maandag 19 oktober 2026

Renée de Rijk (1947-2026)

 



 

En ineens was ze weg. De rouwkaart was bijna te mooi om waar te zijn. Met een prachtig citaat van Georges Bataille (dat ze zelf vertaald had) en een dito schilderij van Cy Twombly. Ook de verzekering dat alles in alle rust was verlopen. Maar toch. Een geweldige vrouw, slim en betrokken, en tot op het laatst volstrekt autonoom.

Is dat nu zo bijzonder dat ik haar publiekelijk wil herdenken? Renée de Rijk woonde sinds jaar en dag dan wel in Amsterdam, provinciaal was ze allerminst. Langere tijd verbleef ze in Curaçao, Nieuw-Zeeland en Chicago. Met het babyboomersprofiel dat ze officieel had rijmde haar leven evenmin. De Rijk viel idealen van haar jeugd niet af, maakte geen carrière, hoefde zich niet los te maken van een geloof en ontleende haar wijsheden niet aan popmuziek die als het ware met haar mee opgroeide.

Beter paste een mooi emancipatoir trekje. Zes jaar na het afscheid van haar intellectueel en artistiek evenwaardige zielsverwant, die ze misschien als sterrenstof hoopt terug te zien, was de herdenking op exact dezelfde plek rimpelloos en exclusief geregeld door vriendinnen. Net zoals het snelle proces ernaartoe, waarbij De Rijk slechts op voorwaarde van een vorstelijke fooi een taxi naar de dokter accepteerde van de beruchte multinationale firma Über.

Het heft dan maar helemaal in eigen handen! Overgeleverd is dat deze generatie bij het prediken van veranderingen traditionele man-vrouwverhoudingen intact liet. Zelfs prototypische revolutionaire studentes fungeerden als secretaresse en koffiejuf. Van die blijkbaar onontkoombare werkelijkheid moet De Rijk een deugd hebben gemaakt, door leesclubs van allerlei groottes te bevolken waarin mannen hooguit object waren.

 

Inborst

Ongeveer sinds het begin der tijden legde ze de voorlopige resultaten van haar denkoefeningen vast in dagboeken, die op hun beurt aan de basis lagen van haar memoires. Ze werkte daar nog aan, en had een afspraak staan met een vriendin om de laatste tekstuele knopen door te hakken. Toen ik na haar dood een vroege versie herlas, betrapte ik me op een dwaas stereotiep vrouwbeeld: de erg zorgzame De Rijk was kinderloos en meldt niets over wensen dienaangaande.

Het boek als geheel kant zich nota bene tegen intimiteiten en anekdotiek. Niet eens uit schaamte, denk ik, maar omdat De Rijk dat facet van haar leven oninteressant vond; ze wilde hardop nadenken over een leven dat dat zowel intellectueel als spiritueel en politiek-sociaal betekenis kon hebben, ‘boven de nood en het nut’ (ik citeer De Rijk die ofwel Heidegger ofwel Hölderlin citeert). En op het vlak van kinderen kan ik evengoed beweren dat ze bij de Amsterdamse literaire stichting Perdu heel wat jonge dichters en schrijvers heeft opgevoed.

Dat gebeurde alweer op een paradoxale wijze. Ze faciliteerde literatoren, met uitnodigingen voor avonden over heikele, soms abstracte kwesties. Vervolgens ging ze met hen in gesprek en leek het wel alsof haar elke minuut iets nieuws werd onderwezen. Maar ik heb zelden iemand ontmoet die zo erudiet was en zich daarin bleef trainen (bij Perdu begeleidde ze samen met haar zielsverwant ook leeszondagmiddagen die telkens aan één schrijver waren gewijd). Iedereen, mits in bezit van oren en geduld om De Rijk over de timiditeit heen te trekken, kon iets van haar opsteken.

Omdat ze vooral geïnteresseerd was in literatuur die taal met taal ‘problematiseert’ en die tekenen vertoont aan maatschappelijke verhoudingen te willen sleutelen, kan het helpen De Rijks uitleg te volgen waarom ze zou hebben gefaald op de Pedagogische Academie in Amsterdam. Geïnspireerd door de Summerhill School, de experimentele pedagogische aanpak in Reggio Emilia, de Bilthovense Werkplaats van Kees Boeke en Betty Cadbury en door het kunstonderwijs van Herbert Read, wou ze kinderen omturnen tot kritische burgers in een betere wereld, terwijl ze geen orde kon houden en het met haar zachtmoedige inborst fijner vond wanneer haar klas zich intens vermaakte.

Dus ging ze pedagogie studeren, om op abstracter niveau te begrijpen hoe opvoeding en onderwijs mogelijk wel een mentaliteitsverandering teweeg konden brengen.

 

Verarming

Ook De Rijks adolescentenjaren in Nieuw-Zeeland voordien zijn instructief. Ze was toen zo activistisch dat ze geen van haar toch weinig kinderachtige studies (antropologie, kunstgeschiedenis en filosofie in Auckland) wilde voltooien: de werkelijkheid ging voor. Wel kregen haar vrienden-medestrijders zware gevangenisstraffen. Haar memoires tonen zich daar nog altijd verontwaardigd over, maar bekennen ook, eindeloos afwegend, geen definitief besluit te kunnen nemen wat een effectieve en ethische manier van protesteren is. Ze heeft er een buffer voor nodig:

 

‘Kunst is niet moralistisch, maar zet ons wel aan het denken. Het denken waartoe kunst aanzet is echter een ander denken dan het rationele, logische denken dat op school wordt geleerd. Kunst leert ons op een andere manier in het leven te staan dan louter als medemens wiens voornaamste taak het is een fatsoenlijk burger te zijn. Ze kan ons het belang van eenzaamheid leren, een eenzaamheid die de basis van echte gemeenschap zou kunnen zijn.’

 

Het citaat is, als alle andere die ik zal geven, uiteraard onder voorbehoud. Op meer plaatsen in De Rijks memoires duikt in ieder geval die eenzaamheid op. Ze bereidt voor op de dood, dat Heidegger volgens haar ‘een voorbij’ noemde en dat een kennisbron kan zijn. Het vormt een integraal onderdeel van het leven.

Daarnaast geeft eenzaamheid naar De Rijks overtuiging dus voeding aan een gemeenschap, althans een die iets wil voorstellen. Want ze vreest ‘dat bij al het denken aan de collectiviteit de vraag naar de waarde van eenzaamheid verloren gaat. Die waardering kan romantisch genoemd worden, maar wat is het gevolg als deze waarde verloren gaat? Collectieve kunstbeoefening kan zeker waardevol en nodig zijn in deze tijd, maar het zou een verarming van de kunst betekenen als kunstwerken die uit eenzaamheid geboren zijn en die eenzaamheid nodig hebben geen aandacht meer krijgen.’

De Rijk verdedigt hier misschien wel haar Perdu-grut!

 

Viola d'amore

Haar belangrijkste doel na het educatieve en politieke failliet werd recht doen aan de rijkheid en diversiteit van de wereld. Dan heeft ze al ettelijke malen gepoogd om ervaringen te koppelen aan ideeën en theorieën. Dat beschouwde ze als haar bijdrage aan ‘het levend houden van wat bestaat’. De bepaald niet eenvoudige bronnen zijn vooral de zware jongens Heidegger en Hölderlin. De Rijk verhelderde hen als geen ander.

Uitleggen, samenvatten, begrip vergroten – en nieuwe vragen stellen. Als fossiel postmodernist, dan nog eerder tuk op daden, zag ik De Rijks talent om bedoelingen te achterhalen niet altijd scherp, maar zelf beleefde ze haar activiteit geenszins als opgave, laat staan als dwang. Bij Hölderlins poëzie

 

‘voel ik me op een andere manier in de wereld aanwezig dan wanneer ik bijvoorbeeld in een supermarkt boodschappen doe. Ik hoef maar een paar verzen te lezen om me gestemd te voelen, gestemd als een snareninstrument, een “viola d'amore”. Er wordt een snaar geraakt, niet één maar meerdere, ik lijk bespeeld te worden, ik kom erdoor in een vreugdevolle stemming en word tegelijkertijd bedachtzaam en aandachtig. Het feitelijk bestaan verliest zijn greep op me. Ik ervaar een zekere vrijheid.’

 

Een praktisch gevolg was wel dat ze, terug achter haar bureau, het ene woord na het andere moest wegen (waarvan ‘spiritueel’, dus anders dan het denken op school, na lang wikken toelating kreeg). Ze doet dat stilzwijgend ook als vertaler van lastige zinnetjes uit het Duits, Frans en Engels.

 

Grenservaring

Mocht het begrip niet door verdoofde tongen zijn afgelebberd, dan had ik De Rijk zonder aarzeling ‘genereus’ genoemd. Ik ben ervan overtuigd dat ze die kwalificatie voor zichzelf ongepast zou hebben gevonden. Het waren juist anderen die haar voedden: filosofen, dichters, musici, schilders,… Daar getuigen haar memoires van, zij het met een bizar groot ontzag omdat kunstenaars, bij De Rijk scheppers, iets bijzonders zouden ervaren bij het maakproces: ‘verlies van de eigen wil, een grenservaring van de leegte of afgrond, een verwonderde betrokkenheid bij het leven, een gevoel van dwang maar ook van vrijheid’.

Mij is dat ontzag wat al te heilig. Niet alleen zouden kunstenaars bovengemiddeld kritisch zijn maar ook betere mensen. Flatterend, maar zolang de statistieken ontbreken schiet ik persoonlijk liever in de lach wanneer ik in de spiegel kijk. Bovenal gaat De Rijk met dat – oprechte – ontzag voorbij aan haar eigen aandeel. Bijvoorbeeld aan een intellectueel-industrieel klimaat dat uitpuilt van lijstjes die steeds suggereren te weten wat goed, beter en best is.

Haar overlijden is een regelrecht verlies voor het literaire bestel. Ik moet dan toch ook denken aan Hans Groenewegen (voor wie ze, ook al, de diepste bewondering had). Met hen verdwijnt een soort cultuurreceptor uit beeld die kunst op langere termijn begunstigt. Niet alleen door belezenheid en ongekend brede belangstelling. Het zijn lezers die blijven kijken, en die zich ondervragen. En die kunnen wachten, een cruciale eigenschap volgens Heidegger geciteerd door De Rijk: ‘Op het kunnen laten, niet op het regelen en beheersen, berust de vrijheid’.

Als je zou kunnen terugrekenen wat dat Groenewegen en haar per uur kostte, werden ze schamel betaald. Sowieso schameler dan de goed-beter-best-kundigen, in wier sloganeske taal de vis van morgen wordt verpakt. Bij De Rijk en Groenewegen klinkt dienstbaarheid niet halfzacht, omdat hun doelen radicaal buiten liggen. Op enige maatschappelijke ambitie voor zichzelf heb ik hen nooit kunnen betrappen.

 

Ontbergen

Nu ga ik iets heel raars zeggen, maar er zijn redenen waarom ik De Rijk gun niet verder te hoeven.

Haar memoires bevestigen wat in gesprekken en mails bleef terugkomen: dat ze zeer bezorgd was over de toekomst. Voor iemand die, bijvoorbeeld bij het aanschouwen van een mosje door een loep, arcadische tijden van ‘in-de-wereld zijn’ had beleefd bij de NJN (waarvan ze de vreugde gelijkstelt aan die bij Rilke, Proust, Heidegger, Hölderlin, Klee, Joan Mitchell, Twombly, Chillida of Bram van Velde), waren de klimaatveranderingen ondraaglijk. Tussen haar overlijden en afscheidsbijeenkomst liep ik met mijn gezin in Brussel de jaarlijkse mars, hoopvol en wanhopig over verantwoordelijken die gore onverschilligheid tentoon blijven spreiden.

Al even logisch, voor iemand die zo gesteld was op haar autonomie, richtte De Rijks bezorgdheid zich op technologische ontwikkelingen, waarvan artificiële intelligentie het recentste hoofdstuk is, en die steeds iets uitrichten met privacy. En steeds heeft ze een richtsnoer:

 

‘Het grote gevaar is, dat al het “tevoorschijn-brengen” een “bestellen” is geworden. In deze heerschappij van het “Gestell” wordt alles, inclusief de mens, voor toekomstig gebruik tot bestand gemaakt. Het ligt voor de hand hier aan de ongebreidelde dataverzameling van onze huidige computers te denken waar mensen (maar ook teksten en zelfs kunstwerken) gereduceerd worden tot bewerkingen van een verzameling data die tot een ieders beschikking staat. Heideggers inzicht dat iedere andere mogelijkheid van ontbergen in de toekomst vergeten zal worden, wordt door deze ontwikkeling aannemelijker nog dan in zijn eigen tijd.’

 

Er waren afgeleiden van technologie die in haar, een open geest die telefonisch louter over een vaste lijn was te bereiken, argwaan wekten. Ik meende het terug te zien in een ontroerend spellingsdetail als ze bij een contrast met een Hölderlin-gedicht schrijft: ‘het gedenken van verre vrienden speelt zich nu op “facebook” af’.

 

Niet gedomineerd

De dag waarop De Rijk stierf, werd de Nobelprijs voor Literatuur bekendgemaakt. Per jaar wordt dat, inclusief voorbeschouwingen en kennerscommentaren, een onnozelere vertoning. De kwaliteitskrant De Standaard begon er twee uur tevoren een liveblog over, uiteraard inclusief poll. Dat het Anne Carson werd, van wie ik nog nooit een letter heb gelezen, zal De Rijk plezier hebben gedaan. In haar memoires refereert ze tot tweemaal toe aan een leeservaring van de Canadese, waar ze zelf naar op zoek was omdat het tegelijk een zijnservaring bleek:

 

‘Rope

let down from heaven to draw me up out of not-being: Proust (...)’

 

Die sensatie had De Rijk, verklaart ze, ook bij schilderijen van Twombly en bij muziek van Luigi Nono. Bij die laatste pikte ze meteen een overtuiging op, die haar Perdu-wezen zich kunnen inprenten: dat ‘leren luisteren een voorwaarde is voor een vruchtbare politiek. Wel moeten we ons ervoor hoeden de roep om goed te leren luisteren te reduceren tot de eis die nu vaak aan de politiek gesteld wordt: luister naar de stemmen die zich niet gehoord voelen. Dat lijkt me een ander soort luisteren, een luisteren dat tot niets verplicht, een luisteren zonder gevolgen.’

Zelf voltooide ik die bewuste donderdag een van mijn bozige artikelen, waarvan De Rijk het nut inzag maar die ze menselijk niet kon waarderen. Ik ageerde tegen recente non-fictie over geschiedenis waar intimistische terzijdes van historische passanten worden misbruikt in een routinedeterminisme. De Rijks vertrouwde vorm van het dagboek, waarin ze met haar bewonderde kunstenaars ‘de ruimte van het vrije spel [deelde], een ruimte die niet wordt gedomineerd door economische productie en bestaande maatschappelijke normen’, zou dan bezoek moeten krijgen van lezers in een voyeursrol.

Naar verluidt worden haar dagboeken overgedragen aan een archief. Hopelijk worden ze niet opengeslagen door cynische Grachtengordeljournalisten die bij gebrek aan inspiratie voor een boek beste stuurlui aan wal worden. Aan de andere kant dunkt De Rijk me te bescheiden geweest om veel van haar sores bloot te geven. Zou ook niet in haar ecologische agenda passen, waarin een minimaal beslag op ruimte wordt gedaan.

En daar ging ze.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten