Rare tijden voor de
diersoort die zich schrijver noemt. Gekooid door meningen, of ermee gevoederd, tussen
de tralies van media hopsasa. Momenteel ontwaar ik drie typen reflexen die verlokken
tot survival. Het eerste type heeft allicht nog te maken met de overproductie,
waardoor boeken niet de redactie en eindredactie krijgen die ze verdienen. Die
diagnose is bepaald niet van gisteren, en wordt heden bevestigd door de receptie
van alle Librisprijsinzendingen die zich gelukkig niet beperkt tot één
uitgeverij.
Enkelingen kunnen
flierefluitend
stileren over ‘hubristikè diathesis,
zoals Aristoteles het noemde – een overmoedige houding. Die houding, ook wel ataraxie genoemd (…)’, maar indien een
lezersblik een met zware publiciteit omgeven auteur van buiten de
Grachtengordel en zijn Vlaamse equivalent treft, dan ogen de consequenties draconischer.
Schoolvoorbeeld is Lale Gül, op wier stijl zoveel werd aangemerkt dat niet
iedereen beseft dat ze meer
heeft meegemaakt dan honderd standaardliteraire auteurs in de Lage Landen
bij elkaar. De omstandigheden waaronder haar werk ontstond, vragen niet alleen om
extra steun bij redactierondes maar ook om boven-esthetische maatstaven die
literatuur sowieso in een wurggreep hebben (diverse herdenkingsstukken over Cees
Nooteboom, wiens oeuvre tientallen zorgvuldig gecomponeerde titels telt, namen
de binnenweg naar zijn
laatste, halfbewuste interview).
Onder die stijlkritiek
gaan morele bezwaren schuil die beter zichtbaar worden wanneer auteurs in hun
privéleven niet
blijken te hebben voldaan aan hun maatschappelijke pretenties. Van deze kwaal
zijn er recent drie voorbeelden geweest: Lucebert, Zwagerman, Chomsky. Zij
hebben gemeen dat ze zich politiek links profileerden. Zo kunnen ze als
hypocrieten gelden, en in de virtuele wereld efficiënt worden afgefakkeld. Het
is bijna schunnig dat er daarbij uniform van ‘de elite’ wordt gesproken, waar
er afhankelijk van de branche talloze netwerken actief zijn.
Duizelingwekkend
vind ik dat bij de Zwagerman-ontluistering de feiten al grotendeels bekend waren, maar pas
door bekrachtiging
van biografe Vlaar status kregen. Daarbij woog voor haar de moraal zo door
dat taal, het oeringrediënt van schrijver en literatuur, er minder toe deed.
Dat drong pas achteraf goed tot me door, toen ik kennisnam van haar juichende
recensie over Alara Adilows romandebuut. Die eindigde zo:
Op haar newspeak moet je soms kauwen: “De golven
van gebeurtenissen slaan onwetend tegen het lijf, en in die uitholling groeit
een identiteit.” Voor slordigheden als ‘jouw’ waar het ‘jou’ moet zijn of
‘Saga’ en ‘Hoorn’ in plaats van Sagal en Uithoorn, had Adilow behoed moeten
worden, maar ach: wat een vol en rijk boek!
Dat hoofdzaak hier
bijzaak wordt, maakt het logisch dat Vlaar deze roman vervolgens opnam in haar
boekentoplijstje van het jaar 2025. En dat Adilow dus op één welbepaald
criterium ten prooi viel aan een volkomen ander lot dan Lale Gül, die
ideologisch aan de overzijde van het spectrum zit.
Ik neem Adilow
mede even als voorbeeld omdat ze valt te verbinden met een derde, zo mogelijk
nog complexere reflex op auteurs: dat ze hun tekst niet echt zelf hebben
geschreven. Als curator van een prestigieus
DWB-nummer bleek voor haar namelijk
het lichaam
‘een plaats waar identiteit, macht en
verzet elkaar kruisen. In de door haar verzamelde bijdragen geldt het lichaam
als archief van kennis en ervaring, als plaats van conflict en als drager van
geschiedenis en toekomst. Het lichaam drukt zich uit in gender en huidskleur,
maar evenzeer in ritme, ademhaling en houding. En in literatuur – die op haar
beurt als een lichaam werkt: iets wat ons raakt en vormt en permanent betekenis
genereert.’
Vijf drieslagen achter elkaar plus een maar-zin: ChatGPT-alert! Hogere wiskunde vind ik nu dat deze verdachtmaking mijnerzijds aan
de ene kant het grootste verwijt is dat je een auteur kunt maken (oplichterij),
terwijl er aan de andere kant laconiek op wordt gereageerd. Studenten ‘komen
ermee weg’, en uit strategische-visiedocumenten begrijp ik als docent
vooral mijn eigen bias te moeten
bewaken en bevragen tegenover mensen met een migratieachtergrond.
Volgens mij
beweer ik al langer dat bij
hen het probleem niet zit. Maar ik beweer zoveel.
Ook waren er recent in België twee noodoproepen tegen ChatGPT. In de eerste klaagde redacteur-persklaarmaker Liesbet Depauw te moeten arbeiden aan een typoscript dat overduidelijk door een machine was voortgebracht. In de tweede constateerde opiniechef Anja Otto van de zakenkrant De Tijd dat het leeuwendeel van de stukken die ze sinds de jaarwisseling toegestuurd kreeg een ernstige ChatGPT-tic vertonen. Stilistische eenheidsworst in teksten die op persoonlijke titel heten te zijn geschreven.
Zowel Depauw als
Otto stuitte op de maar-zin, van de soort niet als/ niet langer / niet alleen... maar als / maar voortaan / maar
ook, en op een erectiel begrip als ‘de kernvraag’ dat moeiteloos aan te
vullen is met andere essentialia. Otto kon evenmin ontkomen aan de sensatie te
moeten kauwen op vertaald
Engels.
Het ergste is misschien nog de vanzelfsprekendheid waarmee
deze nep wordt voorgeschoteld. Ik moest denken aan Madame Jeanette waar Raghenie Bhawanie vertelt dat in de Surinaamse
keuken het maggiblokje ’een rocksterrenstatus’ heeft. Zonder de culinaire
dictator te willen uithangen zegt ze dat deze zoutgranaat zo onschuldig op koks
overkomt, dat hij overdadig wordt gebruikt ten koste van de smaak, te verbeteren
met kruiden of desnoods met vegan blokjes zonder kippenbasis.
Dat ik zelf drieslagen noemde, zal Chat-connaisseurs ook al
niet verrassen. Maar het is nu eenmaal zo dat er tegenwoordig, bij mij in elk
geval, onmiddellijk een immens wantrouwen ontstaat als een tekst tricolons serveert.
Ik vrees dat ik ze inmiddels achter menige boom zie opdoemen. Terwijl ik best
weet dat ze eeuw na eeuw effectief zijn geweest, jammert de peuter in mij wanneer
ik er kennis van moet nemen.
Het is Lidewij de Vos’ recht om gore extreemrechtsheid bij FVD-kandidaten
weg te wuiven, desnoods omdat er – ze noemt andere voorbeelden dan Lucebert – bij
links ook mensen zijn met een griezelig verleden, en ze mag dat opdissen op een
koninginnentoon, begeleid door elektrische-pianoklanken, in een luxueus
interieur, en ze mag vinden dat de echte wereld anders is dan die van
mediaframers en dan wel ingaan op verkrachtingspercentages onder Somaliërs en klimaatwaanzin
die peperduur zou zijn, maar elke redelijkheid houdt voor mij domweg op wanneer
haar X-account
daarbij stelt: ‘Democratie is een kwetsbaar samenspel tussen publieke
opinie, media en politiek. Daarin is geen plaats voor hetze, karaktermoord of
verdraaien van feiten of context.’
Ik wist dus niet waar te blijven toen mijn wederhelft me de
achterflaptekst toonde van haar nieuwe boek, wel degelijk per hand en hoofd
gemaakt, met een daverend bedoeld drieklapperig einde. Tot ik dezelfde week lesgaf
over een ander werk uit dat fonds en een soortgelijke techniek las als
finishing touch.
Dus kreeg ik in plaats van beweerdrang een idee. En dacht,
laat ik met mijn rode redacteursstift naast mijn bordje Brinta eens kijken naar
een imposante, meer dan honderddelige literaire-interviewreeks op internet. Ik
begon bovenaan, met het recentste:
In de roman Shotgun Wedding onderzoekt Lucas Hirsch ‘rouw,
vriendschap en de zoektocht naar taal wanneer woorden tekortschieten’.
Het werk van Rob van Essen heeft een ‘scherp
oog voor tijd, herinnering en toeval’.
Max Greysons werk is ‘in
de eerste plaats gemaakt van klank, ritme en stem’.
Jeroen van Wijk onderzoekt
de wisselwerking ‘tussen taal, beeld en betekenis, waarbij hij literaire
analyse verbindt met artistieke verbeelding. Zijn praktijk beweegt zich op het
snijvlak van poëzie, proza en beeldende kunst, met een sterke aandacht voor
vorm, context en experiment.’
Oscar Tops poëzie wordt
gekenmerkt ‘door speelsheid, scherpte en een grote podiumgevoeligheid. (…) Naast
zijn schrijverschap werkt hij al vijftien jaar als arts, een combinatie die
zijn werk voedt met een unieke blik op lichaam, taal en menselijkheid.’
Luc Descamps weet te begeesteren
‘met verhalen die moeiteloos schakelen tussen spanning, humor en ontroering’.
Lene Beelen beweegt zich
‘met evenveel aandacht tussen woorden, mensen en stiltes. In 2024 debuteerde ze
met Tussenhuids, een ontroerend
coming-of-ageverhaal over loyaliteit, gezien worden en de sporen die ouders in
hun kinderen nalaten. Haar werk balanceert tussen zacht dobberen en diep duiken
— steeds op zoek naar verbinding, warmte en evenwicht.’
Maarten Inghels bouwt een
veelzijdig oeuvre uit ‘waarin literatuur, beeldende kunst en performance elkaar
versterken.’
Paul Verrept bouwt een
veelzijdig oeuvre uit ‘op het kruispunt van literatuur, beeld en theater. (…).
Samenwerking met andere kunstenaars staat centraal in zijn werk, net als een
grote aandacht voor vorm, taal en verbeelding.’
Roman Helinski’s werk is
‘persoonlijk, onderzoekend en licht absurd’.
Sophia Blyden verkent ‘thema’s
als eenzaamheid, machtsverhoudingen en de dunne lijn tussen feit en fictie,
vaak geïnspireerd door sprookjes, mythes en popcultuur.’
Jeroen Theunissen werkt aan
‘een veelzijdig oeuvre van romans, poëzie en verhalen waarin hij de grenzen van
fictie, identiteit en plaats aftast’.
In de roman Schijnoffers stelt Thomas Heerma Van Voss
‘scherpe vragen over macht, beeldvorming en morele verantwoordelijkheid’.
Er waren nog 73 schrijvers te gaan. Maar het is carnaval!
Twee olijven en een bitterbal! De maskers op! Ik ga als olifant met een lange
snuit. En gij, GrosPotTrassi?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten