vrijdag 12 november 2010

Nico


Van oudsher ben ik gefascineerd door optimisten. Geregeld bevolken ze mijn gedachten. Een Nico Haak bijvoorbeeld. Morgen is het twintig jaar geleden dat hij overleed. Om dat droevige feit werd destijds gegnuifd. De zanger maakte namelijk tot op zijn huid reclame voor de bioregulator, een soort gepolijst polshoefijzer waarvan de bolvormige uiteinden gezonde magnetische energie zouden geven.
Het einde van Nico Haak betekende derhalve ook het einde van dit product. Doordat er iets meer op het spel stond lijkt me dit een grotere prestatie dan recent geleverd door de Bekende Nederlander die in een actualiteitenprogramma kwam vertellen dat het bespottelijk was alleen serieus genomen te worden vanwege die bekendheid (om consumentenoperettes van de markt te krijgen).
Nico Haak was een gangmaker. ‘Quick quick slow, want Foxy grijpt zijn kansen’. In mijn herinnering plantte de montere aard van zijn liedjes zich vooral over op mijn moeder. Als ze over de radio of televisie schalden, begon ze werktuiglijk haar polsen heen en weer te draaien, handen loodrecht op haar lichaam. Op een of andere manier heb ik dat geassocieerd met ‘de bevrijding door de Canadezen’, een naar haar getuigenis lollige boel, terwijl er in mijn brein evengoed een stroompje had gekund naar de jaarlijkse delging in mijn geboortestad met een festival, dat met veel huigbombarie als jazz werd geafficheerd maar dit genre voortreffelijk wist te verbergen.
Anderzijds was de tonale onderbouw van beide opties ongeveer identiek en denkelijk wist Nico Haak, al dan niet begeleid door De Paniekzaaiers, niet alleen mijn moeder te betoveren. Voorbij de beeldvorming zou ik hem beter eens bewonderen om zijn vermogen een schier oneindig opgetogen sfeertje te scheppen.
Bewondering heb ik sowieso altijd gehad voor zijn teksten. Hoewel niet uitblinkend in het vak onthouden, laat staan zeker dat er in alle nummers van Nico Haak een banjo voorkomt, kan ik de apostrof O Foxy foxtrot op elk uur van de dag gegarandeerd aanvullen tot:

… met je elastieken benen
Die wil elke avond naar de dancing toe
Zeg jongeman mag ik je meissie effe lenen
’k Wil met haar swingen want ik ben nog lang niet moe.

Het verwijswoord ‘die’, hier stootbeitel tussen de tweede en derde persoon waarna ingebed of via een monologue intérieur zelfs de eerste persoon zijn intrede doet, weet me nog steeds te imponeren. Een klassieke Nico Haaksong als Is je moeder niet thuis doet dat ook, helemaal sinds mij de Duitse versie onder ogen gekomen is:

Schick die Mama ins Bett.
Schick die Mama ins Bett.
Schick die Mama ins Bett
Marie
denn ich warte schon hier
an der Ecke bei dir
in der Kneipe gleich vis-a-vis.

Ist alles allright
dann sag mir Bescheid
ich werde wie der Blitz bei dir sein
jedoch solange Mama noch die Wohnung bewacht
komm ich leider unbemerkt nicht hinein.

Het Duits is in populaire muziek en andere kunstuitingen mild uitgedrukt een verhaal apart en vergt ook hier enige betekenisingrepen, maar zelfs door de geciteerde afgrondelijkheid schemert Haaks heupwiegende optimisme. Foxy Foxtrot kon vanzelfsprekend Schmidtchen Schleicher heten, met al het verdiende succes dat daar aan kleeft.
Het enige mysterie rond Nico Haak ligt voor mij in Honkie Tonkie Pianissie. Het gaat over een zekere Toetsen Jantje die in café De Dolle Olifant speelt tot het ochtend wordt. Zo blijkt ook uit het refrein:

Honkie tonkie pianissie, op je sinaasappelkissie
Speel maar verder, speel maar verder
Honkie tonkie pianissie, op je sinaasappelkissie
Want we gaan nog niet naar huis

De trigger blijft dat sinaasappelkistje. Uit ervaring ken ik dat woord van soundchecks, zodat de microfoon behoed kan worden voor sisklanken. Mij dunkt dat deze betekenis hier irrelevant is, net zoals de meest voor de hand liggende: dat de piano en Jantje rijp voor instorting zijn omdat ze op een sinaasappelkistje staan.
Inmiddels moet ik vanuit dat object wel denken aan een nieuw soort politiek dat zich aan het ontwikkelen is, analoog aan de beroemde provisorische spreekpodiumpjes in het Hyde Park. Men denkt tegen een overlevering van bestaande instituties in te gaan door die ‘zakkenvullers’ en ‘carrièremakers’ en andere bij voorbaat perfide machthebbers verbaal te verdelgen vanuit een eigen, als autonoom aangevoelde basis, met de illusie daarmee niet politiek te zijn.
Van daaruit naar een recensie door Cyrille Offermans over Dagboek ’68-’69. De feitelijkheid die dat geschrift, van Daniël Robberechts, per definitie bevat wordt ontkend. Zijn argumenten vindt Offermans buiten de tekst, in een levenshouding die volgens hem gedateerd is om redenen waarvan mijn vorige posting bij Hans Achterhuis al repte. Radicaliteit blijkt behalve passé ook dwingelanderig, en Robberrechts’ aversie van compromissen zou dat aantonen. Daarnaast ontwaart Offermans diens incompetentie via guilt by association in een gebrek aan publiek en weerklank, dat hij overigens niet onderzoekt.
Dat Offermans een andere documentatie en meer expliciet politieke beleving van een periode, waarvoor hij een eigen tekst als bron opvoert, niet authentiek acht is één ding. Hij deinst er niet voor terug voor het bewijs van die stelling, wel volledig buiten hem zelf, de bekritiseerde ander een geestesziekte toe te schrijven. Daarmee diskwalificeert hij tevens uitgever, lezers, winkels en media die het boek wel zinvol achten. Ik wil geloven dat deze infrastructuur een minderheidspositie heeft, maar waarom die minachting? Wat voorspelbaar – bentgenoten van weleer. Maar de observatie dat potten ketels aan het verwijten zijn, smoort specifieke doelen van het gezegde. Dus speel maar verder, speel maar verder.
Het decennium na zijn gememoreerde successen stuikte de loopbaan van Nico Haak, die nog wat genres probeerde. Was hij een tijdgebonden zanger? Ik acht hem vooral erg op zijn plaats in ‘de jaren zeventig’, vrolijke era, die onbekommerd maar niet onverantwoord zijn weg zocht (in het tekstueel verwante Mooi man van Mannenkoor Karrenspoor, dat vlak na Haaks dood de hitparade beklom, hoor ik iets afgedwongens, schijnbaar postideologisch).
Zuurpruimen die we geworden zijn.

2 opmerkingen:

  1. Het is niet de eerste keer dat C. Offermans experimenterende schrijvers van de jaren '60 in een slecht daglicht probeert te stellen door hun pathologische trekken toe te schrijven.

    In zijn 'bespreking' van Konrad Bayers roman 'het zesde zintuig' (DS, 2002) viel te lezen: 'Zijn tekst lijkt het ongeïnspireerde werk van een beroepsontregelaar, eerder een man met te veel dan zonder eigenschappen. [...]
    Een beroepsmatige ontregelaar ontregelt in het cultureel luchtledige, zo iemand is eerder een geval dan een schrijver.'

    Iemand die prat gaat op zijn historisch besef zou moeten weten in wiens gezelschap hij zich met die taktiek begeeft. Ik moet denken aan een vanaf 1937 in München en andere Duitse steden georganiseerde tentoonstelling.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Oeps, aan mijn aandacht ontsnapt deze reactie waarvoor dank. Ik moet bekennen het altijd wat problematisch te vinden, vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog. Wel was Entartete Kunst in se een geweldige tentoonstelling.
    De Bayer-bespreking was mij destijds ook opgevallen. Hoewel ik niets heb tegen afbrekende stukken, ben ik geneigd de gebruikte argumentatie, die neerkomt op een diagnose, terug te bezorgen bij de dienstdoende dokter: wat bezielt hem? En waarom worden zulke recensies gepubliceerd?
    Vooralsnog rest ons niets dan een suggestie van Nico Haak: ‘Wij spelen zo graag op de joekelille / ’t Is om te gillen, dat wij dat willen’.

    BeantwoordenVerwijderen