Moeder, ik heb
een mening! Naar aanleiding van de recent verschenen Nanne Tepper-biografie en
ook een brievenboek dat snel na zijn vroege overlijden verscheen, schreef ik een hele lap tekst die aan het slot een idee lanceert om uit
de shit te raken: een maatschappelijke tegenprestatie voor geld dat ampel
beschikbaar blijft om cultuurindustriële doden eer te bewijzen met dissectie.
Vreemd feitelijk,
in een tijd van budgetbeknibbelingen. Daartegen klinkt dezer dagen in Nederland
en België protest op. Ik wilde in dat zinnetje het galmende woord ‘alom’
zetten, maar dat zou getuigen van blikvernauwing of beslagen spiegel waar het
de sectie cultuur aangaat. Heel wat mensen zien die het liefst gisteren al begraven,
juist vanwege kapitalen die eraan besteed zouden worden.
Voordat de indruk
rijst dat ik het dan over zogeheten onbeschaafde medeburgers heb, verwijs ik naar
een stellingname van criticus en curator Hans Hartog Jager dat
kunstenaars dan wel de sluitpost zijn op een begroting maar dat hun kritische
autonomie getuigt van wensdenken. Bovendien was er recent een scherpe analyse van componist en regisseur Görges Ocloo
waarin hij de cultuursector maant tot zelfkritiek.
Financieel
beleven we tegelijk tijden van AI-exploitatie. De koloniale waar is werk dat
ooit met inzet van ziel en zaligheid voor een appel en een ei op witte velletjes
papier werd verricht en dat later via een toetsenbord de digitale wereld in
werd geslingerd. Ik weet zowaar waar ik het over heb. Alleen al dit brabbelplekje
werd afgelopen halfjaar aangedaan door waanzinnig veel bezoekers – uit landen
zoals de VS, Singapore, Brazilië, Duitsland en Vietnam, die niet bekendstaan om
hun beheersing van het Nederlands dat bij mij de voertaal is.
Laat de protesten
maar komen. Tegen shadow libraries
waarin online auteursrechtelijk beschermde teksten zonder toestemming en
vergoeding zijn verspreid. Tegen besparingen
van 10% in een sector die deels ruimtes wil vergroten én die een miniem
hapje uit de begroting neemt. Voor deze acties is gelukkig aandacht.
Onder de radar bleef een ander feit dat in zijn gortdroogheid onspectaculair een nooit bevraagde ontwikkeling toont. Dat in Vlaanderen het maximum aantal maandeenheden voor een literaire schrijfwerkbeurs is teruggebracht. Er zijn sinds 2020 (164 aanvragen) namelijk zo ontzettend veel auteurs gekomen, dat nu (326 aanvragen) het budget niet meer toereikend zou zijn.
De keerzijde van de medaille! Wel verbaast me het Fonds zelf
overvallen was door deze historische kwantiteitsontwikkeling. Ze is met vele
factoren te verbinden. Bijvoorbeeld met de resignatie van het literaire
tijdschrift dat een kweekvijver heette. Of met het bastion dat het oude
beurzenstelsel bleek. Nu worden talenten op basis van dossiers klaargestoomd in
residenties te Parijs, krijgen ze een projectsubsidie om het debuut te maken,
waarna een stimuleringsbeurs voor het tweede en voor het derde boek, waarna…
oeuvre-auteur.
Ik waan me bejaard. Niet omdat ik zelf na vier titels naar
België uitweek om iets van de erkenning te krijgen die zo’n werkbeurs inhoudt.
Noch omdat ik kort daarna ageerde
tegen overproductie. Mij stramt het niet-aflatende gehamer op wéér een
briljante debutant. Het omgekeerde van de pensioenpiramide waarbij men zich
afvraagt wie al die freischebende babyboomers bekostigen moeten. In ruil voor
elk fris genie kan het bijna niet anders dat nu langs de achterdeur een krasse knar
het huis verlaat.
Of is dit echt waan mijnerzijds, en gebeurde dit type schoonmaak
altijd al? Het is soms moeilijk te beslissen wat bijzonder is en wat patroon. Op
veel meer vlakken. Toen ik bijvoorbeeld eindelijk de jongerentoepassing van het
taalfenomeen reduplicatie uitgelegd
zag, begreep ik niet alleen wat een voorafgaande generatie aan het doen was. Ik dacht ook (koppig of relativerend) dat erg veel langer geleden Lucebert
in een overbekend gedicht schreef:
‘de stenen stenen dieren dieren vogels vogels weg’.
Dus, blijft de aanwas of houdt ze halt of zit ze zelfs in
een andere leeftijdscategorie? Het is inmiddels herfst. Vlak voor de
zomervakantie probeerde
ik te verklaren waarom een prijs voor ‘de beste bundel van de afgelopen
drie jaar’ naar een poëziedebuut ging. Ik heb het nog steeds niet gelezen, maar
nu mag ik bekennen dat ik geen geloofwaardige reden vond voor die opzichtige bekroning
en tegelijk ergens voelde en voel dat ze past bij deze tijd.
Nou ja, ‘de jeugd heeft de toekomst.’ Dat mag van mij zo
blijven. Zolang het op termijn maar geen nieuwe biografieën en brievenboeken
over hun razend spannende levens aanricht. Die zouden het verdienmodel steunen
van de privacybroodwinning en de voyeuristische leeswijzer, in mijn mening onder
vuur genomen. In mijn heuse eigen mening.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten