woensdag 7 april 2021

Ondanks alles

 

 

 

Van Audre Lordes beginselstukkenbundel Sister Outsider (1984) verscheen vorig jaar een nieuwe vertaling. Al in 1985 was er een bij de feministische uitgeverij Sara verschenen, onder de titel Oog in oog. Toen representeerde één essay, Eye to Eye, het geheel. Dat de recentste vertaling Audre Lordes overkoepelende titel ongewijzigd overneemt, vind ik treffend.

‘Oog in oog staan’ is geconfronteerd worden met iets onaangenaams. Dat vraagt om actie die altijd een reactie is en dus ondergeschikt. Het ‘Sister Outsider’-idee vertrekt evengoed vanuit een verschil, maar dat is horizontaal. Bovendien nodigt de familiale persoonsaanduiding uit om mee te doen. En in het Nederlands klinkt die zus niet vreemd meer; Amerikaans-Engels is daar, zeker na de domesticatie van het internet, een gestage invloed op.

Voor de vertaling van Oog in oog tekende Tilly Schel. Zij blijkt sinds het eind van de jaren zestig vooral Hitchcock-scenario’s in het Nederlands te hebben overgezet, maar ook heel wat boeken van vrouwen en in de jaren negentig Lenteriten van Modris Eksteins. De nieuwe vertaling Sister Outsider komt van Jenny Mijnhijmer. Zij is een beleidsmaker en adviseur, die zich heeft bekwaamd als theaterschrijver en actrice. Volgens de KB-catalogus is Sister Outsider, op zestigjarige leeftijd, haar eerste boektitel.

In de marge van de Gorman-Rijneveld-ontploffing was er wel degelijk al iets veranderd. Het colofon van de Nederlandstalige Sister Outsider dankt Gilde Alphabet Street. Van dit zwarte schrijfcollectief had Neske Beks zich bij de Baldwin-n-woord-kwestie al geprofileerd; nu blijkt het aan een toch wel witte uitgeverij de Lorde-vertaler te hebben aangedragen. Bij dit boek heeft de uitgever symbolisch ruimte gemaakt.

Omdat ik de Schel-vertaling niet heb kunnen inzien, is het helaas onmogelijk de keuzes te vergelijken die in het Nederlands moeten zijn gemaakt. Wel is Mijnhijmers prestatie duidelijk omgord. Naast het collectief tekent namelijk de podcast Dipsaus voor deze vertaling, door haar mogelijk te maken ‘voor gemarginaliseerde vrouwen in Nederland, in al hun verscheidenheid’ (en België?).

Dipsaus verantwoordt de redactionele ingreep om uit Lordes oorspronkelijke bundel twee teksten weg te laten. Mij spijt het dat zo een prachtige schrijverscongresreportage over de Sovjet-Unie in de jaren zeventig kwam te vervallen, uitgerekend met het argument dat die wereld niet meer bestaat. Wel vertaald is de slottekst over het bezette Grenada, een ‘rapportage’ die Lorde zelf als voorlopig kenschetste want schreef terwijl de rest van Sister Outsider al bij de zetter lag.

 

Dikke laag

Heeft Mijnhijmer specifieke woorden gebruikt? In de tekst Poetry is not a luxury (1977) pleit Lorde voor ‘true knowledge and therefore lasting action’, wat anno 2020 ‘echte kennis en dus duurzame actie’ is geworden. Dit duurzaam klinkt inmiddels uitgekauwd, maar valt volgens mij mooier in de plooi dan alternatieven als blijvend en bestendig.

Mij viel de oplossing op voor het zelfstandig naamwoord ‘empowerment’ dat, met zijn bijvoeglijke en werkwoordafleidingen, door Lorde voortdurend wordt ingezet. Maar pas nadien maakte het een steile opgang en ik weet niet wanneer het in het Nederlands gangbaar werd. Mijnhijmer laat het onvertaald, wat grappig uitpakt in een advies als: ‘“Verdeel en heers” moet in onze wereld “definieer en empower” worden’. Toch acht ze eenmaal, bij een lezing, een cursief gepaster. Dan is het effect toverachtig: ‘een bed waar ik verlangend naar uitzie, dankbaar in stap en empowered weer uit opsta’.

Lorde gebruikt nog een term die heden geregeld opklinkt, en die heeft Mijnhijmer wel omgezet, op twee manieren in één alinea:

 

‘De meeste vrouwen hebben geen vaardigheden ontwikkeld om woede constructief onder ogen te zien. (….) Er werden geen gereedschappen aangereikt voor het omgaan met de woede van andere vrouwen, behalve door die te vermijden of af te buigen, of haar te ontluchten door weg te kruipen onder een dikke laag schuldgevoel.’

 

Het gaat hier om tools, waarvoor eerst ‘vaardigheden’ dient en daarna ‘gereedschappen’. Mij treft hier verder Mijnhijmers ‘aangereikt’ dat developed moet dekken.

Die ‘dikke laag schuldgevoel’ lijkt me een forse vertaling van een blanket of guilt maar toont iets van Lordes metaforiek. Daarin zit namelijk vaak textuur, letterlijk, tussen individu en wereld. Vrijheid wordt bemoeilijkt en dat onderstreept Lorde, begonnen als dichter, op een speciale en bovenal fysieke manier. Een prachtig voorbeeld staat in het al genoemde Eye to Eye, uit 1983:

 

‘Alle moeders zien hun dochters vertrekken. Zwarte moeders zien het gebeuren als een offerande [sacrifice] door het gordijn van haat [veil of hatred] dat als lappen lava [sheets of lava] voor hun dochters op de paden neerhangt. Alle dochters zien hun moeder vertrekken. Zwarte meisjes zien het gebeuren door een gordijn van bedreigd isolement [veil of threatened isolation] waar geen vertrouwd vuur [fire of trusting] doorheen komt.’

 

Datzelfde essay maakt melding van huidblekende crèmes, de bleaching dus waar Unilever, namens bijvoorbeeld l’Oréal, in 2020 schroomvallig afstand van nam.

Voordat de indruk ontstaat dat Lorde ook talig haar tijd vooruit was, moet ik vermelden dat het nu, in bepaalde kringen, vanzelfsprekende begrip ‘misogynie’ bij haar geen standaard lijkt. Ze heeft het wel over ‘woman-hating’ (vertaald als: vrouwenhaat). Ook stuit ik, in een sympathiserende speech over Malcolm X uit 1982, op ‘peoples of Color’. Niet die hoofdletter vraagt aandacht, want dat doet Lorde steeds zelfbewust met kleur, maar het meervoud dat genuanceerder oogt dan waar heden de voorkeur ligt.

En zonder dat ze de term gebruikt kondigen zich in een getuigenis over het opvoeden van haar zoon safe spaces al aan: ‘I feel the want and need often for the society of women, exclusively. I recognize that our own spaces are essential for developing and recharging.’ Dat laatste werkwoord heeft het Nederlands opgezadeld met ‘de batterijen opladen’. In hetzelfde essay spreekt Lorde van ‘coming in our power’, wat tot niets anders meer kan leiden dan ‘in onze kracht komen staan’.

 

Expect the oppressed

Uit het citaat waarin ik de safe spaces zag opdoemen, spreekt ongeduld. Beslistheid, misschien beter, over de strategie die Lorde voerde om absolute gelijkheid en erkenning te krijgen. Voor dat legitieme doel, dat in een rechtvaardige samenleving absurd want allang gerealiseerd zou zijn, zocht ze naar medestand, naar coalities van gelijkstemden. Lorde wilde niet langer talmen in eindeloze sessies waar voorlichting nog moest plaatsvinden. Dat zag ze als verspilling van energie, en daarover doet ze dikwijls haar beklag.

Alle aandacht moest gaan naar krachtenbundeling en ‘herdefiniëring’. Haar misschien wel bekendste tekstje The Master’s Tools Will Never Dismantle the Master’s House (1979) fulmineert in één lange adem tegen witte feministes die verkeerd optreden. Sowieso door op officiële samenkomsten zwart ondervertegenwoordigd te laten zijn, maar evengoed door zwarte uitspraken voor het eigen karretje te spannen.

Het hardst haalt Lorde uit naar het witte progressieve icoon Mary Daly, die ze cherry picking verwijt, zonder zich te hebben verdiept in zwarte cultuurgeschiedenis (tja: dankzij Sister Outsider maakte ik kennis met de componist Adolphus Hailstork, en beperkte me tot zijn antiracismehymne American Guernica en zijn strijkkwartetten). Ze zou niet eens hebben gereageerd op een noodbrief die Lorde haar gestuurd had. Dat was onwaar, maar de tijd die Daly ervoor nam overweldigde het ongeduld.

Kennelijk hoorde wit feminisme evengoed tot het huis van de meester dat Lorde wilde ontmantelen. ‘Zwart feminisme is niet wit feminisme in blackface,’ opent ze dan ook een betoog dat verderop even ongenaakbaar weet: ‘Oppressors always expect the oppressed to extend to them the understanding so lacking in themselves’.

Met zulke formuleringen giet Lorde haar compromisloosheid in werpklare keien. Ik heb elders pogen uit te leggen waarom ze mij al te comfortabel klinken bij hedendaagse copy-pasters. Maar Lorde moet zelf de mogelijkheden van deze gave hebben onderkend. De slogan over The Master’s Tools recycleerde ze. Toch is het idee ouder en werd, zelfkritischer, hoogstwaarschijnlijk ook door een man vertolkt: ‘We cannot solve our problems with the same thinking we used when we created them’ (Albert Einstein).

Ik aarzel om hier het begrip ‘inclusief’ van stal te halen, omdat me steeds duisterder is geworden wat het beoogt. Bij Lorde lijkt het in elk geval niet van toepassing. Haar aangrijpende essay Uses of Anger uit 1981, dat culmineert in een niet-pleonastisch pleidooi voor ‘self-empowerment’, veroorzaakt bij een bruikbaar onderscheid simultaan een waterscheiding tussen spelers: ‘Haat is de razernij van hen die onze doelen niet delen, en het oogmerk ervan is dood en vernietiging. Woede is verdriet om de verdraaiingen tussen gelijken, en het oogmerk ervan is vernietiging.’

Mijn observatie is in strijd met de nuance die Lorde wel degelijk wordt toegeschreven. Ze geldt als dé voorouder van het intersectionaliteitsdenken, dat tegenwoordig zo common sense is dat het in april 2018 Van Dale haalde. Lang voordat dit denken in 1989 een naam kreeg, ontwaarde Lorde in zichzelf al een kruispunt van onderdrukkingsfactoren. Markant vind ik dat ze er een hiërarchie in aanbracht met hoofdlettergebruik en vaste volgordes: huidskleur blijkt het belangrijkste discriminatiecriterium, en daarna ex aequo seksuele voorkeur en gender. Dat rijmt met de maatschappelijke hoofdklachten racisme, homofobie en seksisme.

Mij verbaasde dat tussen haar onuitgesproken waardepatronen zich ‘dun’ ophoudt. Niet dat ik die modenorm negeer, maar ging er toen zoveel macht van uit, vergelijkbaar met het WASP-paradigma, waarvan me de toevoeging ‘heteroseksueel’ wel geloofwaardig toeschijnt (ook in april 2018 haalde Van Dale ‘heteronormatief’ binnen)? Even onnavolgbaar vind ik dat Lorde tekeergaat tegen binair denken, in simplistische tegenstellingen dus, én dat situeert in een West-Europese geschiedenis. Die locatie geeft al een simplificatie weer, net als haar spelling in kleine letters.

 

Nobele predikers

Als hoogopgeleide witte cisgender hetero middenklasser van middelbare leeftijd doe ik er verstandig aan mijn mond te houden bij boeken als Sister Outsider die explosief onrecht uitklaren waarvan mijn goed verwarmde studeerkamer geen greintje bagage stoffeert. Ik moet luisteren en leren. Alleen geloof ik daar niet in, terwijl ik nochtans niets wil bagatelliseren of vertragen. Het begrip ‘leren’ tergde me al, samen met ‘waardevol’ en ‘constructief’, in de verklaringen die werden afgelegd bij de vermelde vertaalrel rond Gorman. Voor mij ademen ze een neoliberaal jargon. Ik hoor er ook Mark Rutte in terug, nadat een motie van afkeuring tegen hem was aangenomen: ‘Ik heb de boodschap zeer goed verstaan en neem die ter harte’.

Luisteren en leren associeer ik eveneens, het spijt me zeer, met kolonialisme. De rollen en de kleuren zijn omgedraaid, maar opnieuw is er een partij die het allemaal uitlegt in het belang van een andere partij. Kennisvoorsprong en morele autoriteit zijn de premissen. Vanuit die aannames ben ik getuige geweest van situaties die hilarisch zouden kunnen heten, indien ze niet zo treurig waren. Waarin zwarten en homoseksuelen gevoelens moesten ontkennen die hun met de beste wil van de wereld werden toegeschreven.

Intens treurig wordt het als witte mensen zich ermee bemoeien. Met een begrip als ‘microagressie’ (aan Van Dale toegevoegd in oktober 2016) dat nog onvatbaarder is. Niet voor de beschadigden uiteraard, maar voor de sprekers-daders die pas schuld zien nadat ze voorwerp zijn geworden in intentieprocessen.

Maar ik kan verhalen van pijn en vernedering niet opzijzetten. Er is blijkbaar nu pas ruimte voor, wat even verbijsterend als beschamend is. Gediscrimineerden leggen eindelijk de kleurenblindheid af die ze tegen beter weten in hadden aangenomen. In die zin lijkt me de moord op George Floyd toch iets beslissends geweest, een zogeheten kantelpunt. Daarvóór liet de recente mediageschiedenis andere groepen aan het woord. Er was eerst #MeToo, daarna kwamen de klimaatbetogingen.

Mijn held Stanley Menzo deelt zijn wedervaren, er was al een luchtiger roman als Onder de Paramariboom van Johan Fretz die zich tegelijk ironisch uitliet over een literair-culturele wereld van ‘witte mensen die tegen uitsluiting en racisme zijn. Dat laten ze weten in opinieartikelen voor de landelijke kranten en je ziet ze erover discussiëren in praatprogramma’s. Daar keren ze zich fel en beschaafd tegen onderbuikgevoelens, de groeiende verwijdering tussen zwart en wit. Nobele predikers van de diversiteit’.

Wat dan te doen? Het woord voeren over of namens anders gekleurden gaat niet, terwijl voor mij ‘solidariteit’ iets betekent wat ik mis in ‘verbinding’: ik wens op te komen tegen ongelijkheid zonder nieuwe onrechtvaardigheden binnen te laten. Daarom sta ik ambivalent tegenover ‘dekoloniseren’, grootgebracht als ik ben in een kruistocht van het postmodernisme tegen essentialismen. Bij literair angehauchte initiatieven zoals de Lezeres des Vaderlands of Fix dit, die belangen van louter vrouwen behartigen, is zulk basaal weerwerk tegen universalisme makkelijk in stelling te brengen, maar bij kleur zou dat hovaardig zijn.

Ik kan natuurlijk ‘het eigen geprivilegieerde perspectief mee in beschouwing nemen’. Welke persoon bezit echter over de daartoe benodigde elastische, buiten zichzelf tredende hersenen? Hoe kan ik tot dan eigenlijk geen gemeenplaatsen debiteren? Wie durft met droge ogen aanbevelingen te doen als ‘zichzelf in vraag stellen’, vanuit de studeerkamer of met een geheven Facebookduimpje?

Wel snap ik nu alsnog wat ‘intellectueel oneerlijk’ betekent, het vlaamsisme dat voor mij op dezelfde hoogte is geraakt als de witte bewering ‘Ik ben een racist’. Mogelijk waar, maar vooralsnog even onbetrouwbaar, gratuit, hooguit spelend met de retoriek van deze tijd – en getuigend van een bedenkelijk narcisme.

Vanuit mijn solidariteitswens raak ik nog altijd geëmotioneerd bij de herinnering aan de televisie die op een zomeravond in 1991 historische beelden van Lenin liet zien (de naam Sint-Petersburg werd in ere hersteld). Ik kan me ook identificeren met de tranen die zijn vergoten door mensen die dezelfde huidskleur hebben als ik toen ze, blijkens een verslag van Karin Amatmoekrim, vorig jaar aanwezig waren bij het Black Lives Matter-protest op de Dam.

Toch had ik gelezen dat dit vocht niet in de haak is. Witte tranen verwijzen naar ‘het centraal stellen van gevoelens van witte mensen in discussies over racisme’.

 

Vooral

Er zit niets anders op dan Sister Outsider te lezen met een vertroebelde blik. Ze komt van gaande een leven aangeslibde ideologische vooronderstellingen, maar ook van dagdagelijks taalmaniakalisme. Prompt krijgt de kopregel in de achterflaptekst van het Nederlandse boek voor mij iets onwezenlijks: ‘Sister Outsider is de viering van een belangrijke en invloedrijke stem uit de twintigste eeuw’. Wat doet die viering daar? Hoor ik niet het zoveelste amerikaanslatijnsisme? In dit geval celebration?

Dus lees ik de inleiding van Sister Outsider evengoed met een gekleurde bril. Anousha Nzume vertelt dat ze het boek voor het eerst las in 1987, zeer vroeg dus, en dat het voor haar een ‘bijbel’ werd. Is Lorde dan een god(in)? Hier heeft Nzume een ander woord voor:


‘Het is zo’n ongelofelijk privilege dat ik met deze zuster aan mijn zijde heb mogen opgroeien, volwassen ben geworden, moeder ben geworden, zelfs samen hopelijk oud mag worden. En nu in de taal die ik, ondanks alles, zo liefheb.’


Ook haar collegas bij Dipsaus betitelt Nzume als ‘zusters’. Opnieuw overvalt me de sensatie een amerikaanslatijnsime te lezen (waarover Lorde zelf beweerde: ‘There is a pretense to a homogenity of experience covered by the word sisterhood that does not in fact exist’). Daarnaast springt dat woord ‘privilege’ in het oog. Het wordt tegenwoordig uiteraard veel gebruikt, maar bij mijn weten nog niet in de gelukzalige betekenis die Nzume er hier aan hecht en waarvoor het Nederlands ooit het fletse ‘voorrecht’ had.

Zelf kan ik iedereen Lordes essaybundel aanbevelen. Nzume doet dat ook, zij het anders:

 

‘Ik hoop dat elke zwarte vrouw, elke feminist en vooral elke bruine en zwarte queer vrouw, elke vrouw met een beperking, elke transvrouw die dit boek leest, het voor altijd bij zich houdt en ook een exemplaar kan geven aan drie (of vier) andere zusters. Lezend en herlezend is het duidelijk: sinds 1974 [1984?] is er niet genoeg veranderd.’

 

De inleidster belooft zogeheten inclusiviteit, maar mannen blijven verzwegen en sowieso ontstaat er een tegenstrijdig effect door alle benoemingen in subgroepen, en helemaal door haar toevoeging ‘vooral’. Maar ik heb al vaker mijn indruk geuit dat Nederland zich sinds ongeveer een lustrum in een semantisch mijnenveld bevindt waardoor, bij een toch al tanende taalbeheersing, mensen angst krijgen verkeerde woorden te gebruiken en ongewild anderen te beledigen.

Gelukkig bestaan er allerlei aanbevelingen hoe kwetsuren te voorkomen. Ik moet bekennen er, als enigszins ervaren taalgebruiker voor wie de revolutie het liefst gisteren al mag beginnen, niet altijd even makkelijk mijn weg in te vinden. Dan pak ik de pragmatisch oplossing en deel beweringen met derden (van collega-schrijvers tot en met studenten).

Maf is dan te snappen dat Nzume een ravage aanricht met haar aanduiding ‘transvrouw’. Omdat daarin geen spatie staat, zou ze volgens de theorie haar object ‘dehumaniseren’ (deze zekerheid is overgenomen in een recente taalbrochure). Ik sta erbij en kijk ernaar. Niet uit een verlangen ‘lekker puh’ te roepen of Bijbelplaatsen op te delven over de zonde en de steen. In Nzumes onbedoelde verschrijving vind ik juist troost. En steun voor de overtuiging dat open gesprekken beter werken dan schandpaliseringen.

Ondertussen is het inzake Audre Lorde wachten op vertaalde meesterproeven in een genre waarmee ze haar naam vestigde: poëzie!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten