dinsdag 30 november 2021

Cynisch citeren (1)

 


 

 

De veelbesproken demonstratie tegen het Belgische coronabeleid, gekaapt door Vlaams Belang, trof me zeker ook qua taal. Dan doel ik niet eens op de term ‘dictatuur’, waarin de Lage Landen volgens de overkoepelende organisatie Samen voor Vrijheid veranderen. Of op het begrip ‘vrijheid’ zelf, dat voor mij inmiddels zo onnavolgbaar geworden is dat ik het louter nog wantrouw.

Nee, mij troffen twee grotere verbluffendheden.

De eerste ritmeert de communicatieadviezen die Dries Van Langenhove gaf: ‘Samen voor Vrijheid brengt mensen samen bla bla tegen bla bla over alle grenzen heen bla bla’. Nou mag het digitale wapen dat hier wordt ingezet dan wel Telegram heten, de afkortingen die dat medium in zijn analoge tijd te zien gaf waren van een andere aard dan Van Langenhove met ‘bla bla’ presenteert.

Voordat ik dat uitleg, moet het me in mijn functie van schoolmeester van het hart dat de spelling niet klopt. Het is ofwel ‘de blabla’, als zelfstandig naamwoord ofwel, zoals Van Langenhove hier wil doen, ‘blablabla’ als tussenwerpsel. Maar goed, waarop hint hij?

Als Hollands kind, ongeveer ten tijde van de Guldensporenslag, hoorde ik mijn vader schamperen over ‘blablafiguren’ wanneer mensen wel erg vaak het woord namen. Achteraf ontdekte ik dat het dan vaak academici betrof. Maar toen was me van Gruppo Sportivo al de song ‘Blah Blah Magazines’ bekend, waarmee gemakkelijke want namedroppende muziekkritieken werden bespot uit veredelde roddelbladen.

Ik denk niet dat bij Van Langenhove die betekenissen meetrillen. Voor een bondgenootgenootschap in aanzwelling zoekt hij volgens mij wel de goede verstaander met behulp van hoon. Of ben ik echt te wantrouwig geworden dat ik in ‘bla bla’ van zijn communicatieadvies Greta Thunberg hoor? Rond Glasgow CO26 drukte zij daarmee meer dan eens haar afkeer uit voor klimaatpolitiek zonder daden.

Mocht ik wel degelijk goed hebben verstaan wat Van Langenhove deed, dan zou zijn strategie geheel de tijdgeest volgen. Hij herexploiteert zijn ideologische tegenpool Thunberg, met een even brutale vanzelfsprekendheid als waarmee de nieuwe versie van Windows in een hoekje van het scherm, naast de temperatuur, nu ook beurskoersen vermeldt.

De containerterm voor zulke herexploitaties is volgens mij neoliberalisme. En wie zich daartegen zou verzetten wordt automatisch ‘hypocriet’. Want wie kan zich aan de wereld onttrekken, en wie is zelf een haar beter? Die indruk krijg ik althans ogenblikkelijk, maar wil daar even verder over nadenken. Volgende keer hopelijk meer dus, samen met mijn tweede ergernis aan de coronademonstratietaal.

Maar dat het hypocriet-oordeel zo makkelijk in me opkomt, zal eventuele volgers van dit blog en lezers van mijn studie over opinisme niet verbazen. Naar mijn overtuiging is de jij-bak (‘wat je zegt ben je zelf’) al jaren hét argumentatiemiddel. Wel heel efficiënt produceerde ik er dan ook voor mijn komende boek, een encyclopedie van de val, een lemma over.

Uiteindelijk heb ik het toch maar geschrapt. Ik zal er deze post mee afsluiten, als zogeheten deleted scene:

 

Hypocriet, De. Figuur die overuren maakt bij debatten op het internet. Nu steevast de ander, ooit een prototypisch katholieke gestalte. Ik vermoed dat de oorsprong moet worden gezocht in de omgang met het geweten, welks bestaan krimpt in een veranderende, van conflicterende belangen uitpuilende wereld. Om die allemaal te counteren moet het geweten inspanningen doen die grenzen aan het onmogelijke. Lui als de hypocriet eigenlijk is, arbeidt hij zonder ophouden omdat de werkelijkheid hem dwingt tot de notoire improvisatie. Frappant is dat hij zich in de praktijk bewust is van en handelt naar de onmogelijkheid van zijn onderneming, maar tegelijk in theorie het geweten boven alles plaatst als leidraad. En dat vooral ook ventileert, in zacht aangeblazen taal die hij nodig heeft voor zijn voornaamste activiteit: het goedpraten. Daarmee is de tegenspraak vlees geworden. In de taalventilatie zit een aantal eigenschappen van de hypocriet: moralistisch, ideëel, betrokken. Dat laatste uit zich in de term ‘heus!’, die hij bezigt wanneer men twijfelt aan zijn oprechtheid. Men moet de hypocriet vertrouwen, hij meent het, heus. Zo niet, dan ligt pathos op de loer, edele verontwaardiging. Hij is betrapt en gaat in de tegenaanval. Met zijn halfvolle geweten detecteert hij ‘principes’ bij de ander en laakt de onbuigzaamheid daarvan. Van zalvend wordt de stem schril, maar niet als die van de geprangde Nina Simone in ‘I’m just a soul whose intentions are good / Oh lord, please don’t let me be misunderstood’. De hypocriet ambieert een biografische benadering en moet duidelijk nog door het poststructuralisme heen. Daarom drukt hij taal geregeld naar de achtergrond met wijsheden die zo ruimhartig zijn dat hij zich in de ontstane bomkrater van het zwijgen even ritueel als bewonderenswaardig blijmoedig kan opstellen. Zijn geestelijke en opzichtig beleden standpunten manifesteren zich aldus ook beter, in een direct altruïsme. De ander komt dan zozeer tot zijn recht, dat de hypocriet zelve oplost tot er niet meer van hem rest dan een façade. Bij de openbaarheid die hij sowieso betracht, wordt hij een tragische figuur, die medelijden wekt om de uitkomsten van zijn niet-aflatende inzet. Alles en iedereen wordt beter dankzij hem en zijn huiveringwekkende goedheid, behalve hijzelf. Gunt hij het zichzelf niet of durft hij het niet? Misschien floreert hij bij of zwelgt zelfs in de glorie van anderen.

maandag 22 november 2021

If it's not open

 

Met klimaatverandering en milieu associeer ik in het Nederlands inmiddels twee termen, die elk hun geschiedenis hebben.

Tegen verspilling is er ‘recupereren’. Een ethische activiteit. Desnoods op creatief-artistieke wijze hergebruik je wat voorheen zou worden weggegooid. Uit de praktijk van die gedachte leerde ik in België het woord ‘recupmateriaal’ kennen. Aan de grondstofstatus ontsnapt niets.

Voordien was ik in mijn woonland bij politieke analyses op ‘recupereren’ gestuit. Daarvoor leek de waardering wel niet erg groot. Het heette schaamteloos of goedkoop dat ideeën van anderen voor het eigen karretje gespannen werden.

Uit mijn geboorteland, nog een paar eeuwen eerder, herinner ik me dan weer wielerreportages waar heerlijk gedetailleerd gebabbel van Jean Nelissen opklonk. Als hij een renner zag ‘recupereren’, dan pufte die atleet na een inhaalsolo uit in het wiel van een collega. Deze betekenis blijkt echter niet exclusief Noord-Nederlands.

Tot slot vermeldt Léon Werth in zijn tweedewereldoorlogsboek Adieu Parijs een nieuwe dimensie van ‘recupereren’. Hij ontwaart een geknapt elastiek rond eigendom als burgers profiteren van de chaos en het geweld door zich spullen toe te eigenen. In het Nederland uit de bange jaren veertig heette dat volgens mij ‘organiseren’.

Grappig dat Werth al de betekenis kent van grondstoffenhergebruik. Des te vreemder dat we heden nog klungelen met producten, door er, aangemaand door Black Fridays, eindeloos nieuwe aan te schaffen. Dat er überhaupt winkels durven te bestaan met 1 eurowaar van zogeheten prijsvechters, de kiloknallers onder de ondernemers!

Dit zeg ik onvermijdelijk vanuit een ruimer budget dan velen die zulke winkels aandoen en het zich niet kunnen permitteren om meer geld neer te tellen voor gecertificeerde waar (bio, groen). Toch zou je hun de vraag kunnen stellen wat de lol is aan een plastic flutlampje dat na een uur de geest geeft.

Die vraag dringt zich op vanwege het tweede woord dat ik met het klimaat verbind: ‘urgent’. De nood is domweg te hoog; ook voor mijn taalallergie die deze term niet verdraagt. Natuurlijk hoort ‘urgent’ van oudsher bij spoedingangen en problemen die voorrang verdienen. Maar blijkbaar heb ik er iets anders mee, iets spiegisch dat een trauma doet vermoeden.

Misschien dit. Toen ik me in literatuur begon te verdiepen, was ‘urgent’ een paswoord waarmee autoriteiten van mijn generatie het belang van die teksten verdedigden. Raar vind ik dat ik dit, volkomen ijdel, met hen eens was over mijn eigen boeken, maar niet overtuigd raakte van andere literatuur, recent en historisch, die hun stellingen moesten bewijzen.

Teksten die dus, Vlaams-politiek, ‘gerecupereerd’ werden.

Dat ik heb besloten een dikke huid te kweken voor ‘urgent’, ligt aan desastreuze ontwikkelingen die onze planeet doormaakt. Uit de inleiding van de bloemlezing Zwemlessen voor later (2020) door de Klimaatdichters: ‘De urgentie die we voelen komt voort uit een verlies en het verdriet, de angst en de woede die daarmee gepaard gaan’.

Ook wetenschappers geven het urgentiesein. Wanneer er tabellen en grafieken bij worden geplaatst is dat prettig streng. Maar door een interview kreeg ik de indruk dat er iets aan voorafgaat, waarvan de relevantie me ontgaat: ‘een gevoel van urgentie’. Reduceert dat juist de onomstotelijkheid niet? Of maakt ‘voelen’ deel uit van een strategie die dan nooit retorisch is?

donderdag 11 november 2021

Een grote achtender

 


 

 

Eindelijk schiep beeldend kunstenaar Anne Semler (*1947) een aparte ruimte voor het woord. Haar verhalenbundel Imbosch vernoemde ze naar een heuvelachtig idyllisch natuurgebied van nog geen 15 vierkante kilometer aan de zuidoostkant van de Veluwe waar ze geboren werd en, grotendeels, haar jeugd doorbracht. Ik weet alleen niet of ik van verhalen mag spreken.

De teksten zijn ultrakort en registreren een gebeurtenis die, zoals dat heet, een onuitwisbare indruk heeft achtergelaten. Samen doorlopen ze in de derde persoon chronologisch de jeugd van Anna, de hoofdpersoon aan wie Semler een betekenisvolle variant op haar voornaam geeft: de papieren versie spiegelt zichzelf, zodat er tegelijk een Inbosch ontstaat. Dat hoort misschien wel bij het genre. Met enige regelmaat geeft het hier de nevenschikking ‘Anna is xx[jaar] en…’ De eerste leeftijdsaanduiding in de bundel is tien, en de laatste achttien. Vormende jaren dus, of in ieder geval de tijd waaraan herinneringen het sterkst zijn.

Aan het grillige geheel brengt dit tellen een basisritme, het begin van eenheidsschepping. Net zoals in Imbosch losse woorden dat bewerkstelligen die, om de zoveel pagina’s opduikend in diverse corpsen, grijstinten en hoeveelheden, de registraties als het ware picturaal onderbreken. Die kerntaal legt niet zozeer uit, maar doet iets met een mythische geografie. Meer dan eens valt bijvoorbeeld het woord ‘Kouwerik’, en ‘Varkenslaagte’, en ‘Hindenberg’. Alsof het herhaald uitspreken Semlers geheugen activeert. Of zijn het vlaggetjes op de stafkaart van het jeugddomein dat Imbosch her en der ook met foto’s laat zien?

Subtiel wijkt Semler van conventies af. Kijk maar naar de openingszin: ‘Een klein, blond meisje in een zomerjurkje bekijkt voor het eerst in haar leven heel aandachtig de voorjaarsbloesem van een paar kromme, dunne bomen die naast het kippenhok staan’. Ik heb alles onderstreept wat volgens de oer-Hollandse kunst van het weglaten overbodig zou heten. Aandachtig bekijken, het staat er, is echter het programma. Daarbij hoort evenmin de laaglandse kunde van het morele oordeel. Nee, Semler legt zo nauwkeurig mogelijk iets vast, ‘zonder romantiek of sentiment’, zoals het in haar bio staat. Aandacht geven is kennis vergaren, een proces dat nooit zou mogen stoppen. Voor Anna heeft Semler het ene bijvoeglijk naamwoord na het andere nodig, dat haar precisie vergroot. Toch blijft Imbosch een dunne bundel en lijkt benoemen niet per definitie uit te monden in direct begrip.

Dat kippenhok uit de openingszin krijgt lading aan het eind van de betreffende registratie, doordat er een haan de kop wordt afgehakt en vervolgens, zoals ook stedelingen weten, wegrent, ‘een spoor van bloed op gras en dennennaalden achter zich latend’. Een mooi beeld voor de verhalen zelf, die soms gruwelijk zijn maar ook feestelijk en die altijd hulpeloos naar de bron willen. En een bloedspoor keert letterlijk terug in een verhaal over intrusie. Adelijken uit de stad komen met rijke vrienden jagen, eten een deeltje van de buit, laten de overgrote dode restanten achter, net als een edelhert, ‘een grote achtender’, dat door minstens één kogel is geraakt en na drie dagen spoorzoeken dankzij ‘bloeddruppels op bosbesstruiken’ eindelijk in een kuil wordt gevonden, brullend van de pijn. Het krijgt alsnog een genadeschot. En in het slotverhaal is het de inmiddels achttienjarige Anna zelf wier bloed stroomt wanneer een herdershond haar in het bovenbeen bijt.

maandag 8 november 2021

Druppendheden

 

 

 

Zo ben je even van de wereld afgewend en blijkt er van allerlei voorgevallen.

Over de naam van dit weblog hangt plots straling van een film die Honey Pot heet, gemaakt door het controversiële kunstcollectief KIRAC. Ditmaal heeft het een studente filosofie bereid gevonden haar lichaam experimenteel uit te besteden aan een rechts-radicale filosoof die al gepromoveerd is. De filmtitel verwijst naar een spionagetechniek om mannen te chanteren.

Ik weet niet, mij klinkt het James Bond-achtig, en nu is daar dus een laaglandse variant van. Zelf voel ik vooralsnog geen aandrang na de trailer de film te bekijken. Uit plaatsvervangende schaamte voor het mannelijke object, maar ook voor de studente filosofie wier wetenschappelijke methodes me treurig stemmen.

Dus zelfs na een lawine niet-Twitter-opinies, van links tot rechts, kan ik niets vinden van Honey Pot. Hooguit bevreemdt het te snappen dat in het plaatje van mijn blog Winnie the Pooh met zijn kop nu ook beklemd is geraakt in een geslachtsdeel.

 

En dan. Friture Kombuis is niet meer, sinds een maand of wat. Ons jaarlijkse bezoek aan Oostende was sinds corona onderbroken. Toen we vorige week eindelijk terug waren, was de opengeklapte mossel verdwenen die als uithangbord diende (en door Honey Pot ook al dubbelzinnig wordt).

Een geheimtip was dit restaurant zeker niet. Grootstedelingen konden er hun authenticiteitsidee op kwijt. Het afscheid van Friture Kombuis blijkt al bezongen. Ook hebben we aan tafel BV’s gezien. Hoe vaak zaten we daar immers uit de zee te schransen – een beter woord is er niet?

Toch bracht de Koningin der Badsteden evenzeer iets nieuws, uitgerekend bij een bakker waar we ook al jaren komen. Maar liefst drie soorten koffiekoeken bleken ‘ingezegend voor Sint-Hubertus’. De anijs die er volgens de vakliteratuur in schuilgaat proefden we niet, maar veranderden we met onze buikjes vol, anders dan Winnie, dan minstens in superjagers?

 

In zee vingen we, ter hoogte van Mariakerke, Pillage of the Sea van Rosa Barba. Dit beeld kadert in de tentoonstelling Beaufort 2021. Door de vloed konden we niet dichtbij komen; ik werd geïntrigeerd door een stapel platte stenen. In werkelijkheid bleek het om zakken van textiel te gaan, volgegoten met beton. Ik bleek niet de eerste die er halt bij had gehouden.

Op de zakken staan namen van wereldsteden die, onder de huidige ontwikkelingen van het klimaat, onder water zullen lopen. Eens te meer een gepast kunstwerk bij het begin van Glasgow COP26, met wat goede wil vanuit Oostende over de Noordzee te bereiken per boot, via de monding van de Clyde.

Minstens zo relevant toont Pillage of the Sea zich voor het klimaatplan van de Vlaamse regering, die elektrische auto’s wil voorschrijven. Waarom worden deelauto’s niet verplicht, waar is het breekijzer van rekeningrijden? Waarom niets over salariswagens die vervuiling blijven bevorderen? Desnoods te vervangen door speed pedelecs, toch?

Wéér maatregelen die rijken kunnen bekostigen, en misschien zelfs de middenklasse niet meer. Laat staan het precariaat dat op (wegbezuinigd) openbaar vervoer is aangewezen en hautain ‘in het zak wordt gezet’. Bijna simultaan raakte nota bene onderzoek van Oxfam bekend dat zo voorspelbaar pijnlijk is dat ik het copy-paste. De rijkste 1 procent van de wereldbevolking stoot twee keer zoveel CO2 uit als de armste helft. Dat betekent dat zo’n 70 miljoen mensen dus twee keer zoveel uitstoot veroorzaken als de armste 3,5 miljard mensen.

 

Wie zullen uiteindelijk waar wonen? Pillage of the Sea refereert aan Algiers, Bangkok, Rio de Janeiro, Miami, Jakarta, Havana, Koeweit-stad, Madras, Manila, Dublin en Buenos Aires. Met wolkenkrabberij zullen vermogenden allicht de voeten droog kunnen houden, maar de overgrote rest?

Als hobbyfiloloog ben ik bovendien gegrepen door bijkomende informatie bij het kunstwerk: ‘De titel – letterlijk vertaald als “plundering door de zee” – verwijst naar een gedicht van Emily Dickinson. De zee maakte het haar onmogelijk om nog woorden voort te brengen, en beroofde haar zo letterlijk van haar woorden. Tegelijk roept het een onmogelijk denkbeeld op van een plundering van de zee, die niemand toebehoort.’

Google geeft me echter geen Dickinson-tekst en verwijst onverbiddelijk terug naar dit beeld vlak bij Oostende. In gedicht 1267 zegt het Amerikaanse genie wel: ‘Accept the pillage / For the progress’ sake’ (in de mij beschikbare, tweedelige vertaling van Peter Verstegen: ‘Aanvaard de roof maar / Je kwam er verder door’).

Daarmee volg ik de oude nummering van Thomas H. Johnson. Hij had onder 1470 ook een kwatrijn dat de recentere editie van Ralph W. Franklin herordent op 1504 en dat afgaand op mijn boekenkast onvertaald bleef:

 

The Sweets of Pillage, can be known

To no one but the Thief –

Compassion for Integrity

Is his divinest Grief –

 

Ik durf hier zelfs niet aan te beginnen. Die komma na vier woorden! Dat vernietigende ‘no one’ dat het optimistische ‘known’ weergalmt! Een pot mosselen voor wie dit in het Nederlands weet om te zetten.

 

En toch en dan. In hoeverre verschilt een vertaler van een dichter? Een andere Peter toont zich in 2050, jaar waarin Rosa Barba’s beeld allang onder water zal staan, het lekkerste uit de zee vergiftigd naar de consument toe komt en het hoofd van Winnie is losgeweekt. Uit die dystopische bundel van Verhelst gaf een recensie dit voorbeeld:

 

Je staat bij het water maar er is geen water.

 

Je kijkt in licht maar er is geen licht.

 

Zo sta je in de branding, de zon
stijgt uit de zilverige verte op,

 

het licht is te fel en uit de verte
komt als een glazen vouw een golf.

 

Zo totaal spoelt de zon over je heen
en vloeit de golf in een zucht uit.

 

In licht kijk je maar het is geen licht.

 

Bij het water sta je maar het is geen water.

 

Faverey in de eenentwintigste eeuw!

Door de Honey Pot-berichtgeving las ik ‘vouw’ eerst even als ‘vrouw’, maar hier metaprovoceert geen camera en waarschijnlijk is de studente filosofie al Master, onderweg naar een proefschrift, terwijl ze, voetjes los op een verandarand, de blues zingt over de doctor met borstharen als bassnaren.

En wat er ook voorvalt, één ding blijft, steeds en steeds weer.


Naschriftje

Ontdek dat Paul Rigolle ook in Mariakerke, bij minder hoog water, Barba’s beeld heeft gezien en beschreven. Voor Dickinson geeft hij dan een link naar een artikel dat de ‘Pillage of the Sea’ bij Franklin determineert op 1456A. Die editie kan ik echter niet raadplegen en het exacte nummer staat evenmin op een overzichtslijst. Wel relateert het artikel deze Pillage aan ‘a delivered syllable’, dat volgens mij verwijst naar een ander gedicht, een relatief bekend kwatrijn: ‘Could mortal lip divine / The undeveloped freight / Of a delivered syllable, / ’T would crumble with the weight.’

zondag 31 oktober 2021

Lemma’s

 


 

 

Afval. Woord voor een cryptogram, met ‘voltooid’ in de omschrijving. Buiten deze denksport gaat het om niet-gebruikte restanten, meestal met betrekking tot spullen, vaak ook tot eten, soms wegens onopgeloste bijverschijnselen van uitvindingen (kernenergie), heel soms met betrekking tot mensen (oudere werklozen die arbeidsbemiddelingsbureau Werkse! had ondergebracht bij ‘het granieten bestand’).

Hol. Niet helemaal hetzelfde als put, al was het omdat een val in een hol niet strikt verticaal hoeft te zijn. Je kunt er zelfs in kruipen, en bewegingen dan onder controle hebben. Wat ook weer niet wil zeggen dat een hol aanzet tot zelfredzaamheid. Het blijft dus opletten, zeker met het Duits. Daar betekent Höhle hol en Hölle hel. En dan zwijg ik nog over het laatste, onvoltooide verhaal van Franz Kafka dat vertaald is als ‘Het hol’ terwijl het ‘Der Bau’ heet en door de tekstbezorger is afgesloten met een punt (die van bovenaf lijkt op een put).

Omstoten. Er bestond een spel waarin flessen water omver moesten worden gekegeld. Ik weet niet meer of je dan een bal tegen het glas trapte of gooide, of dat je als eigenaar van een fles zelf het water liet weggutsen, net zo lang totdat je een opdracht had vervuld. Volgens mij moest je een aantal keer rennen tussen twee dingen, maar welke? En wanneer was het spel voltooid? Het vond in elk geval plaats op warme dagen en veroorzaakte gelukzaligheid. Vooral de ploink waarmee de fles tegen de vlakte ging, de boog waarmee het water de hals verliet, je kleren natmaakte. Alles lekte.

Pijler. Behoort tot de Nederlandse woorden waarvan ik de spelling altijd moet nazoeken. (Ik vind ‘peiler’ ook veilig ogen, dat wil zeggen gestoeld op leeservaring, en aangezien ik elk lemma eerst aus einem Guss voltooi had ik het, eerlijk gezegd, weer fout gedaan.) Dus, wanneer je een pijler onder iets wegtrekt, valt de hele zooi om. Duidelijk. Daarnaast is mij verteld dat de economie rust op twee pijlers: geloof en vertrouwen. Dat vind ik eng. De mythische rechter Samson, langharig uit volksgebod en bepaald bokslustig met de ezelskaak, trok tijdens een totaalevenement tenminste nog gewoon pilaren of zuilen omver in een poging de onderdrukker te vernietigen. Wel stierf hij zo in dezelfde beweging mee.

Vogelvrij. Waartoe mensen verklaard kunnen worden en dan, schreef Roland Barthes, behoren tot een allochtone bende. Met hen hoeft niet gesproken te worden door de staat, er is ook niets aan de knikker in de samenleving. Wanneer de bende autochtoon blijkt, noemt deze geneeskrachtige taal haar echter een gemeenschap – een kooi vergeleken met de vogelvrij verklaarden. Meer dan vijftig jaar later neemt Teju Cole het begrip gemeenschap op in zijn actualisering van Flauberts onvoltooide Dictionnaire des Idées Reçues: ‘Dient vooraf te worden gegaan door “zwarte”. Blanken moeten het bij gebrek aan gemeenschap hebben van hun eigendommen.’ Hoe dan ook vervallen de uitgestotenen in de moed der wanhoop.

zaterdag 23 oktober 2021

En dan nog dit

 


 

 

Zware tijden voor mensen die nooit veel zorgen hebben gekend en plots menen dat ‘de onschuld verloren is gegaan’ – sinds ze kennisnemen van berichten en opinies over hun identiteit.

Afgelopen werd via een sociaal medium bijvoorbeeld duidelijk dat in De Efteling, de laatste jaren toch al niet erg gunstig in het nieuws, niemand minder dan Holle Bolle Gijs aan bezoekertjes die hem van afval voorzien ‘seks’ toewenst (terwijl hij in slecht Engels zonder mondkapje ‘thanks’ probeert te zeggen).

Het moet ook mogelijk zijn media zelf van binnenuit door te lichten. Vandaag had het zalige Karels Crypto in De Standaard maar liefst drie vragen waarvan het stereotypiteitsgehalte zou kunnen worden gewogen.

Ik som ze hier op, en om onverhitte beoordeling mogelijk te maken zal ik de antwoorden in de comment zetten: 

 

L wijdbeens in het knollenveld (11 letters)

N Duitse bepleistering (9 letters)

O ‘Ze hebben me in mijn land op diefstal betrapt’, zei de Saudiër… (8 letters)

 

 


vrijdag 15 oktober 2021

That’s why!

 

 

 

Onlangs zag ik de film Beyond Sleep (2016) van Boudewijn Koole, gebaseerd op Nooit meer slapen. Deze roman uit 1966 graasde ik, net als de rest van Hermans’ oeuvre, zo’n dertig jaar geleden af. En hoe het precies gebeurde is me nog een raadsel, maar na de film herlas ik dat ene boek.

Door de datering ontdek ik nu dat precies een halve eeuw Beyond Sleep scheidt van Nooit meer slapen. Toevallig in de cultuurindustriële hoogconjunctuur? Hermans zou daar misschien iets kwalijks in hebben ontmaskerd. Maar mij trof de film anders.

Op een gegeven moment loopt hoofdpersoon Alfred Issendorf, gespeeld door Reinout Scholten van Aschat, door het desolate Laplandse landschap een beetje voor zich uit te zingen. Niks voor die roman, lijkt me, maar een schot in mijn hart. Er weerklonk een van de mooiste nummers uit de Nederpopgeschiedenis. Het is exclusief geschreven door Jan Akkerman, werd met geweldige import-Poolse soul gezongen door Kaz Lux en heet ‘Naked Actress’.

Waar het op sloeg wist ik niet, maar wat een ontdekking! Alleen blijkt het allang opgemerkt, door Luc Brouns. Hij wijst ook op de passage uit het nummer die het in de filmplot moet legitimeren:

 

You know: I once watched a y dying.

Do you know why he had to die?

Because he was a y. That’s why!

 

Beetje flauw, natuurlijk. Wanneer er nu iets uit Nooit meer slapen bijblijft is het wel de plaag van insecten. En dan gaat het nog om muggen. Vliegen zoemen er slechts om het hoofd van Alfreds sherpa Arne, nadat deze de dood heeft gevonden.

Toch ben ik blij door de film ‘Naked Actress’ te hebben teruggevonden. Het nummer dateert uit de jaren zeventig, en is jonger dan het boek en ouder dan de hoofdrolspeler die het zingt (de regisseur heeft exact dezelfde leeftijd als ik).

In Nooit meer slapen zelf speelt één liedje, geafficheerd als achtergrondmuziek: ‘Skating In Central Park’ van The Modern Jazz Quartet. Dat is tamelijk contemporain, uit de film Odds Against Tomorrow (1959). Ik geloof niet dat het enige interpretatie op gang brengt. ‘Naked Actress’ doet dat evenmin voor de film, al zien we in het begin kabouter Alfred verwoed hakken in een landschap dat een bloot vrouwenlichaam blijkt. Moeder natuur, meent Brouns.

Met wat vliegwerk kan ik Akkermans nummer kleven aan de roman en aan Hermans’ manier van werken in het algemeen. Dan speel ik de regel ‘Perfection! That’s what I’ve got to find’ uit tegen de correcties en aanvullingen die de auteur in zijn boeken bleef binnenbrengen. Hij kon zijn fikken niet thuishouden!

Des te krankzinniger om in mijn editie uit 1979, die dan al tweemaal herzien is, een bizarre spelfout te ontwaren. Het betreft de scène waarin Alfred ten einde raad rauwe vis eet, ten overstaan van een doorsnee watervogel die Hermans aanduidt ‘een jong eentje’ (p. 210). Of snap ik de clou weer eens niet? Wittgenstein?

Het is vaker opgemerkt: stilistisch toont deze auteur zich niet erg verfijnd. Sommige hedendaagse lezers zullen bovendien moeite hebben met de ampele inzet van het n-woord en onbesmuikte personageoordelen over het zwakke geslacht, die in mijn puberjaren ‘vrouwonvriendelijk’ heetten en nu de sjibboletterm ‘misogyn’ torsen.

vrijdag 8 oktober 2021

No way to delay

 

 

 

 

Onlangs bracht de Britse band The Specials een reeks historische covers onder de titel Protest Songs 1924-2012. Wat een geweldig project! En hoe verbluft wist ik me er een versie aan te treffen van Frank Zappa’s ‘Trouble Every Day’.

Dit nummer kwam in mijn leven door de zalige live-elpee Roxy & Elsewhere (1974), waar toetsenheld George Duke – opa vertelde het ooit al – met gilletjes de gitarist in Zappa opzweept tot een grootse solo. Later leerde ik een coverversie kennen, ook live, van het Nederlandse supertrio Sjako! rond Wout Planteijdt. Pas in laatste instantie ontdekte ik het origineel, dat me bovendien vooral deed denken aan The Velvet Underground. Zappa bracht het op zijn debuutelpee Freak Out! (1966). Dat schudde ik slechts presidentieel de hand, blijkt achteraf.

Heden dus een verrassende, stomende rockversie van The Specials. Allereerst ben ik van mijn melk omdat dit gezelschap me uit de jaren zeventig-tachtig bijstaat als ska-band. Wel toonde het zich altijd maatschappelijk betrokken, zoals in ‘Ghost Town’, maar ook in de Livingstone-cover ‘A Message To You, Rudy’ en vooral in een oude Dylan-bewerking ‘Maggie’s Farm’ die duidelijk is toegeschreven naar de IJzeren Dame.

Verrast ben ik toch omdat het Zappa nummer, voor zover ik het beluisterde als niet-instrumentaal, over inactiviteit lijkt te gaan. De ik-figuur kijkt en hoort en ziet slechts. Daarop besluit het refrein gedecideerd:

 

So I'm watchin' and I'm waitin'

Hopin' for the best

Even think I'll go to prayin'

Every time I hear 'em sayin'

That there's no way to delay

That trouble comin' every day

No way to delay

That trouble comin' every day

 

Nu heb ik mezelf er al vaker op betrapt als literatuurmannetje absoluut doof te zijn voor songteksten, maar dan nog: wat heeft dit met een protestlied uitstaande? The Specials leiden me terug naar het origineel van Trouble Every Day’ dat een schokkende ontdekking oplevert: dat Zappa’s liveversie het leeuwendeel van de tekst skipt (rotwoord, maar beter dan ‘censureert’). Een enorme lap, die in het tweede deel van het origineel zit waar vierregelige coupletten plaatsmaken voor ademloos gesneer zonder gefixeerde vorm.

Op het moment dat de woede de overhand neemt, begint op Roxy & Elsewhere echter de gitaarsolo. En na dat lange instrumentale deel wordt het nummer weggedraaid, wat Zappa’s even verwarde als complexe opstandigheid smoort plus de grimmige tempoversnelling aan het slot van het origineel.

Hmmm, de liveversie heet ‘More Trouble Every Day’.

The Specials kiezen voor een middenweg, door een fragment halverwege te schrappen. Aldus neemt hun ‘Trouble Every Day’ expliciet stelling tegen racisme – een strijd die deze band van begin af voert. Anno 2021 verdwijnen zo wel bijtende Zappa-zinnen als:

 

Well you can cool it, you can heat it

'Cause, baby, I don't need it

Take your TV tube and eat it

'N all that phony stuff on sports

'N all those unconfirmed reports

You know I watched that rotten box

Until my head began to hurt

From checkin' out the way

The newsmen say they get the dirt

Before the guys on channel so-and-so

 

Die eenduidigheid vergroot allicht de opstand die The Specials prediken. Is die noodzakelijk? Ik denk van wel, altijd eigenlijk, maar nu zeker. Naast racisme waait het onrechten. Niet te negeren, ook niet in welvarende landen die ‘ongelijkheid’ op de agenda beweren te zetten.

Tussen al die topics domineert voor mij de sluipende vernietiging van onze planeet, maar dat schijnt lastig in muziek te vertolken. Dagelijkse dalles is wellicht voelbaarder, bij de schuldsanering en aan het lichaam, helemaal in contrast met anderen die dankzij slimme, gewettigde bankconstructies aan kapitaalvermeerdering kunnen doen.

Wat dat aangaat hebben The Specials voor hun project in eigen land plots de wind mee, nadat er een voorspelbaar nieuwsfeit de mensheid bereikte: de Pandora Papers. Juist in Engeland werd er profijt getrokken door een politieke prominent, niemand minder dan Tony Blair.

De ex-premier speelt ook een hoofdrol in de kakelverse, fascinerende documentaire Blair & Brown: The New Labour Revolution, over het als ‘Lennon en McCartney van de Britse politiek’ geafficheerde duo, waarin hij de eeuwig lachende babyface blijft die de socialistische ziel verkoopt (zoals in die tijd Kok en Schröder dat zouden doen, die daarna evenzeer zouden overstappen naar het bedrijfsleven). Bij dat proces fungeert boezemvriend Gordon Brown als antipode, de vroegoude eeuwige student-intellectueel, een beetje Michael Zeemanachtig.

In het eerste deel van de reeks tonen de makers zich, namens de geschiedenis, alvast opmerkelijk negatief over Blair. De vroegere Labour-leider Neil Kinnock noemt hem zelfs ‘Bambi’. En altijd weer moet het ongrijpbare begrip ‘verandering’ (change) het fundament leggen voor immoraliteit, waarin bijvoorbeeld een vakbond die opkomt voor zwakkeren een dinosaurus wordt.

Da’s nog eens Trouble Every Day!

Door hun rockversie weven The Specials een gitaarrifje dat me bekend voorkwam. Het bleek gewoon gekopieerd uit het origineel van Freak Out!, waarmee ik nooit echt heb kennisgemaakt. Misschien is het daarom dat het rifje mij krachtiger herinnert aan een stukgedraaid David Bowie-nummer dat in verband is gebracht met The Rolling Stones maar veeleer door deze Zappa kan zijn geïnspireerd: ‘Rebel Rebel’.

Hoe toepasselijk, die titel! (Hopelijk tot zondag in Brussel, bij de eerste grote klimaatmars na corona.)

woensdag 29 september 2021

Oversteektaal

 


 

 

Onlangs zei Marjolijn van Heemstra in De Standaard Magazine: ‘Ik merk om me heen dat iedereen weer gestresseerd is.’ Een opmerkelijke zin voor een Nederlandse. Of is in mijn geboorteland het werkwoord stresseren inmiddels ingeburgerd? Dat kan, maar ik heb het de afgelopen twintig jaar toch wel erg vaak louter in België gehoord.

Mijn vermoeden is dat interviewster Jozefien Van Beek, uit België, bewoordingen heeft samengevat en even vergat dat ze met de directe rede werkte. In dat geval zou Van Heemstra zoiets hebben gezegd dat om haar heen ‘iedereen weer vol stress zit’ of dat ‘iedereen weer gestrest is’.

Meer dan een vermoeden is dat uiteraard niet. Ik kan me evengoed indenken dat Van Heemstra een poging tot beleefd tegemoetkomen deed, door taal van haar Zuid-Nederlandse gesprekspartner te gebruiken. Dat hoor ik menige Noord-Nederlander hier doen, meer of minder virtuoos. Vaak erger ik me dan, omdat het zelden naturel klinkt.

Zelf maak ik me soms ook schuldig aan zulke halfhartige pogingen mee te spreken. Ik vrees sowieso de afgelopen decennia van toon te zijn veranderd. Zoals ik Belgen die de omgekeerde beweging op de kaart maakten hoor kampen met een hardere g en zo.

Waaraan erger ik me dan precies? Weer valt slechts een vermoeden uit te spreken. Ik denk dat de buitenkantelijkheden van die taal me te opzichtig zijn. Of behagend en gemakzuchtig. Mede uit de wetenschap dat voor Jan Hanlo zijn gedicht ‘Ontboezeming in het Antwerps’ een bron van zorg en studie bleef. Waarover hij zijn correspondenten bleef lastigvallen. Per brief.

Dit was natuurlijk lang voordat dankzij internet zulke problemen veel sneller op te lossen zijn. Ook is het Antwerps, hoe standaardtalig het door radio en televisie moge lijken, een dialect (Brabants), terwijl de oversteektaal die ik bedoel grotere regio’s bestrijkt die, meer of minder bewust, een koloniale strijd voeren. Uitzoomen is nog niet zo makkelijk.

Momenteel lees ik onder meer de roman Levenshonger van Marie Kessels, geschreven vanuit een Poolse die in het Nederlandse vleesverwerkende bedrijf PerfektKost de kost verdient. Daar werken veel Polen, en ene Julien die met ‘een stem als een beierende klok’ graag met iedereen babbelt en klinkers laat gonzen en medeklinkers rollen, totdat iemand ‘hem om leuk te doen aan[sprak] met “onze Belg”, omdat hij kennelijk met een accent praat’.

donderdag 23 september 2021

Onder geen voorwendsel

 

 

 

Soms wachten notities op een aanleiding. Nu een mediafiguur, om hem moverende redenen, de term Holocaust tussen aanhalingstekens plaatst, duik ik in mijn archief. Terug naar de bron.

In Ewoud Kiefts mooie studie Het verboden boek. Mein Kampf en de aantrekkingskracht van het nazisme was me een woord opgevallen ‘waar nog wat over moest worden uitgezocht’. Aangezien ik mijn persoonlijk voorzitter, secretaris, penningmeester, bestuur en adviesraad ben, vrees ik die klus alsnog zelf te moeten klaren.

Welnu, vrij in het begin citeert Kieft uit de Nederlandse vertaling van Hitlers beruchte boek, dat opende met jeugdherinneringen:

 

‘Toen ik nog een jonge wildebras was, had mij niets zo dwars gezeten als het feit, dat ik nu juist in een tijd was geboren, waarin kennelijk enkel nog voor grootgrutters of rijksambtenaren monumenten werden opgericht. De golven van de historische gebeurtenissen schenen al zo tot kalmte te zijn gekomen, dat het wel leek, alsof de gehele toekomst werkelijk niets anders meer bood dan die befaamde „vreedzame competitie der volkeren”, wat dus wou zeggen een eeuwigdurende kalme, bezadigde, wederkerige begapperij, waarbij het alleen tot de spelregels behoorde, om zich onder geen voorwendsel met geweld te verdedigen. De staten begonnen steeds meer te gelijken op ondernemers, die elkaar wederzijds het gras voor de voeten wegmaaiden, elkaar de klanten en de opdrachten afsnoepten, en trachtten, zich op alle manieren ten koste van de anderen te bevoordelen, en dat alles dan begeleid door een even luid als onbetekenend geschreeuw.’

 

Grappig vond ik het te ervaren dat de spellingscontrole van mijn tekstverwerkingsprogramma op deze zinnen dezelfde reflex vertoonde. Het zette bij het copypasten (mijn hyperlink hierboven werkt inmiddels niet meer) van het citaat precies onder dat ene woord een rood slangetje: begapperij.

Wat had vertaler Steven Barends hier gedaan? Ik isoleerde het zinnetje waarin het woord staat uit het Duitse origineel (nog wel muisklikbaar): ‘Die Wogen der geschichtlichen Ereignisse schienen sich schon so gelegt zu haben, daß wirklich nur dem "friedlichen Wettbewerb der Völker", das heißt also einer geruhsamen gegenseitigen Begaunerung unter Ausschaltung gewaltsamer Methoden der Abwehr, die Zukunft zu gehören schien.’

Toen ik de spellingscontroleur op Duits instelde bleek er, naast uiteraard het ouderwetse daß, weer exact één woord rijp voor een rood slangetje: Begaunerung.

Tot zover, bijna. Mijn stelling was dat Barends een neologisme van Hitler had beantwoord met een neologisme. Verder had ik minimale opmerkingen bij Kiefts boek in het algemeen.

woensdag 15 september 2021

zeker geen DOCH uitspreken

 

  

 

Ingeleid door Louis Paul Boon en, tenzij ik me vergis, met waardering van Robberechts en Vogelaar – dit voorrecht kende Jozef Vantorres debuut de kavijaks uit 1973. De flap berichtte dat hij een arbeider uit Zeebrugge was, 41 jaar, afkomstig uit een straatarm gezin van dertien kinderen. In de lopende tekst waren hun bijnamen op te vissen: de peine, de poze, de woste, de bille, de miete, de bylle, de boeda, de beer, de piften, de rosten, de nete, de baron en toetie.

Al die onderkasten smeken om cursiveringen, om in lange alinea’s en passages tussen haakjes basaal overzicht te forceren. Des te meer valt op dat voor een van de kinderen de verteller ook de naam Jenny heeft – of een toespeling? Zij blijkt misbruikt door de vader, die in het boek consequent de generaal heet. En dan is er nog de moeder en allen wonen onder één gammel dak vlak bij zee.

Feitelijk bevat de kavijaks drie uit de kluiten gewassen novelles met dezelfde personages. Aan het slot van de laatste, ‘Daisy’, presenteert Jozef Vantorre zich onder eigen naam, na een boek lang de piften te zijn geweest. Vergelijk dat eens met een recent opgewarmd autonomistisch statement dat je de auteur niet mag verwarren met de personages! Wel komt dit slotdeel op mij kitscherig over, en wijkt het af van wat de achterflap hooghartig een ‘in primitieve stijl geschreven autobiografie’ noemt.

Het gezin blijkt namelijk bewuste, bovengemiddelde taalgebruikers te herbergen wier spreken dergelijke schrijftaal aanricht. Bij sommige termen wordt dan ook gemeld: ‘wij zeggen’. En bij een andere term klinkt de verontschuldiging dat het ‘een heel lang woord’ is, alsof dat moeilijker is. Zo ontstaat een waterscheiding tussen ‘algemeen Beschaafd Nederlands’ en kaviaktaal (ritssluiting versus tirette, franks versus tiesten). Het bedroeft de piften dat een broer in technische zaken altijd Franse woorden gebruikt, dus bougie ipv ontstekingskaars.

Zo wordt de duistere mededeling helderder, waarom dingen ‘kavijaksgezind’ kunnen zijn. Hoewel ik bij dit gezin in eerste instantie moest denken aan de familie Flodder, bleek dat verband onhoudbaar. Niet alleen omdat bij Vantorre geen eer te behalen valt voor stedelingen, maar vooral omdat taal voor de kavijakkers bepalender is, scheppender.

Bij dat vruchtbare gebabbel mag niet worden vergeten dat sommigen auteur zijn. De familie houdt een logboek, waaraan de nete een hilarisch gedicht bijdraagt, de beer zonder een blad voor de mond te nemen een opstel over zijn baantje in de bouw levert, terwijl de piften over hetzelfde onderwerp langer en melancholieker bericht (en daar het verheven nimfje Daisy introduceert dat het slotdeel zal kleuren).

Tijdens de oorlog, die het grote middenstuk van de kavijaks beslaat, werpt de beer zich op als genius van een bewogen brief die van een ‘dankbare moeder in nood’ is. Daarmee trekken de kinderen langs boeren om gratis voedsel te bemachtigen; de woste kan die tekst zo bewogen brengen, dat haar ‘de Nobelprijs voor briefvoordracht’ mag worden toegekend. Het is ook de beer die met gevoel voor registers het familiegesnaai in kostbaar Duits oorlogsmaterieel alvast even commercialiseert in het logboek: ‘Voor het onschadelijk maken van munitie, wend [oeps] u tot de gespecialiseerde ontmijningsbrigade, von kavijaks, kwaliteitsuitvoering’.

Wanneer de successen in deze sluwe toe-eigening groeien, schrijft de pas zesjarige toetie een Zeedrifterslied dat euforisch is en gekruist rijm laat zien. Het WNT biedt uitkomst voor die zelfdefinitie. Natuurlijk! De zee laat haar emoties zien, die toetie verklaart: ‘Alles kwam lijk door god gezonden’. Zeedrifters zijn bekender onder de naam strandjutters. Voor hen alleen daden? Bij Vantorre niet dus. Daden schieten sowieso tekort voor ‘een echte kavijakker’ bij de instandhouding van een gemeenschap, die zich beperkt tot het gezin.

Grappig vind ik dat het daarin bevestigd wordt door taal van derden. De buitenwereld spreekt van bijhaalders, slokkers, kapers. Virtuoos of genuanceerd klinkt dat niet. Er is toelichting nodig, een docerend vertalen. De verteller ziet het gezin ‘als een abstract schilderij, iets dat door buitenstaanders moeilijk te begrijpen is, of verkeerd begrepen wordt’. Dus hebben de kavijakkers dan wel kennis van een oeroude wet van strandjutters (Wie het eerst zijn hand op de buit kan leggen, heeft ze), bij het handelen hebben ze een morele code die veelvoudiger is en die individu tegenover de gemeenschap definieert:

donderdag 9 september 2021

You don't know

 

Hoe troost ik de gourmande die heeft gehoord dat, ver weg, haar lievelingshondje gestorven is? Dat het toch maar vijftieneneenhalf jaar is geworden, superoud voor deze diersoort? Dat haar bazin, die het nooit meer ’s ochtends zal horen snurken, mogelijk nog meer verdriet heeft? Ik heb nooit erg van relativeringen gehouden, en eindelijk weet ik waarom.

Terwijl de gourmande snikkend zoekt naar foto’s van de paar ontmoetingen die ze met het hondje had, betrap ik mezelf op een onhandig soort liefde: trots dat ze zo verdrietig is om een levend wezen. Ik vertaal dat snel als een initiatie in het grotebozeleven – de blues ervan, wanneer het tegenzit met een dierbare ander.

Dan wil ik de gourmande een liedje laten horen. Maar in welke versie? Mijn iPod blijkt er zeventien te herbergen. Door Chet Baker, Boz Scaggs, Billie Holiday, Chrissie Hynde, Nina Simone, Cassandra Wilson, Elvis Costello, John Martyn, Sting, Marvin Gaye en Rachelle Ferrell, plus instrumentale uitvoeringen door John Coltrane, Sonny Rollins, Lucky Thompson, Misha Mengelberg, Miles Davis en Eric Dolphy.

En da’s nog maar een fractie van de covers waarin het liedje voortleeft en kennelijk appelleert aan vertolking én beluistering. Het valt dan ook met de deur in huis:

 

You don't know what love is
Until you've learned the meaning of the blues
Until you've loved a love you've had to lose
You don't know what love is

 

Een universele waarheid, die bijvoorbeeld ook in onderwijs en wetenschap zit. Leren met vallen en opstaan, trial and error. Op de middelbare school maakten bij Engels twee regels zo’n indruk, op een paar A4-tjes die literatuur van deze taal wilden promoten. Ze beweerden dat je beter kon liefhebben en verliezen dan nooit liefhebben. In mijn herinnering waren ze van een meneer die Pope heette, maar de dader was Tennyson.

Stabieler is mijn kennis dat er van ‘You don’t know what love is’ een Nederlandstalige versie bestaat. Cherry, de geweldige dame uit Suriname, bracht dat kunststukje op haar elpee Als Je Dat Maar Weet (1984). Opmerkelijk is dat de aanpassingen aan de tekst, noodzakelijk om rijm en ritme te bewaren, heel wat verder strekken:

 

Je weet niets van liefde

Omdat je steeds voorbij gaat aan het verdriet

Het lijkt wel of je steeds het mooiste weggooit

Je weet niet wat lief is

 

In het Engelse origineel is ‘you’, dacht ik althans, een ‘men’. Het spreekt in algemene termen over de liefde, en naar een ‘I’ is het vergeefs zoeken. Zo wordt het lied een overpeinzing achteraf. Bij Cherry Wijdenbosch is de ‘je’ echter een welbepaalde persoon, die tegenover een welbepaalde ‘ik’ staat. De verhoudingen zijn al een tijd gespannen. Cherry’s versie heeft de vorm van een beschuldiging.

Het gaat hier eerder dus om een herschrijving dan om een vertaling. Is dat erg? Momenteel blijkt er in het parallelle universum van sociale media een debat te woeden, waarin die vraag een bijrol speelt. Aanleiding is een NRC-recensie, waarin Quinsy Gario de eindelijk verschenen vertaling van Amanda Gormans inauguratiegedicht tegen het licht houdt. De meningen richten zich vooral op het inhuren, los van de boekenbijlage, van een activist die unverfroren politieke uitspraken doet (een verademing, wat mij betreft, stijl en reductie neem ik dan voor lief).

Mij trof in Gario’s statement dat vertaalster Zaïre Krieger een correctie blijkt te plegen op Gormans nationalisme. Hij signaleert het, alsof herschrijving de normaalste zaak van de wereld is. Ik weet niet of hier meespeelt dat recensent en vertaler ideologisch verwant lijken, maar bij het vele interessante dat Gario in een kort bestek ter discussie stelt, is de rechtmatigheid van een herschrijving voor hem geen overwegen waard.

Dat lijkt me een even interessant als revolutionair standpunt. Wanneer ik het terug toe kan passen op muziek, dan doemt Frank Zappa’s Beatles-medley op. In dat coverreeksje is de muziek identiek, maar worden de teksten van Lennon en McCartney rigoureus veranderd. Zoals alleen deze satiricus-componist kon. Zappa jamde met The Mothers of Invention nota bene ooit met Lennon, vlak nadat deze The Beatles verlaten had. Bij die gelegenheid was Yoko Ono permanent door de liedjes heen aan het krijsen. Een vorm van ontwijding, die misschien wel constructief is.

En nu dan: waf lieve Eddie, verschrikkelijk dat het voorbij is en bedankt voor het geluk dat je hebt gebracht.

donderdag 2 september 2021

Zoals overal

 

Hoe als tekstverantwoordelijke zich te verhouden tot het beschrevene?

Jan-Hendrik Bakker kiest in zijn boek Nabijheid (2020) voor het niet-noemen. Bijvoorbeeld door generaties te beschouwen vanuit de werkelijkheid dat ze genetisch telkens voor de helft nieuwe DNA-loten krijgen, en dat er ondergeschoven kindjes zijn en kinderen uit tweede en derde huwelijken: ‘Zo bezien is bloedverwantschap over de eeuwen getekend eerder een geval van eindeloze verdunning dan van een onverbrekelijke bloedband.’

Niet genoemd en bekritiseerd is hier dus politicus-provocateur Thierry Baudet. Ook bespreekt Bakker diens begrip oikofobie dat hij, min of meer terecht, toeschrijft aan Roger Scuton. Of zoiets werkt, is een tweede. De op zichzelf al merkwaardig samengestelde aanhang van Forum voor Democratie is misschien veeleer een geloofs- dan een lezersgemeenschap.

Bakker vraagt zich overigens af of het woord ‘gezindte’ nog wordt gebruikt. Ik denk het niet, sinds de secularisering en postideologie ook tot gevolg hadden dat er kon gesmaald op ‘de linkse kerk’.

Het gaat te ver te beweren dat Jonathan Haidt zoiets doet in The Righteous Mind (2012). Maar hij rekent progressieven in Amerika wel een gebrek aan empathie aan met andersdenkenden die te makkelijk als geborneerd, provinciaal en onslim gelden identificatietalent van rechts met links vormt een minder prominente lijn door deze polemische studie.

Haidts hoofdstuk 4 heet ‘Vote For Me (Here’s Why)’. Ik zocht de precieze titel even na, toen ik in de Nederlandse vertaling uit 2021 dat hoofdstuk had opengeslagen. Er leek in de bemiddelingsarbeid toen namelijk iets gebeurd dat ik recent ook, zoals op deze blog verslagen, bij Houellebecq en bij Rushdie had aangetroffen: de inside joke, waarbij de tekst zich opricht voor een rechtstreekse verhouding tot lezers.

Smokkelden de literaire vertalers Nederlandse liedjes in het origineel, bij Haidt spreekt er even een vaderlands televisiepersonage mee. Karl van Klaveren en Indra Nathoe, een duo dat aan dezelfde uitgeverij onder meer Filosofie in een tijd van Big Data had gebracht en Kirkpatricks biografie van Simone de Beauvoir, plaatsen hun knipoog tussen haakjes. Hun hoofdstuk 4 heet: ‘Stem op mij (en wel hierom)’.

Natuurlijk hoort een plusvijftiger dan Cor van der Laak oreren, het personage van Koot en Bie dat als krities AVRO-lid zijn eigen wereld schept tegen de wereld. Onwillekeurig doet hij me denken aan Renaat Braem, wiens markante memoires Het schoonste land ter wereld ik onlangs doornam. Die parallel is raar, omdat de betrokken gemeenschapsarchitect veel heeft gerealiseerd en naast kritiek zeker ook erkenning kreeg. Van der Laak kreeg niets van de grond en teerde uitsluitend op ergernis.

Dat ik hem toch in verband breng met de architect komt, ideologisch, door het decor van gezindten. Maar de aanleiding voor de parallel ligt in het hoogtepunt van Braems memoires: het nawoord, het prettigste Nederlandse proza dat ik in tijden heb gelezen. Daar borstelt ‘de echtgenote’, dan ruimschoots de zeventig gepasseerd, een portret van haar man dat hilarisch nuchter is en hem tegelijk in zijn waarde laat. Van der Laaks vrouw Cock van der Kraats doet dat op haar manier ook. Ze laat Cor lullen tot-ie een ons weegt en gaat vervolgens haar eigen gang – net als hij.

maandag 23 augustus 2021

Inzicht en uitval

 

Bang dat als bevoorrecht man mijn privilege bestaat uit onwetendheid, ploeg ik soms door boeken. Zoals door Robin DiAngelo’s Witte gevoeligheid. Waarom het voor witte mensen zo moeilijk is om het over racisme te hebben. Ik wantrouw de gestaagheid waarmee ik door die tekst ga even hard als mijn repetitieve reactietje ‘had ik al vaker gelezen’.

Hopelijk reageer ik dan als taalmaniak, aangezien DiAngelo, een Amerikaanse die twintig jaar werkte als diversiteitstrainer, zich wel erg gul bedient van jargon als ‘construct’, ‘zich identificeren als’ en ‘problematisch’. In de hoedanigheid van bevleesd en bezield mens hoop ik immers soortgenoten niet te schaden. Denkelijk was het een gunstig teken dat ik in Witte gevoeligheid opkikkerde bij citaten van James Baldwin, of zelfs maar één zinnetje van Ta-Nehisi Coates (‘Ras is het kind van racisme, niet de vader’).

Ergens tussen de taalmaniak en de bevleesde en bezielde mens zit de redacteursfiguur, wie het opvalt dat DiAngelo per hoofdstuk niet alleen hetzelfde verhaal brengt maar soms ook statistisch materiaal herhaalt. Percentages hebben natuurlijk iets onverbiddelijks. Helemaal tegen hardnekkig ongeloof, dat dit boek weerleggen wil. Ook als goedbedoelende, zich informerende en progressief wanende witte man kan ik een – aversief – racist zijn.

Ongeloof, gebutste zelfperceptie dus, manifesteert zich in ontkenningen. Notoir is het doorverwijzen naar personen in de nabijheid die het tegenovergestelde zouden bewijzen. Door de hoogspanning van gevoelige thema’s, waarbij het doelwoord ‘inclusief’ velen uitsluitend diarree bezorgt, gebeurt dat geregeld. Zo schreef in een filippica tegen genderongelijkheid Eva Meijer hilarisch: ‘Ik weet dat niet alle hetero’s hetzelfde zijn. Ik heb zelfs vrienden die hetero zijn.’

Meestal is een racist per definitie gewoon de ander, ook onder de welwillendste mensen die pal staan om onrecht uit de wereld te helpen. Bijvoorbeeld, beschrijft DiAngelo op een manier die in de zondagskrant fijntjes wordt genoemd, door in hun bedrijf workshops te organiseren tégen racisme en vóór meer diversiteit. Ze beginnen altijd prima, vertelt ze, omdat haar inleidende woorden van een presentatie abstract zijn. Vervolgens houdt DiAngelo een uitspraak of voorval uit het bedrijf tegen het licht.

Bij die workshops blijken uitgerekend witte mensen safe spaces te willen. Hun trainer en programma moeten aan allerlei voorwaarden voldoen om hen aan het praten te krijgen. En precies dat, stelt DiAngelo nuchter, bevestigt de raciale status quo. Witte onschuld ligt dan bij voorbaat vast en wil het liefst bevestigd worden door zwarte collega’s – in de niet door iedereen even fraai gevonden film The Green Book verwijt de gekleurde pianist aan zijn Italo-Amerikaanse chauffeur heftig te reageren op beledigingen die hij zelf veelvuldig meemaakt.

Het idee dat een racist steevast een ander is concretiseert DiAngelo voor de Verenigde Staten, waar de bekrompen, amper opgeleide good ol’ boys uit het verre zuiden komen (dit academisch vrijpleiten past Koen Lemmens in zijn teleurstellende bundel De dwaling van de beeldenstormer toe op België met zijn essay ‘Provinciaal kosmopolitisme’).

Dat ik zoiets vaker heb gelezen betekent niet dat ik doordrongen ben van de bijbehorende realiteit, die nooit mag wennen. En waarin ik even gratuit zou zijn door mezelf tot racist te bombarderen. Ook moet ik me losrukken van een tweede afweerreflex: de jij-bak. Daar is Witte gevoeligheid vatbaar voor. De auteur is zelf wit. En de Nederlandse vertaling profiteert van prijzende citaten door de zwarte autoriteiten Claudia Rankine en Shakti Butler. Dat neemt nog altijd niet weg dat DiAngelo’s betoog, hoe ervaringsdeskundigen er ook over oordelen, mag worden gelezen.

Gaande mijn lectuur begon ik zelfs te beseffen dat de herhalingen functioneel zijn. Ze kietelen de discipline van witte lezers om kennis te nemen (en daarna de ethische plicht tot kritiseren). In Witte gevoeligheid moeten overlappingen dus eerder worden aangestreept dan weggestreept.

dinsdag 10 augustus 2021

Dat het hier niet om gereedschap ging

 

 

 

Een bordje aan de rand van een dorp daagt ondernemers uit: implantez-vous. Wortelen in plaats van een nomadisch stadsbestaan zoals van fietsers als wij die een retour Lyon rijden?! De reden van de verlokking stond erbij en voorspelde een expansie van souffle.

 *

Verwarrend dat er iets industrieels en bedrijfsmatigs bedoeld wordt met een zone artisanale. Dit bijvoeglijk naamwoord vinden we immers standaard op puien van overgebleven bakkers. Zou er op al die dichtgespijkerde panden ook artisanale hebben gestaan?

Bij de Match dragen de caissières T-shirts met het rugschrift ‘sourire 100% naturel’. Hoe werkt zoiets met hun mondkapjes?

 *

Tijdens ons vertrek de mededeling dat Macron met een pass sanitaire komt, die evengoed getoond dient in shopping malls. Maar wie komen daar niet? Twee jaar na onze recentste toer door Frankrijk lijken dorpen zo mogelijk nog uitgestorvener. De roestige antennes op de daken zijn voor bejaarden, een kapper, de veearts en, getuige een aangrijpend bordje, de infirmière.

Ongemakkelijk open ruimten die ooit pleinen waren met terrassen. Verblekende letters op huizen waaruit ‘bar’ of ‘hotel’ valt te ontcijferen, of natuurlijk ‘boulangerie’.

 *

Op mijn e-reader ontdek ik Nootebooms Een middag in Bruay. Die reisbundel opent met een reportage uit 1963 in Noord-Frankrijk, maar dan de westkant:

‘Hier komt nooit iemand. Voor de gelige feestzaal troepen de mijnwerkers samen en gaan naar binnen. Het zijn er een paar honderd. Het plein wordt langzaam leeg. Het is tamelijk groot, er omheen lage huizen, meestal cafés: Café Au Boxer, Café Farcy, Café de la Place, Chez Alphonse, Café Malinage, Café de la Jeunesse, Café des Forains.’

Maar ook op dagen met de grootste hitte treffen we slechts de Mairie, het standbeeld dat de gevallenen voor het vaderland gedenkt (1914-1918), en een pomp met eau non potable.

 *

Na de overstromingen de sensatie dat seizoenen lijken verruild. De geur van houtkachels, het woord inondée, ondergelopen velden en wegen.

De controversiële passage van JJ Rousseau over de ellende die nooit meer ophield toen mensen op land hekken begonnen te zetten als teken van eigendom. Nog net zichtbaar de paaltjes waartussen een paar paarden tot aan hun knieën in het water staan. Moeten helikopters hen redden?

Mijn paardenobservatie deel ik in mijn beste Frans met een mevrouw die begrijpt dat het om haren gaat (cheveux, chevaux).

Verder betreur ik jegens haar de dorpen, waar de hoogst bereikbare pleisterplaats voor passanten één bushokje is. Ze vertelt dat ouders hun kinderen daar met de auto brengen en halen, de schoolbus doet de rest van het vervoer.

Bij regen op campings zagen we mensen naar het sanitair blok gaan met de auto. Voor een elektrische tandenborstel.

 *

Door de verhoogde waterstand dito muggenpopulaties. Tegen zes, zeven uur ’s avonds moeten we ons in de tent terugtrekken. Na zalig lang zo warm mogelijk alle bulten te hebben bedoucht.

Mij staat bij dat op de middelbare school de conciërge beweerde dat in Jappenkampen gevangenen in grote houten baden werden gegooid, waar de temperatuur was opgestookt tot zestig graden, ontiegelijk heet maar helend voor de arbeid daags erna.

 *

Eindelijk dankzij de DBNL kennisgenomen van Anton de Koms standaardwerk uit 1934, Wij slaven van Suriname. Ondraaglijk. Gedetailleerde beschrijvingen van koloniale martelpartijen, steeds overnieuw. De titelhelden vergelijkt De Kom bovendien consequent met een ‘veestapel’.

Dat woord ontmoette ik zeer lang geleden in een kinderbijbel en zag een onbegrijpelijk hoge toren van dieren voor me. Nu hoor ik er een zootje v’s in, hopelijk een teken van een overwinning voor de gerechtigheid.

 *

Ja, daarnet stileerde ik ontwijkend, met de term ‘titelhelden’. Wat moet ik zeggen als hoogopgeleid wit manneke van middelbare leeftijd? Dat mijn e-reader ook Raoul de Jongs boek Jaguarman. Mijn vader, zijn vader en andere Surinaamse helden herbergt? Met dit citaat:

‘Een van de manieren om “meesters” (ik voel de behoefte om dit woord tussen aanhalingstekens te zetten, al is dat nooit hoe het in de archieven van Het Monster geschreven staat) te doen vergeten dat het hier niet om gereedschap ging maar om mensen, was door deze mensen “slaven” te noemen. Alsof een slaaf al een slaaf was voordat hij tot slaaf werd gemaakt. Vandaar dat we tegenwoordig liever “tot slaaf gemaakten” zeggen. Wat mij betreft dekt dat de lading nog steeds niet helemaal. Slachtoffers van de nazi’s noemen we ook geen “concentratiekampers” of “nazislachtoffers” of “vergasten”. We noemen ze Joden, zigeuners, homoseksuelen. Slachtoffers van de nazi’s waren méér dan wat de nazi’s met hen deden, slaven waren méér dan de slavernij.’

 *

Meer dan eens zijn op municipal-campings tenten en bungalowtjes gevuld met uitheemse arbeiders, die in de buurt tijdelijk wegen- en andere bouwwerken verrichten. We zagen Polen en Portugezen.