Blommaert, die als ‘professor’ door de auteur zelf denkelijk met niet eens serieus genomen strafwerk in de hoek wordt gezet. Het geschil schuilt in laatste instantie minder in ideologie dan in taalgebruik (incl. toon). Beiden hebben de gewoonte om zowel op de bal als op de man te spelen, en de een doet dat handiger dan de ander.
Hier dunkt mij dat tragisch, omdat Blommaert deskundig is in ‘het debat’ én omdat hij veel meer maatschappelijke ambities heeft. Zijn ideeën over superdiversiteit veronderstellen een eenheid die hij tegenover N-VA-sympathisanten ondermijnt met uithalen. Die interventies versterken bij de getroffenen het gevoel dat ze moreel minderwaardig worden geacht. Bij uiting van die indruk krijgen ze een trap met de psychologiserende diagnose voor Calimero te spelen. Om het gemekker over dat televisie-eendje te framen hoeft er louter nog een screentest te komen voor de minst empathische geit.
Soort zoekt soort, beweerden Tolstoi en Komrij (tegen de eigen soort). Dat is misschien een makkelijk verwijt, maar lastig weerlegbaar.
Ooit vond ik het een geweldig compliment dat een vooraanstaand recensent me toevertrouwde een boek van mij na een halve pagina al door de kamer te hebben geslingerd. Inmiddels kan ik er minder om lachen. Vandaar dat ik u, beminde lezer en criticus, waag te vragen om mijn jongste artikel van suggesties en verbeteringen te voorzien.
Op mijn blog heeft eerder zo’n verzoek gestaan. Die keer is mij goed bevallen. Wel bleek dat de publieke ruimte van comments, die hier erg toepasselijk is, niet iedereen vertrouwen inboezemt. Wie liever een andere weg verkiest, zou ik even dankbaar zijn.

zaterdag 19 april 2014

Net als in de film (ik wil het)


En zo geschiedde het dat, in de zestiende week van het jaar 2014, we rondliepen in Prenzlauer Berg. Basaal begrepen we waarom die voormalige DDR-buurt de overigens betwiste bijnaam Pregnancy Hill draagt. En waarom het een paradepaardje heet van gentrificatie.
Voor de kinderen was het een paradijs: speeltuinen tot en met. Maar toen we hun onze belofte gestand wilden doen van een bak friet met iets vlezigs, liepen we verloren rond. Het wemelde van de psycho- en fysiotherapeutische ruimten (met keuze tussen ‘zwei oder vier Hände’) en brocantes, maar op het vlak van eten was het aanbod monomaan. Voor biowinkels, echte Italianen en dito Vietnamese en Thaise restaurants was geen ongezond alternatief.
Uiteindelijk stuitten we op een hamburgerzaak van vriendelijke, potig uitziende heren. Bij de bestelling moest ik schroom weghappen toen het taalkundig genie wees op de kok en riep: ‘Kijk, die meneer heeft een ring door zijn neus’. Maar alles wat ze zegt bedoelt ze registrerend.
Megaflessen ketchup en mayo en een keukenrol stonden op het terras. Vanaf daar konden we de bestelling, tot in detail opgesomd, ophalen bij de bar. Die mededeling kwam uit een megafoon. Alsof de kok rechtstreeks van een demonstratie kwam waarbij hij verhoging van leeflonen had geëist.
Ja, dit is een cliché. Het paarde zich platonisch aan mijn besef dat hier evengoed een niche uitgebaat werd, zoals in die fijne groteske Soul kitchen van Fatih Akin waar zelfs de aftiteling retro was. Het concept van de hamburger, uitgedragen door een of andere keten uit Amerika, krijgt een ander scenario waarbij de klant onvermijdelijk een personage wordt.
De stoere mannen bleken de catering te doen bij bijeenkomsten van Harley Davidson-fanaten, niet de minst draagkrachtigen. En de menukaart had van elke burger een biologische variant en bood meerdere vegetarische burgers.
Plots viel bij mij het kwartje (of de franc) dat de meeste klanten hip oogden. En kinderen, in gezelschap van besmuikt lachende ouders, zelfs peperduur. Thuis ontdekten we op meer websites dat de hamburgerbar momenteel the place to be is of the talk of the town of hoe heet zoiets eigenlijk.
Vooral viel op hoe blank de buurt als geheel is. Waar zijn de immigranten? Mij werd verteld dat bij koude er zwervers in portieken slapen en dat er uit afvalbakken wordt gesnoept – maar vertelt dat meteen niet iets over de welvaart ter plekke? Wie houden daar de nachtwinkels open?
We liepen ook iets verderop in Friedrichshain, rond de Warschauer Straße, waar nog zoiets als een alternatieve scene grijnsde, maar een enorme Veganistische Groothandel annex Restaurant de eerste signalen afgaf van een tegenhegemonie. Wellicht knepen we te zacht in onze arm.
Uiteindelijk belandden we halverwege, op de Karl-Marx-Allee, alwaar ondanks onszelf onder de indruk van een ritmische kitsch. Ze leidde tot vergapen, aan gigantische, van symboolopsmuk voorziene woonkazernes aan de oeverbrede tweebaansweg, waar tanks elk moment uit leken op te doemen.
We werden aangesproken door een mevrouw die zei in 1952 nog zelf de stenen voor haar appartement te hebben gekapt en gedragen. Ze had gewerkt als lerares en beklaagde zich over de cirkelgang van de geschiedenis, nu Duitsland wederom de wereldveroveraar uithing. Daarbij gebruikte ze termen als kapitalisme en fascisme.
Weinig complimenteus was ze eveneens over Angela Merkel, die ze een verrader van de DDR vond. Overal hingen nota bene aanplakbiljetten van de partij van de bondskanselier, steevast in combinatie met Europa en steevast vergezeld door antiteksten van Die Linke.
Meteen daarop peripateerde het taalkundig genie over haar jongste ervaring: dat ze niet goed weet of ze leeft of dat ze in een lange droom zit. Ze hoopt het eerste, maar het tweede geeft aan dat er een schrijver in haar broedt. Sterker nog, afgelopen weekend schreef ze in anderhalf uur twee boeken.
Ik ben trots dat ze met fragmenten daaruit hier op deze blog debuteert. Eerst een exclusieve voorpublicatie uit Het verhaal van prinsesia:

(…) Die prins noemde prins Roevus. Iedereen wilde hem al zien. Maar dat kon niet. Want ze moeste van juf Flora gedult hebe. Maar ze wilden geen gedult hebe. Ze wilde alle vijf trouwe met de prins. En daarom riep ze alle vijf ik wil met de prins trouwe nee ik wil met de prins trouwe nee ik wil met de prins trouwe. En zo ging het maar door. Tot juf Flora zij stop prinsesen. (…)


En dan nu uit De paashaas en zijn gesmolte paaseiere:

De paashaas zag hoe de paaskloke zoekte naar chocolade. Maar ze vonde niks. Maar de paashaas hat een idee. Ik ga naar de kipe. En dan pak ik de eiere. Ik sgilder de eiere. En dan doe ik er een papiertje ront.


Misschien kan iemand literair agent Paul Sebes inseinen, die onlangs een achtjarige heeft gecontracteerd? Het taalkundig genie is net zeven, kan een radslag afronden in een loodrechte hoek, heeft verregaande ontologische inzichten over Jezus en leest de oeuvres van B. van Wijckmade en Annie M.G. Schmidt. En natuurlijk zou ze kunnen meedrijven op mijn internationale bekendheid.
Momenteel verricht ze research voor De paashaas komt (werktitel).
Eventueel kan Sebes, tegen een bescheiden meerpercentage, de gourmande mee in het pakket stoppen. Die is drie en leest en schrijft nog niet, maar doet iets veel rendabelers: ze imiteert die handelingen. Wel ziet ze weinig toekomst in het handwerk van haar zus en ze zeurt al weken om een computer.
Andere selling points aan de gourmande zijn haar blonde golvende haar en haar eis overal een zonnebril te dragen. Nog even en de Nederlandse literatuur heeft haar eigen Brigitte Bardot, zodat de echte zich definitief om bruine en witte hazen kan bekommeren.

vrijdag 11 april 2014

Ik is een presentatie


Onlangs wist Antwerpen heel wat pennen, harten en maagzuur in beweging te krijgen door in een (Engels getiteld) promotiefilmpje de stad een roomblanke aanblik te geven. Indien het doel was geweest aandacht te genereren, dan kon de opzet geslaagd heten.
Beduidend minder was het multiculturalistische facet ermee gediend. Het tegenvoorbeeld, op klanken van Pharell Williams, was echter van een deprimerend optimisme: de tentoongestelde nationaliteiten waren vrolijk, dansten allemaal en waren niet bejaard.
Ik moest denken aan een imposant gedicht, dat op zijn manier ook aan citymarketing doet. Het begint zo:

Telkens moet ik van je houden,
omdat je het zo werkelijk mij
vreemde bent; even vreemd haast

als mij mijn kern (…)


De Surinaams-Nederlandse dichter Hans Faverey nam het op in een reeks ‘Persephone, herrezen’. De mythische koningin van de onderwereld is even op aarde, ten prooi aan blikken van stervelingen. Over haar weigert de dichter in algemeenheden te spreken. Het vreemde strekt zich misschien uit tot de wereld en de taal waarin hij zich moet uitdrukken. Minder schematisch dan de Antwerpse voorbeelden trekt al dat vreemde hem aan, omdat hij zichzelf evenmin doorgrondt, wat uiteindelijk ook een algemeenheid is.
Nu heeft Antwerpens neefje Mechelen eveneens een filmpje over identiteit aan de ogen van burgers en toeristen prijsgegeven. Onder het thema Vijftig jaar diversiteit valt op hoe constructief deze provincieplaats de mensheid tegemoet treedt: ‘Elke Mechelaar heeft een eigen verhaal. Elk van ons is uniek. Samen creëren we iets moois ... Mechelen, een bijzondere stad met wortels in 128 landen.’
Kwaadwilligen kunnen hier doorgeschoten tolerantie in ontwaren, van ‘de jaren zeventig’ toen er aan professioneel potverteren zou zijn gedaan. Aan het eind van dat decennium kwamen de filosofen Gilles Deleuze en Félix Guattari nota bene aanzetten met een paar mobiele wortels, die ze rizomen noemden.
Mechelen draait die beweging om, en plant de wortels vriendelijk maar onvrijblijvend binnen de gemeentegrenzen. Dat is, geloof ik, een impliciete kritiek, die door kunstsocioloog Pascal Gielen verbonden is met een ‘neoliberaal’ arbeidsethos. Daar hangt boven een tijdelijk contract wierook van heiligheid, met flexibiliteit als god. Er hoort een omgang bij die van mensen contacten en concurrenten maakt, binnen of buiten LinkedIn:

‘“Netwerken” als werkwoord houdt altijd een vorm van zelfverwijdering in. Het verhindert wortel schieten. Rizomen zijn inderdaad geen wortels. Bodemvastheid heet in de natte, vlakke wereld van het postfordisme “nostalgie”, “rigiditeit”, “inflexibiliteit”, of soms zelfs “fundamentalisme”.’


Hier toont zich een van de paradoxen rond het diversiteitsdebat. Mensen die om wat voor reden ook iets willen vastleggen, mogen rekenen op ruimhartige minachting en onverdraagzaamheid. De andere paradox is dat ze het zelf zoeken in verboden en quota, waarbij ze zich in laatste instantie beroepen op de vrijheid van meningsuiting.
Tegen die wat harteloze etiquettes toont Mechelen, pragmatisch, vooral aangezichten, eerst van allochtonen en dan van autochtonen. Hun beloofde eigen verhalen zijn down to earth, praktisch en, zoals dat in Nederland heet, gezellig.
Voor tegenstanders zal de stemming bijna te blijmoedig zijn, terwijl het taalgebruik eerder postideologisch aandoet, met daadkrachtige werkwoorden als ‘creëren’ en ‘vormgeven aan’. In de ideologische fase werden de voordelen van multiculturaliteit veeleer zalvend aan de man gebracht. Paternalistisch klonk in Nederland de dubbelzinnigheid van de aanbeveling ‘kleurrijk’.
Later werd Ahmed Aboutaleb een wel erg zwaar gemarket schoolvoorbeeld van geslaagde integratie. Hij kan amper nog namens zichzelf spreken. Rotterdam, waarvan hij burgemeester is, laat zich voorstaan op de kwantiteit van talen die er gesproken worden. Overigens vertoont deze havenstad in haar metropolische aandrift en haar houding tegenover de hoofdstad overeenkomsten met Antwerpen.
Een ander staaltje Vlaamse zelfpromotie haalde zelfs de Nederlandse pers. Een werkeloos 22-jarig meisje had bij wijze van open sollicitatie zichzelf te huur gezet op de site 2dehands.be. In een mum van tijd had ze vele reacties van werkgevers gekregen, en van de pers dus.
Nochtans vroeg ze minimaal 2250 euro per maand. Daar komt geen consultant, koppelbaas of voetballer voor uit zijn bed, en een diversiteitsambtenaar misschien evenmin, maar heel wat geschoolde arbeiders zouden ervoor tekenen.
Wilde het meisje het nog altijd bestaande inkomensverschil tussen mannen en vrouwen aan de kaak stellen? Het slinkt en soms begint het kostwinnerschap tussen de geslachten te wisselen.
Geestig was dat het meisje van de deskundigen onder aan het artikel in Nederland terstond commentaar kreeg over haar blijkbaar profijtelijke uiterlijk. De journalist meldde dan weer dat ze weinig vakopleiding genoten had, maar ‘creatief’ overkwam.
Ook dat epitheton behandelt Pascal Gielen, en wederom niet gunstig. Hij spreekt zelfs van ‘lucreatief’ en bedoelt daar onkritisch ‘probleemoplossend’ beroepsgedrag mee, dat elke politieke context versmaadt.
Het contrast was bovendien groot met een andere sollicitatiegetuigenis, ironischerwijs van een jonge Nederlandse in Vlaanderen. Met haar hadden zich meer dan honderd mensen kandidaat gesteld voor een functie die in principe één maand zou duren. Ze redde het niet.
Onlangs las ik E.F. Schumachers boek Small is Beautiful uit 1973. Het stemde pessimistisch omdat voorspellingen over blinde economische groei in combinatie met een uitputting van de aarde zijn uitgekomen.
Toch bespeurde ik vooruitgang, blijkens deze stelling:

‘Als een koper een koopje zou weigeren omdat hij zou vermoeden dat de lage prijs van de goederen in kwestie berustte op uitbuiting of andere verwerpelijke praktijken (behalve diefstal), zou hij zich blootstellen aan de kritiek zich “oneconomisch” te gedragen en dat komt erop neer dat hij in ongenade valt. Economen en anderen plegen zulk excentriek gedrag met spot, zo niet met verontwaardiging, te bejegenen.’


Veertig jaar later is onder hen die het zich kunnen veroorloven, onder en boven de Moerdijk, shoppen of statten inderdaad een topsport. Toch bestaat er nu een Fair Wear Foundation (FWF) en een Schone Kleren Kampagne (SKK).
Is het daarom tijd om een lijst aan te leggen met woorden die verantwoord succes garanderen? Ook is er de beroemdste regel uit de moderne poëzie, van Arthur Rimbaud: ‘Je est un autre’. Alleen weet ik niet of er buiten managementcongressen nog vraag is naar zieners. Rimbaud zelf zwoer de poëzie af en ging zwerven. Zou hij Persephone nog zijn tegengekomen?

donderdag 3 april 2014

A-Changing?


Gerard van Westerloos verzamelbundel Niet spreken met de bestuurder (2003) is bekend vanwege het titelstuk uit 1984, geschreven in samenwerking met Emma Verhey. In die reportage over een Amsterdamse tramlijn, ook door immigranten gebruikt, zou achteraf bezien reeds de kloof tussen het zogeheten gewone volk en de hen vertegenwoordigende partijen zichtbaar zijn geworden.
Fameus is verder de reportage over de PvdA-fractie ten tijde van Ad Melkert, vlak voor de moord op Pim Fortuyn. Daarin zegt Ella Kalsbeek naar aanleiding van Scheffers terstond roemruchte artikel over het zogenaamde multiculturele drama: ‘Allemaal intellectuele bevrediging. Dat kan ik niet terugvertalen naar wat er gedaan moet worden’.
Voor iedereen was en is het een ingewikkeld debat, waarvan Willem Schinkel later, in De gedroomde samenleving, zou vaststellen: ‘Iedere spreker is volledig afhankelijk van het totale discours in de mogelijkheid te communiceren en in de mogelijkheid een strategische positie in te nemen. (…) Dat betekent dat men maar zo ver kan afwijken als de parameters van het discours toestaan. Wie te ver afwijkt – wie bijvoorbeeld in het geheel niet over integratie wil spreken maar een volledig alternatief vocabulaire voorstaat – wordt niet gehoord. Dat geldt voor de aandacht die zulk spreken krijgt in de media, voor politiek en beleid, en het geldt ook voor de wetenschap. Ook de wetenschap kent een censuur die behelst dat “de problemen” alleen echt aan de orde gesteld kunnen worden met behulp van het dominante vocabulaire.’
Wie vond ook alweer dat deze of gene zijn taal niet sprak?
Van Westerloos bundel bevat eveneens een reportage over de jongste lichting politici van toen, vlak na de moord op Pim Fortuyn die, wordt tevens in Niet spreken met de bestuurder gesteld, een ander taalgebruik en een explicietere politiek opleverde. Tot die nieuwe politici behoorden toen Mark Rutte, Agnes Kant, Diederik Samsom en Femke Halsema.
Samsom kant zich tegen ‘het Haagse systeem’ en wil de politieke zeden en gewoonten door de mangel halen. Agnes Kant weet echter dat het mensen trekt ‘die weinig ambitie hebben en een minimum aan lef’. Rutte vindt dat de Tweede Kamer wel toekan met de helft van het aantal leden. Dat zou de discussie verlevendigden tot grote thema’s en geen oeverloze details voor het voetlicht halen.
Ook openhartig toont Rutte zich over iets anders, dat evenzeer het politieke systeem en de poppetjes aangaat: ‘Ik geloof in een vrije markt voor alles, maar die banenmarkt, die is in Nederland gesloten.’ Hij neemt zich ook voor zelf niet meer dan vier jaar het kamerwerk te doen, tenzij hij het kan combineren met een deeltijdbaan in de maatschappij. Dat heeft hij gedaan.
Ik moest hieraan denken bij mijn comeback gisteren op een voorlichtingsvergadering in mijn woonwijk over een aanstaande, ingrijpende renovatie aan een toegangsweg. Winkeliers en wat heet het volk waren ruimschoots aanwezig. In tegenstelling tot de allochtone medemens, laat staan tot de gegoede Vlaamse middenklasse die, met een – voor een Noord-Nederlander als ik – ongrijpbare bricolage van de geest, haar plan wel trekt.
Voorspelbaar was dat de verantwoordelijke schepen, van een partij die het allemaal anders zou gaan doen dan de gevestigde orde, een falikante infrastructurele mislukking terugvoerde op het vorige bestuur. Als gevolg daarvan had een negen meter brede kippenkraam het veld moeten ruimen naar de toegangsweg en zoals het er nu naar uitziet kan het in ‘het nieuwe plaatje’ evenmin een plekje vinden.
Ik moest eigenlijk ook denken aan een fragment uit Gospels en psalmen van Erik Jan Harmens: ‘je maakt geen ruzie met de tumorlijer / dus bestrijd je de verlichter van zijn pijn’.
Werkelijk teleurstellend vond ik namelijk dat het publiek, bij voorbaat aangebrand, bijna uitsluitend verontwaardiging loosde over parkeerplaatsen voor hun eigen auto(’s) en ervan uitging dat ‘het studiebureau’ van toeten of blazen wist. Des te aangrijpender was het dat de ingenieur van dat bureau zich voorafgaand aan zijn uitleg excuseerde voor zijn Limburgs accent.

donderdag 27 maart 2014

I.M. de bompa

Toen ik vanmorgen de garagepoort openrolde om de fiets naar buiten te rijden, was een vrouw iets in de bus aan het steken. Alsnog overhandigde ze me een brief: ‘Meneer is gestorven’.
Enige jaren zijn we er elke morgen aan de ontbijttafel getuige van geweest dat recht tegenover de bompa in zijn pyjama naar buiten slofte voor zijn krant (door het taalkundig genie ‘gazet’ genoemd, als enige van ons gezelschap, tot de gourmande haar begon na te zeggen). Wat voor een weer het ook was, voor de brievenbus begon hij al aandachtig te lezen, geregeld met als voorspelbaar resultaat dat de deur in het slot viel.
Hij sprak ons altijd vrolijk aan en had er, als een van de weinigen, lol in wanneer de straat was afgezet voor een Tour de Force.
We hadden gehoord dat hij overdag soms een eindje verder ging lopen, en soms was hij zoek. Steeds vaker kwamen aan de randen van de dag zijn kinderen en kleinkinderen langs. Die bezoeken zijn onlangs opgehouden. Vorige week werd achter het raam van het appartement een affiche geplakt met de tekst ‘Te huur’.
Zo gaan die dingen. En nu ik de rouwbrief heb, ken ik de naam van de vrolijke krantenlezer. Wel blijken er inmiddels 500 miljoen stuks zijn verkocht van de iPhone, waarmee nieuws op een andere manier binnenkomt. Meer versnipperd, om het gegarandeerd moralistisch te zeggen. Tegelijk is dit een kwalificatie die ik met de materialiteit van een krant associeer.
Misschien werkt mijn hoofd zo ook wegens bompa’s verslaving, die ik herkende. Er bestaan er in meer soorten en maten. Dé rondgetoeterde verslaving geldt seks en drugs en rock ’n roll, maar eveneens in aanmerking komen werk en, sinds kort wetenschappelijk bewezen, geld (de dienstdoende geleerde had voor de laatstgenoemd slachtoffer als oplossing meer belastingen, bij wijze van disincentive).
De bompa hield van lezen. Hij is mijn man. Of kent iedereen de paniek ergens te moeten wachten zonder tekst (of is daarvoor de iPhone uitgevonden)? Voor mij was het een logische daad, ooit, dat iemand voor een lange reis in een vliegtuig al de beschikbare en reeds geconsumeerde boeken ruilde voor een onbekend werkje van een medepassagier.
Naar ik vrees is die verslaving overgeplant op het taalkundig genie. Laatst vroeg ze of een van de boeken op de wc weg mocht. Het lag in haar uitzicht en ze moest voor zichzelf telkens de titel oplezen en raakte die woorden dan niet goed meer kwijt.
Toch zal de bompa minstens één andere verslaving hebben gehad. Waarom anders kwamen er zoveel familieleden zo dikwijls op bezoek? Zelf van een andere constellatie en besproeid door een artistieke ideologie die ‘antiburgerlijk’ dacht te zijn, ontroerde me telkens de aanblik van een persoon of duo of gezin dat aanbelde.
Mogelijk had de bompa een iPhone, maar niet om te skypen met zijn kleinkinderen. Goddank voor hem geen eenzame uitvaart, laat staan poëzie van je gazetteketet.

woensdag 26 maart 2014

Puntje van orde



Dag vogels, dag bloemen,

Gisteren stuitte ik op een recent gesprek tussen de Gallicische dichteres Chus Pato en haar Canadese vertaalster Erín Moure. Het had plaatsgevonden per e-mail. Ik meen te weten dat Pato geen Engels verstaat en Moure geen Gallicisch. Beiden zijn wel erg dol op Google Translate, en de vertaalster heeft wel eens een lans gebroken voor wat ze noemt de methode-Tarzan.
Deze restricties voor (of uitbreidingen van) het fenomeen gesprek in acht genomen, vielen mij twee passages op, die ik voor de gelegenheid heb omgezet in een soort Nederlands. Eerst deze:

“Voor een schrijver is vertaald worden het mooiste noodlot. Voor mij wordt poëzie pas echt aangedreven door 'Ik lees wat jij schrijft en ik schrijf / Jij leest wat ik schrijf en jij schrijft ook'. Ik kan me helemaal geen dichter voorstellen die volledig in zijn eentje werkt; ik heb de dichter nooit beschouwd als een absoluut en afgezonderd individu: we schrijven poëzie opdat poëzie rondgaat, zodat jij, zodat ik, zodat alle zes de grammaticale personen – ik, jij, zij, hij, wij, zij – schrijven en lezen. Dat betekent dat het wezen van het gedicht, zijn kern, dit communisme is, de samenleving van poëzie die nooit fusie of gemeenschap is maar een blootstelling aan grenzen.”

De derde persoon enkelvoud valt bij Pato uiteen in man en vrouw. Voor die nuance doet ze de tweede persoon meervoud cadeau. Logisch misschien, want welk individu vindt het nu prettig te worden aangesproken met 'jullie'?
Des te geestiger dat deze dichteres in de kern van haar producten onbekommerd een communisme ontwaart, net als Badiou en Ann Cotten.
Welke singulariteiten aller landen mogen zich dan verenigen?

“Ik schrijf, zoals je weet, in het Gallicisch, een taal zonder soevereiniteit. Dit betekent niet dat ik poëzie opvat als iets nationaals of nationalistisch. Laat me dat toelichten: ik beschouw een dichter niet als iemand die voor zijn taalgenoten schrijft maar voor alle soorten, en niet alleen – denk aan Orpheus – voor mensen, maar als het even kan ook voor stenen, voor dieren en voor de sterren die het verst af staan van de aarde, of ze nu lezen wat is geschreven of niet, en of ze het nu horen of niet. Tegelijk houd ik vol, op een heel ander niveau, dat mijn eigen taal, het Gallicisch, net als elke andere taal, het verdient soeverein te zijn.”

woensdag 19 maart 2014

By convention


In de heidense jaren zeventig bundelde Les Murray in Etnic Radio het geweldige gedicht ‘The Future’. Da’s tenminste nog eens een onderwerp waar je niets over kunt zeggen. En dat doet Murray met verve:

Even the man we nailed on a tree for a lookout
Said little about it; he told us evil would come.
We see, by convention, a small living distance into it
but even that's a projection. And all our projections
fail to curve where it curves.


Volgens mij werd Jezus uiteindelijk aan ander hout vastgespijkerd dan een boom (onder het gewicht waarvan Murray’s oom werd verpletterend onder de ogen van zijn broer, Les’ vader). Maar Diens voorspellingen (waarvan Murray als geboren presbyteriaan en later als gedoopt katholiek veel weet) beloofden weinig goeds, zo duidelijk dat ze waren. In tegenstelling tot concurrerende haruspices had Hij daar geen ingewand of koffiedrab voor nodig. Louter enige zekerheden van Zijn vader.
Tegenwoordig is het onderwerp toekomst gekaapt door mijn collega-opinisten. Maar in Nederland zijn ze vandaag even druk met de voor-, simultaan- en naduiding van de gemeenteraadsverkiezingen, en in België geven ze al dagenlang gehoor aan de uitnodiging van een politicus iets te vinden van het feit dat hij zich op een gala voor televisie-awards had uitgedost als panda.
Wel doet de panda een beroep op de verbeelding van de toekomst als zodanig. Zijn soort heet immers bedreigd en wordt op zijn beurt omgeven door een dampkring die ook zijn kwaaltjes heeft gekregen. Is de toekomst voor zogeheten klimaatsceptici nochtans vooral iets om de spot mee te drijven? Of worden hun lachspieren geprikkeld door niet-aflatende Apocalypsen, dermate zuur dat het zoet van de negatie wenkt die relativering heet?
Onlangs bracht Parijs een prachtoplossing voor een smogalarm: het zogeheten alternerend rijden. De ene dag mochten auto’s met oneven nummerplaten, de andere dag auto’s met even nummerplaten. Het plaatselijke openbaar vervoer, dat zijn voornaamste bewegingen nota bene onder de grond maakt, was gratis (4 miljoen euro per dag). Na één dag werd de onderneming afgeblazen omdat de luchtkwaliteit opmerkelijk was verbeterd.
Nu is mij de gave des geloofs nooit deelachtig geworden, maar dit lijkt me toch de goden verzoeken. Zouden zij ermee kunnen instemmen dat kosten van de korte termijn zwaarder wegen dan van de lange termijn? Wat is erop tegen om, juist vanwege de directe resultaten, het experiment voort te zetten? En het te intensiveren, bijvoorbeeld door een opgevoerd ritme van autoloze zondagen dat aan niet-gelovigen een glimp biedt van het paradijs?
Wat zou daarvan het motief zijn of, in postideologische termen, het belang? Etnic Radio bevatte eveneens het gedicht ‘Immigrant Voyage’, waarin Murray de naoorlogse volksverschepingen naar Australië schilderde. Wie zaten daartussen en waarom?

Those who said Europe
has fallen to the Proles
and the many who said
we are going for the children


Heden hoef je niet meer naar Australië om te ontsnappen aan milieuvervuiling, terwijl wel degelijk de belofte blijft aan de kinderen (van de rekening).
Kijk, het is makkelijk kritiek te uiten op vetzakken van bankiers. Maar hoe luidt het verwijt precies? Jeukt bij hun gedoe met bonussen en gouden handdrukken niet vooral de eenzijdigheid van hun blikrichting?
Rond het nieuwe jaar onzes Heren 2014 adverteerde een bank met een hogere rente voor een getrouwheidsrekening, waarna een maand later die alweer was gezakt. Na de commotie – die begrijpelijk was, daar niet van – zette een woordvoerder de puntjes op de i: ‘Dit was een commerciële actie in het kantorennet, zoals we elk jaar doen in januari. We hebben nooit beloofd dat de rente zo hoog zou blijven.’
Bertus Borgers had dit allang voorspeld in een tamelijk geniaal nummer:

Ah, de zon komt op
Blijf lachen
Leg neer die flappen
En betaal


Valt hieraan te ontkomen? Eerst eens maar eens mentale soepelheid ontwikkelen, die het even slapeloze als zelffeliciterende out of the box-denken definitief passé maakt. Een gymnastische oefening dus, mede als ode aan Les Murray die naar eigen zeggen een hersenboer is: schroef je hoofd los, neem het in je handen en laat het in je binnenzak koekeloeren.
Murray, of zijn lyrische ik, probeert wel degelijk de blikrichting te veranderen en kijkt in wat tafereeltjes terug, naar stervelingen met elk hun eigen overtuiging en verlangen:

And as I look, I know they are utterly gone,
each one on his day, with pillow, small bottles, mist,
with all the futures they dreamed or dealt in, going
down to that engulfment everything approaches;
with the man on the tree, they have vanished into the Future.


Misschien de smog dus maar gewoon zien als een voile. Over wraak, over wetendheid?

P.S. Baas boven baas: in Brussel had eveneens alternerend moeten worden gereden wegens het smogalarm – maar het autopark ontsnapte omdat de intergewestelijke Cel voor het Leefmilieu een verkeerde voorspelling had gedaan. In elk geval tot opluchting van de rechtspraak, die geen beboetingsmacht heeft voor overtredingen ter zake. En natuurlijk tot opluchting van de politiek, die toekomstperspectieven heeft begraven wegens achterhaald.


donderdag 13 maart 2014

T.a.v. de goede verstaander


Jacques de Vaucanson had het slim bekeken: wel de lusten, niet de lasten. In 1739 stelde hij een eend tentoon waarvan de vleugels wapperden. Het ding dronk water en at en verteerde, terwijl in werkelijkheid de kaka in een apart reservoir zat. Volgens hardnekkige, onbevestigde geruchten zal een themanummer uit de komende jaargang van Reader’s Digest onthullen dat De Vaucanson een canard van jewelste voortbracht.
Ik wist daar uiteraard niets van toen ik boeken begon te publiceren. Vanaf de eerste bladzijde komen er eenden in voor. Ik heb dat altijd innemende dieren gevonden, die bij jong en oud geen kwaad kunnen doen. Vergeten wordt bijna dat ze naast hun geestige loopje, dat Chuck Berry inspireerde, goed zwemmen en ook een aardig potje vliegen.
Op het beest zijn stripverhalen van de familie Duck gebaseerd, en in mijn jeugd was er de televisiereeks Calimero die nog dient om politici te stereotyperen, zowel in Nederland als in België.
In die tijd serveerde de popmuziek, broederlijk verdeeld over gitaar en toetsen, minstens twee technische vernieuwingen uit waarvan het geluid onmiskenbaar aan eenden deed denken: de clavinet (het nog steeds verbluffende ‘Superstition’ van Stevie Wonder) en de in het gebruik wat wonderlijk ogende talk box (de intro en tussenstukken van ‘Show me the way’ van Peter Frampton).
Later leerde ik op school over de kwalificatie loquax, waarin vanuit de oudheid de eend al te horen viel. Ze ging verbanden aan met vrouwen op leeftijd, in een idioom dat wereldbeelden ver weg is komen te liggen vertaald als ‘snapzieke oude bessen’. Hun bezigheid heet in goed Brabants kwekken en blijkt Konrad Bayer te hebben geïnspireerd.
Bovendien is er de Lelijke Eend, een aandoenlijk personage uit een sprookje van Andersen én een nogal opvallende auto die ook kortweg Eend wordt genoemd. Ook deze Deux Chevaux lijkt te behoren tot de verleden tijd. Hij was goedkoop, reed niet snel en scheen de harten te hebben veroverd van mensen die meesmuilend ‘hippies’ werden genoemd. Misschien was het daarom dat de Eend destijds al op zijn retour was en dat hij idealistische ideeën representeerde die gestaag aan weerklank verloren.
Een statussymbool? Ik kende de Deux Chevaux vooral als wagen voor muzikanten, die er via de achterklep hun instrumenten makkelijk in kwijt konden. Hij viel onder het merk Citroën. Over een geavanceerder type daarvan, de DS die doorging voor een snoek, bleek Roland Barthes scherpzinnige dingen te hebben geschreven (Déesse). Maar dat ontdekte ik pas toen ik ook eend had gegeten, nogal botrijk, uit de Chinese keuken.
Enzovoorts.
Het openingsgedicht van mijn debuut De gezel eindigde met de regel: ‘En wat zit je nou met die eend voor het raam’. Toen ik begon te publiceren was er namelijk een rage om uit triplex gezaagde dieren op de vensterbank te zetten die voor tulp of roos speelden. Ook had ik buren die, aan de andere kant van het raam, een donkerrode Eend parkeerden.
Ik wou eigenlijk altijd volle bak geven met mijn werk. Voor zover het anklang gekregen heeft, gebeurde dat in België, waar je volgens een spreekwoord een kat een kat moet noemen. Er werd beweerd dat ik principieel meerzinnigheid ontplooi. Deze week is mij gebleken, nota bene bij de Franse les, dat de Deux Chevaux daar geit wordt genoemd.
Wacht even, geit is toch chèvre?
De eend – mijn eend – afwezig en onbegrepen in het land van genade! En wat moet ik met een geit voor het raam? Daar gaat mijn uitzicht! Wanneer ik het raam open om hem dat mee te delen, komt het aroma me tegemoet. Stel dat hij naar binnen springt, dan schijt hij mijn hele werk onder. Beseft zo’n beest eigenlijk wel hoeveel manuren er kruipen in het schrijven van boeken?
Stomme geit.
Hebben de Belgen me gepaaid met beleefdheidsfrasen? De Deux Chevaux gaat er trouwens eveneens door het leven als wippertje en in Engeland kiest men met de tin snail voor een slak.
Volgens het woordenboek is ‘geiten’ een onschuldige activiteit voor meisjes onder elkaar. Mij is bericht dat het ontwijken van risico’s in het Duits ‘ducken’ genoemd wordt. In Nederland heeft men het dan over ‘zich drukken’, maar ‘ducken’ doet eerder denken aan de loop van een eend terwijl die in Duitsland, ondanks de globalisering, heus geen duck is maar Ente, in het lokale circuit ook bekend als Deux Chevaux.
Daar zit je met je handen in je haar dat je uit het hoofd trekt terwijl je in de weerspiegeling nog ziet dat het grijs is geworden van de eerbied voor de waggelende mobiliteit van betekenis.

maandag 3 maart 2014

Missionaire mogelijkheden


Voor een Nederlander is het ingewikkeld de finesses van het Vlaams te begrijpen. Zo heb ik na meer dan tien jaar België nog niet helder wat ‘alvast’ betekent (‘wij hopen alvast dat…’). De lens krijg ik evenmin scherp bij ‘alleszins’ (‘wij hebben daar alleszins geen duidelijk antwoord op’). Wel zijn mijn gissingen omtrent het oordeel ‘intellectueel oneerlijk’ sinds kort opgeheven. Dankzij een artikel van een Nederlander in een Belgisch tijdschrift.
In de langste bijdrage aan een themanummer van Deus ex Machina over ‘Literair engagement 2.0’ blikt Cyrille Offermans terug op Sybren Polets bloemlezing Ander proza (1978). Onvermeld blijft dat hij dit vaker heeft gedaan, steevast als geschiedenisretoucheur en beul. De terechtstellingen staan desgewenst opgesomd in een wrevelig artikel dat ik in 2002 publiceerde. Nadien hervatte Offermans deze praktijk in elk geval als keynotespreker in 2012.
Verandert het geheugen met de jaren? Een gelijkaardige tijdspanne overbrugde Tymen Trolsky met Karl Marx Universiteit (2009). In die revolutieroman maakt Mulisch zijn opwachting, van wie de hoofdpersoon ‘Het donkere licht’ gelezen heeft. Door het geweld van de geschiedenis is Het zwarte licht gekruist met De donkere kamer van Damocles, van Mulisch’ tegenpool Hermans.
Waarschuwing voor een lezer: het navolgende speelt in Sebastopol noch Hollywood.
Polet wilde met zijn bloemlezing niet direct toegankelijke experimenten een voorgeschiedenis geven en, vandaar de plaats in het themanummer, met kunst democratisering bewerkstelligen. Halfweg toen en nu zei Offermans echter expliciet: ‘Het idee dat lezen met inspanning gepaard moet gaan, is gedateerd. Niet dat ik voor makkelijk leesbare literatuur wil pleiten, maar ik heb geen geduld meer voor dingen die ik niet begrijp.’
Inmiddels is Polets oogmerk voor Offermans ‘bedenkelijk radicalisme’. Optimisme over maatschappelijke ambities ontaardt in ‘infantilisme’ indien ‘ontregeling en onbegrijpelijkheid doel in zichzelf worden’. Daarbij moet de lezer domweg ‘gelovige’ zijn. Offermans bekent dat het hem niet verwondert dat zulke auteurs zich ‘graag, vergelijkbaar met de vooroorlogse surrealisten, in sektarische groepjes verenigden’. Om wie of wat het hier gaat, blijft ongezegd.
Aan het slot van zijn artikel biecht Offermans op dat hij ‘uit discretie’ de zwartste bladzijden verzwegen heeft uit de gepolitiseerde literatuurtheorie, ‘maar wie er belang in stelt zal gauw ontdekken dat hij in een slangenkuil is beland van elkaar te vuur en te zwaard bestrijdende sektes voor wie literatuur alleen nog bestaansrecht heeft als ze een leninistisch of maoïstisch goedkeuringsstempel kan overleggen’. Zo’n metafoordichtheid maakt de terugblik erg overzichtelijk.
Zo had Offermans dat veronderstelde principiële nee-zeggen verklaard in de persoon van Aalstenaar C.C. Krijgelmans, die hij als een absolutist wegzet, met totalitaire trekjes:

‘Lang leek het erop dat Krijgelmans zijn missionaire mogelijkheden weliswaar had overschat, iedereen schreef per slot van rekening door alsof Homunculi (1967) nooit verschenen was, maar in elk geval was hij zelf zo consequent er een tijdlang het zwijgen toe te doen. Tot 2007, toen er twee prozaboeken van zijn hand verschenen die veel weg hebben van een laat postscriptum bij Labris, soms geestige, soms vindingrijke maar al gauw ook irritante en vermoeiende taalcapriolen, salonanarchisme, vier decennia te late avant-garde voor eeuwig verongelijkte pubers.’

Dit is inderdaad iets anders dan te vuur en te zwaard bestrijden. Is het beneden Offermans’ waardigheid titels te noemen, de verhalenbundels Tandafslag uit 2007 en Patogeen Halogeen uit 2009? En te verklappen dat Krijgelmans’ ultieme roman De Hunnen alsnog uitkwam in 2010? Voor Offermans mag dit allemaal gedateerd zijn, feit blijft dat Krijgelmans een nieuw én gemêleerd publiek aanboorde.
Meer onverschilligheid wordt uitgestort over Willy Roggeman en Mark Insingel, die na 1978 toch nog het nodige hebben geschreven. Over hen bericht Offermans slechts dat ze geen spectaculaire ontwikkeling hebben doorgemaakt.
Als interessanter figuur in Ander proza noemt Offermans Lidy van Marissing, ‘een literair geïnspireerde, lichtelijk wereldvreemde vakbondswerker’. Schijnbaar geheugenloos vervangt hij die karikatuur even later door een andere: ‘een eerder politiek dan literair geïnspireerde auteur, met alle dubieuze gevolgen van dien’. Van Marissing blijkt door de lectuur van onder meer Brecht ‘op het spoor gezet’ (Polet geldt als ‘veellezer’ en Vogelaar is ‘onwaarschijnlijk belezen maar zonder het geringste spoor van epigonistische behaagzucht’).
Auteurs die hij niet kan pruimen duidt Offermans dieptepsychologisch. Enige jaren geleden verklaarde hij Daniël Robberechts voor geestesziek. Heet deze auteur ditmaal scrupuleus en integer, alles bij elkaar spelt Offermans eigenschappen van experimentelen uit die doen vermoeden dat negeren van de hele kluit het efficiëntste is: puberaal, hoogmoedig, verwaand, elitair, misantropisch, gekwetst, gekrenkt.
Verder frappeert dat Offermans perfide gedachtegoed zelfs niet bibliografisch aanduidt. Dit artikel trekt aan het slot Ander proza door naar het heden zonder auteurs te behandelen wier werk voortbouwt op Polet, maar anderen in de schijnwerpers te zetten die wel de goedkeuring van Offermans wegdragen.
Het grootste raadsel is waarom de bijna zeventigjarige Offermans de negentigjarige Polet voor de zoveelste keer exclusief berispt over een meer dan drie decennia oud project dat de bloemlezer een cordon sanitaire opleverde. Polet heeft later diverse toelichtingen en nuances verstrekt, die Offermans evenmin noemt, laat staan verdisconteert. Aan de moeite die hij zich getroost te onderstrepen dat Ander proza destijds niet aansloeg, geeft hij geen vervolg met inzichten over hoe Polet in eigen kring behandeld werd. Wel trapt hij andermaal na (net als de bijna vijftigjarige ik die dit hersignaleert?) door te beweren dat allerlei auteurs opname in de bloemlezing hadden betreurd. Ze waren daarvoor echter om toestemming gevraagd en de inleiding was tevoren openbaar uitgeprobeerd.
Waarom brengt Offermans het niet op in een bijzinnetje te berichten dat Polet nog volop publiceert? Dan mag desnoods verzwegen dat deze boeken kennelijk zo vitaal zijn dat zich jonge geestverwanten hebben aangediend.
Het ontgaat me waarom Deus ex Machina voor dit onderwerp deze auteur heeft aangezocht. Zou zij, over een cordon sanitaire gesproken, voor een geschiedenis van het Vlaams Belang dan Jos Geysels polsen? Overigens dateert de redactie in de inleiding de objecten van Offermans’ banvloeken op ‘de jaren zestig’. Een decennium verschil telt niet?
Terug naar de studio in Ajuinenland.

vrijdag 28 februari 2014

Vertwijfeld van verlangen


Het was prettig verwarrend dat filosoof Johan Braeckman in kranten en op de televisie wereldkundig maakte dat hij zich voor één jaar had teruggetrokken in stilte. Hij ging op reis in zijn geest. Daartoe zette Braeckman de computer uit; handgeschreven kaartjes mogen lopende zaken afhandelen.
Zo denkt hij te ontkomen aan de overload aan mails, ongevraagde informatie en meer dat een publieke intellectueel consumeert maar eveneens produceert. Braeckman verlaat de competitie en gaat nu bijvoorbeeld echt teksten lezen, ‘ongestoord’. De verdieping die zijn leven wil krijgen, schuilt voor hem mede in het herstel van niet-instrumentele contacten. En in het verbouwen van een stal en het aanleggen van een tuin.
Minder verwarrend is dat de opinie- en lifestyle-industrie deze stap representatief achtte voor iets. Had Braeckman dan een statement gemaakt? Dan kon hij in zijn tuin worden bedolven onder zelfbewieroking. ‘Menigeen trekt zich terug in de wildernis en gluurt door het struikgewas of niemand hem uit de verte bewondert’. Dat zei Rabbi Bunam (de watervlugge spits die, zoals bekend, op het punt stond een lucratief contract te tekenen bij GazpromArabia toen hij in een pompbak wegvloeide).
Elk voordeel heeft nu eenmaal zijn nadeel. In Nederland zorgt de ecologische triomf van de fiets voor files en parkeerproblemen. Ook blijken er nieuwe zeden voor de roltrap, waarop men afhankelijk van de haast links en rechts moet voorsorteren.
Braekman kende ik van de zaak-Van Dyck. Internet vertelde dat hij uit mijn geboortejaar stamt. De oppervlakkigheid waarmee hij zich voelt bedropen, is voor mij een uitgangspunt. Alessandro Baricco’s beeld van de surfer die de breedte van de zeespiegel bestrijkt, dunkt me geen verwijt noch geuzennaam. De kennis die ik in een soort tussenperiode heb opgedaan, laat niet meer toe dan dat te constateren. Voor de gedaante die de surfer op land aanneemt, de receptietijger, ontbreekt me de drift.
In vaktermen neemt Braeckman voor zijn herbronning geen sabbatical, maar onbetaald verlof. Hij pauzeert dus ‘echt vrij’, op spaargeld. Hem lijkt dit doenbaar omdat hij geen kinderen hoeft te onderhouden. Onlangs is inderdaad berekend dat dit per stuk een Ferrari kost.
In rijke landen als de Verenigde Staten en Duitsland hebben mensen twee banen om rond te komen, in Spanje moet eigen familie onderdak bieden en op de grote rest van de aardbol heerst soms stuitende armoede – die geen zaak is van natuurlijke schaarste, zoals John Berger vlak na de val van de Muur opmerkte, maar van het stelsel van prioriteiten dat rijken aan de rest van de wereld hebben opgelegd. Zou Braekmans besluit hun de schouders kunnen doen ophalen?
Sinds Syrië, en onlangs de Oekraïne, is het in deze contreien lastig afficheren met artikelen als rust en concentratie. Een volledige dag studie spenderen aan vijftig pagina’s?
Misschien heeft Braeckmans afstand tot alle snelle contacten, in zijn geval 150 mails per dag, nog meer gevoelens verwekt. In een krant die hem interviewde stond toevallig een reportage over een niet-praktiserende pedofiel, die zich zo eenzaam voelde dat hij zich ‘in een glazen gevangenis’ waande. Zelfs toen hij rond Kerstmis aan zijn omgeving berichtte euthanasie te willen werd hij door niemand benaderd, behalve door zijn therapeut.
Wat dan? Hoe kan een filosoof, of eigenlijk elk denkend dier, ontkomen aan de schijn van narcisme of verwendheid? Berger citeert een gedicht van Pier Paolo Pasolini:

Ik dwing me om alles te begrijpen,
onkundig als ik ben van elk leven dat niet
het mijne is, tot ik, vertwijfeld van verlangen,

een ander leven ten volle tot mij
door laat dringen; ik ben een en al mededogen
maar ik wou dat de weg van mijn liefde voor

deze werkelijkheid anders liep, zodat ik
van mensen zou houden, een voor een.

Het past in Bergers betoog voor mededogen, een eigenschap die, zoals hij erkent, niet de makkelijkste is (en, with all due respect voor cracks in communicatief, pro-actief, hands-on en netwerkend vermogen, misschien is meedogenloosheid meer vruchtbaar). Er zit ook iets superieurs aan.
Braekman verwacht inzichten uit doelgerichte doelloosheid. Dat kost tijd, en dat snap ik uit muziekrepetities in groepsverband waar het jammen de flauwe hoop in zich draagt een som te bereiken die groter is dan de delen. Onlangs hoorde ik nagelaten sessies van Derek and the Dominos, een groep die me met ‘Thorn Tree In The Garden’ had gecharmeerd, maar nu geen teksten of melodieën serveerde (behalve in ‘Devil Road’) en zich bediende van akkoordenschema’s, ritmes of rudimentaire breaks. Prachtig. Dat past in een decennium dat de studio reserveerde voor rijping, voor productief wachten. Tegenwoordig rijdt er een bolide voor om tot resultaat te komen. Een fijne documentaire onthulde dat per uur bestelde achtergrondzangeressen door computers worden gefinetuned.
Iets intiemers dan een stem zou ik niet weten, een meer precaire gemeenschap dan een koortje evenmin. Harmonie zal per persoon veroverd moeten worden? De laatste jaren, krijg ik de indruk, wordt er steeds meer verwacht van empathie. Telkens verwijst de term naar Frans de Waal, die apenonderzoek heeft doorgetrokken naar de mens. Hij geldt als hoopvol alternatief voor gedrag dat verwacht wordt bij de survival of the fittest, en als geheugensteuntje voor politieke stelligheden. Te abstract? Ik kan me voorstellen dat het idee zich te verplaatsen in een consument zoals Braeckman, en velen die geoutilleerd zijn, helpt in het verijdelen van blinde bombardementen met frases en pogingen tot contact die hooguit getuigen van competenties.
De Waals Een tijd voor empathie ben ik nu aan het lezen, nadat ik, en deze reclame is gratis voor de prijs van tijdsbeslag, over empathie een heus internetfeuilleton van vier delen gepubliceerd heb. Het gaat over recente voorvallen met literatuur, die als kunstvorm een zekere waarde had kunnen uitdragen voor de werkelijkheid. Over grenzen van fictie, en hoe niet-beroepslezers die ervaren. Over interpretatie dus, maar dan vanaf een nulpunt dat, sinds een dramaserie rond zijn leven begon, Johan Cruijff eveneens hanteert. Is hij het schoolvoorbeeld van een wereldreiziger die de deur niet uithoeft om bijgedachten van zijn erf te krijgen?