Waar begon het?
Er verscheen een betrokken boek van Lotfi El Hamidi, dat met de titel Stakkers en wolven Gerrit Komrijs bashing van ‘de islam’ citeerde, situeerde én bekritiseerde. Diens
biograaf Arie Pos opende een meerdelig debat op HP-De Tijd en Neerlandistiek,
waarbij laatstgenoemde site, ook via comments, melding maakte van een ‘leerlijn Polemiek’ op
het onvolprezen Utrechtse SchrijfLab. Met een heuse wedstrijd voor jongeren, te
ontbranden rond de verschijning van Komrijs biografie in de Boekenweek van 2027.
Uiteindelijk
legde ik er ook mijn kakje bij. Het leek me toen niet opportuun te
vermelden dat iedere bewering een polemisch ingrediënt bevat. Een dooddoener,
maar door gewenning en herhaling kan een schijn van neutraliteit ontstaan die
je er niet snel afkrabt. Onlangs gebruikte vakbondsman Bert Engelaar een heel
boek, Kort door de bocht, om samen
met slammer Bekvegter en nog wat vrienden keerzijden van zulke losse
quasi-waarheden te tonen, inclusief ideologische herkomst. Wel viel die
evengoed te ontwaren in hun eigen weerleggingen; polemiek bereikt niet snel een
eindhalte.
Zelf ben ik
allergisch voor de term ‘leerlijn’ en tegelijk fascineerde me de omzichtigheid
waarmee de polemiek, die in Komrij een ongekroonde koning zou hebben gekend,
werd benaderd. Dat had niet eens te maken met de literaire afkeer die voor het genre is
ontstaan sinds de millennials. Crucialer was een maatschappelijk fenomeen dat het Utrechtse instituut (die
aan de medewerkerslijst de naam Pos toegevoegd had) expliciet in de presentatie
betrok: ‘polarisatie’.
Het begrip geldt
als antipode van een ander veel gebezigd taalmerkteken: ‘verbinding’. In de
vele bespiegelingen die het duo heeft verwekt wordt dan een oorzaak gevonden in
sociale media waar men veeleer contact breekt dan verstevigt, maar evenzeer in groeiende ongelijkheid. Polemiek zou hoe dan ook tonen dat
expliciete meningsverschillen contraproductief zijn, en een barrière opwerpen
tegen ‘verbinding’.
Ten voordele van
polarisatie geldt dan weer dat ze ‘de vrije meningsuiting’ zou dienen. In
debatten is ook daar een antipode te vinden: ‘intolerantie’. Teruggekoppeld
naar de aanleiding van ‘de islam’ zou dan een gevoeligheidje bovenkomen, dat het
seculiere Westen na een beschamende traditie van ‘censuur’ zou hebben overwonnen.
In de wereld daar weer naast, op TikTok vooral, bestaat rage bait domweg om producten
aantrekkelijker te maken voor klanten.
Heel precies
Vanwaar de haast
intuïtieve afkeer van een meningsverschil dat open ligt? Tot Trump zijn tweede
termijn van acquit ging met een spervuur aan decreten, functioneerde ‘het’
westen op basis van consensus. In Nederland heet daar, historisch na de gepolariseerde
jaren zeventig, de techniek van het ‘polderen’ mee gemoeid te gaan. Dat is een
keuze. Zoals ik zelf altijd, bijvoorbeeld om die ongelijkheid beter te
bestrijden, de
voorkeur heb gegeven aan dissensus. En al vóór de millennials ondervond dat
vele collega’s dit te grimmig achtten.
Grimmigheid lijkt
in het polemiekgenre op twee manieren haar beslag te krijgen, waarbij hetzelfde
strijdmiddel dienst doet in twee uitvoeringen. Het gaat om een steekwapen. Bij
polemieken kan een ‘hakmes’ worden gebruikt of een ‘fileermes’. Bij de eerste
variant ziet men ook wel een ‘botte bijl’, wat de geringe appreciatie al
verraadt. De echte polemist fileert en doet dat idealiter virtuoos.
Het Schrijflab heeft voor die ambachtelijke activiteit in
zijn leerlijn een aparte stap
ingeruimd, bij wijze van oefening. Ze schetst eerst risico’s, die berusten op
wat ‘snel scoren’ wordt genoemd, naar ik vermoed een leerlingvriendelijke
versie van populisme: rumoer aanrichten om het rumoer. Dat gaat ten koste van
een medemens. Met dat besef stelt het Schrijflab leerlingen voor een keuze:
Stel dat je meer
wilt met een polemiek: de lezer geen ophef bieden, maar stof tot nadenken. Dan
moet je de tekst van de tegenstander heel serieus nemen. Die heel precies lezen
en fileren op gedachten, aannames en argumenten: dus niet alleen op wat er
staat, maar ook op waar het vandaan komt dat het er zo staat. Zoals een visboer
met een mes een vis fileert en de graten van de vis blootlegt. De basis van een
polemiek die stof tot nadenken geeft is dan die precieze lezing van de tekst én
de achterliggende motieven van de schrijvers. Hoe je je punt daarna opschrijft,
is stap twee. In deze oefening kijk je hoe je fileertechnieken je kunnen helpen
bij de eerste stap, en hoe je daarna je punt kunt maken. Met of zonder snel
scoren, want scoren is natuurlijk wel scoren als je bezig bent lezers te
overtuigen.
De schrijver, dichter
en criticus Gerrit Komrij kon als geen ander teksten van anderen fileren.
Een curieus
betoog, waarin mij de taalversterker ‘heel’ ontroert die blijft waarschuwen.
Het is net alsof men vóór de introductie van Komrij al zegt dat het altijd mis
kan lopen, zelfs als het goed gaat. Ook wie virtuoos fileert kan verbinding
verbreken. Scoren als naast het doel schieten? Intrigerend vond ik elders te begrijpen
dat het verbrokenverbindingsresultaat in het bijzonder vrouwen wordt aangerekend als ze harde
kritiek leveren op andere vrouwen. Er speelt hier iets mee van solidariteit, dat na aan mijn hart ligt en
dat ik in dit verband niet goed snap.
Nudistisch
Mij valt verder op
dat de getroffen partij niet aan het woord komt. Over slachtoffers en eventuele
sympathisanten is eerst door de polemische dader gesproken, en daarna door
derden. Dat bleek in België onlangs nog bij de uitvoering van SANCTA, Florintina Holzingers beruchte opera tijdens de uitvoering
waarvan toeschouwers onwel waren geworden van het bloed en seksueel geweld. Er traden
naakte nonnen in op, ‘een nudistische persiflage van het religieuze
leven van zusters’ volgens de
Antwerpse bisschop Bonny die bezwaar aantekende namens katholieken. Toch riep hij hen op
niet te protesteren, maar hun gekrenktheid om te zetten in paasvieringen.
Een getergde Holzinger meende
strijdlustig: ‘what the fuck is wrong with shock?’ Haar voorstelling, die volgens
de
trailer een prachtige uitwerking gekregen had, kaderde ze zelf in brede
westerse onrechtmatigheden. Maar volgens
Gwendolyn Rutten was dat het punt
niet. De oud-leider van
de liberale OpenVld die inmiddels Anders heet, meende dan wel dat de bisschop een
katholieke relaps beleefde, maar bovenal dat hij met vermeende lange tenen zijn
geloof had laten kapen door extreem-rechts. Ze riep Bonny op tot
verdraagzaamheid.
Meer
kanttekeningen spoelden aan. Daarbij kwam één type argument mij bekend voor uit
de lange geschiedenis van polemieken. Ik noem het deftigjes de
substitutietechniek: voor het ter discussie staande object zet je iets anders
in dat zijn controverse bewezen heeft. Vaak gaat het om ‘de jood’ of ‘de
moslim’. In dit geval waren de blote nonnen dan te vervangen door besneden
piemelaars of door blote meneren met ‘arafatsjaals’ en bomvesten.
In het debat zag
ik wel geen blote paters voorbijkomen. Mogelijk omdat de SANCTA-regisseur een vrouw is, speelde hier blijkbaar geen
seksisme. En waar velen geen begrip hadden voor bisschop Bonny’s protest tegen
het hergebruik van christelijke symbolen, lag dat even later anders bij Trumps
zoveelste narcistische provocatie, toen hij zichzelf door AI liet afbeelden als door
handoplegging helende Jezus.
Uithangen
Uit mijn
kwalificatie ‘zoveelste narcistische provocatie’ blijkt al dat, voor mij,
polemieken niet als één geheel zijn op te vatten. Ik neem Florintina
Holzingers shocktherapie veel
serieuzer dan Trump. Dat brengt me in het vaarwater van de Utrechtse leerlijn
Polemiek. Hoe schuchter en objectief de tien stappen daar ook zijn beschreven,
ze tonen bij nagenoeg iedere fase voorbehoud. Wat Trump doet, zou volgens het
SchrijfLab vallen onder ‘sarren’. Voor mij ontbreekt de intellectuele en
geëngageerde basis die het choqueren door Holzinger wel heeft.
Maar bisschop
Bonny’s protest wil ik evenmin opzijschuiven. Enerzijds zal dat uit ergernis
zijn over de vanzelfsprekendheid waarmee Rutten religieuze instituties als dusdanig
gedateerd beschouwt dat ze beter op de lippen bijten en het spreekrecht
ongelimiteerd acht voor breuken met één specifiek geloof dat katholicisme is. Het
doet denken aan de arrogantie anno 2008 van haar destijds door Verhofstadt
aangestuurde partij en artistieke partners bij de euthanasie van Hugo Claus,
tegenover aartsbisschop Danneels.
Aan de andere kant bevalt me aan Bonny dat hij opkomt voor bovenpersoonlijke waarden die hij tot nader order persoonlijk onderschrijft. Dat die moralistisch (kunnen) zijn, doet er niet toe. Ik zou het erger hebben gevonden wanneer de bisschop had gezwegen uit imagoredenen of omdat zijn strijd al vruchteloos gestreden zou zijn. Daarmee verschil ik alvast van het Utrechtse SchrijfLab dat een stap heeft ingeruimd voor ‘belangenafweging’. Mij is dat te strategisch, te pragmatisch.
Meer impliciete
reserves in de leerlijn doen me beseffen een slechte leerling te zijn. Deze intro
op een oefening vind ik zelfs griezelig:
Polemiseren is nét
wat anders dan discussiëren. Van mensen die polemiseren – polemisten – wordt
ook verwacht dat ze heel snedig (grappig,
gevat) zijn. In deze oefening ga je de polemist uithangen. Die rol ligt je
misschien niet. Vandaag niet, en misschien wel nooit niet. Je hebt vandaag of
altijd een uitstekend humeur en je ergert je eigenlijk nergens aan. Je bent
niet boos te krijgen, laat staan dat je iemand echt gaat opzoeken om met
diegene in een woordenstrijd te raken.
Dat kan, dat is
prima, maar in deze oefening ga je toch doen alsof. Zodat je wel kunt
polemiseren mocht je in de toekomst nog eens in verzet willen komen en dan als
schrijver al je middelen in willen zetten.
Waar doet me dit aan denken? De grensoverschrijding van verbindende
communicatie? De zalving van de dorpspastoor?
Hinnekende
Door deze uitval
dek ik wel iets toe bij mezelf. Ik vrees dat ik me met de verdediging van bisschop
Bonny heb bekend als oude man. Zou ik ‘vroeger’ überhaupt zijn geneigd om een
vertegenwoordiger te verdedigen van een geloof waarmee ik geen affiniteit heb maar
waar ik evenmin, anders dan best wat Belgen, traumatische herinneringen aan bewaar? Kan ik
ook verdragen in het vaarwater te raken van Pim Fortuyn, die met zijn
trumpiaanse getreiter geen ware polemist was maar zich beriep op de neppe, aan Voltaire toegeschreven uitspraak over het verdedigen van rechten van
mensen met wie je het absoluut oneens bent?
Literair gezien
ben ik anders gaan denken over expliciet moralistische reacties. Zoals op Jan
Wolkers’ ‘De wet op het kleinbedrijf’ (1964), een lang oorlogsverhaal dat
exhibitionist meneer Savijn naar een totale ondergang voert. Met medewerking
van nevenpersonages, van wie een opgetrommelde vriendin zegt: ‘Zoiets mag je
niet met een mens doen’. De verhaallaag kaatst dus zelf een morele component.
Ook opent Wolkers namens zijn genadeloos registrerende ik-kunstenaar het
verhaal met een oordeel over meneer Savijn: ‘Natuurlijk was hij een viezerik,
een stiekeme misdadiger, met zijn perverse bedenksels, zijn vuile hinnikende
lachen, en zijn angst, ja vooral zijn angst.’
Toch zou ik ooit waarschijnlijk
gelachen hebben met het feit dat Kees Fens deze tekst ‘walglijk en
weerzinwekkend’ bleek te vinden, ook met kennis van zijn katholieke achtergrond.
Allemaal door de bevrijdende jaren zestig opgelost! Waarschijnlijk durfde ik
niet de spot drijven met de toen officieel autonomistische criticus, zoals Huug Kaleis deed, maar kritiek op Wolkers’ verhaal, waar
weergaloze dorps- en stadsbeschrijvingen in te vinden zijn, zou ik niet verder
hebben laten strekken dan Paul de Wispelaere, op esthetische gronden.
De vrijheid van
meningsuiting mag gepaard gaan met het recht van lezers zich gekrenkt te voelen
en daar lucht aan te geven, in woorden die de door emotionele
vectoren veroorzaakte kruiperigheid van AI achter zich hebben gelaten.
Dit voorbeeld geef
ik na, ook op Neerlandistiek, gelezen
te hebben over het overlijden van de mij onbekende
gereformeerde literatuurcriticus Gert Slings die Wolkers’ werk moreel niet verdroeg. In zijn
studie Een boos en
overspelig geslacht. De moderne literatuur als teken des tijds had hij daar rekenschap van afgelegd. Daar zou mijn jongere ik zeker om hebben
gelachen. Nu meen ik: Slings bedreef polemiek op een wijze waarvoor ik toekomst
zie. De studie verscheen nota bene in de seculariserende jaren zeventig, het
decennium waarin Komrij van zich liet horen als fileerkundige.
Gefixeerd
Op de kak die ik
legde over het debat tussen Lotfi El Hamidi en Arie Pos kwamen enige
interessante comments. Conform de substitutietechniek herinnerde Huub Beurskens
er terecht aan dat Komrijs snijdende kritieken zich niet beperkten tot ‘de
islam’. Hij wees op de recensies van vrouwenliteratuur die rücksichtslos waren.
Ze vielen onder wat het SchrijfLab afkeurt onder ‘ad hominem’. Wel waren ze routineus en sloten aan bij
Komrijs op taal gefixeerde omgang met feminisme en bij zijn reacties
op vrouwen in het publieke domein (Emmy van Overeem). Die kritieken liepen in die zin vooruit op
socialemediatirades, dat ze veeleer producten waren van een zender dan van een ontvanger.
Voor zover Komrij luisterde, gebeurde dat selectief – wat wel zo vruchtbaar was
voor het effect. Wie deze fileerder retrospectief in bescherming wil nemen, moet
zich beroepen op zijn maskeradepoëtica, die ondubbelzinnige standpunten of
coherentie in een reeks uitspraken door één individu principieel verwerpt. Wel
een verademing in tijden dat literatuur en ego-uitstoot siamees geworden zijn.
Bij die literaire
invalshoek valt niet te ontkennen dat deze auteur jarenlang elke week formats moest
vullen. Komrij was een opinist, voor wie de vrije meningsuiting een irrelevant
concept was in het licht van een kras geformuleerd tegendraads en voor kritisch
doorgaand idee. Vermoedelijk bedoelt het SchrijfLab dat met het zuinige begrip ’mening’ dat dankzij noeste
arbeid én behoedzaamheid kan doorgroeien tot een ‘standpunt’. Is er aan zo’n cultuurindustriële status quo te
ontsnappen? Juist Bert Engelaars vermelde bundel Kort door de bocht, die polemische premissen blootlegde in neutraal
ogende (metaforische) uitspraken, doet vermoeden dat dit een moeilijke opgave
is. Per tegenframe wordt het boek saaier, omdat het vanuit dezelfde metafoor steeds
dezelfde ideologie aanvalt met steeds dezelfde klacht en oplossing.
Zo wist Komrij
column na column steevast in krukkig formulerende andere autoriteiten een
hypocriet te ontwaren. Hij deed dat soeverein, als zelfstandige, perfect beantwoordend
aan de vraag van de vrije markt. Als dichter viel daarin immers niet rond te
komen. Bijzonder was dat hij opereerde in het centrum van de macht én ensceneerde
niet tot ‘de elite’ te behoren. In die zin was de spijkerharde verdachtmaking van Teun van Dijk, een professor nota bene,
dat Komrij de genius was achter het anti-islampamflet De ondergang van Nederland vreemd genoeg ook een godsgeschenk voor zijn
street credibility.
Eigenlijk
Heeft Komrijs
polemische praktijk uiteindelijk vooral de achilleshiel van het genre getoond? Al
dan niet op Olympische hoogte bekwaamde het zich tot vliegen afvangen. Amusant
allicht en in de schier onschuldige geest van het fenomeen roasten, dat na zijn
dood opkwam? Het Utrechtse SchrijfLab heeft het in zijn leerlijn opgenomen. Ik
heb er geen sjoege van of het, als een esthetische polemiek, een beperkte houdbaarheidsdatum
kent en vermoeiend is om te volgen. Polemiek wordt interessant wanneer de
auteur zich geraakt voelt in een bovenpersoonlijk belang. Wat dat aangaat ben
ik, toch al vatbaar voor taalgruis, te licht over de Utrechtse
‘belangenafweging’ gegaan. Urgente onderwerpen maken polemiek mede tot een
zelfonderzoek, in de ouderwets essayistische zin.
Nog een comment
trok de vergelijking met Gerrit Krols controversiële opvattingen over de
doodstraf, die volgens mij mank loopt. Krol nam de tijd om zijn stellingen te
ontwikkelen en te formuleren, tot in een samenhangend boek. De vergelijking is zelfs pijnlijk, omdat in het
El Hamidi-debat de vraag was in hoeverre de islamcolumn van de stakkers en de wolven
representatief was voor Komrijs overtuigingen – én of hij daar überhaupt op kon
worden aangesproken. Wat dat aangaat kijk ik, met alle ontzag voor Arie Pos’ bekwaamheid
en langjarige inspanningen, niet echt uit naar de biografie. Het geweld dat dit type egoboek moet
ontketenen om aandacht
voor amper gelezen oeuvres te genereren, zal media ertoe verleiden minstens
drie weken allerlei vrienden te laten verkondigen ‘hoe Gerrit eigenlijk was’.
Dan zwijg ik nog
over de wedstrijd die in de Boekenweek de Komrij-biografie luister bij moet
zetten. Welke cynische ziel bedenkt polemieken op afroep? En welke idioten gehoorzamen
dat theater en spelen er braaf hun rol in? Wordt dit dan roasten? Ik krijg
medelijden met de gestorvene die ermee geëerd wordt. Mag het verschijnen van de
biografie niet worden gevierd met iets wat de druk op de boekenwereld en
leescultuur kan verlichten? Behalve een consumentenpolemist was Komrij, onder
meer, een originele bloemlezer. Roep jongeren op tot gedichtenselecties uit poëzie
die verscheen na zijn dood! Dan moet er eerst worden kennisgenomen en daarna,
voor de verbinding, van mening verschild.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten