dinsdag 30 december 2025

De zichtbare nederlaag




 

Een geweldige zin: ‘Op wandelvakanties pelt hij onderweg een ei en rolt dat over zijn bezwete voorhoofd, voor het zout.’ Ik trof het aan in Mirjam van Hengels Ganzentijd. Dit boek over de dood van haar vader houdt zich op in een autobiogenre dat me niet ligt, maar blijkbaar weet Van Hengel me te overtuigen. De zin karakteriseert op een wijze waarin diverse reacties open worden gelaten. Voor sommige lezers zal de vader inventief zijn, voor andere lezers wordt hij een zonderling. Knap vind ik de komma, die de ruimte ook daadwerkelijk schept. Bij de rolgewoonte vragen sommigen zich allicht af waarom ze geschiedt, anderen moeten juist bevestigd worden in de hint.

Van Hengel kan in Ganzentijd intiem worden door afstand te houden en zorgvuldig te selecteren. Sporadisch gebruikt ze een citaat, dat ze pas achterin toeschrijft en dan nog minimaal. Over het proces dat ze samen met haar vader richting zijn overlijden ingaat, indiceert het boek dat ze er al onderweg notities over maakt. Van Hengel noemt die ‘sleutelgaten’, een motief dat artistiek door Vijftigers-essayist Paul Rodenko werd geduid. In Ganzentijd doemt het op via het gedicht ‘Januari 1943’ door Vijftiger-dichter Remco Campert, waarvan ze het einde een sleutelgat noemt. Bovenal rijmt de blik daardoorheen met het turen door een kijkertje dat vader als vogelaar gewoon was en waarmee het boek opent; voor deze twee Van Hengels blijkt Peterson’s vogelgids de Bijbel.

Bij afstand en selectie hoort voor mij registerkeuze – in het begin spreekt Van Hengel al over ‘de liefde bedrijven’. Verderop toont de tekst een harde montage, kalm en kritisch in- en uitgeleid, van het curriculum vitae dat de vader op gevorderde leeftijd over zichzelf opstelde. Het is uiteraard een onvoltooide tekst, die zijn dochter vervolgens afmaakt. Dan tracht ze uiteraard zijn stijl te benaderen, met veel tussenhaakjes.

Hoe groot het verschil met een ander boek dat recent op mijn weg kwam: Lize Spits Autobiografie van mijn lichaam. Daarin wordt ook een ouderlijk overlijden (van de moeder) herdacht en is er ook een tekstmontage (van Lizes oude dagboeken), maar het resultaat is, in meer opzichten: dikte. Alles wordt gezegd, in één voortdenderde stijl die details en evaluaties van gevoelens in beeldspraken blijft aandragen. Misschien is het daarom eerlijker Autobiografie van mijn lichaam te vergelijken met Maria Vlaars overvolle Zwagerman-biografie. Ik wist me er geen raad mee en, onbekend met de openbare ruimte die door sociale media zal zijn geherdefinieerd, voelde me na lectuur een oude puritein.

Ergens in een zeer geheim typoscript las ik dat Rilkes begrip Weltinnenraum, ‘wereldbinnenruimte’ dus, tegenwoordig wel eens wordt vertaald als ‘binnenwereldruimte’.

Bijna dacht ik al uit de tijd gevallen te zijn, tot het toeval me nog een kakelverse biografie bracht: Groots is de liefde. Daarin portretteert Jacqueline Oskamp componist Louis Andriessen. Zijn leven was langer en rijker, minder honkvast en van groter cultureel belang dan dat van Zwagerman. Toch heeft Oskamp veel minder pagina’s nodig om de figuur van Andriessen op te roepen. De componist was net als de betreurde auteur een vaardig netwerker, die bij ellende ook terug kon vallen op een Harde Kern van echte vrienden. Wel vielen in zijn volkomen artistiek milieu blijkbaar vanzelfsprekend seksuele escapades voor en werden ze vergeten, al hield ook deze womanizer lijstjes met prooien annex veroveringen bij. In Oskamps boek spelen die vrouwen een marginale rol – en worden de meesten slechts opgevoerd bij de voornaam, al dan niet veranderd voor de privacy.

donderdag 18 december 2025

Zeer taai-taai

 

 

 

Al tijdens het lezen van haar bijna achthonderd pagina’s drong zich aan mij steeds luider één grote vraag op: waarom heeft Maria Vlaar acht jaar van haar leven opgeofferd aan een Joost Zwagerman-biografie? Natuurlijk, ze had literaire nevenactiviteiten en haar arbeid werd vertraagd door corona die het niet toeliet 42 archiefdozen in het Literatuurmuseum uit te spitten. Maar toch, steeds blijkt dat ze Zwagermans oeuvre weinig bijzonder vindt, dat zijn spectaculair ogende bestaan geleefd werd door een verboekte huismus en dat ze in hem dan wel sympathieke trekjes ontwaart maar grotere porties mannelijke hypocrisie – die ze, als ik me niet vergis, ruim vóór verschijnen aankondigde.

Of zou Vlaar verrast zijn geweest door de reacties op Zwaag. De zeven levens van Joost Zwagerman die zich toespitsten op het drukbezette, met blitse namen gedecoreerde liefdesleven van de auteur tot en met de experimentele deelname aan een pornofilm? Waarom richtte ze zich bij haar speurtochten ook nog tot een Amsterdamse kioskhouder bij wie de auteur wel eens ‘vieze blaadjes’ kocht? En hoe bestaat ze het om het zoveelste plaatselijke relletje te vergezellen van de noot ‘of dit roddels zijn of waarheid laat ik in het midden’?

Zelf motiveerde Vlaar haar titanenklus gelukkig niet alleen uit een vraag van de uitgever. Ze wees op een generatieverwantschap met Zwagerman (1964 vs. 1963) en op een vergelijkbaar katholiek nest in West-Friesland. Haar boek kan ook worden opgevat als een zoektocht naar culturele overlappingen en restanten van levensbeschouwelijkheid. Toch moet in de loop van haar onderzoek vervreemding zijn ontstaan die, gepaard aan haar eruditie en stilistisch vermogen, een spannend en gelaagd boek had kunnen opleveren dat een stuk dunner was geweest. In plaats daarvan onthult Vlaar haar ware indruk na een van de zeer vele signalementen van Zwagermans disparate tekstproductie:

 

‘In een column over “De denkwereld van 2040” voorspelt hij in 2008 al dat schrijvers tegen die tijd helemaal niet meer bestaan, en literaire nalatenschappen geen waarde meer hebben; er is dan “vermoedelijk een computerprogramma dat na de input van een handvol woorden en persoonsnamen, en na een keuze voor het gewenste “verhaalprogramma”, een oneindig aantal “verhalen” produceert, toegesneden op de wensen en fantasieën van de individuele consument.” Hij voorziet wat AI zal gaan beteken en voorspelt in één ruk door zijn eigen toekomstige overbodigheid.’

 

Allicht bedoelt ze dat laatste niet letterlijk, maar wanneer ik uit Zwaag lering probeer te trekken, dan lijkt me dit dicht bij de kern te komen.

 

Vooroordelen

Een ander merkwaardig besef dat zich bij kennisname van Zwaag van mij meester maakte, is dat Vlaar heel wat informatie niet heeft geraadpleegd. Deels ligt dat buiten haar schuld, suggereert de verantwoording: ‘De volgende personen wilden niet geïnterviewd worden voor dit boek: Sandra Derks, Bram Bakker, A.F.Th. van der Heijden, René Huigen, Bert Nubé, Thijs, Koen en Daantje Zwagerman.’ Allicht had hun medewerking meer persoonlijke anekdotes en inzichten gebracht. En literaire nuances kunnen geven, al vraag ik me af of Vlaar daar wel naar op zoek was.

De geslaagdste hoofdstukken uit het boek gaan over Zwagermans opinistentijd en over zijn finale depressie. In het ene geeft hij vanaf diverse podia commentaar op binnen- en buitenlandse politieke ontwikkelingen en vernemen we iets over de gevolgen die zijn interviewrol bij Zomergasten had, nadat Ayaan Hirsi Ali er de film Submission in première liet gaan. De mens Zwagerman krijgt daar door alle banale bijeffecten ineens diepte omdat hij moreel moet handelen. In het andere hoofdstuk beleven en begrijpen we, mede dankzij Vlaars verteltalent, hoe iemand gestaag en zonder pardon in omstandigheden kan komen die nopen tot zelfmoord. Het is tegelijk een aanvulling op én steun voor het controversieel geachte boek De langste adem (2020) van voormalig echtgenote Arielle Veerman.

Dat mij aldus slechts een fractie van Vlaars boek boeit, hoe bedreven ook gemaakt, ligt uiteraard aan mijn verwachtingen. Zwaag biedt als gezegd allerlei biografica, maar die interesseren me niet en soms vind ik ze niet publicabel. Toch had ik gehoopt bij Vlaar daarnaast nieuwe interpretaties van romans, verhalen en gedichten aan te treffen. Juist op dat basale vlak schiet deze biografie voor mij tekort. Haar toevoegingen betreffen passages die autobiografisch gelezen kunnen worden en die interviewbeweringen over het waarheidsgehalte weerleggen.

Het grote verhaal vertelt Vlaar na, en dan ook nog gedeeltelijk. Ze maakte namelijk de keuze louter recensies op de afzonderlijke werken in beschouwing te nemen. Het gevolg demonstreer ik met één voorbeeld. Gaandeweg ontstond van de literair auteur het beeld dat hij, zeker als romanschrijver, snel zijn kruit verschoten had en bij gebrek aan inspiratie een goed verdienende mediafiguur werd. Uitgaand van recensies valt de loop van dat repeteergeweer niet bij te buigen. Dus is er bij Vlaar geen ruimte voor de rehabilitatie die Thomas Vaessens aan de prozaïst Zwagerman bood in zijn studie De revanche van de roman (2009). Het enige moment waarin deze hoogleraar in de biografie opduikt, is als poëziecriticus van de bundel Bekentenissen van de pseudomaan, wiens kritiek door de besprokene niet werd verdragen en verleidde tot een uitval – de zoveelste die karakterieel tekenend moet wezen.

Op die wijze blijft ook Zwagermans passage door het postmodernisme bij Vlaar bleekjes. Ze ontleent inzichten over deze nog altijd van vooroordelen wasemende stroming aan contemporaine theorie (zoals van Annemarie [sic] Musschoot op de DBNL) en aan losse primaire werken die in de jaren tachtig en negentig ermee werden geassocieerd. Een tweede literair-historische goudmijn boden de Maximalen, de dichtersgroep van wie Zwagerman zich opwierp als woordvoerder. Zwaag vertelt er best veel over, maar het lijkt wel of de poëzie zelf, tenzij in de algemeenst mogelijke termen belicht, buiten beeld moet blijven.

In plaats daarvan kanaliseert Vlaar haar energie om strubbelingen en vetes in de groep aan het licht te brengen. Wie daarvan houdt, is spekkoper. En wie er Zwagerman-psychologie aan wil verbinden, heeft de biografe vaardig geleid naar één van de zeven gezichten die hij zou hebben: die van de onderwijzer. De opper-Maximaal blijkt punten te hebben uitgedeeld aan zijn bentgenoten op de competenties ‘persoonlijkheid en poëzie’. In die lijstjes valt niet alleen op dat Zwagerman geen al te hoge dunk had van kameraden met wie hij revolutie beweerde te maken, maar ook dat zijn cijfers akelig precies zijn – Arthur Lava, man van het eerste uur, krijgt voor ‘poëzie’ een 7-.

woensdag 10 december 2025

De poëtische kracht en nuance

 

 

 

Buzz in neerlandistisch letterenland: de gratis pdf’s van de Bulkboeken zijn foetsie! Na een overname moeten scholieren die generatie na generatie literatuur uit alle tijden leerden kennen en van wie nu wordt verwacht dat ze daar ‘leesplezier’ aan ontlenen, de mastercard uit een ouderlijke portefeuille trekken. Blijkbaar hoeven we ons toch geen zorgen te maken. In een comment werd Bulkboek dan wel ‘een sterk merk’ genoemd, een ander comment stelde gerust dat er archives en platformen bestaan waarop downloads nog mogelijk zijn. Dat bespaart alvast grote woorden, die tegenwoordig zo vaak en misplaatst de ronde doen, over uitwissing en censuur.

Alles verdwijnt, natuurlijk, maar werkt internet het in de hand? Als ik me beperk tot het zojuist genoemde vak, dan dringen, ongetwijfeld willekeurig, voorbeelden zich op. Al tijden geleden bleek dat het veelbesproken project van de Lezeres des Vaderlands, die man-vrouwverhoudingen in kritieken natelde en becommentarieerde, in het web was verzwonden. Een goed recht. Toch viel niet te ontkennen dat het anoniem gehouden project voortkwam uit de boezem van de neerlandistiek en dus ´op kosten van de belastingbetaler´. Het bleek bovendien te worden geciteerd in minstens één wetenschappelijke bron en figureert soms nog in expliciet ideologische argumentaties.

Onlangs ontdekte ik dat ook de veelbesproken Personagebank spoorloos is. Nazoeking onderstreepte dat mijn geheugen weer een bedrieger is, ik wist al dat dit project offline was. Allicht had ik dat verdrongen, omdat op gezette momenten de lust naar kennis groter blijkt. Dat dit dan gefrustreerd wordt mag geen probleem zijn, maar de Personagebank fungeerde als een breekijzer, een bewijs van een nieuw paradigma dat in een Engelstalig wetenschappelijk tijdschrift geconstrueerd werd – en daarna bediscussieerd, evengoed in een zijdraad-van-een-zijdraad door mij.

Waarom blijven dergelijke stille manoeuvres onbelicht? Ik ga ervan uit dat er niet alleen neerlandici bij betrokken waren, maar ook dat zij actief deze projecten in de vergeetput gooiden. Toegegeven, het vak verkeert in zwaar weer, het blijkt te moeten gelegitimeerd tegenover bezuinigingen die al tot onderbezetting zullen hebben geleid. Ook ben ik niet de geloofwaardigste figuur voor bovenstaande vraag nadat ik neerlandici uitriep tot serieuze kanshebbers bij het Olympische onderdeel meelopen. Alleen kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat ze minstens zo goed zijn in het altijd verleidelijke wegkijken (en mogelijk in het opsteken van Facebookduimpjes).

Een heuse recente verdwijning doemde voor mijn ogen op toen ik voor de finale van een exercitie tegen de lijstjescultuur een hyperlink wilde leggen. Naar een artikel waarin Joris Note duidt hoe Jozef Deleu de erfenis van Jeroen Mettes naar zich toetrok. Maar Google noch DuckDuckGo noch Ecosia bood uitkomst. Ik meende dat het artikel op DeWereldMorgen stond. Op de pas vernieuwde website blijkt het echter afwezig. Net als iets dat daar zeker op heeft gestaan en dat echt van groot belang is om wat van de contemporaine literatuur, recensiecultuur en bedrijfsvoering te snappen.

Het betreft een gekender artikel van Note dat zelfs NRC Handelsblad haalde als serieuze kritiek op David van Reybroucks Congo. In het besef dat deze bestseller uit 2010 ook onder connaisseurs louter aan status heeft gewonnen en dat de receptie heden bestaat uit een compliment à 40 woorden van Peter Sloterdijk dat het enige betrof wat hij er in jaaroverzicht van zogeheten Beste Boeken over te melden had, is het bizar dat de meer dan vijfduizend woorden, exclusief bibliografie, onvindbaar zijn geraakt. Niet alleen toont Note hoe de geschiedenis in dit boek werd vergoelijkt en herschreven in een gelatinestijl, ook legt hij kwestieuze argumenten bloot waarom het Vlaams Letterenfonds bij de overheid ‘een extra budget’ aanvroeg om het te vertalen.

Minstens zo bizar dunkt me dat DeWereldMorgen op de vernieuwde website wel een signalement heeft behouden van het essayboek Wonderlijke wapens (2012) waarin Note dit stuk bundelde. Hij deed dat sensatieloos, door op de achterflap in de reeks namen die hij behandelt ‘de vermoorde Congolese premier Lumumba’ te vermelden, aan wie hij, in relatie tot Aimé Césaire, nog een essay wijdde. Wel is dit boek inmiddels verramsjt. Wat nu? Gelet op de richting waarin het genre zich ontwikkelt, is de kans miniem dat het essay nog ergens opduikt, terwijl Notes kanttekeningen relevant blijven.

donderdag 4 december 2025

De trucs van oplichters


 

Terwijl bij de vorming van een nieuw kabinet mevrouw Yeşilgöz volhardt in het bijkneden van betekenis tot wensdromen, liet een column van Maxim Februari vorige week al uitschijnen dat de rest van mijn landgenoten in Dichtbijistan-aan-Zee evenmin stilzit. ABN Amro heeft namelijk Het oplichtings ABC gepubliceerd. De spatie in die titel zuigt me probleemloos in deze materie. Nu is ‘materie’ een interessanterig woord, maar de brochure vraagt erom. Pagina 2 suggereert al dat ik bepaald niet de eerste de beste ben:

 

Introductie

 

Oplichters proberen op allerlei manieren aan geld te komen.

Sommige manieren bestaan al heel lang. Andere manieren zijn nieuw.

Soms worden slachtoffers persoonlijk benaderd.

Maar vaak gaat het via de telefoon, via e-mail, via sms of via een app.

 

Het is belangrijk dat je weet hoe oplichters werken.

Dan heb je het misschien door als iemand jou oplicht.

De trucs van oplichters hebben vaak moeilijke namen.

De uitleg is soms ook lastig te begrijpen.

Daarom hebben we nu een lijst gemaakt in makkelijke taal.

In deze lijst staan veel verschillende soorten oplichting.

 

De namen van deze soorten oplichting zijn vaak nog steeds moeilijk.

Maar die namen hoef je niet te onthouden.

Het belangrijkste is dat je de trucs van de oplichters herkent.

Dan is de kans kleiner dat je slachtoffer wordt.

 

Geloof het of niet namelijk, ik ben zo beroepsgedeformeerd dat ik dacht een sonnet voorgeschoteld te krijgen. Wat een bank! Ja, ik wil rijk worden als ik groot ben. ‘Beroepsgedeformeerd’  is trouwens ook geen kinderachtige term, waarin mijn digitale spellingscontroleur adviseert een spatie aan te brengen.

Blijkbaar komt de redelijkheid bij mij na een paar seconden en dringt het besef door dat hier iets op een toegankelijke wijze wordt verteld (r.9, in een traditioneel sonnet dus na de sjuut). Mocht ik minder gulzig zijn geweest, dan had ik de PISA-promillages kunnen afleiden uit de ondertitel van de brochure: Verschillende manieren van oplichting uitgelegd in makkelijke taal. Normaliter rijdt mijn brein over vele alledaagsheden heen, maar hier is het secuur. Ultrakorte alinea’s helpen de toegankelijkheid van een tekst.

Zo luidt althans de theorie, die Februari’s krant even later met een compleet (tot in de grafieken aangrijpend) artikel op ‘referentieniveau 1F’ zou staven. Merkwaardig vind ik dan de ervaring dat door zo’n tekstaanzicht mijn begrip wordt bemoeilijkt – het begint me wat chaotisch te worden. Maar dat zal een defect aan mijn brein zijn, of generatiegewijs horen bij non-digital-natives die in dito, zin per zin afgevuurde verbreide WhatsAppberichten van digital natives de weg schijnen kwijt te raken. Na een kleine reset en inspanning snap ik alsnog wat er staat.

Ondertussen bevestigt het illusiesonnet de indruk dat tijdens de discussies over genderneutrale voornaamwoorden de u-vorm stilzwijgend de benen heeft genomen. Ook een deftige bank spreekt in 2025 zijn klant aan met ‘je’. Even evident toegepast dunkt me een aangrenzend fenomeen, waarvoor Maartje Lindhout me in 2016 de ogen opende: het wenken met ‘jou’.

En het loopt als een tierelier! Ik citeer: ‘Het is belangrijk dat je weet hoe oplichters werken. / Dan heb je het misschien door als iemand jou oplicht.’ Door die nadruk aan het slot zou iedere lezer zich aangesproken moeten voelen om de brochure door te nemen. Februari had dat al gedaan en zelfs zijn brein was niet altijd mee. Dus zal ik me beperken tot twee details.

woensdag 19 november 2025

Zachtjez

 


 

 

Ben ik eens enthousiast over een bundel, dan blijkt iedereen het te zijn geweest. Nu ja, het handjevol dat ‘de’ poëziekritiek bemenst. Dan ben ik toch confuus. In dit literair klimaat is bijvoorbeeld Menno Wigman op het zadel der eeuwige klassiekerigheid gehesen, en stuiten critici reeds in het begin van Addertje op: ‘tegen de avond laten de gierzwaluwen in het zwerk / zich in slaap wiegen door een of andere thematiek’.

Anders gezegd kan Jolanda Kooijmans makkelijk worden beticht van meligheid en metabewustzijn, twee onhebbelijkheden die mij na aan het hart liggen. Maar hoe pakken ze uit? Gelukkig is Addertje overvol, zonder verantwoordingsvertoon van het ontleende of eventueel voorgepubliceerde, zonder motto of millennialdankwoord of zelfs maar een inhoudsopgave. Vier afdelingen. Ze zijn volgens mij stripverhalen. Laat ik dan één tekening onder de loep nemen:

 

we kijken vaak teevee, de oude man en ik

voor wat vibratie in de avondpooz

ook nu

op zekere avond

in de late herfst van de late jaren 1970

 

een uitslaande brand

oorlog, kettingbotsing, moordpartij

landweg bezaaid

accordeonmuziek

mensen in lange rijen deinen met de ellebogen in elkaar gehaakt

applauz!

we nemen bona mee

ome Drie begint zachtjez te snurken

 

dan opeens krsjkd! grdsjgr! qfcrsrr!

 

sneeuw

 

even geduld a.u.b.

 

sneeuw

 

even geduld a.u.b.

 

Voordat ik aan het eind van de openingsstrofe begrijp wanneer ze speelt, wist ik het al (dit is een vreemde zin). Vanwege de spelling van ‘teevee’, à la Doe Maar. Die Centraal-Oost-Noordbrabanders begonnen dan wel pas goed in de jaren tachtig, maar waren toen al ouder en hadden de voorspoed van het decennium dat Kooijmans hier oproept achter zich gelaten. ‘De bom’ markeerde een ontnuchterde mentaliteit.

In de vrolijkheid van de jaren zeventig ontwaren historici gewoonlijk een knik, die in 1979 met geen mogelijkheid meer terug te buigen viel. Neoliberalisme kreeg voet aan de grond. De ‘late herfst’ zou je dan symbolisch kunnen lezen, maar ze ging destijds letterlijk zo over de tong, naar aanleiding van de doodbloedende acties van de RAF.

Ook vanuit de gedempte revolutie, begonnen in de jaren zestig, klinkt het woord ‘vibratie’ gedateerd, en ‘ávondpooz’ natuurlijk helemaal, bekrachtigd door de spelling. Het is al geconstateerd: die eind-z doordesemt deze hele afdeling, passend palindromisch Zuuz geheten. Zelf hoor ik hier, over televisie gesproken, de dictie van Swiebertje, over wie wel is beweerd dat zijn idioom dat van Wilders voedde. En alleen al de naam Zuuz heeft iets hardzachts, zoals eerder in de bundel het personage Herfstbro niet helemaal noncha is.

zondag 2 november 2025

Roeien met een pollepel


 

 

VVD-leider Dilan Yeşilgöz was nog minister van Justitie, toen ze een paniekerig whatsappje van Lale Gül erg aardig beantwoordde: ‘Snap ik helemaal!! No worries!’ De hele passage valt te lezen in het boek Ik ben vrij en de twijfelkont in mij heeft nooit kunnen beslissen of die dubbele uitroeptekens dan wel dat spreektalige Engels meer bijdragen aan de clash tussen taalregister en ambt.

Het zou me benieuwen hoe Yeşilgöz scoort op de test die De Standaard nu aanbiedt: ‘Hoe noncha is jouw Nederlands?’ Bij ons thuis heeft elk gezinslid deze meerkeuzevragen beantwoord, om te zien wie ‘mee is met het hipste’ dat Generatie Z serveert. Het ging om straattaal en afkortingen, met schijnbaar veel Surinaamse en Engelse invloeden. Ik geloof niet dat ik erg verrast was als slechtste van het gezin te hebben gepresteerd noch dat onze benjamin won, wel dat ik ex aequo eindigde met mijn verloofde die nochtans een decennium jonger is en die een smartphone heeft.

Uiteraard spraken we over onze uitslagen. Mijn verloofde verdedigde haar wanprestatie met het feit dat ze de bedoelde taal zelf niet inzet en er uit haar bubbel te weinig van aangeleverd krijgt opdat het kan beklijven. Onze jongste gebruikt de taal evenmin maar wordt er veel mee geconfronteerd. Ze was eigenlijk teleurgesteld niet nog hoger te hebben gescoord. Zoals ik voor mezelf stiekem gehoopt had op een beter resultaat, omdat ik me drie jaar geleden bezig heb gehouden met Het Smibanese woordenboek 2.0 van professor Soortkill.

Omgekeerd raak ik er steeds scherper van doordrongen mijn vocabulaire niet als vanzelfsprekend te beschouwen bij het lesgeven. Zodra ik studenten raar zie opkijken zonder dat mijn gulp openstaat, neig ik ertoe zojuist uitgesproken woorden te herhalen, met de vraag: wat betekenen ze? Nu weet ik dus dat niet iedereen ‘mee is’ wanneer ik rebbel over waterlanders of over parafraseren. Zoals mij de term patta bekend is maar doekoe niet. Dat deed toch een beetje pijn, omdat ik elk jaar wel de DE-reclame toon waarin twee oude dames ze bezigen.

Nog even los van mijn geloofwaardigheid als docent, en misschien als auteur: moet de conclusie zijn dat mijn geheugen faalt, of dat ouderen steeds minder soepel nieuwe data weten op te slaan of dat taal pas wordt beheerst wanneer ze, vanuit een passieve woordenschat, plaatsneemt in de dagelijkse uitstoot?

Ik durf het niet met zekerheid te zeggen. Net zoals ik de enquête afsloot met een lange natte scheet omdat er ter afsluiting opinies op de schaal van Richter werden gevraagd bij statements over de staat van het Nederlands tegenover het Engels en over de wenselijkheid van straattaalinvloeden. Met heel mijn belabberde geheugen staat me niet bij eerder met zoveel stamina telkens ‘geen mening’ te hebben aangeklikt.

vrijdag 24 oktober 2025

Gemiddeld gezien


 

 

Is het uitzonderlijk dat de wortelkleurige een vergadering met Zelensky vloekend en tierend heeft doorgebracht? Ja, wanneer hij de machtigste man op aarde zou zijn: een terechtwijzende blik of een tikje met de voorzittershamer kan volstaan. Nee, wanneer het fenomeen vergadering tot de basis wordt teruggebracht: een uitwisseling van ideologische inzichten die tot een besluit moeten leiden.

Bij een groter aantal deelnemers moeten die inzichten allicht met enig aplomb worden gebracht voor het besluit met consultancyenthousiasme wordt aanvaard. Misschien tekent dat aplomb zelfs de setting. Persoonlijk heb ik nog nooit iemand ontmoet die graag vergadert. Dus is het denkbaar afkeer te bezweren en te overwinnen door, zoals dat heet, actief te participeren, desnoods via visibiliteit. Zoiets vertelt T. van Deel:

 

De wolk

 

Wat zijn wolken bedrijvig, ze groeien

tot kool en sterven in stralend blauw

waaruit ze altijd weer op kunnen staan.

Ze vergaderen rond toppen van bergen,

vervluchtigen boven het dal, niet vast

ligt wat ze er zeggen, ze zijn met zo

velen en hangen te wisselend samen. De

mooiste wolk is alleen in een lucht –

en een wind waait hem over de aarde.

 

Dit gedicht is opgenomen in Achter de waterval (1986) maar stond al in 1983 in het literaire tijdschrift De Revisor. Een quasi-idyllisch predigitaal tijdperk zonder beslisbomen. Zelf moet Van Deel vergaderervaring hebben opgedaan op de afdeling Neerlandistiek van de UvA, waar hij had gestudeerd en sinds 1971 gewerkt. Ze stond in de revolutiejaren bekend als een woordrijk activistisch bolwerk.

In de beeldspraak van het gedicht weet Van Deel knap de uitdrukking ‘gebakken lucht’ te vermijden. Zijn betoog oogt mild. IJverige en ernstige beweringen vervliegen door zo’n overleg uiteindelijk. Uiteraard lanceert de slotzin die relativering expliciet en daardoor absoluut, maar een typisch enjambement als ‘vast / ligt’ ondermijnt vergaderpertinenties evengoed.

Er bestaat meer poëzie over dit merkwaardige bedrijvigheidsritueel, en telkens wordt het er anders mee belicht. Eén zinnetje volstaat soms al. In het beruchte gedicht ‘Losgeld’, dat Ruth Lasters in 2022 als docent met wat leerlingen samenstelde om het verschil tussen zogeheten A- en B-stromen aan te kaarten, staat de nogal retorisch klinkende vraag:

 

En wie is nu het slimst, iemand die weet
waar de Aconcagua ligt (vraag uit De slimste mens ter wereld)
of wie het hele stroomschema kan tekenen en uitvoeren
voor een schoolkeuken, het Sportpaleis, Wetstraat-vergaderzalen?

 

De implicatie luidt dat vergaderen een serieuze hobby is van theoretisch geschoolde onnozelaars die geen schroevendraaier van een hamer kunnen onderscheiden. En omdat ze zich ophouden in een straat te Brussel waar de Belgische premier resideert, hebben ze bovendien macht en invloed. Ze doen hun ding dan ook niet in spreekwoordelijke achterkamertjes maar in heuse zalen met beamers en meer van die smarte spullen, ten dienste waarvan stroomschema’s wel het minste zijn.

Zelf maakte ik de overgang mee van papier (‘de vergaderstukken’) naar PowerPointpresentatie (‘de tabellen bij puntje 3’). Mijn brokkelige geheugen weet nog het moment en het lokaal op een eerste verdieping waar dat geschiedde. Net was een oudere collega hijgend binnengekomen die moest aansluiten bij ‘het voorstelrondje’, toen er half boven onze ogen licht begon te gonzen uit een groot scherm.

Het was een wonder en dat is het voor mij altijd gebleven. Voor dit soort bijeenkomsten zul je inderdaad topzwaar A*** geschoold moeten zijn. Allicht kan ik als man sowieso niet multitasken, maar op het moment dat er tekst voor mijn neus wordt geprojecteerd, lukt het me niet meer om te luisteren. Ik zie louter nog eigenaardigheden in stijl, grammatica en spelling. Misplaatst, de clash van ideologische inzichten vereist alle vrijgemaakte hersenruimte voor de tactiek. Vergaderen is het voortzetten van een oorlog met andere middelen.

maandag 13 oktober 2025

Altijd sukken

 

 

 

Ook wie verengelsing zou weigeren, ontkomt niet aan een correcte spelling van woorden die het Nederlands vergezellen. Of zelfs: hebben vergezeld. En daarom zelf alweer een beetje van gedaante zijn veranderd. Ik denk aan termen uit een laag register, die allicht eerder een andere taal bereiken dan jargon uit de zoveelste exacte wetenschap. Scheld- en geslachtstreekwoorden, zoals fuck. Ze kunnen dermate ingeburgerd raken dat een aanpassing kan zorgen voor een Next Generation-gevoel.

Nanne Tepper debuteerde anno 1993 met het verhaal ‘Fuck ’Em All’, in Jeroen Mettes’ N30, afgerond in 2005, duikt zo’n tien keer een geciteerd ‘fuck’ op, het debuut van Frank Keizer uit 2012 heette Dear world, fuck off, ik ga golfen.

Afgaand op Van Dale bestaat in het Nederlands sinds 2009 de term sucker. Ik ontdek dat dankzij de computer, want het was te vinden in het lemma ‘zuigen’. Daar leer ik verder dat to suck betekent: waardeloos zijn. Maar sinds wanneer? Herman Brood poneerde in 1978 dan wel ‘Dope sucks’, maar dat deed hij in slang-Amerikaans. Historisch vind ik het onbegrijpelijk interessant dat Van Dale in oktober 2012 fok in de betekenis van fuck toevoegde, en fak in april 2018.

Zijn er spreektaaldeskundigen in de zaal? Mijn vraag heb ik wel aan recente poëzie ontleend. Dit jaar verschenen er twee bijzondere boeken waar de spelling van zulke woorden een tweede fase ingaat.

maandag 6 oktober 2025

Je demarche

 

 

Waar is iedereen ineens? Dat dacht ik, gewoontegetrouw aan de Kruidtuinlaan (Boulevard du Jardin Botanique) een blik naar achteren werpend. Aan mij openbaarde zich een afzienbare massa.

Maar wacht even, we lopen hier toch voor ‘het’ klimaat? Dat zou toch iedereen aan moeten gaan? Ik zag dan wel weer schrandere leuzen (L’argent ou les gens) en een tekening van een pinguïn die het warm had, maar de stemming was beleefd, te beleefd. Dat aan het eind op de vaste trappen het ouderenkoor nog maar weer eens ‘Bella Ciao’ zong, een inmiddels herladen lied, mag toch geen herinnering zijn? Het grootste spektakel bood Greenpeace, wier onverschrokken medewerkers gigantische spandoeken boven de weg en aan bruggen toonden, terwijl ze metershoog aan kabels vastgeklonken waren en dansbewegingen maakten.

Alsof de wortelkleurige het gelijk aan zijn zijde had gekregen door wetenschappelijke consensus verdacht te maken, alsof de klok decennia terug kon worden gezet. Alsof de krant dit weekend niet had gekopt Elke 10 minuten verdwijnt in Vlaanderen een stuk groen zo groot als een padelveld. En de premier daar een paar weken eerder zijn draconische bezuinigingen had toegelicht: ‘Op de Vlaamse industrie zal ik nooit besparen’. Alsof, kortom, ‘klimaatdoel’ een term is voor een Dictionnaire des idées reçues.

Het kan toch niet zijn dat de afwezigheid van een publiciteitsmagneet als Anuna de Wever of dat interne meningsverschillen over Extinction Rebellion het zogeheten momentum voor de Klimaatmars laat wegfloepen? Dat vertrouwde solidariteitsbewegingen als 11.11.11 en Natuurpunt de hoofdmoot vormen in een optocht? Dat, echt erg, als enige politieke partijen Groen en Ecolo te zien zijn?

Hoe vaak liepen we dit parcours niet? Wekelijks, vóór corona, met hoopgevende klimaatspijbelaars (35.000 per keer), vorige maand nog met de rodelijnmeute (+100.000). Gisteren bleken we, bij een temperatuur van 13 graden, met 20 à 25.000 eenheden te zijn. Brussel is toch een wereldstad? Tezelfdertijd demonstreerden in Amsterdam meer dan 200.000 mensen voor ‘Gaza’? Of is dat op dit ogenblik het enige frame denkbaar?

Het meest ontluisterende aan de Klimaatmars vond ik wel dat de afzienbare deelnemers wit waren, net als ik (en mijn compagnons de route). Een luxehobby, voor de zogeheten elite? Misschien zijn mijn oude ogen waardeloos geworden, maar in een tocht van vijf kilometer heb ik één ‘persoon van kleur’ zien meelopen, doorkruiste er eentje de stoet op een step, met een plastic tas waaruit een stronk prei stak, en schudde er eentje aan de zijkant met een kartonnen beker in haar hand.

Zou dit de grenzen aantonen van wat zo geloofwaardig oogde aan het concept intersectionaliteit? Zijn de diverse agenda’s van onrecht minder compatibel dan het theoretisch zou kunnen?

 

In mijn branche lijken bijbehorende literatuur en opinies al weg te deemsteren. De Klimaatdichters produceerden best wat werk, steevast sympathiek maar zelden memorabel – en heden is in hun respectabele agenda voor de Klimaatmars het minste ruimte weggelegd.

Het zou interessant zijn om poëzie in tempore non suspecto te herlezen. Zo gaf René Puthaar in de bundel Het wilde kind (2012) de titel ‘Winteroffensief Afghanistan’ aan een gedicht dat algauw een eeuw ouder was. De auteur heette Leopold en deze blijkt heden volgens de KANTL niet van het niveau Herman de Coninck te zijn. Dus wat let ons om meer van Leopolds onwaarschijnlijk knappe poëzie richting klimaat te lezen?

maandag 29 september 2025

In de Maas

 

 

Misschien kwam het door een prachtige, zonoverladen treinfietstocht naar een graf dat ik ineens dacht dat de klassieke regel ‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien’ een overlijden aankondigt. Zoiets als: eerst Rome, of Napels, zien en dan sterven.

Wanneer je pedaleert, dan komt het ritme van zo’n regel makkelijker tot uitdrukking. Een heuse Hollandse vierkwartsmaat? lk ging naar Bommel om de brug te zien’. Ook uit de hitfabriek van K3 is er zo’n onafschudbare opening beschikbaar: ‘‘k Heb mijn hart verloren in de discotheek’. (De zin toont simultaan dat Nederlands geen gemakkelijke taal is om te begrijpen.)

Door die bepaling van plaats kan de overgang van de ene levensstaat in de andere geschieden. Nog eentje, uit de recente film Paradijs, waar de zestienjarige hoofdfiguur, niet te betrappen op fietsen maar wel op brommen, hobby heeft aan rappen. Wat leidt tot de mooiste regel die me sinds tijden bereikte: ‘Ik heb een speedboot in de Maas gelegd’.

Wat is rappen in het licht van de eeuwigheid? De altijd jonge Louis Th. Lehmann wist al: ‘Maak het maar, maak het maar/ maak het maar bebabbelbaar’. Op het graf dat ik bezocht was het uiteraard stil, en de Japanse esdoorn was al flink gegroeid.

donderdag 18 september 2025

Met de wereld en zichzelf!





 

Dat de ondertitel Een eigentijdse waarschuwing door de uitgever is bedacht, vind ik grappig. Want Achtung, Europa! liegt er niet om. Steeds moet ik me bedwingen om eens een keer geen parallellen te zien tussen het zo onderhand wel erg tumultueuze heden en het naziregime zoals Thomas Mann dat, vóór het uitbreken van de oorlog, in hooggestemde essays analyseert. Bovendien, ‘eigentijds’ als opzichtig bijvoeglijk naamwoord klinkt zo pompompom. Zo Duits, zo nietzscheaans.

Ik zou een omgekeerde oefening willen doen, door een fragment uit een Mann-essay dat hij niét zelf schreef als omineus-representatief te beschouwen. Het gaat om een briefje dat hij in 1936 krijgt van een Filosofiefaculteit uit Bonn. Een decaan bericht aan Mann, die buiten Duitsland verblijft, dat deze na de intrekking van zijn staatsburgerschap niet langer als eredoctor staat geregistreerd.

De rest van het essay bestaat uit Manns ampele antwoord. Hij schreef het vanuit het Küsnacht am Zürichsee, in het vanouds neutrale buurland waar zijn ballingschap, bekrachtigd door een Tsjechisch staatsburgerschap, serieuze vormen begon aan te nemen en waarvandaan hij een jaar later naar Amerika zou vertrekken. Manns aandeel is gedateerd op nieuwjaarsdag 1937, en werd samen met het Bonn-bericht door uitgever-boekhandelaar Emil Oprecht dezelfde maand naar buiten gebracht onder de fijne titel Ein Briefwechsel.

 

Heerrijder

Maar dat briefje dus. De aanhef heeft meer iets van een referte: ‘Aan de heer schrijver Thomas Mann!’ Door vermelding van het beroep en door het uitroepteken wordt de aangeschrevene, zoals dat nu heet, ontmenselijkt (gedehumaniseerd). Dus is het consequent dat de briefschrijver zelf met een onleesbare krabbel ondertekent en met zijn gehoofdletterde functie, Decaan. Er staat niet eens een adres bij, laat staan een telefoonnummer, een informatiebron die nu een voorzichtige comeback maakt. Slikken maar.

Mann, die zijn antwoord zoetsappig zou openen met ‘Zeer geachte heer decaan’, is vóór het bericht meegedeeld wordt al een type. Een culturo, zou men nu zeggen. Of: een subsidieslurper. Of nog erger, maar in lijn met wat de hele bundel tracht te repareren: een intellectueel. Arnon Grunberg toont in zijn voorwoord bij Achtung, Europa! met een Teutoonse observatie van Gottfried Benn dat de complete familie Mann als wereldvreemd en verwend gold (in zijn boek Februari 1933 gebruikte Uwe Wittstock daar de term ‘heerrijder’ voor, ‘het type dat het graag over hoge idealen heeft, maar in wezen elitair en verwaand is’) .

Dan komt de eerste van de twee zinnen die de decaan voor zijn bericht nodig heeft. ‘In overleg met de rector moet ik u meedelen…’ Mijn ongetwijfeld verhitte brein slaat aan. De verantwoordelijkheid gaat meteen naar een superieur. Diens status als wetenschapper is bij vele hedendaagse debatten echter ambivalent. Indien hij een protagonist is, zoals hier, fungeert hij als autoriteit, desnoods expliciet voorzien van zijn professorenrang. Indien zijn opvattingen niet stroken met het gewenste, dan is hij, zeker op het web waar ‘conflictondernemers’ van sociale media Silicon Valley verrijken, een hypocriete oplichter. Een nepprofessor.

Even dubbelzinnig is de op zichzelf overbodige toevoeging van het hulpwerkwoord. Doordat hij de eindverantwoordelijkheid heeft verlegd, is de decaan slechts spreekbuis. Aan de andere kant voldoet hij via dat hulpwoord geheel vrijwillig aan zijn morele plicht. Maar het blijkt in het vervolg van de zin dat de Filosofiefaculteit de agens is bij de kwestie. Een organisatie dus, en geen persoon. Zo stelt ook de wortelkleurige de zaken graag voor: Amerika wil, Amerika doet.

Dan geeft de decaan, opgehangen tussen komma’s, de aanleiding tot de handeling: de intrekking van Manns staatsburgerschap. Maar dat was hem ontnomen door de nazi’s, van wie in het briefje elk spoor ontbreekt.

 

maandag 8 september 2025

Bijna heet van de naald

 

 

Iets over de helft van het parcours, hoog boven de hoofden van de betogers, gaf een thermometer 31 graden aan. Frisjes voor Gaza, tropisch hier. Maar in het woord ‘tropisch’ klinkt voor mij vakantie en genieting. Het minste dat ik kan menen is dat het beeld van alledaags geweld, waarbij een verschil van mening in een lerarenkamer tot een steekpartij zou leiden, niet past bij deze massabijeenkomst (‘mensenzee’, nog zoiets). Of er nu 70.000 betogers zijn geweest, zoals de politie zegt, of 110.000, zoals de organisatoren – de sfeer was vredig en vrolijk. Uitgerekend in Brussel, waar het leger wordt voorbereid op straatactie tegen criminele bendes.

Dit laat onverlet dat het snikheet is. De rode kaart die onder deelnemers is verspreid om als heuse scheidsrechters aan compromisbereide politici te geven, wordt tegen beter weten in gebruikt als waaier. Mij brengt de hitte extra leesstof. Veel blote huid betekent meer tatoeagevertoon. Een wit meisje beweert op haar biceps Black coffee, black soul. Uiteindelijk krijg ik fantasieën over drank en ijs, en meen oprecht in de menigte Gianni Romme te herkennen. Maar wat moet een Nederlander in Brussel? In Den Haag kun je toch ook voor allerlei relevants de straat op?

Steeds wordt vredigheid onderbroken door jongevrouwenstemmen die rijmen en ritmeren. Rappers? Frans en Engels zijn hun dragers. De stemmen zijn zo schril dat vele ouderen hun vingers (demonstratief?) in de oren stoppen. Natuurlijk kunnen megafoons vervormen maar al bij de toespraken in het begin, vanaf een podium met geluidsinstallatie, was het gesnerp niet van de lucht. Daardoor kon ik, heel kinderachtig, mijn sympathie voor de boodschap niet steeds volhouden. Vooral wanneer het in het Frans ging en ik al extra moeite moest doen het betoog te volgen. Een betoog in verhoudingsgewijs kalm en onbegrijpelijk Arabisch was voor mij draaglijker. Klankpoëzie!

Wel geweldig om te zien dat, gesteund want herhaald door omstanders, kinderen met penetrant zuivere tonen bedreven waren in vocaal opjutten. Sommige zaten nog op de schouders van hun ouders, een ander reed onvermoeibaar op rolschaatsen. Prettig onverzettelijk ook, broodnodig tegen politici die in de Lage Landen de dienst uitmaken. Geen idee of Wilders ook bij de genocide in Gaza blijft volhouden in een ‘joods-christelijke traditie’ te staan, maar dat Bart De Wever en Matthias Diependaele, de bazen van België en Vlaanderen, overleg en debat over dit menselijk drama minder belangrijk achtten dan aanwezigheid op een Vlaamse vrije-ondernemersmanifestatie van de VOKA (‘Hoger reiken, verder kijken’) zal provocatio qua niet snel worden overtroffen.

Een interview van hun partijgenoot en defensieminister Theo Francken in De krant op Zondag, dat bij de bakker gratis op te pikken was, had sommige demonstranten allicht extra getergd. Na meer dan zestigduizend doden stelde hij aan erkenning van Palestina de eis ‘eerst moet Hamas verdwijnen en moeten alle gijzelaars vrijgelaten worden’. Francken is dan ook geen perfide moraalridder en pleit voor nuance ‘omdat het niet zwart of wit is, maar vooral vele tinten grijs.’ Ten slotte weigerde hij in alle bescheidenheid te spreken over genocide: ‘Dat is een zwaarwichtige juridische term, dus ik ga daar niet over oordelen. Vergeet niet dat het hier gaat over een volk dat zelf bijna uitgemoord was.’ Ik zou verwachten dat het laatste feit volgers van Netanyahu tot inzicht zou nopen maar dat is het dus ontstellende.

Het blijft voor mij de vraag welke tekst hiertegen werkt. Gisteren zag ik veel Engels, en was onder de indruk van het akoestische effect dat het Franse complice sorteert, zo fijn dat het siste van woede. Verder voegden zich heel wat spandoeken in de traditie van de honende vraag aan machthebbers of ze wel kunnen slapen, en waren er statements over het al dan niet gewusst haben. Op een gegeven moment liep er een oudere dame voor mij, die op haar rug een stuk karton had omgebonden: ‘Mijn slogans zijn op, doe iets aub svp’. Ik waande me even in een eigen humanitaire zone.

Ook op de terugweg, in overvolle treinen, bleef de menigte gedisciplineerd en maakte zelfs ruimte voor verdwaalde toeristen met koffers en fietsen. Ik vond de rust om na station Brussel-Noord Het vlindereffect uit mijn rugzak te halen en open te slaan, de bundel van Mahmoud Darwish. Op mijn plaats van bestemming was ik gevorderd tot een gedicht dat twee reizigers met elkaar laat spreken en dat zo eindigt:

 

‘Is de hele weg voldoende

voor de reiziger om aan te komen?’

‘Nee, maar ik zie een fabel-arend

laag boven ons vliegen.’

 

Op het perron zal het allicht nog dertig graden zijn geweest toen er toch ruzie uitbrak, toen voor de lift naar beneden een vrouw voordrong op ouders met kinderwagens. We namen voorzichtig een metalen noodtrap en beneden hoorden we een kreet die normaliter ‘ijselijk of ‘dierlijk’ wordt genoemd. Het bleek de vrouw die had voorgedrongen en die nu haar kind niet meer kon vinden.

maandag 1 september 2025

Over moraalridderschap

 

 

 

 

In een grappig stukje lijstte Ewoud Sanders woorden op, besteed aan de terugtreding van het voltallige NSC-smaldeel uit het demissionaire kabinet. Hij lichtte er één speciaal toe: ‘shitshow’. Inderdaad een bijzonder woord dat bijdetijds klinkt. Het past misschien bij de toffe mengtaal waarin Tom Lanoye zijn geactualiseerde Reynaert de vos liet denken. Tegelijk had Sanders geen begrip voor het vertrek. Hij vond het onverantwoord, en ventileerde een hoger bezwaar dat hij op zijn beurt vatte in één woord voor de betrokken politici: ‘moraalridders’. Waar komt dat vandaan?

Ik hoor een tweeledig begrip. Een moraal-ridder combineert een fenomeen met een beroep. Zoals bet-weter, zeden-meester en zeden-preker. Of vanuit het Duits: de prinzipien-reiter. Bij alle vier bestaan voor hun activiteiten substantieven, en bij de eerste drie zelfs werkwoorden. Ze zijn best bekende verschijningen in Nederland, dat in zijn protestantse gedaante al te goed zou weten hoe anderen zich behoren te gedragen. Grote waardering is er niet voor hen weggelegd. Literair wordt meesmuilend gedaan over domineespoëzie, desgewenst uit te breiden naar de branche van school- annex bovenmeester, wier verheven geesten netto aan de beperkte kant schijnen. Vestdijk zou nog de even tweeledige term ‘fatsoensrakker’ bedenken.

 

Uithangen

Heerst hier simpele zelfhaat tegen hardnekkige vooroordelen? Een oppositie in een samenhangend aantal steekwoorden weerlegt een veronderstelde landsaard, die evengoed van veraf kan zijn gediagnosticeerd. Niemand minder dan antropoloog Ruth Benedict bleek al getroffen door ‘het morele gelijk’ in Holland. Te simpel en dichotomisch voor een wereld die alleen maar complexer wordt. En mocht het nu lijken dat Sanders aanhaakt bij een ver verleden, dan moet ik me meteen corrigeren. Een fameuze hekelfiguur in recente opinistiek, evenzeer aan het Duits ontleend maar nog zonder substantief of werkwoord, blijkt de gutmensch. Hij is voor het eerst gesignaleerd in 2015.

Met laatstgenoemde term wordt duidelijk dat taal weer eens politieke verschuivingen toont. Het bezwaar tegen dominees, schoolmeesters en aanverwanten luidde dat ze conservatief waren. Hun macht belemmerde bovendien morele veranderingen. In het roemruchte protestdecennium van de jaren zestig, bijvoorbeeld, kan ‘regent’ een gedaante zijn waarin links zulke stagnatie ontwaarde. Inmiddels zou ‘de elite’ in een linkse kerk schuilgaan. De gutmensch past in het jij-bakschema dat in de Bijbel op Farizeeërs lag: hij is feitelijk hypocriet. Net als projecties die snibbig aangeduid worden in woorden beginnend met ‘deug-’ (behalve de klassieke ‘deugniet’, vertikkeme toch, door Lanoye al geïdentificeerd met Disney-pop en Plopsa-flop). Ze zwaaien de scepter in ‘de woke-dictatuur’. Even snerend afgewezen wordt hun state of mind die dan ‘politiek correct’ heet, eventueel afgekort tot ‘poco’ en vergezeld van het blijkbaar zelfstandig handelend naamwoord ‘de policor’.

Ik deed een proefje, door ‘moraalridder’ als zoekterm in te geven op het weblog van de polemische Vlaams nationalist Johan Sanctorum bij wie ontmaskering en deconfiture een hobby lijken – en zie, van begin af treffers. Ook vond ik het pejoratief terug in debatten over het cordon sanitaire. Door de agora van publieke meningsverschillen te sluiten voor Vlaams Blokkers zou de moraalridder zich verheven weten boven mensen die hij niet eens spreekt, al is zijn basis moraliteit. Interessant is ook het werkwoord dat hieraan vasthangt: ‘uithangen’. Het klinkt goedkoop en treurig. En bovenal vals, want wie de moraalridder uithangt lijkt in laatste instantie een slecht acteur. Of heeft deze figuur geen oog voor de echte wereld?

zondag 24 augustus 2025

De Helhond sliep

 

 

Met verhevigde concentratie zaai en wied ik in De appelmoestuin. Het wordt mijn pretentieuste boek tot nu toe. Niet zozeer omdat het een nieuwig type essays wil brengen, als wel omdat ze in eerste instantie zijn bedoeld voor jongeren. Meer dan ooit weeg ik woorden. Er bestaat immers zoiets als toegankelijkheid, registerdrift en bukken versus hurken versus op de rug gaan liggen.

Tegelijk heb ik zoals altijd maar een flauw idee van wat ik eigenlijk beweer. Henri Michaux liet recent bij monde van vertaler Rokus Hofstede weten:

 

Communiceren? Jij wilt ook al communiceren? Wat wil je dan communiceren? Je opvulsels? Altijd weer dezelfde vergissing. Jullie wederzijdse opvulsels?

Je bent nog niet intiem genoeg met jezelf, ongelukkige, om iets te communiceren te hebben.

 

Al tijdens mijn vooralsnog niet spectaculair lange leven is ‘communiceren’ van betekenis en gebruik veranderd. Aan het begin van de eeuw beschreef ik hoe en waar dit werkwoord overgankelijk werd. Om vooral maar overdrachtelijk te zijn, waar dit citaat uit Hoekpijlers zich tegen kant. Dit ging in het Nederlands gepaard met het geweld van het voorzetsel ‘naar’. Wat mij betreft wordt het samen met ‘rond’ genomineerd voor de afgrond. Kijk nou, ik beweer iets en het rijmt nog ook! Laat ik niet vrezen aan De appelmoestuin onvoldoende morele en poëtische stoelgang te verlenen. Het ontbreken van een heldere boodschap is politiek, maakt ruimte om voor jongeren taal op maat te serveren. Zonder maat.

Onder registers vertoef ik het langst. Wanneer ik jongerentaal uitprobeer, zou het boek krampachtig worden. Al was het omdat mijn oren uit prille generaties soms wat opvangen over ‘beste ooit’ dat aan de overzijde van de oceaan evengoed, met de nuance van zijn leeftijd als ‘maybe ever’, door een stokoude wortelkleurige wordt gebezigd. Sowieso ben ik als levenslange lezer geïmpregneerd met uitdrukkingen voor een doelpubliek dat ik nu probeer te bereiken. Ook van televisie zal het nodige in mijn lichaam opgeslagen zijn. De brave ondeugendheid van Swiebertje over de luimigheid bij Pipo de Clown (incl. Klukkluks ongemakkelijk stemmende gebabbel à la ‘Mij hebben wel de landkaart, maar de weg zijn propvol gevarens’) naar het ‘Asjemenou’ van Loeki de Leeuw. Zou iemand dat nog zeggen? Zonder er meer dan één laag ironie af te moeten krabben?

Toch ben ik niet per definitie tegen gedateerde taal, vandaar ook dat eindeloze wegen. Mijn eigen leescarrière steunt deze noodzaak elk woord in behandeling te nemen. Bij de boeken van J.B. Schuil had ik als lagere scholier niet in de smiezen dat woorden (‘vossen’) in onbruik geraakt waren, bij het werk van Gerard Reve – dat op het middelbaar aan mij voorging – was me dat als student op de universiteit juist ingeprent.

Ten slotte is er de lopende receptie. Een cryptogram herintroduceerde in mijn woordenschat het begrip ‘marva’. Nazicht leert dat het met hoofdletters moet worden gespeld en in 2017 is afgeschaft; deze vakterm klonk in mijn ouderlijk huis geregeld. Dus vermoed ik dat jargon ook voor jongeren toegankelijk kan zijn, zonder het statuut van schrijftaal verworven te hoeven hebben.

Op mijn bureau liggen onder meer de recentste twee bundels van Miguel Declercq. De nieuwste uit 2024 heet De weeromstuit, een titel die me registerdriftig slingert naar tijden waar ik louter óver heb gelezen. Toen men ook ‘warempel’ zei. En ‘waarachtig’ – als uitroep en niet als adjectief. Van Dale wrijft me in dat ik bluf. Ik ken Declercqs woord louter in de uitdrukking ‘van de weeromstuit’, maar het blijkt ook zelfstandig te bestaan, in de tricolonisch klinkende betekenissen: weerstuit, terugstuit, reactie.

Het openingsgedicht van de bundel heet ‘Boven water’. Laat dat nu tevens de titel zijn van zijn voorlaatste bundel uit 2012, meer dan een decennium voordien, toen het voormalige, tot nieuwe Hugo Claus gebombardeerde wonderkind bijna even lang gezwegen had. En waratje, parbleu, in Boven water staat een gedicht ‘De weeromstuit’. Ik citeer het integraal:

zondag 17 augustus 2025

Lovely

 

 

 

James Worthy begroot de leestijd van zijn rouwboekje Liverpool op anderhalf uur, de duur van een voetbalwedstrijd! Een echte held lijkt Virgil, die Worthy’s doodzieke vader een hart onder de riem steekt met een filmpje.

 

Naar de kathedraal van York lopen Tibetaanse monniken, van wie er eentje crocs draagt. Allen smartphones in de hand. Aan de zijkant laat bijna heel mijn team zich fotograferen op een bank naast een broodetende Beertje Paddington. Verderop drink ik koffie op de ongetwijfeld authentieke Shambles-markt en mept een jongen uit een Russisch ogend gezin met een fles op de fietstas van de gourmande waar een insect vertoeft. Even later een authentiek Engels ogend gezin dat ook stuk voor stuk drank bij zich heeft, in blikjes. De jongste krijst wanneer het op de top van zijn wijsvinger een wesp wil wegslaan.

 

We proberen een nette campingplek voor ‘members only’ waar vele campers staan maar krijgen geen contact op het telefoonnummer. Een technicus loopt van de poort naar de parkeerplaats en zegt dat hij absolutely nothing to do heeft met deze onderneming. Ze was tot vorig jaar gewoon open, zegt een vriendelijke kampeerder die het privénummer van de eigenaar belt en het oprecht onbegrijpelijk blijft vinden dat we niet worden toegelaten.

Dit wordt een constante: alleen vaste gasten en geen tenten. Caravan Parks waarvan niets rest dan een vermolmd hek voor hoog opgeschoten gras. Langs de wegen groene stroken met het bord No overnight camping. Eén pleisterplaats beweerde grasloos te zijn, waarna we hen confronteerden met hun websitefoto’s en hoorden dat dit gras ‘not suitable for tents’ was.

Het klopt dat honden er meer rechten hebben (‘Please scoop the poop’), maar ik voel de geest van Farage. Te achterdochtig allicht en aangepord door reclames. Dat de cider van Engelse appels is gemaakt, de melk van Engelse koeien, dat er aparte komkommers zijn voor de EU… Op pubs heet voedsel ‘homemade’ en valt ‘the taste of home’ te ervaren.

 

Plichtbewust stel ik de douche af op ‘eco’ maar na een halve minuut zwicht ik voor ‘high’ en krijg het alsnog warm.

 

Na een tongpiesende pastry hernemen we de weg, die volgens een bord een stijgingspercentage van 16% heeft. Eerst probeer ik te fietsen op het kleinste verzet en zigzag over de hele breedte. Ik stap af en duw mijn zwaarbeladen ros minutenlang. Verderop treffen we opnieuw waarschuwingsborden met percentages, nu voor de afdaling. Fietsers wordt expliciet gemaand de remmen te controleren.

Op de camping zegt men net niet grinnikend dat men ons al had gezien. Een gemeenschap die per auto naar de wc rijdt. Ik ben daar gegrepen door de gietijzeren stortbak boven me, inclusief ketting om aan te trekken. De beheerster Angel komt en rekent het duurste tot nu toe, tien pond meer dan de elektra afnemende mobilhomers die vertelden dat het hier sober maar net was. Ze posteert zich vlak onder de Engelse vlag, aan de mast waarvan ik een waslijn had bevestigd en waarbij schilfers zich losmaakten.

Omdat we niet cash betalen komt ze de volgende ochtend terug met een machientje en geeft ons 5 pond korting. Toen hadden we al ontdekt dat de idyllische foto’s op de website niet van deze plaats stamden.

 

Natuurbeschrijvingen zijn nooit populair geweest en ik kan me indenken dat ze als eerste sneuvelen bij bewerkingen, maar het taalkundig genie geniet met extra volle teugen van het landschap omdat dat er precies bij zou liggen zoals romans het hadden uitgeschilderd. Wanneer ik haar een week later, zuidelijker, The Tenant of Wildfell Hall schenk, ziet ze ook die beschrijvingen terug.

Zelf verblijf ik aangenaam in Jane Gardams verliteratuurde De dochter van Crusoe: ‘Ik hou van het moeras en van Oversands en ik weet dat ik in een heel boeiend landschap woon, zoals de gezusters Brontë. Maar ik heb zo mijn vragen over de gezusters Brontë. Ik vraag me af of het ooit de bedoeling is geweest dat mensen helemaal met een landschap vergroeien. Ik ben tenslotte helemaal niet mystiek, ik wil niet eens het Vormsel ontvangen. Weet u, toen Robinson Crusoe met een landschap werd verbonden viel het hem moeilijk zijn verstand te bewaren. Ik word in een landschap opgelost en mijn enige hoop is dat er iemand komt die met me trouwt om alles compleet te maken en mij daar weg te halen.

 

In de stad Preston serveert het restaurant Yum Yum pizza’s.

 

Stopwoordje in Dylan van Rijsbergens De net-niet elite: ‘bijvoorbeeld’. Dat zou ik moeten bewijzen, maar er zijn veel treffers! Bijvoorbeeld over een succesvol zelfhulpboek uit 2014: ‘Business Model You is expliciet gericht op professionals (‘beroepslevenskunstenaars’). Het staat bol van voorbeelden van mensen met uiteenlopende functies en loopbanen, maar daartussen vind je bijvoorbeeld geen havenwerker, supermarktcaissière of frietverkoper.’

 

Het goedkope appartement dat we in Liverpool kunnen huren ligt aan de rand, op hooguit honderd meters van slapende junks. Het zit in een splinternieuwe luxe flat en de sleutels moeten we uit een kluisje halen aan een hek rond nog zo’n te bouwen kolos. De code werkt niet. Tot de gourmande ontdekt dat er aan het hek een tweede kluisje hangt. We zijn te vroeg en mogen onze fietsen al parkeren in een onberispelijke berging – de recentste campinghoudster had ons gewaarschuwd voor diefstallen en vernielingen in de grote stad. Wanneer we uren later terugkomen, staat de deur van de berging open! Er komt een jongen uit, met een grote tas achterop van Über.

 

Geweldig Beatles-museum dat wil meedelen. Nu kan ik obscure krantenartikeltjes lezen, evengoed in het Nederlands. Dat George het meeste haar heeft (‘Ik zou liever gelyncht worden dan mijn voorhoofd laten zien’), dat Ringo zwijgt wanneer er veel mensen om hem heen zijn (‘Hij is de enige Beatle die niet op een middelbare school is geweest’). Daarnaast hoeft niemand me te vertellen dat Paul als enige bij het ontbijt koffie neemt en dat John zich eens bij een hotel registreerde onder de nationaliteit ‘catholic’.

Wat hebben die mannen hard gewerkt. Like a dog dus. Maf om uit De net-niet elite te begrijpen dat volgens David Graeber John in het begin een uitkering kreeg en benutte als ontwikkelingssubsidie.

In de pub worden we aangesproken door een bejaard dwergdametje in oranje. Ze vraagt of wij haar niet herkennen, want heeft 22 miljoen volgers op TikTok. Dan roept ze: ‘I’m a staaaaaaar’.