donderdag 26 maart 2026

De aanbevelingen van experten

 

 

 

Op werkelijk alle tafeltjes van de Agora lagen meerdere exemplaren van een folder. Gepromoot werd daarin een lezingenreeks rond Stephen Hicks. Verspreid over vier aprilavonden zou die mij weer eens onbekende maar blijkbaar met faam omhangen Canadees-Amerikaanse filosoof spreken en in debat gaan met gerenommeerde Belgische wetenschappers. De organiserende Vrijzinnige Dienst van de Universiteit Antwerpen leek een leuk evenement te hebben bedacht.

Toen ik de folder nader bekeek, stokte mijn blik bij de titel: Hoe het koekoeksjong de verlichting ondermijnt en wat we ertegen kunnen doen. Welk snood beest werd hier bedoeld? Gelukkig is mij begrijpend lezen geleerd zonder markeerstift, dus ik zag meteen wie de boosdoener bleek: ‘het postmodernisme’. Met de literaire afvaardiging daarvan word ik zelf geassocieerd en ik meen er net voldoende van te weten om te denken: arm koekoeksjong, omgeven door dronken aardbeien!

 

Boventoon

In navolging van koningin Máxima over Nederlanders zeg ik het maar eerlijk: bij postmodernisme geeft een essentialistisch bepaald lidwoord geen pas. En al helemaal niet in universitaire kringen! Maar ja, ook bij ‘de verlichting’, zonder hoofdletter inderdaad, dringen clichés zich op. Wel blijkt ze volgens de folder idealen te hebben verbreid van ‘vrijheid en gelijkheid’. Daarbij wordt wel de centrale rol van Hicks duidelijk. Hij zal tonen hoe die idealen ‘nog altijd de beste troeven hebben en hoe we de postmodernisten van antwoord kunnen dienen’.

Een wij-zij-onderscheid! Ze blijkt urgent, vanwege ‘de negatieve impact van het postmodernisme op de universiteit en daarbuiten’. Wow, dat types als ik perfide waren wist ik, maar zo invloedrijk? Het kan nooit kwaad om onder ogen te zien waarom:

 

Het postmodernisme begon in de universiteit als een kritische reflectie op macht en kennis, maar groeide in de tweede helft van de twintigste eeuw uit tot een koekoeksjong. Het zal de verlichting, het nest waarin het groot werd, radicaal in vraag stellen en aanvallen. De verlichting zou namelijk niet op vrijheid en gelijkheid gericht zijn, maar slechts een voorwendsel zijn voor het veiligstellen van privileges. Niet het streven naar een gedeeld burgerschap, maar eerder structurele discriminatie zou haar kenmerken.

Ondertussen is dat koekoeksjong uitgevlogen en beïnvloedt het velen in de manier waarop ze over zichzelf en de samenleving nadenken. Of het nu gaat over de verschillen tussen mannen en vrouwen, de neutraliteit van de overheid, de (on)wenselijkheid van NIPT (Niet Invasieve Prenatale Test), de omgang met het koloniale verleden of de aanwezigheid van transvrouwen in sportcompetities: postmoderne ideeën voeren vaak de boventoon. Ze vormen het filosofische hart van de discussies over diversiteit, wetenschap en rechtvaardigheid. Daarbij maken ze de verlichtingsidealen verdacht en zetten ze aan tot een identitair opbod. 

 

Als taalmenneke valt me op dat de koekoeksmetafoor niet alleen negatief is maar ook venijnig. Het bijbehorende werkwoord ‘uitvliegen’ heeft normaliter melancholieke bijklanken, terwijl ze in deze folder schril zijn, dwingend – expansief. Ook wordt het slotwerkwoord ‘aanzetten tot’ dankzij de automatische piloot gemeenlijk ingevuld met ‘haat’. Verder lijkt me dat de spelling ‘transvrouwen’ treitert. Of je het daar nu mee eens bent of niet, het woord wordt al jaren om redenen die voor betrokkenen belangrijk zijn verdeeld door een spatie.

Bovenal hoef je weinig geleerd te zijn om niet lichtzinnig, zoals onder meer Adorno & Horkheimer en zoals Zygmunt Bauman in ‘de tweede helft van de twintigste eeuw’, aan positieve verwezenlijkingen van ‘de’ verlichting ook keerzijden te zien. Dat ze een mannenclub behelsde met witte huidskleur uit Europese opleidingen, is evenmin een heel erg revolutionaire constatering, al blijven tot op de dag van vandaag betrokkenen de bal terugkaatsen. Deze foldertekst veroordeelt waarschijnlijk dan ook een recentere, activistische variant die door koele minnaars ‘doorgeschoten’ heet.

Daarmee vegen ze ‘het postmodernisme’ op één hoop met woke. Als je het grote lettertype, het vele wit en de dikke pagina’s verdisconteert valt dat geërgerde cultuurpessimisme bondig na te lezen in het pamflet Over woke (2023) door Bart De Wever. Het werpt zich op als behoeder van het project van ‘de moderniteit’ waarbij de drie zojuist genoemde filosofen kanttekeningen hebben geplaatst vanwege de Holocaust, die bij De Wever ontbreken. Zijn neutrale titel, in de onderzoekende geest van Montaigne, kan evenmin verhelen dat het pamflet het wij-zij-onderscheid tot in de taal uitrolt. Al was het omdat hij het bezittelijk voornaamwoord ‘onze’ in vitriool doopt als hij weer eens fulmineert tegen ‘onze kwaliteitsmedia’.

Impliciet zegt deze aanduiding al dat de N-VA-leider zich, niet voor het eerst, in een underdogpositie manoeuvreert. Hij hoont in Over woke ‘de intellectuele elite’, paradoxalerwijs met bij vlagen antieke taal die onderwijs van culturele verfijning doet vermoeden. Zijn activistische stenen des aanstoots gelden als ‘revendicatief’ – een kwalificatie met heuse joods-christelijk beschaafde wortels? Verder kan een pleidooi bij De Wever ‘niet zonder rationale’ zijn en doen CEO’s bij hem ‘de promesse’.

woensdag 18 maart 2026

Grutjes uit Moerdijkië

 


 

 

Een ferme openingszin. ‘Het onuitputtelijke boek Exercices de style van Raymond Queneau uit 1947 is toe aan nieuwe Nederlandse vertalingen.’ Daarmee wil ik niets afdoen aan de glansprestatie die Kousbroek in 1978 leverde. Maar anders dan het origineel is diens versie al historisch geworden. Zowel de in Amsterdam genoemde tramlijn als het plein bestaan niet meer.

Bovendien beperkte Kousbroek zich niet alleen geografisch, de daarbij horende exclusieve taal is ook gedateerd geraakt. Dat ontdekte ik met studenten in de twee alinea’s grote oefening ‘Interjections’, terecht als ‘Tussenwerpsels’ gepresenteerd. Kousbroeks tweede alinea begint met:

 

Gut!

 

Heb ik dit in zestig jaar op het ondermaanse ooit zelf gezegd? Mogelijk, toen Corry nog bij de Rekels zong. Daarna zal het tijdens pogingen tot ironie hooguit ‘gossie’ zijn geweest. Inmiddels staat ‘gut’ in ieder geval niet meer bij tussenwerpsels die de e-ANS in 2021 heeft opgesomd. Een toelichting verantwoordt dit met harde hand: de drempelwaarde was niet langer bereikt. Dat lot trof ook ‘jemig’ en ‘gadver’.

In de lijst treffen we wel, en dat vind ik aan de hilarische kant, ‘tiens’. Dit woord gebruikte Queneau zelf namelijk, in het Frans. Dat ‘tiens’ in de ANS de toevoeging krijgt dat het in standaardtalige contexten in België opduikt, is meteen een kapstok voor mijn andere punt. Behalve een nieuwe Noord-Nederlandse zou Exercices de style ook graag een Vlaamse vertaling mogen hebben.

Neuk ik nu mieren? Onlangs las ik een studie die me de ogen opende voor de landsgebondenheid van platte verwensingen. In De waarheid heeft vier gezichten. Hoe we het publiek debat kunnen redden verwijst Simon Truwant naar het befaamde essay On Bullshit uit 1986 van Harry Frankfurt. Hij vertelt dat dit titelwoord in de Nederlandse vertaling (van Ronald Kuil) ‘lulkoek’ is, maar dat hij het Vlaamse ‘gezever’ verkiest.

Voor mij alweer een moment van hilariteit. Sinds ik in België woon heb ik de term bullshit het vaakst de mond horen verlaten van Herman Brusselmans, een fenomeen dat voor mij even oer-Vlaams is als Eddy Wally. En in verband met generatieve technologieën, die mij zo mogelijk nog minder boeien, is het omineuze, medleyachtige begrip botshit geboekstaafd.

Het woord ‘lulkoek’ verneem ik hier inderdaad nooit, maar associeer ik evenmin met de provincie Noord-Nederland als geheel. Wel met groepen, zoals de corpsballen van Jiskefet. Nazicht leert dat het voor het eerst opdook in Het katholiek volksblad anno 1899 te Maastricht. En overzichtjes van gebruik dat het in België evengoed bestaat, nog altijd. Het blijkt er even gekend als boven de Moerdijk.

Soit.

Truwants voorkeur ‘gezever’ situeer ik wel in Vlaanderen. Trots heeft Truwant het achter in zijn studie opgenomen in een woordenlijst. De betekenis is immers, door niet-aflatende beweringen van de wortelkleurige, verregaand voor wat er in de wereld blijft gebeuren: totale onverschilligheid, minachting zelfs, voor de waarheid.

In beknotte vorm (geen idee of het onzingehalte groeit) komt ‘gezever’ voor als ‘zever’, eventueel in combinatie met een vast adjectief: ‘dikke zever’ (waarvan het onzinpercentage zeker hoger ligt). Het biedt ook mogelijkheden om er mensen mee aan te duiden (zeveraars) en activiteiten (zeveren, ook wel: zwanzen).

Heeft Noord-Nederlands een soortgelijke flexibiliteit die evident klinkt? Robbert-Jan Henkes heeft al het substantief ‘rut’ en het werkwoord ‘rutten’ voorgesteld. Dat zou in de wortelkleurige sfeer door een ‘rutter’ kunnen worden gepraktiseerd.

Voor vertalers aller binnen- en buitengrenzen opent zich een paradijs, kortom. Laat de nieuwe Stijloefeningen maar verschijnen!

Overigens vertelt de ‘oude’ ANS uit 1979 dat ‘gut’ afstamde van godallemachtig. Het kende vervormingen waar ‘gossie’ inderdaad toe behoorde, en ‘chot’, ‘chut’, ’gunst’, ‘grutjes’ en ‘gommenikkie’.

Moh.

vrijdag 6 maart 2026

Tussen boodschappenlijstjes en aantekeningen


 

 

Altijd verbaasd geweest dat de Klisjeemannetjes anno 1977 in hun beroemde sketch over de oudste beweging der wereld het orgasme onder meer vergeleken met ‘gevulde koeken’. Heden meen ik dat dit een zogeheten allusie is. Ik herlas namelijk De schaamte voorbij uit 1976, waarin Anja Meulenbelt die lichamelijke sensatie onder meer associeert met ‘een amandelbroodje in de trein’.

Verder is in dit cultboek sprake van een ‘belachelijke vertoning’ van ‘de ex-vrouw van Wolkers op de televisie’. Recent kwam dat beeldmateriaal, uit 1972, terug in de aandacht. Door MeToo-discussies, maar ook doordat literair-autonomistische vrijwaringen niet langer geloofwaardig zijn. De vrouw, Annemarie Nauta, bekloeg zich over het ontluisterende portret dat van haar werd geschetst in Turks fruit en over de seksuele gewelddadigheid van haar ex-kunstenaarman van wie destijds vermelding van de achternaam afdoende informatie bood.

Andere tijden!

De schaamte voorbij stond op mijn leeslijst voor het eindexamen, maar ik kan me niet herinneren dat het boek bij het mondeling aan bod kwam. Net als En dan is er koffie, dat qua seksualiteit explicieter is, heb ik de indruk. Vreemd? Het aantal contacten in Hannes Meinkema’s roman is veel geringer. Ze was een geroutineerde literator, terwijl Meulenbelt een natuurtalent toont in vertellen, memoreren en kritiseren.

Van de Anja in De schaamte voorbij kan kakkineus worden gezegd dat ze werd ‘opgeleid op de universiteit van het leven’. Ze betoont zich gulzig, in meer opzichten, en leest bijvoorbeeld alles wat los en vast zit over feminisme. Zo moest ik, op het spoor gezet door een taal- en informatieposting, denken aan Eva Hofmans recente Man neemt vrouw. Aantekeningen uit het patriarchaat. Wat een verschil in een halve eeuw, bij een gelijke thematiek!

Hofman vertelt dat ze een deel van haar opleiding, dankzij een beurs, zelfs genoot in Washington. Ik ben wat terughoudend met het begrip ‘geprivilegieerd’, maar het dringt zich wel op. Qua kennis valt ze voor mij, als oude leraar-digibeet, ook te verbinden met studenten. De bibliografie van Man neemt vrouw onderstreept een zinderend onrustbarende beperking tot Engelstalige publicaties die via ‘de feed’ bij Hofman lijken te raken.

In De schaamte voorbij gebeurt echter iets zo vanzelfsprekends dat er geen woord aan gespendeerd wordt. Het boek wordt verhaaltechnisch bijeengehouden door een vakantie te Frankrijk, met vriend en kind. Blijkbaar vormt de taal daar, zeker toen onhandig met en soms vijandig tegenover Engels, geen beletsel. En tussen de vele kranten, tijdschriften, rapporten en boeken die Anja tot zich neemt, moet destijds ook heel wat Duits op haar af zijn gekomen.

Raar vind ik dat de thematische signalen van Eva Hofman tegen ‘de manosfeer’ en ‘misogynie’ me wel bereiken, net als helaas aanzwellend conservatisme en ideologische kloven met oudere, analoge feministen, maar dat ik voortdurend de sensatie heb dat me van alles ontgaat door de wijze van kennisvergaring en omdat haar jargon voor mij duister is. Ze heeft het soms over ‘preserveren’, en vaak over ‘backlash’ dat gevolgd kan door ‘terugslag’.

En hoewel ik inmiddels ben gewend aan het veramerikaniseerde grosgebruik van het toch niet kinderachtige woord ‘trauma’, is het bizar om van deze generatie feministen te blijven vernemen over uiterlijkheden. Hofman vertelt over een literair evenement waar ze ongevraagd kritiek krijgt van een analoge feministe, ‘een mevrouw van een jaar of zeventig in een blauwe maillot’, die ze daarna aanduidt als ‘de blauwe maillot’. Is dat geen objectivering?!