Tijdens een herfstfietstocht, die niet anders meer dan zonovergoten
kan zijn, zag ik in mijn ooghoek een bord waar iets mee was. Ik reed terug en las
dat KFC Moerbeke binnenkort ‘Red Star Haasdonk’ ontving. Op het bord was de
naam van die bezoekende ploeg in een mal geschoven. En omdat de tocht nog best
wat tijd in beslag zou nemen, gingen mijn half afwezige denkseltjes geregeld richting
mogelijke lessen voor het vak waar ik de verveling een beetje mee tracht te
verdrijven.
Onlangs schoot ik uit
mijn krammen over het genre van de biografie. Ik zag het nu in de plaats
van KFC Moerbeke, waarna als gast een persoonsnaam kan dienen met enige
bekendheid of simpel te delen dramatisch potentieel. De wedstrijd die zich voltrekt
gaat gepaard met verwachtingen die evengoed regels zijn. Minuut 1 is de
geboorte van de beschreven persoon, minuut 90 de dood. Soms wordt de strijd
eerder afgebroken door het noodlot, soms verlengd vanwege een onverwachte ontwikkeling.
O god, dit was niet mijn kop thee. Is de beschrevene de
spits, wiens teamgenoten niet altijd minder interessant ogen? In het ideale
geval scoort hij op virtuoze wijze. Als je pech hebt ben je getuige van
intikkertjes. Wanneer de spits snel uitvalt met een blessure of wordt
gewisseld, is dat jammer maar er kan ook een wat-als-idee onder de toeschouwers-lezers ontstaan. Mijn theewater
zegt dat de scheidsrechter niet de biograaf is, omdat die al de rol van de
coach vervult. Dan zal de match wel gefloten worden door de uitgeverij.
Help. Indien de spits uit ‘de’ literatuur afkomstig is, kan
zijn rol extra glans krijgen door de techniek van de kopbal. Niet strikt nodig,
inmiddels zelfs gezien als medisch gevaarlijk, zeker bij ongeoefende spelers.
Als kopbal vat ik althans even het dagboek op, dat voor velen iets magisch
heeft. En daar hield het moeizame verzinnen van parallellen op, gelukkig, omdat
me iets recents te binnen schoot.
Zakdoekje
Pal naast het populaire type biografie is een markt gekomen die gebruikmaakt van diezelfde magie. Het betreft
als even ‘literair’ ervaren historische non-fictie op basis van dagboeken, met
dezelfde griezelige vooronderstelling dat wat in de wereld gebeurt terug te
vinden is op papier. Ik vrees dat het precies dat determinisme is dat me steeds
opvalt en tegen de borst stuit. Het gaat dan niet alleen over het concept autobiografisch schrijven, maar zeker ook over een extreem literaire poëtica à la ‘Tout
existe pour aboutir à un livre’.
De non-fictie die ik voorleg, mengt op een of andere manier intimiteiten
met een intellectuelere toets, zodat de titels op een koffietafel kunnen, als
voer voor een beschaafd debat. De boeken zijn verzorgd door gedreven, erudiete
makers. Ze hebben een journalistieke achtergrond en ordenen in hun boeken, net
als biografen, een ongelooflijke hoeveelheid anekdotisch materiaal. Ik belicht hen via een schamel
corpus, begonnen door een bibliotheektafel. Het gaat om Uwe Wittstocks boek Februari
1933 en iets nog succesvollers dat ik hier hardop wil overdenken: Als de zon ondergaat door Florian Illies. Natuurlijk hebben deze twee titels dezelfde
tijdspanne gemeen, vlak na de installatie van Hitler. Hun centrale personages
komen bovendien uit de Duitse culturele wereld en overlappen. Zo citeren Wittstock
en Illies een zelfde gecodeerde uitgeversbrief – die in het Nederlands varianten
teweegbrengt.
Ik meen, net als
bij biografieën, op een bepaalde formule te zijn gestuit. Het evidentste voorop:
de titel schept helderheid van het type waar
voor je geld. Bij biografieën menen we het leven van de genoemde opgedist
te krijgen, en deze twee boeken markeren tijd of plaats. Ook Illies doet dat, maar
dan met zijn ondertitel De familie Mann
in Sanary. Daarbij roept de mierenneuker in mij dat dit Franse havenplaatsje
Sanary-sur-Mer heet, een blijkbaar overbodig detail – je hoort zo wel dat het buiten
nazi-Duitsland ligt. Via de achterflap valt desgewenst de datering te verkrijgen.
Klip en klaar, en
weinig verrassend, is de indeling van het boek in maanden van februari tot en
met september (bij Wittstock nagenoeg van dag tot dag). Ietwat bijzonder dunkt
me wel dat Illies over de spilfiguur van de familie, Thomas Mann uiteraard, al
op de openingspagina met fictioneel ogende technieken het karakter én zijn
appreciatie ervan uitdrukt in vier achtereenvolgende alinea’s:
‘Ongehoord!
Thomas Mann onderdrukte zijn woede en haalt zijn
naar viooltjes geurende zakdoekje uit zijn jasje. (…)
Niets mag zijn vorm verliezen.
Het beangstigt hem wanneer zijn leven in ongerede
raakt. (…)’
Vervolgens
stapelt Illies meer dan driehonderd bladzijden bewijs op bewijs voor zijn
psychologisch doorzicht. En expliciteert wat deze passage suggereert: dat hij
Thomas niet kan uitstaan. Illies verhult evenmin zijn mededogen met door weinig
liefde begoten familieleden. Zoals Golo en Monika Mann, de laatste kinderen die
vanuit Duitsland overkomen: ‘Het is tragisch, maar zelfs deze reis naar hun
ballingschapsoord ondernemen de middelste broer en zus niet samen, maar in
aparte treinen’. Uit de dagboeken was daar Thomas’ irritatie bij gevist dat
dochterlief arriveren zou op het uur dat hij altijd zijn middagdutje deed. Voor
zijn sympathieën slecht Illies zelfs ontologische barrières: ‘Wanneer je dit
[dagboekfragment, MK] in al zijn barmhartige onbarmhartigheid leest, zou je
Klaus Mann het liefst even stevig willen vasthouden.’
Tafelzilver
Ik wil proberen
om uit het hoofdstuk ‘Mei’ wat opmerkelijkheden van deze niche te halen. Het
begint met een identificatie: ‘Eindelijk! Op 1 mei 1933 arriveren Erika en
Klaus eindelijk in Sanary-sur-Mer’. Gevoegd bij de hoofdstuktitel kan alles rond
de twee persoonsnamen worden geschrapt. Ook blijken uitgerekend de
identificatiewapens meteen onklaar: ‘Ze proberen heel even gelukkig te zijn,
ook al weten ze niet meer precies hoe het moet. (…) Twee jaar geleden waren ze
hier ook; ze weten het nog goed.’ In deze stijl is het nogal wiedes dat een
paar zinnen later de verteller die keer dateert op ‘1931’. Gevolgd door een
‘Toen’-bewering, en een ‘Nu, twee jaar later’-bewering. Een dikke pagina zit er
dan op.
Als ik nog
redacteur was geweest, had ik vragen gesteld over de rentabiliteit van mijn
lectuur. Wat maakt dit boek geschikt om een bestseller te worden? Misschien de
invoeging van een andere fictie-truc: de dialoog. Daartoe legt Illies uit dat
een personage Sybille ‘de eerste mens’ is die de twee Manns tegenkomen en dat
ze haar ‘Billux’ noemen. Volgt een hol gesprek, waarbij steeds wordt
aangetekend wie aan het woord is en welke emotie erbij hoort: ‘Billux,
Sybille dus, kan haar oren niet geloven’.
Voor de dialoog stopt, vertoont de genoemde persoon ‘een, laten we zeggen, sibillijnse glimlach’. Dan een witregel met sterretje en deze opener: ‘Mag ik even voorstellen: Sybille, om precies te zijn barones Sybille Aleid Elsa von Schoenebeck’. Dan zijn we twee pagina’s gevorderd is en verkeert de lezer die ik ben op het randje van wanhoop. Laat me uit de ruim veertig pagina’s die dit hoofdstuk nog telt alleen wat technische details isoleren, die Illies’ veelvoudige strategie bekrachtigen: vertellen als een romancier, uitserveren als een boekhouder en duiden als een priester.
De zich schijnbaar
inlevende romancier signaleert metaforenlauw ‘dagen van martelende stilstand’. Met
een door Thomas Mann geformuleerd gevolg daarvan, ‘een ernstige
tevredenheidsreductie’, steekt hij nochtans meermaals de draak. Ook van Katia
Mann heeft Illies geen hoge pet op. Hij zegt dat ‘zonder haar tafelzilver de
vrouw des huizes zich bijna naakt [voelt]’. Ik probeer dit beeld over te
hevelen naar een volgende passage uit dit hoofdstuk, waarin iets los van de
vele cultuurpersonages lijkt te worden bericht over wat Hitlers troepen zoal
bewerkstelligen:
Ze willen alles onder controle krijgen. Er komen
zelfs nieuwe voorschriften voor de maximale diepte van het decolleté van
clubdanseressen. ‘Die lui denken echt aan alles,’ noteert de Poolse Antoni
graaf Sobanski dat voorjaar geïrriteerd bij zijn omzwervingen door het
Berlijnse nachtleven.
Een groots detail
wordt knullig door Illies gesmoord met die dagboeknotitie. Mij staat ook niet bij
dat de duidende graaf
verder in dit boek voorkomt. Bovenal is ondanks mijn hink-stap-sprong de maand
mei nog geen tien dagen gevorderd. Van een ‘volgende ochtend’, die door de
boekhouder in Illies op ‘11 mei’ vastgelegd wordt, tracht hij iets kruidig te vertellen:
Beneden komt de promenade tot leven, Klaus buigt
zich een eindje uit het raam en kijkt naar de cafés links, die nog in de koele
schaduw liggen en waar de mannen met hun mooie hoeden op het terras zitten.
Vlak langs de kademuur ziet hij de eenvoudige stalletjes van de vissers waar ze
hun verse vangst aanbieden, hij hoort ze roepen en hun waar aanprijzen in hun
zware Provençaalse dialect.
Dit oogt bijna
lyrisch, met die komma’s ook. Maar wie is er aan het woord? Officieel Klaus
Mann, maar de overbodige introzin en de door bijvoeglijke naamwoorden pastoraler
wordende clichés die vervolgens opgelepeld worden, kunnen onmogelijk van zijn creatieve en scherpzinnige
geest zijn. Veeleer is er een charlatan aan het werk die zijn personage laat
zien en horen, en vermeldt dát het ziet en hoort.
Zelfdisciplinering
Ik doe een nieuwe
poging om grip te krijgen. Ditmaal een compleet fragment, in het boek omgeven door
witregels met sterretjes: ‘Op 19 mei is het luciferdoosje leeg dat Thomas Mann
op 11 februari mee op reis had genomen om elke avond zijn sigaar aan te steken.
Het lege doosje wordt voor hem tot een symbool voor de duur van zijn doelloze
odyssee.’ Lastig wordt het deze schrijver een kans te blijven geven en geen azijnpisser
te worden, laat staan een cultuurpessimistische indruk te wekken, terwijl ik
niet kan ontkennen dat dit boek verscheen bij de prestigieuze S. Fischer Verlag.
Laat ik dan toch een
soort redacteurspetje opzetten en de vraag stellen of het fragment niet toont
dat Als de zon ondergaat lijdt onder
een rigide chronologische indeling. Behalve op maand ook, net als Wittstock, op
dag. In dit hoofdstuk staat nog zo’n ultiem korte schets, waarmee Illies in
wezen meldt dat hij voor die datum geen vermeldenswaardige informatie heeft
gevonden. Zoiets doet Februari 1933 dan
weer niet, dat sporadisch een dag overslaat.
Ook Wittstock,
die overigens terughoudender vertelt en via foto’s een hoger documentair
gehalte opvoert, gebruikt de witregel met sterretje. Het lijkt een onbenulligheid,
maar ontvouwt een makersdrama. Hij heeft immers evengoed een gigantische hoeveelheid
data chronologisch willen ordenen. Nog los van artikelen en tijdschriften die
hij in archieven en bibliotheken raadpleegde, telt de bibliografie van Februari 1933 tien pagina’s. Dus
misschien valt de respectabele omvang van Wittstocks en Illies’ boeken dan nog
mee. Zeker vergeleken met biografieën die net zo makkelijk boven de vijfhonderd
pagina’s uitkomen. O, de verleiding van het citaat en het verlies door
selectie.
Dit maakt het
extra bizar dat Illies in het hoofdstuk waardoor ik grasduinde passages opnam
die metafictioneel zijn op te vatten. Bijvoorbeeld over dagboeken die Als de zon ondergaat hebben gefundeerd. Vooral
van Thomas Mann, in wiens antipathieke persoon Illies zich weer eens tracht te
verplaatsen: ‘Wat een geluk om te kunnen vergeten. Hijzelf kan dat niet, weet
niet eens hoe dat zou moeten. Hij ziet alles, onthoudt iedere belediging, zelfs
de geringste kritiek in een ellenlange en verder euforische boekrecensie, slaat
alles op, zijn hoofd zit vol onvergetelijke dingen. Misschien had hij helemaal
geen dagboeken nodig gehad, want ook het kleinste detail uit zijn leven zou hij
toch wel hebben onthouden. Maar nu is het te laat. Hij heeft ieder detail
genoteerd, iedere ontmoeting, ieder zweempje van woede, iedere
zelfdisciplinering – en iedere opwelling van lust.’
Dat laatste,
typografisch opzichtig afgezonderde motiveert een van de verhaallijnen van Als de zon ondergaat, die het boek ook
wel wat ranzig maken, juist omdat er niets tot vervulling komt. (Maar dan doemt
voor mij al een bezwaar tegen anekdotische biografieën.) De figuur van Heinrich
Mann reduceert Illies daartoe doodleuk tot lustvolle tegenpool. Waarom neemt Illias
Thomas’ diagnose van overbodigheid niet ter harte? Hij vermeldt haar gewoon, zoals
alles. Toch ontlokt hem verderop in dit hoofdstuk een maniakale gedetailleerdheid
van de douane dit: ‘Altijd weer verbazingwekkend, die Duitse zorgvuldigheid.’
De enige manier
waarop Wittstock en Illies hadden kunnen voorkomen dat de witregel met
sterretjes zo prominent werd, lijkt me een harde montage. Dan waren hun boeken
wel collages geworden, niet het aantrekkelijkst op de markt.
Pureestamper
Mijn indruk is dat
Als de zon ondergaat last heeft van een
overijverige maker, een cultuurindustrieel. Gewend aan auctoriale vertellers
kan ik interventies best hebben, maar hier buigt zich iemand anders door de
tekst heen. Een autoriteit allicht, voor mijn part een tomeloze rasverteller.
Wanneer hij zijn maul weet te houden, groeit de kans dat de stemming stijgt. Zo
wordt Katia Mann verderop in het boek in de verbeelding gezet. Eerst dat ze het
‘ongehoord’ vond in het huurhuis ‘geen pureestamper’ aan te treffen, later bij
een soepel gesprekje tussen haar en Paul Valéry in het Frans: ‘Haar man
verstaat er geen woord van.’ Illies beschoolmeestert trouwens op basis van
losse zinnetjes geregeld een naar het ongrammaticale neigende stramheid van Thomas’
dagboekstijl.
Ook kras vind ik dat
het boek niet stopt bij de maandbeschrijvingen. Er volgen nog dertig bladzijden
onder de titel ‘Daarna’. Illies kan het niet laten om alle verhalen uit te vertellen.
Eerst voor de twee beschreven locaties van de familie Mann, in München en in
Sanary-sur-Mer. Ze staan in bold, net als alle historische cultuurpersonages
wier levens Illies daarna ultrakort uitzegt (in Februari 1933 hanteert Wittstock onder de titel ‘Hoe het verderging’
dezelfde procedure). Dan zijn er twee pagina’s dankwoord, waaruit blijkt dat
het boek er op aanvraag is gekomen van de uitgever, dezelfde als die van Thomas
Mann zaliger. Ik zie ineens het bord van KFC Moerbeke voor me, waar
‘Florian Illies’ ofwel ‘beroemde Duitse expats’ ofwel ‘de familie Mann’ is
ingeschoven.
Nog is het boek niet voorbij. Waarschijnlijk is het pièce de résistance namelijk de stamboom
van de Manns, met bij elk in bold de
voornaam waarmee hij/zij in Als de
zon ondergaat vertrouwelijk wordt aangeduid en verder de doopnamen,
eventuele bijnamen en geboorte- en sterfjaar. Daar weer onder – nogmaals en
louter met eventuele bijnamen – de cultuurpersonages. Bij barones Von
Schoenebeck is tussen haakjes toegevoegd dat ze later Bedford zal heten. Lezers
beleven zo een totaalpakket, de ultieme Mann-ervaring of zoiets. In hoeverre
heeft de papieren getuigenis die, conform de een-op-een-verhouding van het
biografiegenre, steeds op de achtergrond als authentieke factor meedingt daar
nog een rol in?
Ik stal mijn
fiets en neem plaats in de bioscoop. Daar draait NAZA, de nieuwe documentaire
van Yuval Abraham en Rachel Szor. Alleen al de titel doet iets radicaal anders
dan biografieën en de twee Duitse interbellumboeken presenteren. NAZA is de efficiënt ontmenselijkende en
onwillekeurig koosnamerige afkorting van ‘nezek agavi’. In het Hebreeuws
schijnt dat op nevenschade te duiden, waarvoor het door westerse media bereikte
deel van de wereld sinds de Golfoorlog de term collateral damage veil heeft.
In termen van waar of onwaar blijkt NAZA zo controversieel,
dat premier Netanyahu de regisseurs het staatsburgerschap wil ontnemen. En dat
tijdens een vertoning in Nederland een
burger begon te interveniëren. We zien in de documentaire een piepjonge
Netanyahu op de televisie uitleggen wat volgens hem terrorisme is. Zijn gepassioneerde definitie van
decennia geleden geeft exact weer wat hij Israël nu laat doen. Wanneer de
documentairemakers dat hadden geëxpliciteerd…?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten