zondag 14 juni 2026

Twee lezersverwachtingen

 




 

Ooit waande ik zo betrapt in mijn ethische illusies toen Lelystad onder mijn ogen kwam, dat ik er een heel stuk over schreef (nergens op mijn harde schijf terug te vinden). Dus zou het een leugen zijn wanneer ik beweerde dat ik Joris van Casterens jongste boek onbevangen tegemoet treed. Laat de wens dan ten minste de vader van die gedachte zijn. Bij De mensheid zal nog van mij horen. Stemmen uit het dagboekarchief verwijst de ondertitel naar het NDA, een collectie van het Meertens Instituut die door ruimtegebrek inmiddels berust in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Daar begon Van Casteren als writer-in-residence.

Uit talloze dagboeken heeft hij er een handjevol geselecteerd en intens droevige, zogeheten gewone, levensverhalen naverteld. Hij citeert er ampel uit en de achterflap benoemt het eindresultaat: ‘het waanzinnige leven van een mevrouw uit Hoofddorp die overvallen pleegt (…) een homoseksuele storingsmonteur uit Limburg die in spiegelschrift verslag doet van zijn uitspattingen (…) een KLM-purser die in Thailand kunstvoorwerpen steelt, een overspelige vrouw van een VVD-politicus, een kunstenares uit Delden die bij de Jeugdstorm zat, een vrome bouwvakker uit Zwolle die zijn buren begluurt, en talloze anderen’.

Dit lijkt me Randstadvermaak, waarbij zij aangetekend dat bij de VVD-politicus Van Casteren aan Frits Bolkestein een rolletje in de maag tracht te splitsen. Ik ben geen grote fan van hem, maar dit heeft hij niet verdiend. Het boek in zijn geheel exploiteert. Des te vreemder om niet alleen te ontdekken dat De mensheid zal nog van mij horen op de flap aanprijzingen kreeg van echte schrijvers, maar ook dat het ‘als enige non-fictieboek op de shortlist van De Boon’ stond. Raf Njotea rekende het zelfs tot de tien beste titels van deze eeuw. Als zelfverklaard experimentator raakt het me dat het als een nieuw genre wordt gepresenteerd.

Toch snap ik ergens wel waar die lof vandaan komt. Van Casteren heeft meegedeeld dat hij vijf jaar aan het boek heeft gewerkt, en dat het gefaseerd tot stand kwam: ‘Van zestien personen heb ik alles gelezen, 114 dozen bij elkaar, per doos gemiddeld twintig schriften. Per persoon maakte ik een uittreksel van zeker dertigduizend woorden’. Inzake het ambachtelijke van de onderneming rijst dus het beeld van een herculesarbeid.

Daarnaast bevat De mensheid zal nog van mij horen een verantwoording waarin Van Casteren meldt dat hij aan het contract van het NDA in overleg met het Meertens Instituut een addendum heeft laten toevoegen, zodat hij de namen van zijn tragische personages kan noemen. In het slotdeel bezoekt hij bovendien de nabestaanden, die veelal onverschillig zijn, of de in schemer verkerende personen zelf. Door de tekst heen reflecteert Van Casteren bovendien op het wezen van zijn project. Dit zijn niet echt verrassende alinea’s.

Privacyschending is hoe dan ook afgedekt, wat ethische tegenwerpingen sneu maakt. Temeer daar de verhalen de constructie legitimeren dat mensen van vlees en bloed die nooit de media halen, helden zijn die postuum extra eer worden bewezen. De mensheid zal nog van mij horen dus. Geen voyeurisme maar erkenning van obsessief noterende mensen die blijkbaar gelezen willen worden. Toch typisch dat op het internet NDA in eerste instantie niet naar het Nederlands Dagboek Archief voert, maar naar een juridische term over vertrouwelijkheid van informatie: Non-Disclosure Agreement.

Bovenal profiteert De mensheid zal nog van mij horen van inspanningen door derden, vooral met dwaze details die plaatsvervangende schaamte niet laten concurreren met empathie maar met uitlachlust, leedvermaak. Ook vertelt Van Casteren de levens niet één voor één, maar afwisselend, in een dramatische opbouw. Hij maakt er muziek van, met bijbehorende snobistische kitsch onderstreept door de titels van zijn delen: crescendo, sostenuto, unisono en coda. Dit boek stinkt.

 

Werden mijn verwachtingen bij Van Casteren helaas dus bevestigd, Plooi u in tweeën stelt me voor verrassingen. Ik meende dat Joke van Leeuwen een succesvolle, veelbekroonde schrijver is met een jaloersmakend breed lezersbereik en een imposant netwerk, maar uit dit boek blijkt dat ze vooral tegengewerkt is. Het strekt zich wel slechts uit over pakweg haar eerste dertig levensjaren. Daarbij doet de ondertitel Een memoir voorbarig en bescheiden aan, vergeleken met wat de drie jaar oudere Christien Brinkgreve even tevoren zonder lidwoord publiceerde.

Toch neemt Van Leeuwen net als de sociologe maatschappelijke structuren onder vuur, zij het veel fragmentarischer. En als een subtiel, maar soms behagend formulerende ambachtsvrouw, met tempowisselingen en aandacht voor het geringste detail dat wetenschappelijk futiel zal zijn. In de sfeer van het Vergeetwoordenboek (1992), waaraan ze destijds meedeed en haar toekomstige boektitel al wist te ontfutselen. Doordat Van Leeuwen ook plaatjes en foto’s invoegt heeft Plooi u in tweeën iets van een kijkboek van de kunstenaar die ze ook is. De vergelijking met Mutsaers’ Kersenbloed en Zeepijn dringt zich op maar die kan Van Leeuwen, met alle respect, niet aan.

Een groot verschil is dat Mutsaers zich geen intellectueel en moreel voorbehoud permitteert, terwijl Plooi u in tweeën laat zien dat bij spontane verkenningstochtjes gevaar voor remmingen dreigt. In onbekende gebieden worden heel wat momenten getekend door gereserveerdheid, het inslikken van protest – het buigen zelfs voor dominantie. In die zin doet Van Leeuwen een boek lang haar beklag achteraf. En omdat rode draad daarbij genderverhoudingen zijn, heeft het wel iets treffends dat zij ook pas later toetrad tot het literaire vrouwencollectief Fixdit.

Anders dan Mutsaers ook is dat Van Leeuwen nooit man en paard noemt. Ze heeft het hooguit over een ‘dwarse denker’ die haar als pril meisje op de televisie interviewt en haar vervolgens in Humo kleineert. Ook het verschil met de verifieerbare spot in De mensheid zal nog van mij horen is groot. Bij een van haar nobele vrijwilligerswerkzaamheden laat ze ‘een voormalige kloosterling’ memoreren van een monnik een kastijdingsverzoek te hebben gekregen dat hij als broederdienst voorzichtig inwilligde, ‘waarna die ander meteen de rollen wilde omdraaien’. Verhoudingsgewijs regisseert Van Casteren dan porno.

Parallel met Mutsaers dunkt me een aanhankelijkheid of solidariteit met de familie. Plooi u in tweeën valt een warm onderkomen te noemen, doordat Brusselse behuizingen steeds worden meegenomen in schetsen van het ontvankelijke gemoed. Voor mij als Nederbelg is dat extra interessant, helemaal omdat Van Leeuwen een scherp oor heeft voor taalverschillen. Tegelijk geeft ze losjes feiten die de aanklacht tegen genderverhoudingen relativeren. Het geluk van haar ouders bestaat er bijvoorbeeld uit dat hij zijn wetenschappelijk werk in een priegelhandschrift doet dat zij vervolgens uittypt.

Heel mooi en naturel verloopt een fragment over een kunstdocentenbaantje dat Van Leeuwen heeft, even, uitmondend in een foto van haar brutopensioenbedrag waarvan de kennisname absoluut niet wringt zoals bij Van Casteren. Van dan af deelt ze nota bene iets met hem: ze wordt zelfstandig ondernemer. Vandaar dat sommige zinnetjes uit dit boek me bekend voorkwamen van lang geleden? Wie wat bewaart die heeft wat – en kan altijd nog schiften.

Waarschijnlijk is Plooi u in tweeën zo’n boek dat je tussen de regels moet lezen. Ik citeer daarom tot slot een hele passage die zowel Van Leeuwens stilistische brille, maatschappelijk voorbehoud als ideologische volgzaamheid bevat. Aanleiding is hier de Nederlandse vertaling van Savoir revivre, een gids uit de jaren zeventig die een terugkeer naar de natuur bepleitte. Na de verluchting met de omslagfoto staat er:

 

‘Ook ik koop een exemplaar, maar ik kom er niet toe om, zoals erin wordt uitgelegd, mijn eten in plaats van in de koelkast op een schaduwrijke plek in een zelf gegraven en met planken gestut gat te zetten dat ik met een stenen bodem moet bekleden en met een strooien dakje en een zware afsluitende steen overwelven, of om zelf mijn tandenborstel te maken door een luzernetwijgje van vijftien centimeter lang af te pellen en in de zon te laten drogen om vervolgens het uiteinde met een hamer plat te slaan totdat de vezels goed zijn uitgespreid en ik de tandpasta erop kan smeren die ik ook zelf moet maken door kleine blokjes aubergine in stukjes aluminiumfolie te verpakken en op gloeiende kolen te laten stoven tot ze zwart en brokkelig zijn waarna ik ze tot poeder moet stampen en met gelijke porties zeezout en klei mengen en ik op die manier dus opnieuw begin.

En intussen staat het neoliberalisme al in de coulissen te trappelen, om volgens de theorieën van Hayek en Friedman de vrij genoemde markt als een nieuw geloof te gaan verspreiden.’ 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten