maandag 17 september 2018

Uit de werkplaats





Uit samengestelde voornaamwoordelijke bijwoorden kan in België ‘er’ wegvallen. Het heeft even geduurd voordat ik de systematiek doorkreeg en mijn rode potloodje opbergen kon. Slordigheid noch personificatie regeerde. Een recente headline weet bijvoorbeeld: ‘Anonieme performer getuigt: “Fabre is als praline met rattenvergif in”.’ Hier staat het voorzetsel moederziel alleen efficiënt te zijn.
Iets van deze gewoonte moet zijn overgewaaid naar Nederland. Achter in een achteloze zin kan daar een voorzetsel aan komen sukkelen, dat was losgeraakt van bijwoordelijke bepalingen. Alsof de spreker tot slot alle stukjes verstrekt waarmee een correcte frase bijeen kan worden gelegd. Zo verklaarde afgelopen weekend de coach van PSV: ‘Aziz en Guti ben ik uiterst tevreden over.
Is dat exclusief spreektaal? Ooit verbreidde zich de merkwaardige uitdrukking ‘Daar is niks mis mee’. Ze verloor haar koplamp: ‘Niks mis mee’. Misschien heeft de ruimte van Twitter met dat beperkte zicht te maken. De ultieme formule in dezen is hoe dan ook: ‘Blij mee’.
Wat belandt daarvan in literatuur, dé plek waar registers botsen of in elkaar vervloeien? In Diepe aarde laat Maria Vlaar een egocentrische papa bekennen: ‘(…) ik genoot echt wel van hoe Masha en George samen over de vloer kropen met houten autootjes die zij voor hem kocht (…)’. Ondanks jaren gewenning in België mis ik in dit zinsfragment ‘er’, om precies te zijn tussen ‘genoot’ en ‘echt’. Of is dit een spreekgedachte? Zeker ben ik (er) niet (van).

Tekstbestanden op de computer geven rust, omdat je voortdurend kunt surfen naar woordenboeken en feiten controleren. In bijschriften zijn voor de auteur typeletters bovendien leesbaarder dan welk handschrift dan ook. Da’s niet te onderschatten bij suggesties, zeker wanneer je besmuikt poogt een onmogelijk beeld te signaleren, anders dan met een kringeltje.
Bij mij staat de computer, een desktop, op een bureau. Rug, schouders en nek laten zich al vrij snel gelden. Een pak papier is gezonder om te redigeren. Je krijgt er bovendien meer afstand tot de tekst door, en dus minder kans op schermblindheid.
Wel komen er naslagwerken om je heen te liggen, voor de controles. Minder praktisch buitenshuis. Op windgevoelige plaatsen, in het bijzonder op het strand, heb ik sowieso afgeleerd te redigeren; vele treinen hebben smalle opzettafeltjes waarop het pak papier schuift, wat bij een scherpe bocht ongewenste gevolgen heeft. Toch maar thuisblijven dan, in ruimtes die meer uitnodigen tot ontspannen dan een studeerkamer?
Ik ben afgunstig op Nikki Dekker die in een generatiebundel onthulde: ‘Tieten zijn twee zichtbare hompen die je overal met je meesjouwt – die je zelfs als boekensteun kunt gebruiken wanneer je op je rug op de bank ligt te lezen’.

Rivieren van Martin Michael Driessen vind ik een van de tamelijk geweldigste Nederlandse literaire boeken van de laatste jaar. [Opdracht: herschrijf deze zin.] Ik vraag me wel af hoe dicht de redacteur op deze verhalenbundel zat. Het fijne vind ik dat ze doorgecomponeerd is, wat meer overlegrondes vergt. Door steeds nieuwe tips en ideeën kan een auteur eigen tekst gaan doorgronden en dan onderdelen naar elkaar toe schrijven. Bij de eindes van Driessens drie verhalen veranderen namelijk verteltempo en tijd steevast. Ze worden drastisch, zoals in lagereschoolopstellen waar tijdens de ultracreatieve daad buiten de zon kon gaan schijnen of de pols domweg pijn kon doen.
Een ander bedrijfsongeval bij zo’n grondige aanpak is dat spellingsdingetjes blijven staan, mogelijk uit het idee dat er nog een redactieslagje komt. Op blz. 116 staat er over fruitboompjes dat ze worden ‘gepland’. Krijg nau wat! Toch valt die spelling met wat bochtige redenaties te verdedigen. In het geheel van teksten per dag leest een vermoeide persklaarmaker bovendien vaker over plannen (je seg plennen) dan planten. Mij was de fout ook niet meteen opgevallen. Een wakkere bibliotheeklezer had in de marge het potlood gehanteerd, met een overigens sympathieke grijstoon.

zondag 9 september 2018

De telefoon



Behalve dat woorden van betekenis veranderen, ontwikkelen de voorwerpen waarnaar ze kunnen verwijzen zich evengoed. Hoe gaan woordenboeken met die nimmer versagende metamorfoses om? 
Ik nam de proef op de som en belde naar de heer Van Dale:

telefoon zelfstandig naamwoordde mtelefoons, verouderd telefonen 1886 Frans téléphone, gevormd van Grieks tèle [ver] + -foon 

1 toestel om geluid, m.n. de menselijke stem, over te brengen d.m.v. galvanische stromen, die in geluidstrillingen worden omgezet
mobiele telefoon toestel voor mobiele telefonie
vaste telefoon toestel voor vaste telefonie
in iemands telefoon staan met zijn telefoonnummer in het adresboek staan dat is opgeslagen in iemands (mobiele) telefoon
informeel voortdurend op zijn telefoon zitten er steeds mee bezig zijn, bv. door te sms’en of te appen

2 aansluiting op het telefoonnet
draadloze telefoon = looptelefoon
publieke telefoon openbare gelegenheid waar je kunt telefoneren tegen inworp van een of meer geldstukken of na invoering van een betaalkaart in een automaat
de rode telefoon rechtstreekse verbinding tussen de president van de Verenigde Staten en die van Rusland

3 hoorn waarin telefonisch spreek- en hoorapparaat gecombineerd zijn
de telefoon opnemen, van de haak nemen, neerleggen
uitdrukking de hele dag aan de telefoon hangen voortdurend opbellen

4 telefonische oproep
de telefoon aannemen als er opgebeld wordt de hoorn opnemen en luisteren (en de boodschap overbrengen)
er is telefoon voor u



Dit lijkt me redelijk up to date. Bij het eerste betekenisveld ligt de nadruk op het handapparaatje zoals dat tegenwoordig overweldigend voorkomt. De klassieke telefoon met snoer vertegenwoordigt slechts één van de vier voorbeelden en staat niet bovenaan.
Het zal aan mijn zogeheten dada’s liggen dat ik in voorbeeld vier van het eerste betekenisveld een moralisme proef dat wel achterhaald lijkt. Tegenwoordig immers ‘zit’ iedereen voortdurend ‘op zijn telefoon’. Het is geaccepteerd om – bij vergaderingen, in cafés en restaurants – in aanwezigheid van anderen de blik te richten op het magische scherm. Bij die nieuwe sociale code mag er gezwegen worden.
In het tweede betekenisveld worden digitaal angehauchte jongeren bijgelicht. ‘De rode telefoon’ stamt uit een tijd dat de wereld dichotomisch was ingericht; China had nog niet de halve wereld opgekocht. Voor de communicatie dienden er verder dingen als telexen en typemachines. De ‘draadloze telefoon’ is voor latere generaties een gegeven, geen zombieachtige noviteit die er ooit toe noopte het woordenboek aan te vullen.
Hilarisch dunkt me de omschrijving bij ‘publieke telefoon’. Mastodonten noemden die namelijk een telefooncel. In het westelijk deel van de EU mag dat fenomeen uit het straatbeeld zijn verdwenen, onlangs heb ik er gezien in Polen, Italië en in Spanje. Sommige Italiaanse telefooncellen bieden zelfs de mogelijkheid om een fax, e-mail of sms te sturen.
Het besef dat er generaties zijn die niet hebben ervaren hoe het voelt om, met name bij ingewikkelde gesprekken, de wijsvinger door de snoer te wringelen. Hoeveel literatuur zal op basis van dit simpele ervaringsgegeventje binnen welke tijd als historisch worden aangemerkt?
Het derde betekenisveld gaat voort op achterhaalde technologie. Omdat ze in de voorbeelden staande uitdrukkingen laat zien, is er in het onderwijs wellicht uitleg nodig. Ik herinner me uit mijn eigen schooltijd tijdens de Engelse les zulke verheldering bij ‘to turn on the light’.
In het vierde betekenisveld wordt het voor mij nog interessanter omdat er, voorbij individualisme op maat, derden bij betrokken raken. Aan een docent het voorrecht te vertellen dat de telefoon een sociaal medium is geweest, dat zich, onbeweeglijk, bevond in een ruimte gedeeld met mensen die familie waren. Daarbij hoort het oprakelen van de gewoonte dat men zachter ging praten of de hand voor de mond hield wanneer er privékwesties aan bod kwamen.
In deze flashback valt te monteren dat er tijden zijn geweest waarin mensen niet ‘24 op 24’ bereikbaar waren, laat staan op één nummer. En dat met die tijden pas recent is gebroken, waarna een paradoxale toestand ontstond die Byung-Chul Han benoemde: ‘Het prestatiesubject is bevrijd van een externe macht die het tot werk kan dwingen of het zou kunnen uitbuiten. Hij is “eigen baas” en onderneemt zichzelf. Hoewel er dus geen machtsinstantie en geen externe drang meer is, leidt dit niet tot echte vrijheid, want het prestatiesubject buit nu zichzelf uit. De uitbuiter is de uitgebuite geworden. Dader en slachtoffer vallen samen.’
Klink ik nu bejaard? Toch ben ik volgens mijn identiteitskaart niet zo heel erg oud. Ik herinner me zelfs een revolutie op telefoongebied, die antwoordapparaat werd genoemd. Daar zaten cassettebandjes in, die ik helaas weggegooid heb terwijl de opgenomen stemmen me grenzeloos fascineerden.
Zo liet ik mijn piano stemmen door één winkel te Arnhem, die daar twee blijkbaar concurrerende mannen voor had. De ene stotterde, wat zijn ingesproken berichten aan de lange kant maakte. Wel kon hij tien soorten water van elkaar onderscheiden. De ander viel vooral op door de kwantiteit van zijn berichten. Zodat ik capituleerde en aan de deur een nepleren bruin jasje trof dat zei: `Hi there, ik ben Webster'. Binnen legde hij uit waarom zowel het klimaat van Johannesburg (te droog) als dat van Durban (te nat) funest was voor piano's.
Terug naar Van Dale. Het vijfde betekenisveld zal voor jongeren evenmin evident zijn. Voor mij roept het informatie op (één per oproep) over nummers die ontbraken in het regionale telefoonboek waarvan elke abonnee jaarlijks de recentste versie in de bus vond. Het tussenstadium werd, heel even, gevormd door het nationale telefoonboek op cd-rom. Daarna nam internet het over. Waarbij de ironie natuurlijk wil dat daar vele nummers onvindbaar zijn geworden* omdat weinigen nog een ‘vaste lijn’ schijnen te hebben.
Van grote schoonheid vond ik in die prehistorie de wederdienst, wanneer iemand telefonisch vroeg de naam te spellen. Zelf nam ik steevast de letterverklaringen van mijn vader over: Karel-Rudolf-Eduard-Gerard-Izaak-Nico-Gerard.
Overigens is de zesde betekenis die meneer Van Dale van ‘telefoon’ geeft mij onbekend. Heb ik iets gemist? Zijn omschrijving ‘telefono’ blijft hoe dan ook kort. Daarom klikte ik door: ‘foltermethode waarbij de folteraar met vlakke hand op de oren van het slachtoffer slaat, waardoor het trommelvlies gemakkelijk kan scheuren’. Hier staat bij dat dit woord een understatement is, wat het begrip zeker ten goede komt.
Hallo? Hallo!

*Dat rijmt met de recentste zeden. Smartphones blijken niet gebruikt te worden om te telefoneren. Voor communicatie met intimi dient de chat, en met onbekenden de e-mail.

maandag 3 september 2018

Oproep: lexicon!



Op mijn archiefblog heb ik een woordenlijst geopend, die de komende tijd permanent wordt aangevuld. Hulp van derden bij meer van die taal zou ik zeer waarderen.
Het gaat om woorden en uitdrukkingen die we beter zouden vermijden, omdat ze zo reflexmatig in spreek- en schrijftaal worden gebezigd dat hun betekenis gemold lijkt. En omdat het loutere gebruik ervan mensen aan weerszijden van een moraal plaatst, stimuleren ze bovendien verdeeldheid.

De aanleiding is een recent internetartikel, waarin ik en passant de fameuze ‘taalverloedering’ bij jongeren relativeerde. Want de pronkstukken van taal, literaire boeken, zijn evengoed gecorrodeerd, betoogde ik. Redacteuren, critici, boekhandelaren: iedereen doet aan die gestage verandering mee. Toevallig had dezelfde site een opiniestuk waarin Vlaamse neerlandici die lesgeven op universiteiten wel klaagden over het dalende taalniveau bij hun studenten. Een van de alarmisten had als lid van een vakjury een boek bekroond van een schrijfster die ik had opgevoerd als onkundige.
Wanneer ik mijn terloopse opmerking meer body wil geven dan een polemisch tikje, dan dient zich eerst de vraag aan of de grotere taalbeheersing van weleer algemeen was. Of regeert idealisering? Mijn natte vinger vertelt dat het over een periode gaat waarin eindelijk, dankzij een beurzenstelsel, ook jongeren uit lagere milieus konden studeren. Pure rechtvaardigheid, ze hadden daar de brains voor. Maar is dat geen tijdvak dat decennia terug werd afgesloten? Ik vertel toch niets nieuws dat universiteiten bedrijven zijn geworden, gebaat bij kwantiteit? Heel jongeren hebben daar nu toch niets te zoeken?
Voor de niveaudaling wijst men exclusief naar ‘het onderwijs’, met name naar het secundaire deel dat in Nederland de middelbare school heet. Ik geloof onmiddellijk dat daar van alles spaak loopt bij taallessen. Van de neerslag daarvan heb ik staaltjes onder ogen gekregen. Maar dat doet niets af aan een verder strekkende werkelijkheid: het aanbod waarmee die jongeren hun taalgevoel kunnen ontwikkelen.
Internet geldt als de grote boosdoener. Misschien is dat terecht. Ik zou dan wel twee dingetjes willen vaststellen. Dat de meeste ouders aan hun kroost al jong, vóór hun twaalfde jaar, tablets en smartphones geven. Vaak klinkt de verontschuldiging dat hun kinderen niet uitgesloten mogen worden door klasgenoten en vrienden. Met deze onvoldragen taalgebruikers kan er gewhatsappt en geskypet en alles. Er speelt vast geen andere reden mee dat ouders geen tijd hebben om samen te lezen en te spreken – en dat de speeltjes dus een uitkomst zijn tegen snelle verveling.
De tweede vaststelling behelst een enormiteit: dat er op internet zelden redactie is. Taal die jongeren al vroeg leren kennen kan een stuk beter. Zoals literaire teksten volgens mij evengoed beter kunnen, maar om budgettaire redenen hooguit worden opgelapt waarna de grootste aandacht uitgaat naar werving. Ook die observatie staat niet op zichzelf noch is ze van gisteren. Was voor redacteursfuncties ooit een al dan niet academische talenachtergrond gewenst? En leiden inmiddels niet marketing- en communicatieopleidingen tot deze posities, met eenheidsworstigheid tot gevolg?
Waarom zouden jongeren niet mogen wennen aan correctere en originelere taal? Nogmaals, ik begrijp en deel de bekommernis om ‘het onderwijs’. Maar moet ik als ouder ook niet naar mezelf kijken, als leverancier van taal? Bijvoorbeeld door helderder teksten te schrijven, zonder in de illusie van Klare Taal te duikelen? Plus door mijn kinderen uit te leggen waar en waarom bepaalde taal niets meer zegt? In mijn boek over maatschappelijke debatten heb ik het niet systematisch behandeld, maar er botsen eveneens voortdurend discoursen. Een paar steekwoorden blijken te volstaan om een vermeende tegenstander te vloeren.
Die werkelijkheid mag van mij ook wel eens verbeterd. Ik ken te goed de verleiding te kankeren optaalgebruik van pakweg managers of politici of kunstenaars. Niemand zit te wachten op dikdoenerij. Maar ik heb ook ervaren best te weten wanneer ik mijn toevlucht zoek tot makkelijke formuleringen. Wanneer ik oreer in plaats van argumenteer. En uiteindelijk: wanneer ik mijn best doe of wanneer ik me neerleg.

Ik ben dus begonnen woorden en uitdrukkingen te verzamelen. De lijst die zo ontstaat is slechts het eerste stadium. Vanwege de omvang van de arbeid, maar ook omdat ik verwacht dat het ene woord het andere zal voortbrengen.
Later hoop ik alle onderdelen van de lijst te paren aan betekenislekduiding en voorbeeldzinnen. Ik moet er misschien dan ook alternatieven bij geven – die op wonderbaarlijke wijze ontsnappen aan fixering die communicatieverstorend is.
Dan nu de oproep. Wie wil of wie bezwaren formuleert, helpe met een comment. Wie het leuk vindt ook. Een deadline of een omvang heb ik niet. Liever zing ik Don’t Stop ’Til You Get Enough.

zondag 19 augustus 2018

Nergens meer



‘No tirais! Vamos a cantar’


1.
Vlak voordat de assistente afdrukt, duwt zijn hand op mijn schouder me intimiderend vriendelijk naar hem toe. Naakt voel ik me, gevangen, maar ik tracht te blijven glimlachen en besef, buiten zijn voornaam, volstrekt niet te weten wie hij is. Laat staan of hij een Pool is, dan wel een Wit-Rus of een Oekraïner die de grens is overgestoken.
Wanneer de associatie met Poetin precies in me opkwam weet ik niet. Maar toen daags tevoren de assistente ons welkom had geheten op deze agroturystycka en we onze tent hadden opgezet, ging ik gewoontegetrouw naar de wc, om mijn gezicht te wassen en vijf glazen water te drinken. Bij binnenkomst in het souterrain van de fermette bleef mijn blik meteen hangen aan een ruige pels die de kapstok leek te willen sieren.
De assistente had verteld dat de eigenaar een weekje afwezig was en ’s nachts van vakantie zou terugkeren. Ze was neergestreken om de onderneming te laten voortdraaien. Met haar nieuw samengesteld gezin, inclusief haar eigen vader (die een dadeloze praatgraag blijkt). Waren zij al met achten, ze voorspelde dat er negen reserveringen voor de avond waren, dus ‘het kon een beetje druk worden’. Het privétoilet, op de eerste verdieping, mochten we daarom eveneens gebruiken.
Die avond was de keuken, ook zonder vliegen al smerig, voortdurend bezet. We hadden vroeg gekookt, en toen ik de afwas wilde gaan doen was een Rus pasta aan het koken op de pit links boven, die we wegens steekvlamuitstoot hadden dichtgedraaid. De ruimte had iets weg gekregen van een machinekamer in de buik van een schip. En toen moest de nacht nog invallen, waarvoor we de meisjes hadden aangeraden in het gras naast de tent te plassen.
’s Ochtends bracht de assistente ons een gastenboek, en ansichtkaartjes met foto’s van gasten. Plus een stempel van de boerderij waarmee de kinderen mochten spelen. Ze maakten, terwijl wij de tent afbraken, een tekening in het boek. Ook was de eigenaar in de tuin opgedoken, potig, en hij had aan de wegkapitein gevraagd of we een ontbijt wensten. Toen hij even later mij zag, stelde hij zich voor. We aten brood en muesli onder een afdak, waar op bijna museale wijze dierenhuiden hingen.

2.
Waaruit bestaat een beeld dat je meedraagt van een land, voordat je het aandoet? Bijeengesurfte informatie, dingetjes en weetjes die uit bochtige onderwijstrajecten zijn bijgebleven, uit romans en gedichten, nieuwsberichten die op of andere manier plots vaak Polen behandelen: alle input geurt naar verhalen, en we merken dat we onderweg gevoeliger zijn voor getuigenissen.
Op een dure camping in Italië waar we een eigen wc krijgen die verstopt is, ontmoetten we een Duits echtpaar van middelbare leeftijd, dat veel over de eigen plannen en reisrealisaties sprak en bij ons haastig tussenvernoemen van Polen repte van goeie prijs-kwaliteitsverhoudingen. Bij het aanspannen van de remmen op de eerste camping in Slovenië kregen we advies en hulp van een jong Duits stelletje dat eveneens maanden door Europa toerde. De jongen had Poolse roots en wilde niet meer naar zijn heimat omdat die ongastvrij en achterdochtig zou zijn geworden – hij vertelde er al een vreemdeling te zijn.
Betekent het iets dat anderhalve maand koers door het land ons welgeteld één zwarte man liet zien, in de relatief grote stad Gdansk? We bestreken een fractie van het immense land, voornamelijk langs de oostgrens. Warschau, Krakau, om wat metropolen uit de regio te noemen, hebben we niet eens genaderd. Bovendien zijn we grootgebracht met anti-essentialistische geloofszekerheden. ‘De Pool’ bestaat niet, ‘het Polen’ evenmin.
Desalniettemin is Polen is het enige land geweest waar tussengebied domineerde, buiten stads- of dorpsgrens. Zelfs de gps wist soms niet waar we ons bevonden. Behalve door wegen aan te duiden die er in geen andere vorm aanwezig waren dan in platgetrapt gras en door in die middle of nowhere fonkelnieuwe, door de EU gecofinancierde asfaltwegen te ontkennen. De dorpsgrenzen waren al bijzonder. Ze kregen langs de weg steeds twee borden. Eerst met de naam, daarna met het icoon van een aaneengesloten rij woningen met een kerk, terwijl ‘lintbebouwing’ een eufemisme was voor her en der een huisje aan een zandpad of kasseistrook.
Vanuit dit perspectief rijst de indruk Polen een ontwikkelingsland is, waarvan wij als schatrijke toeristen profiteren. Het klopt, relatief is onze portemonnee dik. Maar binnenslands, wordt ons verteld, lijkt er reeds een tweedeling: zij die zijn gebleven en zij die in andere EU-landen werken. De eersten zouden zo jaloers zijn op de laatsten dat er haat vrijkomt. Die valt bot te vieren op villa’s die alom in de periferie opgetrokken worden met het elders verdiende geld. Ik vraag me af of dit een broodje aap is. Net als de reden waarom achterblijvende Polen uiteindelijk niets ondernemen: bij ontstentenis van bars en een overvloed aan winkels waar het opschrift ‘alcohol’ niets te veel zegt, worden respectabele hoeveelheden drank buiten de publieke ruimte genuttigd. Zou bedwelming het draaglijk maken om voor veel geld, op een agroturystycka, met vele mensen 1 wc, 1 douche en 1 keuken te delen? Bedwelming kan wel de stoïcijnse avondhouding tegenover menigvuldige en luid aanwezige insecten verklaren.
Voor het ontwikkelingslandperspectief was ik extra gevoelig door de e-lectuur van de roman Rubber uit 1931. Daarin schrijft Madelon Székely-Lulofs over rubberplantages in het toenmalige Indië, door westerlingen geëxploiteerd. Eén verhaallijn reserveert ze voor het misbruik van deze natuurlijke bron, wel vanuit de fameuze witte blik. Gevoelens en gedachten van inlanders hebben overduidelijk Székely-Lulofs’ sympathie maar worden toegeschreven (aan het slot met een intensiteit en een als dierlijk gepresenteerde trouw die me aan De Artapappa’s van J.B. Schuil deden denken).
De meeste aandacht besteedt Székely-Lulofs aan nog een partij die ongevraagd in dat systeempje meedraait: vaak jonge en onervaren vrouwen van Hollanders die in de kolonie het grote geld hopen te verdienen om al vroeg in het vaderland te kunnen rentenieren. In paleisjes met veranda wachten op manlief in de hitte, achter muskietennetten, zoiets varieert op binnenkamerthema’s uit de Nederlandse literatuur. Székely-Lulofs vat mededogen voor deze vrouwen op. Begrip ook, dat ze echter het meest heeft voor Renée die uitbreekt en haar huwelijk met een even edelmoedige als pragmatische Hollander ziet stranden.
Dat de schrijfster soms al te snel draden afwikkelt (bv de angst van een witte vrouw dat haar man door opstandig zwart personeel wordt vermoord, wat dan prompt gebeurt) en haar roman met wel erg krachtige streken beëindigt, doet niets af aan de relevantie van dit debuut. Rubber lijkt me een boek dat steeds herontdekt kan worden. Bijvoorbeeld als een toenmalige Wolf of Wall Street. Het is frappant te lezen over een bedrijf dat steeds meer winst maakt op de beurs, en over wit personeel dat dit op lucht gebaseerde optimisme vertaalt in euforisch gedrag en, los van de rest van mensheid en flora en fauna, grimmig veel geld over de balk smijt – après nous le déluge.

3.
Met toenemende bewondering lopen we de verdiepingen af van het museum over de vakbeweging Solidarnosc in Gdansk (in het huidige Esperanto ook wel European Solidarity Centre genoemd). Het immense gebouw, het roestig rood ogende plaatstaal gecombineerd met hoopvol blauw, was van de buitenkant al een lust voor het oog geweest. En de permanente tentoonstelling, voorzien van de onvermijdelijke koptelefoon die in keuzemenu vele talen serveert maar geen Nederlands, valt voor onze kindjes best te volgen.
Normaliter ben ik niet zo tuk op wat dan multidisciplinariteit heet, maar hier heeft ze effect. Ik kijk en lees en hoor. Bijvoorbeeld bij het bekende Solidarnosc-logo waar de rode vlag uit het pootje van de n steekt. Bedenker Jerzy Janiszewski laat weten dat hij de afzonderlijke letters dicht opeen zette om gemeenschapsgevoel en geborgenheid te visualiseren. Mijn brein voert me dan onmiddellijk naar de handtekening van Donald Trump – oefent hij in solidariteit met zichzelf?
Uiteraard schrijnt het dat de vakbeweging in het logo een rode vlag droeg, omdat ze zich in Polen vanaf de jaren zeventig concreet kantte tegen het communistische regime. Het symbool was van eigenaar veranderd. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog marcheerde Jef Last met rode vlag, als evidentie dat hij bij de communisten hoorde en dus tegen nationalist Franco was. Zijn kameraden hadden die overtuiging geleerd op ‘de school van honger, onrecht en ontbering’.
Ik e-readde Lasts relaas in De Spaanse Tragedie (1938), uit de aangevulde druk drie decennia later toen hij zijn brieven aan het thuisfront liet volgen door een non-belligerent bezoek aan Spanje, vol revaluaties. Ook dit interbellumboek beviel me. Last legde zich nooit neer bij de bestaande verhoudingen, waar onderliggende partijen het woord niet krijgen om hun omstandigheden te verbeteren. Zodat De Spaanse Tragedie bij uitstek een studie namens de universiteit van het leven wordt. Ten overvloede bekent Last in de loopgraven geen plezier te beleven aan de lectuur van Point Counter Point door Aldous Huxley, wegens ‘de bloedloze objectieve neutraliteit van de schrijver’ en ‘de massochistische zelfaanklacht van een intellect dat voortdurend zijn onmacht bejammert om werkelijk te kunnen leven’.
Populistisch? Last suggereert vroeg in het boek dat ‘solidariteit’ voor sommigen een hol woord is – toen al! – en toetst dat idee aan de werkelijkheid om hem heen. Daarin worden vrijwilligers uit het buitenland zonder morren opgenomen in de rangen en zijn ze geen ‘vreemdelingen’ meer maar ‘broeders’. Maar goed, wat ik zie is natuurlijk hetgeen ik wil zien. Een menselijk trekje, dat in Krosno groots werd gedemonstreerd door het taalkundig genie. Ze wees overenthousiast op een gebouw met het uithangbord erotik. In een hoek rechtsonder bleek een loketje te zijn en daar werd schepijs verkocht.
Misschien was ik mede geporteerd door Lasts betoog, omdat ik vlak tevoren een e-readpoging had gedaan de twintig eeuwen oude wijsheden van Epictetus tot me te nemen. Maar van diens ‘maak je niet druk’-teneur kreeg ik snel genoeg. Filosofie heb ik graag praktisch, zolang ze maar niet wordt omgeven door haalbaarheidsbeperkingen. Deze Stoïcijn tracht veeleer de verbeelding te temmen en elke aanvechting om de realiteit te perfectioneren te smoren in, wat mij betreft al te principiële en verlammende, broodnuchterheid.
Ongetwijfeld zal al ergens opgemerkt zijn dat Epictetus de zoveelste anti-mei-68’er is. Ook dat valt bij mij niet in goede aarde. Maar ik snap best dat pakweg het Woodstockfestival met een fikse dosis cynisme te karakteriseren is als uit de hand gelopen agrotoerisme – de dienstdoende boer Max Yasgur heeft daar dan wel niets aan verdiend.
Jef Lasts betoog kan dan weer niet onschadelijk worden gemaakt door het verwijt dat formalistisch ingestelde veranderingskunstenaars menigmaal hebben gekregen: dat ze lijden aan al dan niet jeugdige moeilijkdoenerij. Herman Teirlinck diagnosticeerde in dat verband ‘originaliteitskoorts’ (in zijn boekje Brussel 1900 dat een schat aan informatie biedt). Last doet het tegendeel van bewust rook scheppen. Hij probeert een zo scherp mogelijk zicht te krijgen op het onrecht, de oorzaken en de remedies ervan. Door de confrontatie met het heden onderzoekt Last bovendien wat maatregelen sindsdien wel en niet hebben veranderd.
Al helemaal ontloopt Lasts boek de sneer dat het heeft potverteerd, dat het louter dankzij geld van anderen kon verschijnen. Het was veeleer een initiatief van zijn vrouw, die de brieven had verzameld om haar berooide echtgenoot, wie wegens zijn Spaanse communistische avontuur door zijn vaderland zijn paspoort was ontnomen, van enige financiële draagkracht te voorzien. Laatstgenoemd argument schoot me te binnen toen ik terug thuis was. Daar stuitte ik op een fluimende GeenStijl-posting over etiketjes in een Poolse hotelkamer, in Terespol aan de Wit-Russische grens waar wij ook even hebben verbleven, die fondsen voor ieder meubelstuk vermelden. Uiteraard zat de EU bij die fondsen. We hebben die stickers zo vaak gezien, steevast in hoopgevend solide contreien, en moesten erom lachen, zeker wanneer het voorwerp daarbij was genummerd als een ambtelijke referte.
Het European Solidarity Centre heeft een ruime financiële injectie gekregen van de EU. Een erg goede investering!

dinsdag 17 juli 2018

Harentare


1.
Nahijgend van een Slovaakse afscheidswals zien we op de grens met Polen een reclamebord voor warenhuis Kaufland. Er wordt een vestiging beloofd, dertig kilometer verderop! We verbazen ons nog zo dat we bijna een ander bord missen: kemping. En rechtsaf gaan we, een dertig meter lang kiezelweggetje op, vinden in een hypermodern gebouw de ingang en daarna een telefoonnummer.
Aan de andere kant van de lijn biecht de eigenaar op elders te vertoeven, maar om zes uur zal er iemand langskomen voor onze betaling. Geen probleem dat we nog geen zloty’s hebben, in euro kan evengoed. Helaas kan hij ons bij ontstentenis van zijn eigen persoon geen wifi bieden. We mogen staan waar we willen.
Die middag, de avond en de nacht brengen we met ons vieren door. De betalingspersoon blijkt de jonge poetsvrouw, een overboerin die enkel Pools spreekt. Haar vijf kinderen heeft ze mee, die chips eten.
Het campinggebouw is behalve hypermodern volledig toegankelijk. Er is onberispelijke sanitair en een zespits gasfornuis. Vanuit door driedubbel glas omgeven picknickbanken openbaart zich een overweldigend zicht op alle denkbare kleuren groen. Wel kamperen we dus zonder toezicht, aan de onverlichte asfaltweg waarover we zijn gekomen. In de slaapzak zijn mijn oren dubbelgespitst. Maar op een sporadische auto na horen ze slechts de uiteenlopendste dieren die me in slaap zingen.
De volgende morgen is de boerin er nog even. Behalve haar kinderschaar heeft ze haar man mee, die het gras doet met een zeis. De gourmande wil haar oude badpak, dat nog perfect is maar knelde, aan een dochtertje schenken. Ik help haar bij die gift en de ouders knikken effen.
Op een plaquette ontdek ik dat de camping zeer pril is, gemaakt met een EU-subsidie uit de Interreg-pot. Een geestig idee bij alle stringente landsopinies over vluchtelingen. Rond het terrein ontbreekt iets wat zelfs maar doet denken aan een omheining.

2.
Op een langere reis zoals wij die maken, neemt elk gezinslid ongevraagd taken op ten gunste van het geheel. Ze slijten even ongevraagd in, bij het besef waarvan soms een crescendo gekibbel ontstaat over patronen waarvoor niemand heeft gekozen en waarvoor de ander beter ook, enz.
Zo hoorde ik mezelf bezig tegen de wegkapitein die schier retorisch toon uitviel: ‘En weet wat ik zou willen zijn?’ Vanuit mijn onbewustste onbewuste antwoordde ik spontaan: ‘Een bloemetjesgordijn’.
Ik citeerde! Voor de hoi barbaroi even het refrein memoreren van de carnavalshit die Oeteldonker Wim Kersten had in 1980:

Weet je wat ik wel zou willen zijn
Een bloemetjesgordijn, een bloemetjesgordijn
Van het plafond tot op het raamkozijn
Een bloemetjesgordijn, een bloemetjesgordijn
En alle dagen hangen lekker in het zonnelicht
Met bloemen op m'n hele lijf en ook op m’n gezicht
Weet je wat ik wel zou willen zijn, een bloemetjesgordijn


De heremitische verleiding! De enige keer in zijn leven dat Kersten in het buitenland was, werd hij bestolen. En indien die e in ‘zonnelicht’ niet net te opzichtig was toegevoegd voor het metrum, was dit fragment van een volmaaktheid die poëzie ondraaglijk zou maken.
Komt het doordat ik van beneden de rivieren ben, dat ik carnavalsregels in me meedraag? Ik kan dat niet geloven. Als geboren Bredanaar kreeg ik wel met de paplepel ingegoten dat Polen oorlogshelden zijn. Voor het Onze Lieve Vrouwe Lyceum stond een tank van deze door Engelstalige luidruchtigheid wat weggedrukte Geallieerden.
In Polen rijden we de Green Velo-route, zo ver naar het oosten dat ze soms tegen Oekraïne, Wit-Rusland en Litouwen aan leunt. De route bleek langs Sobibor te voeren. Toevallig wisten we dat de herdenkingsplaats gesloten was.
Na een ochtend in door zon verlichte hoosbuien, moesten we het laatste stuk over een onverhard pad waar de regen in de vorm van plassen hielp kuilen aan te wijzen – overal. Nabij de herdenkingsplaats was een keurig vormgegeven en geïllustreerd bord geplaatst met informatie over wat was en wat zou komen. Een nieuw museum, met steun van landen die er de meeste slachtoffers hadden te betreuren.
Het beloofde iets. Opgravingen, die tevens een exacter beeld gaven over de gaskamers, hadden al materiaal laten vrijkomen. Zo gaf het identificatieplaatje van Deddie Zak, geboren 23 februari 1935, als adres de Amsterdamse Uiterwaardenstraat (waar taalexperimentspecialist Rein Bloem woonde).
Zulke beloften druisen in tegen recente Poolse wetten, die medewerking van het land aan de Holocaust ontkennen. Dan zwemen hooguit nog frases als ‘Ik bedoelde het goed’ en ‘Ik kon er toch niets aan veranderen’. Beloften, in laatste instantie van zelfonderzoek, werden in Sobibor evengoed geblust door de ingang, waar rood-wit lint was gespannen en een A4’tje meedeelde dat het terrein sinds maart 2017 dicht was ‘until further notice’. Ruwbouw op tien meter afstand wekte niet de indruk aan veel werkzaamheid onderhevig te zijn.
Zo’n gevoel van achterstalligheid bekruipt me in Polen vaker. Het metamorfoseerde in weemoed bij wat ik, nochtans te laat geboren, niet anders kon zien dan als een communistische camping vol eigele vakantiehuisjes, van elkaar te onderscheiden door hun droombeluste opschriften: Hawaj, Egipt. Er waren metalen speeltuinapparaten die, net als de donkerrode gazeuse Oranzada, herinneringen poogden los te weken (Galderse Meren, Drunense Duinen, Baarle-Nassau?). De kinderen verzekerden dat de draaimolen was vastgeroest.
Tegelijk heeft Polen dus de Kaufland binnen de landsgrenzen, met een aanbod dat van de Delhaize en de Albert Heijn kleingrutters maakt. Maar wie koopt die doorgeselecteerde waar, gewend als men is aan supermarktjes die veredelde biermagazijnen zijn, met verder soep- en sauspoeders, ijs en koekjes? Lopen die megavestigingen niet ver voor de troepen uit?
Misschien is Polen voor Kaufland een lagelonenland. Een burendienst. Gelet op de openingstijden op vrijdag en zaterdag, van 7 tot 23 uur, biedt de keten in elk geval werkgelegenheid.

3.
De eigenaar van de Egipt-camping en zijn vrouw spraken uitsluitend Pools. Ze hadden een papier, in plastic beschermhoes, met enige vragen over omvang van het gezelschap en lengte van het verblijf, die van elementaire Engelse vertalingen voorzien waren. Daarna schreef hij me handmatig in, in een logboek waar hij verse kolommen trok met zijn liniaal. Na bestudering van mijn identiteitskaart noteerde hij mijn doopnamen.
Ons schuchter polsen naar wifi had hij brommerig weggewuifd. En eigenlijk had hij daar gelijk in. Als bepakte fietsers maken we reeds deel uit van een gemeenschap. Enkelingen of groepjes die passeren steken altijd de hand op en soms roepen ze er wat bij (Nederlanders zeggen ‘hoi’). Ook hieruit blijkt dat Radfahrer schon Brüder geworden sein.
Oeps, in de vorige alinea gebruikte ik het woord ‘eigenlijk’. Dat tekent de nepschrijver, meende Frans Kellendonk, volgens wie het woord altijd geschrapt kon worden. Hij had gelijk. Wie ‘eigenlijk’ invoegt, zeker na ‘maar’, demonstreert het voorafgaande niet afgewogen te hebben en poogt de balans te herstellen met overgewicht.
Toch zie ik een functie voor dit woord weggelegd, als minimale bevestiging van onwetendheid. Ik ben op dat vermoeden gekomen door het taalkundig genie die jaren geleden al kon vragen wat ‘eigenlijk’ het verschil is tussen gesteenten en mineralen, tussen het heelal en de melkweg. Dat legde ze ons bij voorkeur achter op de fiets voor, tijdens beklimmingen.
Onlangs had ze het woord weer nodig: ‘Wat is eigenlijk kut met peren?’
Misschien is ‘eigenlijk’ ook de meest Kellendonkse aller woorden, omdat het in de schaduw leeft van diens centrale concept oprecht veinzen. Daarin doe je alsof je gelooft, terwijl je eigenlijk weet een droombeeld te voeden.
Nog zo’n woord dat gonst dunkt me het pleonamse ‘veranderingsproces’. Het oogt dynamisch voor allen, en is consoliderend voor enkelen. Verse krachten in een personeelsorganisatorisch kader brengen dat woord binnen een grote groep werknemers in omloop, met de bedoeling onterende maatregelen als noodzakelijk voor te stellen.
Met zulke operaties en hypotheses raak ik in een domein dat bij gebrek aan afbakening ‘literatuur’ heet. Taal regeert er doordacht, zodat het onmogelijk wordt om een toegeschoven sleutelpost, zonder bijtende ironie, ‘een boeiende uitdaging’ te noemen. 
Zou het dan een voor- of nadeel zijn om meertalig te zijn? Ik vrees dat op termijn de diepste tweedeling in de wereld binnen de communicatie zal liggen die de breedte van kennis bepaalt. En dan helpt het in Polen niet, dat ook daar op televisie nasynchronisatie heer en meester is (één stem vertolkt zelfs alle rollen, inclusief de vrouwelijke, bij films).
In een hotel vroeg een ongeveer twintigjarige mevrouw me iets, waarna ik wedervroeg of ze English, Deutsch of Français sprak. Ze deinsde letterlijk achteruit. De Poolse campingeigenaar en zijn vrouw kwamen dan weer op me over als gelukkige overlevers.
In Slovakije, dat we in luttele dagen doorkruisten, reserveerden we, om de match tegen de Japanners te zien, een kamertje bij een pension in de toeristische klapperstad Bardejov. Het duurde even voor de eigenares opendeed omdat ze eerst, bewust van haar capaciteiten, pro-activiteit had ontplooid die we in Polen nog vaak zouden ervaren: ze had haar zoontje erbij gehaald. In dit geval was het een Harry Potter-achtige jongen van hooguit dertien die ons in redelijk Engels uitleg gaf. Ook over een zwembad in de kelder. De wegkapitein kapte hem af toen hij de geheimen van de sauna wilde onthullen.
Een paar uur daarna aten we bij een half voltooide bar in de kelder, toen een Russisch gezin binnenkwam, in een geanimeerd gesprek met de eigenaresse. Met handgebaren polste ik haar over het enorme flatscreen dat er hing, innemend haalde ze haar schouders op en duwde de Russen voor zich uit, de trap op. Even later waren ze terug, handdoeken omgeslagen, om een duik te nemen en de sauna te bezoeken. Ik vond hen luidruchtig, de man te oud voor zijn echtgenote.
Al die tijd was de gourmande stil geweest. We weten dit aan een zwemsessie die wel erg kortstondig was geweest wegens de lage watertemperatuur en een knellend badpak. Toen bekende ze doodsbang te zijn. Tegenover haar hing een respectabel aantal geweien. Nadat we van plaats gewisseld waren en zij met de rug naar de trofeeënwand zat, keerde de rust weer.
Gelukkig werkte de wifi wel. Op de kamer zagen we de match via een livestream. Het beeld lag zo’n vijf minuten achter op de tekstupdates. Een opluchting, omdat de Rode Duivels in de tweede helft een achterstand van 0-2 moesten goedmaken. Eerst lazen we dat het goed kwam, daarna volgden de bewijzen.

woensdag 27 juni 2018

Par excellence


1.
Aan de telefoon had hij gestotterd dat hij wel naar ons toe kwam. Bij de kerk wachtten we, tot dichtbij in de verte een man verscheen die bijna capitulerend zwaaide, zijn blote voeten in slippers.
Dit was Slovenië, bereikt na een druk bemountainbiket klimmetje op kiezels in een niemandsland achter Italië.
Hij liet ons het appartement zien, dat we voor een nacht hadden gehuurd. Ik vroeg hem naar een apparaat, Bialetti of percolator voor de koffie. Ze bleken alle onnodig omdat er een elegant getuit pannetje was voor bereiding op Turkse wijze. In onberispelijk maar dus wel wat traag Engels deelde hij mee dat we elke verder nog opdoemende vraag hem onmiddellijk konden voorleggen, want hij woonde boven. 
Op tafel stonden twee flesjes likeur voor de wegkapitein en mij, en twee weckpotjes zelfgemaakte confituur voor het taalkundig genie en de gourmande.
Lachend stelde hij ons gerust dat we de zoveelsten waren die het appartement niet hadden kunnen vinden én het bordje met de straatnaam hadden gedetecteerd. Het stond namelijk een kwartslag de verkeerde kant op.

2.
Slovenië, ons nieuwe begin van een reis, ditmaal door wat Donald Rumsfeld niet eens zo lang geleden het nieuwe Europa noemde – het toeristische wij zou dan bestaan uit oude Europeanen. Ik werd aan die bizarre uitspraak herinnerd door een boek met de verrukkelijke titel In Defense of Lost Causes, van de Sloveen met de misschien wel bekendste bierbuik van het land: Slavoj Žižek.
Ooit had ik de pdf op de e-reader gezet na een tip van mijn Heidegger-informant, nu was de tekst de perfecte aanleiding voor een eerste snuif van een onbekende natie die onze schakel moest zijn tussen Italië en Hongarije. Meteen golfde het landschap er groen en vruchtbaar, vol herhaling (‘repetitief’).
Sommige passages kwamen me bekend voor uit Pleidooi voor intolerantie en ik mocht andermaal meespringen op Žižeks stokpaardjes van de decafé en de groepsmasturbatie, die zich met hun nobele bedoelingen in het ravijn werpen – vlak bij Budapest zag ik op een affiche nog een kandidaat voor deze categorie: triphop-yoga.
Niet dat ik, in Hongarije dus inmiddels, het boek uit heb. Het vraagt om interferentie en adempauze van andere teksten. In Defense of Lost Causes is namelijk het tegendeel van een pageturner, hoewel ook deze Žižek-bundel vol relevante inzichten staat. Ze zijn alleen zoals de supermarkt Aldi in Slovakije gecompartimenteerd: in de Hofer (variatie, breed assortiment) en de Eurospin (gering aanbod van grosverpakkingen).
Zelfs zo’n lijvig boek toont behalve de extraverte drive de meest notoire gedaante van Žižek: van opiniegranaat. De fragmentatie verhuist vervolgens naar de lezer.
Dat In Defense of Lost Causes me een echte Žižek dunkt, betekent ten slotte dat erg veel toestanden weer een ‘exces’ verraden en de kwalificatie ‘obsceen’ verdienen. Enfin, taal die sinds de jaren negentig bij een deel van de Vlaamse intelligentsia valt te genieten.
Toch denk ik de leestip te begrijpen. Niet omdat ik in Slovenië een plaatsje ben tegengekomen dat Terapija heet, maar omdat Žižek mogelijke motieven nevenschikt van ware radicale intellectuelen als Heidegger en Michel Foucault. In hun bewogen tijd, jaren dertig en zeventig, maakten deze filosofen immers keuzes voor gruwelijke regimes die zich net aan het ontplooien waren, respectievelijk het nazisme en het Iran van Khomeini.
Volgens mij poneert Žižek dat de twee collega-filosofen een hypergevoelige antenne hadden voor systemische veranderingen, maar afstemden op de verkeerde zender. Daarmee betoonden ze zich zowaar echte, om niet te zeggen voorbeeldige mensen. In iedereen schijnt diep een wens verborgen te zitten dat alles anders wordt, om precies te zijn: rechtvaardiger. Maar bijna niemand durft de consequentie uit zijn verlangens te trekken, en pendelt dus tussen woord en daad.
De Sloveen zegt het zo: ’Logically, it all began with the Word; the Act that followed was a flailing outburst that bore witness to the deadlock of the Word. And the same goes for the Act par excellence, the divine act of Creation: it also signals the impasse of Gods ratiocinations.’
Bravoure of niet?! Ik moest denken aan een schisma dat me overviel nadat ik van Nederland in het begin van de eeuw naar België was gevlucht. Opgegroeid was ik met een protestdiagnose van Armand uit 1972:

De Nederlander is een meelzak
je kunt er op blijven slaan
hij gaat toch nooit staan.
De Nederlander is een meelzak
die niet reageert want dat is verkeerd
en bovendien hebben ze 'm dat nooit geleerd.


Armand nuanceerde zo de spreekwoordelijke grote bek van Nederlanders, die als het erop aankwam bij de grote, onmachtige meerderheid gesloten bleef. Toen viel de Muur en deed Fortuyn voor een groot publiek zijn intrede, en werd reageren het summa summarum. Verdroeg ik het niet langer dat anderen in mijn vaderland steeds luider ‘profiteur’ heetten, dergelijke expliciete omgangsvormen bleken in België eigenlijk best te worden gewaardeerd.
De omgang bestond er namelijk niet alleen uit zwijgen dat goud heet te zijn boven het zilver van het spreken, maar vooral uit een soort poëzielezen tussen de regels. Hoe vervolgens te handelen? Na enige jaren stond ik er nog verwonderd bij toen een koffieliefhebber een Senseo kreeg aangeboden, daarop antwoordde ‘Dat is heel vriendelijk’ en er niets gebeurde. Dit antwoord bleek Vlaams voor: ‘Nee, bedankt.’
Later leerde ik dat sollicitatiebrieven nooit de woorden ‘maar’ of ‘niet’ mogen bevatten. Zoiets kende ik alleen van literaire uitgeverijen, die uitsluitend afwezen met stilte annex onbereikbaarheid bij pogingen tot contact.
Voor mij is het succes van Bart De Wever dan ook altijd te verklaren geweest uit een putdekseleffect: eindelijk iemand die het ondenkbare doet door onwelgevallige dingen ‘gewoon’ te zeggen.
Jeetje, door de (onvoltooide) lectuur van Žižek moet ik geloven dat het gevoel van burgers te België dan te vergelijken valt met dat in de Sovjet-Unie onder Stalin. Een ‘empire of signs’, waarin men elke formulering moet decoderen om de actuele partijlijn te achterhalen.
Zou het? Wat doet koffie in een land waar je eindeloos kunt fietsen tussen achterover hellende, om staketsels gewonden hop? Ten gunste van Duvel of Chimay of Westmalle, zoals we in Italië pomodori aten uit Nederland en in Hongarije paprika’s uit Marokko?

3.
Een tweede welsprekende compagnon de route – elk excuus om te lezen is er eentje - zocht ik in de historische laaglandse Balkannoloog A. den Doolaard, van wiens uitgebreide oeuvre ik alleen de vooroorlogse novelle Wampie ken. Maar die heb ik als puber dan ook verslonden. Als ik me niet vergis verving deze auteur volgens de geschiedschrijving de pen door de vuist.
Den Doolaard is minstens gaan gelden als man van de daad. Oei, mag dat wel van de afdeling reflectie? Voor zijn Europese boeken pleegde hij ter plekke vooronderzoek, zo gretig dat de kennis die hij opdeed een alibi werd voor zijn reisdrift.
Ik raadpleegde voor de gelegenheid zijn memoires Ogen op de rug waarin ook foto’s zijn opgenomen, bijvoorbeeld van Den Doolaard op de fiets van zijn tijd die paard heette. Hij ziet zijn calvinistische jeugd als reden voor fysieke uitbraken die een reis nu eenmaal vereist (Polet pleegde ze in de geest). In dit boek graaft Den Doolaard zich een kloof met onder meer de cerebrale Ter Braak, die op feestjes altijd in een hoek zou zijn blijven zitten.
Van ‘intellectuelen’ lijkt Den Doolaard überhaupt niets te willen hebben. Naar zijn overtuiging handelen ze niet alleen zelden, het ontbreekt hun bovenal aan empathie, zodat elke andersgezinde hun ‘blanke handjes’ ziet en niets openhartigs zal delen. Dat beweert Den Doolaard in een fragment over wat uiteindelijk de Deltawerken zouden worden waarvoor hij, vlak na de oorlog, beduidend minder ver van huis hoefde. Toch presenteert hij ook Zeeland als een buitenland.
Wat sprak Den Doolaard over de grens? Hij blijkt in elk geval het Frans goed te hebben beheerst. Op onze beurt passen we ons aan bij de tweede taal die onze gastbevolking spreekt. In Italië, waar de honderdduizenden televisienetten louter de landsspraak gaven en dus nasynchronisatie scheen te moeten, was dat heel soms Engels; in Slovenië, waar het Engels juist van het scherm spatte, voerde die lingua franca altijd de boventoon.
In Hongarije lijkt er zelfs bij jongeren niets te bestaan buiten de eigen taal. Een triomf voor Orbán? Er is sporadisch, in toeristische oorden, wat Duits voorradig. Maar het houdt niet over, uitgerekend bij zo’n unieke taal als het Hongaars, waar tej melk is en bor wijn. Wat te doen als supermarkt Penny drie soorten gehaktbrood verkoopt waarbij van geen enkel vermeld ingrediënt chocola te maken valt? Voor de zekerheid van de wanhoop vroeg ik aan de vakkenvulster of ze English spoke – en ze antwoordde in het Nederlands.
Wat ontwaarde Den Doolaard onderweg? Zelf weet de provinciestedeling in mij vanmorgen het gekwetter op een logement op de vierde verdieping aan ‘vogels in de bomen daar beneden’. Maar de wegkapitein wees een halve meter boven me, waar vijf zwaluwnesten waren. Bij de zogenaamde studeerkamergeleerde Ter Braak leidden buitenlandse verblijven dan weer tot cultuurfilosofie over de prijs van de koffie op toeristische pleisterplaatsen, terwijl wij hebben gezien dat je op het San Marcoplein in Venetië beter je wrap stevig vasthoudt tegen de meeuwen.
Ter Braak hoort vooralsnog bij de overwinnaars van de literatuurgeschiedenis, Den Doolaard niet en evenmin Dirk Coster, voor wie hij wel sympathie koesterde en wiens ethische aanblazingen reacties verwekten van Ter Braaks buddy Du Perron (vent) waarna Binnendijk (vorm) zoiets als moderne Noord-Nederlandse letterkunde deed ontstaan. Zichzelf presenteerde Ter Braak als het slimme jongetje dat slecht is in sport en hij rangschikte, laatdunkend, Den Doolaard bij veelgelezen verhalenvertellers zoals Antoon Coolen. Hun zwakke, vermeend reactionaire reputatie is nooit hersteld.
Heden leeft de plotvertelling vooral elders voort. Met de vraag “wat zou er nu weer gaan gebeuren” in betaaltelevisiereeksen, met de vraag “wat gebeurt er werkelijk in de wereld” in de journalistiek.
Van het laatste type bracht de e-reader me onlangs het boek Een jaar met Trump, waarin Ine Roox haar portret van de VS samenstelde op basis van losse reportages, met interviews op locatie. Een helaas nogal overbodig boek, mede omdat er niets aan veranderd is ten opzichte van de originele krantenstukken. Hun professionaliteit krijgt door de serieschakeling vol overlappingen iets machinaals.
Den Doolaard werkte eveneens als journalist, zonder Roox’ neiging tot exemplarisme van enkelingen. Hij schiep personages binnen een wens tot realisme, waarbij hij karakters zelfs poëticale gezichten wilde verlenen. Voor de spiegel van hun ziel wendde hij zich ironischerwijs tot historische schilderijen. Ik vind dat althans ironisch, omdat Den Doolaards vooronderzoek ook meer of minder roekeloze ervaringen verzamelde.
Voor De grote verwildering, een roman over de beklimmingsstrijd rond de Mont Blanc, ging hij zelf de recordhoogte in, zo bewust amateuristisch dat hij bij naderend onweer het gevoel krijgt alsof ‘een onzichtbare schoonheidsspecialiste mijn wenkbrauwen aan het epileren is’ en hij zijn pikkel hoort zoemen. Koket noemt hij zich dan ‘knettergek’, maar letterlijk klopt het natuurlijk wel.
Eigen ervaring deed Den Doolaard in zijn jonge jaren tevens op als boekhouder bij de Curaçaose Petroleum Maatschappij, die van de grootste winsten trachtte zo min mogelijk belasting af te dragen. Zo verklaart hij zijn weerzin tegen het kapitalisme – toch wat anders dan facebook-likers of twitterandi die een ‘goed kritisch stuk’ onder elkaar aanbevelen.

woensdag 6 juni 2018

Kostbaar


1.
Met een laattijdige boeking hebben we de hand weten te leggen op de beste plaatsen voor de ferry tussen Spanje en Italië. Hun prijs was zo hard gezakt dat ze de goedkoopste bleken.
De oversteek duurt bijna een dag en blijkt berucht omdat ze wordt bevolkt door scholieren op hun jaarlijkse culturele uitje. Vooral ’s nachts, de zonnebril op het achterhoofd, maken ze de stemming wat te weinig beschaafd, wil het gerucht, waartegen de bootmaatschappij zich expliciet indekt.
Nadat we de fietsen hebben mogen parkeren tussen vrachtwagens tillen we alle elf tassen plus tent op onze vermoeide lichamen, waar de stuurtasjes met gewichtig materiaal al aan bungelden.
Twee dekken hoger wacht personeel, dat ongelovig kijkt naar ons team waar de gourmande nauwelijks achter de tent te ontwaren is. Een controle van onze tickets activeert drie gerants die het gerei van ons trachten over te nemen. Het zijn Aziaten.
Ik verzet me, beschaamd te worden aangezien voor een vermogende wereldburger of koloniaal. Maar de gourmande en het taalkundig genie worden onmiddellijk ontlast van hun draagwaar en drentelen verbaasd achter de gerants van wie er een de tentzak zo onhandig vastpakt dat deze valt.
Het trio vuurt in een verstaanbaar Engels vragen op ons af. Ze gaan daar mee door als we in de suite zijn aangekomen. Omringd door belachelijke luxe weten we niet meer te antwoorden dan ja en nee, en mijn schaamte slaat om in boosheid over de onvermijdelijke geste de gerants een fooi te geven. Ik zou hun bij wijze van spreken alles willen schenken, maar niet voor het dragen van bagage.
  
2.
Het deel van de reis dat we door Italië maken is tegelijk een tocht langs kunst. Namen, mythes en commentaren omringen ons. Dit hadden we kunnen weten, maar niet dat er met ons een camper- en caravan-nomadische populatie van gepensioneerde Nederlandse, Duitse en Engelse koppels maandenlang vakantie houdt die de tijd voor zichzelf hebben en voldoende geld om haar in zonniger oorden te spenderen.
Het zijn ten jongste babyboomers, die de opleiding hebben gehad om, bijvoorbeeld, Italiaans-Nederlandse literatuur naar waarde schatten. Ze zien de allusies. Het geheel van westers-mythische verhalen die potsierlijk ‘de joods-christelijke cultuur’ wordt genoemd hebben ze op het gymnasium ingegoten gekregen. Zij hebben echt bagage.
In de roman Spoo Pee Doo (2016) van Dimitri Verhulst die ik gratis op de e-reader lees, zit een ander menstype verscholen. Het piept aan de oppervlakte bij een meisje dat aan de ik-figuur haar nieuwe tatoeages laat zien. Ze zegt dat dit Keltische tekens zijn, duidt hun betekenis maar zegt ook dat er veel meer betekenissen in omloop zijn.
Op een of andere manier link ik dat type aan de formatie van de nieuwe Italiaanse regering, waarbij zich met de figuur van kandidaat-premier Conte, vijfsterrenist, een man opwierp die beweerde afscheid van de oude politiek te gaan nemen. Van ‘de elite’ die, corrupt als ze heet, alles zou laten zoals het is.
Ik meende meteen Fortuyn te horen, en zag ijdele ministers al vechtend over straat gaan. Contes woorden vatte ik op als populistisch. Alsof machthebbers vanzelfsprekend moordenaars zijn!
Wel fietsen we door Midden-Italië waar de wegen pericoloso zijn (dit woord kent de liefhebber van Nederlandse bellettrie waarin een internationale trein voorkomt). Ze lijken nog het meest op appelpannenkoeken met rozijnen, ook in onverlichte tunnels waar fietsers samen met auto’s in gedreven worden.
We horen dat iedereen hier al sinds mensenheugenis over klaagt, maar dat er niets verandert. Tegelijk kunnen ‘fietspaden’ die zijwegen of carports kruisen binnen vijf meter borden dragen die hun eind aankondigt en daarna hun begin. Lucratieve overheidsopdrachten!
Toen Conte zijn opdracht teruggaf omdat de president weigerde een minister van Lega Nord te aanvaarden die luidruchtig tegen de EU is, zou ‘de elite’ zelfs zichtbaar zijn opgestaan tegen ‘de’ democratie. Maar als het de kandidaat-minister ernst was had hij die positie opgegeven. Politiek is toch gediend met een geloofwaardige praktijk? Reden waarom het kiezers toch nooit om poppetjes mocht gaan?
Wellicht moet ik mijn verkeers-vergelijking uitwerken. Er is niet alleen infrastructuur, ze wordt ook gebruikt. Er bestaat zoiets als een elementaire verantwoordelijkheid van weggebruikers die burgers eveneens zijn. Maar we ervoeren slechts automobilisten in een triomfale onverschilligheid tegenover fietsers, voortdurend claxonnerend.
In Venetië had een kofferdrager voor een ongetwijfeld prestigieus hotel op zijn steekkarretje een fietsbel gemonteerd die hij driftig doorstappend over de stegen liet afgaan. Op verkeerslichten is het rood beduidend groter dan oranje en groen, alsof de bestuurder extra moeten worden geattendeerd op iets wat schier onmogelijk is: even stoppen. Eigen ego immer eerst? Pas bij Ferrara ondervonden we hoffelijkheid in het verkeer, toen ons voorrang werd verleend op een zebrapad.
Op de camping van datzelfde Ferrara, waar mannen hun toilettassen staken in zakken van Albert Heijn, maakten we meteen kennis met een heuse afsluitbare stalling voor fietsen. Zoals dat gaat met vertalingen van vertalingen, lazen we daarover: ‘Fietsgarage is vrij’.
Minder dan Italië-kenners of economen als Paul De Grauwe vroeg de formatiecrisis om inzichten van schrijvers, suggereerde onlangs Salman Rushdie. Gegevens over de aard van de mens en vertrouwen in de waarheid zouden een effectief tegengif tegen cynisme kunnen bieden.
Terecht mopperde Maxim Februari daarop dat literatoren en filosofen zo andermaal een ‘ons’ van betere mensen zouden doen ontstaan. Toch toonde Rushdie zich opgelucht dat het negentiende-eeuwse exclusieve westerse wij, dat de waarheid in pacht had, meerstemmiger en rijker is geworden door de Kelten van dienst, die makkelijk allochtoon of derdewerelds heten.
Bovenal lijkt alles me beter dan analyses van tactische steekspelen, waarin spelers niet eens integer kunnen zijn. Zoiets verdient de waarheid niet.
  
3.
Roelof ten Napel beweerde onlangs iets opmerkelijks. In de uitdrukking ‘Ik vrees dat’ zag hij een proeve van koketterie. Maar ik hoor er Engels in, beleefdheidsfrasering, zoals het taalkundig genie, haar ontbijtbuikje net vol, tegen haar zus die de abrikozenjam zoekt: ‘Ik vrees dat je die niet meer gaat vinden’.
Ten Napels bewering stond in een lange verdediging van de geëngageerde dichteres Dominique De Groen tegen recensent Willem Thies die haar, mede op basis van zelfportretten, had beticht van narcistisch nepengagement. Een dolzinnig argument, dat zich ent op auteursintenties en dat integriteit in de uitverkoop zet.
De dichteres reageerde zelf ook, in nog meer woorden, en bereikte een bij mijn weten zeldzaam effect. Eerst werd mijn pijngrens bereikt door gul gebruik van (afleidingen van) de term ‘misogynie’. Daarna vuurde De Groen meer semi-automatische begrippen af die weinig meer betekenen.
Terwijl De Groen pleitte voor een niet-algemeniserende beoordeling die zich verre houdt van ‘sterk gegenderde aannames over mij’, toonde haar taal zich geleend en onpersoonlijk. Er waren me althans te veel frases die ik ontelbaar vaak elders heb gelezen:

Het ergste is nog dat hij zijn lezing presenteert als objectief en vanzelfsprekend in plaats van de aannames die zijn lezing informeren te expliciteren.
Met zijn giftige karikatuur van een ijdele, pronkende, poserende jonge vrouw schrijft Thies zich in in een lange, lelijke traditie waarin vrouwen systematisch worden aangevallen op basis van hun uiterlijk en stijlkeuzes om zo gedelegitimeerd en op hun plaats gezet te kunnen worden.
De vraag stelt zich waarom Thies zich in zoveel bochten wringt om mij krampachtig te proberen ontmaskeren als ‘witte, gepriviligieerde westerling’, terwijl mijn bundel zelf mijn privilege expliciet problematiseert. De ambiguïteit van mijn positie, mijn medeplichtigheid en mijn verknooptheid met het systeem vormen net één van de belangrijkste uitgangspunten van mijn bundel.
De enige levensvatbare vorm van engagement is er daarom volgens mij één die de eigen positie expliciteert, die de contradicties en ambiguïteiten die ieder van ons belichaamt onder ogen ziet, en die iedere claim van onschuld of neutraliteit in vraag stelt.
En hoewel ik mijn eigen positie problematiseer, betwijfel ik niet dat er geargumenteerd zou kunnen worden dat ik de lijn af en toe overschrijd.
Eerder dan appropriatie aan de kaak te willen stellen lijkt Thies het discours van social justice te willen kapen voor zijn eigen doeleinden: om zijn onfrisse argumenten een sociaal bewust laagje vernis te geven en ze zo te valideren.

Ik heb de hyperlinks even niet bij de hand, maar er bestaan sites die op commando taal genereren. Er vallen naar hartenlust onoriginele zinnen mee te maken door combinatie van zinsdelen die clichés uit één register oplepelen. 
Bij al die goedbedoelde en sympathieke pogingen zich teweer te stellen met tweedehands taal preekte de dichteres ook nog voor eigen parochie:

Het voordeel van dit gebruik van paraleipsis, overigens ook een geliefde stijlfiguur in het discours van de alt right-beweging, is natuurlijk plausible deniability. Thies heeft me nooit écht beoordeeld op mijn uiterlijk, hij heeft louter op zeer gedetailleerde wijze aangegeven hoe een hypothetische lezer dat mogelijkerwijs zou kunnen doen. Om een zekere Donald J. Trump te citeren, die om de haverklap gebruikmaakt van dit retorische trucje: (…)’

‘Preken voor eigen parochie’ is een versteende metafoor, maar in dit volgens mij representatieve citaat proef ik katholicisme. Ben ik door mijn tijdelijke gastland beïnvloed (en door de e-lectuur van Van der Plas’ Het Rijke Roomsche Leven)? Voor de crypte van de heilige Franciscus in Assisi kan men bij de ingang kaarsen kopen die men ter plekke niet mag ontbranden maar tien meter verderop moet deponeren in een kartonnen doos – en de dienstdoende non die maar ongebruikte koopwaar aan het verplaatsen is.
Grandioos. De heilige beheerste onder meer de taal van de vogels, zijn zelfbenoemde nazaten weten vliegensvlug geld te verdienen.

donderdag 17 mei 2018

Ingrijpende



1.
De grens van Aragon naar Catalonië staken we buiten medeweten over. Tot nog toe had een sterk gewijzigd wegdek – zoals tussen België en Nederland – het sein gegeven in een andere provincie te zijn beland. Wel frappeerde ons meteen een Ruta de Orwell, of was dat beroepsmisvorming.
We waren gewend geraakt aan plukjes urbanizatión, wat eufemistisch leek te duiden op gated communities. Al doorfietsend greep de verstedelijking onmiskenbaar om zich heen. Catalonië leek vooral welvarender dan wat we in het zuiden hadden gezien, meer geïndustrialiseerd ook.
Dus was het wachten op het tegendeel. In Barcelona hield een man met boodschappenkarretje halt bij elke afvalbak; hij leek tuk op bezems, moppen en borstels. In Sitges inspecteerden een moeder en zoontje tegenover een verbluffend breed gesorteerde supermarkt de vuilcontainers. Na een kreet zijnerzijds sprong het jongetje er net niet helemaal in (mama hield zijn benen vast).  
Een paar dagen eerder, in een supermarkt van dezelfde keten, te Lleida, oogde ‘gaspacho’ plots krijgshaftiger in het kostuum van ‘gaspatxo’.
Uiteindelijk hadden we bijna bij het begin kunnen weten Aragon achter ons te hebben gelaten. Op de huizen van elk dorp of iedere stad de menigvuldige vlaggen met het opschrift si.
  
2.
De camping van Sitges was hyperverzorgd. Terrasjes en stoepjes werden meerdere malen per dag aangeveegd, sanitair gepoetst: ‘Si us plau, ajudeu-nos a mantenir netes les nostres instal.lations’. Op die inwendige punt na leek Catalaans wel Frans.
Doordat de camping zo overgeorganiseerd was, waren we des te meer verbaasd dat er nergens een overkapping of picknickbank te ontwaren viel. Een zachte manier om kampeerders zonder tafel of stoel in de richting van het restaurant te manen? Het bleef regenen en we hadden al eten gekocht, bederfelijke waar.
De wegkapitein ontdekte op het terrein een onverhuurde ‘bungalow’, op de overdekte voorplaats waarvan een plastic tafeltje stond. Daarop bereidden we ons avondmaal. De gourmande keek van buitenaf toe, omdat ze zich ongemakkelijk voelde wegens geen recht op de gelegenheidsruimte en de steeds dreigende mogelijkheid dat de huurders kwamen. We begonnen te eten, gezeten op een vlondervloer. 
In de motregen bleef de gourmande, lepelend van het bordje in haar handen. Ze schaamde zich zo zichtbaar dat het besmettelijk werd. Voor het eerst sinds onheuglijke tijden voelde ik een zinnetje: ‘Wat zullen de mensen wel niet denken’. En hoewel ik weiger te sneven onder de veronderstelde blik van de ander, moet ik erkennen dat al tijdens het koken mijn bewegingen zich hadden verhaast en dat we nu sneller aten dan gewoonlijk.
Terwijl de gourmande koppig onoverdekt doorat, groeide onze genegenheid voor haar even exponentieel als haar schaamte voor ons. We besloten ons dessert in de tent op te eten.
Weinig later kwam ik in de afwasruimte. Door een wit behuifde poetsvrouw werd ik vriendelijk begroet, wat zij en haar collega’s ’s ochtends eveneens hadden gedaan bij hun betreden van de toilet- en doucheruimte. Het was dat ze bezems en emmers bij zich droegen, hun hele voorkomen deed me veeleer denken aan dat van verpleegsters.
Maar wat zie ik precies? Als witte man bijvoorbeeld, zoals Nadia Fadil wil aantonen met een foto van Miroslava Duma:


Zie ik werkelijk, zoals Fadil stelt, eerst wit dan zwart – en daarmee mijn eigen bevoorrechte positie of zelfs superioriteit? Bedrieg ik mezelf of een verhoopte lezer als ik geloof dat ik, in elk geval bij dit voorbeeld, beide non-kleuren tegelijk waarneem?
  
3.
De e-reader bracht me twee geweldige Nederlandse boeken, waarin Curaçao een mentaal decor vormt. Beide verschenen in de jaren zeventig, zijn ze zoals dat heet brandend actueel, in hun demonstratie van verschillende maten van rechthebbendheid. Ze schreeuwen om een houding en om oordelen die waarlijk onafhankelijk zijn. Bovendien wekken de boeken de indruk uit de losse pols te zijn geschreven, zonder schema’s en intertextualiteit. Maar waarom wil ik zoiets naïefs meedelen (achterop mijn notitieblokje staat ‘contains recycled content and is recyclable’)?
Frank Martinus Arion vertelt in Afscheid van de koningin (1975) zijn verhaal grotendeels met dialogen. Vertellersteksten en personagegedachten bevatten veel minder ‘ideologie’ dan de directe rede. In die technische bijslijping zijn achtergrondartikelen verwerkt, wat tamelijk naturel kan omdat de hoofdpersoon een geëngageerd journalist is.
Zo kan er uitgebreid kritisch commentaar komen op de achtergestelde positie van en onwetendheid over Afrika, op standbeelden voor koloniale helden als Coen,… Blanken blijken zich amper bewust van beperkingen terwijl zij ze etaleren.
Afscheid van de koningin doet aan identiteitspolitiek zonder de witte pedanterie van tegenwoordig. Het boek blijkt slecht ontvangen, voelde juist te weinig aan als roman en veeleer als pamflet.
Regelrechte antipathie wasemde Kees Fens, onder de heeresmaïaanse titel ‘Tante Nel gaat in ontwikkelingshulp’ die, vrees ik, meer zegt over de politieke inzichten van de recensent dan over zijn dan al voltrokken afscheid van de autonomistische literatuurbenadering. Ik moet denken aan een recent bericht over een beer die door zijn dierentuin was meegenomen op een trip. Zou er in dit geheel van actoren (dier-bewakers-passanten) zich iemand helemaal vrij hebben gewaand?
De Curaçaose auteur Frank Martinus Arion is helaas louter bekend van zijn grootse debuutroman Dubbelspel, en bleef in de toch wat koloniale Nederlandse canon ‘allochtoon’, hooguit iemand die je niet echt kunt weigeren. Zoals Afscheid van de koningin zegt van een oer-Hollands nevenpersonage: ‘Aangetrouwde familieleden kunnen bij ingrijpende gebeurtenissen of de hoofdrol spelen, of ineens weer de vreemdeling worden, die ze eigenlijk zijn’.
Het andere boek dat mijn bewondering wekte was De dagen van Olim (1971) door Miep Diekmann. Zij staat geregistreerd als jeugdauteur, met ongenuanceerd linkse opvattingen die volgens die catalogisten horen bij die tijd.
Door hedendaagse ogen gaat De dagen van Olim over MeToo, en dan nog in de etnische variant. Een Curaçaose bediende die blijkt aangerand door een Nederlandse militair lacht, ‘de gemakkelijkste manier als je bruin was om de mensen niet kwaad te maken en toch niks te hoeven zeggen.’ Zelfs solidariteit door taal is lastig, scholieren die op school Papiamentu spreken krijgen straf.
Ook Diekmann heeft slecht nieuws voor makamba’s, maar anders dan Arion was ze wit en sneed haar boodschap in eigen vlees. Mij bevalt het verder dat zij, geboren in 1925, sympathiseert met de protestgeneratie.
De dagen van Olim heeft eveneens een technisch aardigheidje, in het middenstuk. Het eerste deel is een jeugdroman, vooruitstrevend voor zijn tijd wegens expliciet seksuele onderwerpen. Dan komt het middenstuk dat documentair is, uit het archief van Diekmann. Het stelt met terugwerkende kracht de hoofdpersoon Josje van de jeugdroman laconiek gelijk aan de auteur.
Het derde en laatste deel toont de auteur in de tegenwoordige tijd die, weergekeerd naar Curaçao, politiek en relaties evalueert. Het maakt van het boek definitief een werk voor volwassenen. Ben ik nu echt zo kinderachtig die correctie te willen plegen? Bij de jaren zeventig horen voor mij de reeks Het aanzien van, en ik weet bijna zeker dat precies in een deel over dit decennium een geïllustreerd stukje staat over een Japanse soldaat, aangetroffen in een oerwoud. Hij wist niet dat de oorlog al zo’n kwarteeuw voorbij was.