Een ferme openingszin. ‘Het onuitputtelijke
boek Exercices de style van Raymond
Queneau uit 1947 is toe aan nieuwe Nederlandse vertalingen.’ Daarmee wil ik
niets afdoen aan de glansprestatie die Kousbroek in 1978 leverde. Maar anders
dan het origineel is diens versie al historisch geworden. Zowel de in Amsterdam
genoemde tramlijn als het plein bestaan niet meer.
Bovendien beperkte Kousbroek zich niet alleen geografisch, de
daarbij horende exclusieve taal is ook gedateerd geraakt. Dat ontdekte ik met
studenten in de twee alinea’s grote oefening ‘Interjections’, terecht als ‘Tussenwerpsels’
gepresenteerd. Kousbroeks tweede alinea begint met:
Gut!
Heb ik dit in zestig jaar op het ondermaanse ooit zelf
gezegd? Mogelijk, toen Corry nog bij de Rekels zong. Daarna zal het tijdens
pogingen tot ironie hooguit ‘gossie’ zijn geweest. Inmiddels staat ‘gut’ in ieder
geval niet meer bij tussenwerpsels
die de e-ANS in 2021 heeft opgesomd. Een toelichting verantwoordt dit met
harde hand: de drempelwaarde was niet langer bereikt. Dat lot trof ook ‘jemig’
en ‘gadver’.
In de lijst treffen we wel, en dat vind ik aan de hilarische
kant, ‘tiens’. Dit woord gebruikte Queneau zelf namelijk, in het Frans. Dat ‘tiens’
in de ANS de toevoeging krijgt dat het in
standaardtalige contexten in België opduikt, is meteen een kapstok voor
mijn andere punt. Behalve een nieuwe Noord-Nederlandse zou Exercices de style ook graag een Vlaamse vertaling mogen hebben.
Neuk ik nu mieren? Onlangs las ik een studie die me
de ogen opende voor de landsgebondenheid van platte verwensingen. In De waarheid heeft vier gezichten. Hoe we het
publiek debat kunnen redden verwijst Simon Truwant naar het befaamde essay On Bullshit uit 1986 van Harry Frankfurt.
Hij vertelt dat dit titelwoord in de Nederlandse vertaling (van Ronald Kuil) ‘lulkoek’
is, maar dat hij het Vlaamse ‘gezever’ verkiest.
Voor mij alweer een moment van hilariteit. Sinds ik in
België woon heb ik de term bullshit het
vaakst de mond horen verlaten van Herman Brusselmans, een fenomeen dat voor mij
even oer-Vlaams is als Eddy Wally. En in verband met generatieve technologieën,
die mij zo mogelijk nog minder boeien, is het omineuze, medleyachtige begrip
botshit geboekstaafd.
Het woord ‘lulkoek’ verneem ik hier inderdaad nooit, maar associeer
ik evenmin met de provincie Noord-Nederland als geheel. Wel met groepen, zoals de
corpsballen van Jiskefet. Nazicht leert dat het voor het eerst
opdook in Het katholiek volksblad
anno 1899 te Maastricht. En overzichtjes
van gebruik dat het in België evengoed bestaat, nog altijd. Het blijkt er even gekend als boven de
Moerdijk.
Soit.
Truwants voorkeur ‘gezever’ situeer ik wel in Vlaanderen. Trots
heeft Truwant het achter in zijn studie opgenomen in een woordenlijst. De
betekenis is immers, door niet-aflatende beweringen van de wortelkleurige,
verregaand voor wat er in de wereld blijft gebeuren: totale onverschilligheid, minachting
zelfs, voor de waarheid.
In beknotte vorm (geen idee of het onzingehalte groeit) komt
‘gezever’ voor als ‘zever’, eventueel in combinatie met een vast adjectief: ‘dikke
zever’ (waarvan het onzinpercentage zeker hoger ligt). Het biedt ook
mogelijkheden om er mensen mee aan te duiden (zeveraars) en activiteiten
(zeveren, ook wel: zwanzen).
Heeft Noord-Nederlands een soortgelijke flexibiliteit die evident klinkt? Robbert-Jan Henkes
heeft al het substantief ‘rut’ en het werkwoord ‘rutten’ voorgesteld. Dat
zou in de wortelkleurige sfeer door een ‘rutter’ kunnen worden gepraktiseerd.
Voor vertalers aller binnen- en buitengrenzen opent zich een paradijs, kortom.
Laat de nieuwe Stijloefeningen maar
verschijnen!
Overigens vertelt de
‘oude’ ANS uit 1979 dat ‘gut’ afstamde van godallemachtig. Het kende vervormingen waar ‘gossie’ inderdaad
toe behoorde, en ‘chot’, ‘chut’, ’gunst’, ‘grutjes’ en ‘gommenikkie’.
Moh.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten