donderdag 28 mei 2026

De fluogele vlinder

 

 

 

 

Ik ben de eerste lezer! Dat dacht ik met mijn slechte karakter dat af en toe naar de catalogus surfte om te kijken of de bundel al was uitgeleend. Nu verloste ik het uitbundig ontvangen Nachtatlas van deze maagdelijke staat. Het had iets koddigs dat ik aldus een handje toestak aan Peter Verhelst: ‘Voor zijn poëzie kreeg hij onder meer de Jan Campert-prijs, de Paul Snoekprijs, de Ida Gerhardt Poëzieprijs, de Awater Poëzieprijs, de Grote Poëzieprijs en driemaal de Herman de Coninckprijs. Voor zijn gehele oeuvre ontving hij de Constantijn Huygensprijs.’

Superieur aan deze achterflapopsomming is natuurlijk het achteloze ‘onder meer’. Het ademt een literair-historische logica die ik al eens probeerde te duiden. Nu wilde mijn gemoed gewoon rust. Door kennis te nemen, of beter: een gerucht te toetsen dat Verhelst zich in deze bundel bekreunde om apostrofes, een aanspreektechniek waar ik al een zwak voor heb sinds ik dacht van de onnozele promovendus-status af te moeten.

Inderdaad bevat Nachtatlas passages die het gerucht bekrachtigen. In de eerste afdeling mijn liefste ze spreekt zoals stilte heerst een soort gebod, dat ‘Zeg ja’ luidt. Even later klinkt dit een fractie dwingender: ‘Zeg: ja’. Iets later nog korter aan het eind van gedichten: ‘(…): ja’. De derde en laatste afdeling tegen het uitdoven van het licht is bijna helemaal gericht aan een ‘Gij.’ Vóór een schijn van heiligheid ontstaat, meld ik dat achter die aangesprokene uitlopende fenomenen schuilgaan.

Mijn ontspanningstochtje door de bundel, ongeveer spiegelbeeldig opgebouwd, had wel een maffe bijvangst. Uiteraard wist ik niet te ontkomen aan het geïsoleerde begingedicht, noch aan het dito slotgedicht. Ze heten respectievelijk L.S. en Envoi, titels die het apostrofische benadrukken. Maar de dominerende stijl van die gedichten maakt nog een dikke vakterm wakker: de anakoloet. Daar ben ik al gevoelig voor sinds Luceberts ‘maar mij het is blijkbaar is wanhopig (…) in een stem te sterven’.

Wel raakte ik zo, voor de verandering bij het begin beginnend, al tijdens de Verhelst-tocht op een dubbelspoor. In de eerste afdeling eindigt een gedicht al stamelend met ‘het kan toch niet dat we nooit?’. De tweede afdeling wil: ‘We staan op de oever en we.’ Een gedicht later: ‘We denken: we zijn doordrenkt en we.’ Wat te doen? Ik was en ben niet van plan een nagekomen recensie of zoiets te brouwen, maar toch.

Laat ik L.S. minstens integraal citeren:

 

Ik had je willen vragen om één keer,

als was het voor de laatste keer en dan

 

voor eeuwig niets

als zouden wij nooit meer dan nu, nooit eerder

 

heeft er iemand iemand zo gewild,

heeft iemand zo verlangd als was het

 

voor de eerste keer, net voor het niets begint

had ik je één keer willen vragen.

 

In distichons serveert Verhelst één lange, onvoltooide zin. Hetgeen de ik ‘had (…) willen vragen’, een grammaticale constructie die sowieso voorbehoud schept, blijft buiten zicht. De spreker lijkt meer bezig om uit te drukken wat precies gezegd moet en onderbreekt en corrigeert zichzelf steeds. Wel is er de suggestie dat het om iets definitiefs gaat, dus fouten komen niet van pas. En aangezien de titel traditioneel een onbekende lezer groet, brengt dit gedicht tegelijk een poëticaal statement.

Is dit echt nog Verhelst? Ik beken, na de gepolariseerde ontvangst van zijn vroegere werk, delen uit zijn uitdijende oeuvre te hebben gemist. Afgaand op deze acquitstoot rijst de indruk dat hij nieuwe lezers zoekt. Kan werken. Onlangs was ik bij een concert van Paul Simon, waar veel reclame was gemaakt voor diens superdrummer Steve Gadd. Menigeen ging inderdaad door de knieën maar de drums werden verzorgd door Matt Chamberlain die knap ongeveer als Gadd klonk.

Bij Verhelsts L.S. moet ik denken aan Remco Camperts Lamento, voor velen een hoogtepunt in de Nederlandse literatuur waar ik blijkbaar niets van heb begrepen. In dat lange gedicht is muziek, meer in het bijzonder de illusie van jazz, het leidende principe. Verhelst heeft minder woorden nodig, maar de pretentie dunkt me minstens zo groot. Juist omdat L.S. zo bescheiden is en in dezelfde beweging het onzegbare langs de achterkant alsnog meent te binnen te halen.

De dichterlijke lat ligt hoog, zoals dat al jaren in het onderwijs heet. Maar de middelen waarvan de spreker zich bedient zijn bekend. Het definitieve dat in ‘niets’ zit – eerst zonder lidwoord, later met – krijgt gezelschap van ‘de laatste keer’ maar met een paradox evengoed van een ‘de eerste keer’. Een professionele stamelaar! Geen wonder dat deze op het slot van Nachtatlas een Envoi aanricht, waar ‘de laatste keer’ technisch mee wordt voltrokken:

 

Als de eerste zon na een lange winter zal ik altijd

in de hoge grassen en de fluogele vlinder en de mezen zal ik

altijd in de kat die zich ontrolt en zich uitrekt zal ik altijd

in je blik over de glinsterende, avondlijke zee zal ik altijd

zal ik wachten tot ook jij en de zee en de nacht zal ik altijd zal ik.

 

Het centrale beeld van de expanderende kat spiegelt voor poëticale lezertjes het gedicht als geheel. Ditmaal zonder witregels en veeleer met herhalingen dan met correcties spint deze zin zich uit. De vele voltooid werkwoorden en komma’s in L.S. zijn vervangen door ‘en’ en door adjectieven die hun beste tijd gehad hebben – de eerste regel lijkt wel te dollen met een cliché. En waar initieel eenmaal ‘eeuwig’ stond, repeteert ‘altijd’ heftig met een toekomende tijd.

Alleen het adjectief ‘fluogele’ ondermijnt de indruk dat dit een gedicht uit de vroege twintigste eeuw is. Toen schreef postuum Paul van Ostaijen het grandioze Melopee dat plots, mogelijk onbedoeld gereanimeerd door Verhelst, nog opener en moderner wordt. Pollekes slotvraag van weleer lijkt juist overbeantwoord. Dit Envoi bevat geen onvoltooide zin. De laatste vijf woorden suggereren al iets nieuws te beginnen.

Probeer het zelf! Of formuleer adequate prompts in AI, die deze toch wat plichtmatige regels moet kunnen benaderen. Beter nog kun je misschien eerst even naar de bibliotheek gaan. De ‘mijne’ heeft een poëziecollectie om u tegen te zeggen. Lezen en leren, dwepen en vloeken, verzamelen en selecteren. En dan beginnen en niet opgeven. En opsteken dat het nooit te laat is om opnieuw opnieuw te beginnen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten