zaterdag 18 april 2026

Boos en overspelig

 


 

 

Waar begon het? Er verscheen een betrokken boek van Lotfi El Hamidi, dat met de titel Stakkers en wolven Gerrit Komrijs bashing van ‘de islam’ citeerde, situeerde én bekritiseerde. Diens biograaf Arie Pos opende een meerdelig debat op HP-De Tijd en Neerlandistiek, waarbij laatstgenoemde site, ook via comments, melding maakte van een ‘leerlijn Polemiek’ op het onvolprezen Utrechtse SchrijfLab. Met een heuse wedstrijd voor jongeren, te ontbranden rond de verschijning van Komrijs biografie in de Boekenweek van 2027.

Uiteindelijk legde ik er ook mijn kakje bij. Het leek me toen niet opportuun te vermelden dat iedere bewering een polemisch ingrediënt bevat. Een dooddoener, maar door gewenning en herhaling kan een schijn van neutraliteit ontstaan die je er niet snel afkrabt. Onlangs gebruikte vakbondsman Bert Engelaar een heel boek, Kort door de bocht, om samen met slammer Bekvegter en nog wat vrienden keerzijden van zulke losse quasi-waarheden te tonen, inclusief ideologische herkomst. Wel viel die evengoed te ontwaren in hun eigen weerleggingen; polemiek bereikt niet snel een eindhalte.

Zelf ben ik allergisch voor de term ‘leerlijn’ en tegelijk fascineerde me de omzichtigheid waarmee de polemiek, die in Komrij een ongekroonde koning zou hebben gekend, werd benaderd. Dat had niet eens te maken met de literaire afkeer die voor het genre is ontstaan sinds de millennials. Crucialer was een maatschappelijk fenomeen dat het Utrechtse instituut (die aan de medewerkerslijst de naam Pos toegevoegd had) expliciet in de presentatie betrok: ‘polarisatie’.

Het begrip geldt als antipode van een ander veel gebezigd taalmerkteken: ‘verbinding’. In de vele bespiegelingen die het duo heeft verwekt wordt dan een oorzaak gevonden in sociale media waar men veeleer contact breekt dan verstevigt, maar evenzeer in groeiende ongelijkheid. Polemiek zou hoe dan ook tonen dat expliciete meningsverschillen contraproductief zijn, en een barrière opwerpen tegen ‘verbinding’.

Ten voordele van polarisatie geldt dan weer dat ze ‘de vrije meningsuiting’ zou dienen. In debatten is ook daar een antipode te vinden: ‘intolerantie’. Teruggekoppeld naar de aanleiding van ‘de islam’ zou dan een gevoeligheidje bovenkomen, dat het seculiere Westen na een beschamende traditie van ‘censuur’ zou hebben overwonnen. In de wereld daar weer naast, op TikTok vooral, bestaat rage bait domweg om producten aantrekkelijker te maken voor klanten.

 

Heel precies

Vanwaar de haast intuïtieve afkeer van een meningsverschil dat open ligt? Tot Trump zijn tweede termijn van acquit ging met een spervuur aan decreten, functioneerde ‘het’ westen op basis van consensus. In Nederland heet daar, historisch na de gepolariseerde jaren zeventig, de techniek van het ‘polderen’ mee gemoeid te gaan. Dat is een keuze. Zoals ik zelf altijd, bijvoorbeeld om die ongelijkheid beter te bestrijden, de voorkeur heb gegeven aan dissensus. En al vóór de millennials ondervond dat vele collega’s dit te grimmig achtten.

Grimmigheid lijkt in het polemiekgenre op twee manieren haar beslag te krijgen, waarbij hetzelfde strijdmiddel dienst doet in twee uitvoeringen. Het gaat om een steekwapen. Bij polemieken kan een ‘hakmes’ worden gebruikt of een ‘fileermes’. Bij de eerste variant ziet men ook wel een ‘botte bijl’, wat de geringe appreciatie al verraadt. De echte polemist fileert en doet dat idealiter virtuoos.

Het Schrijflab heeft voor die ambachtelijke activiteit in zijn leerlijn een aparte stap ingeruimd, bij wijze van oefening. Ze schetst eerst risico’s, die berusten op wat ‘snel scoren’ wordt genoemd, naar ik vermoed een leerlingvriendelijke versie van populisme: rumoer aanrichten om het rumoer. Dat gaat ten koste van een medemens. Met dat besef stelt het Schrijflab leerlingen voor een keuze:

 

Stel dat je meer wilt met een polemiek: de lezer geen ophef bieden, maar stof tot nadenken. Dan moet je de tekst van de tegenstander heel serieus nemen. Die heel precies lezen en fileren op gedachten, aannames en argumenten: dus niet alleen op wat er staat, maar ook op waar het vandaan komt dat het er zo staat. Zoals een visboer met een mes een vis fileert en de graten van de vis blootlegt. De basis van een polemiek die stof tot nadenken geeft is dan die precieze lezing van de tekst én de achterliggende motieven van de schrijvers. Hoe je je punt daarna opschrijft, is stap twee. In deze oefening kijk je hoe je fileertechnieken je kunnen helpen bij de eerste stap, en hoe je daarna je punt kunt maken. Met of zonder snel scoren, want scoren is natuurlijk wel scoren als je bezig bent lezers te overtuigen.

De schrijver, dichter en criticus Gerrit Komrij kon als geen ander teksten van anderen fileren.

 

Een curieus betoog, waarin mij de taalversterker ‘heel’ ontroert die blijft waarschuwen. Het is net alsof men vóór de introductie van Komrij al zegt dat het altijd mis kan lopen, zelfs als het goed gaat. Ook wie virtuoos fileert kan verbinding verbreken. Scoren als naast het doel schieten? Intrigerend vond ik elders te begrijpen dat het verbrokenverbindingsresultaat in het bijzonder vrouwen wordt aangerekend als ze harde kritiek leveren op andere vrouwen. Er speelt hier iets mee van solidariteit, dat na aan mijn hart ligt en dat ik in dit verband niet goed snap.

 

Nudistisch

Mij valt verder op dat de getroffen partij niet aan het woord komt. Over slachtoffers en eventuele sympathisanten is eerst door de polemische dader gesproken, en daarna door derden. Dat bleek in België onlangs nog bij de uitvoering van SANCTA, Florintina Holzingers beruchte opera tijdens de uitvoering waarvan toeschouwers onwel waren geworden van het bloed en seksueel geweld. Er traden naakte nonnen in op, ‘een nudistische persiflage van het religieuze leven van zusters’ volgens de Antwerpse bisschop Bonny die bezwaar aantekende namens katholieken. Toch riep hij hen op niet te protesteren, maar hun gekrenktheid om te zetten in paasvieringen.

Een getergde Holzinger meende strijdlustig: ‘what the fuck is wrong with shock?’ Haar voorstelling, die volgens de trailer een prachtige uitwerking gekregen had, kaderde ze zelf in brede westerse onrechtmatigheden. Maar volgens Gwendolyn Rutten was dat het punt niet. De oud-leider van de liberale OpenVld die inmiddels Anders heet, meende dan wel dat de bisschop een katholieke relaps beleefde, maar bovenal dat hij met vermeende lange tenen zijn geloof had laten kapen door extreem-rechts. Ze riep Bonny op tot verdraagzaamheid.

Meer kanttekeningen spoelden aan. Daarbij kwam één type argument mij bekend voor uit de lange geschiedenis van polemieken. Ik noem het deftigjes de substitutietechniek: voor het ter discussie staande object zet je iets anders in dat zijn controverse bewezen heeft. Vaak gaat het om ‘de jood’ of ‘de moslim’. In dit geval waren de blote nonnen dan te vervangen door besneden piemelaars of door blote meneren met ‘arafatsjaals’ en bomvesten.

In het debat zag ik wel geen blote paters voorbijkomen. Mogelijk omdat de SANCTA-regisseur een vrouw is, speelde hier blijkbaar geen seksisme. En waar velen geen begrip hadden voor bisschop Bonny’s protest tegen het hergebruik van christelijke symbolen, lag dat even later anders bij Trumps zoveelste narcistische provocatie, toen hij zichzelf door AI liet afbeelden als door handoplegging helende Jezus.

 

Uithangen

Uit mijn kwalificatie ‘zoveelste narcistische provocatie’ blijkt al dat, voor mij, polemieken niet als één geheel zijn op te vatten. Ik neem Florintina Holzingers shocktherapie veel serieuzer dan Trump. Dat brengt me in het vaarwater van de Utrechtse leerlijn Polemiek. Hoe schuchter en objectief de tien stappen daar ook zijn beschreven, ze tonen bij nagenoeg iedere fase voorbehoud. Wat Trump doet, zou volgens het SchrijfLab vallen onder ‘sarren’. Voor mij ontbreekt de intellectuele en geëngageerde basis die het choqueren door Holzinger wel heeft.

Maar bisschop Bonny’s protest wil ik evenmin opzijschuiven. Enerzijds zal dat uit ergernis zijn over de vanzelfsprekendheid waarmee Rutten religieuze instituties als dusdanig gedateerd beschouwt dat ze beter op de lippen bijten en het spreekrecht ongelimiteerd acht voor breuken met één specifiek geloof dat katholicisme is. Het doet denken aan de arrogantie anno 2008 van haar destijds door Verhofstadt aangestuurde partij en artistieke partners bij de euthanasie van Hugo Claus, tegenover aartsbisschop Danneels.

Aan de andere kant bevalt me aan Bonny dat hij opkomt voor bovenpersoonlijke waarden die hij tot nader order persoonlijk onderschrijft. Dat die moralistisch (kunnen) zijn, doet er niet toe. Ik zou het erger hebben gevonden wanneer de bisschop had gezwegen uit imagoredenen of omdat zijn strijd al vruchteloos gestreden zou zijn. Daarmee verschil ik alvast van het Utrechtse SchrijfLab dat een stap heeft ingeruimd voor ‘belangenafweging’. Mij is dat te strategisch, te pragmatisch.

Meer impliciete reserves in de leerlijn doen me beseffen een slechte leerling te zijn. Deze intro op een oefening vind ik zelfs griezelig:

 

Polemiseren is nét wat anders dan discussiëren. Van mensen die polemiseren – polemisten – wordt ook verwacht dat ze heel snedig (grappig, gevat) zijn. In deze oefening ga je de polemist uithangen. Die rol ligt je misschien niet. Vandaag niet, en misschien wel nooit niet. Je hebt vandaag of altijd een uitstekend humeur en je ergert je eigenlijk nergens aan. Je bent niet boos te krijgen, laat staan dat je iemand echt gaat opzoeken om met diegene in een woordenstrijd te raken.

Dat kan, dat is prima, maar in deze oefening ga je toch doen alsof. Zodat je wel kunt polemiseren mocht je in de toekomst nog eens in verzet willen komen en dan als schrijver al je middelen in willen zetten.

 

Waar doet me dit aan denken? De grensoverschrijding van verbindende communicatie? De zalving van de dorpspastoor?

 

Hinnekende

Door deze uitval dek ik wel iets toe bij mezelf. Ik vrees dat ik me met de verdediging van bisschop Bonny heb bekend als oude man. Zou ik ‘vroeger’ überhaupt zijn geneigd om een vertegenwoordiger te verdedigen van een geloof waarmee ik geen affiniteit heb maar waar ik evenmin, anders dan best wat Belgen, traumatische herinneringen aan bewaar? Kan ik ook verdragen in het vaarwater te raken van Pim Fortuyn, die met zijn trumpiaanse getreiter geen ware polemist was maar zich beriep op de neppe, aan Voltaire toegeschreven uitspraak over het verdedigen van rechten van mensen met wie je het absoluut oneens bent?

Literair gezien ben ik anders gaan denken over expliciet moralistische reacties. Zoals op Jan Wolkers’ ‘De wet op het kleinbedrijf’ (1964), een lang oorlogsverhaal dat exhibitionist meneer Savijn naar een totale ondergang voert. Met medewerking van nevenpersonages, van wie een opgetrommelde vriendin zegt: ‘Zoiets mag je niet met een mens doen’. De verhaallaag kaatst dus zelf een morele component. Ook opent Wolkers namens zijn genadeloos registrerende ik-kunstenaar het verhaal met een oordeel over meneer Savijn: ‘Natuurlijk was hij een viezerik, een stiekeme misdadiger, met zijn perverse bedenksels, zijn vuile hinnikende lachen, en zijn angst, ja vooral zijn angst.’

Toch zou ik ooit waarschijnlijk gelachen hebben met het feit dat Kees Fens deze tekst ‘walglijk en weerzinwekkend’ bleek te vinden, ook met kennis van zijn katholieke achtergrond. Allemaal door de bevrijdende jaren zestig opgelost! Waarschijnlijk durfde ik niet de spot drijven met de toen officieel autonomistische criticus, zoals Huug Kaleis deed, maar kritiek op Wolkers’ verhaal, waar weergaloze dorps- en stadsbeschrijvingen in te vinden zijn, zou ik niet verder hebben laten strekken dan Paul de Wispelaere, op esthetische gronden.

De vrijheid van meningsuiting mag gepaard gaan met het recht van lezers zich gekrenkt te voelen en daar lucht aan te geven, in woorden die de door emotionele vectoren veroorzaakte kruiperigheid van AI achter zich hebben gelaten.

Dit voorbeeld geef ik na, ook op Neerlandistiek, gelezen te hebben over het overlijden van de mij onbekende gereformeerde literatuurcriticus Gert Slings die Wolkers’ werk moreel niet verdroeg. In zijn studie Een boos en overspelig geslacht. De moderne literatuur als teken des tijds had hij daar rekenschap van afgelegd. Daar zou mijn jongere ik zeker om hebben gelachen. Nu meen ik: Slings bedreef polemiek op een wijze waarvoor ik toekomst zie. De studie verscheen nota bene in de seculariserende jaren zeventig, het decennium waarin Komrij van zich liet horen als fileerkundige.

 

Gefixeerd

Op de kak die ik legde over het debat tussen Lotfi El Hamidi en Arie Pos kwamen enige interessante comments. Conform de substitutietechniek herinnerde Huub Beurskens er terecht aan dat Komrijs snijdende kritieken zich niet beperkten tot ‘de islam’. Hij wees op de recensies van vrouwenliteratuur die rücksichtslos waren. Ze vielen onder wat het SchrijfLab afkeurt onder ‘ad hominem’. Wel waren ze routineus en sloten aan bij Komrijs op taal gefixeerde omgang met feminisme en bij zijn reacties op vrouwen in het publieke domein (Emmy van Overeem). Die kritieken liepen in die zin vooruit op socialemediatirades, dat ze veeleer producten waren van een zender dan van een ontvanger. Voor zover Komrij luisterde, gebeurde dat selectief – wat wel zo vruchtbaar was voor het effect. Wie deze fileerder retrospectief in bescherming wil nemen, moet zich beroepen op zijn maskeradepoëtica, die ondubbelzinnige standpunten of coherentie in een reeks uitspraken door één individu principieel verwerpt. Wel een verademing in tijden dat literatuur en ego-uitstoot siamees geworden zijn.

Bij die literaire invalshoek valt niet te ontkennen dat deze auteur jarenlang elke week formats moest vullen. Komrij was een opinist, voor wie de vrije meningsuiting een irrelevant concept was in het licht van een kras geformuleerd tegendraads en voor kritisch doorgaand idee. Vermoedelijk bedoelt het SchrijfLab dat met het zuinige begrip ’mening’ dat dankzij noeste arbeid én behoedzaamheid kan doorgroeien tot een ‘standpunt’. Is er aan zo’n cultuurindustriële status quo te ontsnappen? Juist Bert Engelaars vermelde bundel Kort door de bocht, die polemische premissen blootlegde in neutraal ogende (metaforische) uitspraken, doet vermoeden dat dit een moeilijke opgave is. Per tegenframe wordt het boek saaier, omdat het vanuit dezelfde metafoor steeds dezelfde ideologie aanvalt met steeds dezelfde klacht en oplossing.

Zo wist Komrij column na column steevast in krukkig formulerende andere autoriteiten een hypocriet te ontwaren. Hij deed dat soeverein, als zelfstandige, perfect beantwoordend aan de vraag van de vrije markt. Als dichter viel daarin immers niet rond te komen. Bijzonder was dat hij opereerde in het centrum van de macht én ensceneerde niet tot ‘de elite’ te behoren. In die zin was de spijkerharde verdachtmaking van Teun van Dijk, een professor nota bene, dat Komrij de genius was achter het anti-islampamflet De ondergang van Nederland vreemd genoeg ook een godsgeschenk voor zijn street credibility.

 

Eigenlijk

Heeft Komrijs polemische praktijk uiteindelijk vooral de achilleshiel van het genre getoond? Al dan niet op Olympische hoogte bekwaamde het zich tot vliegen afvangen. Amusant allicht en in de schier onschuldige geest van het fenomeen roasten, dat na zijn dood opkwam? Het Utrechtse SchrijfLab heeft het in zijn leerlijn opgenomen. Ik heb er geen sjoege van of het, als een esthetische polemiek, een beperkte houdbaarheidsdatum kent en vermoeiend is om te volgen. Polemiek wordt interessant wanneer de auteur zich geraakt voelt in een bovenpersoonlijk belang. Wat dat aangaat ben ik, toch al vatbaar voor taalgruis, te licht over de Utrechtse ‘belangenafweging’ gegaan. Urgente onderwerpen maken polemiek mede tot een zelfonderzoek, in de ouderwets essayistische zin.

Nog een comment trok de vergelijking met Gerrit Krols controversiële opvattingen over de doodstraf, die volgens mij mank loopt. Krol nam de tijd om zijn stellingen te ontwikkelen en te formuleren, tot in een samenhangend boek. De vergelijking is zelfs pijnlijk, omdat in het El Hamidi-debat de vraag was in hoeverre de islamcolumn van de stakkers en de wolven representatief was voor Komrijs overtuigingen – én of hij daar überhaupt op kon worden aangesproken. Wat dat aangaat kijk ik, met alle ontzag voor Arie Pos’ bekwaamheid en langjarige inspanningen, niet echt uit naar de biografie. Het geweld dat dit type egoboek moet ontketenen om aandacht voor amper gelezen oeuvres te genereren, zal media ertoe verleiden minstens drie weken allerlei vrienden te laten verkondigen ‘hoe Gerrit eigenlijk was’.

Dan zwijg ik nog over de wedstrijd die in de Boekenweek de Komrij-biografie luister bij moet zetten. Welke cynische ziel bedenkt polemieken op afroep? En welke idioten gehoorzamen dat theater en spelen er braaf hun rol in? Wordt dit dan roasten? Ik krijg medelijden met de gestorvene die ermee geëerd wordt. Mag het verschijnen van de biografie niet worden gevierd met iets wat de druk op de boekenwereld en leescultuur kan verlichten? Behalve een consumentenpolemist was Komrij, onder meer, een originele bloemlezer. Roep jongeren op tot gedichtenselecties uit poëzie die verscheen na zijn dood! Dan moet er eerst worden kennisgenomen en daarna, voor de verbinding, van mening verschild.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten