Op werkelijk alle
tafeltjes van de Agora lagen meerdere exemplaren van een folder. Gepromoot werd
daarin een lezingenreeks rond Stephen Hicks. Verspreid over vier aprilavonden zou die mij weer
eens onbekende maar blijkbaar met faam omhangen Canadees-Amerikaanse filosoof spreken
en in debat gaan met gerenommeerde Belgische wetenschappers. De organiserende
Vrijzinnige Dienst van de Universiteit Antwerpen leek een leuk evenement te hebben bedacht.
Toen ik de folder
nader bekeek, stokte mijn blik bij de titel: Hoe het koekoeksjong de verlichting ondermijnt en wat we ertegen kunnen
doen. Welk snood beest werd hier bedoeld? Gelukkig is mij begrijpend lezen
geleerd zonder markeerstift, dus ik zag meteen wie de boosdoener bleek: ‘het
postmodernisme’. Met de literaire afvaardiging daarvan word
ik zelf geassocieerd en ik
meen er net voldoende van te weten om te denken: arm koekoeksjong, omgeven door
dronken aardbeien!
Boventoon
In navolging van
koningin Máxima
over Nederlanders zeg ik het maar eerlijk: bij postmodernisme geeft een
essentialistisch bepaald lidwoord geen pas. En al helemaal niet in
universitaire kringen! Maar ja, ook bij ‘de verlichting’, zonder hoofdletter
inderdaad, dringen clichés zich op. Wel blijkt ze volgens de folder idealen te
hebben verbreid van ‘vrijheid en gelijkheid’. Daarbij wordt wel de centrale rol
van Hicks duidelijk. Hij zal tonen hoe die idealen ‘nog altijd de beste troeven
hebben en hoe we de postmodernisten van antwoord kunnen dienen’.
Een
wij-zij-onderscheid! Ze blijkt urgent, vanwege ‘de negatieve impact van het
postmodernisme op de universiteit en daarbuiten’. Wow, dat types als ik perfide
waren wist ik, maar zo invloedrijk? Het kan nooit kwaad om onder ogen te zien
waarom:
Het postmodernisme
begon in de universiteit als een kritische reflectie op macht en kennis, maar
groeide in de tweede helft van de twintigste eeuw uit tot een koekoeksjong. Het
zal de verlichting, het nest waarin het groot werd, radicaal in vraag stellen
en aanvallen. De verlichting zou namelijk niet op vrijheid en gelijkheid
gericht zijn, maar slechts een voorwendsel zijn voor het veiligstellen van
privileges. Niet het streven naar een gedeeld burgerschap, maar eerder
structurele discriminatie zou haar kenmerken.
Ondertussen is dat
koekoeksjong uitgevlogen en beïnvloedt het velen in de manier waarop ze over
zichzelf en de samenleving nadenken. Of het nu gaat over de verschillen tussen
mannen en vrouwen, de neutraliteit van de overheid, de (on)wenselijkheid van
NIPT (Niet Invasieve Prenatale Test), de omgang met het koloniale verleden of
de aanwezigheid van transvrouwen in sportcompetities: postmoderne ideeën voeren
vaak de boventoon. Ze vormen het filosofische hart van de discussies over
diversiteit, wetenschap en rechtvaardigheid. Daarbij maken ze de verlichtingsidealen
verdacht en zetten ze aan tot een identitair opbod.
Als taalmenneke
valt me op dat de koekoeksmetafoor niet alleen negatief is maar ook venijnig.
Het bijbehorende werkwoord ‘uitvliegen’ heeft normaliter melancholieke
bijklanken, terwijl ze in deze folder schril zijn, dwingend – expansief. Ook
wordt het slotwerkwoord ‘aanzetten tot’ dankzij de automatische piloot gemeenlijk
ingevuld met ‘haat’. Verder lijkt me dat de spelling ‘transvrouwen’ treitert.
Of je het daar nu mee eens bent of niet, het woord wordt al jaren om redenen die voor betrokkenen belangrijk
zijn verdeeld door een
spatie.
Bovenal hoef je weinig
geleerd te zijn om niet lichtzinnig, zoals onder meer Adorno & Horkheimer en
zoals Zygmunt Bauman in ‘de tweede helft van de twintigste eeuw’, aan positieve
verwezenlijkingen van ‘de’ verlichting ook keerzijden te zien. Dat ze een
mannenclub behelsde met witte huidskleur uit Europese opleidingen, is evenmin
een heel erg revolutionaire constatering, al blijven tot op de dag van vandaag betrokkenen de bal
terugkaatsen. Deze
foldertekst veroordeelt waarschijnlijk dan ook een recentere, activistische
variant die door koele minnaars ‘doorgeschoten’ heet.
Daarmee vegen ze
‘het postmodernisme’ op één hoop met woke.
Als je het grote lettertype, het vele wit en de dikke pagina’s verdisconteert
valt dat geërgerde cultuurpessimisme bondig na te lezen in het pamflet Over woke (2023) door Bart De Wever. Het
werpt zich op als behoeder van het project van ‘de moderniteit’ waarbij de drie
zojuist genoemde filosofen kanttekeningen hebben geplaatst vanwege de Holocaust,
die bij De Wever ontbreken. Zijn neutrale titel, in de onderzoekende geest van
Montaigne, kan evenmin verhelen dat het pamflet het wij-zij-onderscheid tot in
de taal uitrolt. Al was het omdat hij het bezittelijk voornaamwoord ‘onze’ in
vitriool doopt als hij weer eens fulmineert tegen ‘onze kwaliteitsmedia’.
Impliciet zegt deze aanduiding al dat de N-VA-leider zich, niet voor het eerst, in een underdogpositie manoeuvreert. Hij hoont in Over woke ‘de intellectuele elite’, paradoxalerwijs met bij vlagen antieke taal die onderwijs van culturele verfijning doet vermoeden. Zijn activistische stenen des aanstoots gelden als ‘revendicatief’ – een kwalificatie met heuse joods-christelijk beschaafde wortels? Verder kan een pleidooi bij De Wever ‘niet zonder rationale’ zijn en doen CEO’s bij hem ‘de promesse’.
Zelfs een aanwijzend voornaamwoord kan een dwaalspoor inleiden,
zoals in de sneer ‘De slavernij was zeker geen exclusief westers fenomeen, dat
in tegenstelling tot de afschaffing ervan.’ Wel leer ik als vader te zijn
tekortgeschoten omdat ik nog nooit had gehoord van een exotisch klinkend geval
waaruit je, of kinderen vermoedelijk, veel snoepgoed kunt halen, wanneer De
Wever stelt dat ‘de postmoderne zelfafbraak het Westen in de wereld heeft
herleid tot een piñata waar iedereen naar believen op kan slaan’.
Polemisch
Mij dunkt dus dat de huidige premier van België, en titelvoerend
burgemeester van Antwerpen, goedkeurend de folder zal lezen die de Vrijzinnige
Dienst tegen al die koekoeksjongeren heeft opgesteld. Al in zijn pamflet nam De
Wever het voor deze Dienst op, toen hij haar beschermde tegen kritiek
van wat hij doorlopend ‘wokers’ noemt op een soortgelijke reeks, een in 2022
georganiseerd ‘debat over transgenderisme’. Dat slotbegrip van De Wever was
polemisch, toen ook al dus:
Dit is een term
die in de rond de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw ontstond en verwijst naar
trans personen als een ‘stoornis of probleem’. ‘Trans personen’ wordt in de
communicatie van het event ook aan elkaar geschreven, iets wat ingaat tegen de
aanbevelingen van experten. Door de term in één woord te schrijven reduceer je
trans personen namelijk tot hun trans-zijn.
Het zal de partijen niet dichter bij elkaar hebben gebracht
dat aan de Vrijzinnige Dienst vervolgens de zware ziekte ‘transfoob’ werd
gekleefd. Volgens De Wever was dat allemaal eenzijdig en hij lardeerde zijn
oordeel met krasse anekdotes uit Engelstalige universiteiten. Daarmee haalde hij
gemakkelijk zijn slag, omdat zulke veroordelingen ridicuul geformuleerd kunnen
zijn, en aldus debatten
verlammen. O, wanneer je alleen al geurvlaggen als ‘privilege’ en
‘structureel’ zou kunnen vervangen door minder aanstootgevende dikdoenerij!
De hamvraag verdient namelijk alle krediet: wie bedient
wanneer waarom de knoppen? Ook is ze in literaire kringen onverminderd actueel,
evengoed buiten Antwerpen. Bijvoorbeeld boven de rivieren naar aanleiding van het Boekenweekessay: in hoeverre vertegenwoordigen sores van millennials uit De Grachtengordel reële maatschappelijke problemen van
iedereen?
Als
(zelf)verklaard postmodernist ontkom ik evenmin aan weerkerende aversies. Het
is helder dat de literaire pendant in de laatste twee decennia een pak op de
broek kreeg, maar telkens
schijnt dat herhaald te moeten worden. Postmodernisme krijgt dan het lichaam
van één schrijver, Dirk van Bastelaere, gerelateerd aan de twee jaar waarin
hij, o ironie, als woordvoerder van De Wevers N-VA optrad. Zo kon de goedmoedige
Patrick Bassant het onlangs niet laten om in een terugblik
op de uiterst succesvolle post-postmodernist Verhelst een tik aan diens toenmalige concullega uit te
delen. Het is voor Van Bastelaere kennelijk ondoenbaar nieuw werk uit te
brengen dat niet moet buigen onder het juk van zijn
verleden.
En hoe radicaal
is de hamvraag over de knoppenbediening buiten strominkjes? Na de recente roman
Ik was een meisje waarin Anne Mieke
Backer het roemruchte A Sport and a
Pastime (1967) van James Salter herschreef vanuit vrouwelijk perspectief, roept
de oorspronkelijke tekst prettig meer kritische vragen op. Niet eens omdat in
de vertaling uit 2016 het N-woord nog ruimschoots te vinden is, maar vooral omdat
Backer toont wat er allemaal afwezig was. En absoluut niet polemisch stelt dat Salter
bij zijn vanzelfsprekendheden een even bevrijdende als sentimentele fantasie
vertolkte die exclusief mannen aanging en die ook in Wolkers’ Turks fruit uit 1969 te vinden is. Ze
hield een onrechtvaardige klassenmaatschappij intact.
Vrijhaven
Weg uit het literaire reservaat! Ik vrees namelijk dat
daarbuiten momenteel, naar aanleiding van de
kwestie-Cofnas, de hamvraag intransparant wordt ingepakt door het evenementthema
‘academische vrijheid’. Dat zou pervers
zijn, ik zou bijna zeggen van een anything-goes-niveau
dat postmodernisme lang is aangewreven.
Mij ontgaat het bezwaar dat machtsverhoudingen onder vuur
liggen. Juist in België – de bediening der knoppen zou in laatste instantie bij
loges liggen. De echte elite,
met behalve exquisiete kennis ook een dikke portemonnee! Door wie worden die
quasi-geheime genootschappen bevolkt? Zijn het inderdaad wittemannenbastions?
Dan zou het toch alleen maar toe te juichen zijn dat ze bredere lagen van de
samenleving toelaten? En is het toch magertjes om kritiek daarop of coalities
die het tegendeel pogen te bewerkstelligen, te pareren met tu quoque’s?
Stoute woke! Stout postmodernisme! Zijn zij bij De Wever één pot
nat, in de folder van het aanstaande evenement ontbreekt iedere vermelding van
de eerste en gaat de aandacht louter naar het laatste. Over facetten van
postmodernisme praat Stephen Hicks in vier programma’s met Belgische collega’s.
Bij epistemologie
gaat het om ‘wantrouwen tegenover rationaliteit en wetenschap’ en hoe ‘we er
een antwoord op kunnen formuleren’. Bij menselijke
identiteit is het de vraag ‘wat er overblijft van verantwoordelijkheid,
autonomie en burgerschap’. Bij waarden
gaat het, in een gesprek met dr. Maarten Boudry, om de legitimiteit van kritiek
op de menselijke rede en blijken fundamenten van de verlichting ‘de solide
basis [te] vormen van een vrije en weerbare samenleving’.
Dit blijken opmaten voor het slotprogramma. Daarin spreekt
Hicks met maar liefst vier geleerden over postmodernisme
in de universiteit. Zekerheidshalve neem ik de foldertekst over:
In de Verenigde
staten leidde DEI (Diversity, Equity, Inclusion) tot allerlei ontsporingen en
het tastte het vertrouwen van het publiek in de universiteit grondig aan. Hoe
beïnvloedt het postmodernisme het diversiteitsbeleid van het hoger onderwijs en
wat zijn de gevolgen voor de academische vrijheid? Is de universiteit nog een
stimulerende vrijhaven voor de confrontatie van ideeën? Leer je er kritisch
denken en omgaan met verschillende gezichtspunten of zet het eerder aan tot
ideologisch conformisme? Een panel van denkers gaat met Hicks in gesprek over
de intellectuele gezondheid en toekomst van de universiteit.
Ik wilde
copypasten om geen interventie te plegen en de gestelde cultuurpessimistische vragen
zelf te beantwoorden. Bij voorbaat, als niet-academicus nota bene, wiens ‘intellectuele
gezondheid’ ongetwijfeld beneden peil blijft! Dank
je de koekoek! Mijn bescheiden
indruk is dat niet alleen De Wever zich in dit programmaonderdeel zal kunnen
vinden. Ook zijn trans-Atlantische wortelkleurige confrater zal het kunnen smaken. Bij een aprilvis
of een vegasteak? Misschien ligt er op de Dag des Oordeels wel eentje in de
Agora, als aanbeveling van de chef.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten