donderdag 7 april 2022

Bij wijze van naschrift

 

 

 

Ik raak er niet uit. Meestal een goed teken voor een boek, maar mijn ongemak over Joris Luyendijks De zeven vinkjes groeit. Zeg het dan maar tegen mij, Marc, in je eigen woorden.

Een tijdje geleden meldde ik elders dat Luyendijk, niet als enige bekende publicist, lastig een schrijver te noemen valt. Inmiddels pieker ik: waarom doet hij zoveel moeite zichzelf juist in dat ambacht te presenteren? Tegelijk had zijn boek een punt dat dan wel overbekend was, maar toch. Onrecht moet worden bestreden, ongelijkheid gerepareerd en kansen gelijkelijk verdeeld.

Juist in deze maanden kunnen privileges – sorry voor mijn scheldwoorden – positief worden ingezet. Vluchtelingen uit Oekraïne, en andere geprangde landen, verdienen onderdak. Wat zou het gepast zijn wanneer burgers hun vakantiewoningen en tweede verblijven, waarvoor al zoveel publieke ruimte heeft moeten wijken, ter beschikking stellen aan minder gefortuneerden!

De kritiek die Luyendijk, ook van mij, te verduren had, kwam hem niet integraal toe. Slaat het ergens op de zekerheid te formuleren dat hij ‘het hart op de goede plaats heeft’? Er wringt dan nog altijd iets. Afgaand op het recensieoverzicht dat zijn uitgeverij samenstelde, was er louter lof. Al schijnt ze ook een advertentie met – anders suggererende – steunbetuigingen van bekende Nederlanders zoals Quinsy Gario de wereld in geholpen te hebben. In een vergeefse zoektocht daarnaar ontdekte ik dat de auteur recensies prees die hem aanstonden als ‘intelligent’ en gedurfd om, godbetert, het ‘eigen zelfbeeld te bevragen’. Ook bestond hij het achteraf zijn beklag te doen over de aandacht die hem ten deel was gevallen.

Luyendijk klaagt dat hij zijn betoog toegankelijk wilde maken voor iedereen. Daarmee schroeft hij zich harder vast aan De Correspondent, waar een elementaire, retorische stijl heerst vol anaforen. Ooit verbaasde ik me daarover naar aanleiding van een principetekst van hoofdredacteur Wijnberg en essays die deze kritische nieuwswebsite bestelde bij literatoren. Later las ik Bregman, onlangs Mommers – en de stijl blijkt besmettelijker dan ik vreesde.

Een ware tic is het aanspreken van de lezer gepaard met zelfprofilering. Dat past bij het bovenmatig narcisme van millennials, maar Luyendijk behoort daar niet toe. Geboren in 1971 zou hij een oudere broer van De Correspondent kunnen zijn. En er zit in De zeven vinkjes iets gearriveerds. De ‘research’ en ‘fact checking’ besteedde hij namelijk uit (geen noviteit, ook niet in de laaglandse literaire wereld, waar Jeroen Olyslaegers volgens mij deze primeur had).

Natuurlijk kende Luyendijk voordien een verbluffend succes dat hem wellicht toestond personeel voor dit project in te huren. Hoewel? Ik blijf kauwen op zijn meermaals geuite verzuchting dat hij maar liefst ‘tweeënhalf jaar’ aan zijn boek had gewerkt. Zo kort? En met dit resultaat? Om de tekst soepel te houden staat er tweemaal in het boek de uitroep ‘tjakka’. Ik zou de afslag naar Van ’t Heks Grachtengordel niet nemen, en de kant op gaan van Emile Ratelband en dan toch werkelijk ‘tsjakka’ spellen. Nu betoont De zeven vinkjes zich zelfs in zijn populisme halfslachtig.

Luyendijks niet-aflatende zelfpresentatie als schrijver wil de kansen uitvergroten die hij kreeg dankzij zijn privilegeseptet. Daar kan ik nog twee kanttekeningen bij maken.

Eerst is er de kwestie van ambachtelijke geloofwaardigheid. En dan gaat het meteen mis, wanneer hij belooft mannen zoals hij ‘op de snijtafel’ te leggen. Deze uitgeverij heeft een bekwame redacteur in dienst; het laten passeren van zo’n afgelebberde beeldspraak duidt erop dat de auteur als melkkoe geldt. Maar dan nog zouden bekwame recensenten én kwaliteitsboekhandels, en ik zeg dat in het besef dat stijl een fopartikel werd, hun lectuur mogen staken.

(Inhoudelijk is het beeld tragisch voor een auteur die met het boek beoogt zichzelf weg te cijferen om mensen met minder vinkjes ruimte te geven.)

Ten tweede is er zoiets als institutionele geloofwaardigheid – sorry dat ik blijf vloeken. De praktijken in de wereld die Luyendijk onder vuur neemt zijn afschuwelijk. Een ons-kent-ons-gedoe, dat in België helemaal stuitend is door de mannenbolwerken die loges heten. Wat stelt de auteur er tegenover? Zijn klacht over de ontvangst van De zeven vinkjes betrof met name de VPRO-televisie. Dat snap ik, temeer daar de twee belangrijkste critici (Neelie Kroes en Sylvana Simons) doodleuk verklaarden zijn boek niet te hebben gelezen. Minder compassie heb ik met zijn verontwaardiging dat hij in het verleden veel voor die omroep had gedaan. Dienst wederdienst? Was dit niet wat ‘op de snijtafel’ lag?

woensdag 30 maart 2022

Waarom dissensus?

 


 

Wie een huis deelt moet compromissen sluiten, maar het mijne oogt best geslaagd voor een leesideaal. Bij alle banken en stoelen waar ik geregeld lig of zit, en bij de toiletten, bevinden zich boeken en tijdschriften waar ik in bezig ben. Alleen poetsbeurten strooien roet in het eten. En ordeningspogingen?

Onlangs ontdekte ik dat zich half achter een paar schuingevallen literaire bladen op een metalen afdruiprek, hergebruikt als boekenplank, een knoeperd van een verzamelbundel ophield die ik vóór de lockdown cadeau had gekregen. Er stonden verspreide stukken in die, in hun verhoopte verwantschap, grotere handigheid en intensiteit vertonen dan wat ik hier op De honingpot probeer.

De schrijver heet Mark Fisher. Deze Engelse filosoof maakte naam met zijn boek Capitalist Realism. Is There No Alternative? uit 2009, maar was ook digitaal actief op zijn blog k-punk. Onmachtig gebruik van de verleden tijd – Fisher, drie jaar jonger dan ik, pleegde zelfmoord in 2017.

Mijn generatiegenoot vindt nog weerklank in het Nederlandse literaire taalgebied. Recent, in de verkennende studie Barricadepoëzie, dook zijn naam vanzelfsprekend op bij Samuel Vriezen en bij Dominique De Groen. Laatstgenoemde had zich ook elders over hem uitgelaten, net als Arno Van Vlierberghe en Hans Demeyer. Allen werken mee aan het tijdschrift nY, dat een door Fisher geïnspireerd dossier samenstelde.

Als altijd achter de feiten aan lopend, maak ik alsnog kennis met de stukken. Hun behapbare lengte wekt in mij de aandrang om er eens eentje te vertalen. Zoals het onderstaande, ‘Why Dissensus?’, waarbij mijn oude angstgegner PowerPoint een tik op de kin krijgt die geen Oscarkrans behoeft. Fisher bericht over meer virtueel geweld, tijdens een bijeenkomst in 2004 die hij bijwoonde. Zijn verslag is in de bundel gerangschikt bij de disparate afdeling Reflexions.

Het spreekt voor zichzelf. Hoewel? Onder de blog waarop Fisher zijn punt maakte ontspon zich een discussie waaraan hij gewetensvol deelnam. Hij beloofde zelfs een apart draadje te spinnen rond zijn boude gelijkstelling van Microsoft en macht à la Tony Blair, toenmalig premier en postideologisch ideoloog die de samenleving vergiftigde met dystopische dadendrang. Helaas heb ik die draad zo gauw niet gevonden. Wat verwacht ik toch veel van dissensus!

Wel bleek uit de blogdiscussie dat, in het begin-eenentwintigste-eeuwse Engeland, een docent die zich onthield van bulletpoints versleten kon worden voor een marxist. En dat David Byrne kunst maakte met PowerPoint. En dat Fisher zich nog had ingehouden.

Een woord waarover ik bij het vertalen twijfelde, is Fishers kwalificatie ‘Kommissar’ voor de organisator van de bijeenkomst. Deze vertolkt Blairs gedachtegoed. Voor het Nederlands probeerde ik obersturmbahnführer, feldwebel, commies, thesaurier, technocraat, agent, hoofdagent, brigadier en ik landde bij frater.

Het woord is aan hem. En vooral aan zijn opponent:

 

 

Ik hoorde het woord dissensus toen ik een paar weken geleden op de 28e verdieping was van het Centre Point.

They took me to the top of a mountain.

Uiteraard was het uitzicht verbijsterend, letterlijk subliem: Londen in al zijn onhandelbare uitgestrektheid, zowel van bovenaf gezien als vanuit het centrum zelf. Het was er hoog, zo hoog, en met de lange tafel voor je en de metropool beneden leek het alsof je de economieën van de derdewereldlanden zou moeten verpletteren.

Ik was gekomen voor een vergadering over Moodle, dat een ‘virtuele leeromgeving’ is, een behoorlijk recente – en, naar zou blijken, erg opwindende– open source softwareapplicatie. Ik wist er niks van en toen we ‘in groepjes verdeeld’ werden door de dienstdoende Blairistische frater vroeg ik botweg wat de voordelen van Moodle waren boven html. Teken: donkere blikken en gefrons van de pupillen. De frater, die zich bij onze groep had gevoegd, zegt me, op de vriendelijkst mogelijke manier, dat ik ‘weifelend overkwam en over mijn houding mocht nadenken’.

Zo! Dus weifelen is tegenwoordig pathologisch. Grof. Ik snapput.

Tuurlijk, zo snel als een flitslicht, antwoordde ik. ‘Jep… en u mocht nadenken over de status van Blairistisch manageralist.’

‘Blairistisch?’ antwoordde hij, zichtbaar verbaasd dat zijn beleefdheid werd uitgedaagd. Om te worden tegengepathologiseerd.

Vervolgens lanceerde een vrouw van het Dublin College, die ook in ons groepje zat, een achterafaanval op PowerPoint (‘gedood door een vinkje’… ‘iets wat ingezet wordt door mensen zonder charisma…’, zoals op de radio iemand deze week tijdens The Danny Baker Show terecht zei). Ze wees erop dat ze een paar weken geleden een presentatie had moeten houden en dat mensen verbijsterd en woedend waren geweest dat ZIJ GEEN POWERPOINT GEBRUIKTE. Wanneer je een opgeruimde geest hebt, dan is er werkelijk, zoals ze terecht redeneerde, weinig behoefte aan PowerPoint.

Teken voor de frater, wederom. ‘PowerPoint? Troep? Het is maar een tool, toch?’

donderdag 24 maart 2022

In een bezemomdraai

 

 

 

De nieuwe editie van Van Dale levert natuurlijk altijd wel wat commentaar op, maar betreffende het belangrijkste onderwerp op aarde, de aarde zelf, bleef het stilletjes. Logisch? Relatief gering was de aanwas van klimaatwoorden, dik twintig in vergelijking met 2015 – toen er een veel grotere sprong werd gemaakt in dit specifieke idioom.

Dat taal bij dit gevoelige onderwerp nochtans strategisch kan worden ingezet, demonstreert de liberale Gentse filosoof Maarten Boudry in Waarom ons klimaat niet naar de knoppen gaat (als we het hoofd koel houden). De opzichtige toevoeging tussen haakjes leert meteen dat er een rationele benadering van de klimaatproblematiek bestaat, die loont. Al het andere, bijvoorbeeld het detail dat onze planeet in gevaar is, blijkt hysterie.

Boudry hecht aan andersdenkenden steevast twee woorden: doem en profeet. In het oliedomste geval raken ze fataal verkleefd in ‘doemprofeet’. Het blijkt geen neologisme, maar ik vind het een krampachtig epitheton omdat het onverhuld sneert, zonder rationele nuance.

Bij (potentiële) medestanders kan het woord wellicht wel effect sorteren. Een moment improviseren met samenstellingen waarin de twee componenten figureren, maakt duidelijk dat het Nederlands er weinig goeds over belooft. Er bestaan bijvoorbeeld doemdenkers, doemgedachten, doemscenario’s – alle woorden brengen het zonnetje niet direct binnen.

Ook een profeet kan bij mensen, die met hun poten in de klei staan, niet rekenen op veel medestand. Hij spoort gewoon niet, een hystericus inderdaad, en manoeuvreert moralistisch met zijn wijsvinger. In die zin hoort Boudry’s keuze bij een hele reeks pejoratieven als klimaatfanaat, -ridder, -goeroe, -gelovige, -drammer, -gekkie. Deze types opereren in een biotoop die een klimaatdictatuur annex klimaatkalifaat is genoemd.

Zelf zou Boudry dan een goudeerlijke klimaatketter zijn, die zich louter baseert op wetenschappelijke data. Maar hij gebruikt een listiger term door zich aan te sluiten bij tovenaars. Dat woord heeft in het Nederland gunstige geloofsbrieven. Toverachtig, toverbal, toverfluit etq richten alleen maar plezier aan.

Toch kan de tovenaar met wat kwade wil in het kamp van de profeet belanden, als de associatie met magie een betekenisveld opent dat alsnog irrationaliteit verraadt. Een kwakzalver! Boudry moet zich dat gevaar bewust zijn geweest, doordat hij op zijn tovenaar consequent het etiket ’slim’ plakt.

Daarmee plaatst hij zich in een internationale traditie, die waarschijnlijk begon bij Bill Clinton en die, hoe pijnlijk, bij Obama haar hoogtepunt vond. Wie smart was, benutte niet alleen de technologie. De aanspraak is zeker ook aan de goede kant van de welvaartsgrens te staan.

Op dit smart-paradigma heeft filosoof Michael Sandel felle kritiek geuit in De tirannie van verdienste. In de Lage Landen bepleitte zijn collega Hans Schnitzler zelfs herformulering, zodat het begrip minder versluiert. In plaats van ‘slimme stad’ suggereert hij ‘voorgeprogrammeerde stad’ of ‘binaire stad’.

Het zal Boudry allicht worst wezen. Hij tergde mij met karikaturale schetsen van ‘mijn’ decennium, ‘de’ jaren zeventig, toen wolkenhoge idealen uit ‘de’ jaren zestig in de praktijk wilden worden omgezet. Actie tegen de ondergang van de planeet! Volgens hem zou zeventig dictatoriaal en hysterisch zijn geweest. Waar heb ik dat vaker gelezen.

Ondertussen paart Boudry zijn onomstreden staalhard klimaatfeitenmateriaal voor het ultieme overtuigingszetje aan beeldspraak, met alledaagse voorwerpen zoals bezems. Tegelijk maakt zijn betoog kortsluiting wanneer het concreet wordt. De grootschalige aanplanting van bossen, ter verkoeling en ter verschalking van onze vernietigende uitstoot, vindt Boudry gevaarlijk omdat er door de temperatuurstijging grote kans is op bosbranden…

Overigens zou het me niet verbazen dat de strategie met de doemprofeet pas later in de tekst is gekomen. De achterflap, in de huidige cultuurindustrie het enige wat er van een boek bestaat, kant zich nog vertrouwd tegen ‘onheilsprofeten’.

Dat lijkt ook best rendementsrijk. Woorden als onheilspellend, onheilszwanger en onheilsboodschap zijn niet uitnodigend. Maar ergens moet Boudry hebben beseft dat hij met die achterflapterm een niet te temmen tegenstrijdigheid binnenhaalde. De allerbekendste onheilsprofeet was immers Cassandra. Zij werd niet geloofd – hoewel ze de waarheid sprak.

dinsdag 15 maart 2022

De heuglijke worp

 

 

Hoe zullen na de eerste paniek de verdreven en uitgeweken Oekraïners hun verveling verdrijven, om te beginnen in het onverstaanbare Europa? Hun verblijf is geen griepje en zal langer duren dan een midweek. Zou het dan niet fantastisch zijn wanneer ze de taal van het betreffende land leren, en vice versa aan hun leraar-inwoners Oekraïens bijbrengen?

Mensen die woorden kunnen beheersen van de overheid waaronder ze verblijven, vergroten immers de kans op hun overleven. Ik heb daar een neologisme over ontmoet: ‘gezondheidsgeletterdheid’.

Daar moet je wel wat voor doen.

Buiten de mythologie houd ik niet van het woord ‘uitdaging’, maar volgens Google Translate heet het in het getroffen gebied виклик, uit te spreken als vyklyk (niet te verwarren met de in daden weinig heraklestische en in woorden allerminst eenentwintigste-eeuwse figuur van Klukkluk).

Theoretisch vergemakkelijkt de kennis van minstens één taal, zeker bij kinderen, het leren van een andere taal, met het Esperanto dat we Engels noemen wellicht als brug. Het is bovendien aardig om vallen en opstaan te delen en tegelijk te merken dat het begrip voor elkaar toeneemt.

Ten slotte mag ik bij dit idee, noem het gerust een proposal, als Hollander het zakelijk belang niet vergeten. Meer literaturen kunnen zich op termijn verheugen in een vergroot afzetgebied. Voorlezen en lezen zijn immers nuttige breekijzers om toegang te krijgen tot een taal.

Laat de boeken komen.

 

In eerste instantie kunnen bibliotheken nuttige diensten bewijzen. Ik ben er althans nog nooit in een geweest die niét afgeschreven, dubbele en beschadigde exemplaren verkocht. Nu doen ze dat eens helemaal gratis, voor de goede zaak.

Bovendien moet er in bibliotheken expertise liggen van leesniveaus. Met becijferde en benummerde etiketjes en zo, die eindelijk maatwerk kunnen leveren. Dolletjes.

Ik zeg dit op een gevoelig moment. Vorige week is bekendgemaakt dat het maatwerk bij Biblion, ter verhoging van de vergeetsnelheid (‘doorlooptijdverkorting’), in het vervolg zal komen van robots wier artificiële intelligentie bij het lezen onverslaanbaar wezen zou.

Zacht gezegd was niet iedereen overtuigd. De onmisbaar geworden literaire nieuwssite Tzum begon manisch te walgen. Op schier ieder uur van de dag, algoritmisch bijna, werd het ene bitse bericht na het andere – met te lange titels en te oubollige foto’s van computers uit de jaren stilletjes – de wereld in geslingerd. Erg veel menselijk zintuig voor taal proefde ik er ook weer niet in.

De beleidsverantwoordelijke directrice van Biblion werd dermate zouteloos gehekeld, dat ik ridders-en reddersfantasieën in mij voelde opwellen. Mijn geliefde branchestek Neerlandistiek.nl beweerde onderwijl dat er honderden recensenten ‘op straat gezet’ waren. Met Oekraïne zo dichtbij! Gelukkig stond erbij dat deze mensen erg mager werden vergoed voor hun arbeid om de boekenstroom in een handjevol woorden van aanschaftips te voorzien.

Ik hoop dat zij hun huis niet hoeven te verlaten.

maandag 7 maart 2022

Prismatische breking

 

 

1. 

Bij alle kijkjes in het blijkbaar ovaal geworden hoofd van kameraad Vladimir Poetin, na de oorlog die hij in Oekraïne ontketende, wijst de wegkapitein me erop dat één supermicrokleine, ultrawerkzame factor niet wordt genoemd. Die schraagt evenzeer het voortgaande geraaskal van Trump en dat van vele machthebbers voordien, ongeveer tot terug in de Oudheid.

Zij zijn: mannetjes.

Dat zou betekenen dat de wereld wel heel sterke vrouwen nodig heeft om in evenwicht te raken. Inderdaad mag naast niet-aflatende analyses van hoe Poetin zich over een periode van jaren heeft voorbereid, eventjes worden opgemerkt dat hij Oekraïne pas aanviel nadat Angela Merkel van het wereldtoneel verdween.

Maar Ursula von der Leyen dan? Ze kwam nota bene niet eenmalig in de publiciteit doordat bijna net zo machtige politici, meer specifiek heren, haar bij officiële begroetingen negeerden. In de recente geschiedenis was er verder Theresa May, die zich dienstbaar maakte aan een Brexit-agenda die de hare niet was.

Evenzeer uit Engeland stamde iemand die de Iron Lady werd genoemd, wat verwijst naar haar door niets te doorboren onverzettelijkheid maar waaronder ik toch ook het strijken van kleding beluister. Ze verlaagde haar stem tot herenhoogte en recycleerde, zoals Mary Beard uitlegde, een vrouwelijk symbool in het fenomeen handbagging, het verbaal verpletteren van iemand anders.

O collega mannenmens, wij staan er niet goed op. Gelukkig heeft Caroline Criado Perez met nogal machistische beslistheid gedemonstreerd hoe de wereld op de maat van heren is gesneden. Ook zette Rebecca Solnit, na slachtoffer van onze soort te zijn geweest, het fenomeen mansplaining op de agenda (überhaupt kun je ver en hoog komen met napraten).

Dit is natuurlijk gemakzuchtige praat van een zijlijndeskundige. Dus pijnigde ik mijn hersenbinnenste voor aanvullende bewijzen. En dacht aan een topos in belangwekkende televisiereeksen De Indische rekening en Sander en de kloof die, achteraf gezien, best maf was. Als tussendringende vertellers waren Sander Schimmelpenninck en Hans Goedkoop niet alleen personages in hun relaas. Ze annexeerden ook de verbeelde ruimte door hun, overigens prachtige, eigen huis als decor te nemen.

Zouden vrouwen dat durven, in documentaires waarvoor ze bij de research geholpen hadden? Iets zegt me van niet, los van het feit dat ik geen voorbeelden ken. Waarom? Mijn vermoeden: ze zouden het vooroordeel vermijden zelfs in ernstige materie aan lifestyle te doen.

 

2.

Hoe zou de taalvaardige Goedkoop zichzelf inmiddels definiëren? De laatste keer dat ik zijn naam aantrof, was in een eenmalig Indisch-Nederlands glossyinitiatief, dat vet knipoogde naar Linda en zich Pinda noemde. Daarop reageerde een Dekolonisatie Netwerk dat die titel ‘problematisch’ en racistisch was. En dat het niet om te lachen was, veeleer walgelijk, om daar de uitdrukking ‘tot pinda gemaakte’ bij te slepen.

Hier raken we het hart van een debat dat enige jaren op de teller heeft. Vooral trans-Atlantisch, waar zich in media al sinds 2012 taal profileert die identiteitskwesties uitdrukt. Centraal in dit debat staat degene die ook de rode draad weefde in mijn vorige fragment, als marionettenspeler van de macht: de witte man. Deze calimeroot nog wat en hoopt een denkbeeldige vijand te raken door kaatsing van het diffuse woord woke, waarmee de onderliggende partij zich moed insprak. In het Nederlands is het zowel een substantief als een adjectief.

Bij kaatsing door de bovenliggende partij waant de witte man zich slachtoffer. Zijn meningsuiting zou beknot worden en hij weet voortdurend kans te lopen op cancelling. Alleen de zwakste broeders van de bovenliggende partij maken vervolgens excuses. Volgens dit projectieschema zou Goedkoop, al is hij dus niet spierwit, desnoods gerepigmenteerd worden om schuldig te zijn.

Hoe dat allemaal precies werkt, blijft schimmig. Maar inleidende verheldering biedt Walter Weyns in zijn boek Wie Wat Woke? Een cultuurkritische benadering van wat we (on)rechtvaardig vinden. Ik beken dat ik het, voor zover dat al mogelijk is, niet neutraal heb gelezen, na kennisname van twee recensies op wittemannenbastions: met pathetisch grote lof van de Vlaams-nationalistische website Doorbraak, en naar rechts doorverwijzende reserves van het gestaald linkse DeWereldMorgen.

Daarnaast is het in mijn sector ondoenbaar te ontkomen aan berichtgeving rond een nieuwe roman van Jamal Ouariachi, blijkbaar ook gewijd aan woke. Terwijl Nederland het dus moet stellen met een tijgerzaag, beweegt België mee met het scalpel van Weyns. Deze cultuursocioloog serveert in eerste instantie feitenmateriaal, zowel historisch als actueel. Hij vat woke op als een prismatisch begrip, net als ‘witheid’, wat een nuttige observatie is, nu prominent zelfzekere rechtsradicalen de kennis van de ware werkelijkheid van alledag claimen:

 

‘Een prisma toont dat er twee kanten zijn aan licht: aan de ene kant een witte luchtbundel, aan de andere kant de kleuren van de regenboog. Nochtans gaat het om hetzelfde licht. Prismatische breking zet het ene om in het andere.’

 

Uiteraard is deze blik tegelijk retorisch geslepen omdat Weyns zelf een witte man is en onvermijdelijk zijn perspectief mee laat kleuren in een beeldrijke stijl, die zich tegenover woke zowel ironiserend als besmuikt opstelt. Bovendien doet hij eerst rustig zijn betoog en duidt pas in het laatste hoofdstukje het begrip woke talig. Dankzij woordenboeken, waarvan hij bij de introductie van het prismatische concept had verklaard dat ze tekortschieten.

Objectief is Weyns dus allerminst, maar hij houdt zich ook ver van Ouariachi’s rigide subjectiviteit. De vergelijking van woke met gnostici die over inzichten zouden beschikken die niet-ontwaakte zielen missen, zie ik de op direct effect beluste literator niet maken. In Wie Wat Woke? houdt een professor een lange tafelrede voor vrienden en potentiële geestverwanten. Des te merkwaardiger dat hier de suffragette die zich onder het paard van de koning wierp Emily Dickinson heet, zoals de dichteres, en dat de geschiedenis haar kent als Emily Davison.

donderdag 24 februari 2022

Blijf van mijn mening af!

 


 

 

In de week dat Poetin een oorlog begon die zo onbegrijpelijk is dat kenners haar alleen kunnen duiden uit de stand van zijn wenkbrauwen en duimen, had ik meningen.

Eentje ging over een onbegrijpelijk boek en de dermate onbegrijpelijke reacties daarop dat ook de redacteur van een kwaliteitskrant zich verbaasde over ‘de hoeveelheid ophef’; een andere mening gold een verzameling wetenschapsartikelen over het onbegrijpelijkste medium dat we gemakshalve taal noemen.

Twee meningen, en de week is nog niet eens voorbij! O conimex, o deuren.

Een tijd geleden las ik van Jacob Groot Toen ik alle dingen zag. Reis door de tijd van de provincie. Een reportage (2020). Herkende ik wie of wat en waarom eigenlijk?

 

‘De typische Nederlander, zoals we allemaal weten, wil zo weinig mogelijk eigenschappen gemeen hebben met de meerderheid van de Nederlanders. Afkomstig uit het meest nederig gelegen land ter wereld, voert de typische Nederlander bovendien overal en nergens het hoogste woord, alsof de wereld alleen voor hem bestaat en de wereld dat zal weten ook. De typische Nederlander is eigenlijk gewoon een solipsist.’

vrijdag 18 februari 2022

Het motto van deze regering

 

 

Vooruit. Politieke vernieuwing, digitale cultuur en socialisme (2021) van Ico Maly is even leerzaam als deprimerend. De marketing komt nog altijd bij je thuis tegenwoordig, maar verder over de drempel dan een aap zou wensen. Van een schermpje naar je hoofd, het is in de politiek evengoed een kleine stap.

Het boek is beter geschreven dan ik verwacht had, al gebruikt ook Maly te pas en te onpas dat rare werkwoord ‘vervellen’ wanneer er iets is veranderd dat weinig goeds belooft. Maar hij beschrijft al genoeg waar ik met grote, allerminst begerige ogen naar kijk. Lang maakte het vak van copywriter me jaloers, nu weet ik het even niet meer.

Wat voor een mensbeeld moet je hebben om, voor een partij die ook als beweging solidariteit in het vaandel zegt te dragen, een funnel te construeren? Da’s een trechter waar zelfs klanten van Dante nooit meer uitkomen. Hier gaat het om digitale oproepen aan zogeheten gewone mensen eindelijk te zeggen waar het op staat. Die input wordt door hoogopgeleide partijstrategen vervolgens genegeerd, geherformuleerd of gekopieerd.

Bizar is te lezen dat partijleider Conner Rousseau zich bij Vooruit, zijn naam voor socialisten 2.0, inspireerde op ‘een paar slimme gasten in een café in Gent (die) een ongebruikte oven zagen, hun geld bij elkaar legden en ZELF brood begonnen te bakken.’

Maly tekent terecht aan dat dit meer klinkt als een start-up dan als een socialistische eenheid, maar ik hoor in Rousseaus uitleg nog iets. Het ontstaan van de vrije markt namelijk, volgens Adam Smith, die bij bakkers een welbegrepen eigenbelang zag – dat door een onzichtbare hand zou worden gecorrigeerd wanneer de prijs voor de klant de hoogte in schiet.

Vermoedelijk hoorde Rousseau zelf in het initiatief van zijn slimme gasten Geen woorden maar daden (een motto dat bij een bepaalde Rotterdamse voetbalclub ook aanslaat). Maar dat denk ik wegens een citaatfragment waarmee Maly me zowaar de slappe lach bezorgde. Dus sloeg ik er dankzij zijn eindnoot het interview op na. En Conner Rousseau, King Connah voor de vrienden, zegt het echt:

 

Toch ben ik er echt van overtuigd dat deze regering het geloof in de politiek kan herstellen, door fatsoenlijk beleid te voeren en elkaar niet voortdurend aan te vallen in de media. ‘Show, don’t tell’, dat moet het motto van deze regering zijn.

 

Of schater ik uit leedvermaak? Niets menselijks is mij vreemd, maar dan zou ik me veeleer schamen mijn eigen vak zo belangrijk te vinden dat iedereen het zou moeten kennen.

Hetzelfde interview leerde me trouwens dat Rousseaus boek T., een zogeheten origin story die zijn politieke passie wil verklaren uit zijn jarenlange vrijwilligerswerk bij de jeugdbeweging, eerst anders zou heten: Mijn kampen. ‘Die titel werd me voorgesteld, maar ik had geen goesting in een Hitler-rel.

woensdag 9 februari 2022

Het moderne retroleven

 



 

Een A-merk-schrijver klaagt in een opiniestuk over zijn privileges. Het staat in een kwaliteitskrant en verschijnt ter gelegenheid van zijn nieuwe boek bij zijn nieuwe uitgever, die meer maatschappelijk geëngageerd is. Een dag later geeft hij er een groot interview over in een andere kwaliteitskrant, en ik word verwittigd dat hij ook op de Belgische televisie komt klagen over al dat onproblematische voorschuiven. Wordt ongetwijfeld vervolgd. Arme meneer.

 

Syl Johnson is overleden, een paar dagen na zijn broer. Wat een muziek, wat een intensiteit, wat een woede! Hij zal voortleven. Volgens de laatste cijfers in 414 samples en 27 covers.

 

Nadat onze oude buurman stierf en even later zijn vrouw, kwam hun vervallen huurhuisje te koop te staan voor een absurd hoog bedrag (‘toplocatie’). Vóór de kijkdag was het al verkocht. Twee jaar lang werd het verbouwd, hoorbaar grondig, ook in de weekenden. De toekomstige buur bracht materiaal in zijn SUV. Na de renovatie stond het huis plots te koop, voor meer dan het dubbele. Familiekapitaal gewenst. Vandaag vertelt een diagonale sticker ons: VERKOCHT!

woensdag 2 februari 2022

Niemand een tweede kans?

 


 

 

Ik las De wederafbouw van de satire, een pamflet dat afgelopen zomer verscheen. Arthur Umbgrove begint het met fictie, in de vorm van een verhaaltje dat rond 2040 speelt. Cabaret is dan illegaal en fysiek gemarginaliseerd. De dienst wordt uitgemaakt door safe stages waar louter ‘neutrale’ kunst wordt vertoond. In die maatschappij zijn ‘stigmatiseren’ en ‘stereotyperen’ domweg uitgesloten.

Dit verhaaltje is een dystopie maar ik kan het evengoed sciencefiction of parodie noemen. Het wil natuurlijk overtuigen voordat Umbgrove met rationele argumenten aankomt. Zo etaleert hij zijn grieven, waarna de taal die beter bij het pamfletgenre hoort het werk kan afmaken.

Toch schermt Umbgrove al in zijn dystopie met feiten. En dan hinkt zijn geloofwaardigheid omdat hij Wim Sonnevelds meesterstuk Frater Venantius tien jaar te laat dateert. Even ongemakkelijk stemt me in het betoog een eindnoot, bij een uitspraak van Robin Williams, dat Umbgrove de precieze quote niet meer weet en het fragment niet kan vinden – maar dat de strekking klopt. Een snelle blik leert ten slotte dat de bibliografie in De wederafbouw van de satire nogal mager is.

Dit zijn geen reflexen die ik met liefde verwelkom. Umbgroves onderwerp is namelijk belangrijk en de vrije meningsuiting wordt al omzwermd door genoeg meningen. Ironischerwijs betwisten ze geregeld het bestaan ervan. ’Je kunt tegenwoordig niets meer zeggen’. ‘Elk woord wordt gewogen.’ ‘Zelfs een compliment kan verkeerd vallen.’

Hoe ziet de veelzijdige Umbgrove het, die zich in zijn pamflet vooral aandient als cabaretkundige? Hij erkent meteen dat de tand des tijds evengoed knaagt aan humor. Daarbij noemt hij ook een recente klassieker van Arjen Lubach waarvan de houdbaarheidsdatum al zou zijn verstreken. Maar spoedig spitst Umbgrove zijn betoog toe op religie.

Ooit was het revolutionair en emanciperend te spotten met geloof; hij noemt het Ezelproces. Heden zou die vrijmoedigheid onmogelijk zijn. Het keerpunt ziet Umbgrove in Nine-Eleven en in de moord op Theo van Gogh. Zo presenteert de achterflap dit frame ook en wordt, nog maar eens, ‘de islam’ aanstichter van alles wat ongewenst is in de verlichte westerse wereld. Ditmaal (zelf)censuur. De tekst zelf gewaagt van een ‘tweede machtsfactor’, die agressiever en effectiever zou zijn dan de gevestigde orde waartegen satire zich per traditie richt:

 

‘Ik weet wel dat er nog een paar cabaretiers zijn die het nog aandurven de islam te bekritiseren, maar ook zij laten het uit hun hoofd om de profeet rechtstreeks te beledigen. Daar waar zij zonder voorbehoud en direct de spot drijven met oude “heiligen”, zoals Jezus of de (toenmalige) koningin.’

 

In het allerlaatste voorbeeld meen ik Hans Teeuwen te herkennen, wiens opvattingen en status De wederafbouw van de satire vaker aan de orde stelt. Umbgrove meldt bovendien netjes dat zijn angst verder al is vertolkt door Youp van ’t Hek. Het feit dat zelfs mij dat in België bekend is, spreekt dat de censuur niet een beetje tegen?

Mij valt vooral op dat humor hier zonder voorbehoud gelijkgesteld wordt aan kritiek. Maar gelukkig beperkt Umbgrove zich niet tot ‘de fanatieke en gewelddadige gelovige’ op dit domein. Hij kant zich evengoed tegen dit type als het ‘radicale morele verontwaardiging’ ontplooit over kleur, geslacht en geaardheid. Deze onderwerpen zouden inmiddels het debat overheersen. Met als overbekende klacht dat je voor je het weet door gutmenschen wordt beticht een racist of seksist te zijn.

Ik word steevast verdrietig wanneer ‘radicaal’ een negatieve connotatie krijgt. En dat gebeurt in dit pamflet, op voorspelbare wijze. Wanneer Umbgrove het verschijnsel woke aanroert, verklaart hij het als ‘zoiets als alert op sociale misstanden’. Daar kan hij niet anders dan sympathie voor opbrengen. Maar even later ontwaart hij belaging van de medemens door fundamentalisme. Dan betekent woke ‘radicaal ontwaakt’.

Met nog een woord weet Umbgrove me op de kast te krijgen. Robin DiAngelo’s antiracismeboek is hem te enkelvoudig in de benadering van identiteiten, te zwart-wit. Daarin kan ik, een middelbare witte man, hem volgen. Toch wriemelt De wederafbouw van de satire in een oude wond. DiAngelo zou namelijk ‘een hermetisch verhaal’ vertellen. Oei, zelfs wanneer hier iets als luchtdichtheid of wereldverzaking wordt bedoeld, reduceert Umbgrove onnodig. In dat hermetisme ziet hij ‘nauwelijks plaats voor humor’.

Die plaats zou wat Umbgrove betreft wettelijk verankerd mogen zijn, in het belang van elke burger. Humor is volgens hem een ventiel, zoals carnaval dat voor katholieken was. Dogma’s, geboden, taboes – ze gaan even aan de kant, opdat onze lach onszelf kan bevrijden. Zonder lach zou onze emotionele huishouding uit balans zijn en zou er agressie ontstaan, onderdrukking, onvrijheid. Daar geeft Umbgrove voorbeelden van, die uit één hoek komen: kalifaatmensen, kaalgeschoren mannen en ‘een conservatief Lagerhuislid’.

Zo komt een derde woord centraal in de aandacht. ‘Humor schept vrijheid. En vrijheid schept humor.’ Deze bijna-sententie haalde, omgedraaid en licht herschreven, als uitsmijter de achterflap: ‘Satire en haar instrument humor moeten gevrijwaard worden van elke vorm van censuur, schrijft Arthur Umbgrove in zijn vlammende en bevlogen pamflet, want vrijheid schept humor en humor schept vrijheid.’

Natuurlijk verscheen De wederafbouw van de satire vóór de gewelddadige coronabetogingen, maar evident is dat ‘vrijheid’ als containerbegrip meer dan ooit allerlei, soms tegenstrijdige doelen dient. Dat blijkt al uit de titel van het pamflet. Het was immers na een afgrondelijke oorlog tegen een nazidictatuur dat in Nederland de wederopbouw van start ging. Dat we momenteel afglijden naar een vergelijkbare ramp is dan een krasse suggestie.

Ook viel de periode van de wederopbouw niet op door grondige vrijheid; Umbgrove waarschuwt bij de voorbeeldvoorvallen van wat hij als censuur beschouwt dat ‘de jaren vijftig [terug]keren’. Pas in de jaren zestig en zeventig zou ware vrijheid zijn veroverd. Heden betekent het begrip bovendien voor diverse beroepsgroepen wat anders. Het zijn immers niet alleen cabaretiers die zich bedreigd voelen. Al langer blijkt op dat vlak iets gaande dat door corona louter versterkt wordt.

Journalisten, medisch personeel, politie… ze weten zich in het nauw gedwongen en ze ervaren dat fysiek. Ik zou niet graag een rangorde aanbrengen wat dan minder of meer levensbedreigend is, noch wie al dan niet een essentieel beroep uitoefent. Wel vind ik het voor Umbgroves stiel interessant dat humor te maken zou hebben met vertrouwen. Het ligt dan wel bij de ontvangende partij, die in staat is ‘gelaagdheid’ te decoderen – en een eventuele belediging te slikken met redenatie?

maandag 24 januari 2022

Uit de werkplaats (3)

 


 

 

 

Christiaan Weijts schreef in een lang krantenartikel over taal dit: ‘Zo schijnt er een Namibische stam te zijn zonder woord voor blauw. Leg ze een groene kleurenwaaier voor met één blauw vlakje erin en ze kunnen niet aanwijzen of die afwijkt.’ Twee zinnetjes waar ik overheen las tot ze geïsoleerd werden als citaat. En ik, losgerukt uit het betoog, iets meende te zien dat niet correct zal zijn maar wel logisch.

Het enkelvoud van de eerste zin laat Weijts overvloeien in een soort tuimelmeervoud van de tweede zin. De vermelde Namibische stam is grammaticaal immers één, terwijl de leden ervan met meer zijn. Vooral op het moment dat ze iets doen, zoals hier aanwijzen?

Prettig misleidend vind ik het eerste ‘ze’, dat deze verschuiving alleen schijnbaar aankondigt. Het is spreektaal voor ‘hun’, een woordje dat te snel zou komen na het massief aanvoelende ‘stam’. Dat is volgens het Groene Boekje mannelijk, dus zal ‘hem’ correcter zijn, zij het dat het hier slechts verwarring zou stichten.

Mijn stelling is dat Weijts bewust een fout maakt. Niet alleen om duidelijkheid te scheppen, maar ook om het tweede ‘ze’ in te leiden. Pure suggestie, dat tuimelmeervoud! Want deze ‘ze’ verwijst naar een of meer woorden die nergens te vinden zijn – naar ongeschreven taal.

Nu nog even verzinnen waar Weijts precies op doelt met ‘die’. Het meest dichtbije, ‘vlakje’, onzijdig, kan het alvast niet wezen.

 


Behalve een nieuwe tune heeft de publieke nieuwszender van Vlaanderen een nieuwe slogan. Geen flauw idee hoeveel jaren achtereen de wekker ons ’s morgens vroeg heeft verzekerd Radio 1, altijd benieuwd, maar vanmorgen hoorden we ineens Radio 1, alles begint bij luisteren.

Toch wel een verschil. Benieuwdheid vereist een actieve houding en vermoedelijk, maar dat kan een persoonlijke associatie zijn, moet je er de deur voor uit, zelfs wanneer je niet weet wat je precies zoekt. De ander is dan een bron, waaruit je put. Meer of minder vrijelijk, en ik vermoed met al iets meer zekerheid dat daarin de kneep zit van de nieuwe slogan.

Luisteren vereist een dienende rol en legt het accent bij de ander. Het klinkt minstens uitnodigender, minder egocentrisch ook, dan het verhoudingsgewijs gretig vergaren van nieuws. Dat is misschien zelfs een drift. Is de uitdrukking immers niet ‘nieuwsgierigheid bevredigen’? En moet het bezittelijk voornaamwoord daarbij niet mannelijk zijn? Van de nieuwsjager?

Maffe tijden momenteel, nu in Noord-Nederlandse media de beerput opengaat, en de Vlaamse radio de slogan verandert. Maar minstens meen ik dat de zelfpresentatie minder schrik pretendeert aan te jagen. Alsof de luisteraar nu van een safe-spacecake mag snoepen?

Overigens zou ik in de slogan een ander voorzetsel gebruiken: ‘Alles begint met luisteren’. Maar dat kan een Noord-Nederlandse afwijking zijn.

 


In dezelfde krant als Weijts had Stephan Sanders vorige week een recensie. Hij voegde daar in een citaat het woordje sic in. Ik ril daar altijd van, omdat ik me als taalmenneke wakker gepord voel. Shit, nu moet ik een fout zien! Gelukkig dringt die best vaak tot me door, zodat door mijn studeerkamer ziezo kan galmen. Maar soms snap ik iets niet.

Dit was Sanders’ correctiecitaat: ‘elke (sic) mens wordt gereduceerd tot zijn huidskleur’. Wat is hier fout aan? Nu hang ik gekke Gerritje uit, want uit mijn jaren te Nederland staat me dat nog wel bij. Daar moet de auteur – of in dit geval: zijn vertaler – ‘elk’ schrijven. Onzin, durf ik te stellen, in de rug gedekt door het Groene Boekje dat ik aanstonds op zijn bips zal geven.

Mens is volgens het Groene Boekje een mannelijk woord en dan betekent het ‘persoon’. Zo is het in het citaat ook bedoeld. Helaas is dit volgens het Groene Boekje de tweede betekenis van mens. De eerste is wel degelijk onzijdig en zou Sanders’ correctie alsnog legitimeren. Maar dan duidt mens op, het staat er echt, ‘vrouw’.

In deze onzijdige variant herinner ik me uit het Noord-Nederlands iets wat allerminst neutraal valt te noemen: een stom mens, een gek mens, een leuk mens, enz. Maar nu pas dringt het tot me door dat met zulke types geen mannen worden bedoeld!

Ik word inmiddels meer dan twee decennia omringd door Vlamingen en die gebruiken zo’n onzijdige mensvorm niet, hoe de inborst ook mag wezen. Hier acteren een brave mens én een slechte mens. Daarom klopte het citaat wel. Want ja, het boek dat Sanders besicte is uitgegeven in Vlaanderen.

woensdag 19 januari 2022

Zijn vaderhart zou het niet dulden

 

 

 

 

Wie de monumentale witte Dossinkazerne in Mechelen kent, kijkt vreemd op van het anti-oorlogsmuseum in Berlijn, op de Brüsseler Straße. Het zit in de benedenverdieping van een appartementsgebouw, en heeft drie kamers en een schuilkelder. (Wereldwijze beginzinnen uit de tijd dat ik achter een buggy liep.)

Dossin serveert schier eindeloze getuigenissen, per stuk op te roepen, en haalt de nuance van elk levensverhaal naar voren. Waar bezoekers zo langzaam en gestadig in een stemming van onontkoombaarheid raken, hanteert het anti-oorlogsmuseum de botte bijl. Er liggen martiale spulletjes uit twee wereldoorlogen, met de expliciete vraag wat de zin ervan is. Sommige zijn geestig al gerecycleerd tot gebruiksvoorwerpen. Ook zijn er brieven, zoals van Willy Brandt, die de waanzin van oorlog aanklagen.

Alleen de schuilkelder heeft een Dossin-effect. Dat komt niet door de overlevingsdingen die er te vinden zijn, van bed tot koffer – maar door een deur. Daarop hebben Berlijners datum en dagdeel van elk geallieerd bombardement gekrast.

Een andere zogeheten troef van het anti-oorlogsmuseum is, of was, de vrijwilliger die het openhoudt. Hij is de kleinzoon van de stichter, Ernst Friedrich. Deze verwierf faam met een soort fotostrip die hij in 1924 uitbracht: Krieg dem Kriege. Ik leerde het kennen uit ‘Niet de ziel, wel haar spiegels’, openingsessay van Charlotte Mutsaers’ bundel Kersenbloed (1990). Daarin werkt zij toe naar een foto uit Friedrichs boek. Van een hoofd, en profil, waaruit een stuk weggeschoten is, een gat dat ze identificeert als een neus.

 


De foto bevat vier bijschriften, waarmee de bijzonderheid van Friedrichs project mede is gegeven. Een kleine eeuw voor Google Translate presenteert hij namelijk vier talen simultaan, behalve Duits ook Engels, Frans en, jazeker, Nederlands. In de laatstgenoemde tongval luidt het bijschrift bij deze foto: ‘De kuur der proleten’. Daar is alvast geen woord Chinees bij.

De combinatie van tekst en beeld doet wel wat, maar ontbeert de intensiteit die Brecht er, een Wereldoorlog later, aan gaf in diens gedurfde project Kriegsfibel. Ondertussen vraag ik me af waarom Friedrich zo’n marginale taal als het Nederlands in zijn propaganda betrok. Ik kan me lastig indenken dat invloed zo ver strekt, maar voor het bekende symbool van zijn pacifisme, het gebroken geweertje, had hij de mosterd gehaald bij de krant De Wapens Neder van Ferdinand Domela Nieuwenhuis, die hij in 1909 ontmoette.

Dat was dus ruim voor de Eerste Wereldoorlog, het gruweltoneel dat hem tot een realityrol bracht: die van dienstweigeraar. Het drama zelf werd bewijsmateriaal voor zijn boek. Vind elders maar eens een waarheidsgetrouwe afbeelding van een deels weggeschoten hoofd! Het staat achter in Krieg dem Kriege, na reeksen van verwoeste gebouwen.

Als close-up, van één persoon bovendien, is het een culminatiepunt. Tot dan zijn er slechts officieren te herkennen geweest, veilig weg van het front, terwijl de vele afgebeelde soldaten- en dierenlijken, gehangenen en verhongerden iets van afstand bewaarden tot de camera. Maar een reeks hoofden waarop plastische chirurgie is uitgeoefend, kan lezers pagina na pagina louter met zichzelf confronteren. Nadien laat Friedrich toch nog becommentarieerde foto’s van graven het boek afsluiten.

Ik noem het maar retorisch activisme. Het wordt voorbereid vanaf de acquitstoot die natuurlijk een openingsmanifest is. Wild vormgeven, maar louter nog taal. Daarna neemt de fotostrip meteen bewijzen op met tekeningen van kinderspeelgoed. Friedrich vindt dat het kwade invloed heeft, als warmmaker voor oorlog. Zulk speelgoed is verraderlijk en hij noemt het ‘Judas’. Toen had het de vorm van wapens, nu wellicht van games (Glenn Greenwald beweert in De afluisterstaat dat deze dezelfde functie hebben als literatuur en films voor vorige generaties: een ethisch medium om een wereldvisie te ontwikkelen).

woensdag 5 januari 2022

Kommaneuker

 



 

Wat gaat me treffen in 2022? Nu de gourmande redelijkerwijs zal overstappen naar het middelbaar onderwijs, besef ik één taal voor het laatst te hebben ervaren: die van de Nieuwjaarsbrief. Ik maakte er ruim een decennium geleden kennis mee door het taalkundig genie, haar oudere zus, die vanaf de peuter- en kleuterschooljaren deze opgelegde teksten in schoonschrift op 1 januari voordroeg.

Destijds werd ik er sentimenteel van, nu doen ze me rillen. Niet om hun formeel zwakke kantjes. Het is amateurpoëzie, die aanvaardbaar kan zijn zolang ze oprecht is. En die eigenschap vind ik toch in Nieuwjaarsbrieven niet terug. De taal die klinkt en die afgesloten wordt door ‘je kapoen’ is behalve zalvend vooral afgelebberd.

Nou en? Haar bundel doe het toch maar opent Babs Gons met een overdwars gezet voorwoord over taal, dat deze strofe bevat:

 

ik wil een taal waarin

‘gewoon’ en ‘anders’

hun langste tijd hebben gehad

een zachte dood sterven

en niemand ooit meer

onzichtbaar kunnen maken

 

Een paar gedichten verderop neemt Gons zich voor niets meer ‘normaal’ te noemen. Waarschijnlijk stoot ik tegen de vanzelfsprekendheid van de Nieuwjaarsbrief. Behalve ouders zijn in deze Vlaamse traditie peters en meters betrokken. Aldus is ze katholiek, en zit ze voor mij in een mandje met meer ongrijpbare fenomenen als jeugdbewegingen – jongens en meisjes die bij weer en wind in kaki rokjes en korte broeken door het landschap trekken en die eenmaal volwassen bij het eerste spatje regen per auto naar de bakker gaan.

Na al die jaren emigratie is mij niet alleen duister of België echt voorbij het katholicisme is geraakt, maar ook of er nu gemeenschappen ontstaan of netwerken.

Verder verbaas ik me over de voor mijn doen wel erg gedecideerde afwijzing van de nieuwjaarstaal. Gewoonlijk fascineert afgelebberdheid me, omdat ze het origineel herbelicht. Zo snapte ik pas door de ijzige cover van The Bad Plus wat een fantastisch liedje de Bee Gees gecomponeerd hebben in ‘How Deep Is Your Love’, door de consensus in mijn jeugd gebarricadeerd met commercie.

Ondertussen heeft de gourmande zelf kans op een vaccin. We kregen er een oproepbrief voor, en die fascineert me sowieso. Per reflex ervoer ik afstoting zodra ik in het betoog weer de vetgedrukte woorden ontwaarde. Maar het is te makkelijk daar paternalisme in te zien, er zijn werkelijk lezers die alle moeite hebben om te begrijpen wat er staat.

Wel functioneerde één vetgedrukte onmiddellijk in een constructie die helemaal van deze tijd is: ‘De vaccinatie is aangeraden, maar niet verplicht.’ Verantwoordelijkheid wordt bij de burger gelegd, zoals Belgen met de heilige Kerst ook advies kregen waarmee ze hun plan konden trekken (en er nu rekening wordt gehouden met ‘een vijfde golf’ vanwege die intergenerationele samenkomsten).

Aan het slot van de brief werd dan ook bij voorbaat gedankt ‘voor je hulp bij een vlotte vaccinatie’. Over de vermoedelijke betekenissen van dat bijvoeglijk naamwoord in België zou ik een boek kunnen schrijven.

maandag 20 december 2021

Onze wereld is aan het sluimeren

 

 

 

 

Dankzij secundaire literatuur citeer ik uit een oeuvre waarvan me dit dan bekend is:

 

Ontwaken

 

De stoel, de lift, dit tijdschrift: ze zijn niet levenloos

maar rusten gewoon even. De wijk doet haar dutje,

gerangschikt in huizenblokken, trottoirs en bruggen.

Het huis kraakt als het zich omdraait in haar slaap.

De pinautomaat is kunststof dat alleen maar geld gaf

om te kunnen doordromen, de mannen met baarden

zagen het al. Onze wereld is aan het sluimeren,

haar ontwaken zal zich openbaren in brokstukken,

puin, ijzeren staken. Niet uit de bewusteloze treden

van de brandtrap, de comateuze betonplaten. Banken

ziekenhuizen, scholen, het bleken slechts cocons.

Wacht maar tot ze zijn ontdaan van slaap. Ons huis

is een knop, waarin de ontploffing al bloesemt.

 

Ik sprak al eens mijn verbazing uit over een tijdschriftinterpretatie die in ‘de mannen met baarden’ ofwel bankbestuurders of intellectuelen las. Inmiddels is dat inzicht gebundeld in de studie Poëzie als alternatief van Jeroen Dera, als deel van een hoofdstuk over economie, en snap ik er nog een paar bieten minder van. Niet dat mijn gedachten dikwijls bij hoge meneren uit de financiële sector verwijlen, sinds de kredietcrisis van 2008 louter met tegenzin zelfs, maar wanneer ik me al iets bij hun gezicht voorstel dan is het clean-shaven.

De associatie van baard met intellectueel heb ik evenmin direct, maar lijkt me verhoudingsgewijs iets geloofwaardiger. Iemand die zo hard tussen de boeken zit dat hij zich vergeet te scheren? Zoveel macht als Dera durf ik aan hem toch niet toe te schrijven. Uit een recensie op een weinig fijne roman begrijp ik bovendien dat baardigheid, en behaard-zijn in het algemeen, een privilege is voor naïeve wereldverbeteraars die zich juist ter overzijde van de macht bevinden.

En dan zwijg ik nog over stuikende logica: niet elke intellectueel is een wereldverbeteraar, en niet elke wereldverbeteraar is een intellectueel.

Mij blijft een raadsel hoe de link tussen baard en intellectueel ontstond bij neerlandicus Dera. Ik heb mijn computer daarom aan een scan onderworpen en kwam tot een beschamende conclusie: ik heb hier zelf over geblogd. In zijn studie De revanche van de roman sprak Thomas Vaessens namelijk over ‘baardig engagement à la Vogelaar’. Met die naam verschijnt een van de grootste twintigste-eeuwse intellectuelen van de Nederlandse literatuur, maar dan snap ik het nog niet helemaal. Vogelaar droeg alleen in zijn vroege jaren een baard.

Speel ik nu stommetje om zo’n detail uit een gedicht te lichten? Nee, de baardenmannen zitten in de enige zin met de verleden-tijdsvorm, die bovendien een knik aan het betoog geeft. Voordien heerste er tegenwoordige tijd, maar vanaf de mannen moet die modus een proces te benoemen dat, met een schakelende tussenzin in de toekomende tijd, een apocalyps voorspelt.

Het ontwaken van de titel verwijst dan misschien naar de werkelijkheid waartegenover we hebben zitten te slapen en dromen. Bij de baardenmannen staat de daad voorop die voor een gemiddelde bankbestuurder of intellectueel, heerlijk beschaafd, een minder onderscheiden punt is. De mannen met baarden zijn volgens mij geen lieverdjes. Ik wist dat ook zonder scan want kan meezingen met een oud zeeroversliedje:

 

Al die willen te kaap’ren varen

Moeten mannen met baarden zijn

 

Natuurlijk waren die mannen ambachtelijk niet zo ver dat ze, zoals het gedicht beschrijft, op grote schaal in een stad zoiets als een ontploffing konden aanrichten. Die techniek leek voorbehouden aan hun moderne nazaten. Zou ik hen terroristen mogen noemen?

dinsdag 14 december 2021

‘Maar hij was zelf niet zo’

 


 

 

Iets bevalt me niet zo aan De Saamhorigheidsgroep. Vreemd, want het gebeurt me zelden dat ik een roman snel wil uitlezen en dat ook graag doe. Merijn de Boer toont aan de stiel te beheersen, zowel op zinsniveau als in de uitbouw van een plot. Toch resteert bij mij na bijna vierhonderd pagina’s een hol, bozig gevoel.

Dit veelgeprezen boek uit 2020 heeft me kennelijk geraakt. Omdat het idealisme telkens afstoot en omarmt? Of betrapt het me op mijn kleine kantjes, zoals dat in Vlaanderen heet?

De vriendenkring die De Boer beschrijft bij het verbeteren van de wereld anno beginjaren tachtig van de vorige eeuw bestaat net als mijn biotoop uit witte mensen uit de middenklasse. Hun namen laat hij, inclusief uiterlijk kenmerk en beroep, opsommen door zijn centrale personage Bernard, een loner die doet alsof hij met hen sympathiseert terwijl hij louter oog heeft voor één vrouw:

 

Ralf, button, radioloog

Wijnie, rode krullen, hospicedirectrice

Bronno, kabouterbaard, ambtenaar

Olga, forse borsten, secretaresse

Wiebe, neushaar, socioloog

Laurens, bril, leraar

Tristan, staart, portretschilder

Liza, sproeten, verloskundige

 

Verder figureren de alleenstaande psychologe Renate, zijn oude studievriend advocaat Felix en diens vrouw Hester die ‘spirituele cursussen geeft over numerologie, chakra’s, mandala’s en meditatie’.

Tja. Stamt mijn irritatie over De Boers constructie als geheel uit het droge detail dat de groepsleden, net als ik, niet eens auto’s verdragen? Dat leidt in de roman tot potsierlijke gevolgen - inzichtelijk om je eigen onverdraagzaamheid mee te beleven. Wel besefte ik plots dat dit effect wordt aangericht door Bernard die bij samenkomsten zijn auto zekerheidshalve een paar straten verderop parkeert.

Zo ontstaat satire terwijl Bernard bij alle aandacht die hij van De Boer krijgt nooit in dit specifieke voorgevoel wordt beproefd. Tot er iets misloopt, zijn autobezittersstatus ontdekt wordt en de groep hem helemaal niet laat vallen. Toch hebben lezers daar dan tientallen bladzijden mee kunnen lachen én ze begrijpen dat Bernard ‘oprecht van de sociale omgang met de anderen [genoot]’.

Voor mij is zulke satire behaaglijk en houdt zich ver van de militante variant die zulke literatuur evenzeer kan bieden.

Even informeel is De Boers presentatie van de culinaire discipline in de groep. Boter wordt dunnetjes gesmeerd, er is wat oude kaas en witbrood krijgt geen goedkeuring. Waarschijnlijk heb ik door acute vermoeidheid te gehaast gelezen, maar door die soft-focusbril zal soeverein bruinbrood zelfgebakken zijn. Lachen! Zeg eens driemaal ‘moestuin’ en zesmaal ‘onbespoten’!

In de groepsbenadering van alcohol kan ik me (gelukkig, voor een kritischer positie?) al helemaal niet herkennen. De leden nemen water en thee in gigantische hoeveelheden en wanneer ze eens een glaasje drinken is de voorraad zeer beperkt. Iedereen legt zich daar moeiteloos bij neer, en dat is even onbegrijpelijk als idioot.

Om toch een minimum van geloofwaardigheid te scheppen geeft De Boer aan de groepsleden een ultiem kenmerk. De leden hebben ‘bijna allemaal een gereformeerde achtergrond’. Och, natuurlijk! Indien ze katholiek waren geweest, zouden ze roomboter hebben genomen en onophoudelijk genipt van rode wijn en was er amusement in hen gekropen dat vlekte op het populisme waarmee ze zijn opgetuigd.

Het wordt in de roman dan echt banaal wanneer er bij een onverwacht feestelijk moment witte wijn tevoorschijn wordt getoverd. Die fles, een goeie ook nog, was maanden voordien cadeau gedaan, uiteraard door Bernard, en toen opengemaakt maar, onnavolgbaar, niet helemaal leeggedronken. En dus is het spul verzuurd, zij het dat niemand dat proeft. Behalve Bernard, die erover zwijgt.

Van waarheidsgetrouwheid of dieptepsychologie weet ik niets, maar mijn vraag is wel of deze roman überhaupt satire is. En of De Boer zoiets als personages heeft geschapen. Een lovende recensent denkt van niet, en bewijst dat met een veel gruwelijker stelling over de auteursintentie:

 

‘Hij wil een portret schilderen van de linkse idealisten en waar ze voor staan. Het soort dat in de jaren 1970 en ’80 alom aanwezig was: demonstrerend tegen kernwapens, met hun strijdkoren in winkelstraten, als vrijwilliger in Wereldwinkels. Een type dat inmiddels met pensioen is en als actievoerder al lang is overvleugeld door extreemrechtse schreeuwers met hun complottheorieën.’

 

Dit heet volgens mij common sense. Niet alleen vindt het tegenkanting gedateerd. Het bepleit ook een eng realisme. Op klimaatveranderingen zegt het bijvoorbeeld dat de lockdown van 2020 heeft geleid tot ‘slechts’ of ‘een schamele’ 7% minder CO2-uitstoot. En dat ontslaat van een individuele gedragsverantwoordelijkheid, zoals De Boers groep die wel neemt, maar mikt op outsourcing voor ‘innovatie’.

 

De linkse elite

Door het buitenstaanderspersonage Bernard én door de vertellersclichés zijn de verhoudingen in de roman asymmetrisch. Dat versterkt het effect dat ze op de lezer hebben. Wat de groepsleden ook doen (knutselen, dansen, zingen), alles verglijdt onherroepelijk in de put van het belachelijke. Dat levert twee morele suggesties op.

De saamhorigheidsgroep investeert in projecten voor wat destijds probleemloos de derde wereld heette en waarbij de leden tot tranen toe betrokken zijn. Omdat De Boer voor deze ijver zijn ironie handhaaft, wordt hun engagement bij voorbaat bespottelijk. En wanneer de meerderheid beslist om een percentage van een erfenis af te dragen aan hogere doelen, is het idee: groepsdictatuur.