maandag 22 juni 2026

Vetrolmodel

 

 

Wat een bizar bericht bereikt België over mijn geboorteprovincie. Een carnavalsvereniging staat in de rechtbank tegenover de mannen van ABBA, omdat ze hun jarentachtigliedje ‘Take A Chance On Me’ niet alleen verhoempade maar de tekst ook vernachelde tot ‘Dikke Pens’. Het Noord-Brabants refrein gaat nu als volgt:

 

Ik ben zo blij, met die pens van mij

Eerst was ik te dik, maar nu heb ik schik

Mun cholesterol nemen ze nu voor lief

Ik ben dik tevreej met 'body positief'

Met een BMI van honderd-en-drie

Was ik eerst obees, meer vet dan vlees

Volgens mijn volgers ben ik vet okee

Al ben ik kapot na d'n derde tree

Ik ben zo blij, met die pens van mij

 

Is de omgekeerde wereld die met carnaval haar beslag heet te krijgen (als ik Bakhtin nu eens minder als confetti had gelezen!) hier een feit? Over zit ik gewoon nog steeds onder de grote rivieren? Mijn geëmigreerde oren combineren rijm, luim en ritme tot een herinnering van een soort humor uit mijn kindertijd, buiten de deur dan. Meligheid gecombineerd met een toefje maatschappijkritiek dat met gemak weggewuifd kan worden. Jaren geleden signaleerde ik het ook bij het nummer ‘Hoemoes Dà Òk Alweer?’ van de Bredase wiskundeleraar die zich Peter Selie noemde.

Kon ik destijds bekennen dat dergelijke spraak had geleid tot het eind van mijn poëtisch project, bij deze carnavalskraker waan ik me betrapt in een essayistische monsteronderneming die voor mijn doen aan de ambitieuze kant is. In De appelmoestuin hoop ik een zogeheten West-Noordbrabant op te roepen waarin paradijs en politieke ontluistering samenpakken. In de immer koddige termen van het liedje doet het verhoopte boek aan ‘om-influencen’.

De vraag is alleen of ik in de juiste richting zit te tasten. Ben ik nog aan het essayeren? Zoals me laatst bij recente gedichten van Verhelst de kwestie overviel: is dit wel poëzie? Nu zijn genres ook niet alles, maar mijn USP is dat ik daarmee speel in plaats van dat ze met mij spelen.

Ik ben allergisch voor autobiografisch schrijven, kan het niet eens. Als geplaagd postmodernist geloof ik bovendien uiteraard niet in een essentialistisch beeld van mijn heimat. Geen enkel Brabants dialect heb ik ooit gesproken. Maar zulke taal probeer ik alsnog te laten resoneren. De verleiding ligt klaar om naar ironie te grijpen, maar zo’n postmodernist ben ik niet. Mij fascineert een woedend melige groteske. Om meer dan één reden lijkt me het moment er rijp voor.

Doordat er na vertaalmachines allicht ook AI-toepassingen op de markt zijn gekomen waarmee je nog beter kan bluffen, werk ik meer dan ooit op gehoor. Ambachtelijk! Daarnaast valt moeilijk te ontkennen dat het politieke klimaat dusdanig veranderde dat nationalisme voor velen een strohalm is geworden. Het zou makkelijk zijn daar denigrerend over te doen, vanuit mijn gerieflijke positie (met onderdak en voedsel, zonder geldzorgen,…).

Toch betrap ik me erop dat ik het nieuws over ‘Dikke Pens’ inschuif in politieke ontwikkelingen. Ik zie op televisiebeelden een man over zijn bierbuik wrijven alsof hij zwanger is, omgeven door consensus. Allicht zie ik met mijn ontwortelde, illusoir onthechte blik ‘mensen onder elkaar’. Een soort harde kern die overal opdraaft waar, met de grootste verontwaardiging, het feest van het uitsluiten kan beginnen.

Die stemming van ‘we gaan er tegenaan’ hoort natuurlijk een beetje bij carnavalsnummers. Ook het niet naar huis toe gaan omdat ‘ons moeder niet thuis’ is, past in die wat je dan met een doldwaas etiket manosfeer kunt noemen. Voordat ik de Noord-Brabanders, voor zover mijn taalbeheersing toereikend is (‘tree’ zou ik spellen als ‘tray’), in een kwaad daglicht zet: ‘Dikke Pens’ schaar ik niet onder zulke uitwassen. Maar in zijn vertrouwde lolletje maakt de ik-figuur natuurlijk wel komaf met normen en waarden, ontmaskerd als laatste oprispingen van fatsoensrakkers.

Tot in exacte getallen, zelfs. Omdat het fenomeen BMI geen deel uitmaakt van mijn belevingswereld, moest ik even nazoeken wat in de haak is. Voor mannen tussen 19 en 69 jaar, om wie het in deze biotoop gaat, blijkt 18,5 tot 25 gezond en geldt 30 en hoger als ‘obees’. Dat de dikkepenser uitkomt op 103 heeft niet alleen met het rijm te maken, noch met de overdrijving die carnaval binnenlaat. Het liedje is niet louter egomaan, het heeft schijt aan de wereld en denkt niet aan gevolgen.

De exacte leeftijd van de biotoop annex doelpubliek haal ik uit gezondheidstabellen, maar ze komt aardig overeen met de afzetpunten van het liedje: generatie Z en babyboomers. Frappant vind ik verder dat, in de bridge, voor de lichamelijke wanvertoning impliciet de zegen komt van moeder de vrouw zelve:

 

Het gift toch nie, da ik 'em zelf nie zie!

Wa is er mis, met da ik zittend pis?

Ons vrouw houdt wel van munne lovehandel

Want ik ben een vetrolmodel

 

Niet alleen rijmt ‘lovehandel’ op het slotwoord van de volgende regel, maar ook op ‘frikandel’, de multi-interpretabele snack waar het slot uiteraard mee uitpakt. Voor zo’n man is knipogen de oudste lichaamsbeweging ter aarde. Conform carnaval zijn geen dominant geachte waarden heilig omdat ze trends zouden zijn, sowieso om mee te lachen. Peter Selie nam vegetarisme op de hak, en dit liedje drijft de spot met onverwante fenomenen als padel en Ozempic. En in de clip die ik ervan zag in een terzijde ook met woketaal die de knettergekheid des werelds aantoont: ‘Dit is zo cringe, o my god’.

Dan zal het wel geholpen hebben dat er tijdens de rechtszaak een sjaaltje beschikbaar was met de oproep #freedikkepens.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten