Posts tonen met het label ideologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ideologie. Alle posts tonen

maandag 26 oktober 2026

Best inruilen voor iets hippers

 

 

 

 

Waarom ontdek ik alles toch altijd weer te laat? Bij het debat over de vermeende wokeheid in de letterkundestudie, dat afgelopen zomer op Neerlandistiek woedde, valt een nagelnieuwe roman te betrekken: Vaart voorbij door Laurens De Vos. Centraal staat een oudere literatuurdocent aan de Universiteit Gent, Charles Fransen. Tot het vele dat zijn gezapige leventje onderbreekt, behoren studenten. Buiten het lesgebouw ageren ze al dat hij college wil geven over Louis Paul Boon. Directe aanleiding is diens Fenomenale Feminateek, de enorme verzameling naaktfoto’s van vrouwen in alle leeftijden:

 

‘Het is voor de protesterende studenten de steen des aanstoots. Ze roepen en tieren, dat het een schande is, het is de legitimatie van pedofilie, en de vrouw wordt als niets anders dan als lustobject van de mannelijke, roofzuchtige blik neergezet. Er is een ploeg journalisten aanwezig, Charles denkt van de studentenradio. Een meisje staat hen te woord. Ze is boos, oprecht boos, boos op Boon maar ook op de hele maatschappij die de zogenaamd meesterlijke net-geen-Nobelprijswinnaar een hand boven het hoofd houdt. Het moet uit zijn, zegt ze, zolang monsters als Boon via universitaire curricula witgewassen worden, zal onze samenleving altijd een vrijgeleide blijven geven aan verkrachters en pedofielen.’

 

Misschien ontbreekt me een gevoel voor humor en moet ik bij dit karikaturalisme gewoon meteen bekennen dat het boek volgens mij niet bijster geslaagd is. Dat doet er ook niet toe. Mij interesseert de vraag hoe geloofwaardig dit is, mede in het besef dat deze scène slechts het begin blijkt. Van Fransens ondergang, maar ook van een heuse boekverbranding. Boons oeuvre gaat in vlammen op. De Vos laat zijn geleerde personage vinden dat die studenten ‘stokers’ zijn.

 

Leeuwendeel

Lang voordat het begrip woke naar Europa overwaaide, had de Fenomenale Feminatheek al een heuse rel veroorzaakt. Die vond in 2008 plaats te Antwerpen, toenmalig centrum van de literaire wereld. De provincie verbood een Boon-tentoonstelling. Mij staat niet bij dat dit besluit op grote instemming mocht rekenen. Maar zeker ben ik daar niet van. Evenmin is me helemaal duidelijk wat woke te betekenen heeft. Anders dan een kapstok, waaraan gewoonlijk dingen wapperen waar in Amerika het merk DEI op is komen te staan: LHBTQIA+, racisme, diversiteit, inclusie,…

Aan die kapstok hangen onverlaten soms ‘het milieu’ op, ook in de kritische neerlandistiek en door goedbedoelende instanties als de KANTL en het Poëziecentrum. Zelfs iets algemeens als autobezit blijkt gepolitiseerd geraakt in het woke-frame. De roman Vaart voorbij steekt de draak met zulke bezorgdheid om het milieu. Wanneer Charles door zijn Italiaanse collega Salvatore uitgenodigd wordt om een gastlezing te komen geven, antwoordt de Gentse docent ‘dat hij met heel veel plezier zijn ecologische voetafdruk nog een maatje groter maakt door deze zomer naar Napels af te reizen’.

Op het vliegveld wordt Charles afgehaald door Salvatore, die hem meeneemt achter op een scooter van het merk Vespa. Het is gissen wanneer de toeristische clichés uitgeput zijn, maar nadat de twee de meute achter zich hebben gelaten ‘rijden ze door een typisch Napolitaans, groezelig straatje’. Daar hangt een wirwar van elektriciteitskabels ‘als spaghetti naar beneden’. Er moet haast wel op gegeten worden: ‘De ober kijkt hem met chocoladebruine, glinsterende ogen aan. Hij lijkt sprekend op Pavarotti. Hetzelfde karuur van de tenor, dezelfde beetje pafferige kop met baard.’

De grap moet zijn dat Charles, die zich ter plekke louter met het openbaar vervoer zal verplaatsen, in zijn lezing ‘het post-antropoceen’ uitlegt, een nieuw ecologisch tijdperk, met talloze fragmenten uit eenentwintigste-eeuwse romans als bewijs. Hij heeft zich namelijk ‘stoemelings’ toegelegd op de materie van klimaatliteratuur:

 

‘Nadat de hype van de vorige generatie literatuurwetenschappers, die zich massaal op de Holocaust- en WO II-studies gestort had, wat was weggedeemsterd, kwamen een aantal nieuwe thema’s aan de oppervlakte. Met name postkolonialisme en klimaatstudies lagen goed in de markt. Onderzoeksvoorstellen die zich daarop richtten, reven het leeuwendeel van de fondsen binnen (…) En zo hield plots iedereen zich bezig met het deconstrueren van het westers wereldbeeld in de literatuur. Eer Charles er zich van vergewist had dat hij het geweer van schouder moest veranderen en de Tweede Wereldoorlog in zijn onderzoeksvoorstellen best inruilde voor iets hippers, hadden de meesten van zijn directe collega’s al een keuze gemaakt voor “critical race theory”, waardoor hijzelf dan maar genoegen nam met ecokritiek. Om romans in die interpretatiemal te doen passen, was er soms nogal wat creativiteit nodig, maar dat deerde niemand.’

 

In deze grap wordt ‘het post-antropoceen’ gekenmerkt door het feit dat de mens zijn heersende rol definitief kwijt is. Veeleer is hij een speelbal van ongekende krachten, een apocalyps. Dat zal Charles in Vaart voorbij als geen ander ervaren. Wat volgens hem ecologisch gaande is, gebeurt vanuit het woke-frame ook ideologisch: ‘En de mens, die gisteren nog heer en meester was over de wereld, dreigt nu ten onder te gaan in de brand die hij zelf ontstoken heeft. De natuur slaat keihard terug. In ijltempo zijn in de loop van de voorbije jaren de machtsverhoudingen gekeerd.’

 

zondag 23 augustus 2026

Het monster onder het kinderbed

 

 

 

Uit het intrieste wedervaren van Jason Arday en alle motieven en conclusies die diverse partijen eruit weten te wrikken, zou elke redelijke mens minstens mogen besluiten dat de kwalificatie ‘hypocriet’, steevast uiteraard voor een ander, niet deugt. Verder moet in het belang van werkelijk iedereen de term woke onmiddellijk worden opgeheven, afgeschaft en weggespoeld. Maar dat zal niet gebeuren.

Iedereen zijn overtuiging en, misschien nog zeggen, in censuur geloof ik niet. Toch heeft dat begrip woke aan zowel voor- als tegenstanders van de uitvoering die daarbij wordt verondersteld louter schade toegebracht. Als dat de macht van het woord is, dan laat ik me nog liever transformeren tot carassius auratus auratus.

Bizar vind ik ook de hardleersheid van betrokkenen en commentatoren. Of vloeide het geheugen net weg in de vissenkom? Zelf heb ik per saldo het beste met de wereld voor, waardoor het verdoemde etiket best op mijn shirtje zou passen. Het is dan ook met schroom dat ik voor de ogen van studenten soms strofen uit een gedicht uit 2022 projecteer, van Babeth Fonchie Fotchind:

 

rechtsonder schreeuwt outlook: ‘meld u nu aan voor de workshop diversiteit’. vanaf flexplekken struikelen blikken goedbedoeld over elkaar, steken elkaar aan en zetten

mijn muisarm in brand, onomkeerbaar gebogen ruggengraat in brand (…)

 

ik scoor met mijn trifecta hoog op de gemarginaliseerdenladder en ben daarom het

aantrekkelijkst voor mijn baas. naast vergaderzalen tellen (…)

staat op mijn to-do-list: ervaringsdeskundigheid

delen in het kader van inclusiviteit

 

En vertelt deze week senator Gaby Perin-Gopie (Volt), tevens zelfstandig adviseur over ‘diversiteit en inclusie op de werkvloer’, wat haar in de Eerste Kamer zoal overkomt tussen en onder en boven de woorden. Wat moeten ze dan nog inhouden?

Afgelopen zomer was er nota bene een debat tussen de taalexperts Freek Van de Velde en Marc van Oostendorp over de mate van wokeheid in de neerlandistiek, waarbij onderweg nog gedefinieerd werd en, bijvoorbeeld bij ecocriticism, afgebakend wat dat precies inhield. Voorlopig kwam het neer op ‘identitair activisme’. Ik vrees dat echter niemand weet wat woke betekent, en dat daarin juist die macht schuilt. Als het monster onder het kinderbed wanneer het lampje uitging en je uit angst begon te praten.

 

Hangplekken

Het debat trok mede mijn aandacht omdat het deels over taal ging, een Amerikaans-Nederlands. Dat is alvast iets om wel vrij zeker van te zijn: het fictieve monster woke baart tastbare woorden. Ze zijn bovendien aan de complexe kant. Vanuit mijn miniperspectief is me opgevallen dat ze zelden worden gebruikt door mensen die de taal adequaat beheersen. De outlookmail die Babeth Fonchie Fotchind ontving bevat een dt-fout.

Daar heb je het al, meteen een vileiniteitje. Ik bedoel dat het wel eens inzichtelijker kan zijn te kijken naar de schrijf- en leespraktijk van doorsnee gebruikers dan de grote tenoren te viseren. Dus bij het debat niet zozeer te turven wat topwetenschappers in een A-tijdschrift plengen, als wel wat hun studenten publiekscommunicerend als evident uitwisselen.

Dat suggereerde ik al, in een comment. Met als toetssteen twee woorden die in het artikel slechts bij hun eerste, trans-Atlantische naam waren genoemd: ‘heteronormativity’ en ‘whiteness’. Mij boeien ze in hun dagdagelijkse laaglandse kloffie: ‘heteronormativiteit’ en ‘witheid‘. Volgens de hyperlinks uit het Algemeen Nederlands Woordenboek duiken ze vanaf 2006 in de Lage Landen op. Zijn er in het vak jongeren die dat kloffie naadloos aantrekken? Ik ging testen op twee hangplekken: De Reactor (sinds 2009) en Jong Neerlandistiek (sinds 2022).

De eerste site gaf bij ‘heteronormativiteit’ slechts vier treffers, uitsluitend van neerlandici en op een veelal beloftevolle leeftijd. De bovenste was in de roos, omdat studenten daar met elkaar in gesprek waren over een bundel en de term geruisloos voorbijkwam. De tweede treffer was minstens zo mooi: daar landde ‘heteronormativiteit’ in een kritisch rijtje met ‘traditionele gezinswaarden en religie’. In treffer drie gebruikte een bekendere jongere neerlandicus het begrip ook in zijn bijvoeglijke vorm. De vierde en laatste treffer bezigde ‘heteronormativiteit’ in één adem met ‘eurocentrisme’.

Bij ‘witheid’ geeft De Reactor achttien recensies, ook best weinig. Door alle generaties bovendien, en niet alleen neerlandici. Ik bloemlees. Bij de bovenste treffer zit het woord al in de titel: ‘De witheidsproblematiek’. Een andere recensie heeft het in de ondertitel van het besproken boek, een letterlijke vertaling van Whiteness and the Literary Imagination. Er blijken ook nuances in ‘witheid’ die, consistent in het register, een ‘constructie’ heet. Op één plek is dat verwerkt tot een definitie: ‘Witheid verwijst (…) naar een dominante positie binnen een geracialiseerd systeem. Witheid is een sociale constructie die een vorm van witte suprematie, of zoals Sibo Kanobana het recentelijk noemde, een witte orde in stand houdt.’ Elders op de site heet ze een ’fundamenteel onderdeel van een breder machtssysteem’. En valt zo’n diagnose ook, zeldzaam op deze site, ten prooi aan schamperheid – van emeritus-socioloog Walter Weyns, die aan zijn opvattingen over het monster een heel boek wijdde.

 

Poenerig

Inzake Jong Neerlandistiek ben ik sneller klaar: geen treffers. Het weinige dat deze site bij ‘witheid’ oplevert komt van oude bokken. Van wie ik zelf de grootste ben, met drie stukken die verbaasd de term in een context aanhalen. Een ander artikel gebruikt ‘witheid’ expliciet in de zin van ‘lichtheid’. In de door mij nagejaagde betekenis valt het begrip in een opsomming die een stand-van-ideologische-zaken-overzicht geeft. Ten slotte vraagt een feuilletonaflevering zich af of in 1996 de witheid van een sneeuwbal literair al andere associaties heeft verwekt. Louter een pas gepromoveerde neerlandica bezigt in een interview het begrip ‘witheid’ zo en passant als ik zocht.

maandag 22 juni 2026

Vetrolmodel

 

 

Wat een bizar bericht bereikt België over mijn geboorteprovincie. Een carnavalsvereniging staat in de rechtbank tegenover de mannen van ABBA, omdat ze hun jarentachtigliedje ‘Take A Chance On Me’ niet alleen verhoempade maar de tekst ook vernachelde tot ‘Dikke Pens’. Het Noord-Brabants refrein gaat nu als volgt:

 

Ik ben zo blij, met die pens van mij

Eerst was ik te dik, maar nu heb ik schik

Mun cholesterol nemen ze nu voor lief

Ik ben dik tevreej met 'body positief'

Met een BMI van honderd-en-drie

Was ik eerst obees, meer vet dan vlees

Volgens mijn volgers ben ik vet okee

Al ben ik kapot na d'n derde tree

Ik ben zo blij, met die pens van mij

 

Is de omgekeerde wereld die met carnaval haar beslag heet te krijgen (als ik Bakhtin nu eens minder als confetti had gelezen!) hier een feit? Of ben ik gewoon nooit vertrokken onder de grote rivieren? Mijn geëmigreerde oren combineren rijm, luim en ritme tot een herinnering van een soort humor uit mijn kindertijd, buiten de deur dan. Meligheid gecombineerd met een toefje maatschappijkritiek dat met gemak weggewuifd kan worden. Jaren geleden signaleerde ik het ook bij het nummer ‘Hoemoes Dà Òk Alweer?’ van de Bredase wiskundeleraar die zich Peter Selie noemde.

Kon ik destijds bekennen dat dergelijke spraak had geleid tot het eind van mijn poëtisch project, bij deze carnavalskraker waan ik me betrapt in een essayistische monsteronderneming die voor mijn doen aan de ambitieuze kant is. In De appelmoestuin hoop ik een zogeheten West-Noordbrabant op te roepen waarin paradijs en politieke ontluistering samenpakken. In de immer koddige termen van het liedje doet het verhoopte boek aan ‘om-influencen’.

De vraag is alleen of ik in de juiste richting zit te tasten. Ben ik nog aan het essayeren? Zoals me laatst bij recente gedichten van Verhelst de kwestie overviel: is dit wel poëzie? Nu zijn genres ook niet alles, maar mijn USP is dat ik daarmee speel in plaats van dat ze met mij spelen.

Ik ben allergisch voor autobiografisch schrijven, kan het niet eens. Als geplaagd postmodernist geloof ik bovendien uiteraard niet in een essentialistisch beeld van mijn heimat. Geen enkel Brabants dialect heb ik ooit gesproken. Maar zulke taal probeer ik alsnog te laten resoneren. De verleiding ligt klaar om naar ironie te grijpen, maar zo’n postmodernist ben ik niet. Mij fascineert een woedend melige groteske. Om meer dan één reden lijkt me het moment er rijp voor.

Doordat er na vertaalmachines allicht ook AI-toepassingen op de markt zijn gekomen waarmee je nog beter kan bluffen, werk ik meer dan ooit op gehoor. Ambachtelijk! Daarnaast valt moeilijk te ontkennen dat het politieke klimaat dusdanig veranderde dat nationalisme voor velen een strohalm is geworden. Het zou makkelijk zijn daar denigrerend over te doen, vanuit mijn gerieflijke positie (met onderdak en voedsel, zonder geldzorgen,…).

Toch betrap ik me erop dat ik het nieuws over ‘Dikke Pens’ inschuif in politieke ontwikkelingen. Ik zie op televisiebeelden een man over zijn bierbuik wrijven alsof hij zwanger is, omgeven door consensus. Allicht zie ik met mijn ontwortelde, illusoir onthechte blik ‘mensen onder elkaar’. Een soort harde kern die overal opdraaft waar, met de grootste verontwaardiging, het feest van het uitsluiten kan beginnen.

zaterdag 18 april 2026

Boos en overspelig

 


 

 

Waar begon het? Er verscheen een betrokken boek van Lotfi El Hamidi, dat met de titel Stakkers en wolven Gerrit Komrijs bashing van ‘de islam’ citeerde, situeerde én bekritiseerde. Diens biograaf Arie Pos opende een meerdelig debat op HP-De Tijd en Neerlandistiek, waarbij laatstgenoemde site, ook via comments, melding maakte van een ‘leerlijn Polemiek’ op het onvolprezen Utrechtse SchrijfLab. Met een heuse wedstrijd voor jongeren, te ontbranden rond de verschijning van Komrijs biografie in de Boekenweek van 2027.

Uiteindelijk legde ik er ook mijn kakje bij. Het leek me toen niet opportuun te vermelden dat iedere bewering een polemisch ingrediënt bevat. Een dooddoener, maar door gewenning en herhaling kan een schijn van neutraliteit ontstaan die je er niet snel afkrabt. Onlangs gebruikte vakbondsman Bert Engelaar een heel boek, Kort door de bocht, om samen met slammer Bekvegter en nog wat vrienden keerzijden van zulke losse quasi-waarheden te tonen, inclusief ideologische herkomst. Wel viel die evengoed te ontwaren in hun eigen weerleggingen; polemiek bereikt niet snel een eindhalte.

Zelf ben ik allergisch voor de term ‘leerlijn’ en tegelijk fascineerde me de omzichtigheid waarmee de polemiek, die in Komrij een ongekroonde koning zou hebben gekend, werd benaderd. Dat had niet eens te maken met de literaire afkeer die voor het genre is ontstaan sinds de millennials. Crucialer was een maatschappelijk fenomeen dat het Utrechtse instituut (die aan de medewerkerslijst de naam Pos toegevoegd had) expliciet in de presentatie betrok: ‘polarisatie’.

Het begrip geldt als antipode van een ander veel gebezigd taalmerkteken: ‘verbinding’. In de vele bespiegelingen die het duo heeft verwekt wordt dan een oorzaak gevonden in sociale media waar men veeleer contact breekt dan verstevigt, maar evenzeer in groeiende ongelijkheid. Polemiek zou hoe dan ook tonen dat expliciete meningsverschillen contraproductief zijn, en een barrière opwerpen tegen ‘verbinding’.

Ten voordele van polarisatie geldt dan weer dat ze ‘de vrije meningsuiting’ zou dienen. In debatten is ook daar een antipode te vinden: ‘intolerantie’. Teruggekoppeld naar de aanleiding van ‘de islam’ zou dan een gevoeligheidje bovenkomen, dat het seculiere Westen na een beschamende traditie van ‘censuur’ zou hebben overwonnen. In de wereld daar weer naast, op TikTok vooral, bestaat rage bait domweg om producten aantrekkelijker te maken voor klanten.

 

Heel precies

Vanwaar de haast intuïtieve afkeer van een meningsverschil dat open ligt? Tot Trump zijn tweede termijn van acquit ging met een spervuur aan decreten, functioneerde ‘het’ westen op basis van consensus. In Nederland heet daar, historisch na de gepolariseerde jaren zeventig, de techniek van het ‘polderen’ mee gemoeid te gaan. Dat is een keuze. Zoals ik zelf altijd, bijvoorbeeld om die ongelijkheid beter te bestrijden, de voorkeur heb gegeven aan dissensus. En al vóór de millennials ondervond dat vele collega’s dit te grimmig achtten.

Grimmigheid lijkt in het polemiekgenre op twee manieren haar beslag te krijgen, waarbij hetzelfde strijdmiddel dienst doet in twee uitvoeringen. Het gaat om een steekwapen. Bij polemieken kan een ‘hakmes’ worden gebruikt of een ‘fileermes’. Bij de eerste variant ziet men ook wel een ‘botte bijl’, wat de geringe appreciatie al verraadt. De echte polemist fileert en doet dat idealiter virtuoos.

Het Schrijflab heeft voor die ambachtelijke activiteit in zijn leerlijn een aparte stap ingeruimd, bij wijze van oefening. Ze schetst eerst risico’s, die berusten op wat ‘snel scoren’ wordt genoemd, naar ik vermoed een leerlingvriendelijke versie van populisme: rumoer aanrichten om het rumoer. Dat gaat ten koste van een medemens. Met dat besef stelt het Schrijflab leerlingen voor een keuze:

 

Stel dat je meer wilt met een polemiek: de lezer geen ophef bieden, maar stof tot nadenken. Dan moet je de tekst van de tegenstander heel serieus nemen. Die heel precies lezen en fileren op gedachten, aannames en argumenten: dus niet alleen op wat er staat, maar ook op waar het vandaan komt dat het er zo staat. Zoals een visboer met een mes een vis fileert en de graten van de vis blootlegt. De basis van een polemiek die stof tot nadenken geeft is dan die precieze lezing van de tekst én de achterliggende motieven van de schrijvers. Hoe je je punt daarna opschrijft, is stap twee. In deze oefening kijk je hoe je fileertechnieken je kunnen helpen bij de eerste stap, en hoe je daarna je punt kunt maken. Met of zonder snel scoren, want scoren is natuurlijk wel scoren als je bezig bent lezers te overtuigen.

De schrijver, dichter en criticus Gerrit Komrij kon als geen ander teksten van anderen fileren.

 

Een curieus betoog, waarin mij de taalversterker ‘heel’ ontroert die blijft waarschuwen. Het is net alsof men vóór de introductie van Komrij al zegt dat het altijd mis kan lopen, zelfs als het goed gaat. Ook wie virtuoos fileert kan verbinding verbreken. Scoren als naast het doel schieten? Intrigerend vond ik elders te begrijpen dat het verbrokenverbindingsresultaat in het bijzonder vrouwen wordt aangerekend als ze harde kritiek leveren op andere vrouwen. Er speelt hier iets mee van solidariteit, dat na aan mijn hart ligt en dat ik in dit verband niet goed snap.

 

Nudistisch

Mij valt verder op dat de getroffen partij niet aan het woord komt. Over slachtoffers en eventuele sympathisanten is eerst door de polemische dader gesproken, en daarna door derden. Dat bleek in België onlangs nog bij de uitvoering van SANCTA, Florintina Holzingers beruchte opera tijdens de uitvoering waarvan toeschouwers onwel waren geworden van het bloed en seksueel geweld. Er traden naakte nonnen in op, ‘een nudistische persiflage van het religieuze leven van zusters’ volgens de Antwerpse bisschop Bonny die bezwaar aantekende namens katholieken. Toch riep hij hen op niet te protesteren, maar hun gekrenktheid om te zetten in paasvieringen.

Een getergde Holzinger meende strijdlustig: ‘what the fuck is wrong with shock?’ Haar voorstelling, die volgens de trailer een prachtige uitwerking gekregen had, kaderde ze zelf in brede westerse onrechtmatigheden. Maar volgens Gwendolyn Rutten was dat het punt niet. De oud-leider van de liberale OpenVld die inmiddels Anders heet, meende dan wel dat de bisschop een katholieke relaps beleefde, maar bovenal dat hij met vermeende lange tenen zijn geloof had laten kapen door extreem-rechts. Ze riep Bonny op tot verdraagzaamheid.

Meer kanttekeningen spoelden aan. Daarbij kwam één type argument mij bekend voor uit de lange geschiedenis van polemieken. Ik noem het deftigjes de substitutietechniek: voor het ter discussie staande object zet je iets anders in dat zijn controverse bewezen heeft. Vaak gaat het om ‘de jood’ of ‘de moslim’. In dit geval waren de blote nonnen dan te vervangen door besneden piemelaars of door blote meneren met ‘arafatsjaals’ en bomvesten.

In het debat zag ik wel geen blote paters voorbijkomen. Mogelijk omdat de SANCTA-regisseur een vrouw is, speelde hier blijkbaar geen seksisme. En waar velen geen begrip hadden voor bisschop Bonny’s protest tegen het hergebruik van christelijke symbolen, lag dat even later anders bij Trumps zoveelste narcistische provocatie, toen hij zichzelf door AI liet afbeelden als door handoplegging helende Jezus.

 

Uithangen

Uit mijn kwalificatie ‘zoveelste narcistische provocatie’ blijkt al dat, voor mij, polemieken niet als één geheel zijn op te vatten. Ik neem Florintina Holzingers shocktherapie veel serieuzer dan Trump. Dat brengt me in het vaarwater van de Utrechtse leerlijn Polemiek. Hoe schuchter en objectief de tien stappen daar ook zijn beschreven, ze tonen bij nagenoeg iedere fase voorbehoud. Wat Trump doet, zou volgens het SchrijfLab vallen onder ‘sarren’. Voor mij ontbreekt de intellectuele en geëngageerde basis die het choqueren door Holzinger wel heeft.

Maar bisschop Bonny’s protest wil ik evenmin opzijschuiven. Enerzijds zal dat uit ergernis zijn over de vanzelfsprekendheid waarmee Rutten religieuze instituties als dusdanig gedateerd beschouwt dat ze beter op de lippen bijten en het spreekrecht ongelimiteerd acht voor breuken met één specifiek geloof dat katholicisme is. Het doet denken aan de arrogantie anno 2008 van haar destijds door Verhofstadt aangestuurde partij en artistieke partners bij de euthanasie van Hugo Claus, tegenover aartsbisschop Danneels.

Aan de andere kant bevalt me aan Bonny dat hij opkomt voor bovenpersoonlijke waarden die hij tot nader order persoonlijk onderschrijft. Dat die moralistisch (kunnen) zijn, doet er niet toe. Ik zou het erger hebben gevonden wanneer de bisschop had gezwegen uit imagoredenen of omdat zijn strijd al vruchteloos gestreden zou zijn. Daarmee verschil ik alvast van het Utrechtse SchrijfLab dat een stap heeft ingeruimd voor ‘belangenafweging’. Mij is dat te strategisch, te pragmatisch.

maandag 16 februari 2026

Rocksterrenstatus

 

 

Rare tijden voor de diersoort die zich schrijver noemt. Gekooid door meningen, of ermee gevoederd, tussen de tralies van media hopsasa. Momenteel ontwaar ik drie typen reflexen die verlokken tot survival. Het eerste type heeft allicht nog te maken met de overproductie, waardoor boeken niet de redactie en eindredactie krijgen die ze verdienen. Die diagnose is bepaald niet van gisteren, en wordt heden bevestigd door de receptie van alle Librisprijsinzendingen die zich gelukkig niet beperkt tot één uitgeverij.

Enkelingen kunnen flierefluitend stileren over ‘hubristikè diathesis, zoals Aristoteles het noemde – een overmoedige houding. Die houding, ook wel ataraxie genoemd (…)’, maar indien een lezersblik een met zware publiciteit omgeven auteur van buiten de Grachtengordel en zijn Vlaamse equivalent treft, dan ogen de consequenties draconischer. Schoolvoorbeeld is Lale Gül, op wier stijl zoveel werd aangemerkt dat niet iedereen beseft dat ze meer heeft meegemaakt dan honderd standaardliteraire auteurs in de Lage Landen bij elkaar. De omstandigheden waaronder haar werk ontstond, vragen niet alleen om extra steun bij redactierondes maar ook om boven-esthetische maatstaven die literatuur sowieso in een wurggreep hebben (diverse herdenkingsstukken over Cees Nooteboom, wiens oeuvre tientallen zorgvuldig gecomponeerde titels telt, namen de binnenweg naar zijn laatste, halfbewuste interview).

Onder die stijlkritiek gaan morele bezwaren schuil die beter zichtbaar worden wanneer auteurs in hun privéleven niet blijken te hebben voldaan aan hun maatschappelijke pretenties. Van deze kwaal zijn er recent drie voorbeelden geweest: Lucebert, Zwagerman, Chomsky. Zij hebben gemeen dat ze zich politiek links profileerden. Zo kunnen ze als hypocrieten gelden, en in de virtuele wereld efficiënt worden afgefakkeld. Het is bijna schunnig dat er daarbij uniform van ‘de elite’ wordt gesproken, waar er afhankelijk van de branche talloze netwerken actief zijn.

Duizelingwekkend vind ik dat bij de Zwagerman-ontluistering de feiten al grotendeels bekend waren, maar pas door bekrachtiging van biografe Vlaar status kregen. Daarbij woog voor haar de moraal zo door dat taal, het oeringrediënt van schrijver en literatuur, er minder toe deed. Dat drong pas achteraf goed tot me door, toen ik kennisnam van haar juichende recensie over Alara Adilows romandebuut. Die eindigde zo:

 

Op haar newspeak moet je soms kauwen: “De golven van gebeurtenissen slaan onwetend tegen het lijf, en in die uitholling groeit een identiteit.” Voor slordigheden als ‘jouw’ waar het ‘jou’ moet zijn of ‘Saga’ en ‘Hoorn’ in plaats van Sagal en Uithoorn, had Adilow behoed moeten worden, maar ach: wat een vol en rijk boek!

 

Dat hoofdzaak hier bijzaak wordt, maakt het logisch dat Vlaar deze roman vervolgens opnam in haar boekentoplijstje van het jaar 2025. En dat Adilow dus op één welbepaald criterium ten prooi viel aan een volkomen ander lot dan Lale Gül, die ideologisch aan de overzijde van het spectrum zit.

Ik neem Adilow mede even als voorbeeld omdat ze valt te verbinden met een derde, zo mogelijk nog complexere reflex op auteurs: dat ze hun tekst niet echt zelf hebben geschreven. Als curator van een prestigieus DWB-nummer bleek volgens de redactie voor haar namelijk het lichaam

 

‘een plaats waar identiteit, macht en verzet elkaar kruisen. In de door haar verzamelde bijdragen geldt het lichaam als archief van kennis en ervaring, als plaats van conflict en als drager van geschiedenis en toekomst. Het lichaam drukt zich uit in gender en huidskleur, maar evenzeer in ritme, ademhaling en houding. En in literatuur – die op haar beurt als een lichaam werkt: iets wat ons raakt en vormt en permanent betekenis genereert.’

 

Vijf drieslagen achter elkaar plus een maar-zin: ChatGPT-alert! Hogere wiskunde vind ik nu dat deze verdachtmaking mijnerzijds aan de ene kant het grootste verwijt is dat je iemand kunt maken (oplichterij), terwijl er aan de andere kant laconiek op wordt gereageerd. Studenten ‘komen ermee weg’, en uit strategische-visiedocumenten begrijp ik als docent vooral mijn eigen bias te moeten bewaken en bevragen tegenover mensen met een migratieachtergrond.

Volgens mij beweer ik al langer dat bij hen het probleem niet zit. Maar ik beweer zoveel.

Ook waren er recent in België twee noodoproepen tegen ChatGPT. In de eerste klaagde redacteur-persklaarmaker Liesbet Depauw te moeten arbeiden aan een typoscript dat overduidelijk door een machine was voortgebracht. In de tweede constateerde opiniechef Anja Otto van de zakenkrant De Tijd dat het leeuwendeel van de stukken die ze sinds de jaarwisseling toegestuurd kreeg een ernstige ChatGPT-tic vertonen. Stilistische eenheidsworst in teksten die op persoonlijke titel heten te zijn geschreven.

donderdag 5 februari 2026

Wil je de wereld verbeteren?

 

 

 

Mijmerend over de recentste taalontwikkelingen onder mijn studenten, besloot ik onlangs ferm dat het eeuwige debat over verengelsing passé is of naast de kwestie. Hun Nederlands oogt, in mijn ogen, steeds meer als een terugvertaling uit het Engels.

Onverwacht dook daarna een bron op waaraan ik mijn indruk kon toetsen. Een compleet boek zelfs, waarvan de boodschap behartenswaardig is: doe niet mee! Het is geschreven door de iets oudere, in 1997 geboren Simon van Teutem. Hij studeerde en was stagiair op exclusief Engelstalige locaties (‘contexten’, zou ChatGTP zeggen). Over die opleiding vertelt hij, en ook waarom hij aan de rand van zijn studententijd een radicale en wat mij betreft sympathieke keuze maakte. Het boek heet De bermudadriehoek van talent, met als allitererende ondertitel Hoe knappe koppen verdwijnen in betekenisloze banen. Het verscheen in 2025 en ik raadpleegde de vijfde druk uit datzelfde jaar.

Eerst bladerde ik door vele bladzijden achterin met noten, om te weten of mijn natte vinger mocht blijven. Volgens mij wel, nog. Overweldigend veel gegevens ontleent Van Teutem aan Engelse en Amerikaanse bronnen terwijl hij, meen ik op mijn oude dag te kunnen meevoelen, niet ontsnapt aan een Hollanderschap. Dat geeft soms spanning, waarvan de laatste notenpagina weergaloos getuigt. Hij citeert er een fragment van ‘Lucius Annaeus Seneca’ in het Nederlands, met als verantwoording: ‘De Brevitate Vitae (in het Engels: On the Shortness of Life) (49 n.Chr)’. Het Engels is zogezegd sterker dan het hoofd.

 

Acteren

Toen ik het boek van voor naar achter gelezen had, werd me duidelijk dat Seneca niet de enige was geweest bij wie deze vroegwijze Abraham the mustard had gehaald. De bermudadriehoek van talent bulkt van de adagia en ze voegen zich naar de taalbiotoop. Zoals van Friedrich Nietzsche, die bij Van Teutem wordt gefixeerd in ‘Twilight of the Idols (1889)’. Zo doen mijn studenten dat ook! Apart, dat universum van wereldwijde, realtime vertaalde bestsellers. Een intellectueel zou toch verwijzen naar Götzen-Dämmerung. Zoals recent Frank van de Veire, die vervolgens in het Nederlands citeert zonder de vertaler te noemen, en aldus mogelijk zelf voor dit fragment in stond. Mensen zoals ik zouden deemoedig Godenschemering raadplegen.

Montesquieu wordt door Van Teutem wel in de oorspronkelijke Franse taal aangehaald, en uit de verantwoordende noot blijkt dat hij daar een citatenwebsite voor bezocht. Hij vermeldt, zoals mijn studenten dat ook moeiteloos doen, correct zijn raadpleegdatum. Toch citeert De bermudadriehoek van talent dan weer de mauvaise foi van Sartre even bronloos als de vertaler van het plechtstatig curieuze ‘kwader trouw’. Van Teutem noemt verder Nassim Nicholas Taleb een ‘essayist en oud-bankier’, maar volgens Wikipedia is hij een voormalige derivatenhandelaar die boeken schrijft (of is het Engelse ‘essayist’ overzee van betekenis veranderd?).

Zulke kortsluiting is evengoed te beleven bij een gevestigd columnist als Arjen van Veelen, een generatie ouder dan Van Teutem. Eind vorig jaar meldde hij onder meer dit, kopieerklaar:

 

De uitdrukking esprit de l’escalier (‘trappenwijsheid’) komt uit een achttiende-eeuws boek van de Franse filosoof Denis Diderot over acteren: Paradoxe sur le comédien. Dat ‘paradox’ in de titel slaat op het feit dat een acteur die emoties wil toveren in het hoofd van zijn publiek, zelf juist niet emotioneel moet zijn. Acteren is een vak waar je je hoofd bij moet houden doch cool, calm and collected, aldus Diderot

 

Wel formuleert Van Veelen het zo dat er ruimte ontstaat waarin de Engelstalige drieslag niet per se op naam van de Fransman geschreven hoeft te worden. Eventueel kan de hedendaagse columnist knipogen naar een hippe uitdrukking en zijn betoog opladen. Google geeft mij alvast geen treffers bij “cool, calm and collected” in combinatie met Diderot. Wel trof ik een draadje met allerlei suggesties, die minder oud zijn – van vlak voor de Tweede Wereldoorlog tot en met een reclame uit 1960 voor deodorant.

Wanneer ik op autoriteit van een YouTube-leraar de volgorde in het citaat omdraai tot “calm, cool and collected” heb ik wel prijs. Voor Google wringt het ‘AI-overzicht’ zich ineens boven de treffers, krijgt Diderot een geboorte- en sterfjaar maar het door Van Veelen genoemde boek niet. Daarna is er een heuse treffer vanaf Reddit, waar maf genoeg het citaat niet te vinden is maar wel de uitdrukking esprit de l’escalier met een link naar de Engelse Wikipedia-pagina.

 

Insecure

Ironisch dat dit soort tijdrovend gepriegel me in het Frans zelf niet direct iets oplevert. Daar leer ik uit dat mijn rendement dringend moet stijgen en dan ben ik, terug in De bermudadriehoek van talent, bij Van Teutem aan het goede adres. In zijn eindnoten staat nogal eens X als autoriteit. Een biografisch feitje over J.K. Rowling, dat je overal zult kunnen vinden, ontleent hij bijvoorbeeld aan een wederom keurig gedateerde tweet van haar uit 2023.

Ik probeer me dat voor te stellen. Van Teutem bekent zich als een workaholic die nooit te beroerd is om ’s avonds een bibliotheek te bezoeken. Ook lijkt hij eigen met sociale media. Dan zal er uit de stroom van informatie die zijn brein én telefoon bespoelt geregeld iets blijven plakken. Inmiddels verbind ik dat met een bewering die geregeld over een nieuwsfeitje opklinkt: ‘Ja, ik heb dat ergens zien passeren’. Pats, vastgelegd!

En op sociale media zal Engels allicht nog dominanter zijn dan op een gemiddelde website. Door de veelheid en de hoge snelheid lijkt het me ook redelijk dat de invloed krachtiger is. Als ‘nietige stukjes arsenicum’, die Victor Klemperer al benoemde bij nazipropaganda. Daarbij fascineert me feitelijk met jargon te maken te krijgen. In de wetenschap dat Van Teutem van binnenuit milieus van consultancy en accountancy tracht te beschrijven en daarbij bevestigt dat ze van piepschuim zijn, wordt deze zin vanzelfsprekend: ‘De hyperactieve twintiger in deze sectoren is een insecure overachiever en een homo competitivus.’

Geweldig! Beide typeringen zijn voor mijn toch best geoefende taaloor onalledaags en bij de eerste kan ik van het bijvoeglijk voornaamwoord ‘insecure’ niet eens met zekerheid zeggen dat het Engels of Nederlands is, toch van belang om de betekenis te achterhalen (onzeker of onzorgvuldig).

 

woensdag 28 januari 2026

Zwoesj-zwoesj

Voor W.N.

 

 

 

Ziezo, de papers van het eerste semester zijn weer van punten voorzien. Een monsterinspanning die ik al jaren met liefde doe. Deels uit nieuwsgierigheid naar de jongste ontwikkelingen in taal, deels omdat het me een plicht lijkt waarvan ik zowaar het nut zie. In een tijd waarin ‘mentaal welzijn’ geen pleonasme is staan studenten onder druk, naar verluidt de grootste EVER, en ze verdienen het om adequaat begeleid te worden. Door steun, maar evengoed door schoolmeesterlijke correcties.

De plicht van het punten geven (quoteren, in het Vlaams) had ik al bijna met de term ‘essentieel’ bekroond, ware het niet dat ChatGPT daar als pepernoten mee blijkt te strooien. Met het noemen van de Artificieel Intelligente intrigant beken ik meteen maar dat ik de plicht ditmaal deprimerend vond en de sensatie onderging een vergeefse, om niet te zeggen bespottelijke inspanning te hebben geleverd.

Natuurlijk, sporadisch was ik weer groos en van mijn melk wanneer een student voortreffelijk schreef en iets te melden had. Maar ik betrapte me er voor het eerst op, dat ik bij het nalezen niet meer aan het leren was maar aan het wantrouwen. In plaats van dat ik studenten met mijn betweterigheden kon stimuleren, was ik hen aan het controleren. Fraude of geen fraude, dat is voor de Hamnetten in de docentenstiel de kwestie geworden.

In de praktijk komt het er zo’n beetje op neer dat iedere door mijn laserogen ontwaarde tricolon – een retorische drieslag met een geschiedenis van heb ik me jou daar – een stigma van mijn digitale markeerstift te verduren krijgt. En als de gedachtestrepen uit de vorige zin me te breed zijn en door geen wit worden omgeven, dan komt er nog zo’n fluogeel litteken bij. Onder meer de uitdrukking ‘Onderzoek toont aan’ verwekt inmiddels mijn argwaan en de notoir bluffende ‘niet alleen, maar ook’-constructie. Zelfs voorzetsels staan onder verdenking. Kreeg ik al de pestpokken van ‘rond’ als er ‘aan’ of ‘over’ werd bedoeld, mijn treurigste ontdekking van 2026 is alvast dat ChatGPT ‘in’ heeft vervangen door ‘binnen’.

Zware concurrentie aan het front, ongetwijfeld, maar ik ervaar de regulier geworden polyetherfrase ‘binnen deze context’ als een belediging. Al was het omdat ik er toch van wil blijven uitgaan, dat studenten hun papers herlezen voordat ze die inzenden. Zo’n realiteit blijkt niet langer haalbaar. En mogelijk begrijp ik dat wel. De druk die studenten beleven komt allicht inderdaad van sociale media, en misschien van familie die hoge verwachtingen heeft én zich zorgen maakt over de financiën. Maar volgens mij is er iets aan dit noodpakket toegevoegd.

Het betreft de zogeheten academische studie. Daartoe moet ik aan mijn publiek passend Nederlands bijbrengen. Omdat het bestaat uit toekomstige kunstenaars mag hun taal persoonlijk zijn. Haast gebruikte ik de term ‘creatief’, maar die is door de communicatie-industrie naar de kloten geholpen. En studenten voelen dat. Ze worden ook onzeker van gepraat door taaldeskundigen uit een jonge niche die symposia, enquêtes en acties spuwt en waarin mede pedagogen en kwaliteitscontroleurs zitting hebben. Hun zogeheten dialogen gaan dan over ‘meertaligheid’ en ‘inclusie’, over reacties op dt-fouten, van veroordelend over relativerend naar vergoelijkend.

Naast dit evangelisme horen en lezen studenten een bokitotaaltje van docenten die verklaren ChatGPT te gebruiken voor hun lessen en voor hun examenvragen en correcties en becijferingen. Het zou me niet verbazen dat tussen hun ETCS-fiches al de kerncompetentie ‘goed leren prompten’ te vinden is. Als het afschrikwekkend gebetonneerde pad naar goede taal in ijltempo alsmaar drassiger wordt, wat let de studenten dan nog zelf exclusief ChatGPT te gebruiken?

 

vrijdag 9 januari 2026

Ik had een paar duidelijke


 

 

 

Thomas Heerma van Voss bundelde in De prullenmand heeft veel plezier aan mij interviews die lekker weglezen. Omdat ze over iets zo complex als literatuur gaan, is dat misschien opmerkelijk. Maar in het boek spreekt bijna exclusief de biografische persoon achter de auteur, op gevorderde, in principe werkluwe leeftijd ook. Bijna vijftig jaar na dato benaderde Heerma van Voss namelijk nog levende medewerkers die anno 1977 hun bijdrage aan De Revisor leverden in de vorm van een getekend zelfportret.

Het toenmalige literaire-tijdschriftinitiatief weet aan de interviewer de heden niet geheel onobligate kanttekening te ontlokken dat de man-vrouwverhoudingen scheef lagen, en dat mensen van kleur er niet te vinden waren. Indien hij echt had uitgezoomd was het Heerma van Voss allicht ook opgevallen dat De Revisor geen notie van Vlamingen had, op Ivo Michiels na. Maar zo’n zelfkritische beweging past deze bundel niet. Bij de Amsterdammers onder de geïnterviewden laat Heerma van Voss niet na te vertellen of hij hun straat kent of in hun buurt is opgegroeid.

Mij frappeerde dát die locaties opduiken. Ze suggereren intimiteit, die andermaal bevestigt hoe ver de autonomistische school inmiddels verwijderd is van de norm. Een genretechnisch overeenkomstig boek als Scheppen riep hij gaat van Au (1965) door H.U. Jessurun d’Oliveira stamt in verhouding uit de middeleeuwen, uit een ambachtsatelier. Wellicht valt De prullenmand heeft veel plezier aan mij beter te scharen onder de hausse aan biografieën. Conform aan de huidige zeden voorspelt Heerma van Voss’ achterflap een ‘smakelijke literatuurgeschiedenis’ en maakt die belofte letterlijk waar. Elk gesprek vermeldt wat auteur en interviewer drinken (bijna altijd thee) en welke koekjes of soesjes erbij geserveerd zijn, en of in de woordenstroom de geïnterviewde tijd vindt om ze te eten.

 

Stutten

Deze schrijvers blijken bijna allen spraakwatervallen. Voor zover ze het niet zelf zeggen, legt Heerma van Voss de reden daarvan bloot: ze zijn eenzamerig en staan niet meer in de belangstelling. Hij is dus ook hun verlosser – meer dan eens eindigt een gesprek met de vraag aan hem om nog eens langs te komen of in elk geval contact te houden. Er hoort een motief bij van communicatiemiddelen. Deze auteurs bezitten zelden een smartphone of laptop. Ze moeten het stellen met oude, slecht werkende bakbeesten van computers, en foeteren op internet dat alles, kennis én verbondenheid, kapot heeft gemaakt. Toch oogt niemand cynisch; veeleer leeft men, mede door gezondheidsproblemen, in het besef van vergankelijkheid, ook van generaties. En zonder zicht op publicatie schrijven velen voort.

Door deze opzet kan Heerma van Voss om boeken heen laveren. Ze functioneren louter als kapstok voor anekdotes over triomf en mislukking, uitgeverssores of mediasteun. In de psychologiserende biografietjes achter in het boek moeten de geïnterviewden zelf hun favoriete eigen titel geven. De ondertitel Schrijversportretten toen en nu is dus goed gekozen. Destijds een beeld van de schrijver, nu de taal van het portret. Als in het mooiste gesprek van de bundel Jan Kuijper aan Heerma van Voss vraagt of hij een bepaald (recent bij een niet-Amsterdamse uitgever verschenen) boek van hem ter voorbereiding heeft gelezen, pareert de interviewer of dat dit de verwachting had mogen en kunnen zijn. Waarna de geïnterviewde met een anekdote komt die zijn ontzagwekkende eruditie relativeert.

Wanneer ook Heerma van Voss oprecht was geweest, had hij zich geout als cultureel ondernemer bij wie tijd geld is. Naast dit project, dat hij startte als freelancer voor het Literatuurmuseum Online, is hij columnist bij De Lage Landen, gastdocent Creatief Schrijven op de VU en kunstmedewerker van De Groene Amsterdammer. Achteraf redundant merkt hij in zijn inleiding op dat hij zijn stukken niet wilde ‘stutten met veel jaartallen, titels, feitjes, stijlanalyses of geëxpliciteerde dwarsverbanden’. Een motief in dit boek is zijn bevreemding als meer geportretteerden, als waren ze schoolmeesters en andere wereldvreemden die in een studeerkamer of achter een scherm te vinden zijn, eerste versies zorgvuldig corrigeren. Feiten en toewijding rijmen allicht te sterk met de geregeld gememoreerde gouden tijd van de Nederlandse boekencultuur, van de jaren zestig tot negentig.

Heerma van Voss wilde, mijns inziens terecht, niet romantiseren. Maar had dat moeten leiden tot debunking? Nu laat hij auteurs babbelen over een tijd waarin ze culturele betekenis hadden én laat ze bij hun geheugenverlies namen beloven en behinten, die hij niet opzoekt. Zo sardonisch ontvouwt zich deze literatuurgeschiedenis, met leeslint en zonder register of bibliografie. Zo wordt evengoed ‘ontlezing’ een banaal begrip. Bovenal blijft het een aanleiding tot persoonlijke relazen en tot een beschrijving van uitpuilende bibliotheken. Daarbij ontdekte Heerma van Voss, naast de eenzijdige samenstelling van de Revisor-tekenaars van dienst, nog iets. Keer op keer bleek ‘dat elegant ouder worden een kunst is, een precair proces waar de ene schrijver beduidend meer talent voor heeft dan de ander’.

 

donderdag 18 september 2025

Met de wereld en zichzelf!





 

Dat de ondertitel Een eigentijdse waarschuwing door de uitgever is bedacht, vind ik grappig. Want Achtung, Europa! liegt er niet om. Steeds moet ik me bedwingen om eens een keer geen parallellen te zien tussen het zo onderhand wel erg tumultueuze heden en het naziregime zoals Thomas Mann dat, vóór het uitbreken van de oorlog, in hooggestemde essays analyseert. Bovendien, ‘eigentijds’ als opzichtig bijvoeglijk naamwoord klinkt zo pompompom. Zo Duits, zo nietzscheaans.

Ik zou een omgekeerde oefening willen doen, door een fragment uit een Mann-essay dat hij niét zelf schreef als omineus-representatief te beschouwen. Het gaat om een briefje dat hij in 1936 krijgt van een Filosofiefaculteit uit Bonn. Een decaan bericht aan Mann, die buiten Duitsland verblijft, dat deze na de intrekking van zijn staatsburgerschap niet langer als eredoctor staat geregistreerd.

De rest van het essay bestaat uit Manns ampele antwoord. Hij schreef het vanuit het Küsnacht am Zürichsee, in het vanouds neutrale buurland waar zijn ballingschap, bekrachtigd door een Tsjechisch staatsburgerschap, serieuze vormen begon aan te nemen en waarvandaan hij een jaar later naar Amerika zou vertrekken. Manns aandeel is gedateerd op nieuwjaarsdag 1937, en werd samen met het Bonn-bericht door uitgever-boekhandelaar Emil Oprecht dezelfde maand naar buiten gebracht onder de fijne titel Ein Briefwechsel.

 

Heerrijder

Maar dat briefje dus. De aanhef heeft meer iets van een referte: ‘Aan de heer schrijver Thomas Mann!’ Door vermelding van het beroep en door het uitroepteken wordt de aangeschrevene, zoals dat nu heet, ontmenselijkt (gedehumaniseerd). Dus is het consequent dat de briefschrijver zelf met een onleesbare krabbel ondertekent en met zijn gehoofdletterde functie, Decaan. Er staat niet eens een adres bij, laat staan een telefoonnummer, een informatiebron die nu een voorzichtige comeback maakt. Slikken maar.

Mann, die zijn antwoord zoetsappig zou openen met ‘Zeer geachte heer decaan’, is vóór het bericht meegedeeld wordt al een type. Een culturo, zou men nu zeggen. Of: een subsidieslurper. Of nog erger, maar in lijn met wat de hele bundel tracht te repareren: een intellectueel. Arnon Grunberg toont in zijn voorwoord bij Achtung, Europa! met een Teutoonse observatie van Gottfried Benn dat de complete familie Mann als wereldvreemd en verwend gold (in zijn boek Februari 1933 gebruikte Uwe Wittstock daar de term ‘heerrijder’ voor, ‘het type dat het graag over hoge idealen heeft, maar in wezen elitair en verwaand is’) .

Dan komt de eerste van de twee zinnen die de decaan voor zijn bericht nodig heeft. ‘In overleg met de rector moet ik u meedelen…’ Mijn ongetwijfeld verhitte brein slaat aan. De verantwoordelijkheid gaat meteen naar een superieur. Diens status als wetenschapper is bij vele hedendaagse debatten echter ambivalent. Indien hij een protagonist is, zoals hier, fungeert hij als autoriteit, desnoods expliciet voorzien van zijn professorenrang. Indien zijn opvattingen niet stroken met het gewenste, dan is hij, zeker op het web waar ‘conflictondernemers’ van sociale media Silicon Valley verrijken, een hypocriete oplichter. Een nepprofessor.

Even dubbelzinnig is de op zichzelf overbodige toevoeging van het hulpwerkwoord. Doordat hij de eindverantwoordelijkheid heeft verlegd, is de decaan slechts spreekbuis. Aan de andere kant voldoet hij via dat hulpwoord geheel vrijwillig aan zijn morele plicht. Maar het blijkt in het vervolg van de zin dat de Filosofiefaculteit de agens is bij de kwestie. Een organisatie dus, en geen persoon. Zo stelt ook de wortelkleurige de zaken graag voor: Amerika wil, Amerika doet.

Dan geeft de decaan, opgehangen tussen komma’s, de aanleiding tot de handeling: de intrekking van Manns staatsburgerschap. Maar dat was hem ontnomen door de nazi’s, van wie in het briefje elk spoor ontbreekt.

 

maandag 1 september 2025

Over moraalridderschap

 

 

 

 

In een grappig stukje lijstte Ewoud Sanders woorden op, besteed aan de terugtreding van het voltallige NSC-smaldeel uit het demissionaire kabinet. Hij lichtte er één speciaal toe: ‘shitshow’. Inderdaad een bijzonder woord dat bijdetijds klinkt. Het past misschien bij de toffe mengtaal waarin Tom Lanoye zijn geactualiseerde Reynaert de vos liet denken. Tegelijk had Sanders geen begrip voor het vertrek. Hij vond het onverantwoord, en ventileerde een hoger bezwaar dat hij op zijn beurt vatte in één woord voor de betrokken politici: ‘moraalridders’. Waar komt dat vandaan?

Ik hoor een tweeledig begrip. Een moraal-ridder combineert een fenomeen met een beroep. Zoals bet-weter, zeden-meester en zeden-preker. Of vanuit het Duits: de prinzipien-reiter. Bij alle vier bestaan voor hun activiteiten substantieven, en bij de eerste drie zelfs werkwoorden. Ze zijn best bekende verschijningen in Nederland, dat in zijn protestantse gedaante al te goed zou weten hoe anderen zich behoren te gedragen. Grote waardering is er niet voor hen weggelegd. Literair wordt meesmuilend gedaan over domineespoëzie, desgewenst uit te breiden naar de branche van school- annex bovenmeester, wier verheven geesten netto aan de beperkte kant schijnen. Vestdijk zou nog de even tweeledige term ‘fatsoensrakker’ bedenken.

 

Uithangen

Heerst hier simpele zelfhaat tegen hardnekkige vooroordelen? Een oppositie in een samenhangend aantal steekwoorden weerlegt een veronderstelde landsaard, die evengoed van veraf kan zijn gediagnosticeerd. Niemand minder dan antropoloog Ruth Benedict bleek al getroffen door ‘het morele gelijk’ in Holland. Te simpel en dichotomisch voor een wereld die alleen maar complexer wordt. En mocht het nu lijken dat Sanders aanhaakt bij een ver verleden, dan moet ik me meteen corrigeren. Een fameuze hekelfiguur in recente opinistiek, evenzeer aan het Duits ontleend maar nog zonder substantief of werkwoord, blijkt de gutmensch. Hij is voor het eerst gesignaleerd in 2015.

Met laatstgenoemde term wordt duidelijk dat taal weer eens politieke verschuivingen toont. Het bezwaar tegen dominees, schoolmeesters en aanverwanten luidde dat ze conservatief waren. Hun macht belemmerde bovendien morele veranderingen. In het roemruchte protestdecennium van de jaren zestig, bijvoorbeeld, kan ‘regent’ een gedaante zijn waarin links zulke stagnatie ontwaarde. Inmiddels zou ‘de elite’ in een linkse kerk schuilgaan. De gutmensch past in het jij-bakschema dat in de Bijbel op Farizeeërs lag: hij is feitelijk hypocriet. Net als projecties die snibbig aangeduid worden in woorden beginnend met ‘deug-’ (behalve de klassieke ‘deugniet’, vertikkeme toch, door Lanoye al geïdentificeerd met Disney-pop en Plopsa-flop). Ze zwaaien de scepter in ‘de woke-dictatuur’. Even snerend afgewezen wordt hun state of mind die dan ‘politiek correct’ heet, eventueel afgekort tot ‘poco’ en vergezeld van het blijkbaar zelfstandig handelend naamwoord ‘de policor’.

Ik deed een proefje, door ‘moraalridder’ als zoekterm in te geven op het weblog van de polemische Vlaams nationalist Johan Sanctorum bij wie ontmaskering en deconfiture een hobby lijken – en zie, van begin af treffers. Ook vond ik het pejoratief terug in debatten over het cordon sanitaire. Door de agora van publieke meningsverschillen te sluiten voor Vlaams Blokkers zou de moraalridder zich verheven weten boven mensen die hij niet eens spreekt, al is zijn basis moraliteit. Interessant is ook het werkwoord dat hieraan vasthangt: ‘uithangen’. Het klinkt goedkoop en treurig. En bovenal vals, want wie de moraalridder uithangt lijkt in laatste instantie een slecht acteur. Of heeft deze figuur geen oog voor de echte wereld?

maandag 7 juli 2025

Übernudging

 

 

 

Als beginnend journalist moest ik in het vaderland ooit een symposium over De Toekomst Van De Gezondheidszorg verslaan. Mij staat bij dat er noodklokken luidden die dissonantie teweegbrachten. De directeur van een ziekenhuis zag kosten de pan uit rijzen, terwijl zijn specialist in een zogeheten maatschap te weinig inkomsten noteerde. Laatstgenoemde spreker, die ik voor een vermogend man had gehouden, redeneerde zo onnavolgbaar dat ik voor hem mijn spaarpot kapot wilde slaan omdat zijn faillissement aanstaande leek en hij, in zijn offer aan iedere medemens, aan de rand van afgrond stond.

Gelukkig vertrok ik spoedig naar België en ontdekte dat de gezondheidszorg er beter georganiseerd was. Wel ontstond er andere verwarring. De factuur van artsen bleek afhankelijk van hun statuut. Nog altijd. Er loopt zowel ‘geconventioneerd’, ‘deels geconventioneerd’ en ‘niet-geconventioneerd’ hooggeschoold medisch personeel rond. Bij vergoedingen van de laatste twee groepen laat het ziekenfonds ruimte voor fluctuerend ‘ereloon’ en ‘supplementen’. Ook bieden zulke geneeskundigen steeds vaker diensten aan tegen verschillende tarieven. Wie spoedig geholpen wil worden, kan dat in de avonduren en weekenden voor een meerprijs. Wie die niet kan betalen, komt op de wachtlijst.

Als ik het goed begrijp stijgt het aantal artsen dat deels of niet is geconventioneerd, samen met de prijs voor hun kunde. In mijn woonplaats zijn er nog zo weinig tandartsen die tegen een afgesproken tarief werken, dat er onlangs een mobiele post is opgericht voor ongelukkigen met veel pijn en weinig kapitaal. Toen ik dat las begreep ik beter waarom het normaal is geworden om een afspraak bevestigd te krijgen in mails met een curieuze mededeling die een dreigement behelst: wie niet tijdig afzegt krijgt een boete en zolang die niet is voldaan blijft hulp achterwege.

Vandaag staken artsen en specialisten in België. Als vakbondsknaap vind ik dat een legitiem middel om de werkelijkheid te verbeteren, zolang dit door het doel wordt geheiligd. Medeburgers krijgen een alternatief waardepatroon voorgelegd. Dus? Deze stakers vinden dat ze door de minister van Volksgezondheid, die stijgende kosten wil beheersen, in het nauw worden gebracht– tot en met de framing. Ze zijn geen geldwolven! En de toekomst van de zorg is, nog altijd, in het geding! Innovatie, onderzoek, kwaliteitsborging!

Als mafketel van de taal heb ik gezocht naar een aansprekende tekst over dit schandaal en vond van een belangenorganisatie een uitleg:



Mijn beroepsgedeformeerde oog ziet meteen een spelfoutje. Plus een framewoord tegen de plannen van de minister: ‘staatsgeneeskunde’. Klinkt vertrouwd in tijden dat Trump alles wat hem niet zint ‘communistisch’ noemt (voor dat etiket komt in België louter de Geneeskunde voor het Volk in aanmerking, wier bekommernis en bescheiden honorering buiten elke discussie staan). De overheid is weer de klos. Mij ergert de populistische en denigrerende lading die deze belangenorganisatie aan ‘staatsgeneeskunde’ geeft, omdat gezondheid tot de domeinen behoort die nooit aan de vrije markt mogen worden overgelaten. Zoals de post, het openbaar vervoer, het onderwijs, enz.

Denigrerend vind ik sowieso de vormgeving van de argumenten. Alsof patiënten niet goed snik zijn en bij het handje moeten worden genomen. De korte tekst is al in drie blokken verdeeld, die alle een rode titel in hoofdletters hebben. Übernudging. Per blok staan er bulletpoints, in de vorm van groene vinken, whatsappwolkjes, rode andreaskruizen en pijltjes. Zo’n kleuren- en vormengamma schijnt pedagogisch effectief te zijn bij hersenlozen, om hun kans op begrip te maximaliseen. Komisch is dat artsen en specialisten zelf contaminerend ageren tegen een ‘overheid die de controle grijpt’ en het pleonasme ‘strikte overheidscontrole’ gebruiken.

Bijna de helft van de tekst staat, als variant op Trumps hoofdletters, in bold. Daar strijdt de druk die dit hooggeschoold medisch personeel zo legt met de ervaring van hun patiënten. Bijvoorbeeld dat het ‘samen met u’ het beste behandelplan wil kiezen. Nog los van het feit dat het bijwoord ‘samen’ in communicatie en beleid hooguit een retorische marker is, weten patiënten zich geconfronteerd met opgelegde behandelplannen van specialisten. Dialogen zijn er slechts met verplegend personeel en huisartsen.

Eén zin – een samenvatting samenvattend en omgeven door sneue emoji’s – is in een groter corps gezet. Zo valt daarin het woord ‘visie’ extra op. Hol neoliberalisme.  Dat past wel bij de bedreiging die deze geneeskundigen ervaren. Ze voelen zich aangetast in hun vrijheid. In België! Ik weet natuurlijk niet of ze ooit in een waarlijk restrictief land als Afghanistan zijn geweest of dat ze hinten op hun onbegrensd ondernemerschap. Wellicht hebben ze gewoon moeite met deze minister, een notoire betweter die het gangbare parcours van postideologisch socialisme heeft gelopen. Ik vind het althans frappant dat hij in de slotzin van deze uitleg opduikt om overtuigd te worden, terwijl ik als simpele patiënt geschoffeerd word met taal waarvan de vertrouwenwekkendheid wegsmelt.

Twee keer staat de tekst in bold én kleur. Zoals bij de beginobservatie dat de minister ‘rode lijnen’ overschrijdt. De uitdrukking in het Nederlands is echter ‘grenzen’ overschrijden. Natuurlijk was de afgelopen maanden de variant met de rode lijn erg veel in het nieuws, vanwege Gaza. Maar willen de artsen en specialisten van deze belangenorganisatie nu werkelijk beweren dat zij vergelijkbare slachtoffers zijn? Op deze morele uitverkoop ontsnapt mij maar één Belgisch antwoord: faut le faire.

Ik kan me evenmin onttrekken aan een parallel. Dit jaar hebben regeringen in verschillende landen aangekondigd streng te bezuinigen. Deze maatregelen hebben gemeen dat de happy few de dans ontspringen omdat geld wordt onttrokken aan een grote groep mensen die het krapst bij kas zitten. Bovendien wordt hun verweten dat ze profiteren van de staat. Moet er in de gezondheidszorg dan bezuinigd worden op verplegend en faciliterend personeel? Artsen en specialisten hebben jarenlang kunnen studeren, bekostigd door hun medeburger die belasting betaalt. Die onnozelaar moet ook het vage vrije systeem van vergoedingen in stand houden, inclusief erelonen en supplementen. Wat let dan wie?

donderdag 15 mei 2025

Zonder de stap te hebben gezet


 

 

Misschien omdat onduidelijk blijft of groot nieuws ook groot nieuws is, ontgaat me nogal wat. Maar volgens Elon Musk ligt de fundamentele zwakheid van de westerse beschaving in niets meer of minder dan empathie. Voordeel van kennisname achteraf is dat woede of wierook bij zo’n standpunt verdampt kan zijn en er andere vragen opdoemen. Zoals, niet heel erg origineel: welke westerse beschaving? En in het verlengde: wanneer empathie een factor van betekenis zou zijn, waarom gaat de gore schande in respectievelijk Oekraïne en Gaza dan onverminderd door?

Een derde bedenking plooit me terug: hoe verbreid is het woord ‘empathie’? Ik hoor het geregeld, maar sinds wanneer? En ook buiten mijn bubbeltje? Mijn geheugen wil slechts kwijt dat etholoog Frans de Waal erover geschreven heeft, als link tussen mens en dier, en als ontkrachting van het concept strijd ten faveure van samenwerking. Lui als een nijlpaard in de zon roep ik hulp in.

Tussen mijn computerbestanden vindt mijn ambachtelijke zoekfunctie eerst een verzameldocument van de betreurde en getalenteerde Neeltje van Beveren, dat vrolijk droog het bestaan van drugs aanstipt die empathogenen worden genoemd: je hoofd gaat er van open, zeg maar, zodanig dat je sociale vaardigheden en aandacht voor de ander spectaculair toenemen. Misschien lust de voor sociale media extreem beschikbare en ‘bijna altijd nuchtere’ Musk ze wel.

Ook blijkt mijn harde schijf een gedicht van de arts-politicus Dirk Van Duppen te hebben opgeslagen dat hij als outtake van zijn memoire Zo verliep de tijd die me toegemeten was opvatte en dat in 2020 op internet werd gepubliceerd wegens postume toekenning van de Prijs voor Mensenrechten. Het begint zo:

 

De samenleving staat op een kruispunt.

Het komt aan op keuzes die bepalen welke kant ze opgaat:

de warme, sociale kant

of de ijskoude, individualistische en asociale kant.

Die keuzes bepalen of het zijn overweegt,

dan wel het hebben.

Het collectieve en de vrijheid van de individuele mens

dankzij de hulp van anderen

of het individualisme

ten koste van anderen.

Empathie, altruïsme en solidariteit

of onverschilligheid, egoïsme en uitbuiting.

(…)

 

Aan de esthetische waarde ga ik voorbij om empathie te kunnen isoleren in een morele tweedeling. Het woord is de antipode van onverschilligheid. Zo heb ik het leren kennen, los van een dichotomie. En onder andere vlaggen, veeleer als adjectief ook, omdat het benaderende substantief ‘compassie’ vrijblijvend was en niet te rijmen viel met de toenmalige ontkerkelijking. Dus heette het ‘begripvol’ of ‘inlevend’. Ik meen dat het woord ‘empathie’ pas veel later opdook, in een passieve woordenschat. Wanneer ik het nu hoor, en aarzelend uitspreek, draagt het inderdaad automatisch de lading van het tegendeel met zich mee. Het heeft minder dan vroeger te maken met een inborst, en meer met goed en kwaad. En met nog iets, waarvoor me het lef ontbreekt het te poneren.

 

Hartstocht

Laat ik warm draaien op het geweldige archief van Delpher. Globaal klikken en blikken leert me dat de term ‘empathie’ voor het eerst door een zakelijk Nederlands bericht werd voortgebracht in 1836 (Bredasche Courant) en daarna mondjesmaat valt. Pas vanaf ongeveer 1985 wordt het aantal treffers echt veelvuldig. Ook in contactadvertenties, als gewenste eigenschap van een verhoopte! Voordat ik die grove borstel opberg zie ik nog dat Hannes Meinkema in 1981 door NRC aangewreven kreeg ‘plechtstatige’ begrippen te gebruiken als empathie (en oedipaal, monofunctioneel en connotatie).

Volgens NGgram-viewer die zich baseert op DBNL-teksten, dus meer gespecialiseerd cultureel, duikt de term zelfs pas op vanaf 1993 en maakt vervolgens een opgang die afgaand op de grafiek steil mag heten. Dat vind ik grappig, omdat er aannames bestaan over een artistieke elite die kwartiermakend zou zijn en het debat bepaalt – aannames die in dit geval worden ontkracht. Naast die vertraging heb ik het gevoel dat de term in dit milieu net iets anders betekent dan tegenwoordig, nu empathie een onweerlegbare soft skill is bij sollicitaties en overige georganiseerde omgang, en bovendien een zusje heeft gekregen in ‘hempathie’.

Volgens Van Dale is dat laatste woord sinds november 2018 in de roulatie. Ik raadpleeg die bron ook om mijn intuïties over de morele tweedeling te toetsen en waan me zowaar een connaisseurtje. Empathie geldt als tegenovergestelde van bikkelhard/glashard en houdt verband met emotionele intelligentie (EQ). Daarmee betreden we een domein dat, zeker vergeleken met historische IQ-testen, nagenoeg onontgonnen is en waarvoor interesse is gekomen bij wat ik maar noem de psychologisering in taal en maatschappij.

Laat ik me bij mijn leest houden en nog even terugkeren naar Van Dale die stelt dat het woord na 1950 via het Engelse empathy het Nederlands binnen is gekomen ‘naar Grieks empatheia [hartstocht]’. Verrek, had ik het met mijn inborst-versus-moraal-tijdslijn nu alweer bij het juiste eind? Of hangt in de verwarring weer eens alles met alles samen en puilt empathie evengoed uit het opschrift van een kartonnen doos die ik laatst bij het vuilnis zag? ‘Diapers with a mission’, stond er. De cynicus in mij grijnsde al, tot een surftocht bijbracht dat de fabrikant nobele bedoelingen heeft – en die, anders dan zijn product, kan trachten te realiseren. Dus ben ik minder categorisch dan Susan Neiman die verrukkelijk fruit dat zich afficheert als ‘The berry that cares’ niet eens wil eten.