Wat een bizar bericht bereikt België over mijn geboorteprovincie. Een
carnavalsvereniging staat in de rechtbank tegenover de mannen van ABBA, omdat ze
hun jarentachtigliedje ‘Take A Chance On Me’ niet alleen verhoempade maar de tekst ook
vernachelde tot ‘Dikke Pens’. Het Noord-Brabants refrein gaat nu als volgt:
Ik ben zo blij,
met die pens van mij
Eerst was ik te
dik, maar nu heb ik schik
Mun cholesterol
nemen ze nu voor lief
Ik ben dik tevreej
met 'body positief'
Met een BMI van
honderd-en-drie
Was ik eerst
obees, meer vet dan vlees
Volgens mijn
volgers ben ik vet okee
Al ben ik kapot na
d'n derde tree
Ik ben zo blij, met
die pens van mij
Is de omgekeerde wereld die met carnaval haar beslag heet te
krijgen (als ik Bakhtin
nu eens minder als confetti had gelezen!) hier een feit? Over zit ik gewoon nog
steeds onder de grote rivieren? Mijn geëmigreerde oren combineren rijm, luim en
ritme tot een herinnering van een soort humor uit mijn kindertijd, buiten de
deur dan. Meligheid gecombineerd met een toefje maatschappijkritiek dat met
gemak weggewuifd kan worden. Jaren geleden signaleerde
ik het ook bij het nummer ‘Hoemoes Dà Òk Alweer?’ van de Bredase
wiskundeleraar die zich Peter Selie noemde.
Kon ik destijds bekennen dat dergelijke spraak had geleid
tot het
eind van mijn poëtisch project, bij deze carnavalskraker waan ik me betrapt
in een essayistische monsteronderneming die voor mijn doen aan de ambitieuze
kant is. In De appelmoestuin hoop ik
een zogeheten West-Noordbrabant op te roepen waarin paradijs en politieke ontluistering
samenpakken. In de immer koddige termen van het liedje doet het verhoopte boek
aan ‘om-influencen’.
De vraag is alleen of ik in de juiste richting zit te
tasten. Ben ik nog aan het essayeren? Zoals me laatst bij recente gedichten van
Verhelst de kwestie overviel: is dit
wel poëzie? Nu zijn genres ook niet alles, maar mijn USP is dat ik daarmee speel
in plaats van dat ze met mij spelen.
Ik ben allergisch voor autobiografisch schrijven, kan het
niet eens. Als geplaagd
postmodernist geloof ik bovendien uiteraard niet in een essentialistisch
beeld van mijn heimat. Geen enkel Brabants dialect heb ik ooit gesproken. Maar zulke
taal probeer ik alsnog te laten resoneren. De verleiding ligt klaar om naar
ironie te grijpen, maar zo’n postmodernist ben ik niet. Mij fascineert een woedend
melige groteske. Om meer dan één reden lijkt me het moment er rijp voor.
Doordat er na vertaalmachines allicht ook AI-toepassingen op
de markt zijn gekomen waarmee je nog beter kan bluffen, werk ik meer dan ooit
op gehoor. Ambachtelijk! Daarnaast valt moeilijk te ontkennen dat het politieke
klimaat dusdanig veranderde dat nationalisme voor velen een strohalm is
geworden. Het zou makkelijk zijn daar denigrerend over te doen, vanuit mijn
gerieflijke positie (met onderdak en voedsel, zonder geldzorgen,…).
Toch betrap ik me erop dat ik het nieuws over ‘Dikke Pens’ inschuif in politieke ontwikkelingen. Ik zie op televisiebeelden een man over zijn bierbuik wrijven alsof hij zwanger is, omgeven door consensus. Allicht zie ik met mijn ontwortelde, illusoir onthechte blik ‘mensen onder elkaar’. Een soort harde kern die overal opdraaft waar, met de grootste verontwaardiging, het feest van het uitsluiten kan beginnen.
Die stemming van ‘we
gaan er tegenaan’ hoort natuurlijk een beetje bij carnavalsnummers. Ook het
niet naar huis toe gaan omdat ‘ons moeder niet thuis’ is, past in die wat je
dan met een doldwaas etiket manosfeer
kunt noemen. Voordat ik de Noord-Brabanders, voor zover mijn taalbeheersing
toereikend is (‘tree’ zou ik spellen als ‘tray’), in een kwaad daglicht zet:
‘Dikke Pens’ schaar ik niet onder zulke uitwassen. Maar in zijn vertrouwde
lolletje maakt de ik-figuur natuurlijk wel komaf met normen en waarden,
ontmaskerd als laatste oprispingen van fatsoensrakkers.
Tot in exacte getallen, zelfs. Omdat het fenomeen BMI geen
deel uitmaakt van mijn belevingswereld, moest ik even nazoeken wat in de haak
is. Voor mannen tussen 19 en 69 jaar, om wie het in deze biotoop gaat, blijkt
18,5 tot 25 gezond en geldt 30 en hoger als ‘obees’. Dat de dikkepenser uitkomt
op 103 heeft niet alleen met het rijm te maken, noch met de overdrijving die
carnaval binnenlaat. Het liedje is niet louter egomaan, het heeft schijt aan de
wereld en denkt niet aan gevolgen.
De exacte leeftijd van de biotoop annex doelpubliek haal ik
uit gezondheidstabellen, maar ze komt aardig overeen met de afzetpunten van het
liedje: generatie Z en babyboomers. Frappant vind ik verder dat, in de bridge, voor
de lichamelijke wanvertoning impliciet de zegen komt van moeder de vrouw zelve:
Het gift toch nie,
da ik 'em zelf nie zie!
Wa is er mis, met
da ik zittend pis?
Ons vrouw houdt
wel van munne lovehandel
Want ik ben een
vetrolmodel
Niet alleen rijmt ‘lovehandel’ op het slotwoord van de
volgende regel, maar ook op ‘frikandel’, de multi-interpretabele snack waar het
slot uiteraard mee uitpakt. Voor zo’n man is knipogen de oudste
lichaamsbeweging ter aarde. Conform carnaval zijn geen dominant geachte waarden
heilig omdat ze trends zouden zijn, sowieso om mee te lachen. Peter Selie nam
vegetarisme op de hak, en dit liedje drijft de spot met onverwante fenomenen
als padel en Ozempic. En in de clip die ik ervan zag in een terzijde ook met
woketaal die de knettergekheid des werelds aantoont: ‘Dit is zo cringe, o my god’.
Dan zal het wel geholpen hebben dat er tijdens de rechtszaak
een sjaaltje beschikbaar was met de oproep #freedikkepens.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten