donderdag 8 oktober 2026

Vol onvergetelijke dingen

 


 

 

Tijdens een herfstfietstocht, die niet anders meer dan zonovergoten kan zijn, zag ik in mijn ooghoek een bord waar iets mee was. Ik reed terug en las dat KFC Moerbeke binnenkort ‘Red Star Haasdonk’ ontving. Op het bord was de naam van die bezoekende ploeg in een mal geschoven. En omdat de tocht nog best wat tijd in beslag zou nemen, gingen mijn half afwezige denkseltjes geregeld richting mogelijke lessen voor het vak waar ik de verveling een beetje mee tracht te verdrijven.

Onlangs schoot ik uit mijn krammen over het genre van de biografie. Ik zag het nu in de plaats van KFC Moerbeke, waarna als gast een persoonsnaam kan dienen met enige bekendheid of simpel te delen dramatisch potentieel. De wedstrijd die zich voltrekt gaat gepaard met verwachtingen die evengoed regels zijn. Minuut 1 is de geboorte van de beschreven persoon, minuut 90 de dood. Soms wordt de strijd eerder afgebroken door het noodlot, soms verlengd vanwege een onverwachte ontwikkeling.

O god, dit was niet mijn kop thee. Is de beschrevene de spits, wiens teamgenoten niet altijd minder interessant ogen? In het ideale geval scoort hij op virtuoze wijze. Als je pech hebt ben je getuige van intikkertjes. Wanneer de spits snel uitvalt met een blessure of wordt gewisseld, is dat jammer maar er kan ook een wat-als-idee onder de toeschouwers-lezers ontstaan. Mijn theewater zegt dat de scheidsrechter niet de biograaf is, omdat die al de rol van de coach vervult. Dan zal de match wel gefloten worden door de uitgeverij.

Help. Indien de spits uit ‘de’ literatuur afkomstig is, kan zijn rol extra glans krijgen door de techniek van de kopbal. Niet strikt nodig, inmiddels zelfs gezien als medisch gevaarlijk, zeker bij ongeoefende spelers. Als kopbal vat ik althans even het dagboek op, dat voor velen iets magisch heeft. En daar hield het moeizame verzinnen van parallellen op, gelukkig, omdat me iets recents te binnen schoot.

 

Zakdoekje

Pal naast het populaire type biografie is een markt gekomen die gebruikmaakt van diezelfde magie. Het betreft als even ‘literair’ ervaren historische non-fictie op basis van dagboeken, met dezelfde griezelige vooronderstelling dat wat in de wereld gebeurt terug te vinden is op papier. Ik vrees dat het precies dat determinisme is dat me steeds opvalt en tegen de borst stuit. Het gaat dan niet alleen over het concept autobiografisch schrijven, maar zeker ook over een extreem literaire poëtica à la ‘Tout existe pour aboutir à un livre’.

De non-fictie die ik voorleg, mengt op een of andere manier intimiteiten met een intellectuelere toets, zodat de titels op een koffietafel kunnen, als voer voor een beschaafd debat. De boeken zijn verzorgd door gedreven, erudiete makers. Ze hebben een journalistieke achtergrond en ordenen in hun boeken, net als biografen, een ongelooflijke hoeveelheid anekdotisch materiaal. Ik belicht hen via een schamel corpus, begonnen door een bibliotheektafel. Het gaat om Uwe Wittstocks boek Februari 1933 en iets nog succesvollers dat ik hier hardop wil overdenken: Als de zon ondergaat door Florian Illies. Natuurlijk hebben deze twee titels dezelfde tijdspanne gemeen, vlak na de installatie van Hitler. Hun centrale personages komen bovendien uit de Duitse culturele wereld en overlappen. Zo citeren Wittstock en Illies een zelfde gecodeerde uitgeversbrief – die in het Nederlands varianten teweegbrengt.

Ik meen, net als bij biografieën, op een bepaalde formule te zijn gestuit. Het evidentste voorop: de titel schept helderheid van het type waar voor je geld. Bij biografieën menen we het leven van de genoemde opgedist te krijgen, en deze twee boeken markeren tijd of plaats. Ook Illies doet dat, maar dan met zijn ondertitel De familie Mann in Sanary. Daarbij roept de mierenneuker in mij dat dit Franse havenplaatsje Sanary-sur-Mer heet, een blijkbaar overbodig detail – je hoort zo wel dat het buiten nazi-Duitsland ligt. Via de achterflap valt desgewenst de datering te verkrijgen.

Klip en klaar, en weinig verrassend, is de indeling van het boek in maanden van februari tot en met september (bij Wittstock nagenoeg van dag tot dag). Ietwat bijzonder dunkt me wel dat Illies over de spilfiguur van de familie, Thomas Mann uiteraard, al op de openingspagina met fictioneel ogende technieken het karakter én zijn appreciatie ervan uitdrukt in vier achtereenvolgende alinea’s:

 

‘Ongehoord!

Thomas Mann onderdrukte zijn woede en haalt zijn naar viooltjes geurende zakdoekje uit zijn jasje. (…)

Niets mag zijn vorm verliezen.

Het beangstigt hem wanneer zijn leven in ongerede raakt. (…)’

 

Vervolgens stapelt Illies meer dan driehonderd bladzijden bewijs op bewijs voor zijn psychologisch doorzicht. En expliciteert wat deze passage suggereert: dat hij Thomas niet kan uitstaan. Illies verhult evenmin zijn mededogen met door weinig liefde begoten familieleden. Zoals Golo en Monika Mann, de laatste kinderen die vanuit Duitsland overkomen: ‘Het is tragisch, maar zelfs deze reis naar hun ballingschapsoord ondernemen de middelste broer en zus niet samen, maar in aparte treinen’. Uit de dagboeken was daar Thomas’ irritatie bij gevist dat dochterlief arriveren zou op het uur dat hij altijd zijn middagdutje deed. Voor zijn sympathieën slecht Illies zelfs ontologische barrières: ‘Wanneer je dit [dagboekfragment, MK] in al zijn barmhartige onbarmhartigheid leest, zou je Klaus Mann het liefst even stevig willen vasthouden.’

 

Tafelzilver

Ik wil proberen om uit het hoofdstuk ‘Mei’ wat opmerkelijkheden van deze niche te halen. Het begint met een identificatie: ‘Eindelijk! Op 1 mei 1933 arriveren Erika en Klaus eindelijk in Sanary-sur-Mer’. Gevoegd bij de hoofdstuktitel kan alles rond de twee persoonsnamen worden geschrapt. Ook blijken uitgerekend de identificatiewapens meteen onklaar: ‘Ze proberen heel even gelukkig te zijn, ook al weten ze niet meer precies hoe het moet. (…) Twee jaar geleden waren ze hier ook; ze weten het nog goed.’ In deze stijl is het nogal wiedes dat een paar zinnen later de verteller die keer dateert op ‘1931’. Gevolgd door een ‘Toen’-bewering, en een ‘Nu, twee jaar later’-bewering. Een dikke pagina zit er dan op.

Als ik nog redacteur was geweest, had ik vragen gesteld over de rentabiliteit van mijn lectuur. Wat maakt dit boek geschikt om een bestseller te worden? Misschien de invoeging van een andere fictie-truc: de dialoog. Daartoe legt Illies uit dat een personage Sybille ‘de eerste mens’ is die de twee Manns tegenkomen en dat ze haar ‘Billux’ noemen. Volgt een hol gesprek, waarbij steeds wordt aangetekend wie aan het woord is en welke emotie erbij hoort: ‘Billux, Sybille dus, kan haar oren niet geloven’.

Voor de dialoog stopt, vertoont de genoemde persoon ‘een, laten we zeggen, sibillijnse glimlach’. Dan een witregel met sterretje en deze opener: ‘Mag ik even voorstellen: Sybille, om precies te zijn barones Sybille Aleid Elsa von Schoenebeck’. Dan zijn we twee pagina’s gevorderd is en verkeert de lezer die ik ben op het randje van wanhoop. Laat me uit de ruim veertig pagina’s die dit hoofdstuk nog telt alleen wat technische details isoleren, die Illies’ veelvoudige strategie bekrachtigen: vertellen als een romancier, uitserveren als een boekhouder en duiden als een priester.

De zich schijnbaar inlevende romancier signaleert metaforenlauw ‘dagen van martelende stilstand’. Met een door Thomas Mann geformuleerd gevolg daarvan, ‘een ernstige tevredenheidsreductie’, steekt hij nochtans meermaals de draak. Ook van Katia Mann heeft Illies geen hoge pet op. Hij zegt dat ‘zonder haar tafelzilver de vrouw des huizes zich bijna naakt [voelt]’. Ik probeer dit beeld over te hevelen naar een volgende passage uit dit hoofdstuk, waarin iets los van de vele cultuurpersonages lijkt te worden bericht over wat Hitlers troepen zoal bewerkstelligen:

 

Ze willen alles onder controle krijgen. Er komen zelfs nieuwe voorschriften voor de maximale diepte van het decolleté van clubdanseressen. ‘Die lui denken echt aan alles,’ noteert de Poolse Antoni graaf Sobanski dat voorjaar geïrriteerd bij zijn omzwervingen door het Berlijnse nachtleven.

 

Een groots detail wordt knullig door Illies gesmoord met die dagboeknotitie. Mij staat ook niet bij dat de duidende graaf verder in dit boek voorkomt. Bovenal is ondanks mijn hink-stap-sprong de maand mei nog geen tien dagen gevorderd. Van een ‘volgende ochtend’, die door de boekhouder in Illies op ‘11 mei’ vastgelegd wordt, tracht hij iets kruidig te vertellen:

 

Beneden komt de promenade tot leven, Klaus buigt zich een eindje uit het raam en kijkt naar de cafés links, die nog in de koele schaduw liggen en waar de mannen met hun mooie hoeden op het terras zitten. Vlak langs de kademuur ziet hij de eenvoudige stalletjes van de vissers waar ze hun verse vangst aanbieden, hij hoort ze roepen en hun waar aanprijzen in hun zware Provençaalse dialect.

 

Dit oogt bijna lyrisch, met die komma’s ook. Maar wie is er aan het woord? Officieel Klaus Mann, maar de overbodige introzin en de door bijvoeglijke naamwoorden pastoraler wordende clichés die vervolgens opgelepeld worden, kunnen onmogelijk van zijn creatieve en scherpzinnige geest zijn. Veeleer is er een charlatan aan het werk die zijn personage laat zien en horen, en vermeldt dát het ziet en hoort.

 

Zelfdisciplinering

Ik doe een nieuwe poging om grip te krijgen. Ditmaal een compleet fragment, in het boek omgeven door witregels met sterretjes: ‘Op 19 mei is het luciferdoosje leeg dat Thomas Mann op 11 februari mee op reis had genomen om elke avond zijn sigaar aan te steken. Het lege doosje wordt voor hem tot een symbool voor de duur van zijn doelloze odyssee.’ Lastig wordt het deze schrijver een kans te blijven geven en geen azijnpisser te worden, laat staan een cultuurpessimistische indruk te wekken, terwijl ik niet kan ontkennen dat dit boek verscheen bij de prestigieuze S. Fischer Verlag.

Laat ik dan toch een soort redacteurspetje opzetten en de vraag stellen of het fragment niet toont dat Als de zon ondergaat lijdt onder een rigide chronologische indeling. Behalve op maand ook, net als Wittstock, op dag. In dit hoofdstuk staat nog zo’n ultiem korte schets, waarmee Illies in wezen meldt dat hij voor die datum geen vermeldenswaardige informatie heeft gevonden. Zoiets doet Februari 1933 dan weer niet, dat sporadisch een dag overslaat.

Ook Wittstock, die overigens terughoudender vertelt en via foto’s een hoger documentair gehalte opvoert, gebruikt de witregel met sterretje. Het lijkt een onbenulligheid, maar ontvouwt een makersdrama. Hij heeft immers evengoed een gigantische hoeveelheid data chronologisch willen ordenen. Nog los van artikelen en tijdschriften die hij in archieven en bibliotheken raadpleegde, telt de bibliografie van Februari 1933 tien pagina’s. Dus misschien valt de respectabele omvang van Wittstocks en Illies’ boeken dan nog mee. Zeker vergeleken met biografieën die net zo makkelijk boven de vijfhonderd pagina’s uitkomen. O, de verleiding van het citaat en het verlies door selectie.

Dit maakt het extra bizar dat Illies in het hoofdstuk waardoor ik grasduinde passages opnam die metafictioneel zijn op te vatten. Bijvoorbeeld over dagboeken die Als de zon ondergaat hebben gefundeerd. Vooral van Thomas Mann, in wiens antipathieke persoon Illies zich weer eens tracht te verplaatsen: ‘Wat een geluk om te kunnen vergeten. Hijzelf kan dat niet, weet niet eens hoe dat zou moeten. Hij ziet alles, onthoudt iedere belediging, zelfs de geringste kritiek in een ellenlange en verder euforische boekrecensie, slaat alles op, zijn hoofd zit vol onvergetelijke dingen. Misschien had hij helemaal geen dagboeken nodig gehad, want ook het kleinste detail uit zijn leven zou hij toch wel hebben onthouden. Maar nu is het te laat. Hij heeft ieder detail genoteerd, iedere ontmoeting, ieder zweempje van woede, iedere zelfdisciplinering – en iedere opwelling van lust.’

Dat laatste, typografisch opzichtig afgezonderde motiveert een van de verhaallijnen van Als de zon ondergaat, die het boek ook wel wat ranzig maken, juist omdat er niets tot vervulling komt. (Maar dan doemt voor mij al een bezwaar tegen anekdotische biografieën.) De figuur van Heinrich Mann reduceert Illies daartoe doodleuk tot lustvolle tegenpool. Waarom neemt Illias Thomas’ diagnose van overbodigheid niet ter harte? Hij vermeldt haar gewoon, zoals alles. Toch ontlokt hem verderop in dit hoofdstuk een maniakale gedetailleerdheid van de douane dit: ‘Altijd weer verbazingwekkend, die Duitse zorgvuldigheid.’

De enige manier waarop Wittstock en Illies hadden kunnen voorkomen dat de witregel met sterretjes zo prominent werd, lijkt me een harde montage. Dan waren hun boeken wel collages geworden, niet het aantrekkelijkst op de markt.

 

Pureestamper

Mijn indruk is dat Als de zon ondergaat last heeft van een overijverige maker, een cultuurindustrieel. Gewend aan auctoriale vertellers kan ik interventies best hebben, maar hier buigt zich iemand anders door de tekst heen. Een autoriteit allicht, voor mijn part een tomeloze rasverteller. Wanneer hij zijn maul weet te houden, groeit de kans dat de stemming stijgt. Zo wordt Katia Mann verderop in het boek in de verbeelding gezet. Eerst dat ze het ‘ongehoord’ vond in het huurhuis ‘geen pureestamper’ aan te treffen, later bij een soepel gesprekje tussen haar en Paul Valéry in het Frans: ‘Haar man verstaat er geen woord van.’ Illies beschoolmeestert trouwens op basis van losse zinnetjes geregeld een naar het ongrammaticale neigende stramheid van Thomas’ dagboekstijl.

Ook kras vind ik dat het boek niet stopt bij de maandbeschrijvingen. Er volgen nog dertig bladzijden onder de titel ‘Daarna’. Illies kan het niet laten om alle verhalen uit te vertellen. Eerst voor de twee beschreven locaties van de familie Mann, in München en in Sanary-sur-Mer. Ze staan in bold, net als alle historische cultuurpersonages wier levens Illies daarna ultrakort uitzegt (in Februari 1933 hanteert Wittstock onder de titel ‘Hoe het verderging’ dezelfde procedure). Dan zijn er twee pagina’s dankwoord, waaruit blijkt dat het boek er op aanvraag is gekomen van de uitgever, dezelfde als die van Thomas Mann zaliger. Ik zie ineens het bord van KFC Moerbeke voor me, waar ‘Florian Illies’ ofwel ‘beroemde Duitse expats’ ofwel ‘de familie Mann’ is ingeschoven.

Nog is het boek niet voorbij. Waarschijnlijk is het pièce de résistance namelijk de stamboom van de Manns, met bij elk in bold de voornaam waarmee hij/zij in Als de zon ondergaat vertrouwelijk wordt aangeduid en verder de doopnamen, eventuele bijnamen en geboorte- en sterfjaar. Daar weer onder – nogmaals en louter met eventuele bijnamen – de cultuurpersonages. Bij barones Von Schoenebeck is tussen haakjes toegevoegd dat ze later Bedford zal heten. Lezers beleven zo een totaalpakket, de ultieme Mann-ervaring of zoiets. In hoeverre heeft de papieren getuigenis die, conform de een-op-een-verhouding van het biografiegenre, steeds op de achtergrond als authentieke factor meedingt daar nog een rol in?

Ik stal mijn fiets en neem plaats in de bioscoop. Daar draait NAZA, de nieuwe documentaire van Yuval Abraham en Rachel Szor. Alleen al de titel doet iets radicaal anders dan biografieën en de twee Duitse interbellumboeken presenteren. NAZA is de efficiënt ontmenselijkende en onwillekeurig koosnamerige afkorting van ‘nezek agavi’. In het Hebreeuws schijnt dat op nevenschade te duiden, waarvoor het door westerse media bereikte deel van de wereld sinds de Golfoorlog de term collateral damage veil heeft.

In termen van waar of onwaar blijkt NAZA zo controversieel, dat premier Netanyahu de regisseurs het staatsburgerschap wil ontnemen. En dat tijdens een vertoning in Nederland een burger begon te interveniëren. We zien in de documentaire een piepjonge Netanyahu op de televisie uitleggen wat volgens hem terrorisme is. Zijn gepassioneerde definitie van decennia geleden geeft exact weer wat hij Israël nu laat doen. Wanneer de documentairemakers dat hadden geëxpliciteerd…?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten