zondag 18 augustus 2019

La douce




God kan wel inpakken. De voltooid toekomende tijd bestaat en bevindt zich in Frankrijk. Achteraf had ik dat kunnen weten uit het bruuske begin van Confessions, wanneer JJ Rousseau zegt dat zijn experiment ‘n’aura point d’imitateur’. Bij mij viel het kwartje pas deze zomer, op campingtoiletten. Waar ik me als Hollander meteen realiseerde dat een van de merkwaardigste taalverzoeken in het Vlaams vermoedelijk een gallicisme is. In België kunnen mails gewenste daden namelijk doodleuk binnensluizen met: ‘Bedankt om voor 8 april…’ In Noord-Nederland staat er dan: ‘Wilt u voor 8 april…’
Wc-aanplakbiljetten tijdens onze fietsreis begonnen steevast met: ‘Merci de…’ Het frequentst was de zekerheid het toilet in de hygiënische staat achter te laten waarin ik hem had aangetroffen, af en toe specificeerde het merci zich tot de garantie dat ik mijn kak ging wegschrobben.
Nu ik het daar toch over heb, in België treedt er geen herkenning op bij de vakterm remspoor. Wel behandel ik in lessen soms het in prototypisch Vlaams gestelde wc-verzoek, zoals ik dat las in een vakbondsgebouw: ‘Gelieve de toilet proper achter te laten en indien nodig de wc-borstel te gebruiken na uw toiletbezoek.
Zouden Fransen wat dat betreft heus explicieter zijn? Op campings heeft de vooruitgang het land bereikt. De kakgaten met voetblokken voor de ruiter zonder paard zijn aangevuld en vervangen door wc-potten. Nu nog de finishing touch. Op een municipal waar volgens de beheerder-ambtenaar iedereen zich familie van iedereen voelt, slenterde een man naar het sanitair blok met een glanzende blauwe bril over zijn schouder.



’s Avonds op de e-reader bladerend door De liedjes van Ome Willem, verzameld door Karel Eykman, ben ik, duizendmaal dit slot gehoord hebbend, totaal ontroerd en verbluft door de Epiloog, van de hand van Willem Wilmink:


Deze vuist op deze vuist,

deze vuist op deze vuist

deze vuist op deze vuist

en zo klim ik naar boven.



Deze vuist op deze vuist,

deze vuist op deze vuist

deze vuist op deze vuist

en zo klim ik naar boven.

Bijna Leopold! Vaak is beweerd dat men poëzie beter kan beluisteren dan op papier te consumeren. Ik heb dat altijd een beetje snobistisch gevonden en bovendien vermoed dat er een tegemoetkoming werd gedaan aan onwillige lezers. Maar ze was natuurlijk niet futiel – ten aanzien van de totaalervaring met gedichten in het algemeen. Na dit voorbeeld veeg ik echter mijn reet af aan die Ome Willem, ten gunste van zijn voornaamgenoot die achter deze tekst onzichtbaar bleef.
Op de andere e-reader doet zich nog een wonder voor: de gourmande is aan het lezen geslagen. Bijna negen had ze niets van haar oudere zus, die van jongs af boek na boek heeft verslonden. Ineens ligt ze in haar slaapzak op haar buik, gespannen turend naar het apparaat dat oplicht in de schemer en dat we haar moeten afnemen wil ze aan slapen toekomen. 
Aan haar eruditie rijgt ze achtereenvolgens Alleen op de wereld, Niels Holgersson en Kees de Jongen. Die titels heb ik opgeduikeld van de DBNL, waar de vertalingen en originelen van vroege makelij zijn. En dus in verouderde spelling. Haar zus (wie ze de betekenis van ‘enfin’ had gevraagd) maakte die al mee, de gourmande nu dus ook. Beiden signaleren slechts de soms afwijkende aanblik van bekende woorden, glunderend, als betreft het een opspringend haasje langs de weg. Hoe is Marita Mathijsen toch op het idee gekomen dat studenten tegenwoordig louter hertalingen aankunnen?
Misschien is de gourmande bevoordeeld. Ze ziet haar beide ouders veel lezen en deze hebben nog in de neerlandistiek gezeten. Maar dat was al even geleden, dus schijnen we geen recht van spreken te hebben.
Ik mag trots zijn dat er een lezertje geboren werd, die de tijd van Ome Willem niet kent. Sinds ze thuis is heeft ze wel geen tekst meer ingezien.



Bij aankomst stuiten wij op een mooi artikel, ‘Swap-bewoners’, door Pieter Lagerwaard. Het redeneert vanuit de stadsrage zich te abonneren op fietsen die bij elk mankement vervangen worden door een soortgelijk exemplaar, te herkennen aan een blauwe voorband. Daarbij is de idee uiteraard dat wanneer mensen geen andere relatie aangaan tot de dingen dan een tijdelijke, de band met de omgeving erg losjes wordt – de swap-fiets blijkt in Amsterdam te worden ingezet door hoogopgeleide kapitaalkrachtige kosmopolieten.
In Frankrijk werden we geconfronteerd met een verwante ontwikkeling: dorpen stromen leeg, winkels maken in het gunstigste geval plaats voor automaten. Na een velgbreuk op het platteland vertelden twee allervriendelijkste dames ons dat fietsenmakers louter nog in steden te vinden zijn. In dunbevolkte streken zijn er wel garagisten die naast auto’s en motors nu ook fietsen proberen te repareren. Daarnaast kan men bij de dichtstbijzijnde shopping mal (niet bij hun dependances die de achternaam Contact dragen) een nieuwe fiets kopen, sportief model.
Lagerwaards karakteristiek associeerde ik eerst met de beweging die vele vingers op smartphones maken, een gebaar van wegschuiven. Dit soort swap-fietsen bestaat immers bij de gratie van een digitale orde, een app of zoiets waarmee leden hun zaken regelen. Dus vond ik, hoogmoedig, ‘swaffel-bewoners’ een passender benaming. Maar swappen betekent iets anders, in een andere wereld.
Ook voel ik de opzichtige aandrang na om aan een schijnbaar nieuw fenomeen een neologisme te wijden. Het stuk Frankrijk dat wij befietsten ervoeren we als verveloos. Het landschap was onder het geweld van de zon vergeeld, zonnebloemen hielden hun kopjes omlaag. Bomen gaven ons in juli al herfstbladeren. De grote brede (La) Loire stond schandalig laag en op plekken zelfs droog, trouwens in tegenstelling tot het zijstroompje (Le) Loir. Over ontworteling gesproken! 
Zo hadden we Europa vorig jaar tijdens een langere Tour ook aangetroffen. En nu, na tien landen, weten we nog maar één type winkel dat op het platteland én in steden floreert: de pharmacie. Ik ken geen dieptepsychologisch gevolg voor deze observatie, over ziektes en zo, maar misbruik voor me eigen neologisme gretig de kleur van het traditionele beeldmerkkruis. Het ding is namelijk niet grasgroen, maar hulkgroen. Alleen, wie kent die knakker nog? Mon dieu.



Rectificatie
Minder zichtbaar dan in de tent heeft de gourmande in haar eigen bed inmiddels een hele Dik Trom gelezen, inclusief uitgestorven naamvallen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten