woensdag 17 juni 2020

Break The Canon?





Bij een segment uit een millennialgeneratie Nederlandstalige schrijvers zie ik steeds vaker de naam van de Amerikaanse schrijfster Audre Lorde (1934-1992) opduiken. Ook buiten ons taalgebied heeft zij in een niche recent faam verworven, samen met Kimberlé Crenshaw en Angela Davis, als ‘icoon’ van onverzettelijkheid tegenover raciaal onrecht.
Aangekondigd bij een mainstream uitgever wordt een vertaling van Sister Outsider, Lordes bundel essays en toespraken. Grappig, want dat boek bestond al in het Nederlands. Samen met nog twee Lorde-titels verscheen het in 1985 bij de feministische uitgeverij Sara, onder de titel Oog in oog. Dat huis had het jaar tevoren Alledaags racisme van Philomena Essed gebracht, toen omstreden, heden evenzeer een inspiratiebron. Kennelijk was Lorde haar tijd vooruit. Wel begonnen in dat decennium millennials op de wereld te komen.
Van de huidige vertaling luidt het selling point‘Een baanbrekend boek voor de ontwikkeling van het hedendaagse feminisme. In tijden van Donald Trump en Thierry Baudet is haar werk uiterst relevant.’ Deze aanprijzing dateert van vóór de afgrijselijke moorden in de Verenigde Staten, die de Lage Landen evenzeer bereikten als een soort nawee van de eerste coronagolf. Een recenter artikel acht Lordes werk dan ook ‘verplichte lectuur voor wie de woede na de dood van George Floyd wil begrijpen’. 
Een laatste notitie vooraf is dat de oorspronkelijke vertaling Oog in oog was vernoemd naar een Lorde-essay, als pars pro toto, terwijl het komende boek de overkoepelende titel Sister Outsider ongewijzigd heeft overgenomen. Dat past bij de internationale oriëntatie van millennials, die nooit een tijd beleefd hebben waarin er geen internet bestond.
Dit klinkt allemaal erg ouwelijk van mijn kant, terwijl ik juist de puber in mij voel. Een drang kennis te nemen strijdt tegen een verlangen om niet mee te weten. Eerstgenoemde bleek de bovenliggende partij toen ik besloot Sister Outsider in de oorspronkelijke taal te gaan lezen. Ik kon een exemplaar bemachtigen uit een bibliotheek voor kunststudenten.
Op het omslag kleefde een sticker, met de cirkelvormige tekst BREAK THE CANON. Dit internationale initiatief trekt de belachelijke ongelijkheid op de wereld door naar kansen op publicatie en verzamelt titels van feministische, zwarte en niet-heteroseksuele auteurs. Nazicht leerde dat #breakthecanon, dus met hashtag, een trefwoord was in de online catalogus. Het leverde 98 titels op, bijna louter in het Engels, evengoed wanneer er een vertaling beschikbaar is. Benieuwd wat Lorde hiervan had gevonden, die zelf een bibliotheekopleiding genoot.

Op de sticker is de hashtag vervangen door een logo van een ouroboros. Symbolischer en oerouder kan het niet voor wie een canon wil betwisten. Voor de slang die in zijn staart bijt, bestaat er in het Nederlands een zegswijze: wat de boer niet kent, dat eet hij niet. Louter het verondersteld eigene en daarna moreel goedgekeurde zou voor de canon in aanmerking komen. Deze selectie zorgt niet alleen voor een waterscheiding tussen goed en slecht, maar ook tussen wij en zij, en zou ontsproten zijn aan een patriarchaal brein.
Zo’n ouroborous-beeld lijkt Lorde als gegoten te zitten. Het ‘binair denken’ van goed versus slecht is volgens haar een westerse hebbelijkheid. In Sister Outsider presenteert ze zich bovendien met de grootste vanzelfsprekendheid als feministisch, zwart en lesbisch (waarbij ze alleen Black met een hoofdletter spelt). Zo noemt zij categorieën die buiten de canon gehouden zouden zijn. Gold dit fenomeen als constructie waarmee het beste slechts relatief kon schitteren in non-stopontwikkeling, ongeveer sinds de jaren tachtig kwam er aandacht voor het geweld van impliciete uitsluiting dat ideologische onwelgevalligheden het zwijgen oplegde. Daarbij werd ‘de canon’ een essentialistisch idee, net als een ‘european-american’ en een ‘judean-christian’ overlevering.
Bevreemdend vind ik als schrijver en lezer te zijn opgegroeid met het poststructuralisme dat zowel de relativiteit als het geweld van een canon blootlegde, maar telkens moest horen dat mijn tekstuele strategieën die, vanuit een literair-politieke traditie, chaos in die schijnorde wilden aanrichten, passé waren. Om een begrip als ‘ontregeling’ werd op een gegeven moment gewoon gelachen.
Plots blijkt het breekijzer te worden gewaardeerd! De vraag is dan of een anti-canonsticker daaraan bijdraagt of dat er kennis bij wordt verondersteld die misschien afwezig is. In het laatste geval zou er helemaal niets veranderen. Bij raciale kwesties is het probleem lang geweest, zei bijvoorbeeld James Baldwin, dat de apathie van potentiële medestanders te verklaren viel uit het feit dat ze niet op de hoogte waren.
Jongeren die anti zijn, moeten het afzetpunt kennen. Anders behelst nieuwe kennis geen informatie maar indoctrinatie. Ik besef dat deze stelling verdacht klinkt uit mijn mond. Integraal voldoe ik nu eenmaal aan de fameuze criteria van ‘de’ canon: man, westers, wit, heteroseksueel. Zij zouden de machtsverhoudingen bepalen en bestendigen.
Toch meen ik juist hier steun te vinden bij de uit West-Indische ouders geboren Audre Lorde, als ze, soms met een directe verwijzing naar Nineteen Eighty-four van George Orwell, ‘Doublethink’ bij blanke landgenoten diagnosticeert. Zij kunnen bijvoorbeeld beweren geen onderscheid te maken tussen wit en zwart, zegt ze, maar doen dat in theorie en praktijk wel tussen man en vrouw. Dit is niet eens hypocrisie of zo, maar domweg een spagaat waarvan men zich niet bewust lijkt. Over de Amerikaanse overval op het eiland Grenada, waar haar moeder geboren was, is Lordes opsomming van Pentagon-uitlatingen als ‘Not an invasion, a rescue mission’ wellicht inzichtelijker. ‘Doublethink’ geldt gemakshalve immers altijd de ander, liefst abstract en zo ver mogelijk verwijderd.
Normaliter wordt er tegenwoordig aan Orwells dystopische roman gerefereerd door rechts. Met name de abjecte staatstaal Newspeak vormt dan een parallel om elk idealisme te ridiculiseren als totalitaire kitsch. Jongeren die Lorde beschouwen als anti-canon zonder primaire kennis van waarmee ze breakt, zijn gedoemd zich te verliezen in het uitoefenen van steekwoordenpressie.
Sister Outsider leent zich daar uitstekend voor. Vooral de redevoeringen vertonen een soevereine stijl, met gevoel voor aforismen. Bijvoorbeeld dit zinnetje, dat heden Facebook- en opiniewaardig oogt: ‘The Master’s Tools Will Never Dismantle the Master’s House’. Of, met een bewuste cursivering van een zinsnede uit die tekst: ‘survival is not an academic skill’. Zulke citaten dienen naadloos de even grimmige als triomfale stemming die momenteel onder een niche van witte maatschappijcritici heerst.
Haar taal van vier decennia geleden maakt hedendaagse pertinenties in precies dat register ongewild hol. In Lordes tijd was lesbisch-zijn ook amper geaccepteerd, en blijkbaar al helemaal niet in zwarte milieus. Met recht kon ze zich storten op ‘reclaiming’ van een gezamenlijke geschiedenis, liefde, werk en taal. Of ageren tegen ‘varied tools of patriarchy’. Daarbij konden die onderdrukkers, om een nogal cruciaal misverstand te voorkomen, van elke sekse en huidskleur zijn.
Voor mij ingewikkeld, maar als woordalcoholist ook fascinerend, is dat er een begrippenapparaat bij hoort dat nu rechtstreeks uit Amerika, provincie Cultural Studies, wordt geïmporteerd. Het land dat ooit vermaledijd was wegens zijn perverse kapitalisme dat oorlogen rechtvaardigde! En het land dat McCarthyisme faciliteerde, waarbij andersdenkenden, bepaald niet de geringsten op artistiek vlak, in naam van ideologische zuiverheid werden uitgesloten – de enige link die ik zie met taalimperialisme dat een jargon heeft aangericht van ‘dekoloniseren’ over ‘tokenisme’ naar ‘objectiveren’.
Even zo duizelingwekkend is de terminologie bij genderidentiteiten. Ook daarvan hebben jongeren aanduidingen paraat. Tegelijk ontbreekt er iets, wat me zorgen baart. Tweemaal heb ik, als witte leraar voor een nagenoeg witte klas, het schitterende The Fire Next Time van Baldwin behandeld. Ik gebruikte de oude vertaling van Oscar Timmers, inclusief het zogeheten N-woord, om het huidige debat te kunnen binnenhalen, mede dankzij een uiteenzetting van Neske Beks. Geen spectaculaire nieuwe stof in de klas. Alleen bleef het door Baldwin in zijn betoog verweven begrip ‘integratie’ duister voor het studentenpubliek, net als ‘assimilatie’ en ‘segregatie’. Omdat het eerder lees- dan spreektermen zijn?
Herhaalde onderzoeken in Nederland en België naar taalvaardigheid laten groeiende problemen zien onder aankomende generaties studenten. Ze hebben moeite met lezen, wat bijdehand samengevat is dat ‘een steeds groter deel van de jongeren hun lectuur beperken [sic] tot de ondertitels van Netflix’. Bij de verbluffende kennis van ideologische steekwoorden neemt hun woordenschat af, ze vertonen een geringer besef van registers, en telkens blijken er problemen met betrekkelijke en aanwijzende voornaamwoorden en zelfs met lidwoorden (veel studenten schrijven consequent ‘de essay’).
Mijn langetermijnprognose voor het Nederlands: al die OldSpeak-verbindingsstukjes in een zin zullen wegvallen, zodat louter substantieven, adjectieven en werkwoorden overblijven. Dan hebben we wel degelijk Newspeak die ideologisch, zoals Orwell cultuursomberde, door haar wokeness taal niet alleen in goed en fout opdeelt, maar ook schrapt wat niet meer in de kraam te pas komt. Over binair denken gesproken.
Lorde streed tegen dit antagonisme onder meer met het prachtige begrip heterocetera, dat even vermoeid als gedesillusioneerd al het verondersteld andere op één hoop gooit – voor ingewijden en gelijkgezinden. Het woord werd recent opgepikt door een zwarte musicus die het zo uitlegde: ‘Any time an oppressed person is being addressed by their oppressor and don't want to hear it, that's the word that comes to mind. As nice as I think I am, I'm always going to say fuck you. I have to say it once a week.
Lezers van witte literatuur kennen een soortgelijk procedé. Aan het begin van The Catcher in the Rye fulmineert Holden tegen ‘all that David Copperfield kind of crap’. Wie deze vergelijking heiligschennis vindt, verwijs ik door naar het vernieuwde AfricaMuseum, waar Lordes Sister Outsider in één zaaltje is geordend bij White Innocence van Gloria Wekker, tussen wier onderzoeksgebieden letterlijk zeeën liggen. Zo’n opstelling past zowel bij de cultuurindustriële lijstjes met de tien beste dingen die men op enigerlei gebied moet kennen als bij de apartheid waaraan een website de naam Wit Huiswerk heeft verleend.
Na een tijdje begint het te frapperen dat er altijd dezelfde auteursnamen worden genoemd, als het ware tot de goede zijde veroordeeld. En dat er maar sporadisch dichters tussen zitten – van welk schrijverstype er toch het meest op aarde zijn. Regelrechte canonvorming! Hopelijk is het leerzaam om historische parallellen te trekken voor gradaties van uitsluiting, die in de klassieke canon nog impliciet was. Katholieken hadden tot 1966 de Index die aan negatieve discriminatie deed. Van nazi’s is hun gefavoriseerde kunst goeddeels in de vergeetpunt beland, anders dan Entartete Kunst die ze negatief discrimineerden.
Break The Canon dunkt me met oneindig rechtvaardiger motieven louter een vorm van positieve discriminatie. Toch zit er een paradoxaal trekje aan dit project dat zichzelf kwalificeert als ‘self-reflexive’. Het verlangt naar meer diversiteit en zet daartoe veralgemeniseringen in. Wie auteurs in Break The Canon opneemt op basis van geslacht, huidskleur en seksuele voorkeur bundelt geen individuen maar gehomogeniseerde groepen – en geeft zich over aan ‘dehumaniseren’. En wie vervolgens kennis uitsluitend ontleent aan deze boeken, kan met de beste wil van de wereld niet ‘kritisch’ genoemd worden.
Wel denk ik de haast te herkennen, waarvan dit project getuigt. Met name antiracisten kunnen zich, in mijn perceptie, terecht kanten tegen elke seconde die verloren gaat aan onrechtvaardigheid. Punt is alleen dat racisme, zoals sinds de moorden in Amerika steeds wordt benadrukt, een wit probleem is. Ik vrees dat dit ook opgaat voor de gebezigde protesttaal, die de wereld opdeelt in slachtoffers en daders, evenzeer gedaanten van ‘wij’ en ‘zij’. Die etikettentaal blijkt opzettelijk in stelling gebracht te worden door witte bondgenoten die hun ‘paradigmawisseling’ al hebben doorgemaakt en zich nu onbedaarlijk voor de goede zaak inzetten. Begeesterd door de ijver van zeloten jagen ze met karikaturen andere witten op, die medestanders hadden kunnen worden.

Chokri Ben Chikha noemde stereotypen treffend waarheden die hun geduld hebben verloren. Om kwalijke praktijken van de klassieke canon te ontmaskeren moeten er bovendien intentieprocessen komen. Machtsmisbruik wordt dan gepareerd met machtsontplooiing. Dat kan niet anders. ‘We have internal desires but outside controls’, wist Audre Lorde ten overvloede. Toch heeft ze ook bekend dat ze geen aanspraak maakt op morele autoriteit maar woede uitspreekt, en dat hetgeen in haar stem klinkt geen suffering is maar razernij.
Inzichtelijk voor mij was haar uitleg over het verschil tussen pain en suffering. Het eerste betreft iets tijdelijks, een ervaring die je kunt benoemen en ten goede hergebruiken. Maar suffering is bij Lorde nachtmerrieachtig, een gedurige diffuse pijn, een trauma misschien waaraan niet valt te ontsnappen. Een anekdote, waar ze meermaals naar terugkeert, is een belevenis als vijfjarige in de metro naar Harlem. Daar maakt een witte vrouw in een dure jas veel ruimte naast haar op een bankje. Eerst denkt de jonge Audre dat er een kakkerlak op het bankje zit, tot ze beseft dat de vrouw geen enkel contact met haar wil maken. Volgens het meisje spuwen de ogen van de witte vrouw haat, en staan haar neusgaten open van woede.
De dichteres kaatst deze ervaring in haar werk, waarbij witte lezers de onderliggende positie kunnen innemen. Het is waarschijnlijk een misplaatste vraag mijnerzijds, maar zitten zulke rollen ook niet besloten in teksten uit de klassieke canon? Verhalen pakweg Griekse tragedies al niet van trauma’s die weigeren te louteren, waardoor een wij-zij-onderscheid irrelevant wordt?
Dat ik vermoed een misplaatste vraag te lanceren, komt doordat ik Lordes suffering toe-eigen in een traditie die ze zelf niet erkent. Op grond van haar eigen distinctieven (feministe, zwart, lesbisch) zou ze veeleer voldoen aan intersectionaliteit. Precies zo is ze in 2002 door Gloria Wekker gepresenteerd in haar oratie, die begint met een Lorde-citaat:

Strong women
know the taste
of their own hatred
I must always be
building nests
in a windy place

Hiermee legde Wekker destijds in de Lage Landen een concept uit, dat een kruising is van ‘gender, etniciteit, klasse en seksualiteit’ waarmee identiteiten, en helaas vooral hun beknotting, exacter zouden kunnen worden beschreven. Het duurde nog jaren voordat intersectionaliteit in ons taalgebied aansloeg. Ook kwam in de praktijk het linkse paradepaardje klasse er bekaaid van af. Inmiddels laat de coronacrisis helaas doorschemeren dat dit een voorbarige reductie was.
Het is van een schitterende ironie dat Wekker ook de titel van haar oratie, Nesten bouwen op een winderige plek, aan het Lorde-gedicht ontleende. Althans, in de wetenschap dat in de Nederlandse literatuur de canon vooralsnog opent met een verwant beeld: 'Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu'. Dit maakt voor mij het paternalisme van die canon niet minder onbetamelijk, maar ik snap evenmin waarom maternalisme er de oplossing voor zou moeten zijn.
De sticker van Break The Canon doet mij ook te sterk denken aan een stigma. En dat gun ik niemand. Slechts universalisme kan volgens mij helen. Misschien had de dichteres pech dat zelfs de titel Sister Outsider haar al tot symbool degradeerde. En dan te weten dat haar werk door vlijmende kritiek, niet het minst op witte feministen bij wie ze zich minder een kennisbron voelde dan een vergaarbak van citaten, in het teken staat van inclusiviteit. Wie de ene hegemonie echter inruilt voor een andere, laat de slang nogmaals in zijn staart bijten.
Please, practice what you preach en belemmer niet langer broodnodige veranderingen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten