Uit het intrieste
wedervaren van Jason Arday en alle motieven en conclusies die diverse partijen
eruit weten te wrikken, zou elke redelijke mens minstens mogen besluiten dat de
kwalificatie ‘hypocriet’, steevast uiteraard voor een ander, niet deugt. Verder
moet in het belang van werkelijk iedereen de term woke onmiddellijk worden opgeheven, afgeschaft en weggespoeld. Maar
dat zal niet gebeuren.
Iedereen zijn
overtuiging en, misschien nog zeggen, in censuur geloof ik niet. Toch heeft dat
begrip woke aan zowel voor- als tegenstanders van de uitvoering die daarbij
wordt verondersteld louter schade toegebracht. Als dat de macht van het woord
is, dan laat ik me nog liever transformeren tot carassius auratus
auratus.
Bizar vind ik ook
de hardleersheid van betrokkenen en commentatoren. Of vloeide het geheugen net
weg in de vissenkom? Zelf heb ik per saldo het beste met de wereld voor,
waardoor het verdoemde etiket best op mijn shirtje zou passen. Het is dan ook
met schroom dat ik voor de ogen van studenten soms strofen uit een gedicht uit
2022 projecteer, van Babeth Fonchie Fotchind:
rechtsonder
schreeuwt outlook: ‘meld u nu aan voor de workshop diversiteit’. vanaf
flexplekken struikelen blikken goedbedoeld over elkaar, steken elkaar aan en
zetten
mijn muisarm in
brand, onomkeerbaar gebogen ruggengraat in brand (…)
ik scoor met mijn
trifecta hoog op de gemarginaliseerdenladder en ben daarom het
aantrekkelijkst
voor mijn baas. naast vergaderzalen tellen (…)
staat op mijn
to-do-list: ervaringsdeskundigheid
delen in het kader
van inclusiviteit
En vertelt
deze week senator Gaby Perin-Gopie (Volt), tevens zelfstandig adviseur over
‘diversiteit en inclusie op de werkvloer’, wat haar in de Eerste Kamer zoal overkomt
tussen en onder en boven de woorden. Wat moeten ze dan nog inhouden?
Afgelopen zomer was
er nota bene een debat tussen de taalexperts Freek Van de Velde en Marc van Oostendorp over de mate van wokeheid in de neerlandistiek,
waarbij onderweg nog gedefinieerd werd en, bijvoorbeeld bij ecocriticism, afgebakend wat dat precies
inhield. Voorlopig kwam het neer op ‘identitair activisme’. Ik vrees dat echter
niemand weet wat woke betekent, en dat daarin juist die macht schuilt. Als het
monster onder het kinderbed wanneer het lampje uitging en je uit angst begon te
praten.
Hangplekken
Het debat trok mede
mijn aandacht omdat het deels over taal ging, een Amerikaans-Nederlands. Dat is
alvast iets om wel vrij zeker van te zijn: het fictieve monster woke baart tastbare
woorden. Ze zijn bovendien aan de complexe kant. Vanuit mijn miniperspectief is
me opgevallen dat ze zelden worden gebruikt door mensen die de taal adequaat beheersen.
De outlookmail die Babeth Fonchie Fotchind ontving bevat een dt-fout.
Daar heb je het
al, meteen een vileiniteitje. Ik bedoel dat het wel eens inzichtelijker kan
zijn te kijken naar de schrijf- en leespraktijk van doorsnee gebruikers dan de
grote tenoren te viseren. Dus bij het debat niet zozeer te turven wat
topwetenschappers in een A-tijdschrift plengen, als wel wat hun studenten publiekscommunicerend
als evident uitwisselen.
Dat suggereerde
ik al, in een comment. Met als toetssteen twee woorden die in het artikel
slechts bij hun eerste, trans-Atlantische naam waren genoemd:
‘heteronormativity’ en ‘whiteness’. Mij boeien ze in hun dagdagelijkse
laaglandse kloffie: ‘heteronormativiteit’
en ‘witheid‘. Volgens de
hyperlinks uit het Algemeen Nederlands Woordenboek duiken ze vanaf 2006 in de
Lage Landen op. Zijn er in het vak jongeren die dat kloffie naadloos aantrekken?
Ik ging testen op twee hangplekken: De Reactor
(sinds 2009) en Jong Neerlandistiek (sinds
2022).
De eerste site
gaf bij ‘heteronormativiteit’ slechts vier treffers, uitsluitend van
neerlandici en op een veelal beloftevolle leeftijd. De bovenste was in de roos,
omdat studenten daar met elkaar in gesprek waren over een bundel en de term geruisloos voorbijkwam. De
tweede treffer was minstens zo mooi: daar landde ‘heteronormativiteit’ in een kritisch rijtje met ‘traditionele gezinswaarden en
religie’. In treffer drie gebruikte een bekendere jongere neerlandicus het
begrip ook in zijn bijvoeglijke vorm. De vierde en laatste treffer bezigde
‘heteronormativiteit’ in één adem met ‘eurocentrisme’.
Bij ‘witheid’
geeft De Reactor achttien recensies,
ook best weinig. Door alle generaties bovendien, en niet alleen neerlandici. Ik
bloemlees. Bij de bovenste treffer zit het woord al in de titel: ‘De witheidsproblematiek’. Een andere recensie heeft het in de ondertitel van het besproken
boek, een letterlijke vertaling van Whiteness and the Literary
Imagination. Er blijken
ook nuances in ‘witheid’ die,
consistent in het register, een ‘constructie’
heet. Op één plek is
dat verwerkt tot een definitie: ‘Witheid verwijst (…) naar een dominante
positie binnen een geracialiseerd systeem. Witheid is een sociale constructie
die een vorm van witte suprematie, of zoals Sibo Kanobana het recentelijk
noemde, een witte
orde in stand houdt.’ Elders
op de site heet ze een ’fundamenteel onderdeel van een breder
machtssysteem’. En valt zo’n diagnose ook, zeldzaam op deze site, ten
prooi aan schamperheid – van emeritus-socioloog Walter Weyns, die aan zijn
opvattingen over het monster een heel boek
wijdde.
Poenerig
Inzake Jong Neerlandistiek ben ik sneller klaar: geen treffers. Het weinige dat deze site bij ‘witheid’ oplevert komt van oude bokken. Van wie ik zelf de grootste ben, met drie stukken die verbaasd de term in een context aanhalen. Een ander artikel gebruikt ‘witheid’ expliciet in de zin van ‘lichtheid’. In de door mij nagejaagde betekenis valt het begrip in een opsomming die een stand-van-ideologische-zaken-overzicht geeft. Ten slotte vraagt een feuilletonaflevering zich af of in 1996 de witheid van een sneeuwbal literair al andere associaties heeft verwekt. Louter een pas gepromoveerde neerlandica bezigt in een interview het begrip ‘witheid’ zo en passant als ik zocht.
Ook het begrip ‘heteronormativiteit’
ontbreekt op Jong Neerlandistiek,
terwijl de ouderen er wederom raad mee denken te weten. Ik vrees wederom een
dader te zijn. Wederom al citerend, maar ook als burger: waarom in de Lage
Landen zouden mensen zo’n poenerig woord gebruiken? Het antwoord komt van Maaike Meijer, die recent terugblikkend op de feministische actiegroep Paarse
September stelde: ‘Het
inzicht in heteronormativiteit komt van ons.’ Daarnaast is het uitgerekend Van de Velde die vorig jaar
al protesteerde dat het begrip, met nog een paar, zo makkelijk opgeld
deed in de taalkunde. Bij het onderdeel kritische discoursanalyse, dat zou
worden ‘bedreven door collega’s met een uitgesproken progressieve overtuiging’.
Ook de letterkundestudie zou volgens een andere expert met het heteronormativiteitsbacil geïnfecteerd zijn.
Al met al geen
spectaculaire aantallen. En waar bij De
Reactor de trefwoorden geen debat uitlokten, wordt dat op Neerlandistiek nagenoeg exclusief gevoerd
door mannen (waarschijnlijk gewassen op 90%). Uit mijn schuttersputje begrijp
ik verder dat de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek in 2022 een symposium wijdde aan onder meer ‘actuele debatten rond heteronormativiteit
en genderfluïditeit en inzien dat
deze “actuele” thema’s al decennialang spelen’. En dat het in goede jeugdliteratuur kan dienen om stereotypen en eenzijdige perspectieven
te doorbreken. Dat bewees een los artikel, op basis van theorie door Judith Butler. Neerlandistiek voor volwassenen herinnert
me er ook aan dat er in 2023 in de Grachtengordel een dichtbundel verscheen met de titel honger, heteronormativiteit
& het heelal.
King Kong
Minstens zijn
er binnen ‘de’ neerlandistiek dus ideologieën werkzaam die elkaar vredig
wapenen. En daarbij waant iedereen zich pas echt kritisch. De termen ‘heteronormativiteit’ en ‘witheid‘
fungeren ondertussen als rechters. Met dat taalgereedschap tonen (aankomende)
wetenschappers hun morele overtuiging. Ze bewijzen hun studieobjecten aldus een twijfelachtige eer. Literaire auteurs
kunnen ofwel door de morele beugel van hun lezers en worden dan conformistisch,
ofwel voldoen ze niet aan ongevraagde frames en worden dan laakbaar.
Toch dunkt me
moraal de enige, want eerste en laatste toetssteen voor literatuur. Voor elke uiting
eigenlijk. In dat opzicht ben ik het fictieve monster dankbaar voor de herinnering.
Zelfs binnen witte heteroseksuele maatschappijen of organisaties zijn er bovenliggende
partijen en normen, en dus ‘dominante narratieven’ . Pas een halve eeuw na dato
is er bijvoorbeeld de
film I Was A Teenage Sex Pistol die
voorbij de blik van Rotten, Vicious en McLaren raakt.
Ook tegen
activisme heb ik geen bezwaar. Sterker, ik zou geen andere manier weten om in
het leven te staan. Bijvoorbeeld door als docent te proberen zo neutraal
mogelijk te informeren en als essayist desnoods te schelden, maar dan
uitnodigend. Zwijgen vind ik echter zelden beschaafd, veeleer guur. Door activistisch
de wereld te benaderen zijn overtuigingen ook te scherpen of te verwerpen. Zo kreeg
ik twee jaar geleden de
kriebels van de ernstig populistische onderneming die filosoof Floris van
den Berg stichtte met zijn Wokabulary.
Hij reduceerde ideologie tot taal en beriep zich daartoe onder meer op Alan Sokal
en Jean Bricmont, die in Impostures
intellectuelles (1997) op dezelfde manier ooit het ongrijpbare, maar
driftig termen spuiende postmodernisme onklaar wilden maken.
Daarom had het monster
van mij minder eentonige taal mogen voortbrengen. Het is allicht een detail,
maar anders dan ‘heteronormativity’ en ‘whiteness’ hebben ‘heteronormativiteit’
en ‘witheid‘ dezelfde eindklank. Verwant Amerikaans-Nederlands zoals ‘mannelijkheid’
(voor masculinity) doet daar treurig aan mee. Wel geeft het Algemeen Nederlands
Woordenboek hier nog een interessante nuance van welgeteld één lettergreep.
Vanaf de jaren
negentig van de vorige eeuw zwerft het begrip ‘manlijkheid’ door de
taal, terwijl het uitgesprokener ‘mannelijkheid’ zich vanaf
2014 manifesteert. Binnen een lustrum wijdt Nederlandse
Letterkunde er een themanummer
aan. Dat het netwerk van De Groene
Amsterdammer in 2020 met een compleet boek over
mannelijkheid kwam, is dus nogal laat. Het kostte me destijds
behoorlijk wat moeite het tot me te nemen, maar dat had volgens mij minder
met de teneur van doen dan met die taal en met de geloofwaardigheid van studeerkamers–
ik lees momenteel de
snijdende King Kong Theorie van ervaringsdeskundige
Virginie Despentes.
En ook bij de affaire-Arday,
waarmee Van der Velde door een ongelukkig toeval zijn bijdrage aan het debat afsloot
(de Engelsman stierf kort daarna), speelde taal een venijnige rol: dyslexie,
razendsnelle taalverwerving en, achteraf, ‘grammaticale
fouten’. Het is niet te geloven dat de figuur die hem aan de schandpaal
nagelde zichzelf
als klokkenluider ziet, tenzij dat ambacht ook niks betekent. Wel hoor ik
in zijn naam ‘hofnar’.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten