vrijdag 25 maart 2016

Pauzemomentje



Bij een boterham en een bordje vitaminenpap (om de overheersende smaak van de failed state te neutraliseren) lees ik op een Nederlandse nieuwsopiniesite: ‘Belgische politie geeft toe: epic fail bij zoektocht naar Salah Abdeslam. “Geen sprake van opzet”’ Als illustratie is een deel van het omslag gebruikt van Het verdriet van België.

Natuurlijk komt dit na het nieuws van het rituele ontslagaanbod door de federaal minister van Binnenlandse Zaken, dat door de premier niet werd aanvaard, wat de zondebok zelf verklaard had in termen van verantwoordelijkheid: In een oorlogssituatie kun je het terrein beter niet verlaten.

De website van The New York Times presenteert momenteel centraal een reportage over Brussel, waarin de dienstdoende getuigen op een of andere manier allemaal student zijn en de wettelijk volwassen leeftijd van 21 jaar niet hebben bereikt. Daarnaast is er een vrouw van 32 ‘who is of Moroccan origin and has three children but declined to give her last name for fear of reprisals’. En een man van 73 die demonstratief zijn boodschappen op de markt van Molenbeek blijft doen: ‘If Donald Trump calls us a hell hole, I feel proud.’ Zijn voornaam zou Leiven zijn.

Woon ik in dit land? En mijn kinderen? En hun vriendjes en vriendinnetjes? Waarom komen al die wereldwijsheden vandaan?

‘Voor onze naastenliefde gaan wij over lijken.’ Dat staat in een andere tekst waar Hugo Claus zijn naam aan verbond, Reconstructie, een moraliteit.

donderdag 24 maart 2016

Nietzien




Naar verluidt zijn de laatste uren in ijltempo gegaan, maar zou Johan Cruyff zich nog hebben uitgelaten over de aanslagen in Brussel? Had hij ze als ‘logisch’ kunnen bestempelen?

Een sportkenner heeft al berekend dat het legendarische rugnummer 14 de som is van de afzonderlijke cijfers in de definitieve leeftijd 68. Dat laatste getal geeft bij velen andere associaties, en het feit dat JC niet op Goede Vrijdag maar op Witte Donderdag het tijdelijke voor het eeuwige heeft verwisseld, zal allicht ook wat commentaar losmaken.

Mij schiet slechts te binnen dat zijn neutrale gelaatsuitdrukking een toets had die niet anders dan vriendelijk kan heten. En dat mij geen foto’s van hem voor de geest staan, waarop hij een zweem van ongeschorenheid vertoont (i.t.t. tot de vermeende voorganger, die altijd zoon is gebleven).

Wie geen woorden heeft, kan altijd nog beschrijven.

De ongelooflijke film Son of Saul houdt de camera bijvoorbeeld bij één personage. Dat geeft een betrokken standpunt, geen overzicht. Er is gerept van een ‘sensimotorische beproeving’ voor de kijker. Een ander gevolg is dat 107 minuten lang gebeurtenissen op enige afstand van het personage vaag worden, inclusief de geluiden die ze verwekken.

In het begin ziet de kijker de hoofdpersoon terwijl op de achtergrond gehijg klinkt. Seks? Het kan evengoed een worsteling zijn. Het enige wat op een gegeven moment zichtbaar wordt, is dat, na nadering van Duitse troepen, twee gestalten uit een soort kuil kruipen.

Het camerastandpunt heeft iets discreets in een film die expliciet is. De vele naakte lijken ziet de kijker nooit scherp. Behalve eentje, van een jongen die de gaskamer heeft overleefd en dan door een dokter wordt verstikt.

Ondanks andere prangende zaken voor hem en voor zijn mede-Kapo’s, wil de hoofdpersoon deze jongen op traditionele wijze begraven.

Het meest aangrijpende voorbeeld van een discrete camera zit aan het slot. Dan lijkt het onmogelijke gebeurd: de Kapo’s zijn het kamp ontvlucht. Ze rusten even in een houten barak. Als enige van het gezelschap ziet de hoofdpersoon, die de hele film een effen blik vertoond heeft, een jongetje voor de ingang verschijnen.

Voor het eerst lacht hij.

Dan breekt de camera met het vertrouwde perspectief en begint het jongetje te volgen. Deze rent weg en wordt gesnapt door een Duitse patrouille die zijn juist genomen pad inslaat. Maar de kijker gaat het jongetje achterna dat verder de andere kant op rent – en de kijker en het jongetje horen schoten.

Nu worden de Kapo’s dus afgemaakt, maar ook dat blijft onzichtbaar. Is dit wel discreet? Of efficiënt? Of onverschillig?

zaterdag 19 maart 2016

Schapen en herdershonden


Er zit iets treurigs in het detail dat elke tekst afstevent op een slotzin, een laatste woord. Als maaksel van een sterfelijk wezen moet het dat punt kunnen ontwijken. Daarom zal heel wat literatuur cyclisch zijn opgezet, bij wijze van haalbaar compromis: oké, we hebben het einde bereikt maar daarmee kunnen we meteen bij het begin beginnen.

Mij schiet dit floddertje mede te binnen na een vorsende blik op leesaantekeningen. Bijna alle heb ik in de steek gelaten. Een notitie van ongewisse datum gaat over de essaybundel Genieten voor miljoenen. Over populaire cultuur van Carel Peeters. Ik begrijp dat de uitkomst van zijn boek, dat mij heeft geamuseerd, daadwerkelijk op de slotpagina staat. Thans leven we in een ‘hysterische monocultuur. Een religie met één afgod’. Volgens de wetten van de goede smaak mag de lezer dan zelf de naam van die religie invullen: de vrije markt.

Waarom ben ik hier niet op doorgegaan? Vermoedelijk omdat die diagnose me even evident leek als het negatief ervan: voor wie wil, bestaan er meer culturen, waarheden, gedragslijnen, enz.

Een andere reden voor mijn onbepaalde pauze lijkt een citaat dat ik uit Peeters gevist had: ‘De remake is de populairste vorm van bedrijvigheid’. Ik vrees dat ik zo de pot de ketel wou laten verwijten, omdat Genieten voor miljoenen  – opgetrokken rond gebruiksvoorwerpen, kledingstukken e.d. – me vooral ingaf hoe geweldig Roland Barthes’ Mythologieën toch zijn.

Peeters’ klacht over de huidige maatschappij luidt dat ze op het verkeerde been is gezet door democratiseringstendensen in de jaren zestig en zeventig. Nepgelijkheid, commodificatie,… Maar waarschijnlijk is een reden waarom ik ‘de jaren zeventig’ onderzoek, mijn ongeloof in het idee dat een bepaalde tijd uniform beleefd is en uniforme gevolgen heeft. Er is terecht opgemerkt dat Engeland, dé wereldmacht van de negentiende eeuw, nauwelijks iets gevoeld heeft van twee nabije, allerminst geruisloze revoluties in 1789 en 1848.

Ook de cultuurkritiek doet volgens Peeters mee aan de vervlakking. Hij laakt de gevolgen van opgelegde creativiteit:
 
‘Kritiek is instemming geworden, verschillen zijn overeenkomsten. De superieure gedachte van Nietzsche dat men altijd wantrouwend moet staan tegenover al te veel instemming, is nog nooit zo afwezig geweest. De wereld bestaat uit kudden schapen die door de herdershonden van de commercie de gewenste kant op worden gedreven.’

De suggestie is onontkoombaar dat Peeters daar de uitzondering op is. Maar alleen al het citaat wasemt clichés en verraadt een wereldbeeld dat ik liever niet uit wil schrijven. Al was het omdat ik vermoed dat dan de container ‘humanistisch’ aan komt denderen, zoals alleen al afgelopen week een anti-vluchtelingenpartij zich de term ‘alternatief’ heeft toegeëigend, een politicus die voortdurend in het nieuws is kan beweren dat hij ‘monddood’ wordt gemaakt en de EU in naam van beschaving een akkoord sluit met een staat waar precies die vrijheid van meningsuiting een lachertje is.

Wat een überrealisme! Dokter, lijd ik echt aan de angst voor het einde?

donderdag 10 maart 2016

Stempelen tot onwaarheid


Eén van de leukste spelletjes die ik ken, is het woordenboekspel. Deelnemers schrijven ieder voor zich een definitie bij hetzelfde lemma uit Van Dale dat hun onbekend is. Voor het eerst deed ik dat als puber in een huiskamer vol mensen van wie ik vermoedde dat ze gestudeerd hadden. Mij staat bij dat ik me met schrandere zinswendingen wilde bewijzen en gaande de avond steeds vaker gehinderd werd door de slappe lach.

Het spel vormt de opening van Het nieuwe verdwijnwoordenboek van Ton den Boon, onder de naam verdwijnwoordenspel. Mij bekroop weemoed, die wegvloeide bij de kennisname van de lemma’s. De meerderheid ervan komt voort uit de betere klassen en suggereert een dubbele moraal.

Over hun onderbuikgevoelens, met talloze termen rond prostitutie en geilheid, uiteraard minachtend. Over hun minnaressen (later ‘hulpverloofden’ geheten) die ze ‘mainteneerden’, en bij wie zich een heel huisvestings- en financieringsgamma openbaart. Over hun personeel, dat in een onbeschermd soort loondienst de meest gedetailleerde deelfuncties uitoefende en van wie de vrouwen de vergaarnaam ‘meidengoed’ droegen.

Natuurlijk zijn er eveneens woorden die met andere uitgestorven beroepen te maken hebben, al dan niet wegens de voortschrijdende techniek. De ‘draaischijf’ van een telefoon uit het pre-gsm-tijdperk bijvoorbeeld. Den Boon bundelt logischerwijs ook zeer recente termen, feitelijk eendagsvliegen. Engels uit de computerbranche, die zich de laatste decennia spectaculair ontwikkelde en waarvan telkens de eindtijd voor de menselijke efficiency nabij leek.

Ik zou benieuwd zijn of de naam leppie die Mbark Boussoufa aan een laptop geeft verbreid is en zo ja, in hoeverre deze naam kans maakt op een plaats in een verdwijnwoordenboek van de nabije toekomst. Of dat de aandacht moet verlegd naar grotere eenheden, zegswijzen en grammaticale mallen, zoals in een uitspraak van een voetbalanalyticus over Davy Klaassen: ‘Die jongen heeft voetbalgogme van hier tot Tokio. We hebben het dus over de internationale top.’

Het nieuwe verdwijnwoordenboek serveert soms termen die me zijn bijgebleven uit het werk van J.B. Schuil en Multatuli. ‘Liplap’ bijvoorbeeld, de koloniale versie van ‘bastaard’. Verdwenen omdat we allemaal liplap geworden zijn, zeker na een gruwelijk nazi-intermezzo ten gunste van zogeheten raszuiverheid inclusief Sprachregelung?

woensdag 2 maart 2016

Ratiocinatie



Wat een bizar bericht van het Cubaanse communistische partijorgaan dat de Rolling Stones gaan optreden in Havana. Het paard van Troje, komt dat zien! Gratis nog wel. Handig dat deze pers onder de bijbehorende foto uitduidt hoe die vier mannen van links naar rechts heten.

Echt verbazen doet het bericht natuurlijk ook weer niet. Zoals de koninklijke medaille voor de anti-esthablishmentjournalist toch eventjes op zich liet wachten na zijn ereonderscheiding uit België. Maar zou bij de dooi in de betrekkingen met Cuba, waarschijnlijk voorbereid door Harry Mulisch, het besef doordringen dat die vier arenden van het kapitalisme buiten de foto worden omringd door vele musici die het werk doen? Dat bleek ten overvloede uit een film van een Stones-concert. Voordien kwam senator Hillary langs om haar moeder aan de mannen voor te stellen.

Alles heeft zijn logica, desnoods door een beetje tegen die logica aan te tikken. Van de Duitse kunstenaar Jan Pieter Hammer bestaat een geënsceneerd interview met een CEO. Het serveert het format van persoonlijkheden tegenover elkaar, de een gesticulerend, de ander met peinzende blik, beiden een glaasje water erbij. En de CEO krijgt langzaam wat zweet op de bovenlip, als hij uitlegt dat zijn bonus een daad van anarchisme is, de welvaartstaat het tegendeel van vrijheid en de vrije markt het begin van de heilstaat.

Een verhaal zonder einde, lijkt het, maar het bleek onversneden fictie. De bron was Fernando Pessoa. Hij publiceerde in mei 1922 in het tijdschrift Contemporanea het verhaal ‘De anarchistische bankier’, inderdaad een tweegesprek, om precies te zijn tussen twee vrienden, waarbij de ene de rol van journalist vervult om de motieven scherp te krijgen van de titelheld.

De anarchistische bankier onderscheidt zichzelf nadrukkelijk van anarchisten omdat zij het slechts in theorie zijn, terwijl hij er de praktijk bij neemt. Een anarchist definieert hij als iemand die in opstand komt tegen de onrechtvaardigheid dat door afkomst niet iedereen in sociaal opzicht gelijk is.

Om die reden strijdt hij tegen conventies die ongelijkheid mogelijk maken: gezin, geld, geloof, staat. Dit zijn sociale ficties, die hij perfide acht wegens hun onnatuurlijkheid. Het zuivere anarchisme wil ze niet vervangen – dan komt er een ander systeem – maar afschaffen. De man ziet kansen om dit uit te voeren, alleen niet abrupt.

Verder betoogt hij dat altruïsme en zelfopoffering evenmin natuurlijk zijn. Hij zegt veeleer in superioriteit en ondergeschiktheid iets spontaans en instinctmatigs te proeven. Dan komt hij tot het nietschzeaanse inzicht dat hulp neerkomt op incapabel verklaren: beknotting van de vrijheid of verachting van de te helpen persoon.

Hulp verwekt dus een nieuwe tirannie, die hij onaanvaardbaar vindt voor de onderdrukten. Deze tirannie zou zich voegen bij de bestaande sociale ficties en aldus belemmeren wat ze wenst te bevorderen.

Zodoende is volgens de anarchistische bankier één mogelijkheid onontkoombaar: zich gemeenschappelijk inzetten voor hetzelfde doel, zij het afzonderlijk. Door apart te opereren leert men bovendien meer in zichzelf te vertrouwen, niet op een ander te hoeven steunen en zelfs vrijer te worden.

Met eigen middelen en geloof, verstoken van geestelijke steun, bereidt men zich voor op de toekomst. Het ideaal van de te bestrijden sociale ficties volstaat. Plus directe actie, gericht op de praktijk van het leven. De daad bestaat eruit sociale ficties te overwinnen door ze ondergeschikt te maken, ze te manen tot actieloosheid.

donderdag 25 februari 2016

Totaal onverwacht


Ik erken nog nooit een hele uitzending van het televisieprogramma Jinek te hebben gezien. Wel heb ik weet van een opvatting over journalistiek volgens welke je nooit objectief kunt zijn en daarom beter je subjectiviteit kunt benadrukken. Nu lijkt een fragment uit deze talkshow een nieuw stadium in te luiden.

Het ging over de voormalige CDA-politicus Camiel Eurlings, om wie van allerlei intiems te doen is dat tot op de bodem moet worden onderzocht door bevoegde mensen. Bij Jinek heette hij echter ‘Kamikaze Camiel’. Binnen een kwartier werd zijn doopceel gelicht door een mij onbekende tafelgast die zich presenteerde als dieptepsycholoog van de Haagse stolp.

Wat hij over Eurlings wist te melden in samenspraak met de presentatrice, die soms zelf antwoorden gaf als een expert, overtrof het amerikanisme dat deze politicus scheen aan te kleven.

Eva Jinek zei ten overvloede dat iemand onschuldig is totdat het tegendeel is bewezen en dat ze naar aanleiding van een aangifte een gesprek voerden. Dat noemde ze een ‘reconstructie’, die voortkwam uit praktische beperkingen: Eurlings’ advocaat wilde niets zeggen, Eurlings kon niets zeggen en de aanklaagster was ondergedoken.

Pas uit de toelichting op de website begreep ik wat er scheelde. Over Eurlings stond onder meer te lezen: ‘Camiel zwoor trouw aan de partij, maar toen het slecht ging met het CDA besloot hij totaal onverwachts om te stoppen.’

Wacht even, ‘zwoor’ hij trouw? Hier wordt opgebiecht dat de Jinek-redactie de man een etterbak vindt. Een goed recht, daar niet van. Ik geloof alleen dat hier ook de subjectieve journalistiek rechts gepasseerd wordt. Bevoegde mensen hebben daar wellicht betere woorden voor.

woensdag 17 februari 2016

Asociaal, immoreel en destructief


Kan het beste nog uit me komen nu ik al tijden geen fictie meer consumeer? De theorie is bekend: lezers van fictie bouwen empathische ervaring op, door zich telkens in andere personages in te leven. Bovendien begreep ik uit Het boek en het badwater van Lisa Kuitert dat die scheuten intelligentie, fijngevoeligheid en attentie een even wetenschappelijk bewezen bijeffect hebben. Ze maken van mannen (behalve zij die horror, porno en sciencefiction lezen) betere minnaars. Dit volgens 78% van de ondervraagde Engelse vrouwen, wier partners kennelijk geen boek meenemen in bed.

Voor zover ik nog een incentive nodig had, ried een vriendin me – platonisch – een roman aan waarin fictie mijn begrip van de buitenliteraire werkelijkheid zou vergroten. In Dave Eggers’ De Cirkel boomt een gelijknamig privébedrijf door een ‘ideaal’ na te streven: onbeperkte toegankelijkheid. Door dit ‘beschavingsoffensief’, de Tweede Verlichting genoemd, verbetert de mensheid. In concretere vorm heet dit ideaal transparantie, bewerkstelligd met camera’s en continue rekenschap online van gebeurtenissen en meningen. Exit privacy.

Ik denk te weten waarom de vriendin me deze roman aanried. Ze kent mijn hebbelijkheid om met paard en proppenschieter tegen een elektrische stroomtrein te foeteren. Inzake privacy heeft ze weet van zowel mijn huiver voor Facebook als mijn onbekendheid met het medium dat door meer dan 1 miljard mede-aardbewoners gebruikt wordt. Die ervaringsachterstand kan fictie inhalen. De Cirkel volgt de jonge Mae Holland die het gelijknamige bedrijf relatief blanco binnentreedt. Als lezer leer ik naarstig met haar mee wat delen van alledaagsheden behelst. Tot aan het slot een zogeheten Doemocratie in werking treedt, gebaseerd op volledige participatie. Iedereen kan voortdurend over alles ongefilterd stemmen, waardoor parlementen overbodig lijken.

Een griezelige dwaasheid, maar door de romanvorm valt dat misschien minder op. Het is maar fictie! En Mae overschrijdt haar grenzen geleidelijk. In het begin krijgt ze te horen dat door camera’s misdaad slinkt. En ze bieden bewijsmateriaal. Vervolgens went Mae aan het omgekeerde: ‘Geheimen maken asociaal, immoreel en destructief gedrag mogelijk.’ Ten slotte gelooft ze in het frame dat camera’s haar bevrijden van slechte gewoontes. En dat ze zo haar beste ik bovenhaalt.

Live bij een bedrijfsoptreden heeft ze dan al een credo geformuleerd: ‘Delen is mee-leven’. Dit wordt meteen een van de bedrijfsslogans en lijkt een nogal instrumentele invulling van empathie. Mae is ook getuige van een innovatief plan om van nieuwe mensen antecedenten te verspreiden onder straatbewoners, zodat buurtkinderen bijvoorbeeld gevrijwaard blijven van ooit vertoonde pedofiele neigingen. Wacht, is dat nog fictie?

donderdag 4 februari 2016

Hulp


In haar belangrijke en veelbesproken open brief aan Nederland schrijft verslaggever Nadia Ezzeroili over de speelse bijdehante stem uit mijn jeugd’. Mijn spellingscontrole zet een vermanend golvend lijntje onder ‘bijdehante’, Maar wat is er mis met dat woord?

Ik weet het niet. Een blik op Van Dale leert me evenmin iets.

Door lang naar het woord te staren begin ik het wel enigszins vreemd te vinden. Waarom worden bijvoeglijk naamwoorden als goed en rond, verstoord, onderkoeld wel verbogen als goede en ronde, verstoorde, onderkoelde? Wat is er dus zo bijzonder aan ‘bijdehand’ dat het niet ‘bijdehande’ wordt?

(En waarom denk ik meteen dat ik iets elementairs over het hoofd zie? Ben ik ‘bang dat ik op een gegeven moment ontmaskerd word’? Of dat Het is begonnen nu ik bij reflexmatig gebruik steeds vaker de namen van mijn twee dochters door elkaar haal?)

Het verbaast me dan weer niet dat Ezzeroili voor een brief heeft gekozen om haar punt te maken. Ooit berichtte ik al over de om zich heen grijpende aandrang om verontwaardiging in die vorm te stileren; gisteren besefte ik dat deze neiging een traditie heeft van pakweg Kafka’s Brief aan vader over Het einde van Amerika door Naomi Wolf tot Ta-Nehisi Coates’ Tussen de wereld en mij.

Ezzeroilis betoog, en de consequentie die ze eruit trekt, vertoont een paradox van meer strijdteksten tegen racisme: ze generaliseren dusdanig vanzelfsprekend over daders dat het verwijt een beetje terugslaat (de boemerang van het gelijk). Toch beroert deze open brief mij. Ezzeroili onderscheidt de stem uit haar jeugd van ‘de behoedzame, zakelijke stem die ik gebruik in de buitenwereld’ – die ze verbindt met de hogere blanke middenklasse.

Ik moest denken aan de film Caterina va in città van Paolo Virzi. Over een dertienjarig meisje uit de provincie dat in de grote stad met die klasse in aanraking komt. Zonder uitgesproken eigenschappen laat ze zich meeslepen, maar nooit te veel. Ze komt uit een eenvoudig gezin, waarin een bijna karikaturale vader veel wil maar machteloos fulmineert tegen ‘kliekjes’ die alles beslissen.

Volgens mij speelt deze film in de tijd, vroege jaren tachtig, waarin Cherry Wijdenbosch het liedje ‘De kleine man’ bracht. Daarin ontwaart dezelfde hogere middenklasse gewoonlijk het gedachtegoed van Wilders al. Misschien wel het grootste drama in Ezzeroilis betoog is dat ze verklaart te zijn opgegroeid tussen mensen die denigrerend Tokkies worden genoemd.

Haar solidariteit ligt daar waar ze is afgewezen, niet daar waar ze is binnengehaald. Nadia Ezzeroili heeft naar eigen zeggen een droombaan bij een kwaliteitskrant.

zondag 31 januari 2016

Marginaal

Zo snap ik het weer! Dat dacht ik, toen in De Zondag deelnemers aan Temptation Island werden gemerkt met het woord ‘marginaal’. Ik herinner me althans dit televisieprogramma als wat ranzig; het was de bedoeling dat koppels met behulp van zon, drank en laaghangende badkleding uiteenvielen door overspel.

Bij wie zich daar publiekelijk toe leent, is de waarde van de geliefde én het zelfrespect ongeveer nihil. De camera’s benadrukken dat alles waar niemand iets mee te maken heeft wordt uitverkocht. Dan articuleert ‘marginaal’ het gevoel niets te verliezen te hebben. Het zou onbemiddelde mensen betreffen: amper geld, opleiding, werk. ‘Tegen de bestaansgrens aan’, zegt Van Dale. Ze kunnen gewelddadig zijn. Er bestaat zelfs een overkoepelende term voor: een ‘randgroep’.

De Temptation Island-connotatie draagt een moreel en moralistisch facet in zich mee: smakeloos. Maar ‘marginaal’ kan natuurlijk ook een geuzennaam zijn. Met name in kunst is het een teken van kwaliteit en geloofwaardigheid geweest in het type van de bohème. Een belangenvrije positie aan de rand van de maatschappij verleende niet alleen street credibility, ook het produceren van andersoortig werk deed dat. De mainstream stroomde nooit in de goot.

Tegenwoordig is zo’n visie bij kunst dubbelhartig. Succes van enkelingen hangt zozeer samen met massamedia en kwantificatie, dat marginaliteit het overgrote deel van artiesten treft, ook uit de mainstream. Zich erop beroepen ‘marginaal’ te zijn, dus onzichtbaar en vermoedelijk integer, heeft iets meewarigs. Het lokt een verwijt van zuiverheid die misplaatst is omdat de wereld definitief is veranderd.

Die pragmatische kritiek is bijvoorbeeld in de reeks Barbapapa vervat in het personage van schilder Barbabob. Tussen gladvellige familieleden valt hij op door een ruige vacht. Zijn artistieke marginaliteit wordt bespot in Barbapapa is in vorm. Geïnspireerd door allerhande koekjes belooft Barbabob ‘abstracte kunst’. In de praktijk schept hij geometrische figuren in allerlei kleuren. ‘Dat is mooi, dat is moderne kunst’. Telkens ontdekt hij echter dat die figuren ook in huis voorkomen, en in de natuur en op straat en aan zee en op het voetbalveld. En rusteloos als Barbabob is (‘Alle kunstenaars zijn zo’) wil hij eveneens gaan beeldhouwen, maar zwicht uiteindelijk voor eten.

Zulke betekenissen van ‘marginaal’ lijken te verschuiven. Misschien komt het door de vele vluchtelingen die in Europa het afgelopen jaar zichtbaar zijn geraakt. De morele component in de plots erg relevante term rijmt niet met hun werkelijkheid die de onze te blasé zou maken. Nu klinkt te pas en te onpas ‘marginaal’ op als stopwoordje – net als het bijvoeglijk gebruikte ‘zen’. Wat het mag beduiden is me niet helemaal duidelijk, maar heeft een vanzelfsprekende klank van foutheid.

zondag 24 januari 2016

Bericht tussen de linies

In haar mooie boek Kool! Alles over voetbal haalt Anna Enquist een vriendin aan, volgens wie een zwakke prestatie van Feijenoord te wijten was aan de achternamen van de spelers. De redenering was dat de tegenstander door Heus, Bosz, Maas en Vos te zeer verleid werd tot overrompeling, terwijl alleen al een achterste lijn met Schui-te-man, Bo-a-teng en Zwij-nen-berg moeilijker te kloppen zou zijn.

Het is flauw om achteraf te constateren dat genoemde meerlettergrepige namen niet echt hebben geleid tot betere prestaties. Op Boateng na zijn ze opgeslokt door de geschiedenis, terwijl historische collega’s als Krol en Haan, en heden Vlaar en Kuijt, nog bij velen een bel doet rinkelen. Net als oer-Feijenoorders als Van Ha-ne-gem, Rijs-ber-gen, Is-ra-ël en La-se-roms trouwens.

Toch realiseer ik me dat er over de theorie van Enquists vriendin wat tekstmateriaal is. Dat wijst wel op het tegendeel. Zo legde Victor Klemperer in zijn geweldige Lingua Tertii Imperii (iets krachtiger bekend als LTI) uit dat afkortingen krasse gevolgen hadden bij de nazi’s. Hun zogeheten Lastwagen won eerst aan aantrekkingskracht onder de naam Laster, maar werd pas echt een onverslaanbaar snorrend karretje als LKW.

Ik weet niet of George Orwell die specifieke werkelijkheid kende op het moment dat hij ‘The Principles of Newspeak’ in 1984 uit de doeken deed. Maar ook zijn totalitaire en theoretisch onklopbare regime had die gedrongenheid in haar taal verwerkt: 

‘The words COMMUNIST INTERNATIONAL call up a composite picture of universal human brotherhood, red flags, barricades, Karl Marx, and the Paris Commune. The word COMINTERN, on the other hand, suggests merely a tightly-knit organization and a well-defined body of doctrine. It refers to something almost as easily recognized, and as limited in purpose, as a chair or a table.’

In die Newspeak zag Umberto Eco dan weer een verband met oude nazistische en fascistische schoolboeken, die zich bedienden van een pover lexicon en een basale syntaxis. Daarmee zouden complexe en kritische redeneringen kunnen worden vermeden.

Ik formuleer die gedachte expliciet voorwaardelijk, omdat er inmiddels zoiets is gekomen als Globish. Met die gestripte versie van het Engels, veeleer fungerend als tool dan als taal, communiceren inwoners uit snel opkomende economieën van Brazilië tot India met elkaar en met traditionele kapitalisten.

Mist deze meerderheid van de wereldbevolking per definitie de nuance? Heet Globish dus met recht ‘cafeïnevrij Engels’? Zo geformuleerd lijkt het antwoord ontkennend voordat de vraag uitgegalmd is. En los van ideologische voor- en nadelen, zouden er juist westerse kindjes mee worden gediscrimineerd. Steeds harder klinkt hier immers de roep om Engels op prille leeftijd, opdat het rendement in de survival van ‘het curriculum’ zo groot mogelijk is.

Ook denk ik dat in de niet-metaforische jungle Tarzan en Jane elkaar best aardig begrepen. Een tikkeltje inlevingsvermogen en fantasie volstaan. Eventueel kan na kennisname uit boeken nog het een en ander aangescherpt, maar de ervaring is reeds opgedaan. Onvergetelijk.

Dat weten ook Anna Enquist en haar vriendin, alleen al getuige die boektitel Kool! Opdracht voor de aanvalslinie van Feijenoord: ga buitenom en geef een voorzet door die titel definitief te veranderen van taal en scoor door hem te laten rijmen op tool.

vrijdag 15 januari 2016

De roman van het leven


Wat een fantastisch idee van Hans Goedkoop om een boek te wijden aan een samenkomst op één avond. Iedereen was er. Feest voor Renate Rubinstein heeft alle ingrediënten voor niet minder dan een cultuurgeschiedenis: spraakmakende personages uit kunst en wetenschap en politiek en media, relationele banden en breuken die decennia terug voerden, verschillen en nuances in ideologie anno 1979.

Dit is nu eens wat ‘de elite’ te noemen valt. Er zaten mensen tussen die zich hadden kunnen opwerken, geruggesteund door een veel betere opleiding dan hun ouders. Nog niet maakten hyperrijken met een elastische moraal de dienst uit.

Zelfs dus geen aanleiding voor het zoveelste partijtje bashing.

Ook het verloop van de bewuste avond, die toespraak op toespraak stapelde, speelt een meer dan grandioze stof voor Iedereen was er in de kaart. Voordat Rubinstein voorbij middernacht haar dank voor de verrassing mag uitvouwen, deconstrueert het evenement zichzelf. De laatste van al die briljante, antiburgerlijke en ruimdenkende sprekers merkt namelijk op dat nog geen enkele vrouw aan het woord geweest was.

Zou dit komen omdat die mannen vooral ook zo blank waren, dat Ellen Ombre louter exotisch aanwezig leek te mogen zijn? Ze had moeilijk aan Peter Schat achter de piano de partituur kunnen geven van Millie Jacksons toen al weer zes jaar oude hit ‘It Hurts So Good’.

Ombre lijkt op dat moment slechts de ‘vrouw van’. Effen meldt Goedkoop dat ze voor het eten heeft gezorgd. Op één van de in Iedereen was er afgedrukte foto’s van de samenkomst is ze terug te vinden. Vergis ik me nu of staat haar blik echt strak?

Een buitenkans voor een geweldig boek was bovendien dat verder het personage Norbert Elias geboortelandgewijs niet helemaal in het rijtje paste. Dit is misschien een wat makkelijke constatering om naar het heden door te stappen, maar een ijzingwekkende passage uit Rubinsteins bekendste boek Niets te verliezen en toch bang uit 1978 zou licht op onze niet-aflatende actualiteit kunnen werpen.

woensdag 6 januari 2016

Vlak ernaast


Hoe recent is het verschijnsel dat mensen bij elkaar parallelle universa waarnemen? Ik herinner me striemende debatten over de te verwachten werkelijkheid onder ‘de Amerikanen’ versus die van ‘de Russen’. Weinig later verdween de titel ‘gastarbeiders’ en begon steeds bitser gekibbel over de wereld die zij al dan niet veranderden of verrijkten. Toen werd het ‘de islam’ die diametrale overtuigingen losmaakte.

En steeds denken ‘we’ aan de onberispelijke kant te staan. Zeker weten. Dat kan regelrechte geschiedvervalsing in de hand werken. In zijn bijdrage aan het boek Ontworteld. De schrijver als nomade wijst Ernst van den Hemel erop dat er in ‘de jaren zestig’ wel erg luid het idee van bevrijding werd gelanceerd – de echo’s zijn tot op heden te horen. Maar die zelfverklaarde emancipatie gold per definitie niet voor, bijvoorbeeld, mensen die een geloof beleden en geen individualiseringwaarden aanhingen.

Steeds is er kennelijk een wereld vlak ernaast, waarvan je tegen een ander roept: ‘Zie je dat dan niet?!’ Momenteel gaat, na een volgens sommigen betekenisvolle hiaat, alle aandacht naar nieuwjaarstoestanden in Keulen. De letterlijk aangrenzende uren en dagen ervoor leek Brussel weer het centrum van de westerse wereld, waar het feestvuurwerk voor afgeblazen werd.

De oppervlakte van deze plaats van handeling was eigenlijk nog geringer: de deelgemeente Molenbeek. Niet elke bewoner kon dat rijmen met zijn werkelijkheid. Curieus was dat media, aanrichters van die contrasten, ook die belevingskloven wilden weergeven.

In een wel erg professionele reportage in NRC klaagde ‘een van oorsprong Nederlands-Marokkaanse vrouw (…) over de gebrekkige samenhang in de wijk’. Waarschijnlijk was dat een politica, die het te ideologische begrip ‘saamhorigheid’ had verdrongen. Verderop in de tekst werd opgetekend van een onbevreesde Belgische die met een vriendin een dagje naar Brussel gekomen was: ‘Ik heb wel het gevoel dat de autoriteiten maatregelen nemen.’ Dat gevoel had enige visuele steun van de empirie.

Voor Knack snoof de als ‘ gepresenteerde Montasser AlDe'emeh ‘Jammer dat er geen vuurwerk is. We wisten dat trouwens niet omdat we het nieuws niet hebben gevolgd. We gaan nu terug naar Antwerpen waar er wel vuurwerk zal worden afgeschoten. We voelen die Nieuwjaarssfeer wel, maar niet genoeg. Schrik hebben we niet. We zijn totaal niet bezig met al die dingen’. Dan volgt een onvervalst stukje vrije indirecte rede: ‘Uiteindelijk is het zover! De klok slaat middernacht. Het is nu 1 januari 2016.’ Het maakt de weg vrij voor AlDe'emehs slotcitaat dat ik kinderlijk aangrijpend vind: ‘Moslims en niet-moslims vieren hier samen met elkaar! We zijn allemaal mensen.’

Juist dat inclusieve wij is iets wat ontbreekt of misschien onmogelijk wordt gemaakt door alle non-stop informatie. Het lijkt wel alsof het verlangen naar een ernaast domweg te groot is. Ik associeer dat met zoiets zalig paradoxaals als Duitse popmuziek. Het stomste liedje uit je jeugd heeft het nog vermalen (al waren de Nina & Mike mij onbekend die ‘Paloma Blanca’ vertolkten, laat staan dat ik wist dat James Last zich verdienstelijk vergrepen heeft aan ‘Sweet Lucy’).

Muziek! Wat willen we nog horen? Ongeveer op de helft van zijn verslag van de Spaanse Burgeroorlog vraagt George Orwell zich bij een fascistisch hoornsignaal af of het behoort tot ‘incidenten die misschien te onbelangrijk zijn om opgehaald te worden’: een medestrijder had er een lange neus naar getrokken.

En bij het overlijden van de legendarische manager Robert Stigwood begreep ik pas dat zijn mogelijke annexatie van de Beatles-staf aan Paul McCartney een dreigement in de mond had gegeven. De band zou onder het regime van deze ‘music mogul’, ‘a king of shlock’ louter nog valse versies van ‘God Save The Queen’ opnemen! Is het de farce van de geschiedenis dat dit dreigement tien jaar later alsnog werd voltrokken? De daders heetten toen alleen wel Sex Pistols, overigens onder niet-aflatende aandriften van een andere manager.

dinsdag 29 december 2015

Verpersonificatie


Dat ontwikkelingen niet te stuiten zijn, is wel leuk. Ik besef dat eens te meer nu mijn computer steeds vaker Hildegard von Bingen laat weerklinken. Tegelijk heb ik eindelijk Ibrahim Maalouf in de peiling gekregen en categoriseer hem, met mijn allergie van het etiket ‘wereldmuziek’, toch in het vertrouwde foldertje ‘jazz’.

Ontwikkelingen in taal geven meer ambivalente sensaties. Ik doe bijna wellustig mee met de vraag ‘Is het oké dat…’ Maar al enige tijd worstelen mijn geest, vlees en skelet met iets wat het taalkundig genie geregeld zegt. Misschien als voorbereiding op de meningencarrousel bleek een vast onderdeel in haar vriendenboekjes de invuloefening ‘Ik vind niet leuk’, waarbij een variant voorkwam die ze standaard is gaan gebruiken.

Telkens weet ik niet wat pedagogisch listig is nadat ze heeft beweerd dat ze een ding of een handeling ‘haat’. Ik zeg haar dan ongevraagd maar oprecht dat ik dat werkwoord niet verdraag. Waarschijnlijk rijzen mijn toch al niet uitbundig voorradige haren te berge omdat ik ‘haten’ met personen verbind. Het bestaan, en desnoods het praktiseren, van dat fenomeen kan ik me levendig indenken, maar liever niet op haar prille leeftijd.

Is het iets Belgisch, zoals ‘dixit-attest’ of die oudtestamentische kwalificatie ‘wraakroepend’? Uiteraard kan de uitdrukking evengoed uit het Engels stammen. Dan zou ze vallen in de categorie ‘gaan voor’, die mij even afgrondelijk als onstelpbaar voorkomt. ‘Ik haat zus en zo’ zou zo een letterlijke vertaling zijn van ‘I hate doing this’. In werkelijkheid wordt daar volgens mij iets milders mee bedoeld: ik wil niet, ik ben er niet dol op, ik houd er niet van, enz.

Maar wat klaag ik, wanneer een Tweede Kerstdag het inmiddels toelaat te drinken op een onverwarmd terras. Wanneer in de omgordende periode fietstochten nog kleiner bier zijn, bij schier mediterrane omstandigheden. Dat ik niet alles als studiemateriaal wil zien? En wens dat er nog wat anders dan taal bestaat?

vrijdag 18 december 2015

Priesteres in haar vak?


Ze is niet meer. Ik weet niet of in Nederland Mieke Telkamp nog altijd de meest klinkende zangeres is bij uitvaartplechtigheden, maar redelijkerwijs had zij dat mogen zijn. Haar oeuvre bood zogezegd voor elk wat wils. Over haar leven was, gelukkig maar, minder bekend. Wel verscheen er in 2008 een biografie, die ik destijds signaleerde in Streven. De tekst volgt hieronder, met de hoop dat er bij haar eigen uitvaart een paar nachtegalen en pindarotsjes de dienst overnemen. 

 

Wie haar ooit heeft horen zingen, weet wat de uitdrukking ‘naar de keel grijpen’ betekent. Misschien ontroert Aafje Heynis zo, omdat haar stem de illusie wekt dat er zoiets bestaat als zuiverheid. Dat vergroot slechts het raadsel dat ze eind 2008 nog bleek te leven, in een schemertoestand aangericht door de ziekte van Alzheimer, maar het zou ook een verklaring kunnen zijn voor haar imago van christelijk zangeres. In Aafje Heynis. Priesteres in haar vak wordt dit gerelativeerd: als alt heeft ze veel oratoria kunnen brengen, waardoor het steeds minder voor de hand lag haar te vragen voor opera – een genre dat Heynis, wier stem werd vergeleken met die van Kathleen Ferrier, graag had willen bestrijken.

Dat ze er zeker met haar status vervolgens niet zelf op aandrong, zal te maken hebben met haar legendarische bescheidenheid, op het schuwe af. Het boek biedt daar menig voorbeeld van. Überhaupt gaat het op de psychologische tour. In het Concertgebouw nog debuterend onder Eduard van Beinum zou de in 1924 te Krommenie geboren Heynis vanwege haar eenvoudige afkomst en minimale scholing contact met cultuurbobo’s zo mogelijk hebben gemeden, at tijdens tournees een broodje op het hotel, haar kapsel en kleding waren altijd tiptop: alles opdat ze maar niet afgewezen kon worden en elke beloning een heel piepklein beetje verdiend was.

Vanuit dat perspectief zou het succes van de heruitgaven op haar 75e verjaardag Heynis extra verlegen hebben gemaakt, een populariteit als de spreekwoordelijke molensteen om de hals dus, teleologisch onontkoombaar en door elk wapenfeit in het boek van aanvullend bewijs voorzien. Vriendin en collega Annette de la Bije verklaart bijvoorbeeld over hun tournee door Indonesië: ‘Toen waren we wel moe; het was allemaal heel leuk, maar een kopje koffie drinken in een cafeetje in Amsterdam is ook leuk’ (blz. 53). In genoemde plaats, om precies te zijn in het Vondelpark, ontmoette Heynis op rijpere leeftijd bij het uitlaten van haar hond Grimbald een advocaat, die simpelweg de man van haar leven werd.

zondag 13 december 2015

Balanscensuur


Frank Keizer schreef een voorbeeldige en beklijvende recensie over Het plein. Ik kan hem dikwijls volgen, maar niet bij zijn stelling dat de uitgever van dit boek auteur Jan-Willem Anker publicitair in een hoek geduwd heeft, waar ‘de pers’ vervolgens kon poeren. Hoe ben ik daar zo zeker van?

Het plein beschrijft zijn eigen ontstaan. Dit dagboek, dat voordrong op een roman, heet in het voorwoord semipubliek. Het geldt als ‘tegenvoeter’ van fictie. De auteur maakt er met zijn dochter ‘grappen over dat ik mijn schrijfsels uiteindelijk in boekvorm zal publiceren, waarna we, in het geval van een daverend succes, verhuizen naar het KNSM-eiland’. Een saillante locatie, omdat ze door welgestelden bewoond wordt, terwijl Anker, veronderstellend dat mensen met een universitaire achtergrond en/of kunstenaars hoogopgeleid zijn, realist genoeg is om te beseffen dat zijn inkomen als kunst-ZZP’er daar niet bij past. Daarmee mist zijn andere zelfrepresentatie van middenklasser ook precisie (tot hij zijn een bijscholing tot leraar Frans heeft verzilverd).

Wanneer ‘de kogel min of meer door de kerk’ is en het besluit valt ‘deze notities’ uit te geven, dringt zich gelukkig de vraag op of passages zullen moeten worden geanonimiseerd. Tevens krijgt Anker een omslagontwerp en wordt er een achterflapfoto van hem gemaakt die hij ‘zeer noords’ noemt. Innemend bericht hij dat zich euforie van hem meester maakt wanneer er voor zijn deur weer iets gebeurt, zodat hij verder kan schrijven.

Ik kan me kortom niet indenken dat de tagline ‘Hoe overleef je een achterstandswijk? Een verslag uit de arena’ buiten medeweten van de auteur verbreid is. De laatste belligerente term knipoogt nota bene naar de titel van Ankers tweede poëziebundel. Keizer heeft wel gelijk dat de tagline een wereldbeeld en allerlei vooronderstellingen met zich meedraagt – die volgens mij niet automatisch ‘neoliberaal’, ‘geprivilegieerd’ en de hele rimram hoeven zijn.

Degene die dat complex het best zou kunnen ontrafelen, dunkt me Anker zelf. In en door Het plein solliciteert hij met succes naar de functie van discoursanalist. Hij voelt zich genoopt bij tijd en wijle aanhalingstekens te gebruiken, woorden te proeven en, bij een passerende straatveegmachine, slogans tegen het licht van de werkelijkheid te houden. Tegelijk betoont Anker zich terughoudend in zijn oordelen, als het gaat om fenomenen die hij later heeft leren kennen (‘de neiging zo’n gewaad een djeballa te noemen, maar wat weet ik ervan?’).

Daarbij komt zogezegd de input van allochtonen. Het is te makkelijk om Anker aan te wrijven zich dan ‘politiek correct’ te betonen. Er is immers geen reden om incorrect te zijn. Dat weten tegenstanders evengoed, vooral op het moment dat hun intenties in twijfel worden getrokken – bijvoorbeeld bij hun aanhankelijkheid aan een zwarte Zwarte Piet. En Anker weigert te generaliseren of te stigmatiseren. Is hij daar ook te volhardend optimistisch voor? Misschien gaat het niet eens zozeer om ontkennen; hij hoort liever even verder en eventueel ongemak internaliseert hij bij voorkeur.

zaterdag 5 december 2015

Altijd hypocriet

De top in Parijs is al even bezig en eindelijk, met een aanloopje van zes jaar, schenkt België een klimaatakkoord aan de mensheid – nog meer aan de kinderen en kleinkinderen dan aan de ouders. Dat het akkoord van de vier verantwoordelijke bewindslieden als een ‘evenwichtig compromis’ wordt gepresenteerd, waarbij elke partij ‘water in de wijn’ moest doen, daarbij gehinderd door ‘te zware engagementen’, maakt de onderneming voor mij alsnog tot een heterdaadje.

Hoe is het mogelijk dat er met dergelijke taal over iets zo cruciaals wordt gesproken en dus ook gedacht en gehandeld? Mijn systeem steigert tegen een ander systeem. Weg met artikelen als ‘politieke wil’! Pletten onder de buitenmuurse werkelijkheid!

Met dergelijke oordelen word ik bang van mij. Even een lakmoesproefje. Mijn voorkeur voor pakweg de onderkast kan wel wat spot gebruiken. Van een column uit 1984 in die opmaak, geheten ‘tegen racisme, seksisme en grandisme’, gebundeld in Het lied van de kosmopoliet (1987). Daarin nam Abram de Swaan onder de noemer Tijdsverdriet meer teksten op die helemaal tussen aanhalingstekens staan. Het zijn dus monologen, in de meest letterlijke zin:
 
‘in beginsel zijn kortmensen tot alles in staat wat langmensen kunnen, maar de sociale repressie berooft hen van hun kansen. langmensen blinken bijvoorbeeld uit in basketball, uit amerikaans onderzoek blijkt dat wanneer de korf lager wordt geplaatst, kortmensen minstens zo goed spelen. bij het polsstokspringen met de éénmeterstok komen kortmensen zelfs verder.’
 
Nee, de kracht van relativering krijgt geen vat op mij. Mijn tweede truc bij evidente oordelen is commentaar op te zoeken dat me uit de zogeheten comfortzone haalt. Dat is überhaupt voor mij een reden om bezoekjes te brengen aan de site Doorbraak. Ook afgelopen week werd ik niet teleurgesteld, door maar liefst twee opiniestukken op één dag.

De onderhandelingsimpasse kreeg meteen een andere belichting doordat Het Belang van Limburg er als enige op bleek te hebben gewezen dat België vorig jaar ook de trofee ‘Fossiel van de Dag’ had gekregen. Strategisch is dit slim, nieuws halen uit een gebied dat letterlijk ver van het centrum ligt (ik heb Amsterdammer Kees Fens ooit de krantennaam Tubantia horen uitspreken). De vraag is alleen: maakt die tweede keer op rij de wanprestatie minder erg? Als niet-wiskundige zou ik denken dat die dubbele winst op het tegendeel wijst.

Daarnaast wees Doorbraak erop dat de commissie die de trofee uitreikt wordt geleid door ‘een gewezen kandidaat-parlementslid van sp.a’. Kan iemand van een andere klaarblijkelijk foute partij niet integer zijn? Of geen organisatie leiden?

zondag 22 november 2015

Een leven lang


Ik heb er echt over proberen te lezen. Warm liep ik slechts voor een zwart omrand vierkant. Daarbinnen stond: ‘Er zijn zoveel meningen, zoveel oordelen. Daarom laat Wablieft deze plek nu wit. Wij denken aan alle slachtoffers van geweld.’

Al die uitleg, abstrahering, reflectie en kritiek naar aanleiding van Parijs, al dan niet in het verlengde van Beirut, heeft ongetwijfeld iets zinnigs, maar verkeert tegelijk in een fog of theories. Gemeen zullen ze hebben dat ze een proces moesten beschrijven, dat vervat is in één werkwoord: ‘radicaliseren’. Daarmee wordt de betekenis van ‘radicaal’ gereduceerd.

Ik zou het onmiddellijk geloven indien omringende werkwoorden in het commentaargeweld geregeld bezoek hebben gekregen van voorzetsels. Meer in het bijzonder van ‘door’ en ‘om’. Waar heb ik het dan over? Werkwoorden als omturnen, omslaan, doordraaien, doorslaan… In dit rijtje is waarschijnlijk ook ‘doorzetten’ te begrijpen, zij het een tikje paradoxaler: met je wil verder gaan dan je wil.

Er zit een verschil tussen wat deze voorzetsels uitdrukken. Bij ‘door’ gaat een proces verder in dezelfde richting, bij ‘om’ gaat de ontwikkeling de andere kant op. Klassiek voorbeeld is de conservatief die zijn diametraal andere politieke voorkeur van weleer als logische jeugdzonde beschouwt.

Na alles wat ik erover gelezen heb weet ik niet onder welke variant radicalisering onder jonge moslims valt. Beide opties kunnen. En uit de geschiedenis tot en met de toekomst is berucht dat verse gelovigen, ook wel bekeerlingen genoemd, zich meer fanaat opstellen.

Laat ik me bij mijn leest houden. Van de bedoelde voorzetsel-werkwoordcombinaties zijn me onlangs, overigens naar aanleiding van heel andere onderwerpen, drie exemplaren onder ogen gekomen. Een artikel over tendensen bij arbeidscontracten in het onderwijs meende dat de zaak hier was ‘doorgeflext’.

Verder was er Op de rok van het universum, het nieuwe boek van Tonnus Oosterhoff dat zo uitzonderlijk is dat ik mag hopen dat die eigenschap niet op gangbare laaglandse wijze wordt afgerekend. Eén van de talloze realityromans die er de revue in passeren meldt: ‘Duiven zijn monogaam, hun huwelijken duren gewoonlijk een leven lang. Gedwongen omparen gaat echter gemakkelijk.’

dinsdag 10 november 2015

En de bloesem nikte


Vraagt het taalkundig genie: ‘Waarom zit er een w in het woord erwt?’ Specialisten blijven op deze blog welkom, temeer daar ik persoonlijk geen antwoord heb. Ik heb nooit iemand zelfs een zweem van de w horen uitspreken. Bovendien spel ik voor een aangenaam dier dat bijna hetzelfde klinkt, evenmin ‘herwt’.

Het is tamelijk gênant, maar bij de erwt moet ik snel denken aan een gedicht. Gelukkig is het een fraai exemplaar, geschreven door niemand minder dan Wilfred Smit:

 

Parabel

 
Zo zag ik een erwt weifelen
aan een stoeprand,
de erwtebloesem onzeker zijn
naar welke wind
haar dolle rose hoofd te hangen –

 
en de bloesem nikte, er kwam een hand
in handschoen haar bedekken,
en de erwt viel, er kwam een schoen
om op haar te staan.
 

Het gedicht staat in de bundel Franje uit 1963, toen bijvoorbeeld Wilders geboren werd en de schedelinhoud van Kennedy tot puree wederkeerde.

Smits werkwoord ‘nikken’ is literaire taal voor knikken. Hier past het mooi, uit het hangend hoofd valt de k en de bloesem voelt al dat het niet goed afloopt met haar kindje. Wel vind ik het minstens zo gênant ook meteen de associatie met een kind te maken. Ofschoon het immer pril aanvoelende vaderschap zich zelden onbetuigd laat, biedt hier de actualiteit minder kans op ontsnapping, gelet op het zoveelste onomkeerbare lot van een jonge, zogeheten zachte weggebruiker (om nog te zwijgen van mensen en families voor wie een vloedlijn de stoeprand moet zijn omdat ze op een bootje een ander continent opzoeken).

Zo wordt de erwt een kwetsbaar ding. Da’s eigenlijk raar, omdat het beroemdste verhaal over de peulvrucht juist zoiets als stekeligheid presenteert. Hans Christian Andersens sprookje van de prinses die een erwt gewaarwordt onder vele kussens, maakt van hare hoogheid dan wel een heuse hoogheid maar bovenal een verwend nest.

Omdat een erwt zo zacht is? In de Brickyard Blues zeker!