vrijdag 7 januari 2011

Alles


‘Op ’t plein, over taxi’s, / waar niemand meer op wacht’, hoorde ik door de coupé. De relatief lange intro, in stuntelige plechtstatigheid, was me ook bekend voorgekomen. Op het moment dat het refrein inzette wist ik het:

Triest bier, triest bier, triest bier
Alles in triest bier
Triest bier, triest bier, alles

Mijn favoriete nummer van The Boots! Niet dat ik het repertoire van achteren naar voren ken, misschien juist omdat ik er meteen aan was blijven haken. Vooral dat ‘alles’ pakte mij in. En nu weer! Ik speurde de coupé rond naar wie behalve reisgenoot lotgenoot was. De kandidaten waren legio. Door de intercom had de conducteur verzocht ‘de bagage op de daartoe bestemde plekken te stallen’ en zelfs de talentrijkste acteurs in het humanitate qua nimmer versagende onderdeel breeduit slapen hadden iemand naast zich op de bank moeten dulden. De vorige trein bleek namelijk ‘gesupprimeerd’: niet door afkoppeling van enige wagons verlost, zoals ik (gedrogeerd door mijn woonland?) dacht, maar uit de dienstregeling geschrapt.
Toen viel me op dat bijna iedereen oorschelpknopjes droeg – of zouden die van een bijzonder type alibiachtig gsm wezen, waarbij de mp3-functie de verleider was? Van de kunsten slaagt, en ik vrees in die ervaring niet alleen te staan, slechts muziek overvallen te plegen als die ik nu beleefde. Jaren die waren verstreken nadat ik Triest bier voor het laatst had gehoord, deden me uiteraard beseffen niet zeer onlangs uit het ei gekropen te zijn, maar zonder sentimenteel moralisme. Wel snapte ik aan het eind van mijn epifanie dat ik, denkelijk met een elleboog tegen mijn jaszak, van mijn iPod de altijd parate shufflefunctie, instigator van narcisme en uiteenvloeiing, had geactiveerd.
Vanzelfsprekend is bier vragen om problemen. Het dunkt me vruchtbaarder om het bij koffie te houden. Sterker, daar vallen pientere en onnozele argumenten voor te bedenken, verzameld in om eens wat te noemen een boek, bijvoorbeeld eentje waaraan stomtoevallig ikzelf alweer iets meer dan een lustrumpje aan het schrijven ben. Het staat wel voor bij benadering 99,99% vast dat het dit jaar afkomt.
Ik krijg bovendien de indruk een materie aan te boren die in velerlei gedaantes hele stukken van de wereldbevolking in de Lage Landen bespeelt. Het gaat hier om niet minder dan De Trends Voor 2011. Eerst begreep ik dat een alomtegenwoordige televisiepersoonlijkheid ‘uit’ raakt door zijn stem: ‘zo praat je ook niet als je thuis koffie zet’. Vervolgens werd openbaar dat Facebook, het enige poolijs dat aangroeit, het ultieme fanpagepodium zou zijn van een ‘koffieshop’.
De wereld op zijn kop! Of zoals Shakespeare in een van zijn astrale composities doorgaf: een hippe vogel of een gehypete vogel, that’s the question.
Een koffieshop is naar mijn bescheiden mening toch iets anders, unieker onder het huidige gesternte, dan het globale imitatiekoffiehuis dat bedoeld werd. En dat soms, voor de vierde keer in veertig jaar, moet poetsen aan zijn logo, ‘a mirror image of the strategy’.
Het bedrijf stamt uit de Verenigde Staten, waar koffie een vloeistof heet te zijn waar een boon overheen gevlogen is, en dat bovenal een land is waarvan andere kakelverse voorspellingen weten dat zijn invloed zal tanen zonder op langere termijn helemaal weg te ebben. De voormalige aartsvijand Rusland kan zich door de klimaatveranderingen dan weer opwerken als voedselproducent vanuit nota bene Siberië niet te verwarren met de gelijknamige, democratischer uitspanning voor warme dranken en wat erbij).
Daarnaast wordt bijvoorbeeld een revolutie verwacht in advertenties en persoonsgebonden marketing. Bij het consumeren van curiosa als boeken legt dat hopelijk gewicht in de schaal. Zegt het voort! Of fluister het door, analoog aan het spelletje waarin ‘Wladiwostok’ na enige niet door mp3-spelers gevulde oren te passeren moeiteloos verandert in ‘knakworstmosterd’. Bij wijze van reclame zou ik een huisgemaakte vertaling uit het Engels willen presenteren, van een gedicht waarvan het origineel in het Deens mij niet onder ogen is gekomen:

Samenzweringen

De papegaai trapt. Dat kan men
zeggen. De papegaai antwoordt zichzelf
met een zware stem. Dat
kan men zeggen. Op zijn manier
is de papegaai een genie. Maar niemand is
op zijn manier en hij al helemaal
niet. Maar hoe kan men hem dat meedelen.

Mijn koffie houdt zich schuil
in het kopje. Dat kan men zeggen.
Maar voor wie? Duister spiraalt er wat stoom
als ik in de diepten zie, een soort draad
die zichzelf pal voor mijn ogen
wegtovert, het zuiverste niets
dat eigenlijk water is. Maar
hoe kan men dat meedelen.

Plus dat vele bedenkelijke dromen
alleen maar dwars door het donker rollen.
Plus dat de sterren erin bloeien,
daarboven. Plus dat alle gevolgen hiervan
zichzelf geniaal beginnen te citeren
wanneer je ze de rug hebt toegekeerd.

Met de stilste taal, bijvoorbeeld
deze, gebeuren zulke enormiteiten
voortdurend. De papegaaien beginnen te krijsen.
De koffie speelt stommetje. Te mijner ere herhaal ik
zijn zwijgen, een levensstijl waarmee ik al bluffend
rondtrek. Op die manier zullen de bezweringen
elkaar niet herkennen, maar zich doorlopend
verenigen. Ja. Dat kan men zeggen.
Ze verenigen zich tot een machtige theorie.
Sorry dat ik het de hele tijd aantoon.

Niels Frank

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen