Ik ben de eerste
lezer! Dat dacht ik met mijn slechte karakter dat af en toe naar de catalogus
surfte om te kijken of de bundel al was uitgeleend. Nu verloste ik het
uitbundig ontvangen Nachtatlas van
deze maagdelijke staat. Het had iets koddigs dat ik aldus een handje toestak
aan Peter Verhelst: ‘Voor zijn poëzie kreeg hij onder meer de Jan
Campert-prijs, de Paul Snoekprijs, de Ida Gerhardt Poëzieprijs, de Awater
Poëzieprijs, de Grote Poëzieprijs en driemaal de Herman de Coninckprijs. Voor
zijn gehele oeuvre ontving hij de Constantijn Huygensprijs.’
Superieur aan
deze achterflapopsomming is natuurlijk het achteloze ‘onder meer’. Het ademt
een literair-historische logica die ik al eens probeerde te duiden. Nu wilde mijn gemoed gewoon rust. Door
kennis te nemen, of beter: een gerucht te toetsen dat Verhelst zich in deze
bundel bekreunde om apostrofes, een aanspreektechniek waar ik al een zwak voor
heb sinds ik dacht van de onnozele promovendus-status af te moeten.
Inderdaad bevat Nachtatlas passages die het gerucht
bekrachtigen. In de eerste afdeling mijn
liefste ze spreekt zoals stilte heerst een soort gebod, dat ‘Zeg ja’
luidt. Even later klinkt dit een fractie dwingender: ‘Zeg: ja’. Iets later nog
korter aan het eind van gedichten: ‘(…): ja’. De derde en laatste afdeling tegen het uitdoven van het licht is bijna
helemaal gericht aan een ‘Gij.’ Vóór een schijn van heiligheid ontstaat, meld
ik dat achter die aangesprokene uitlopende fenomenen schuilgaan.
Mijn
ontspanningstochtje door de bundel, ongeveer spiegelbeeldig opgebouwd, had wel
een maffe bijvangst. Uiteraard wist ik niet te ontkomen aan het geïsoleerde
begingedicht, noch aan het dito slotgedicht. Ze heten respectievelijk L.S. en
Envoi, titels die het apostrofische benadrukken. Maar de dominerende stijl van
die gedichten maakt nog een dikke vakterm wakker: de anakoloet. Daar ben ik al gevoelig voor sinds Luceberts ‘maar mij het is blijkbaar is wanhopig (…) in een
stem te sterven’.
Wel raakte ik zo,
voor de verandering bij het begin beginnend, al tijdens de Verhelst-tocht op een
dubbelspoor. In de eerste afdeling eindigt een gedicht al stamelend met ‘het
kan toch niet dat we nooit?’. De tweede afdeling wil: ‘We staan op de oever en we.’ Een gedicht later: ‘We denken: we zijn doordrenkt en we.’ Wat te doen?
Ik was en ben niet van plan een nagekomen recensie of zoiets te brouwen, maar
toch.
Laat ik L.S.
minstens integraal citeren:
Ik had je willen vragen om één keer,
als was het voor de laatste keer en dan
voor eeuwig niets
als zouden wij nooit meer dan nu, nooit eerder
heeft er iemand iemand zo gewild,
heeft iemand zo verlangd als was het
voor de eerste keer, net voor het niets begint
had ik je één keer willen vragen.
In distichons
serveert Verhelst één lange, onvoltooide zin. Hetgeen de ik ‘had (…) willen
vragen’, een grammaticale constructie die sowieso voorbehoud schept, blijft
buiten zicht. De spreker lijkt meer bezig om uit te drukken wat precies gezegd
moet en onderbreekt en corrigeert zichzelf steeds. Wel is er de suggestie dat
het om iets definitiefs gaat, dus fouten komen niet van pas. En aangezien de
titel traditioneel een onbekende lezer groet, brengt dit gedicht tegelijk een
poëticaal statement.
Is dit echt nog
Verhelst? Ik beken, na de gepolariseerde ontvangst van zijn vroegere werk, delen uit zijn
uitdijende oeuvre te hebben gemist. Afgaand op deze acquitstoot rijst de indruk
dat hij nieuwe lezers zoekt. Kan werken. Onlangs was ik bij een concert van
Paul Simon, waar veel reclame was gemaakt voor diens superdrummer Steve Gadd. Menigeen ging inderdaad door de knieën maar
de drums werden verzorgd door Matt Chamberlain die knap ongeveer als Gadd klonk.
Bij Verhelsts
L.S. moet ik denken aan Remco Camperts Lamento, voor velen een hoogtepunt in de Nederlandse
literatuur waar ik blijkbaar niets van heb begrepen. In dat lange gedicht is muziek, meer in het
bijzonder de illusie van jazz, het leidende principe. Verhelst heeft minder
woorden nodig, maar de pretentie dunkt me minstens zo groot. Juist omdat L.S.
zo bescheiden is en in dezelfde beweging het onzegbare langs de achterkant
alsnog meent te binnen te halen.
De dichterlijke
lat ligt hoog, zoals dat al jaren in het onderwijs heet. Maar de middelen
waarvan de spreker zich bedient zijn bekend. Het definitieve dat in ‘niets’ zit
– eerst zonder lidwoord, later met – krijgt gezelschap van ‘de laatste keer’
maar met een paradox evengoed van een ‘de eerste keer’. Een professionele
stamelaar! Geen wonder dat deze op het slot van Nachtatlas een Envoi aanricht, waar ‘de laatste keer’ technisch mee
wordt voltrokken:
Als de eerste zon na een lange winter zal ik
altijd
in de hoge grassen en de fluogele vlinder en de
mezen zal ik
altijd in de kat die zich ontrolt en zich uitrekt
zal ik altijd
in je blik over de glinsterende, avondlijke zee
zal ik altijd
zal ik wachten tot ook jij en de zee en de nacht
zal ik altijd zal ik.
Het centrale
beeld van de expanderende kat spiegelt voor poëticale lezertjes het gedicht als
geheel. Ditmaal zonder witregels en veeleer met herhalingen dan met correcties
spint deze zin zich uit. De vele voltooid werkwoorden en komma’s in L.S. zijn
vervangen door ‘en’ en door adjectieven die hun beste tijd gehad hebben – de
eerste regel lijkt wel te dollen met een cliché. En waar initieel eenmaal
‘eeuwig’ stond, repeteert ‘altijd’ heftig met een toekomende tijd.
Alleen het
adjectief ‘fluogele’ ondermijnt de indruk dat dit een gedicht uit de vroege
twintigste eeuw is. Toen schreef postuum Paul van Ostaijen het grandioze Melopee dat plots, mogelijk onbedoeld gereanimeerd door
Verhelst, nog opener en moderner wordt. Pollekes slotvraag van weleer lijkt juist
overbeantwoord. Dit Envoi bevat geen onvoltooide zin. De laatste vijf woorden
suggereren al iets nieuws te beginnen.
Probeer het zelf!
Of formuleer adequate prompts in AI, die deze toch wat plichtmatige regels moet
kunnen benaderen. Beter nog kun je misschien eerst even naar de bibliotheek
gaan. De ‘mijne’ heeft een poëziecollectie om u tegen te zeggen. Lezen en
leren, dwepen en vloeken, verzamelen en selecteren. En dan beginnen en niet
opgeven. En opsteken dat het nooit te laat is om opnieuw opnieuw te beginnen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten