woensdag 16 september 2026

Da worde nie

 


 ‘Maar hij zei ook Niets kan haar vervangen’

(Jacob Groot)




Uiteindelijk bleek ik de klok hebben horen luiden. Maar ja, die klepel. Wat hier etappegewijs over recent gebruik van hoofdletters heeft gestaan, kan alsnog worden gespiegeld aan vakliteratuur. Het gaat dan over veranderende taalvormen ’sinds de vroege socials’ tussen 2000 en 2010, zoals ‘(…) HeT wIlLeKeuRiG aFwIsSeLeN vAn KleInE eN gRoTe LeTtErS voor een spottende toon’. Totaal willekeurig lijkt me deze orthografie niet, maar ik snap wat er wordt bedoeld en ga in mijn mand liggen.

Het citaat staat in het dit jaar verschenen Superbrabants van Kristel Doreleijers. Over een taal die ‘niet alleen kunstmatig, maar ook best kunstzinnig’ zou zijn. Ik las deze studie vanonder drie petten tegelijk: een publicist die net iets heeft afgerond met een hoofdrol voor gebabbel in de fictieve enclave West-Noordbrabant, een amateurcharlatan die taal onderwijst en een voormalig inwoner van Breda, de Parel van het Zuiden.

Om met de laatste figuur te beginnen, Doreleijers leert hem dat er ook in Noord-Brabant zoiets als een centrum en een periferie bestaan. Niet omdat zij uit Eindhoven komt en in Tilburg doctoreerde, maar omdat haar voorbeelden die regio bestrijken, met Den Bosch als hoogste punt. Een culturele minidriehoek? Indien ik het me goed herinner, duikt mijn geboortestad alleen op als officiële naam voor het Kielegat en standplaats van NAC. Nou ja, Tom America (afkomstig uit Heerlen, woonachtig in Tilburg) zong al eens dat hij het gevoel had Breda nooit te zullen halen.

Dat het zuigende niemandsland in de richting van Tholen en Zuid-Beveland helemaal onbenoemd blijft, maakt allicht evenmin iets uit voor de fascinerende hoofdstelling van Superbrabants: dat er onder jongeren in die provincie een taal is ontstaan die werkelijk een melting pot blijkt. Doreleijers noemt het, onder meer, een hyperdialect. Omdat ‘het’ Brabants, wat dat ook moge zijn, er verzeild geraakt is in een soort deeltjesversneller. Eigenaardigheden van het dialect zijn erin uitvergroot en komen er anders uit: in strikt genomen ongrammaticale gedaante.

 

Popiejopie

Overtuigend laat Doreleijers zien dat haar variant allerlei clichés en stereotypen over de provincie heeft opgeslurpt, afkomstig uit een andere machtige driehoek die we de Randstad noemen. Daartoe had ze zelfs kunnen refereren aan het oer-Haagse duo F. Jacobse en Tedje van Es, dat in 1980 bij de hertekening van Nederland als apartheidsstaat onder meer het landsdeel Brarabant ontwierp, waarin de provincie ten gunste van Surinamers en Arabieren fuseerde met Limburg, ‘altijd weer een paar graadjes warmer, denk aan de vrolijkheid, denk aan carnaval’.

Doreleijers spreekt van een ‘herkenbaar Brabanderschap’ als

 

‘een optelsom van het beeld dat buitenstaanders van Brabant hebben of aan Brabant toeschrijven (het imago van Brabant), het beeld dat Brabanders van zichzelf hebben (het zelfbeeld), en de manier waarop Brabanders zichzelf presenteren’.

 

Zo kan een adembenemend actie-reactiespel ontbolsteren, met soms onwrikbare principes, al dan niet uit de spreekwoordelijke onderbuik opgeborreld. Zonder dat ze de term appropriaton laat vallen zegt Doreleijers dat er in haar provincie bijvoorbeeld mensen zijn conform het dogma ‘Braobander da worde nie, da bende’. Op dezelfde pagina meldt ze dat anderen zich zo schamen voor hun accent, dat ze de hulp van een logopedist inschakelen.

In Doreleijers’ nieuwe taal zit, wanneer ik haar goed begrijp, evengoed een bijdrage van import-Brabanders. Het netto resultaat veroorzaakt een grappig refrein in Superbrabants. Ouderen klagen over de teloorgang van ‘hun’ dialect dat zij wél zuiver houden – de ondergang nabij! Daarin staan ze, op hun manier puristisch, niet alleen. Doreleijers geeft een wetenschappelijke bron: Arjen Versloots artikel ‘Streektaaldood in de Lage Landen’, waartegen ze stelling neemt.

Doreleijers bouwt verder op noties als ‘gevelbrabants’ (Hoppenbrouwers). Daar zat wel kritiek in, als zijnde een quasi-bourgondisch neptaaltje waar de kassa mee werd gespekt. Op een hyperdialectisch benaamde zaak tekent ze de reactie op: ‘Dòr hebben ze ’n bietje popiejopie, ’n bietje populair meej willen zen’. Zoals Superbrabants zelf slim de kwalificatie ‘carnavalesk’ gebruikt voor noorderlingen die taal bazuinen die wel erg overdreven is en de provincie gelijkstelt aan folkloristische clichés. Van dergelijke uitstoot zijn ouderen de uitlaat, maar waar zit precies het verschil met die jongerentaal?

Is superbrabants toch ook een commercieel project, waarvan tegeltjes en memes al op de markt blijken en waarin ondernemers kansen zien? Waarin onderscheidt het zich van ‘beeldbuisbrabants’ à la Undercover, van het Brabants dialect dat volgens de achterflap het dienstmeisje Petra spreekt in Nootebooms Rituelen of waarmee Thomése zijn Tilburgse personage J. Kessels optuigt? Is het heus louter een knuffeltaaltje waarin jongeren zich prettig voelen, misschien ook door de buitenwereld mild te stemmen zonder de roomse achterlijkheid die de streektaal traditiegetrouw schijnt aan te kleven? De nieuwe versie doet er, als ik het wel heb, ook ingrediënten bij uit uitheemse talen, zoals jongeren gewoon zijn te doen.

 

Koekwaus

Behalve jaloersmakend toegankelijk is Superbrabants monter. Het boek heeft overal begrip voor en Doreleijers lijkt ook niets echt te willen uitsluiten. Ze memoreert dat Cornelis Verhoeven al in 1978 aanvallen op het dialect zag door import-Brabanders. Hij sprak toen over het ‘verkrachten’ van taal, wat zij ‘een nogal uitgesproken manier’ van communiceren vindt. Dat woordje nogal treft me. Net als ‘’n bietje’ herbergt het iets aardigs wat ik tegelijk griezelig vind.

Superbrabants is de publieksversie van een Engelstalig proefschrift. Ik kan me indenken dat het al die formaliteiten achter zich wil laten maar tegelijk binnen het wetenschapscircuit wil blijven. Het boek eet van twee walletjes. Doreleijers vertelt constant over zichzelf. In zekere zin vormt haar historische omgang met taal de rode draad – van het kind uit Eindhoven dat daar inmiddels ‘Brainportbrabants’ ontwaart, over de neerlandica in Utrecht die weggevallen lidwoorden bestudeerde en die vanuit huis in coronatijd begon te promoveren voor de Tilburg University, tot en met de postdoc-onderzoeker bij het Meertens Instituut.

Zeker vanaf de tweede helft van het boek wordt Superbrabants zo ook een bonte attractie. Telkens rapporteert Dorelijers welke spelers in taalland ze is tegengekomen, en laat hen uitgebreid aan het woord. Vanwege hun diverse achtergronden, qua leeftijd en opleiding en professie, richt dat een prettige rommel aan. Maar omdat haar onderzoek aanslaat bij media wordt ze ook voor van alles en nog wat gevraagd, dat ze evengoed vastlegt, zonder dat haar keuze daarop zou hoeven zijn gevallen. Ontegenzeglijke overbodigheden zijn anekdotisch natuurlijk wel aardig.

Het halfslachtige resultaat valt af te lezen aan peritekstuele details. Aan de geweldige boektitel van één woord zit helaas een sliert in tricolon gegoten preciseringen: Over jongerentaal, New Kids en je thuis voelen in je dialect. Ook kent de eerste druk meer aanbevelingen van Brabantse grootheden dan geloofwaardig lijkt (ik ril sowieso van zulke uitgeversstrategieën, pakweg van Jacob Groots Billy Doper in 2008 tot Seppe Decubbers Romeo & Juliet lezen uit 2025 waar zelfs de minister van Welzijn lof moest prijzen). Voor Doreleijers onder meer drie quotes van acteur en provincieambassadeur Frank Lammers, en geen enkele van Brabants populairste taalexpert Wim Daniëls.

Allicht ben overgevoelig voor zulke uitvouwsels, al was het omdat de serie New Kids mij ontgaan was. Maar juist terra incognita trekt me. Ik vind het leuk om mijn idee van het genre bij te stellen wanneer ‘Koekwaus’ van RoekOe Brabant als een carnavalsliedje wordt gecategoriseerd door Doreleijers. Exact een decennium voor haar geboorte vertrok ik uit deze provincie. IJkpunt uit mijn prehistorie was ‘Het leven is goed in m’n Brabantse land’ van Oh Sixteen Oh Seven, een bizarre verzameling stereotypen die, anders dan Guus Meeuwis, in Superbrabants onvermeld blijft.

Een generatiekwestie? Doreleijers is een millennial, die soepel haar taalkarretje kan haken aan de door Jonas Kooyman in de markt gezette havermelkelite, een fenomeen waar ik vooral bedremmeld naar sta te kijken. Ik vind het in elk geval sensationeel verwarrend om van dichtbij, met alles wat er aan identiteitsmarkers bij schijnt te horen, een groepstaal uitgelegd te krijgen. Die als frame te nemen. Hoe gaaf is het om, zoals Kristel Doreleijers overkwam, te mogen optreden op Lowlands als neerlandica? Bij een programma dat Beats, Brabants & Boeken heette? Samen met onder meer ‘de Brabantse dichter en schrijver Simone Atangana Bekono (geboren in Dongen)’. Hey, zo ken het ook.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten