woensdag 18 maart 2026

Grutjes uit Moerdijkië

 


 

 

Een ferme openingszin. ‘Het onuitputtelijke boek Exercices de style van Raymond Queneau uit 1947 is toe aan nieuwe Nederlandse vertalingen.’ Daarmee wil ik niets afdoen aan de glansprestatie die Kousbroek in 1978 leverde. Maar anders dan het origineel is diens versie al historisch geworden. Zowel de in Amsterdam genoemde tramlijn als het plein bestaan niet meer.

Bovendien beperkte Kousbroek zich niet alleen geografisch, de daarbij horende exclusieve taal is ook gedateerd geraakt. Dat ontdekte ik met studenten in de twee alinea’s grote oefening ‘Interjections’, terecht als ‘Tussenwerpsels’ gepresenteerd. Kousbroeks tweede alinea begint met:

 

Gut!

 

Heb ik dit in zestig jaar op het ondermaanse ooit zelf gezegd? Mogelijk, toen Corry nog bij de Rekels zong. Daarna zal het tijdens pogingen tot ironie hooguit ‘gossie’ zijn geweest. Inmiddels staat ‘gut’ in ieder geval niet meer bij tussenwerpsels die de e-ANS in 2021 heeft opgesomd. Een toelichting verantwoordt dit met harde hand: de drempelwaarde was niet langer bereikt. Dat lot trof ook ‘jemig’ en ‘gadver’.

In de lijst treffen we wel, en dat vind ik aan de hilarische kant, ‘tiens’. Dit woord gebruikte Queneau zelf namelijk, in het Frans. Dat ‘tiens’ in de ANS de toevoeging krijgt dat het in standaardtalige contexten in België opduikt, is meteen een kapstok voor mijn andere punt. Behalve een nieuwe Noord-Nederlandse zou Exercices de style ook graag een Vlaamse vertaling mogen hebben.

Neuk ik nu mieren? Onlangs las ik een studie die me de ogen opende voor de landsgebondenheid van platte verwensingen. In De waarheid heeft vier gezichten. Hoe we het publiek debat kunnen redden verwijst Simon Truwant naar het befaamde essay On Bullshit uit 1986 van Harry Frankfurt. Hij vertelt dat dit titelwoord in de Nederlandse vertaling (van Ronald Kuil) ‘lulkoek’ is, maar dat hij het Vlaamse ‘gezever’ verkiest.

Voor mij alweer een moment van hilariteit. Sinds ik in België woon heb ik de term bullshit het vaakst de mond horen verlaten van Herman Brusselmans, een fenomeen dat voor mij even oer-Vlaams is als Eddy Wally. En in verband met generatieve technologieën, die mij zo mogelijk nog minder boeien, is het omineuze, medleyachtige begrip botshit geboekstaafd.

Het woord ‘lulkoek’ verneem ik hier inderdaad nooit, maar associeer ik evenmin met de provincie Noord-Nederland als geheel. Wel met groepen, zoals de corpsballen van Jiskefet. Nazicht leert dat het voor het eerst opdook in Het katholiek volksblad anno 1899 te Maastricht. En overzichtjes van gebruik dat het in België evengoed bestaat, nog altijd. Het blijkt er even gekend als boven de Moerdijk.

Soit.

Truwants voorkeur ‘gezever’ situeer ik wel in Vlaanderen. Trots heeft Truwant het achter in zijn studie opgenomen in een woordenlijst. De betekenis is immers, door niet-aflatende beweringen van de wortelkleurige, verregaand voor wat er in de wereld blijft gebeuren: totale onverschilligheid, minachting zelfs, voor de waarheid.

In beknotte vorm (geen idee of het onzingehalte groeit) komt ‘gezever’ voor als ‘zever’, eventueel in combinatie met een vast adjectief: ‘dikke zever’ (waarvan het onzinpercentage zeker hoger ligt). Het biedt ook mogelijkheden om er mensen mee aan te duiden (zeveraars) en activiteiten (zeveren, ook wel: zwanzen).

Heeft Noord-Nederlands een soortgelijke flexibiliteit die evident klinkt? Robbert-Jan Henkes heeft al het substantief ‘rut’ en het werkwoord ‘rutten’ voorgesteld. Dat zou in de wortelkleurige sfeer door een ‘rutter’ kunnen worden gepraktiseerd.

Voor vertalers aller binnen- en buitengrenzen opent zich een paradijs, kortom. Laat de nieuwe Stijloefeningen maar verschijnen!

Overigens vertelt de ‘oude’ ANS uit 1979 dat ‘gut’ afstamde van godallemachtig. Het kende vervormingen waar ‘gossie’ inderdaad toe behoorde, en ‘chot’, ‘chut’, ’gunst’, ‘grutjes’ en ‘gommenikkie’.

Moh.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten