Kennisgemaakt met het begrip ‘leftbaiting’.
Als ik het goed begrijp legt het een neiging op de rooster om allerlei asociaals
en hypocriets aan te wijzen bij linkse partijen. Die diagnose, infiltrerend in
waardenschalen (links wordt makkelijk geassocieerd met Het Grote Gelijk en
woorden waar ‘deugd’ op de schamperste wijze in voorkomt), komt van rechtse
partijen en/of voormalig linkse figuren. Allen doen zich sociaal en oprecht
voor. En kritisch, dus.
Ik vind het altijd moeilijk grip te krijgen op taal en haar
betekeniswaaiers. Bij leftbaiting verzwaart die opgave, omdat het begrip uitgaat
van een links-rechtstegenstelling die door de
werkelijkheid zou zijn opgeheven. Daarnaast bestaat er een traditie van interne
detailgevechten annex haarkloverijen om de hegemonie, en die speelt zich dan binnen
links af. Deze zelffileertraditie, die me vruchtbaar lijkt, zit in twee laaglandse
boeken uit hetzelfde jaar, keurig verdeeld over België en Nederland.
Om te beginnen Opoffering
en heroïek (1990), het proefschrift van Jolande Withuis. Inmiddels is het misschien
lastig om haar kritiek los te zien van wat ze als feministe vorig jaar
tegen het spook van woke inbracht, maar toen ze promoveerde voegde ze zich
bij de vele voormalige communisten die poogden te vatten waarom er wat was
gebeurd. Droog analyseert ze dertig woelige naoorlogse jaren van de
communistisch geïnspireerde vrouwenorganisatie
NVB.
Voor leden bleek een privéleven, ook bijvoorbeeld met zorg
voor kinderen, onverenigbaar met idealen. ‘Het persoonlijke was zo politiek dat
het oploste’. Alles werd ideologisch tot op als millimeter aanvoelende kilometer
uitgeredeneerd, bij een overernstig bestaan in dienst van een einddoel. Daarbij
voelde men voortdurend het risico om als onzuiver in de leer te worden
verstoten. Wat één zondebok achteraf positief ombuigt als ze verklaart ‘nu nog
een beetje van het leven te genieten’.
De NVB was opgericht door vrouwen die concentratiekamp Ravensbrück
hadden overleefd, en daar het eind van de ellende hadden zien worden geforceerd
door Russische soldaten. Wat klopte van hun verkrachtersreputatie? Sonja Prins
beweerde zulke gruwel te hebben verijdeld door hen ‘politiek toe te spreken’. Jaren
later verliet ook zij de CPN – en durfde dat menselijkerwijs niet te zeggen aan
haar communistische moeder die er uiteindelijk uiteraard toch achterkwam en er
toen niet eens over kón praten.
Een schizofrene situatie? Volgens Withuis werden ‘slechte
feiten en ervaringen “afgesplitst” om het beeld van het goede, de illusie van
de alomvattende verklaring en oplossing, te behouden’. Zelf nam ze dus ook
afstand, maar de aanleiding voor haar, babyboomer, was toen wel heel duidelijk.
De NVB was in de protestjaren verwant aan een nieuwe generatie feministen maar
reageerde agressief op
hen, als door als een wesp gestoken. Hier mag het links-linksconflict ronduit
tragisch heten.
Schitterend detail vind ik dat in 1971, in expliciet polariserende
tijden dus, een congres wordt verlicht met een optreden van ‘de imitator Van
Duin’, met wie toch werkelijk André moet zijn bedoeld. Hij raakte dus tot op
het altaar van in de communistische kerk! Aanpalende feministen zullen hem
allicht te commercieel, oppervlakkig en burgerlijk hebben geacht.
Hetgeen Withuis minutieus beschrijft en vervolgens van zich
afschuift, noemen we nu een bubbel. Destijds vatte een ex-CPN’er, door Withuis
geciteerd met extra cursieve nadruk, het aldus treffend samen: ‘Het was één grote zelfbedieningswinkel’.
De onweerlegbare existentie van andere winkels met andere voorraden, van
supermarkten zelfs en van cafés waar je in de vrije tijd lol kon hebben, moest
dus wel degelijk worden genegeerd of desnoods ontkend.
Een kras voorbeeld van die etalagemetafoor was de
spijkerbroek aka jeans. Een populair fenomeen waarmee jongeren zich, volgens de
bekende paradox, vereenzelvigden als kritisch individu maar dat in NVB-kringen niet
op goedkeuring kon rekenen. Uiteraard gold de spijkerbroek als Amerikaans
imperialistisch (de heersende klasse die zowel de indigenous als de zwarte
bevolking onderdrukte), en zo werd het gras voor de voeten van een potentieel
jonger publiek weggemaaid.
Toen Withuis de NVB boekstaafde, bestond die beweging nog.
Maar bij gebrek aan aanwas stond de ondergang, dik een decennium later, in de
sterren geschreven.
Van Paul Koeck memoreer ik Notaris X, ook uit 1990. Hij kantte zich tegen
‘milieu-journalistiek’ van de destijds ‘progressieve pers’. Zijn grieven golden
incestspeculaties die als zekerheden werden gepresenteerd, mede op basis van deelname
aan een werkomgeving die het bewijs moest zijn voor rechtsextremisme. In het
bijzonder bestookte Koeck De Morgen
en Humo. Omdat hij daar zelf voor had
gewerkt, kreeg zijn boek het stempel van nestbevuiling.
De feiten en hardnekkige beschuldigingen en mislezingen die Notaris X gestaag opvoert, liegen er niet
om. Waardoor er van die linkse media excuses werd verwacht, of minstens een
proeve van legitimatie. De minimale
reactie lag meer in de lijn der verwachtingen. Bij Koecks overlijden,
eerder dit jaar, lichtten in memoriams bij behoudende media Notaris X gretig uit zijn brede oeuvre. Zelf
kreeg ik pas lucht van deze fameuze zaak en van het
boek door een artikel
met een ander frame.
Duizelingwekkend vind ik dat om een extreemrechts complot te
kunnen ontwerpen hulp van een linksvreemde partij nodig was. De Morgen en Humo hechtten geloof aan een conservatief en naar bleek ziekelijk
fantaserend katholiek netwerk. Met de bizarste details, zoals dat de familie
van X hitleriaans zou zijn omdat er veel gedronken werd – in de geest van een notoire
geheelonthouder. Ook zou de dader zijn eigen ouders seksueel hebben
gebrutaliseerd.
Geregeld trekt Koeck de vergelijking met de Oude Pekela-affaire, die zich ongeveer in dezelfde tijd boven de rivieren ontvouwde en waar de voortgang evenzeer werd geregeerd door gebrek aan bewijs. In Vlaanderen onweerlegbaar was dat een koppel in echtscheiding lag en dat in die procedure de vrouw de ene na de andere beschuldiging over haar man lanceerde. Hij zou hun twee kleine zonen hebben misbruikt, zodat ook zij werden geacht te reageren.

