maandag 7 maart 2022

Prismatische breking

 

 

1. 

Bij alle kijkjes in het blijkbaar ovaal geworden hoofd van kameraad Vladimir Poetin, na de oorlog die hij in Oekraïne ontketende, wijst de wegkapitein me erop dat één supermicrokleine, ultrawerkzame factor niet wordt genoemd. Die schraagt evenzeer het voortgaande geraaskal van Trump en dat van vele machthebbers voordien, ongeveer tot terug in de Oudheid.

Zij zijn: mannetjes.

Dat zou betekenen dat de wereld wel heel sterke vrouwen nodig heeft om in evenwicht te raken. Inderdaad mag naast niet-aflatende analyses van hoe Poetin zich over een periode van jaren heeft voorbereid, eventjes worden opgemerkt dat hij Oekraïne pas aanviel nadat Angela Merkel van het wereldtoneel verdween.

Maar Ursula von der Leyen dan? Ze kwam nota bene niet eenmalig in de publiciteit doordat bijna net zo machtige politici, meer specifiek heren, haar bij officiële begroetingen negeerden. In de recente geschiedenis was er verder Theresa May, die zich dienstbaar maakte aan een Brexit-agenda die de hare niet was.

Evenzeer uit Engeland stamde iemand die de Iron Lady werd genoemd, wat verwijst naar haar door niets te doorboren onverzettelijkheid maar waaronder ik toch ook het strijken van kleding beluister. Ze verlaagde haar stem tot herenhoogte en recycleerde, zoals Mary Beard uitlegde, een vrouwelijk symbool in het fenomeen handbagging, het verbaal verpletteren van iemand anders.

O collega mannenmens, wij staan er niet goed op. Gelukkig heeft Caroline Criado Perez met nogal machistische beslistheid gedemonstreerd hoe de wereld op de maat van heren is gesneden. Ook zette Rebecca Solnit, na slachtoffer van onze soort te zijn geweest, het fenomeen mansplaining op de agenda (überhaupt kun je ver en hoog komen met napraten).

Dit is natuurlijk gemakzuchtige praat van een zijlijndeskundige. Dus pijnigde ik mijn hersenbinnenste voor aanvullende bewijzen. En dacht aan een topos in belangwekkende televisiereeksen De Indische rekening en Sander en de kloof die, achteraf gezien, best maf was. Als tussendringende vertellers waren Sander Schimmelpenninck en Hans Goedkoop niet alleen personages in hun relaas. Ze annexeerden ook de verbeelde ruimte door hun, overigens prachtige, eigen huis als decor te nemen.

Zouden vrouwen dat durven, in documentaires waarvoor ze bij de research geholpen hadden? Iets zegt me van niet, los van het feit dat ik geen voorbeelden ken. Waarom? Mijn vermoeden: ze zouden het vooroordeel vermijden zelfs in ernstige materie aan lifestyle te doen.

 

2.

Hoe zou de taalvaardige Goedkoop zichzelf inmiddels definiëren? De laatste keer dat ik zijn naam aantrof, was in een eenmalig Indisch-Nederlands glossyinitiatief, dat vet knipoogde naar Linda en zich Pinda noemde. Daarop reageerde een Dekolonisatie Netwerk dat die titel ‘problematisch’ en racistisch was. En dat het niet om te lachen was, veeleer walgelijk, om daar de uitdrukking ‘tot pinda gemaakte’ bij te slepen.

Hier raken we het hart van een debat dat enige jaren op de teller heeft. Vooral trans-Atlantisch, waar zich in media al sinds 2012 taal profileert die identiteitskwesties uitdrukt. Centraal in dit debat staat degene die ook de rode draad weefde in mijn vorige fragment, als marionettenspeler van de macht: de witte man. Deze calimeroot nog wat en hoopt een denkbeeldige vijand te raken door kaatsing van het diffuse woord woke, waarmee de onderliggende partij zich moed insprak. In het Nederlands is het zowel een substantief als een adjectief.

Bij kaatsing door de bovenliggende partij waant de witte man zich slachtoffer. Zijn meningsuiting zou beknot worden en hij weet voortdurend kans te lopen op cancelling. Alleen de zwakste broeders van de bovenliggende partij maken vervolgens excuses. Volgens dit projectieschema zou Goedkoop, al is hij dus niet spierwit, desnoods gerepigmenteerd worden om schuldig te zijn.

Hoe dat allemaal precies werkt, blijft schimmig. Maar inleidende verheldering biedt Walter Weyns in zijn boek Wie Wat Woke? Een cultuurkritische benadering van wat we (on)rechtvaardig vinden. Ik beken dat ik het, voor zover dat al mogelijk is, niet neutraal heb gelezen, na kennisname van twee recensies op wittemannenbastions: met pathetisch grote lof van de Vlaams-nationalistische website Doorbraak, en naar rechts doorverwijzende reserves van het gestaald linkse DeWereldMorgen.

Daarnaast is het in mijn sector ondoenbaar te ontkomen aan berichtgeving rond een nieuwe roman van Jamal Ouariachi, blijkbaar ook gewijd aan woke. Terwijl Nederland het dus moet stellen met een tijgerzaag, beweegt België mee met het scalpel van Weyns. Deze cultuursocioloog serveert in eerste instantie feitenmateriaal, zowel historisch als actueel. Hij vat woke op als een prismatisch begrip, net als ‘witheid’, wat een nuttige observatie is, nu prominent zelfzekere rechtsradicalen de kennis van de ware werkelijkheid van alledag claimen:

 

‘Een prisma toont dat er twee kanten zijn aan licht: aan de ene kant een witte luchtbundel, aan de andere kant de kleuren van de regenboog. Nochtans gaat het om hetzelfde licht. Prismatische breking zet het ene om in het andere.’

 

Uiteraard is deze blik tegelijk retorisch geslepen omdat Weyns zelf een witte man is en onvermijdelijk zijn perspectief mee laat kleuren in een beeldrijke stijl, die zich tegenover woke zowel ironiserend als besmuikt opstelt. Bovendien doet hij eerst rustig zijn betoog en duidt pas in het laatste hoofdstukje het begrip woke talig. Dankzij woordenboeken, waarvan hij bij de introductie van het prismatische concept had verklaard dat ze tekortschieten.

Objectief is Weyns dus allerminst, maar hij houdt zich ook ver van Ouariachi’s rigide subjectiviteit. De vergelijking van woke met gnostici die over inzichten zouden beschikken die niet-ontwaakte zielen missen, zie ik de op direct effect beluste literator niet maken. In Wie Wat Woke? houdt een professor een lange tafelrede voor vrienden en potentiële geestverwanten. Des te merkwaardiger dat hier de suffragette die zich onder het paard van de koning wierp Emily Dickinson heet, zoals de dichteres, en dat de geschiedenis haar kent als Emily Davison.

donderdag 24 februari 2022

Blijf van mijn mening af!

 


 

 

In de week dat Poetin een oorlog begon die zo onbegrijpelijk is dat kenners haar alleen kunnen duiden uit de stand van zijn wenkbrauwen en duimen, had ik meningen.

Eentje ging over een onbegrijpelijk boek en de dermate onbegrijpelijke reacties daarop dat ook de redacteur van een kwaliteitskrant zich verbaasde over ‘de hoeveelheid ophef’; een andere mening gold een verzameling wetenschapsartikelen over het onbegrijpelijkste medium dat we gemakshalve taal noemen.

Twee meningen, en de week is nog niet eens voorbij! O conimex, o deuren.

Een tijd geleden las ik van Jacob Groot Toen ik alle dingen zag. Reis door de tijd van de provincie. Een reportage (2020). Herkende ik wie of wat en waarom eigenlijk?

 

‘De typische Nederlander, zoals we allemaal weten, wil zo weinig mogelijk eigenschappen gemeen hebben met de meerderheid van de Nederlanders. Afkomstig uit het meest nederig gelegen land ter wereld, voert de typische Nederlander bovendien overal en nergens het hoogste woord, alsof de wereld alleen voor hem bestaat en de wereld dat zal weten ook. De typische Nederlander is eigenlijk gewoon een solipsist.’

vrijdag 18 februari 2022

Het motto van deze regering

 

 

Vooruit. Politieke vernieuwing, digitale cultuur en socialisme (2021) van Ico Maly is even leerzaam als deprimerend. De marketing komt nog altijd bij je thuis tegenwoordig, maar verder over de drempel dan een aap zou wensen. Van een schermpje naar je hoofd, het is in de politiek evengoed een kleine stap.

Het boek is beter geschreven dan ik verwacht had, al gebruikt ook Maly te pas en te onpas dat rare werkwoord ‘vervellen’ wanneer er iets is veranderd dat weinig goeds belooft. Maar hij beschrijft al genoeg waar ik met grote, allerminst begerige ogen naar kijk. Lang maakte het vak van copywriter me jaloers, nu weet ik het even niet meer.

Wat voor een mensbeeld moet je hebben om, voor een partij die ook als beweging solidariteit in het vaandel zegt te dragen, een funnel te construeren? Da’s een trechter waar zelfs klanten van Dante nooit meer uitkomen. Hier gaat het om digitale oproepen aan zogeheten gewone mensen eindelijk te zeggen waar het op staat. Die input wordt door hoogopgeleide partijstrategen vervolgens genegeerd, geherformuleerd of gekopieerd.

Bizar is te lezen dat partijleider Conner Rousseau zich bij Vooruit, zijn naam voor socialisten 2.0, inspireerde op ‘een paar slimme gasten in een café in Gent (die) een ongebruikte oven zagen, hun geld bij elkaar legden en ZELF brood begonnen te bakken.’

Maly tekent terecht aan dat dit meer klinkt als een start-up dan als een socialistische eenheid, maar ik hoor in Rousseaus uitleg nog iets. Het ontstaan van de vrije markt namelijk, volgens Adam Smith, die bij bakkers een welbegrepen eigenbelang zag – dat door een onzichtbare hand zou worden gecorrigeerd wanneer de prijs voor de klant de hoogte in schiet.

Vermoedelijk hoorde Rousseau zelf in het initiatief van zijn slimme gasten Geen woorden maar daden (een motto dat bij een bepaalde Rotterdamse voetbalclub ook aanslaat). Maar dat denk ik wegens een citaatfragment waarmee Maly me zowaar de slappe lach bezorgde. Dus sloeg ik er dankzij zijn eindnoot het interview op na. En Conner Rousseau, King Connah voor de vrienden, zegt het echt:

 

Toch ben ik er echt van overtuigd dat deze regering het geloof in de politiek kan herstellen, door fatsoenlijk beleid te voeren en elkaar niet voortdurend aan te vallen in de media. ‘Show, don’t tell’, dat moet het motto van deze regering zijn.

 

Of schater ik uit leedvermaak? Niets menselijks is mij vreemd, maar dan zou ik me veeleer schamen mijn eigen vak zo belangrijk te vinden dat iedereen het zou moeten kennen.

Hetzelfde interview leerde me trouwens dat Rousseaus boek T., een zogeheten origin story die zijn politieke passie wil verklaren uit zijn jarenlange vrijwilligerswerk bij de jeugdbeweging, eerst anders zou heten: Mijn kampen. ‘Die titel werd me voorgesteld, maar ik had geen goesting in een Hitler-rel.

woensdag 9 februari 2022

Het moderne retroleven

 



 

Een A-merk-schrijver klaagt in een opiniestuk over zijn privileges. Het staat in een kwaliteitskrant en verschijnt ter gelegenheid van zijn nieuwe boek bij zijn nieuwe uitgever, die meer maatschappelijk geëngageerd is. Een dag later geeft hij er een groot interview over in een andere kwaliteitskrant, en ik word verwittigd dat hij ook op de Belgische televisie komt klagen over al dat onproblematische voorschuiven. Wordt ongetwijfeld vervolgd. Arme meneer.

 

Syl Johnson is overleden, een paar dagen na zijn broer. Wat een muziek, wat een intensiteit, wat een woede! Hij zal voortleven. Volgens de laatste cijfers in 414 samples en 27 covers.

 

Nadat onze oude buurman stierf en even later zijn vrouw, kwam hun vervallen huurhuisje te koop te staan voor een absurd hoog bedrag (‘toplocatie’). Vóór de kijkdag was het al verkocht. Twee jaar lang werd het verbouwd, hoorbaar grondig, ook in de weekenden. De toekomstige buur bracht materiaal in zijn SUV. Na de renovatie stond het huis plots te koop, voor meer dan het dubbele. Familiekapitaal gewenst. Vandaag vertelt een diagonale sticker ons: VERKOCHT!

woensdag 2 februari 2022

Niemand een tweede kans?

 


 

 

Ik las De wederafbouw van de satire, een pamflet dat afgelopen zomer verscheen. Arthur Umbgrove begint het met fictie, in de vorm van een verhaaltje dat rond 2040 speelt. Cabaret is dan illegaal en fysiek gemarginaliseerd. De dienst wordt uitgemaakt door safe stages waar louter ‘neutrale’ kunst wordt vertoond. In die maatschappij zijn ‘stigmatiseren’ en ‘stereotyperen’ domweg uitgesloten.

Dit verhaaltje is een dystopie maar ik kan het evengoed sciencefiction of parodie noemen. Het wil natuurlijk overtuigen voordat Umbgrove met rationele argumenten aankomt. Zo etaleert hij zijn grieven, waarna de taal die beter bij het pamfletgenre hoort het werk kan afmaken.

Toch schermt Umbgrove al in zijn dystopie met feiten. En dan hinkt zijn geloofwaardigheid omdat hij Wim Sonnevelds meesterstuk Frater Venantius tien jaar te laat dateert. Even ongemakkelijk stemt me in het betoog een eindnoot, bij een uitspraak van Robin Williams, dat Umbgrove de precieze quote niet meer weet en het fragment niet kan vinden – maar dat de strekking klopt. Een snelle blik leert ten slotte dat de bibliografie in De wederafbouw van de satire nogal mager is.

Dit zijn geen reflexen die ik met liefde verwelkom. Umbgroves onderwerp is namelijk belangrijk en de vrije meningsuiting wordt al omzwermd door genoeg meningen. Ironischerwijs betwisten ze geregeld het bestaan ervan. ’Je kunt tegenwoordig niets meer zeggen’. ‘Elk woord wordt gewogen.’ ‘Zelfs een compliment kan verkeerd vallen.’

Hoe ziet de veelzijdige Umbgrove het, die zich in zijn pamflet vooral aandient als cabaretkundige? Hij erkent meteen dat de tand des tijds evengoed knaagt aan humor. Daarbij noemt hij ook een recente klassieker van Arjen Lubach waarvan de houdbaarheidsdatum al zou zijn verstreken. Maar spoedig spitst Umbgrove zijn betoog toe op religie.

Ooit was het revolutionair en emanciperend te spotten met geloof; hij noemt het Ezelproces. Heden zou die vrijmoedigheid onmogelijk zijn. Het keerpunt ziet Umbgrove in Nine-Eleven en in de moord op Theo van Gogh. Zo presenteert de achterflap dit frame ook en wordt, nog maar eens, ‘de islam’ aanstichter van alles wat ongewenst is in de verlichte westerse wereld. Ditmaal (zelf)censuur. De tekst zelf gewaagt van een ‘tweede machtsfactor’, die agressiever en effectiever zou zijn dan de gevestigde orde waartegen satire zich per traditie richt:

 

‘Ik weet wel dat er nog een paar cabaretiers zijn die het nog aandurven de islam te bekritiseren, maar ook zij laten het uit hun hoofd om de profeet rechtstreeks te beledigen. Daar waar zij zonder voorbehoud en direct de spot drijven met oude “heiligen”, zoals Jezus of de (toenmalige) koningin.’

 

In het allerlaatste voorbeeld meen ik Hans Teeuwen te herkennen, wiens opvattingen en status De wederafbouw van de satire vaker aan de orde stelt. Umbgrove meldt bovendien netjes dat zijn angst verder al is vertolkt door Youp van ’t Hek. Het feit dat zelfs mij dat in België bekend is, spreekt dat de censuur niet een beetje tegen?

Mij valt vooral op dat humor hier zonder voorbehoud gelijkgesteld wordt aan kritiek. Maar gelukkig beperkt Umbgrove zich niet tot ‘de fanatieke en gewelddadige gelovige’ op dit domein. Hij kant zich evengoed tegen dit type als het ‘radicale morele verontwaardiging’ ontplooit over kleur, geslacht en geaardheid. Deze onderwerpen zouden inmiddels het debat overheersen. Met als overbekende klacht dat je voor je het weet door gutmenschen wordt beticht een racist of seksist te zijn.

Ik word steevast verdrietig wanneer ‘radicaal’ een negatieve connotatie krijgt. En dat gebeurt in dit pamflet, op voorspelbare wijze. Wanneer Umbgrove het verschijnsel woke aanroert, verklaart hij het als ‘zoiets als alert op sociale misstanden’. Daar kan hij niet anders dan sympathie voor opbrengen. Maar even later ontwaart hij belaging van de medemens door fundamentalisme. Dan betekent woke ‘radicaal ontwaakt’.

Met nog een woord weet Umbgrove me op de kast te krijgen. Robin DiAngelo’s antiracismeboek is hem te enkelvoudig in de benadering van identiteiten, te zwart-wit. Daarin kan ik, een middelbare witte man, hem volgen. Toch wriemelt De wederafbouw van de satire in een oude wond. DiAngelo zou namelijk ‘een hermetisch verhaal’ vertellen. Oei, zelfs wanneer hier iets als luchtdichtheid of wereldverzaking wordt bedoeld, reduceert Umbgrove onnodig. In dat hermetisme ziet hij ‘nauwelijks plaats voor humor’.

Die plaats zou wat Umbgrove betreft wettelijk verankerd mogen zijn, in het belang van elke burger. Humor is volgens hem een ventiel, zoals carnaval dat voor katholieken was. Dogma’s, geboden, taboes – ze gaan even aan de kant, opdat onze lach onszelf kan bevrijden. Zonder lach zou onze emotionele huishouding uit balans zijn en zou er agressie ontstaan, onderdrukking, onvrijheid. Daar geeft Umbgrove voorbeelden van, die uit één hoek komen: kalifaatmensen, kaalgeschoren mannen en ‘een conservatief Lagerhuislid’.

Zo komt een derde woord centraal in de aandacht. ‘Humor schept vrijheid. En vrijheid schept humor.’ Deze bijna-sententie haalde, omgedraaid en licht herschreven, als uitsmijter de achterflap: ‘Satire en haar instrument humor moeten gevrijwaard worden van elke vorm van censuur, schrijft Arthur Umbgrove in zijn vlammende en bevlogen pamflet, want vrijheid schept humor en humor schept vrijheid.’

Natuurlijk verscheen De wederafbouw van de satire vóór de gewelddadige coronabetogingen, maar evident is dat ‘vrijheid’ als containerbegrip meer dan ooit allerlei, soms tegenstrijdige doelen dient. Dat blijkt al uit de titel van het pamflet. Het was immers na een afgrondelijke oorlog tegen een nazidictatuur dat in Nederland de wederopbouw van start ging. Dat we momenteel afglijden naar een vergelijkbare ramp is dan een krasse suggestie.

Ook viel de periode van de wederopbouw niet op door grondige vrijheid; Umbgrove waarschuwt bij de voorbeeldvoorvallen van wat hij als censuur beschouwt dat ‘de jaren vijftig [terug]keren’. Pas in de jaren zestig en zeventig zou ware vrijheid zijn veroverd. Heden betekent het begrip bovendien voor diverse beroepsgroepen wat anders. Het zijn immers niet alleen cabaretiers die zich bedreigd voelen. Al langer blijkt op dat vlak iets gaande dat door corona louter versterkt wordt.

Journalisten, medisch personeel, politie… ze weten zich in het nauw gedwongen en ze ervaren dat fysiek. Ik zou niet graag een rangorde aanbrengen wat dan minder of meer levensbedreigend is, noch wie al dan niet een essentieel beroep uitoefent. Wel vind ik het voor Umbgroves stiel interessant dat humor te maken zou hebben met vertrouwen. Het ligt dan wel bij de ontvangende partij, die in staat is ‘gelaagdheid’ te decoderen – en een eventuele belediging te slikken met redenatie?

maandag 24 januari 2022

Uit de werkplaats (3)

 


 

 

 

Christiaan Weijts schreef in een lang krantenartikel over taal dit: ‘Zo schijnt er een Namibische stam te zijn zonder woord voor blauw. Leg ze een groene kleurenwaaier voor met één blauw vlakje erin en ze kunnen niet aanwijzen of die afwijkt.’ Twee zinnetjes waar ik overheen las tot ze geïsoleerd werden als citaat. En ik, losgerukt uit het betoog, iets meende te zien dat niet correct zal zijn maar wel logisch.

Het enkelvoud van de eerste zin laat Weijts overvloeien in een soort tuimelmeervoud van de tweede zin. De vermelde Namibische stam is grammaticaal immers één, terwijl de leden ervan met meer zijn. Vooral op het moment dat ze iets doen, zoals hier aanwijzen?

Prettig misleidend vind ik het eerste ‘ze’, dat deze verschuiving alleen schijnbaar aankondigt. Het is spreektaal voor ‘hun’, een woordje dat te snel zou komen na het massief aanvoelende ‘stam’. Dat is volgens het Groene Boekje mannelijk, dus zal ‘hem’ correcter zijn, zij het dat het hier slechts verwarring zou stichten.

Mijn stelling is dat Weijts bewust een fout maakt. Niet alleen om duidelijkheid te scheppen, maar ook om het tweede ‘ze’ in te leiden. Pure suggestie, dat tuimelmeervoud! Want deze ‘ze’ verwijst naar een of meer woorden die nergens te vinden zijn – naar ongeschreven taal.

Nu nog even verzinnen waar Weijts precies op doelt met ‘die’. Het meest dichtbije, ‘vlakje’, onzijdig, kan het alvast niet wezen.

 


Behalve een nieuwe tune heeft de publieke nieuwszender van Vlaanderen een nieuwe slogan. Geen flauw idee hoeveel jaren achtereen de wekker ons ’s morgens vroeg heeft verzekerd Radio 1, altijd benieuwd, maar vanmorgen hoorden we ineens Radio 1, alles begint bij luisteren.

Toch wel een verschil. Benieuwdheid vereist een actieve houding en vermoedelijk, maar dat kan een persoonlijke associatie zijn, moet je er de deur voor uit, zelfs wanneer je niet weet wat je precies zoekt. De ander is dan een bron, waaruit je put. Meer of minder vrijelijk, en ik vermoed met al iets meer zekerheid dat daarin de kneep zit van de nieuwe slogan.

Luisteren vereist een dienende rol en legt het accent bij de ander. Het klinkt minstens uitnodigender, minder egocentrisch ook, dan het verhoudingsgewijs gretig vergaren van nieuws. Dat is misschien zelfs een drift. Is de uitdrukking immers niet ‘nieuwsgierigheid bevredigen’? En moet het bezittelijk voornaamwoord daarbij niet mannelijk zijn? Van de nieuwsjager?

Maffe tijden momenteel, nu in Noord-Nederlandse media de beerput opengaat, en de Vlaamse radio de slogan verandert. Maar minstens meen ik dat de zelfpresentatie minder schrik pretendeert aan te jagen. Alsof de luisteraar nu van een safe-spacecake mag snoepen?

Overigens zou ik in de slogan een ander voorzetsel gebruiken: ‘Alles begint met luisteren’. Maar dat kan een Noord-Nederlandse afwijking zijn.

 


In dezelfde krant als Weijts had Stephan Sanders vorige week een recensie. Hij voegde daar in een citaat het woordje sic in. Ik ril daar altijd van, omdat ik me als taalmenneke wakker gepord voel. Shit, nu moet ik een fout zien! Gelukkig dringt die best vaak tot me door, zodat door mijn studeerkamer ziezo kan galmen. Maar soms snap ik iets niet.

Dit was Sanders’ correctiecitaat: ‘elke (sic) mens wordt gereduceerd tot zijn huidskleur’. Wat is hier fout aan? Nu hang ik gekke Gerritje uit, want uit mijn jaren te Nederland staat me dat nog wel bij. Daar moet de auteur – of in dit geval: zijn vertaler – ‘elk’ schrijven. Onzin, durf ik te stellen, in de rug gedekt door het Groene Boekje dat ik aanstonds op zijn bips zal geven.

Mens is volgens het Groene Boekje een mannelijk woord en dan betekent het ‘persoon’. Zo is het in het citaat ook bedoeld. Helaas is dit volgens het Groene Boekje de tweede betekenis van mens. De eerste is wel degelijk onzijdig en zou Sanders’ correctie alsnog legitimeren. Maar dan duidt mens op, het staat er echt, ‘vrouw’.

In deze onzijdige variant herinner ik me uit het Noord-Nederlands iets wat allerminst neutraal valt te noemen: een stom mens, een gek mens, een leuk mens, enz. Maar nu pas dringt het tot me door dat met zulke types geen mannen worden bedoeld!

Ik word inmiddels meer dan twee decennia omringd door Vlamingen en die gebruiken zo’n onzijdige mensvorm niet, hoe de inborst ook mag wezen. Hier acteren een brave mens én een slechte mens. Daarom klopte het citaat wel. Want ja, het boek dat Sanders besicte is uitgegeven in Vlaanderen.

woensdag 19 januari 2022

Zijn vaderhart zou het niet dulden

 

 

 

 

Wie de monumentale witte Dossinkazerne in Mechelen kent, kijkt vreemd op van het anti-oorlogsmuseum in Berlijn, op de Brüsseler Straße. Het zit in de benedenverdieping van een appartementsgebouw, en heeft drie kamers en een schuilkelder. (Wereldwijze beginzinnen uit de tijd dat ik achter een buggy liep.)

Dossin serveert schier eindeloze getuigenissen, per stuk op te roepen, en haalt de nuance van elk levensverhaal naar voren. Waar bezoekers zo langzaam en gestadig in een stemming van onontkoombaarheid raken, hanteert het anti-oorlogsmuseum de botte bijl. Er liggen martiale spulletjes uit twee wereldoorlogen, met de expliciete vraag wat de zin ervan is. Sommige zijn geestig al gerecycleerd tot gebruiksvoorwerpen. Ook zijn er brieven, zoals van Willy Brandt, die de waanzin van oorlog aanklagen.

Alleen de schuilkelder heeft een Dossin-effect. Dat komt niet door de overlevingsdingen die er te vinden zijn, van bed tot koffer – maar door een deur. Daarop hebben Berlijners datum en dagdeel van elk geallieerd bombardement gekrast.

Een andere zogeheten troef van het anti-oorlogsmuseum is, of was, de vrijwilliger die het openhoudt. Hij is de kleinzoon van de stichter, Ernst Friedrich. Deze verwierf faam met een soort fotostrip die hij in 1924 uitbracht: Krieg dem Kriege. Ik leerde het kennen uit ‘Niet de ziel, wel haar spiegels’, openingsessay van Charlotte Mutsaers’ bundel Kersenbloed (1990). Daarin werkt zij toe naar een foto uit Friedrichs boek. Van een hoofd, en profil, waaruit een stuk weggeschoten is, een gat dat ze identificeert als een neus.

 


De foto bevat vier bijschriften, waarmee de bijzonderheid van Friedrichs project mede is gegeven. Een kleine eeuw voor Google Translate presenteert hij namelijk vier talen simultaan, behalve Duits ook Engels, Frans en, jazeker, Nederlands. In de laatstgenoemde tongval luidt het bijschrift bij deze foto: ‘De kuur der proleten’. Daar is alvast geen woord Chinees bij.

De combinatie van tekst en beeld doet wel wat, maar ontbeert de intensiteit die Brecht er, een Wereldoorlog later, aan gaf in diens gedurfde project Kriegsfibel. Ondertussen vraag ik me af waarom Friedrich zo’n marginale taal als het Nederlands in zijn propaganda betrok. Ik kan me lastig indenken dat invloed zo ver strekt, maar voor het bekende symbool van zijn pacifisme, het gebroken geweertje, had hij de mosterd gehaald bij de krant De Wapens Neder van Ferdinand Domela Nieuwenhuis, die hij in 1909 ontmoette.

Dat was dus ruim voor de Eerste Wereldoorlog, het gruweltoneel dat hem tot een realityrol bracht: die van dienstweigeraar. Het drama zelf werd bewijsmateriaal voor zijn boek. Vind elders maar eens een waarheidsgetrouwe afbeelding van een deels weggeschoten hoofd! Het staat achter in Krieg dem Kriege, na reeksen van verwoeste gebouwen.

Als close-up, van één persoon bovendien, is het een culminatiepunt. Tot dan zijn er slechts officieren te herkennen geweest, veilig weg van het front, terwijl de vele afgebeelde soldaten- en dierenlijken, gehangenen en verhongerden iets van afstand bewaarden tot de camera. Maar een reeks hoofden waarop plastische chirurgie is uitgeoefend, kan lezers pagina na pagina louter met zichzelf confronteren. Nadien laat Friedrich toch nog becommentarieerde foto’s van graven het boek afsluiten.

Ik noem het maar retorisch activisme. Het wordt voorbereid vanaf de acquitstoot die natuurlijk een openingsmanifest is. Wild vormgeven, maar louter nog taal. Daarna neemt de fotostrip meteen bewijzen op met tekeningen van kinderspeelgoed. Friedrich vindt dat het kwade invloed heeft, als warmmaker voor oorlog. Zulk speelgoed is verraderlijk en hij noemt het ‘Judas’. Toen had het de vorm van wapens, nu wellicht van games (Glenn Greenwald beweert in De afluisterstaat dat deze dezelfde functie hebben als literatuur en films voor vorige generaties: een ethisch medium om een wereldvisie te ontwikkelen).

woensdag 5 januari 2022

Kommaneuker

 



 

Wat gaat me treffen in 2022? Nu de gourmande redelijkerwijs zal overstappen naar het middelbaar onderwijs, besef ik één taal voor het laatst te hebben ervaren: die van de Nieuwjaarsbrief. Ik maakte er ruim een decennium geleden kennis mee door het taalkundig genie, haar oudere zus, die vanaf de peuter- en kleuterschooljaren deze opgelegde teksten in schoonschrift op 1 januari voordroeg.

Destijds werd ik er sentimenteel van, nu doen ze me rillen. Niet om hun formeel zwakke kantjes. Het is amateurpoëzie, die aanvaardbaar kan zijn zolang ze oprecht is. En die eigenschap vind ik toch in Nieuwjaarsbrieven niet terug. De taal die klinkt en die afgesloten wordt door ‘je kapoen’ is behalve zalvend vooral afgelebberd.

Nou en? Haar bundel doe het toch maar opent Babs Gons met een overdwars gezet voorwoord over taal, dat deze strofe bevat:

 

ik wil een taal waarin

‘gewoon’ en ‘anders’

hun langste tijd hebben gehad

een zachte dood sterven

en niemand ooit meer

onzichtbaar kunnen maken

 

Een paar gedichten verderop neemt Gons zich voor niets meer ‘normaal’ te noemen. Waarschijnlijk stoot ik tegen de vanzelfsprekendheid van de Nieuwjaarsbrief. Behalve ouders zijn in deze Vlaamse traditie peters en meters betrokken. Aldus is ze katholiek, en zit ze voor mij in een mandje met meer ongrijpbare fenomenen als jeugdbewegingen – jongens en meisjes die bij weer en wind in kaki rokjes en korte broeken door het landschap trekken en die eenmaal volwassen bij het eerste spatje regen per auto naar de bakker gaan.

Na al die jaren emigratie is mij niet alleen duister of België echt voorbij het katholicisme is geraakt, maar ook of er nu gemeenschappen ontstaan of netwerken.

Verder verbaas ik me over de voor mijn doen wel erg gedecideerde afwijzing van de nieuwjaarstaal. Gewoonlijk fascineert afgelebberdheid me, omdat ze het origineel herbelicht. Zo snapte ik pas door de ijzige cover van The Bad Plus wat een fantastisch liedje de Bee Gees gecomponeerd hebben in ‘How Deep Is Your Love’, door de consensus in mijn jeugd gebarricadeerd met commercie.

Ondertussen heeft de gourmande zelf kans op een vaccin. We kregen er een oproepbrief voor, en die fascineert me sowieso. Per reflex ervoer ik afstoting zodra ik in het betoog weer de vetgedrukte woorden ontwaarde. Maar het is te makkelijk daar paternalisme in te zien, er zijn werkelijk lezers die alle moeite hebben om te begrijpen wat er staat.

Wel functioneerde één vetgedrukte onmiddellijk in een constructie die helemaal van deze tijd is: ‘De vaccinatie is aangeraden, maar niet verplicht.’ Verantwoordelijkheid wordt bij de burger gelegd, zoals Belgen met de heilige Kerst ook advies kregen waarmee ze hun plan konden trekken (en er nu rekening wordt gehouden met ‘een vijfde golf’ vanwege die intergenerationele samenkomsten).

Aan het slot van de brief werd dan ook bij voorbaat gedankt ‘voor je hulp bij een vlotte vaccinatie’. Over de vermoedelijke betekenissen van dat bijvoeglijk naamwoord in België zou ik een boek kunnen schrijven.

maandag 20 december 2021

Onze wereld is aan het sluimeren

 

 

 

 

Dankzij secundaire literatuur citeer ik uit een oeuvre waarvan me dit dan bekend is:

 

Ontwaken

 

De stoel, de lift, dit tijdschrift: ze zijn niet levenloos

maar rusten gewoon even. De wijk doet haar dutje,

gerangschikt in huizenblokken, trottoirs en bruggen.

Het huis kraakt als het zich omdraait in haar slaap.

De pinautomaat is kunststof dat alleen maar geld gaf

om te kunnen doordromen, de mannen met baarden

zagen het al. Onze wereld is aan het sluimeren,

haar ontwaken zal zich openbaren in brokstukken,

puin, ijzeren staken. Niet uit de bewusteloze treden

van de brandtrap, de comateuze betonplaten. Banken

ziekenhuizen, scholen, het bleken slechts cocons.

Wacht maar tot ze zijn ontdaan van slaap. Ons huis

is een knop, waarin de ontploffing al bloesemt.

 

Ik sprak al eens mijn verbazing uit over een tijdschriftinterpretatie die in ‘de mannen met baarden’ ofwel bankbestuurders of intellectuelen las. Inmiddels is dat inzicht gebundeld in de studie Poëzie als alternatief van Jeroen Dera, als deel van een hoofdstuk over economie, en snap ik er nog een paar bieten minder van. Niet dat mijn gedachten dikwijls bij hoge meneren uit de financiële sector verwijlen, sinds de kredietcrisis van 2008 louter met tegenzin zelfs, maar wanneer ik me al iets bij hun gezicht voorstel dan is het clean-shaven.

De associatie van baard met intellectueel heb ik evenmin direct, maar lijkt me verhoudingsgewijs iets geloofwaardiger. Iemand die zo hard tussen de boeken zit dat hij zich vergeet te scheren? Zoveel macht als Dera durf ik aan hem toch niet toe te schrijven. Uit een recensie op een weinig fijne roman begrijp ik bovendien dat baardigheid, en behaard-zijn in het algemeen, een privilege is voor naïeve wereldverbeteraars die zich juist ter overzijde van de macht bevinden.

En dan zwijg ik nog over stuikende logica: niet elke intellectueel is een wereldverbeteraar, en niet elke wereldverbeteraar is een intellectueel.

Mij blijft een raadsel hoe de link tussen baard en intellectueel ontstond bij neerlandicus Dera. Ik heb mijn computer daarom aan een scan onderworpen en kwam tot een beschamende conclusie: ik heb hier zelf over geblogd. In zijn studie De revanche van de roman sprak Thomas Vaessens namelijk over ‘baardig engagement à la Vogelaar’. Met die naam verschijnt een van de grootste twintigste-eeuwse intellectuelen van de Nederlandse literatuur, maar dan snap ik het nog niet helemaal. Vogelaar droeg alleen in zijn vroege jaren een baard.

Speel ik nu stommetje om zo’n detail uit een gedicht te lichten? Nee, de baardenmannen zitten in de enige zin met de verleden-tijdsvorm, die bovendien een knik aan het betoog geeft. Voordien heerste er tegenwoordige tijd, maar vanaf de mannen moet die modus een proces te benoemen dat, met een schakelende tussenzin in de toekomende tijd, een apocalyps voorspelt.

Het ontwaken van de titel verwijst dan misschien naar de werkelijkheid waartegenover we hebben zitten te slapen en dromen. Bij de baardenmannen staat de daad voorop die voor een gemiddelde bankbestuurder of intellectueel, heerlijk beschaafd, een minder onderscheiden punt is. De mannen met baarden zijn volgens mij geen lieverdjes. Ik wist dat ook zonder scan want kan meezingen met een oud zeeroversliedje:

 

Al die willen te kaap’ren varen

Moeten mannen met baarden zijn

 

Natuurlijk waren die mannen ambachtelijk niet zo ver dat ze, zoals het gedicht beschrijft, op grote schaal in een stad zoiets als een ontploffing konden aanrichten. Die techniek leek voorbehouden aan hun moderne nazaten. Zou ik hen terroristen mogen noemen?

dinsdag 14 december 2021

‘Maar hij was zelf niet zo’

 


 

 

Iets bevalt me niet zo aan De Saamhorigheidsgroep. Vreemd, want het gebeurt me zelden dat ik een roman snel wil uitlezen en dat ook graag doe. Merijn de Boer toont aan de stiel te beheersen, zowel op zinsniveau als in de uitbouw van een plot. Toch resteert bij mij na bijna vierhonderd pagina’s een hol, bozig gevoel.

Dit veelgeprezen boek uit 2020 heeft me kennelijk geraakt. Omdat het idealisme telkens afstoot en omarmt? Of betrapt het me op mijn kleine kantjes, zoals dat in Vlaanderen heet?

De vriendenkring die De Boer beschrijft bij het verbeteren van de wereld anno beginjaren tachtig van de vorige eeuw bestaat net als mijn biotoop uit witte mensen uit de middenklasse. Hun namen laat hij, inclusief uiterlijk kenmerk en beroep, opsommen door zijn centrale personage Bernard, een loner die doet alsof hij met hen sympathiseert terwijl hij louter oog heeft voor één vrouw:

 

Ralf, button, radioloog

Wijnie, rode krullen, hospicedirectrice

Bronno, kabouterbaard, ambtenaar

Olga, forse borsten, secretaresse

Wiebe, neushaar, socioloog

Laurens, bril, leraar

Tristan, staart, portretschilder

Liza, sproeten, verloskundige

 

Verder figureren de alleenstaande psychologe Renate, zijn oude studievriend advocaat Felix en diens vrouw Hester die ‘spirituele cursussen geeft over numerologie, chakra’s, mandala’s en meditatie’.

Tja. Stamt mijn irritatie over De Boers constructie als geheel uit het droge detail dat de groepsleden, net als ik, niet eens auto’s verdragen? Dat leidt in de roman tot potsierlijke gevolgen - inzichtelijk om je eigen onverdraagzaamheid mee te beleven. Wel besefte ik plots dat dit effect wordt aangericht door Bernard die bij samenkomsten zijn auto zekerheidshalve een paar straten verderop parkeert.

Zo ontstaat satire terwijl Bernard bij alle aandacht die hij van De Boer krijgt nooit in dit specifieke voorgevoel wordt beproefd. Tot er iets misloopt, zijn autobezittersstatus ontdekt wordt en de groep hem helemaal niet laat vallen. Toch hebben lezers daar dan tientallen bladzijden mee kunnen lachen én ze begrijpen dat Bernard ‘oprecht van de sociale omgang met de anderen [genoot]’.

Voor mij is zulke satire behaaglijk en houdt zich ver van de militante variant die zulke literatuur evenzeer kan bieden.

Even informeel is De Boers presentatie van de culinaire discipline in de groep. Boter wordt dunnetjes gesmeerd, er is wat oude kaas en witbrood krijgt geen goedkeuring. Waarschijnlijk heb ik door acute vermoeidheid te gehaast gelezen, maar door die soft-focusbril zal soeverein bruinbrood zelfgebakken zijn. Lachen! Zeg eens driemaal ‘moestuin’ en zesmaal ‘onbespoten’!

In de groepsbenadering van alcohol kan ik me (gelukkig, voor een kritischer positie?) al helemaal niet herkennen. De leden nemen water en thee in gigantische hoeveelheden en wanneer ze eens een glaasje drinken is de voorraad zeer beperkt. Iedereen legt zich daar moeiteloos bij neer, en dat is even onbegrijpelijk als idioot.

Om toch een minimum van geloofwaardigheid te scheppen geeft De Boer aan de groepsleden een ultiem kenmerk. De leden hebben ‘bijna allemaal een gereformeerde achtergrond’. Och, natuurlijk! Indien ze katholiek waren geweest, zouden ze roomboter hebben genomen en onophoudelijk genipt van rode wijn en was er amusement in hen gekropen dat vlekte op het populisme waarmee ze zijn opgetuigd.

Het wordt in de roman dan echt banaal wanneer er bij een onverwacht feestelijk moment witte wijn tevoorschijn wordt getoverd. Die fles, een goeie ook nog, was maanden voordien cadeau gedaan, uiteraard door Bernard, en toen opengemaakt maar, onnavolgbaar, niet helemaal leeggedronken. En dus is het spul verzuurd, zij het dat niemand dat proeft. Behalve Bernard, die erover zwijgt.

Van waarheidsgetrouwheid of dieptepsychologie weet ik niets, maar mijn vraag is wel of deze roman überhaupt satire is. En of De Boer zoiets als personages heeft geschapen. Een lovende recensent denkt van niet, en bewijst dat met een veel gruwelijker stelling over de auteursintentie:

 

‘Hij wil een portret schilderen van de linkse idealisten en waar ze voor staan. Het soort dat in de jaren 1970 en ’80 alom aanwezig was: demonstrerend tegen kernwapens, met hun strijdkoren in winkelstraten, als vrijwilliger in Wereldwinkels. Een type dat inmiddels met pensioen is en als actievoerder al lang is overvleugeld door extreemrechtse schreeuwers met hun complottheorieën.’

 

Dit heet volgens mij common sense. Niet alleen vindt het tegenkanting gedateerd. Het bepleit ook een eng realisme. Op klimaatveranderingen zegt het bijvoorbeeld dat de lockdown van 2020 heeft geleid tot ‘slechts’ of ‘een schamele’ 7% minder CO2-uitstoot. En dat ontslaat van een individuele gedragsverantwoordelijkheid, zoals De Boers groep die wel neemt, maar mikt op outsourcing voor ‘innovatie’.

 

De linkse elite

Door het buitenstaanderspersonage Bernard én door de vertellersclichés zijn de verhoudingen in de roman asymmetrisch. Dat versterkt het effect dat ze op de lezer hebben. Wat de groepsleden ook doen (knutselen, dansen, zingen), alles verglijdt onherroepelijk in de put van het belachelijke. Dat levert twee morele suggesties op.

De saamhorigheidsgroep investeert in projecten voor wat destijds probleemloos de derde wereld heette en waarbij de leden tot tranen toe betrokken zijn. Omdat De Boer voor deze ijver zijn ironie handhaaft, wordt hun engagement bij voorbaat bespottelijk. En wanneer de meerderheid beslist om een percentage van een erfenis af te dragen aan hogere doelen, is het idee: groepsdictatuur.

maandag 6 december 2021

Cynisch citeren (2)

 


 

 

Mijn afkoelingsperiode bracht één inzicht: de titel van dit blogreeksje is abuis! Van Langenhove citeerde niet, maar knipoogde (hintte). In mijn tweede taalobservatie bij de Brusselse betoging die Samen voor Vrijheid had georganiseerd gebeurde hetzelfde. Aanstonds op dit podium.

Voor tekstueel knipogen bestaat, naar goede traditie, een term uit het Esperanto: dog whistling. In mijn jeugd heette dat ‘Aesopische taal’. Klinkt verhevener en onalledaagser, maar ja, toen hekelde je bijvoorbeeld met ‘mainstream media’ andere bedrijven dan nu en was ontlening aan het Amerikaans een akte van onbetrouwbaarheid.

En ai, mijn tweede voorbeeld van dog whistling bij de demonstratie wordt even overtuigend als het eerste: wie ongeloof hecht aan zo’n tactiek of überhaupt geen brontekst hoort meeklinken, zal het worst wezen. Een extra handicap bij mijn poging is de duisternis bij de afzender. De samenstelling van de betogers was volstrekt heterogeen.

Over de bizarre gelegenheidscombinatie van mensen die coronamaatregelen verwerpen, is al veel gezegd. Onvergetelijk blijft dan Samenzwevers, de recentste (korte) documentaire van Sunny Bergman. Haar werk kan ik vergezellen van lof en kritiek, maar zelden deed ze iets zo weergaloos: onverdoofd snijden in eigen omgeving.

Uit een yogawereld haalde ze getuigenissen waarin wereldvreemdheid en egocentrisme politiek werd opgeladen, mede omdat de geïnterviewden dit doodleuk benoemden. Van GroenLinks en SP was hun voorkeur vanwege corona gezwenkt naar Baudet – toen nog minder aantoonbaar van het padje af, maar al gedrenkt in zijn omvolkingstheorie.

Hoewel de geïnterviewden het goed met zichzelf getroffen hadden, kreeg ik op een bepaalde manier medelijden met hen. De meesten lieten zich, vermoedelijk ter ontspanning, filmen in ruglig. Die positie oogt kwetsbaar. En zo redeneerden ze ook, gevoed door geruchten. Ik dacht eerst dat ze grappen maakten en dat Bergman experimenteerde met het mockumentary-genre.

Stellingen door de yogabeoefenaars betrokken bleken serieus. Zodat ik op mijn beurt van stuitje tot kleine teen een aandrang kreeg de overeenkomst in hun verhalen te fixeren in een term die ik amper verdraag: ‘privilege’. Wat een isolatielaag van luxe omgaf hun redenaties! Pure binnenpost. Zo kan iedereen zich wel verzetten tegen ‘mainstream media’.

Hun veronderstelde lijfblad zou ook een coming out mogen geven met een aangevulde naam: My Happinez. Ik poneer dat om eindelijk mijn bruggetje te maken naar de tweede taaluiting die me uit (berichtgeving over) de coronademonstratie verblufte. Ze was te vinden op kartonnen borden die de demonstranten droegen: ‘My body, my choice’.

Dat hier weer Esperanto regeert, lijkt me bijzaak. Vooral schrijnt wat de leuze uitdraagt met het eerste bezittelijk voornaamwoord. Het druist in tegen hét vaccinatieprincipe en ontplooit desinteresse voor de buitenwereld. Wie een vaccin laat zetten, doet dat niet voor ‘my’ maar voor ‘your’ body.

Tenzij ik iets volkomen fout heb begrepen, beschermt een gevaccineerde eerst medemensen. Klinkt schijnheilig, maar dat is het allerminst. Hier regeert een welbegrepen eigenbelang, een begrip van Adam Smith (dat hij kon ontwikkelen dankzij de gratis zorg van zijn moeder). Het zet de ander tot iets soortgelijks aan, waardoor je eigen veiligheid, en zo comfort, toeneemt.

Nu zit ik andermaal te ageren, terwijl mijn stelling was dat de taaluitingen op de coronademonstratie knipoogden. O ja. De borden met het opschrift ‘My body, my choice’ werden exclusief gedragen door vrouwen. Nazaten van een generatie bij wie protesteren in het bloed zat, omdat er werkelijk onrecht te repareren viel en structuren verroest waren.

Bij die generatie verenigden vrouwen zich in Nederland bijvoorbeeld onder Dolle Mina. Ze eisten evidente rechten op zelfbeschikking (bijvoorbeeld over iets wat inmiddels in Mississippi geen abc’tje blijkt) en voor die eisen hadden ze slogans, waarvan eentje de geschiedenisboeken haalde: Baas in eigen buik.

Kennelijk doorstond deze uitspraak de tijd tot en met de coronademonstratie, die ernaar knipoogde met een totum pro parte. Meen ik, wiens gewoonlijk nogal verstopte oren de frequentie van dit hondenfluitje opvingen. Maar ook wanneer ik doof ben, leert de werkelijkheid dat de huidige slogan iets kopieert van feministen vóór corona.

Tot overmaat van ramp blijkt een vrouw op de Brusselse demonstratie een verleidelijk aanbod te hebben gedaan: de free hug. Alsnog ‘your body’? Wat bezielde haar? Warmte uitstralen? Een statement maken tegen ‘dictatoriale’ maatregelen die andere medeburgers juist niet ver genoeg vinden gaan? Een impuls volgen?

dinsdag 30 november 2021

Cynisch citeren (1)

 


 

 

De veelbesproken demonstratie tegen het Belgische coronabeleid, gekaapt door Vlaams Belang, trof me zeker ook qua taal. Dan doel ik niet eens op de term ‘dictatuur’, waarin de Lage Landen volgens de overkoepelende organisatie Samen voor Vrijheid veranderen. Of op het begrip ‘vrijheid’ zelf, dat voor mij inmiddels zo onnavolgbaar geworden is dat ik het louter nog wantrouw.

Nee, mij troffen twee grotere verbluffendheden.

De eerste ritmeert de communicatieadviezen die Dries Van Langenhove gaf: ‘Samen voor Vrijheid brengt mensen samen bla bla tegen bla bla over alle grenzen heen bla bla’. Nou mag het digitale wapen dat hier wordt ingezet dan wel Telegram heten, de afkortingen die dat medium in zijn analoge tijd te zien gaf waren van een andere aard dan Van Langenhove met ‘bla bla’ presenteert.

Voordat ik dat uitleg, moet het me in mijn functie van schoolmeester van het hart dat de spelling niet klopt. Het is ofwel ‘de blabla’, als zelfstandig naamwoord ofwel, zoals Van Langenhove hier wil doen, ‘blablabla’ als tussenwerpsel. Maar goed, waarop hint hij?

Als Hollands kind, ongeveer ten tijde van de Guldensporenslag, hoorde ik mijn vader schamperen over ‘blablafiguren’ wanneer mensen wel erg vaak het woord namen. Achteraf ontdekte ik dat het dan vaak academici betrof. Maar toen was me van Gruppo Sportivo al de song ‘Blah Blah Magazines’ bekend, waarmee gemakkelijke want namedroppende muziekkritieken werden bespot uit veredelde roddelbladen.

Ik denk niet dat bij Van Langenhove die betekenissen meetrillen. Voor een bondgenootgenootschap in aanzwelling zoekt hij volgens mij wel de goede verstaander met behulp van hoon. Of ben ik echt te wantrouwig geworden dat ik in ‘bla bla’ van zijn communicatieadvies Greta Thunberg hoor? Rond Glasgow CO26 drukte zij daarmee meer dan eens haar afkeer uit voor klimaatpolitiek zonder daden.

Mocht ik wel degelijk goed hebben verstaan wat Van Langenhove deed, dan zou zijn strategie geheel de tijdgeest volgen. Hij herexploiteert zijn ideologische tegenpool Thunberg, met een even brutale vanzelfsprekendheid als waarmee de nieuwe versie van Windows in een hoekje van het scherm, naast de temperatuur, nu ook beurskoersen vermeldt.

De containerterm voor zulke herexploitaties is volgens mij neoliberalisme. En wie zich daartegen zou verzetten wordt automatisch ‘hypocriet’. Want wie kan zich aan de wereld onttrekken, en wie is zelf een haar beter? Die indruk krijg ik althans ogenblikkelijk, maar wil daar even verder over nadenken. Volgende keer hopelijk meer dus, samen met mijn tweede ergernis aan de coronademonstratietaal.

Maar dat het hypocriet-oordeel zo makkelijk in me opkomt, zal eventuele volgers van dit blog en lezers van mijn studie over opinisme niet verbazen. Naar mijn overtuiging is de jij-bak (‘wat je zegt ben je zelf’) al jaren hét argumentatiemiddel. Wel heel efficiënt produceerde ik er dan ook voor mijn komende boek, een encyclopedie van de val, een lemma over.

Uiteindelijk heb ik het toch maar geschrapt. Ik zal er deze post mee afsluiten, als zogeheten deleted scene:

 

Hypocriet, De. Figuur die overuren maakt bij debatten op het internet. Nu steevast de ander, ooit een prototypisch katholieke gestalte. Ik vermoed dat de oorsprong moet worden gezocht in de omgang met het geweten, welks bestaan krimpt in een veranderende, van conflicterende belangen uitpuilende wereld. Om die allemaal te counteren moet het geweten inspanningen doen die grenzen aan het onmogelijke. Lui als de hypocriet eigenlijk is, arbeidt hij zonder ophouden omdat de werkelijkheid hem dwingt tot de notoire improvisatie. Frappant is dat hij zich in de praktijk bewust is van en handelt naar de onmogelijkheid van zijn onderneming, maar tegelijk in theorie het geweten boven alles plaatst als leidraad. En dat vooral ook ventileert, in zacht aangeblazen taal die hij nodig heeft voor zijn voornaamste activiteit: het goedpraten. Daarmee is de tegenspraak vlees geworden. In de taalventilatie zit een aantal eigenschappen van de hypocriet: moralistisch, ideëel, betrokken. Dat laatste uit zich in de term ‘heus!’, die hij bezigt wanneer men twijfelt aan zijn oprechtheid. Men moet de hypocriet vertrouwen, hij meent het, heus. Zo niet, dan ligt pathos op de loer, edele verontwaardiging. Hij is betrapt en gaat in de tegenaanval. Met zijn halfvolle geweten detecteert hij ‘principes’ bij de ander en laakt de onbuigzaamheid daarvan. Van zalvend wordt de stem schril, maar niet als die van de geprangde Nina Simone in ‘I’m just a soul whose intentions are good / Oh lord, please don’t let me be misunderstood’. De hypocriet ambieert een biografische benadering en moet duidelijk nog door het poststructuralisme heen. Daarom drukt hij taal geregeld naar de achtergrond met wijsheden die zo ruimhartig zijn dat hij zich in de ontstane bomkrater van het zwijgen even ritueel als bewonderenswaardig blijmoedig kan opstellen. Zijn geestelijke en opzichtig beleden standpunten manifesteren zich aldus ook beter, in een direct altruïsme. De ander komt dan zozeer tot zijn recht, dat de hypocriet zelve oplost tot er niet meer van hem rest dan een façade. Bij de openbaarheid die hij sowieso betracht, wordt hij een tragische figuur, die medelijden wekt om de uitkomsten van zijn niet-aflatende inzet. Alles en iedereen wordt beter dankzij hem en zijn huiveringwekkende goedheid, behalve hijzelf. Gunt hij het zichzelf niet of durft hij het niet? Misschien floreert hij bij of zwelgt zelfs in de glorie van anderen.

maandag 22 november 2021

If it's not open

 

Met klimaatverandering en milieu associeer ik in het Nederlands inmiddels twee termen, die elk hun geschiedenis hebben.

Tegen verspilling is er ‘recupereren’. Een ethische activiteit. Desnoods op creatief-artistieke wijze hergebruik je wat voorheen zou worden weggegooid. Uit de praktijk van die gedachte leerde ik in België het woord ‘recupmateriaal’ kennen. Aan de grondstofstatus ontsnapt niets.

Voordien was ik in mijn woonland bij politieke analyses op ‘recupereren’ gestuit. Daarvoor leek de waardering wel niet erg groot. Het heette schaamteloos of goedkoop dat ideeën van anderen voor het eigen karretje gespannen werden.

Uit mijn geboorteland, nog een paar eeuwen eerder, herinner ik me dan weer wielerreportages waar heerlijk gedetailleerd gebabbel van Jean Nelissen opklonk. Als hij een renner zag ‘recupereren’, dan pufte die atleet na een inhaalsolo uit in het wiel van een collega. Deze betekenis blijkt echter niet exclusief Noord-Nederlands.

Tot slot vermeldt Léon Werth in zijn tweedewereldoorlogsboek Adieu Parijs een nieuwe dimensie van ‘recupereren’. Hij ontwaart een geknapt elastiek rond eigendom als burgers profiteren van de chaos en het geweld door zich spullen toe te eigenen. In het Nederland uit de bange jaren veertig heette dat volgens mij ‘organiseren’.

Grappig dat Werth al de betekenis kent van grondstoffenhergebruik. Des te vreemder dat we heden nog klungelen met producten, door er, aangemaand door Black Fridays, eindeloos nieuwe aan te schaffen. Dat er überhaupt winkels durven te bestaan met 1 eurowaar van zogeheten prijsvechters, de kiloknallers onder de ondernemers!

Dit zeg ik onvermijdelijk vanuit een ruimer budget dan velen die zulke winkels aandoen en het zich niet kunnen permitteren om meer geld neer te tellen voor gecertificeerde waar (bio, groen). Toch zou je hun de vraag kunnen stellen wat de lol is aan een plastic flutlampje dat na een uur de geest geeft.

Die vraag dringt zich op vanwege het tweede woord dat ik met het klimaat verbind: ‘urgent’. De nood is domweg te hoog; ook voor mijn taalallergie die deze term niet verdraagt. Natuurlijk hoort ‘urgent’ van oudsher bij spoedingangen en problemen die voorrang verdienen. Maar blijkbaar heb ik er iets anders mee, iets spiegisch dat een trauma doet vermoeden.

Misschien dit. Toen ik me in literatuur begon te verdiepen, was ‘urgent’ een paswoord waarmee autoriteiten van mijn generatie het belang van die teksten verdedigden. Raar vind ik dat ik dit, volkomen ijdel, met hen eens was over mijn eigen boeken, maar niet overtuigd raakte van andere literatuur, recent en historisch, die hun stellingen moesten bewijzen.

Teksten die dus, Vlaams-politiek, ‘gerecupereerd’ werden.

Dat ik heb besloten een dikke huid te kweken voor ‘urgent’, ligt aan desastreuze ontwikkelingen die onze planeet doormaakt. Uit de inleiding van de bloemlezing Zwemlessen voor later (2020) door de Klimaatdichters: ‘De urgentie die we voelen komt voort uit een verlies en het verdriet, de angst en de woede die daarmee gepaard gaan’.

Ook wetenschappers geven het urgentiesein. Wanneer er tabellen en grafieken bij worden geplaatst is dat prettig streng. Maar door een interview kreeg ik de indruk dat er iets aan voorafgaat, waarvan de relevantie me ontgaat: ‘een gevoel van urgentie’. Reduceert dat juist de onomstotelijkheid niet? Of maakt ‘voelen’ deel uit van een strategie die dan nooit retorisch is?

donderdag 11 november 2021

Een grote achtender

 


 

 

Eindelijk schiep beeldend kunstenaar Anne Semler (*1947) een aparte ruimte voor het woord. Haar verhalenbundel Imbosch vernoemde ze naar een heuvelachtig idyllisch natuurgebied van nog geen 15 vierkante kilometer aan de zuidoostkant van de Veluwe waar ze geboren werd en, grotendeels, haar jeugd doorbracht. Ik weet alleen niet of ik van verhalen mag spreken.

De teksten zijn ultrakort en registreren een gebeurtenis die, zoals dat heet, een onuitwisbare indruk heeft achtergelaten. Samen doorlopen ze in de derde persoon chronologisch de jeugd van Anna, de hoofdpersoon aan wie Semler een betekenisvolle variant op haar voornaam geeft: de papieren versie spiegelt zichzelf, zodat er tegelijk een Inbosch ontstaat. Dat hoort misschien wel bij het genre. Met enige regelmaat geeft het hier de nevenschikking ‘Anna is xx[jaar] en…’ De eerste leeftijdsaanduiding in de bundel is tien, en de laatste achttien. Vormende jaren dus, of in ieder geval de tijd waaraan herinneringen het sterkst zijn.

Aan het grillige geheel brengt dit tellen een basisritme, het begin van eenheidsschepping. Net zoals in Imbosch losse woorden dat bewerkstelligen die, om de zoveel pagina’s opduikend in diverse corpsen, grijstinten en hoeveelheden, de registraties als het ware picturaal onderbreken. Die kerntaal legt niet zozeer uit, maar doet iets met een mythische geografie. Meer dan eens valt bijvoorbeeld het woord ‘Kouwerik’, en ‘Varkenslaagte’, en ‘Hindenberg’. Alsof het herhaald uitspreken Semlers geheugen activeert. Of zijn het vlaggetjes op de stafkaart van het jeugddomein dat Imbosch her en der ook met foto’s laat zien?

Subtiel wijkt Semler van conventies af. Kijk maar naar de openingszin: ‘Een klein, blond meisje in een zomerjurkje bekijkt voor het eerst in haar leven heel aandachtig de voorjaarsbloesem van een paar kromme, dunne bomen die naast het kippenhok staan’. Ik heb alles onderstreept wat volgens de oer-Hollandse kunst van het weglaten overbodig zou heten. Aandachtig bekijken, het staat er, is echter het programma. Daarbij hoort evenmin de laaglandse kunde van het morele oordeel. Nee, Semler legt zo nauwkeurig mogelijk iets vast, ‘zonder romantiek of sentiment’, zoals het in haar bio staat. Aandacht geven is kennis vergaren, een proces dat nooit zou mogen stoppen. Voor Anna heeft Semler het ene bijvoeglijk naamwoord na het andere nodig, dat haar precisie vergroot. Toch blijft Imbosch een dunne bundel en lijkt benoemen niet per definitie uit te monden in direct begrip.

Dat kippenhok uit de openingszin krijgt lading aan het eind van de betreffende registratie, doordat er een haan de kop wordt afgehakt en vervolgens, zoals ook stedelingen weten, wegrent, ‘een spoor van bloed op gras en dennennaalden achter zich latend’. Een mooi beeld voor de verhalen zelf, die soms gruwelijk zijn maar ook feestelijk en die altijd hulpeloos naar de bron willen. En een bloedspoor keert letterlijk terug in een verhaal over intrusie. Adelijken uit de stad komen met rijke vrienden jagen, eten een deeltje van de buit, laten de overgrote dode restanten achter, net als een edelhert, ‘een grote achtender’, dat door minstens één kogel is geraakt en na drie dagen spoorzoeken dankzij ‘bloeddruppels op bosbesstruiken’ eindelijk in een kuil wordt gevonden, brullend van de pijn. Het krijgt alsnog een genadeschot. En in het slotverhaal is het de inmiddels achttienjarige Anna zelf wier bloed stroomt wanneer een herdershond haar in het bovenbeen bijt.

maandag 8 november 2021

Druppendheden

 

 

 

Zo ben je even van de wereld afgewend en blijkt er van allerlei voorgevallen.

Over de naam van dit weblog hangt plots straling van een film die Honey Pot heet, gemaakt door het controversiële kunstcollectief KIRAC. Ditmaal heeft het een studente filosofie bereid gevonden haar lichaam experimenteel uit te besteden aan een rechts-radicale filosoof die al gepromoveerd is. De filmtitel verwijst naar een spionagetechniek om mannen te chanteren.

Ik weet niet, mij klinkt het James Bond-achtig, en nu is daar dus een laaglandse variant van. Zelf voel ik vooralsnog geen aandrang na de trailer de film te bekijken. Uit plaatsvervangende schaamte voor het mannelijke object, maar ook voor de studente filosofie wier wetenschappelijke methodes me treurig stemmen.

Dus zelfs na een lawine niet-Twitter-opinies, van links tot rechts, kan ik niets vinden van Honey Pot. Hooguit bevreemdt het te snappen dat in het plaatje van mijn blog Winnie the Pooh met zijn kop nu ook beklemd is geraakt in een geslachtsdeel.

 

En dan. Friture Kombuis is niet meer, sinds een maand of wat. Ons jaarlijkse bezoek aan Oostende was sinds corona onderbroken. Toen we vorige week eindelijk terug waren, was de opengeklapte mossel verdwenen die als uithangbord diende (en door Honey Pot ook al dubbelzinnig wordt).

Een geheimtip was dit restaurant zeker niet. Grootstedelingen konden er hun authenticiteitsidee op kwijt. Het afscheid van Friture Kombuis blijkt al bezongen. Ook hebben we aan tafel BV’s gezien. Hoe vaak zaten we daar immers uit de zee te schransen – een beter woord is er niet?

Toch bracht de Koningin der Badsteden evenzeer iets nieuws, uitgerekend bij een bakker waar we ook al jaren komen. Maar liefst drie soorten koffiekoeken bleken ‘ingezegend voor Sint-Hubertus’. De anijs die er volgens de vakliteratuur in schuilgaat proefden we niet, maar veranderden we met onze buikjes vol, anders dan Winnie, dan minstens in superjagers?

 

In zee vingen we, ter hoogte van Mariakerke, Pillage of the Sea van Rosa Barba. Dit beeld kadert in de tentoonstelling Beaufort 2021. Door de vloed konden we niet dichtbij komen; ik werd geïntrigeerd door een stapel platte stenen. In werkelijkheid bleek het om zakken van textiel te gaan, volgegoten met beton. Ik bleek niet de eerste die er halt bij had gehouden.

Op de zakken staan namen van wereldsteden die, onder de huidige ontwikkelingen van het klimaat, onder water zullen lopen. Eens te meer een gepast kunstwerk bij het begin van Glasgow COP26, met wat goede wil vanuit Oostende over de Noordzee te bereiken per boot, via de monding van de Clyde.

Minstens zo relevant toont Pillage of the Sea zich voor het klimaatplan van de Vlaamse regering, die elektrische auto’s wil voorschrijven. Waarom worden deelauto’s niet verplicht, waar is het breekijzer van rekeningrijden? Waarom niets over salariswagens die vervuiling blijven bevorderen? Desnoods te vervangen door speed pedelecs, toch?

Wéér maatregelen die rijken kunnen bekostigen, en misschien zelfs de middenklasse niet meer. Laat staan het precariaat dat op (wegbezuinigd) openbaar vervoer is aangewezen en hautain ‘in het zak wordt gezet’. Bijna simultaan raakte nota bene onderzoek van Oxfam bekend dat zo voorspelbaar pijnlijk is dat ik het copy-paste. De rijkste 1 procent van de wereldbevolking stoot twee keer zoveel CO2 uit als de armste helft. Dat betekent dat zo’n 70 miljoen mensen dus twee keer zoveel uitstoot veroorzaken als de armste 3,5 miljard mensen.

 

Wie zullen uiteindelijk waar wonen? Pillage of the Sea refereert aan Algiers, Bangkok, Rio de Janeiro, Miami, Jakarta, Havana, Koeweit-stad, Madras, Manila, Dublin en Buenos Aires. Met wolkenkrabberij zullen vermogenden allicht de voeten droog kunnen houden, maar de overgrote rest?

Als hobbyfiloloog ben ik bovendien gegrepen door bijkomende informatie bij het kunstwerk: ‘De titel – letterlijk vertaald als “plundering door de zee” – verwijst naar een gedicht van Emily Dickinson. De zee maakte het haar onmogelijk om nog woorden voort te brengen, en beroofde haar zo letterlijk van haar woorden. Tegelijk roept het een onmogelijk denkbeeld op van een plundering van de zee, die niemand toebehoort.’

Google geeft me echter geen Dickinson-tekst en verwijst onverbiddelijk terug naar dit beeld vlak bij Oostende. In gedicht 1267 zegt het Amerikaanse genie wel: ‘Accept the pillage / For the progress’ sake’ (in de mij beschikbare, tweedelige vertaling van Peter Verstegen: ‘Aanvaard de roof maar / Je kwam er verder door’).

Daarmee volg ik de oude nummering van Thomas H. Johnson. Hij had onder 1470 ook een kwatrijn dat de recentere editie van Ralph W. Franklin herordent op 1504 en dat afgaand op mijn boekenkast onvertaald bleef:

 

The Sweets of Pillage, can be known

To no one but the Thief –

Compassion for Integrity

Is his divinest Grief –

 

Ik durf hier zelfs niet aan te beginnen. Die komma na vier woorden! Dat vernietigende ‘no one’ dat het optimistische ‘known’ weergalmt! Een pot mosselen voor wie dit in het Nederlands weet om te zetten.

 

En toch en dan. In hoeverre verschilt een vertaler van een dichter? Een andere Peter toont zich in 2050, jaar waarin Rosa Barba’s beeld allang onder water zal staan, het lekkerste uit de zee vergiftigd naar de consument toe komt en het hoofd van Winnie is losgeweekt. Uit die dystopische bundel van Verhelst gaf een recensie dit voorbeeld:

 

Je staat bij het water maar er is geen water.

 

Je kijkt in licht maar er is geen licht.

 

Zo sta je in de branding, de zon
stijgt uit de zilverige verte op,

 

het licht is te fel en uit de verte
komt als een glazen vouw een golf.

 

Zo totaal spoelt de zon over je heen
en vloeit de golf in een zucht uit.

 

In licht kijk je maar het is geen licht.

 

Bij het water sta je maar het is geen water.

 

Faverey in de eenentwintigste eeuw!

Door de Honey Pot-berichtgeving las ik ‘vouw’ eerst even als ‘vrouw’, maar hier metaprovoceert geen camera en waarschijnlijk is de studente filosofie al Master, onderweg naar een proefschrift, terwijl ze, voetjes los op een verandarand, de blues zingt over de doctor met borstharen als bassnaren.

En wat er ook voorvalt, één ding blijft, steeds en steeds weer.


Naschriftje

Ontdek dat Paul Rigolle ook in Mariakerke, bij minder hoog water, Barba’s beeld heeft gezien en beschreven. Voor Dickinson geeft hij dan een link naar een artikel dat de ‘Pillage of the Sea’ bij Franklin determineert op 1456A. Die editie kan ik echter niet raadplegen en het exacte nummer staat evenmin op een overzichtslijst. Wel relateert het artikel deze Pillage aan ‘a delivered syllable’, dat volgens mij verwijst naar een ander gedicht, een relatief bekend kwatrijn: ‘Could mortal lip divine / The undeveloped freight / Of a delivered syllable, / ’T would crumble with the weight.’