zaterdag 24 februari 2018

Ingepeperd (2)


  

Ordelijk verdeelt Peter van Lier in Geachte afwezigen, zijn voorgangers over de drie afdelingen van dit boek. Zo krijgen achtereenvolgens Faverey, Kouwenaar en Ouwens van hem overzichtstukken. Dat zij tot één generatie behoren lijkt me onwaarschijnlijk, zeker vanuit het luidruchtige verhaal van de Vijftigers, maar ik geloof dat de teneur van Van Liers betogen kan worden samengevat als een wending naar de werkelijkheid.
Met die notie profileert Van Lier (*1960) zijn eigen generatie, die wereldsheid wel zag zitten. Hij plaatst zichzelf tussen dichters die tussen 1988 en 1998 debuteerden. Zo valt na de drie kanonnen wel een aardig gat in de tijd. Dat moet worden opgevuld door poëzie waarin de verbeelding de overhand had gekregen.
Het begin van Van Liers lichting wordt inmiddels als postmodernistisch gezien. Ironischerwijs wordt daar veeleer iets kunstmatigs mee geassocieerd. Onterecht, maar in Nederland ontwaarde de jonge Joost Zwagerman, anno 1987, voor het toenmalige trendblad Haagse Post daar wel degelijk eerder decorstukken dan tastbaarheid in.
Dichters met wie Van Lier op de proppen komt zijn onder meer Elma van Haren, Arjen Duinker, K. Michel, Nachoem Wijnberg, Tonnus Oosterhoff, F. van Dixhoorn, Lucas Hüsgen, Astrid Lampe en ikzelf. Hij argumenteert meermaals via simulacra-theoreticus Baudrillard, bij wie ‘een moord op het Reële’ plaatsvindt, en hij grijpt even vaak (achteraf gedane) beweringen van Oosterhoff aan over ‘het contact met de werkelijkheid’ dat hersteld mag worden.
Op de sluitingstermijn van Van Liers lichting valt eveneens een debuutbundel te plakken: van de vierkante man, uit 1998 dus. Daarin kantte Ilja Leonard Pfeijffer zich tegen Faverey, annexeerde Lucebert, en toonde zich een Komrij. Kunstmatigheid overheerste in een hyperbewuste poëzie.
Onlangs las ik Pfeijffers beroemdste boek La Superba. Een vermakelijke ervaring. De auteur had zijn literatuurconstructie bovendien op orde. Wel speelde deze roman uit 2013 nog altijd met het bordkartonidee. Voortdurend is in de tekst sprake van aantekeningen waarvan de naar de auteur genoemde ik-persoon tegen een jij beweert een roman te gaan maken.
Samenkomsten met mensen in Genua, de plaats van handeling, staan evengoed in het teken van fictionalisering. De personages doen – onder verantwoordelijkheid van de verteller-auteur – zelf al uitlatingen als ‘Ik weet toch dat je dit gaat opschrijven’. Knap van Pfeijffer vind ik dat hij het tempo soms zo opvoert dat je die metalaag als lezer kan kwijtraken, en de slappe lach krijgt wanneer bijvoorbeeld een stomdronken vrouw in haar pump braakt.
Een belangwekkende passage van La Superba vormt het relaas van de Afrikaanse vluchteling Djiby, adembenemend en triest tegelijk. Maar doordat het wordt omgeven door overdrijvingen dient het vooral de constructie, inclusief gemorrel aan het werkelijkheidspercentage:

‘Ik had natuurlijk ook helemaal niet echt vriendschap met hem gesloten, maak je geen zorgen. Ik was alleen maar nieuwsgierig geweest naar zijn verhalen. Laten we het research noemen. Mijn interesse gold minder zijn persoon dan de horrorverhalen over zijn helletocht naar het beloofde land Europa, die ik hoop te kunnen gebruiken voor mijn roman waarin discriminatie van immigranten een majeur thema zal zijn. Maar professionele belangstelling wordt in die culturen maar al te vaak verward met vriendschap.’

Misschien wordt dit fragment briljant gevonden. Al was het omdat hyperbewustheid kan omslaan in zelfkritiek, hier van een zogenaamd typische, narcistische westerling. Het eveneens door en door geconstrueerde concept politieke correctheid krijgt de volle laag. Op een bepaalde wijze dan, want wie doorredeneert ontwaart in het citaat een waterkans voor engagement.
Het contrast met Van Lier is in elk geval enorm. Ook in zijn gedichten lijkt taal van begin af te willen verdwijnen om het luttelste facet van de wereld alle ruimte te geven. Oprechtheid is domweg geen kwestie, terwijl Pfeijffer het niet kan laten in La Superba te biechten dat hij pas echt openhartig is geweest in een brief aan een belastinginspecteur die natuurlijk niet in de roman staat (en natuurlijk wel, als ik het goed heb, in zijn latere Brieven uit Genua).
Of schep ik, om mijn sentiment bij Geachte afwezigen, te snappen, een neptegenstelling? Van Lier noemt in zijn essays Pfeijffer eenmaal, in het voorbijgaan. En dat lijkt me wel frappant, gezien de centrale positie die dit fenomeen, ook alweer als Komrij, in het landschap inneemt.

zondag 18 februari 2018

Ingepeperd (1)



Ben ik ooit sentimenteel geworden tijdens het lezen van een boek? Niet dat ik me herinner, maar bij Peter van Liers Geachte afwezigen, Het verweer van de poëzie gebeurde het. Aan de tekst zelf kan dat redelijkerwijs niet gelegen hebben, want deze verzamelde essays en kritieken zijn onspectaculair, serieus en rustig.
Van Lier beoefent bovendien niet de enerverende bezigheid die close reading heet, maar graast in zijn beste passages gedichten af tot hun onderzoeksterrein blootligt. Als het niet zo stupide zou klinken, had ik gezegd dat het boek Geachte afwezigen, op zoek gaat naar denktradities. De vraag dus, wat op abstracter niveau het punt is dat een gedicht wil maken.
Na afvloeiing van mijn sentimentaliteit betrap ik me erop dat het voor mij mooiste stuk uit het boek niet over gedichten ging maar over het motorrijden van Jan Hanlo (aan de hand van diens proza). Ik bleef eveneens haken bij Van Liers oefening bij een foto van Jannes Linders, vanaf het moment dat hij de afbeelding op zijn kop beschouwt.
Gaat het boek wel over poëzie? Er is een tekstje over Rachmaninov en luciditeit, en een productieve vergelijking tussen een songtekst van Bløf met onder meer een eigen gedicht. Überhaupt schrijft Van Lier geregeld over eigen teksten. Geachte afwezigen, loopt uit op een brief aan de overleden vader, wiens monteursvak en radiohobby vergeleken worden met dichterlijk gepruts aan woorden. Ook de moeder komt in het betoog voor. En beiden staan in het register, als ‘ma’ en ‘pa(p)’.
Door zo’n haakjestoevoeging, weet ik inmiddels, kan sentimentaliteit me bewalmen, maar evenzeer leert de ervaring dat ik allergisch ben voor het particuliere. Prijzenswaardig aan Geachte afwezigen, lijkt me dat de vele persoonlijke mededelingen nooit zorgen voor plaatsvervangende schaamte.
Disclaimer is Van Liers onthechtheid, die van stonde af uit zijn gedichten gesproken heeft. Ze laat het toe zonder schade nabij te komen, dankzij een springveer van objectivering. Lees bijvoorbeeld een anekdote over een radiogesprek, verweven in Van Liers dankwoord voor de Jan Campertprijs. Hij krijgt van de interviewer live de vraag of hij het gedicht ‘Mostar’ wilde voordragen:

‘Mostar is, mocht men het alweer vergeten zijn, een stad in Bosnië die tijdens de oorlog op de Balkan werd verwoest als gevolg van etnische conflicten. Mijn verweer bestond erin dat ik geen gedicht over Mostar, maar wel een gedicht over mos had geschreven, of hij dat misschien wilde horen? Hoewel de sfeer van het gesprek niet vijandig was, trachtte de interviewer met zijn onmogelijke verzoek mij wel degelijk in verwarring te brengen en in zekere zin ook terecht te wijzen voor mijn buiten-maatschappelijke en niet-politiek geïnspireerde houding. Ook hier moest mij kennelijk worden ingepeperd dat de mens en de wereld niet zo onschuldig zijn als ik in mijn poëzie deed voorkomen. Natuurlijk weet en voel ook ik dat vaak maar al te best en sijpelt er wel degelijk iets van dit besef in mijn bundels door. Maar juist door het gegeven dat onschuld zich zo moeilijk laat ontdekken vanuit het alledaagse bewustzijn dat getrouw het achtuurjournaal bijhoudt, is mijn behoefte eraan des te groter. Het dichterschap is bij uitstek de discipline waarin je tegen beter weten in kunt hopen en verlangen.’

Geweldig is de openingszin, die voor alles correcte informatie wil aanbrengen, opdat het probleem helder is. En dan begint Van Lier te redeneren, bijna tegen zichzelf in. Alsof hij moet worden overtuigd van zijn opvattingen en van zijn poëtica, doordat hem gevoelens en nieuwe werkelijkheid overvallen die mogelijkheden en interpretaties opnieuw open leggen.
Typische woordjes vind ik dan: ‘misschien’, ‘onmogelijk’, ‘wel degelijk’ (2x), ‘in zekere zin’, ‘kennelijk’, ‘natuurlijk’, ‘vaak’, ‘juist’, ‘het gegeven’, ‘bij uitstek’… Wegens vertragend of onnodig genuanceerd of quasi-wetenschappelijk zou een redacteur ze schrappen. Maar dan versmaadt deze Van Liers inzet, samengebald in een woordje waar de redenatie op afstevent: ‘tegen beter weten in’. Die aanpak maakt me sentimenteel en ze dunkt me zeldzaam.

donderdag 15 februari 2018

Jurystrategie



Bij zijn overlijden wordt Ruud Lubbers alom geprezen om zijn virtuoze compromisscheppingen. De deelnemende partijen doen dan water bij de wijn. Zou dit spreekwoord zijn oorsprong hebben in misvieringen, waarbij de voorgaande geestelijke niet ladderzat op het podium mag staan?
Inzake literaire jury’s is met ‘het compromis’ vaak het bij alle hosannagezang toch wat twijfelachtige lot van de winnaar vertolkt. Ik moest ineens denken aan Kees Fens, die bij een werkcollege vertelde vóór een juryvergadering te zijn gebeld door de voorzitter, om alvast de standpunten door te nemen.
Hoewel Fens een doorgewinterd jurylid leek, had hij dit nog nooit meegemaakt, zei hij. De voorzitter van dienst was dan ook een raspoliticus, Hans van Mierlo, die op hetzelfde jezuïetencollege had gezeten als Lubbers, met wie hij later, in elk geval volgens journalistieke mythes, wekelijks een korenwijntje dronk bij het doornemen van de actualiteit.
Ik geloof niet dat de compromissenprocedure hier hemels had uitgepakt – Fens’ favoriet delfde het onderspit


Naschrift

Ruim een decennium na verschijnen lees ik in Maarten ’t Harts Dienstreizen van een thuisblijver dat Wim Duisenberg, om de derde traditionele politieke stroming ook in het literaire bedrijf te trekken, als juryvoorzitter overleg vooraf pleegde om ‘de juryleden tegen elkaar uitspelend, listig knopen [te] doorhakken’.

vrijdag 9 februari 2018

Meelynchen



Geen vrees – niet nog een mening over de scoop dat Lucebert op 19-jarige leeftijd verregaande nazisympathieën koesterde. Wel toonde het bericht, en de ontvangst ervan, op meer manieren dat de orde der dingen nogal ingrijpend is veranderd.

Om te beginnen onderstreepte het een maatschappelijke verdeeldheid, die lang met het begrip ‘polarisatie’ is aangeduid. Terwijl dat echter vruchtbaar kon zijn voor een debat en voor ruimte aan dissensus, is het begrip opgevolgd door een metafoor, van de ‘loopgraaf’. Er wordt niet gedebatteerd over en weer, maar de eigen positie wordt versterkt.

Na het bericht over Lucebert was de ‘rechtse’ site ThePostOnline er zo snel bij dat er een tikfout in de kop sloop die een dag later nog niet hersteld is: ‘Grote paniek in babyboomerland: dichter Lucebert dweepte met nazisme en was anitsemiet.’ Dat hier antisemiet had moeten staan, stoffeerde een gangbare verontwaardiging over de actualiteit. ‘Linkse’ mensen zouden tegenwoordig uitsluitend onrecht aanklagen dat wordt aangedaan aan moslims, niet aan joden.

Want of Lucebert nu werd aangeduid als Swaanswijk of Zwaanswijk, hij was ‘links’, ‘communistisch’ zelfs, daar bestond geen twijfel over. En door het maatschappelijk engagement in zijn gedichten kon hij gelden als een wereldverbeteraar – een makkelijke prooi. De bij zelfverklaring ongenuanceerde site Geenstijl verwoordde dit in zijn bericht zo: ‘Kortste gedicht van Lucebert ontdekt: Heil Hitler’.

Meesmuilend legde het de aloude, nooit verflauwde kwestie over de autonomie van literatuur op tafel: ‘het wordt een lange dag discussiëren over de vraag of je het werk van een kunstenaar los mag zien van zijn polletieke overtuigingen’. De spreektalige verschrijving van ‘politiek’, met het impliciete vonnis ideologisch, gaf de uitkomst al.

De conclusie luidde dat gutmenschen, zoals altijd, hypocriet zijn. Zeer vele comments zouden dit idee schier wellustig kracht bijzetten. Dat absurde triomfalisme rijst uit de overtuiging dat links nooit te beroerd is om andersdenkenden op hun morele tekortkomingen te wijzen. En dat verwijt kreeg het ‘als een boemerang’ in het eigen gezicht geslingerd.

Met name één eigen regel ontving Lucebert in menig bericht retour: ‘alles van waarde is weerloos’ (op Geenstijl: ‘Wehrmachtlos’). De vliezen braken voor parallellen met andere auteurs, ook rechtse, en de behandeling die hun ten deel viel. Zo heeft het negentiende-eeuws aandoende werkwoord ‘deugen’ een ongekende lading gekregen, in een goed-foutschema waarmee potten ketels verwijten.

Luceberts poëzie zelf bleef onbelicht. Her en der werden er wel wat klassieke – vroege! – gedichten bij een bericht gepubliceerd. Zodat sommige regels unheimisch moesten worden? Bijvoorbeeld: ‘ik ben de schielijke oplichter / der liefde’?

zondag 4 februari 2018

Die gesloten vuist




Mijn hypotheses over de titel Respect is de nieuwe punk van Meyrem Almaci waren dan wel vrijblijvend bedoeld, ze genereerden mening zonder kennis. Hoewel het genre mij niet ligt, heb ik deze politieke autobiografie alsnog gelezen.
De Groen-voorzitster oogt optimistisch, onvervaard en zelfrelativerend. Dikwijls vertelt ze anekdotes, ‘niet omdat ik mezelf nou zo ontiegelijk interessant vind, maar omdat ik nu eenmaal niet duidelijker kan maken waarom ik zo gebeten ben door politiek’.
Almaci presenteert zich als ‘brugfiguur’. Ze wil begrip opbrengen voor verschillende posities en distantieert zich van ‘dat concurrentieel opbod tussen mensen’, waarin groepen elkaar het licht in de ogen niet gunnen omdat A zus terwijl B zo.
Nu verklaren velen het wij-zij-denken perfide, maar weinigen durven er door ontmoetingen iets aan te doen. Twee van Almaci’s stopwoorden blijken dan ook ‘bandbreedte’ en ‘impact’. Gedecideerd spreekt ze zich uit vóór doeners. Proberen is bij haar meer dan een morele verplichting.
Tot haar zestiende droeg Almaci vrijwillig een hoofddoek, als enige op haar katholieke school, naast ‘de zuster-directrice’. Daarna legde ze uit dezelfde vrije wil het ding af; haar ouders waren het daar niet mee eens, maar lieten haar begaan. Op dezelfde leeftijd stopte Almaci trouwens met vlees eten.
Niet elke herinnering pakt mij in. Maar voor een Groene vind ik het sterk dat ze overbevolking als probleem ziet en memoreert dat haar geregeld wordt toegebeten uit een omvangrijk gezin te stammen. ‘Ik weet niet wat mijn ouders –en dan vooral mijn moeder – bezield heeft.’ Zo haalt ze meteen haar feminisme binnen. En besluit dat door de armoede het gezin champignons plukte, al het eten tot het laatste restje opmaakte, net als meubels en kleding. Een recyclehouding waarmee het ‘onze tijd thuis ver vooruit’ was.
Identiteit krijgt ook bij haar de lasagne-metafoor. Toch wordt ze in het publieke debat geframed als ‘de moslim van dienst’. Na een beginselrede voor haar partij vraagt een journalist haar eerst of ze een boerkini draagt.
Grappig dat juist zij, als blijkbaar eeuwige andere, zich object weet van een ‘gedachtenpolitie van zelfverklaarde behoeders van de samenleving die in elke discussie die ik voer zoeken naar een link met vooroordelen over mijn etnische achtergrond’ – Orwells bedenksel uit 1984 wordt meestal in het gezicht van links geslingerd.
Een rode draad bij Almaci vormen popliedjes; de songteksten staan achterin. Zo bewijst ze een ‘stevige muziekfanaat’ te zijn, wier leven mede is gebouwd op liedjes. Op een bizarre manier sluit dit aan bij het boekmotto:

Friedrich Nietzsche

Almaci’s ouders hadden al vier kinderen toen ze naar België kwamen, op zoek naar een beter leven. Vader offerde zijn gezondheid in baantjes waarvoor autochtonen zich te goed voelden. Toch stelt ze nuchter: ‘Het is niet omdat migratie van alle tijden is, dat we niet moeten nadenken hoe we ermee omgaan. Zeker in tijden van globalisering.’

maandag 29 januari 2018

Ontnozeling (5)




In Het compostcirculatieplan (2016) van Anton Valens staat de zin: ‘Jens & Hugo waren gewoon elkaars haar te knippen, “een belangrijke, geldelijke besparing”.’ De aanhalingstekens zetten een spoor uit, dat ik nu eens niet hoef te zoeken. Mijn eerste zelfstandige publicatie in de neerlandistiek ging namelijk over het verhaal De laatste jaren van mijn grootvader van Gerard Reve waar de frase te vinden valt.***
Erg zelfstandig was mijn publicatie trouwens niet, aangezien ze de snobistische consensus volgde dat Reves beginjaren zijn beste zijn omdat ze ‘de kunst van het verzwijgen’ tot in de perfectie beheerste. Het compostcirculatieplan meldt zelf dat Jens in een pand gewoond had aan de Weesperzij op de oostoever van de Amstel ‘waar naar zijn zeggen De ondergang van de familie Boslowits van Gerard Reve was gesitueerd’.
Anton Valens’ roman onderstreept voor mij een besef dat ik liever vergeet en dat me eerder overviel bij De vermiste wereld van Alstein: dat literatuur en stijl uit elkaar zijn gegroeid. In elke zin van deze twee boeken kunnen aandachtige lezers iets van hun gading vinden omdat de taal er een gebeurtenis is: registers tuimelen over elkaar, ritmiek en klank zijn factoren van betekenis.
De laatste jaren van mijn grootvader hoort niet tot de canonieke Reve-teksten en de door Valens geïsoleerde frase toont al waarom. Ze combineert overdrijving met pleonasme en loopt zo vooruit op de latere, schmierende auteur die stijlbloempjes produceerde. Daar openbaart zich het gevaar van formalisme. Stijl is dus, zompig gezegd, een werkwoord, een gevolg van blijvende zelfvernieuwing.
In de hoedanigheid van stijlbloempjesleverancier is Reve lang besmettelijk geweest voor velen die trucs voor literatuur hielden. Verticale effecten.
Het werk van Reve is dood, net als dat van andere legendarische witte meneren als Mulisch en Hermans en Boon (ter gelegenheid van zijn tiende sterfdag gaat men binnenkort voor de zoveelste keer alles uit de kast halen voor Claus, maar het recentste wereldnieuws over hem stemde al triest). Welke geletterdheid is daarvoor in de plaats gekomen?
Ik vrees dat mijn stelling van een schijnbaar onomkeerbaar registerverlies bij jongere generaties lezers en schrijvers niet alleen een zeurpieterig stokpaardje is, maar ook bijvoorbeeld wekelijks bewezen wordt in recensiebijlagen. De stijl van besprekers en besprokenen is hetzelfde geworden, zoals fictie en non-fictie dooreen zijn gaan lopen.
Voor mij wordt die ontwikkeling samengevat in de kop van een recensie à 200 woorden op Februari’s tamelijk duizelingwekkende roman Klont: ‘Heerlijk tegendraads’. De geringe ruimte is geen excuus, bij gebrek aan taal kan er alleen maar worden geponeerd.
Vertegenwoordigt een direct herkenbare schriftuur dan het stadium van decadentie? Waar Alstein en Valens mijn leestempo vertraagden en concentratie verhoogden, gebeurde het tegenovergestelde tijdens de eerste Brusselmans van mijn leven, Zeik en de moord op de poetsvrouw van Hugo Claus. De taal ademde een overdosis. Ze denderde door met eindeloze, uiteraard zinloze details en grappen die ik alleen in het begin nog lollig kon vinden.
Als antipsycholoog ervoer ik bovendien de bizarre aanvechting de auteur te duiden. Ik weet nog altijd niet of ik de uitgave van Zeik en de moord op de poetsvrouw van Hugo Claus tragisch of dapper vind.
Een identieke reactie van gedachteloos diagonaal lezen verwekte bij mij een boek dat stilistisch juist kleurloos was: Het smelt van Lize Spit. Betekent dit dat een direct onherkenbare schriftuur meer kans heeft? Ja, suggereren flapaanprijzingen van collega’s die de term ‘comfortzone’ gebruiken of zeggen dat Spit ‘schrijft met de trefzekerheid van een messentrekker. (…). Een poëtische nekslag.’
Het smelt viel me nog mee. Doordat de plot in het teken stond van een uitgesteld antwoord werd kwantiteit een argument. Wegens mijn veroppervlakkigend leestraject heb ik geen recht van spreken, maar mijn indruk was dat Spits boek het scenario is van een ultralange tv-serie, bedoeld om te bingewatchen.

maandag 22 januari 2018

Ontnozeling (4)



De Mexicaanse schrijfster Valeria Luiselli noemt haar boek Vertel me het einde ‘een essay in veertig vragen’. Ondanks die genrebepaling bekent ze zich in haar postscriptum als romanauteur, getraind om ‘de wereld te lezen als onderdeel van een narratieve plot waarin sommige gebeurtenissen de voorbode zijn van andere’.
Die blik steunt Luiselli met de verantwoording dat de in het essay bijeengebrachte relazen een andere naamgeving, tijdstip en volgorde kregen. Toch geeft ze gedetailleerde bronnen voor beweringen, met de suggestie: geloof me, deze bijna-non-fictie is echt!
Aangezien het boek handelt over Centraal-Amerikaanse vluchtelingen die in de Verenigde Staten proberen een bestaan te krijgen, is het waarheidsgehalte belangrijk. Lastig wordt dan dat de auteur soms voordringt op door haar beschreven mensen, voor wie ze overigens tolkt bij justitie.
Het ontegenzeggelijke engagement dat Luiselli ontplooit wordt naar mijn gevoel geneutraliseerd doordat ze tegelijk haar eigen lot beschrijft. Tijdens het maken van het essay, vanaf 2015, was haar tijdelijke verblijfsvergunning verlopen, zonder een green card in zicht. Maar die status begeren haar personages toch ook? Is dat solidariteit?
Mij dunkt dat het boek waarachtiger was geweest als de auteur haar romantalent inderdaad had benut. En zich in haar personages had verstopt, in plaats van verontwaardigd over hen te schrijven, en over zichzelf. Nu blijft de vraag over wie dit boek uiteindelijk gaat.
Zulke gedachten kwamen mede in mij op door Klont van Maxim Februari. Hoewel mijn vertrouwen in de roman gering is, repareerde deze bij mij menige illusie. Sowieso volg ik de publicist Februari met een zoals dat heet meer dan gemiddelde belangstelling, maar Klont stemde nieuwsgierig of er kans was voor mijn hartenwens: dat opinistiek kan plaatsnemen in fictie.
In deze roman zegt een Amerikaan dat er met het vergaan van naties en, volgens hem, het verband dat een volk bijeenhoudt, geen belangstelling is voor feiten. Er heerst nieuwsverslaving die mensen zelfs in grootste wanhoop overeind houdt. Maar ondanks dat ‘opioïde mechanisme’ is non fake news dood.
Data hebben informatie vervangen. Februari heeft over dat thema in NRC-columns herhaaldelijk geschreven. Anders dan Luiselli koos hij ervoor zijn kennis over die actualiteit te saucisseren in een het complexe systeem van de roman. Tegen het opinisme, dat hij voor de krant moet beoefenen? Het publiek kenmerkt zich, beweert Klont effen, door ‘de hongerigheid naar snelle output’.
Moraal en keuzes hebben we uitbesteed aan machines, luidt de stelling. De werkelijkheid is gereduceerd tot gegevens over de werkelijkheid. Tot een klont, zegt hoofdpersoon Alexei Krups:

‘eigenlijk geen metafoor maar een werkelijk bestaand samenspel van machten. Een wereldbeeld dat meer ruimte bood aan mededelingen over het bestaan dan aan het bestaan zelf en dat dwingend regeerde’.

Door die herschepping treedt in elk geval verlies aan kennis op, eveneens bij ‘experts die nergens verstand van hebben’. En het tragische is dat de mens die klont zelf heeft gemaakt.
Geweldig aan dit boek vind ik dat de horigheid aan een eigen, superieure schepping tot uitdrukking komt in Februari’s vertelwijze. Alle personages hebben eigen denkruimte terwijl ze zichtbaar aan een touwtje zitten dat de onzichtbare verteller dan weer met ironie dan weer met empathie en mededogen laat vieren.
Die state of mind lijkt me symptomatisch voor de globalisering waarin, zoals Philipp Blom opmerkte, de fameuze slogan ‘Gansch het raderwerk staat stil, als uw machtige arm het wil’, mede door de digitalisering onklaar is gemaakt. Toch proberen Februari’s personages het nodige, en is dit boek dus een strijdperk. Juist de roman kan het waarheidsgehalte van een stelling afwegen dat de klont ‘na Copernicus, Darwin en Freud de vierde grote krenking der mensheid’ is.

zaterdag 13 januari 2018

Ontnozeling (3)




Op een cliffhanger moet een vervolg komen. Hoe essayisme dus te combineren met activisme? Voor mij begint een boek pas wanneer het geen genoegen neemt met een gebruikelijke gang van zaken. En omdat de wereld mijn objectief is, haal ik bij aldaar toegepaste methodes de mosterd.
In hun strijd tegen ggo’s maakten Barbara Van Dyck en Lien Vrijders (mede namens Nina Holland en Anneleen Kenis) een wijziging van strategie bekend. Ze doen niet langer mee aan bezwaarprocedures, wegens schijnparticipatie. Hun interventies willen ze eerder op het traject plegen, door de politiek-economische context bloot te leggen.
Genretechnisch vertaald doen ze afstand van blog-, Facebookpost of opiniestuk. Ze slaan de weg in naar een andere driesprong: pamflet, opstel of essay.
Mentaal gaan ad-hocmeningen opzij, die door hun overvloed zichzelf uitwissen. Deze dienen een neoliberale ideologie, die parasiteert op de schijn ‘tolerant’ een waaier van ‘diverse’ inzichten te faciliteren. Terwijl belangen elders behartigd worden, mogen individuen, zonder naar elkaar te hoeven luisteren, elkaar afslachten in iets wat ze voor een open debat houden.
Genoemde wetenschappers gebruiken er de in België reguliere kwalificatie ‘praatbarak’ voor. Ze hebben besloten hun bijdrage aan het maatschappelijk debat structureler en doeltreffender te maken.
Een voorbeeld van waar zo’n strategie toe kan leiden is voor mij Zwijg, allochtoon! van Rachida Lamrabet. Daarin vertelt deze schrijfster en juriste over de hel waarin ze verzeild raakte nadat ze het scenario had gemaakt voor Project Deburkanisation. Het leidde tot haar ontslag als juriste bij het interfederaal gelijkekansencentrum Unia. Lamrabet verheldert en historiseert in Zwijg, allochtoon! de opvattingen die Project Deburkanisation liet schuren en plaatst ze in het huidige debat.
Iedereen zou het boek moeten lezen. Hartverwarmend pleit het om het fameuze wij-zij-denken op te heffen. Het beargumenteert hoe bepaalde individuen en voorvallen worden uitvergroot tot typisch voor ‘de islam’ en hoe de schijnbaar schuldvrije cultuursector wit is gebleven (en ‘allochtonen’ cast en diversiteit als subsidie-industrieel gegeven benut).
Intrigerend is dat de zetter geen enkele alinea direct door een nieuwe laat volgen maar steeds een hiaat inlast. Alsof het betoog strofische poëzie is.
Lamrabet zet uiteen waarom een democratie rekening moet houden met minderheden. Dat het dragen van een nikab, waarmee ze zelf geen affiniteit heeft, ook zou mogen mogen in plaats van verboden. Voor mij grappig was haar associatie met individuen die bewust geen smartphone hebben en die niet op sociale media zitten.
Bij Lamrabets ontslag, waaraan ze weinig woorden wijdt, speelde Knack een hoofdrol. Dat kopte boven de samenvatting van het interview dat alles in gang zette ‘Unia-juriste Rachida Lamrabet: “Boerkaverbod is een verregaande inbreuk op de vrijheid van vrouwen”’ en tweette het ook zo. Daags daarna luidde de integrale tekst: Mijn kinderen zullen eeuwig “de anderen” blijven. Dat maakt me bang en heette Lamrabet in de intro ‘schrijfster’.
Zo werd de overheidspersoon naar voren geschoven en de politiek, vooral N-VA, uitgenodigd: ‘Kielhalen!’ Misschien was het berouw, of doordeweeks cynisme, dat Knack vervolgens twee breed gesteunde open brieven tegen het ontslag publiceerde waarin het recht op vrije meningsuiting wilde zegevieren.
Was het uit een bang voorgevoel dat Lamrabet tevoren had benadrukt te spreken als kunstenaar? Het onderscheid is voor mij duister en ik zie sowieso niets ongepasts aan de opvattingen die Lamrabet – als mens of werknemer of schrijfster – ontvouwde. Evenmin begrijp ik haar bijbehorende idee: ‘Van kunstenaars verwacht iedereen dat ze de goegemeente choqueren, dat ze tegen heilige huisjes aanschoppen.’
Van daaruit redeneert Lamrabet dat ze de pineut was omdat ze niet tot het autochtone ‘wij’ behoort. Dat mechanisme van uitsluiting herken ik, maar ik zou niet durven beweren dat het exclusief ‘allochtonen’ treft.
Ook weet ik niet of de dienstdoende uitsluiters exclusief bij rechts te vinden zijn, zoals Lamrabet meent. Haar containerbegrip ‘de dominante groep’ bevat volgens mij van alles en nog wat. Wel kan die staat van gedeeltelijke ontkenning op conto worden geschreven van mij in de hoedanigheid van witte ‘autochtoon’.
Mede daarom raad ik dit boek iedereen aan. Want klopt het wel dat ik er een tegenspraak in ontwaar, een regressie misschien andermaal? Bij Lamrabets verheugende anti-essentialisme blijkt namelijk meer dan eens sprake van ‘bloed-en-bodem-Vlamingen’. Ook kan er staan: ‘De moslima wordt altijd gekoppeld aan alle moslima’s overal ter wereld en bovenal, ze wordt gekoppeld aan de moslima die leeft in de verbeelding van witte mensen’.

zondag 7 januari 2018

Ontnozeling (2)



Vertraagd las ik in 2017 Kees ’t Harts essaybundel Het gelukkige schrijven. Met de boeken van deze schrijver heb ik een gespannen relatie. Meteen begon ik ze eind jaren tachtig te volgen, menend dat dit oeuvre voor mij geschapen was. De essaybundel duidt achteraf uit waarom: ‘dat de heersende moraal steeds opnieuw bevestigd wordt wanneer de schrijfwijze van de roman zelf buiten schot blijft’.
Ik stuitte op de grenzen van mijn lezerschap, of karakter, toen mij ter ore kwam dat er een fanclub voor deze auteur bestond. Stomtoevallig vond ik na dat nieuwtje ’T Harts boeken minder interessant. Betrapt in mijn annexatiedrift? Minstens lag mijn idee van periferie, dat ik verrukt had afgeleid, in de poeier. Ook institutioneel bleek ’T Hart onexcentrisch.
Hij publiceerde ooit het boek De ziekte van de bewondering. In die volgens hem on-Hollandse state of mind lag met terugwerkende kracht mijn bezwaar. ’T Hart dweepte me te veel, was niet echt kritisch. Met ‘niet echt’ bedoel ik dat hij bij sporadische kanttekeningen een leukige jongensboekstijl inzette, waardoor mij ontging wat hij bedoelde. Of hij iets bedoelde.
Aldus was Het gelukkige schrijven een eyeopener, dat ’T Hart minder hardnekkig lofprijst dan vermoed.
Zo kapittelt hij Karel van het Reve, zeker de zogenaamd heldere en onbeschroomd polemische Henk Broekhuis-columns uit de jaren zeventig, tegen pretenties en opscheppers – ook twee hinderpalen voor ’T Hart zelf. Inmiddels maakt zich volgens hem er niemand druk om, behalve ’andere stukjesschrijvers die ook weinig zin (en tijd) hebben zich ergens met volle kracht in te verdiepen’.
Ik denk niet dat die controversialiteitsafname helemaal klopt. Wel ogen die columns heden saai. Al zijn er, juist door die stemming, details waarvoor ik val. Bijvoorbeeld wanneer Broekhuis in 1975 VARA-presentator Joop Koopman citeert, die bij zijn gesprekje met een Twee voor twaalf-kandidaat ontdekt een VVD’er voor zich te hebben: ‘Ik wens u evenveel succes als ieder ander.’
Het meest kritisch is ’T Hart, zoals bekend, over Alain Badiou. Onder de neptitel ‘Altijd die verdomde filosofen’ is hij eerst positief. Maar dan blijkt Badious filosofie volgens ’T Hart helemaal niets aan te tonen en te hameren op hetzelfde aambeeld, tegengesteld aan wat de tekstbezorgers Ernst van den Hemel en Joost de Bloois beweren: ‘Soms krijg je bij deze inleiders het gevoel dat je aan tafel zit bij een vergadering van het Centraal Politbureau in de jaren twintig in Moskou.’
Hier gebeuren meer dingen. Het beeld van rabiaat communisme is klassiek populistisch. Door de bril van ’T Hart wordt het ook een autoriteitsargument. Geboren in 1944 heeft hij de gevolgen beleefd van wat ik in mijn vorige Ontnozeling als een mei ’68-valkuil bezag. Hij vertolkt het zo: ‘Althusser! Wat heb ik lang met hem verkeerd, ik wist zeker dat hij al mijn schrijfproblemen zou oplossen. Foucault! Derrida! Heidegger! Lezen maar jongen, anders wordt het niks met je.’
Geïnsinueerd wordt dat Badiou, in ons taalgebied geïntroduceerd door Yang in 2004, een tijdverschijnsel is (niet: iets modieus of commercieels). Ideeën lijken verklaringen te bieden die van pas komen. Zoals recentelijk pakweg Gloria Wekker.
Die historische relativering plaatst T’Hart bovendien uit zijn notoir rode opleiding aan de Universiteit van Amsterdam, waar de tekstbezorgers onderzoeker zijn. Met die achtergrond is zijn paraderend bewonderen tevens een vlucht uit wat destijds krities heette. De slotperoratie van zijn Badiou-kritiek luidt:

‘Het gaat in de (schrijf)kunst om ruimte, om ademhalen, om perspectief en vergezichten. Om de vrolijkheid of de verschrikkingen van het verlangen, om het nu ook maar eens te zoeken in warrige metaforiek. Om tot Gelukkig Schrijven te komen. Onbevreesd schrijven. Niet gehinderd door schuldgevoel, integendeel, schrijven om je onschuld in stand te houden. Daar gaat het om. Je engagement verbergen in dromerigheid, naïviteit en verlangen naar tegenspraak. Trouw blijven aan wat je niet kunt bereiken. Ongelijk hebben.’

In de revolutiejaren zullen onschuld en naïviteit betwist zijn als burgerlijke wensdromen. De jongensboekenstijl wordt er meteen door verklaard. Ze verdween toen er een fijn internetdebatje over het Badiou-stuk ontstond en ’T Hart zich ernstig begon te weren.

maandag 1 januari 2018

Ontnozeling (1)


Ook in mijn vak viel de hele maand december ten prooi aan lijstjes, met Beste Boeken. Ik heb ze nooit begrepen. Tot aan het laatste uur van een jaar valt er te lezen. En al is een slotsom pas in een nieuw jaar op te maken, dan nog blijft zo’n lijst bizar. Bij de overproductie die de boekenbranche evengoed vertoont, is elk overzicht illusoir.
Zelf vind ik het als simultaanlezer al een klus om op één week teksten uiteen te houden.
Voor literatuurbijlagen kan het lijstjesritueel zelfs pervers heten, getuige het geringe aantal boeken dat er aan de orde komt. Het heeft iets onbeschaamds het mattheuseffect te benadrukken door recensenten en merknamen andermaal aan het woord te laten.
Afgelopen jaar frappeerde me wel een trend, die uitgerekend in één van de lijstjes onderstreept werd. Een boek van Gloria Wekker, eindelijk in vertaling verschenen, was een uitverkorene:

Witte onschuld is een etnografie, een studie van de manier waarop wit Nederland naar zichzelf kijkt, aan de hand van het idee van het cultureel archief. Dat archief is een verzameling praktijken, gevoelens en ideeën die het gevolg zijn van de raciale ordening van de wereld, zoals die vorm kreeg door het imperialisme van naties als Nederland.
Ook het idee dat ‘wij’ een bescheiden land zijn, onschuldig, post-raciaal en rechtvaardig, dat een bijzondere rol in de wereld te vervullen heeft, is onderdeel van het zelfbeeld dat Wekker beschrijft. Het woord ‘onschuld’ betekent hier zowel ‘niet weten’ als ‘niet willen weten’. Wie dit boek leest zou de huidige Nederlandse samenleving beter kunnen begrijpen, met aandacht voor de manier waarop het verleden in het heden aanwezig is.

Ik vind dit ook een belangrijk boek – terecht dat Wekker onlangs onderscheiden werd met de Joke Smitprijs. Wel is het valse zelfbeeld van ‘wit Nederland’ allerminst een ontdekking. Ik zou het een klassieker noemen, een cliché dat rijmt met het boekomslag van een molen op een Delftsblauw tegeltje.
Het is Wekker niet aan te rekenen dat haar studie tegemoetkomt aan witte verlangens van wat als zelfkritiek wordt beschouwd maar essentialisme behelst. Decennia geleden verwees het postmodernisme dat artikel naar de mesthoop. Het is sinds kort herrezen. De genre-aanprijzing ‘etnografie’ onthult (Van Dale: ‘beschrijvende volkenkunde’).
In 2007 baarde Máxima Zorreguietta opzien door de evidentie te verwoorden dat dé Nederlandse identiteit niet bestaat. Tien jaar later wordt die klok teruggedraaid door witte intellectuelen die vooruit willen streven. Tenzij mij iets ontgaat, doet die pertinentie waarmee zij koloniale wantoestanden als bewijsmateriaal opvoeren ijdel aan.

Wekker zegt in White Innocence dat witten terughoudender mogen zijn tegenover ervaringen van zwarten. Goed om zich in te prenten. De trend die ik denk te zien, vervalt echter in het andere uiterste: zwijgen. Ik noem het kritiekloze kritiek.
Ze uit zich in halfwassen recensies. Waar voorheen ideologisch beladen auteurs werden vermeden door hun een interview te bieden, zijn ze alsnog object van besprekingen. Deze beperken zich echter tot het gedachtegoed en laten zich erop voorstaan daar vanuit ‘geprivilegieerd wit standpunt’, dat bovendien met onhoudbare criteria als ‘kwaliteit’ schermt, niet over te willen oordelen.
Ook bij de schrijnende #metoo-problematiek bespeurde ik soms die houding. Aanklaagsters kregen bij voorbaat gelijk.
De witte zelfkritiek bestaat er dus uit, expliciet bescheiden te outen niet gerechtigd te zijn tot kritiek op zwakker geachte anderen. Bij die toch wat pontificale solidariteit komen tegelijk verboden aan kleurgenoten die een ander inzicht zijn toegedaan. Het mogen en moeten is terug, met verkrampte taalsamenstellingen die voor een groot publiek slechts toegankelijk zijn als mantra.
Ik ben een voorstander van politieke correctheid, maar begin de motor te begrijpen achter wat beschaafde minachting blijkt te heten.
Wat hier gebeurt is al eens gebeurd, in mei ’68. Helaas kwam de toenmalige protestgeneratie, die evenzeer onrecht wilde tegengaan, uiteindelijk unisono onder vuur. Ik heb die tegenkritiek altijd betreurd en opportunistisch gevonden, gelet op de verworvenheden van studentenprotesten. Maar de achilleshiel lag in de acceptatie van systemen die bewust niet werden onderzocht – kritiek was zelfs de kortste weg naar uitsluiting.
Punt is volgens mij dat je je kunt engageren met elke denkbare zwakkere, maar dat die verklaring in het performatieve blijft steken zolang er niets wordt uitgewisseld. Erkenning is bijna alles. Toch wil je van een vriend niet horen: ‘Je hebt gelijk’. Misschien is het geweldig om anderen onvoorwaardelijk te geloven, maar ik denk niet dat je hen daarmee serieus neemt.
In die overtuiging werd ik gesterkt door een boek (non-fictie). Het heet Spelen in zwarte sneeuw, en is geschreven door kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen. Hij wijst op twee frames waarmee jeugd in een achterstandspositie traditioneel werd bejegend: ‘Het Onschuldige Slachtoffer’ en ‘Het Blok aan het Been’. Beide frames lauwerden de bovenliggende partij, die edelmoedig anderen kon helpen of die hindernissen voor de eigen marsroute uit de weg ruimen.
Volgens Vanobbergen respecteer je kansarme kinderen, wanneer hun ervaringen en kritiek het voorrecht genieten van wederkerigheid. Spreek terug!, maant hij. Wie alleen maar knikt of verwerpt, cultiveert een cliënt-professional-relatie. Pas wanneer je enthousiasme en empathie kan paren aan oprechte vragen en twijfels verleen je aan een ander een autonome status.

Mijn posting wil zo nodig een trend signaleren, maar kunst mag van mij echt de maatschappij in. Ik hoop een ander interessant boek te kunnen misbruiken voor een alternatief.
In de interviewbundel Het laatste taboe. Kunstenaars en inkomen trachtten alle sprekers, tegen het rendementsdenken in, een vanzelfsprekend belang van kunst te vertolken. Maar niemand kwam in de buurt. Wel viel meermaals de klacht dat aan kunstenaars makkelijk wordt gevraagd iets gratis te doen ‘voor de goede zaak’.
Hoe vaag die goede zaak ook mag zijn, de formulering suggereert een betekenis die publiek en zelfs gemeenschappelijk is. Beeldend kunstenaar Hans van Houwelingen signaleert dat de publieke zaak ooit in het teken stond van volksverheffing, en dat kunst nu hooguit wordt ingezet om kiezers te behagen. En zich dus te verlagen.
Van Houwelingen meent dat het gewenste én geproduceerde kunstwerk bewust onnozel is. En dan lijkt de oplossing nabij: ‘Het wordt tijd om weer te ontnozelen.’ Mij trekt dat idee, ook voor letterenbijlagen die lijstjes Beste Boeken van het Jaar wensen.
Wat zou het opleveren als recensenten zich solidair betonen met auteurs én geïnteresseerden door geen opdrachten meer aan te nemen onder 1000 woorden per bespreking? Is dat toekomstmuziek of een valse noot?
Ik durf het bijna niet te zeggen, maar uit 2017 herinner ik me een paar titels. Welja, laat ik het nieuwe jaar beginnen met een vervolgverhaal.

zaterdag 23 december 2017

Tjongejonge




Tomtom YouTube vertelt me op basis van mijn zoekopdrachten dat sommige liedjes en reportages zijn ‘aanbevolen voor jou’. Vaak voel ik me betrapt of ben ik te koppig om op goedkope verleidingen in te gaan, maar gisteren klikte mijn muis op een kakelvers liedje en nu ben ik daar gelukkig over.
Het kan zijn dat de titel ‘Smijt een bom’ me aanstaat, of dat de bandnaam Wilderman nieuwsgierig maakt (geen wildeman, geen Wilders’ man). De muziek is alvast fijn, omdat ze eigen is terwijl ze een beroep doet op mijn ijdelheid kennis van zaken te hebben. Want natuurlijk hoor ik van alles in het liedje en daarmee valt te etaleren: Slickaphonics, Raggende Manne, Morphine…
Uiteindelijk is het de tekst waarvoor ik val. ‘Smijt een bom’ blijkt een terugkerende formule die een antwoord biedt op uiteenlopende maatschappelijke kwalen: protest, grondstoffenmisbruik, kritiek, hongersnood, vluchtelingenkampen, oproer, non-conformisme, wanbestuur…
Deze rigoureuze oplossing oogde in 2017 zowel trumpiaans als Noord-Koreaans. Hier komt ze van de zogeheten bovenliggende partij die, uitgedrukt in persoonlijk voornaamwoorden, ‘wij’ kan heten. Maar dan komt er een wending in het liedje, verlucht door een oudestijljazzbloempje van een hihat. En dan verandert de machtige groep in een ‘zij’.

Spreken ze recht, praten ze krom?
Gooien ze zelf ook een bom?

Ook is het leuk om in de zanger een schrijver te herkennen, die onbeschaamd danst terwijl hij zijn mouwen opstroopt én die altijd al durfde (bijvoorbeeld om de geschiedenis niet voorbij te verklaren omdat ‘de dingen nu eenmaal zijn zoals ze zijn’).
Wat een verschil met een liedje uit 1973, o gij jeugd, dat ik hooguit onbeschaamd kan noemen door de inspiratieloosheid van het refrein:

Uche uche uche uche uche, het stikt hier van de muggen
Ieche ieche ieche ieche ieche, het stikt hier van de vliegen
IJe ije ije ije ije, het stikt hier van de bijen
Maar het geeft niet want ik ben bij jou
Ook al sta ik hier dan in de kou

Dit liedje, van Vader Abraham uiteraard, duurt meer dan vier minuten. Het refrein wordt zes keer herhaald, terwijl er maar twee coupletten zijn. Het rare is dat een fragment daaruit suggereert dat de ik een vrouw is:

In m'n haren, in m'n kleren en ze blijven maar proberen
En ze zitten ook al in m’n lingerie

Dan zou de zanger de aanbedene zijn, voor wie deze vrouw plagen van Bijbelse allure doorstaat. Of zegt Abraham hier – conform het clichébeeld van bekentenissen uit de jaren zeventig – dat hij travestitische aandriften kent? Smeekte hij toen al om een vakterm als ‘genderneutraal’?
Liedjes als deze duikel ik op tijd en stond op voor mijn kindergebroed, omdat het mij als immigrant in België belangrijk lijkt een doorgeefluik te zijn van cultuur waarmee ik me eerlijk gezegd niet direct verwant voel maar die onloochenbaar deel van mij uitmaakt.
Daarom wil ik nog een derde songtekst noemen. In 2017 overleed zanger-gitarist-producer Hans Vermeulen die, naast een ruim en knap Engelstalig repertoire vanaf de Sandy Coast, begin jaren tachtig een elpee met Nederlandstalig werk bleek te hebben gemaakt.
Daarop ontdekte ik dankzij YouTube-doorklikkerij het wonderlijke – en ritmisch-melodisch geavanceerde – liedje ‘Rustig aan’. Het zou autobiografisch zijn, omdat Vermeulen toen iets ondervond wat tegenwoordig burn-out heet.
In het liedje spreekt hij zichzelf toe. Terwijl hij zijn oude ik tot bedaren probeert te brengen, wuift hij die kalmte meteen naar luisteraars. Een grootse onbeholpenheid maakt zich van iedereen meester.
Prachtig is het advies ‘Ga een uurtje leggen’, dat in dezelfde tijd door Jacobse en Van Es aan de toenmalige koningin gegeven werd. Maar definitief werd ik gegrepen door de brug in het liedje:

Tjongejonge, moet dat nou zo snel
Lukt het vandaag niet, gaat het morgen wel
Elke dag een heel klein beetje verder uit je bol
Want anders is het mooi niet vol te houden
Lang zal die leven, toch veel te mooi om op te geven
Je hebt tenslotte nog een heel eind voor de boeg
Heb je niet te eten of word je achterna gezeten
Doe maar gewoon, dat is al even gek genoeg

Weergaloze brouhaha. Probeer de tip in de derde regel maar eens na te volgen. Hogere mindfulness.
Het woordje ‘nou’ vind ik in bepaalde verbanden al oer-Hollands, maar ‘tjongejonge’ gaat boven alles. Het relativeert elke resterende tegenwerping voorgoed. Dat woord raakt amper voorbij de keel en blijft diep in de mond.
Gewoon, Gek Genoeg & Zn in een popsong. Da’s ook een bom smijten.

donderdag 14 december 2017

‘Vraagstukken rond onze seksualiteit’




Zou er in romans een zin staan, waardoor lezers blind doorgaan dan wel voorgoed afhaken? Volgens mij kan zoiets met I Love Dick van Chris Kraus. Ik citeer de vertaling uit 2016: ‘Politiek houdt in dat je accepteert dat niets zonder reden gebeurt. Er zit een zekere causaliteit in de stroom en als we secuur genoeg kijken is het mogelijk haar te begrijpen.’
Terwijl de ene lezer hier een onontkoombare waarheid treft, zal de ander vermoeiende paranoia verwachten. Mij zijn die reacties althans opgevallen voor een decennium waarin alles politiek heette en dat ik probeer in kaart te brengen: de jaren zeventig. Vanzelfsprekend zijn die reacties reflexen, maar de tweede, terugdeinzende is tot nog toe ruim in de meerderheid.
Ze zit soms in details. Zo columniseert Bert Wagendorp bij het terugtreden van Emile Roemer: ‘“Hij kan geen fractie leiden, laat staan Nederland”, zei een anoniem SP-Kamerlid een jaar geleden. Hij was niet de enige met kritiek op de aanvoerder. Toen wist je al: ze zitten de verkiezingen nog even uit met Roemer, maar daarna schieten ze hem op socialistiese wijze af.’
Die spelling socialistiese zet een blok. Ach, die vooruitstrevendheid en haantjesachtige, gewelddadige pretentie onder het mom van een betere samenleving, enz.
Des te prettiger is Chris Kraus’ sympathie voor het lef van de jaren zeventig. Dat betekent geenszins dat ze er kritiekloos aan voorbijgaat. Bijvoorbeeld inzake man-vrouwverhoudingen in kunst: ‘Ik vraag me af waarom alle performances over de geleefde ervaring van de jaren zeventig alleen worden gezien als “samenwerkingsverbanden” en “feministisch”. De Zürichse dadaïsten werkten ook samen maar zij waren geniaal en hadden namen.’
Verderop weet Kraus daar met veel moeite – naast de gerenommeerde heren Ball en Tzara – drie namen bij te geven: Emmy Hennings, Hannah Höch en Sophie Taeuber-Arp.
Weer verderop belicht I Love Dick ‘neodadaïst’ Hannah Wilke, die destijds slim van universeel op persoonlijk overging. Ze bekleedde haar naakte lichaam met kauwgom in de vorm van vulva’s, wat het predicaat ‘kuttententoonstelling’ opleverde. Toch liet ze eveneens pluis uit wasmachines zien, wat agressief ideologisch, saai en oppervlakkig werd bevonden. Dit materiaal had ze uit de was die ze jarenlang had gedaan voor haar partner, genaamd Claes Oldenburg.
Ook binnen de categorie vrouwelijk kunstenaar gold Wilke (1940) als been there, na Cindy Sherman (1954).
I Love Dick is evenzeer persoonlijk, met universele consequenties. Vrouw-zijn blijkt er te betekenen: gevangenzitten in de psychologie van ‘problemen’. Kraus vergelijkt het lot van Janis Joplin met dat van kerels als Cobain, Hendrix en Phoenix die een onstuimige levensdrift zouden hebben geëtaleerd. Zelfdestructie tegenover mannelijke vitaliteit…
Dit boek doet aan participerende observatie van iets wat tegenwoordig effen ‘de culturele elite’ heet. En daarvan doorvorst Kraus het mannelijk smaldeel:

‘En het werd laat en iemand zette wat oude discomuziek op, en alle mensen die jong genoeg waren om deze liedjes gemist te hebben toen ze voor het eerst werden gedraaid stonden op en gingen dansen. “Funkytown”, “Le Freak” en “Upside Down”… de liedjes die eind jaren zeventig in topless clubs en bars werden gedraaid terwijl deze mannen beroemd werden. Terwijl al mijn vrienden en ik, de meisjes, onze huur en tentoonstellingen betaalden en “vraagstukken rond onze seksualiteit’ onderzochten door de hele nacht in topless bars op deze muziek te shaken.’

Historisch is deze liedjesdatering weer eens inadequaat, maar waarschijnlijk onthield de weldenkendheid zich destijds toch van dansen. Disco deugde immers niet. Maar volgens Grace Jones’ biografie Mijn onvertelde leven (oorspronkelijke titel: I’ll Never Write My Memoirs) had het genre een subversieve oorsprong. Ze noemt het mannelijke witte rockpubliek, dat disco verwierp, racistisch, seksistisch en homofoob.
De diva Jones doet aan Kraus denken doordat ze signaleert voortdurend door mannen in hun richting te zijn gedreven, met formules en behangfuncties. Haar echtgenoot annex creative director gebruikt haar grimas bij de geboorte van hun zoon voor de hoes van Slave to the Rhythm.
De reikwijdte onderkent ze als hij voor de wereldtournee A One Man Show haar als Zwarte Vrouw positioneert. Wat voor Jones geen item is, als grensoverschrijder van kleur, geslacht, geaardheid en, vertelt ze, kloven tussen mens en dier. Zijn concept van vrijheid moest echter het hare worden: ‘Het was niet Grace Jones die op het podium stond. Het was Grace Jones die Grace Jones speelde, geholpen door anderen die ook Grace Jones speelden.’
Tegenover haar platenmaatschappij kan ze louter de bitch uithangen: ‘Als ik een man was (…) dan hadden ze mijn gedrag, hoe agressief en veeleisend ook, gezien als normaal voor een leider’. Nu wil Jones bewijzen dat zij wel degelijk weet wat ze doet. Maar de diagnose blijft: krankzinnig en hysterisch, zeker bij tegenwerpingen.
Volgens Grace Jones zijn er beroepen, zoals filmregisseur, die alleen mannen mogen uitoefenen. Ik denk dat Chris Kraus dan de analyticusstiel claimt. I Love Dick , een ware stijlencarrousel, opent als autobiografisch verslag en voegt er persoonlijke essays tussen (en onderstreept welke kansen Lieke Marsman onlangs liet liggen).
Saillant vind ik de anekdote over een panel met Antonio Negri en Heiner Müller, dat door Kraus’ voormalige lief Sylvère moet gemodereerd. Men zoekt nog iemand, en zij stelt dan een vrouw voor. Waarna Negri afserveert: ‘Christa Wolf is geen intellectueel.’
De tristesse dat precies links, zoals Bert Wagendorp nu ook weer suggereerde, het op humaan vlak laat afweten. Dat Kraus de boosdoener ‘Toni’ noemt, lijkt krachteloos terugmeppen.
Evenzo gaan het duidende voor- en nawoord in deze vertaling vóór de lezer staan. Alsof op voor- en achterflap de reguliere superlatieven niet voldoende zijn. Mij trof daartussen uit het geboorteland de term ‘heteronormatief’. En dan verbaast men zich dat het woord ‘genderneutraal’ als het irritantst wordt ervaren?
De controverse van I Love Dick blijkt helaas niet in het universele te schuilen. Bij verschijning in 1997 gold de roman als flagrante privacy-aanrander. Dan spreken we in alle opzichten van een andere eeuw.
Wie leest er inmiddels nog van papier? Door smartphones kan privacy real time de hele wereld in. There’s nothing in that book.

donderdag 7 december 2017

Pigeonholed




Naarmate de publicatie van mijn boek over de literaire opinie-industrie nadert, flitsen er vragen in me op: had ik zus niet moeten vermelden, had ik zo niet moeten toelichten?
Veel illusies over de heilzaamheid van meningmakende auteurs hield ik niet over. Tegelijk groeide mijn ergernis dat de meesten onder hen als ‘gutmensch’ verticaal werden geklasseerd in de map Hypocriet.
In mijn boek klinkt de verzuchting wat er eigenlijk tegen correct is (naar aanleiding van ‘politiek correct’ uit dezelfde map), terwijl ik geen woord spendeer aan het raadsel wat er slecht is aan goed. Thijs Kleinpaste linkte de ‘gutmensch’ nota bene aan het ontstaan van de publieke intellectueel, eind negentiende eeuw, rond de Dreyfus-affaire. Toen al kampten opiniemakers met een wankel imago. Inmiddels is het op internet veroorlogd.
Ze heten tot ‘de elite’ te behoren. Mij ontbreekt bewijs daarvoor; bovenal ontwaar ik de macht dus niet die hun wordt toegeschreven.
Wat is dan mijn alternatief? En waarom valt het nergens in mijn boek te bespeuren? Omdat ik kunst een maatschappelijke rol toedicht, zou buiten-egomaan engagement in fictieboeken mijn geloof moeten wegdragen.
Onlangs interviewde een weekendbijlage een daadkrachtige Lieke Marsman, wier vertering van het toch wat machistische opiniewezen al eerder fris overkwam. Ze had met Het tegenovergestelde van een mens een ambitieuze debuutroman afgeleverd tegen klimaatverandering, inclusief de weg die mensen mogen bewandelen. Dat on-Hollandse uitzicht verheugde me.
In den beginne is het centrale personage Ida een proeve van binnenhuisrealisme. Al jong voelt ze zich depressief, zowel door een gebrek als door een teveel aan levenslust. Lezen is dan de eerste oplossing en op bed liggen een tweede. Een navelstaarder, haar taal is conventioneel.
Een verlangen naar echte mensen en een betekenisvol aandeel aan de wereld speelt op. Het slotdeel van de roman heet dan ook The Great Outdoors, onder het motto ‘Into the wilderness, away from the loneliness’. Ida zit vol voornemens, waar de wereld beter van worden kan. Toch weet ze zich schuldig en machteloos. Haar taal, vrees ik, verandert evenmin. Ook het breekijzer van het lezen blijft, van non-fictie nu.
Het tegenovergestelde van een mens culmineert in een pleidooi voor ecologisch bewustzijn en radicale bescheidenheid, door de hoofdrol op aarde terug aan de natuur te geven. Dat is sympathiek, en de auteur beschouwt het als theorie en filosofie. Zelf verwacht ik van een roman iets originelers.
Bij de engagements- en waarheidsverlangens meldt Marsman bovendien, in een voetnoot, dat er geen archimedisch punt kan bestaan: ‘een universele uitspraak doen, zonder zelf deel uit te maken van die universaliteit, is tamelijk lastig’. Een bladzijde later: ‘Het is onmogelijk om de wereld te bekijken door andermans ogen, hoe empathisch je ook bent.’ Die uitspraken wegen haalbaarheid. Maar ik zou van fictie willen dat ze daar lak aan heeft en reikt naar dimensies die voor mijn part utopisch heten.
Op dat punt biedt Het tegenovergestelde van een mens mij weinig. Vreemd, gelet op Marsmans interviewuitspraken. Zou er dan gewicht aan intenties kunnen worden toegekend, zonder in de val van de ‘gutmensch’ te tuimelen?
Prachtig, en herkenbaar, vind ik dat ze haar achilleshiel heeft benoemd: verhalen vertellen. Deels ondervangt ze dat doordat het boek meer genres bevat – de romantekst heeft er concurrentie van poëzie, non-fictie en opinisme. Marsman benut zo de verworvenheden van het postmodernisme.
De legitimatie van deze hybride gebeurt mede doordat de tekst zelf een harde identiteitskern pontificaal verwerpt en daartegenin het verlangen uit een ander te zijn. Zelfs met die vrijvechtende uitgangspunten blijft Het tegenovergestelde van een mens krampachtig.
In een Italiaans vakantiepark wordt Ida bijvoorbeeld door een landgenoot gevraagd om hulp bij een bingoavond. Die ‘actie’ zou nodig zijn want de verveling is toegeslagen want het regent zo. Dan komt er een citaat van een Britse filosoof dat het voornemen stut iets verantwoorders te ondernemen. Tot slot hersitueert Marsman de regen in een bespiegeling over het klimaat, dat tegenwoordig ‘een reden [is] om de straat op te gaan en te protesteren’.
Ook de bibliografie pakt niet. Marsman vermeldt een lang interview met Joni Mitchell. Er komt één fragment uit aan de orde, als apart hoofdstukje geciteerd. Joni krijgt er voorgelegd te gelden als bekentenisschrijver. Ze antwoordt dan wel tot een (babyboom)generatie te behoren die het meest egocentrisch was, maar het probleem niet te zien. Vooral voelt ze zich pigeonholed, in een hokje gestopt, vloeibaar als ze is.
Weer een postmodernistische geloofsbrief? Marsman laste twee interviewfragmenten aaneen (minuut 58 + 105) en deed in het citaat schrappingen, die ik cursiveer: ‘I’m fluid. You know. And yeah. Everything I am I’m not. Kind of. And that’s the way it is with all people if they really observe themselves.’
De schoolmeester in mij acht die plastische chirurgie van taal zinloos. Juist een boek dat de werkelijkheid onder ogen wil brengen, laat uitlatingen intact. In het interview zegt Mitchell het zelf: ‘The art of art is to be as real as you can within this artificial situation.’
Door de roman heeft Marsman een draad geweven waarin Ida iets met Robin (v) krijgt. En dat loopt mis, zoals in de laaglandse literatuur vaak gebeurt. Maar is er ook een verband met de milieuproblematiek?
Wanneer Robin de relatie opzegt tijdens een kanotocht breekt er, conform een geschetst ecologisch rampscenario, een dam en lijkt Robin te verdrinken. En doordat de schrijfster aan het eind keurig een parallel opzet tussen liefde en taal, is de discrepantie tegenover de werkelijkheid voltooid.
Zo is deze roman voor mij uiteindelijk Marsmans werkverslag. Daarvan resteert de buitenliteraire boodschap. Ondertussen maakt de gutmensch volgens Thijs Kleinpaste ‘deel uit van de collectieve ideeënstrijd van de democratie. Hij bevindt zich tussen de talloze beelden die worden aangeroepen ter rechtvaardiging van een of ander standpunt.’
Het mag schrijnend heten dat dit type een revanchistisch vijandbeeld ondergaat. De citoyen kantte zich juist tegen overgeërfde elites. Wel zou de gutmensch een patent hebben op de moraal. Het tegenovergestelde van een mens wordt dan extra dramatisch omdat Marsman dat patent niet neemt. Tellen alleen haar opinies, waarin het woord ‘hypocriet’ evengoed opduikt?


Naschriftje
NRC komt met een lijstje van 25 genomineerde boeken over het hele jaar 2017 die er vier of vijf ‘ballen’ kregen. En daar staat Het tegenovergestelde van een mens tussen, net als Vroege werken waar ik hier ook al niet erg enthousiast over was. Beide titels behoren eveneens tot de absolute top volgens de Volkskrant. Zegt dat verschil in inzicht iets over mijn beperkingen, over ‘de kritiek’ of over 2017?

donderdag 30 november 2017

Ondertiteling




In het Nederland van 1946, meldt Tim Parks in Waarom ik lees , was 5% van de boektitels vertaald (dit beweren oude aantekeningen van mij, ik kan me niet goed indenken dat er vlak na de oorlog, toen papier op rantsoen was, hierin iets als een markt bestond). Tegen 2005, zegt hij, was dat aandeel gestegen tot 35%, waarvan fictie maar liefst 71% voor haar rekening nam.
Parks bericht in een boekhandel uit het centrum van Amsterdam, Athenaeum, veertig klanten te hebben geïnterviewd over hun keuze. Hij denkt daarmee een representatieve lezer te pakken gekregen te hebben, vooral omdat hij met de leeftijdsklasse van 20 tot 60 jaar sprak en onder hen gelijkelijk mannen en vrouwen.
Die laatste twee parameters geven mij de indruk dat er een vertekening optrad: groslezers zijn oudere vrouwen. Ook lijkt met Athenaeum geen doorsnee boekhandel gekozen, maar veeleer een specifiek, ‘elitair’ publiek dat kiest uit een breder aanbod dan in een winkel normaliter heeft.
Parks’ ontdekking is dat alle proefpersonen, op één na, voornamelijk buitenlandse romans lezen, en dan vooral Engels en Amerikaans. Daaruit verklaart Parks dat er op de Nederlandse markt een strijd zou woeden tussen originele en Nederlandse edities van Engelstalige romans.
Binnen Europa zou er voorkeur zijn voor vertaalde Engelse romans. De Nederlandse lezers blijken zo goed opgeleid dat ze in Nederlandstalige teksten pas aan detailafwijkingen, die hen doen denken aan Engels of Frans of Duits, merken dat ze vertalingen lezen. Yeah right (op de omslagen van die boeken staat zeker geen auteursnaam)!
Hoe dan ook ontbolstert er volgens Parks zo een tweede bestaan. Een specifiek soort wereldwijsheid waar je de deur niet meer voor uit hoeft? Anderzijds legitimeren Parks’ lezers zich, dat ze buitengaats in ‘hét boek van het moment’ een fijn gespreksonderwerp hebben. Deze teksten geven hun het gevoel ‘deel uit te maken van een internationale gemeenschap. Op reis of tijdens contact met vreemden wordt het tweede leven reëel.’
Op hun beurt zouden Engelse lezers, die volgens Parks zelden een tweede taal beheersen, geen behoefte voelen anderstalige schrijvers te consumeren. In de Angelsaksische wereld zou nog wel de politiek geëngageerde roman in de traditie van Sartre bestaan waarmee veel auteurs ‘tot in de jaren 1970’ beroemd werden, maar die zou verdwijnen in veel Europese landen.
Tijdens de mondialisering zijn mensen, verklaart Parks, minder gaan lezen en schrijven over hun eigen leefgemeenschappen.

Parks vertelt dat in Amerika slechts 3 tot 4 procent van alle verschijnende romans een vertaling is. Ze zouden bovendien omgezet worden ‘naar eigen formuleringen en schrijfwijzen’.
Van wat die duistere aanduiding behelst heb ik sinds deze week een indicatie. Waarschijnlijk bestaat de optie al tijden, maar ik werd erop gewezen dat sommige clips op YouTube een rechthoekig icoontje hebben waarmee je ondertitels tevoorschijn kunt toveren. Het lijkt dan niet te gaan om vertalingen, maar om een registratie van het gezegde.
Zo herbekeek ik althans een fameus lang interview met Joni Mitchell uit 2013. Wat daar in het begin nog een grapje leek, was structureel: een discrepantie tussen wat er stond en wat ze zei. Alleen Joni zelf al diende zich bij momenten aan als Joanie, Joani en Jenni.
Vanuit het land van Lernout & Hauspie dacht ik toen ineens: hier zal toch geen spraaktechnologie actief zijn?
Pas verderop in het interview zette ik het beeld soms op pauze om frappante verschrijvingen te noteren. Ze kwamen in eerste instantie voor bij namen:

like Wayne Shorter > like waiting shorter
Warren Beatty > more and beatty

Hoofdletters en onderkasten betoonden zich de hele rit sowieso grillig.
Daarnaast bleek het spraakprogramma moeite te hebben met wat ik maar benoem als een aardig mondje buitenlands. Joni Mitchell, van geboorte Canadese, sprak op zulke momenten Frans en Duits:

Debussy > do Busey
Zarathustra > spec ceressus to
Nietzsche’s Ubermann > neat you Zuber man
joie de vivre > water vivre

Geen verklaring heb ik ten slotte voor één werkelijk schitterende verschrijving:

philosophical > Asafa kuzava cool

Rare jongens, die trans-Atlantici. Joni bracht het niet overal gesmaakte woord ‘filosofisch’ hooguit wat ironisch voort, met een lagere stem dan gewoonlijk.
Na een eerste kennismaking vind ik deze YouTube-dienst fantastisch. De uitvinding zorgt voor een secundaire epifanie. Ik ging althans scherper luisteren naar wat me voorgeschoteld werd. Of er zo ook een wereld voor me openging, moet ik misschien elders nog eventjes nalezen.

zondag 26 november 2017

Broodje Dubbele Standaard




‘Pietendiscussie ontspoort in Nederland’, kopte de Vlaamse kwaliteitskrant afgelopen week.
In de tussentijd liet bij de schuifdeur de gourmande voor de Sint (ook na Conchita Wurst onbetwist een man) een verlanglijstje achter: scoubidoo, gitaarhouder, een hele grote knikker, een kat, pompstep, trompet in een kist, inktwisser. Het taalkundig genie weet op haar beurt, bijna christelijk, in eerste instantie niets te bedenken omdat ‘ik alles al heb wat ik zou willen’.
Ze zijn nog jong en kijken dagelijks naar het Vlaamse jeugdjournaal dat, minder pretentieus dan in het noorden, Karrewiet heet. Ik vermoed dat het Nederlandse drama er niet aan bod is gekomen.
Hen zou ik best kunnen bijpraten over het zwartepietendebat en zijn voorgeschiedenis, omdat ik me daar een beetje in heb verdiept voor mijn nakende bestseller. Maar ik betrap me op een schandaal, want heb geen puf voor een ongevraagde uitleg.
Vlak voordat ik de tekst definitief moest loslaten, kon de variant van de ‘Spaanse edellieden uit de zestiende eeuw’ nog vermeld. En de zetter ging aan de slag waarna de reactie kwam van het Landelijk Platform Slavernijverleden waarna de Belgische staatssecretaris van Twitterzaken zijn zegje deed.
Toen wist ik dat mijn stelling helaas aan kracht zou winnen: dit debat wordt niet opgelost zolang men bij elkaar, schermend met kinderen als bewijs, een empathietekort blijft diagnosticeren.
Het zouden immers (eigen) kinderen zijn waarom in Friesland een demonstratie tegen zwarte Zwarte Pieten op de openbare weg werd geblokkeerd. En het zou uit naam van (alle) kinderen zijn dat die demonstratie, waar ook kunstenaars bij waren betrokken, Mars voor Beschaving werd genoemd.
Op een of andere manier – en welja, nu doe ik mee aan het wij-zij-paradigma – raakt het laatste me meer. Raar, want ik verdraag het amper dat Herman Vuijsje zijn kans schoon heeft gezien om na het Friese debacle zijn barricaden weer te betreden. Ben ik geraakt omdat ik van links meer zelfinzicht verwacht? Omdat ik met het standpunt van die Mars instem?
Sedert jaar en dag mijn helden in deze materie: Jerry Afriyie, Quinsy Gario, Sylvana Simons. En als tragisch personage: Sunny Bergman, de misschien wel belangrijkste documentairemaakster van Nederland.
Als geen ander weet Bergman blinde vlekken in de samenleving zichtbaar te maken. Haar kritische engagement staat buiten kijf. Maar alleen al voor mezelf heb ik bladzijden vol aantekeningen die kunnen laten zien dat Bergman per project allerlei eigen blinde vlekken etaleert.
Daarmee zeg ik niets nieuws. De moeilijkheid is wel dat hoe evident en helder de voorbeelden daar ook van kunnen worden verstrekt, ter tegenbekritiseerde zijde ongeloof in minder geslaagde kanten van Bergmans missie alles smoort.
Op dit punt vrees ik ook mijn allergie bevestigd te zien tegen Twitter. Omdat de ruimte voor argumentatie ontbreekt, kan kritiek worden weggewuifd als zijnde de zoveelste dommigheid van potentiële PVV’ers. Met wat retweets onder gelijkgestemden is dat dan zelfs een uitgemaakte zaak.
Kennelijk verwacht ik van links behalve meer zelfinzicht toch ook vooral nuchterheid. Misschien is het namelijk niet relevant om, noem eens iets, eigen argumenten te categoriseren als ‘wetenschappelijk’. Of om een actiegroep Kick Out Zwarte Piet te noemen. Tenzij men wil praten tegen, in plaats van te praten met andersdenkenden.
Ik weet niet hoe de wereld werkt, maar ik denk dat het gaat zoals Tonnus Oosterhoff het bedichtte, die het kennelijk ook niet weet:

Een boom valt op een dak
nooit zomaar
maar ook nooit met een reden

Raar, nogmaals, dat me alweer een mening besluipt: ik ben bepaald koppig (elk jaar stonden op mijn verlanglijstje een tafelbiljart en Bessy-hond bovenaan) en ik huiver van pragmatisme – en toch lijkt het me geen nederlaag om, zoals gebeurde, de naam van het project Zwarte Piet is Racisme te wijzigen in het zalvende Nederland Wordt Beter.
Een getuigenis helpt waarschijnlijk zeker om te overreden. In haar bijdrage aan het belangrijke boek Sinterklaasje, kom maar binnen zonder knecht (1998) begon Lulu Helder met anekdotes waarin zwarten werden geacht specifieke rollen te vervullen. Zo vertelde ze over een zwarte universitair docente die moet spreken op een conferentie, bij binnenkomst op een man afloopt om zich voor te stellen en van hem vervolgens zijn jas krijgt aangereikt.
Zelf kende ik dit horrorverhaal uit White Innocence van Gloria Wekker die hier het lijdend voorwerp was. Wel was ze toen pas afgestudeerd beleidsmedewerker op het ministerie van WVC en betrof het een vergadering. Ook kwam ze binnen toen de mannen al met elkaar in groepjes stonden te praten. Ten slotte vermeldde ze de reactie van de man: hij werd purperrood.
Het blijft even pijnlijk dat Wekker wordt aangezien voor een garderobejuffrouw, maar betaamt het dat ik de context geef? En vermoed dat de man wellicht de les van zijn leven heeft geleerd? Of verzacht of ontken ik op deze manier iets?
Verder vraag ik me als taalmannetje af of het zou helpen wanneer er, zoals na de Friese rel geschiedde, geen gewag wordt gemaakt van een ‘institutioneel machtsmisbruik’.
En als we dan toch even wat kosmopolitischer gaan denken, wat een vooruitgang zou het zijn wanneer het inzicht komt dat Nederland één grote Randstad annex provincie inhoudt. En wanneer de jij-bakkerij met zijn broodjes Dubbele Standaard voorgoed wordt gesloten.
‘Zal de discussie over Zwarte Piet ooit beslecht worden?’, kopte een Nederlandse kwaliteitskrant. Ik kan niet beslissen of die vraag retorisch was, maar met alle media-aandacht zouden de termen ‘vrije meningsuiting’ en ‘censuur’ niet meer ijdel mogen worden gebruikt.
Het ergste is wel is dat de meeste populariteit afgelopen week zal zijn vergaard door het standpunt om, wederom in naam van de kinderen, het debat te laten rusten tot na het feest. Dat suggereert een neutraliteit die niet bestaat – voor zover het debat dat al niet duidelijk had gemaakt.
De bal ligt in het kamp van de regering. Zou ze hebben geleerd van het communicatief mislukte, maar intentioneel lovenswaardige Pietenpact van de zuiderburen vorig jaar? Nu er zelfs een Nederlandse vlag in de Tweede Kamer staat, moeten Oranje Pieten mogelijk zijn.