Thomas Heerma van
Voss bundelde in De prullenmand heeft
veel plezier aan mij interviews die lekker weglezen. Omdat ze over iets zo
complex als literatuur gaan, is dat misschien opmerkelijk. Maar in het boek
spreekt bijna exclusief de biografische persoon achter de auteur, op gevorderde,
in principe werkluwe leeftijd ook. Bijna vijftig jaar na dato benaderde Heerma
van Voss namelijk nog levende medewerkers die anno 1977 hun bijdrage aan De Revisor leverden in de vorm van een getekend zelfportret.
Het toenmalige
literaire-tijdschriftinitiatief weet aan de interviewer de heden niet geheel
onobligate kanttekening te ontlokken dat de man-vrouwverhoudingen scheef lagen,
en dat mensen van kleur er niet te vinden waren. Indien hij echt had uitgezoomd
was het Heerma van Voss allicht ook opgevallen dat De Revisor geen notie van Vlamingen had, op Ivo Michiels na. Maar zo’n zelfkritische beweging past deze
bundel niet. Bij de Amsterdammers onder de geïnterviewden laat Heerma van Voss
niet na te vertellen of hij hun straat kent of in hun buurt is opgegroeid.
Mij frappeerde dát
die locaties opduiken. Ze suggereren intimiteit, die andermaal bevestigt hoe
ver de autonomistische school inmiddels verwijderd is van de norm. Een genretechnisch overeenkomstig boek als Scheppen
riep hij gaat van Au (1965) door H.U. Jessurun d’Oliveira stamt in
verhouding uit de middeleeuwen, uit een ambachtsatelier. Wellicht valt De prullenmand heeft veel plezier aan mij beter
te scharen onder de hausse aan biografieën. Conform aan de huidige zeden
voorspelt Heerma van Voss’ achterflap een ‘smakelijke literatuurgeschiedenis’
en maakt die belofte letterlijk waar. Elk gesprek vermeldt wat auteur en
interviewer drinken (bijna altijd thee) en welke koekjes of soesjes erbij
geserveerd zijn, en of in de woordenstroom de geïnterviewde tijd vindt om ze te
eten.
Stutten
Deze schrijvers
blijken bijna allen spraakwatervallen. Voor zover ze het niet zelf zeggen, legt
Heerma van Voss de reden daarvan bloot: ze zijn eenzamerig en staan niet meer
in de belangstelling. Hij is dus ook hun verlosser – meer dan eens eindigt een
gesprek met de vraag aan hem om nog eens langs te komen of in elk geval contact
te houden. Er hoort een motief bij van communicatiemiddelen. Deze auteurs
bezitten zelden een smartphone of laptop. Ze moeten het stellen met oude,
slecht werkende bakbeesten van computers, en foeteren op internet dat alles,
kennis én verbondenheid, kapot heeft gemaakt. Toch oogt niemand cynisch;
veeleer leeft men, mede door gezondheidsproblemen, in het besef van
vergankelijkheid, ook van generaties. En zonder zicht op publicatie schrijven
velen voort.
Door deze opzet
kan Heerma van Voss om boeken heen laveren. Ze functioneren louter als kapstok
voor anekdotes over triomf en mislukking, uitgeverssores of mediasteun. In de psychologiserende
biografietjes achter in het boek moeten de geïnterviewden zelf hun favoriete
eigen titel geven. De ondertitel Schrijversportretten
toen en nu is dus goed gekozen. Destijds een beeld van de schrijver, nu de taal
van het portret. Als in het mooiste gesprek van de bundel Jan Kuijper aan
Heerma van Voss vraagt of hij een bepaald (recent bij een niet-Amsterdamse
uitgever verschenen) boek van hem
ter voorbereiding heeft gelezen, pareert de interviewer of dat dit de
verwachting had mogen en kunnen zijn. Waarna de geïnterviewde met een anekdote
komt die zijn ontzagwekkende eruditie relativeert.
Wanneer ook
Heerma van Voss oprecht was geweest, had hij zich geout als cultureel
ondernemer bij wie tijd geld is. Naast dit project, dat hij startte als freelancer voor het Literatuurmuseum
Online, is hij columnist
bij De Lage Landen, gastdocent
Creatief Schrijven op de VU en kunstmedewerker van De Groene Amsterdammer. Achteraf redundant merkt hij in zijn
inleiding op dat hij zijn stukken niet wilde ‘stutten met veel jaartallen,
titels, feitjes, stijlanalyses of geëxpliciteerde dwarsverbanden’. Een motief
in dit boek is zijn bevreemding als meer geportretteerden, als waren ze
schoolmeesters en andere wereldvreemden die in een studeerkamer of achter een scherm te
vinden zijn, eerste versies zorgvuldig corrigeren. Feiten en toewijding rijmen
allicht te sterk met de geregeld gememoreerde gouden tijd van de Nederlandse
boekencultuur, van de jaren zestig tot negentig.
Heerma van Voss
wilde, mijns inziens terecht, niet romantiseren. Maar had dat moeten leiden tot debunking? Nu laat
hij auteurs babbelen over een tijd waarin ze culturele betekenis hadden én laat
ze bij hun geheugenverlies namen beloven en behinten, die hij niet opzoekt. Zo sardonisch
ontvouwt zich deze literatuurgeschiedenis, met leeslint en zonder register of
bibliografie. Zo wordt evengoed ‘ontlezing’ een banaal begrip. Bovenal blijft
het een aanleiding tot persoonlijke relazen en tot een beschrijving van
uitpuilende bibliotheken. Daarbij ontdekte Heerma van Voss, naast de eenzijdige
samenstelling van de Revisor-tekenaars
van dienst, nog iets. Keer op keer bleek ‘dat elegant ouder worden een kunst
is, een precair proces waar de ene schrijver beduidend meer talent voor heeft
dan de ander’.
Gifsumak
Voor het lezerstype
dat ik ben is De prullenmand heeft veel
plezier aan mij een rare beproeving. Ik wil van alles weten en vind dat
niet, en ik vind van alles wat ik niet wil weten. Heerma van Voss heeft zijn
boek niet alleen vaardig gestileerd, ik heb het ook haastig geconsumeerd. Door
de recensies, die in mijn herinnering lovend waren, kon ik me gelukkig
voorbereiden op een paar kluiven. Arie van den Berg vond ik nog grappig, zeker
in zijn klaargelegde rouwadvertentie: ‘Ik ben kleiner gaan wonen’. Dat slaat op
een natuurbegraafplaats, ‘alwaar geen bezoek’. Ook verklaart hij
zijn afwezigheid voor zijn kinderen onbarmhartig, ‘te druk met mezelf’.
Maar zelfs
gewaarschuwd vond ik het moeilijk om kennis te nemen van de twee langste
interviews. De ontluistering die Heerma van Voss biedt in zijn portret van Jan
Kal, een bijna tachtigjarige, is me te gratuit. Journalistiek had hij allicht geluk
dat er tijdens zijn bezoek nóg iemand langskwam, van een woningcorporatie, maar
ik meen dat het resultaat slechts meer misbruik van vertrouwen toonde. Al mag
de dichter aan het slot nog even zeggen dat het Nederlandse woord voor poison
ivy gifsumak is, weinig
gekend en ‘des te interessanter’ om het in een sonnet te gebruiken.
Het andere
lastige interview is met de 92-jarige Cees Nooteboom, die aan de rand van het
bewustzijn vertoeft. Bij heldere momenten zegt hij dingen die onfijn zijn. Bijvoorbeeld
over wat hij precies uit het zakenmanschap van zijn vader had opgestoken. Of met daarentegen
alleen langs algemeenheden aangeduide redacties die hij à l’improviste doet in
een recent Revisor-nummer, vol hem
onbekende en anoniem gehouden auteurs. Ook verlegt Heerma van Voss de aandacht soms naar getuigenissen van Nootebooms jongere vrouw, wier leven in het teken staat van mantelzorg.
Des te pijnlijker om te voelen dat de journalist met deze grote naam dweept.
Waarom toch
allemaal? Heerma van Voss rept van zijn verlangen ‘couleur locale op te
tekenen’ en zet bejaarden in hun kwetsbaarheid neer. Van menig detail ontbreekt
nochtans de ratio. Of zou het een scoop zijn dat aan schrijvers niets
menselijks en banaals vreemd is? Bij Maria Vlaars verwante navertellende
Zwagerman-boek dacht ik: als Henk van der Meijden dit geschreven had… Een criticus
concludeerde daar echter dat de geportretteerde ‘als
wankelmoedig, seksverslaafd liegebeest’ nu de geschiedenis in gaat. En de
biografe bleek haar onderwerp ‘een
angstig burgermannetje’ te hebben gevonden – een observatie die ik bourgeois zou noemen.
De parallel strekt nog verder. Vanuit hedendaagse
preoccupaties bekritiseert Vlaar de toenmalige Grachtengordel waarin ze zelf
studeerde en een centrale professional werd. Op zijn beurt kan Heerma van Voss er
in zijn inleiding niet over uit dat Mensje van Keulen als honorarium een fiets
kreeg (in zijn culturele ondernemerschap is geld uitstekend georganiseerd) en
dat Jan Siebelink door het land reisde om recensenten voor zijn werk warm te
maken (door geavanceerdere netwerking
worden recensies in het cultuurbijlagencircuit nu maandenlang vooruit gepland).
Ook somt Vlaar ijzig namen op van mensen die haar niet te woord wilden staan.
Dat doet Heerma van Voss evengoed. Het gaat dan om welgeteld één persoon. Maar
die wordt dan ook genadeloos afgeserveerd. Bij dit langjarige project ontbreekt me zelfs het begin
van een vermoeden wat de artistieke ambitie of kennisvraag moet zijn geweest.
De grote L
Een andere voor
mij duistere vraag, ondanks zijn antwoord op Jan Kuijpers
voorbereidingskwestie: wat weet deze in 1990 geboren Heerma van Voss? Hij laat
zich ontglippen Nederlands te hebben gestudeerd en bezoekt auteurs die niet
(meer) op het curriculum staan. Met de oudste, Nooteboom, verschilt hij meer
dan een halve eeuw; met de jongste, Otten, net geen veertig jaar. De ingang tot
het project biedt dus De Revisor,
waarvan de interviewer, vertelt zijn eigen bio, ‘zeven jaar’ redacteur was. En
waarover hij de roman Het archief
schreef, die is geprezen en genomineerd – en die mij niet kon bekoren. Toch dan nog even terug naar Scheppen riep hij gaat van Au. Toen dat
interviewboek-op-basis-van-gelijkwaardigheid verscheen was jurist en redacteur Jessurun
d’Oliveira 32 jaar.
Misschien moet ik
mijn vraag eerst omdraaien. Heerma van Voss toont zich vermoeid bij overvolle boekenkasten
die het decor zijn voor wat hij als vergane glorie presenteert. Maar één keer
is hij enthousiast, wanneer hij bij Hilbert Kuik ‘opvallend veel recente
literatuur’ ziet staan: Rooney, Polak, Rijneveld. Het lijkt hem te ontgaan dat deze
millennials marktnamen zijn, veeleer een teken van volgzaamheid dan van naakte
interesse. Wel is hij expliciet in zijn interview én biografie: deze Kuik is
hem als schrijverspersoon het liefste. Waarom? Heerma van Voss spreekt over
beheersing en relativering, en tevredenheid. Met andere woorden: geen
pretentie, geen literatuur met de grote L.. Conform deze poëtica is in zijn
biografietje van Ten Berge de eigenschap ernst geen compliment.
Fascinerend
detail vind ik verder dat Ad Zuiderents bio vermeldt dat deze steeds ‘trouw en
snel’ de onlineversies van de interviews las. Dan moet deze literatuurkenner
beleefd gezwegen hebben toen hij uit zijn eigen gesprek begreep te hebben gedebuteerd in het
tijdschrift dat Heerma van Voss Merlijn noemde. Was het Literatuurmuseum te druk
met andere prangendheden? Dan had Das Mag, die de bundeling
voorzag van het leeslint van de ouderwetse literatuurgeschiedenis, toch nog even
kunnen redigeren?
Zelf benoemt
Heerma van Voss door zijn boek een rode draad waarmee hij sympathiseert: Propria Cures. In dat Amsterdamse studententijdschrift ziet Jan Donkers bij hem heden nog altijd
een richtsnoer: ‘Dat in schrijven álles kan. En mag.’ In officiële
literatuurgeschiedenissen fungeert het veeleer als beerput, als jongensblad waarin Jeroen Brouwers onwelriekende literatuur van de jaren
zeventig aantrof en waartegen hij uitgerekend De Nieuwe Revisor in het geweer wilde brengen. In die zin zijn ook
op dit vlak de tijden veranderd. Vanuit de aan Propria Cures verwante plaatselijke krant Het Parool kon – ik moet deze hypothese eerlijk gezegd nog altijd
onderzoeken – De Wereld Draait Door als
televisieprogramma een gigantisch succes worden. Ook als het ware voor de
culturele barometer: teksten waren bijzaak, schrijvers toonden ‘authentiek’ vlees
en bloed. De bij Propria Cures gepokte
en gemazelde Reinjan Mulder stond, nota bene samen met Heerma van Voss, aan de wieg van de jonge, steeds centrale uitgeverij Das Mag,
van wier marktpoëtica De prullenmand
heeft veel plezier aan mij een schoolvoorbeeld is.
Kwinkslag
Een hypothese die ik ook verder moet
uitwerken is dat we in
een polemische tijd leven waarin de polemiek wordt afgewezen. Ook daarvan is
Heerma van Voss’ interviewboek een schoolvoorbeeld. Diametraal tegenover Propria Cures valt literair-historisch
het experimentele Raster te zetten.
Over dit tijdschrift heeft De prullenmand
heeft veel plezier aan mij met enige regelmaat iets te melden.
Heerma van Voss
laat eerst door Lidy van Marissing vertellen dat veel schrijvers ‘zich bedreigd
door Jacq Vogelaar’ voelden en dat zij met hem ‘doorgaans in één adem’ werd
genoemd. Samen bleken ze dan ‘de marxisten van Raster’. Als contrapunt laat hij, met een forward van een mail,
Guus Luijters memoreren: ‘toen ik begon was het net de tijd van de Nieuwe Wartaal, zoals Peter Andriesse
het noemde. Jacq Vogelaar, Lidy van Marissing en anderen van wie ik de naam ben
vergeten, schreven volstrekt onbegrijpelijk proza over het schrijven van proza,
metaproza heette dat. Ze wilden alle
andere vormen van proza verbieden.’
Zulke bizarre
intimidaties vanuit het experimentele kamp ben ik ook in een heel ander recent
boek tegengekomen. in de
biografie Mannetje van de krant
schrijft Jan Blokker jr. dat Kees Fens in 1977 bij de Volkskrant was weggepest door toenmalig medewerker Van Marissing
omdat hij ‘een uitgebluste intellectueel’ zou zijn geweest ‘zonder
maatschappelijk bewustzijn’. Zij had die draconische mening mede als ‘fan van
schrijvers zoals Jacques Firmin Vogelaar, Daniël Robberechts en Sybren Polet’.
Toch wel kras. Niet eens omdat Fens een medestander van Raster was aan wie het tijdschrift een
heel nummer wijdde, maar vooral omdat hij in 1977 zelf in de Volkskrant had uitgelegd te stoppen
met recensies vanwege
de commercialisering van het boekenbedrijf en de verhoogde omloopsnelheid.
Terug naar Heerma
van Voss. Hij laat ook Mensje van Keulen de literatuurgeschiedenis herschrijven:
‘Ik weet nog goed dat Bert Schierbeek zich eind jaren zeventig tegen mijn werk
verzette omdat het te realistisch was. Ik dacht zelf dat er iets geks in mijn
verhalen zat, een kwinkslag, iets absurds, maar dat zag bijna niemand.
Schierbeek hoorde bij Raster, dat was
in de jaren tachtig meer experimenteel, meestal ook academisch.’ Natuurlijk
zijn dit haar woorden, maar zeker door de weigering feiten en getallen te
noemen komt het retorisch effect in De
prullenmand heeft veel plezier aan mij toch echt van de interviewer.
Of spreek ik
mezelf tegen? Het slotakkoord van het boek geeft Heerma van Voss aan Raster-stichter H.C. ten Berge. Toch
vallen diens tijdschriftopmerkingen in het niet door een maffe combinatie van
vertellers- en sprekerstekst. Eerst zegt Heerma van Voss zelf dat Raster in 1967 werd opgericht ‘met een
internationale insteek en veel ruimte voor literair experiment’. Vervolgens
vertelt Ten Berge: ‘Elk Raster-nummer
werd onder meer in NRC neergesabeld.
Echt, jaren ben ik in die krant achtervolgd’. Dan meldt de interviewer dat de
schrijver ‘ongevraagd (…) namen van critici [noemt] die neerbuigend over zijn
blad schrijven’. Daarna komt zijn vrouw binnen, die kort wordt beschreven en
die met een glas of kan water de ruimte verlaat en dan mag Ten Berge voortmemoreren:
‘Raster was een van de weinige
programmatische tijdschriften. Ik kan me niet meer goed herinneren welke
uitgangspunten we precies hanteerden, maar ik had een paar duidelijke, ik heb
daarover geschreven’.
Hier werkt Heerma
van Voss’ culturele ondernemerschap maximaal voor zijn product de smakelijke
literatuurgeschiedenis. De interviewer had met één klik op de muisknop kunnen (laten) zien wat zijn 87-jarige gesprekspartner
bedoelde. Maar solidariteit ontbeert De
prullenmand heeft veel plezier aan mij ten enenmale. Zonder bewijs wordt
Ten Berge misschien nog geen deerniswekkende man, maar wel iemand die je niet
hoeft te lezen. Mission completed?
P.S. Op mijn archiefblog herpubliceerde ik een stuk over Martin Mooij, dat volgens mij zeker met de gouden tijd van de Nederlandse boekcultuur te maken heeft. Het stond ooit op DeWereldMorgen maar blijkt daar te zijn verdwenen – hopelijk is de versie die mijn harde schijf herbergt de definitieve.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten