woensdag 29 september 2021

Oversteektaal

 


 

 

Onlangs zei Marjolijn van Heemstra in De Standaard Magazine: ‘Ik merk om me heen dat iedereen weer gestresseerd is.’ Een opmerkelijke zin voor een Nederlandse. Of is in mijn geboorteland het werkwoord stresseren inmiddels ingeburgerd? Dat kan, maar ik heb het de afgelopen twintig jaar toch wel erg vaak louter in België gehoord.

Mijn vermoeden is dat interviewster Jozefien Van Beek, uit België, bewoordingen heeft samengevat en even vergat dat ze met de directe rede werkte. In dat geval zou Van Heemstra zoiets hebben gezegd dat om haar heen ‘iedereen weer vol stress zit’ of dat ‘iedereen weer gestrest is’.

Meer dan een vermoeden is dat uiteraard niet. Ik kan me evengoed indenken dat Van Heemstra een poging tot beleefd tegemoetkomen deed, door taal van haar Zuid-Nederlandse gesprekspartner te gebruiken. Dat hoor ik menige Noord-Nederlander hier doen, meer of minder virtuoos. Vaak erger ik me dan, omdat het zelden naturel klinkt.

Zelf maak ik me soms ook schuldig aan zulke halfhartige pogingen mee te spreken. Ik vrees sowieso de afgelopen decennia van toon te zijn veranderd. Zoals ik Belgen die de omgekeerde beweging op de kaart maakten hoor kampen met een hardere g en zo.

Waaraan erger ik me dan precies? Weer valt slechts een vermoeden uit te spreken. Ik denk dat de buitenkantelijkheden van die taal me te opzichtig zijn. Of behagend en gemakzuchtig. Mede uit de wetenschap dat voor Jan Hanlo zijn gedicht ‘Ontboezeming in het Antwerps’ een bron van zorg en studie bleef. Waarover hij zijn correspondenten bleef lastigvallen. Per brief.

Dit was natuurlijk lang voordat dankzij internet zulke problemen veel sneller op te lossen zijn. Ook is het Antwerps, hoe standaardtalig het door radio en televisie moge lijken, een dialect (Brabants), terwijl de oversteektaal die ik bedoel grotere regio’s bestrijkt die, meer of minder bewust, een koloniale strijd voeren. Uitzoomen is nog niet zo makkelijk.

Momenteel lees ik onder meer de roman Levenshonger van Marie Kessels, geschreven vanuit een Poolse die in het Nederlandse vleesverwerkende bedrijf PerfektKost de kost verdient. Daar werken veel Polen, en ene Julien die met ‘een stem als een beierende klok’ graag met iedereen babbelt en klinkers laat gonzen en medeklinkers rollen, totdat iemand ‘hem om leuk te doen aan[sprak] met “onze Belg”, omdat hij kennelijk met een accent praat’.

donderdag 23 september 2021

Onder geen voorwendsel

 

 

 

Soms wachten notities op een aanleiding. Nu een mediafiguur, om hem moverende redenen, de term Holocaust tussen aanhalingstekens plaatst, duik ik in mijn archief. Terug naar de bron.

In Ewoud Kiefts mooie studie Het verboden boek. Mein Kampf en de aantrekkingskracht van het nazisme was me een woord opgevallen ‘waar nog wat over moest worden uitgezocht’. Aangezien ik mijn persoonlijk voorzitter, secretaris, penningmeester, bestuur en adviesraad ben, vrees ik die klus alsnog zelf te moeten klaren.

Welnu, vrij in het begin citeert Kieft uit de Nederlandse vertaling van Hitlers beruchte boek, dat opende met jeugdherinneringen:

 

‘Toen ik nog een jonge wildebras was, had mij niets zo dwars gezeten als het feit, dat ik nu juist in een tijd was geboren, waarin kennelijk enkel nog voor grootgrutters of rijksambtenaren monumenten werden opgericht. De golven van de historische gebeurtenissen schenen al zo tot kalmte te zijn gekomen, dat het wel leek, alsof de gehele toekomst werkelijk niets anders meer bood dan die befaamde „vreedzame competitie der volkeren”, wat dus wou zeggen een eeuwigdurende kalme, bezadigde, wederkerige begapperij, waarbij het alleen tot de spelregels behoorde, om zich onder geen voorwendsel met geweld te verdedigen. De staten begonnen steeds meer te gelijken op ondernemers, die elkaar wederzijds het gras voor de voeten wegmaaiden, elkaar de klanten en de opdrachten afsnoepten, en trachtten, zich op alle manieren ten koste van de anderen te bevoordelen, en dat alles dan begeleid door een even luid als onbetekenend geschreeuw.’

 

Grappig vond ik het te ervaren dat de spellingscontrole van mijn tekstverwerkingsprogramma op deze zinnen dezelfde reflex vertoonde. Het zette bij het copypasten (mijn hyperlink hierboven werkt inmiddels niet meer) van het citaat precies onder dat ene woord een rood slangetje: begapperij.

Wat had vertaler Steven Barends hier gedaan? Ik isoleerde het zinnetje waarin het woord staat uit het Duitse origineel (nog wel muisklikbaar): ‘Die Wogen der geschichtlichen Ereignisse schienen sich schon so gelegt zu haben, daß wirklich nur dem "friedlichen Wettbewerb der Völker", das heißt also einer geruhsamen gegenseitigen Begaunerung unter Ausschaltung gewaltsamer Methoden der Abwehr, die Zukunft zu gehören schien.’

Toen ik de spellingscontroleur op Duits instelde bleek er, naast uiteraard het ouderwetse daß, weer exact één woord rijp voor een rood slangetje: Begaunerung.

Tot zover, bijna. Mijn stelling was dat Barends een neologisme van Hitler had beantwoord met een neologisme. Verder had ik minimale opmerkingen bij Kiefts boek in het algemeen.

woensdag 15 september 2021

zeker geen DOCH uitspreken

 

  

 

Ingeleid door Louis Paul Boon en, tenzij ik me vergis, met waardering van Robberechts en Vogelaar – dit voorrecht kende Jozef Vantorres debuut de kavijaks uit 1973. De flap berichtte dat hij een arbeider uit Zeebrugge was, 41 jaar, afkomstig uit een straatarm gezin van dertien kinderen. In de lopende tekst waren hun bijnamen op te vissen: de peine, de poze, de woste, de bille, de miete, de bylle, de boeda, de beer, de piften, de rosten, de nete, de baron en toetie.

Al die onderkasten smeken om cursiveringen, om in lange alinea’s en passages tussen haakjes basaal overzicht te forceren. Des te meer valt op dat voor een van de kinderen de verteller ook de naam Jenny heeft – of een toespeling? Zij blijkt misbruikt door de vader, die in het boek consequent de generaal heet. En dan is er nog de moeder en allen wonen onder één gammel dak vlak bij zee.

Feitelijk bevat de kavijaks drie uit de kluiten gewassen novelles met dezelfde personages. Aan het slot van de laatste, ‘Daisy’, presenteert Jozef Vantorre zich onder eigen naam, na een boek lang de piften te zijn geweest. Vergelijk dat eens met een recent opgewarmd autonomistisch statement dat je de auteur niet mag verwarren met de personages! Wel komt dit slotdeel op mij kitscherig over, en wijkt het af van wat de achterflap hooghartig een ‘in primitieve stijl geschreven autobiografie’ noemt.

Het gezin blijkt namelijk bewuste, bovengemiddelde taalgebruikers te herbergen wier spreken dergelijke schrijftaal aanricht. Bij sommige termen wordt dan ook gemeld: ‘wij zeggen’. En bij een andere term klinkt de verontschuldiging dat het ‘een heel lang woord’ is, alsof dat moeilijker is. Zo ontstaat een waterscheiding tussen ‘algemeen Beschaafd Nederlands’ en kaviaktaal (ritssluiting versus tirette, franks versus tiesten). Het bedroeft de piften dat een broer in technische zaken altijd Franse woorden gebruikt, dus bougie ipv ontstekingskaars.

Zo wordt de duistere mededeling helderder, waarom dingen ‘kavijaksgezind’ kunnen zijn. Hoewel ik bij dit gezin in eerste instantie moest denken aan de familie Flodder, bleek dat verband onhoudbaar. Niet alleen omdat bij Vantorre geen eer te behalen valt voor stedelingen, maar vooral omdat taal voor de kavijakkers bepalender is, scheppender.

Bij dat vruchtbare gebabbel mag niet worden vergeten dat sommigen auteur zijn. De familie houdt een logboek, waaraan de nete een hilarisch gedicht bijdraagt, de beer zonder een blad voor de mond te nemen een opstel over zijn baantje in de bouw levert, terwijl de piften over hetzelfde onderwerp langer en melancholieker bericht (en daar het verheven nimfje Daisy introduceert dat het slotdeel zal kleuren).

Tijdens de oorlog, die het grote middenstuk van de kavijaks beslaat, werpt de beer zich op als genius van een bewogen brief die van een ‘dankbare moeder in nood’ is. Daarmee trekken de kinderen langs boeren om gratis voedsel te bemachtigen; de woste kan die tekst zo bewogen brengen, dat haar ‘de Nobelprijs voor briefvoordracht’ mag worden toegekend. Het is ook de beer die met gevoel voor registers het familiegesnaai in kostbaar Duits oorlogsmaterieel alvast even commercialiseert in het logboek: ‘Voor het onschadelijk maken van munitie, wend [oeps] u tot de gespecialiseerde ontmijningsbrigade, von kavijaks, kwaliteitsuitvoering’.

Wanneer de successen in deze sluwe toe-eigening groeien, schrijft de pas zesjarige toetie een Zeedrifterslied dat euforisch is en gekruist rijm laat zien. Het WNT biedt uitkomst voor die zelfdefinitie. Natuurlijk! De zee laat haar emoties zien, die toetie verklaart: ‘Alles kwam lijk door god gezonden’. Zeedrifters zijn bekender onder de naam strandjutters. Voor hen alleen daden? Bij Vantorre niet dus. Daden schieten sowieso tekort voor ‘een echte kavijakker’ bij de instandhouding van een gemeenschap, die zich beperkt tot het gezin.

Grappig vind ik dat het daarin bevestigd wordt door taal van derden. De buitenwereld spreekt van bijhaalders, slokkers, kapers. Virtuoos of genuanceerd klinkt dat niet. Er is toelichting nodig, een docerend vertalen. De verteller ziet het gezin ‘als een abstract schilderij, iets dat door buitenstaanders moeilijk te begrijpen is, of verkeerd begrepen wordt’. Dus hebben de kavijakkers dan wel kennis van een oeroude wet van strandjutters (Wie het eerst zijn hand op de buit kan leggen, heeft ze), bij het handelen hebben ze een morele code die veelvoudiger is en die individu tegenover de gemeenschap definieert:

donderdag 9 september 2021

You don't know

 

Hoe troost ik de gourmande die heeft gehoord dat, ver weg, haar lievelingshondje gestorven is? Dat het toch maar vijftieneneenhalf jaar is geworden, superoud voor deze diersoort? Dat haar bazin, die het nooit meer ’s ochtends zal horen snurken, mogelijk nog meer verdriet heeft? Ik heb nooit erg van relativeringen gehouden, en eindelijk weet ik waarom.

Terwijl de gourmande snikkend zoekt naar foto’s van de paar ontmoetingen die ze met het hondje had, betrap ik mezelf op een onhandig soort liefde: trots dat ze zo verdrietig is om een levend wezen. Ik vertaal dat snel als een initiatie in het grotebozeleven – de blues ervan, wanneer het tegenzit met een dierbare ander.

Dan wil ik de gourmande een liedje laten horen. Maar in welke versie? Mijn iPod blijkt er zeventien te herbergen. Door Chet Baker, Boz Scaggs, Billie Holiday, Chrissie Hynde, Nina Simone, Cassandra Wilson, Elvis Costello, John Martyn, Sting, Marvin Gaye en Rachelle Ferrell, plus instrumentale uitvoeringen door John Coltrane, Sonny Rollins, Lucky Thompson, Misha Mengelberg, Miles Davis en Eric Dolphy.

En da’s nog maar een fractie van de covers waarin het liedje voortleeft en kennelijk appelleert aan vertolking én beluistering. Het valt dan ook met de deur in huis:

 

You don't know what love is
Until you've learned the meaning of the blues
Until you've loved a love you've had to lose
You don't know what love is

 

Een universele waarheid, die bijvoorbeeld ook in onderwijs en wetenschap zit. Leren met vallen en opstaan, trial and error. Op de middelbare school maakten bij Engels twee regels zo’n indruk, op een paar A4-tjes die literatuur van deze taal wilden promoten. Ze beweerden dat je beter kon liefhebben en verliezen dan nooit liefhebben. In mijn herinnering waren ze van een meneer die Pope heette, maar de dader was Tennyson.

Stabieler is mijn kennis dat er van ‘You don’t know what love is’ een Nederlandstalige versie bestaat. Cherry, de geweldige dame uit Suriname, bracht dat kunststukje op haar elpee Als Je Dat Maar Weet (1984). Opmerkelijk is dat de aanpassingen aan de tekst, noodzakelijk om rijm en ritme te bewaren, heel wat verder strekken:

 

Je weet niets van liefde

Omdat je steeds voorbij gaat aan het verdriet

Het lijkt wel of je steeds het mooiste weggooit

Je weet niet wat lief is

 

In het Engelse origineel is ‘you’, dacht ik althans, een ‘men’. Het spreekt in algemene termen over de liefde, en naar een ‘I’ is het vergeefs zoeken. Zo wordt het lied een overpeinzing achteraf. Bij Cherry Wijdenbosch is de ‘je’ echter een welbepaalde persoon, die tegenover een welbepaalde ‘ik’ staat. De verhoudingen zijn al een tijd gespannen. Cherry’s versie heeft de vorm van een beschuldiging.

Het gaat hier eerder dus om een herschrijving dan om een vertaling. Is dat erg? Momenteel blijkt er in het parallelle universum van sociale media een debat te woeden, waarin die vraag een bijrol speelt. Aanleiding is een NRC-recensie, waarin Quinsy Gario de eindelijk verschenen vertaling van Amanda Gormans inauguratiegedicht tegen het licht houdt. De meningen richten zich vooral op het inhuren, los van de boekenbijlage, van een activist die unverfroren politieke uitspraken doet (een verademing, wat mij betreft, stijl en reductie neem ik dan voor lief).

Mij trof in Gario’s statement dat vertaalster Zaïre Krieger een correctie blijkt te plegen op Gormans nationalisme. Hij signaleert het, alsof herschrijving de normaalste zaak van de wereld is. Ik weet niet of hier meespeelt dat recensent en vertaler ideologisch verwant lijken, maar bij het vele interessante dat Gario in een kort bestek ter discussie stelt, is de rechtmatigheid van een herschrijving voor hem geen overwegen waard.

Dat lijkt me een even interessant als revolutionair standpunt. Wanneer ik het terug toe kan passen op muziek, dan doemt Frank Zappa’s Beatles-medley op. In dat coverreeksje is de muziek identiek, maar worden de teksten van Lennon en McCartney rigoureus veranderd. Zoals alleen deze satiricus-componist kon. Zappa jamde met The Mothers of Invention nota bene ooit met Lennon, vlak nadat deze The Beatles verlaten had. Bij die gelegenheid was Yoko Ono permanent door de liedjes heen aan het krijsen. Een vorm van ontwijding, die misschien wel constructief is.

En nu dan: waf lieve Eddie, verschrikkelijk dat het voorbij is en bedankt voor het geluk dat je hebt gebracht.

donderdag 2 september 2021

Zoals overal

 

Hoe als tekstverantwoordelijke zich te verhouden tot het beschrevene?

Jan-Hendrik Bakker kiest in zijn boek Nabijheid (2020) voor het niet-noemen. Bijvoorbeeld door generaties te beschouwen vanuit de werkelijkheid dat ze genetisch telkens voor de helft nieuwe DNA-loten krijgen, en dat er ondergeschoven kindjes zijn en kinderen uit tweede en derde huwelijken: ‘Zo bezien is bloedverwantschap over de eeuwen getekend eerder een geval van eindeloze verdunning dan van een onverbrekelijke bloedband.’

Niet genoemd en bekritiseerd is hier dus politicus-provocateur Thierry Baudet. Ook bespreekt Bakker diens begrip oikofobie dat hij, min of meer terecht, toeschrijft aan Roger Scuton. Of zoiets werkt, is een tweede. De op zichzelf al merkwaardig samengestelde aanhang van Forum voor Democratie is misschien veeleer een geloofs- dan een lezersgemeenschap.

Bakker vraagt zich overigens af of het woord ‘gezindte’ nog wordt gebruikt. Ik denk het niet, sinds de secularisering en postideologie ook tot gevolg hadden dat er kon gesmaald op ‘de linkse kerk’.

Het gaat te ver te beweren dat Jonathan Haidt zoiets doet in The Righteous Mind (2012). Maar hij rekent progressieven in Amerika wel een gebrek aan empathie aan met andersdenkenden die te makkelijk als geborneerd, provinciaal en onslim gelden identificatietalent van rechts met links vormt een minder prominente lijn door deze polemische studie.

Haidts hoofdstuk 4 heet ‘Vote For Me (Here’s Why)’. Ik zocht de precieze titel even na, toen ik in de Nederlandse vertaling uit 2021 dat hoofdstuk had opengeslagen. Er leek in de bemiddelingsarbeid toen namelijk iets gebeurd dat ik recent ook, zoals op deze blog verslagen, bij Houellebecq en bij Rushdie had aangetroffen: de inside joke, waarbij de tekst zich opricht voor een rechtstreekse verhouding tot lezers.

Smokkelden de literaire vertalers Nederlandse liedjes in het origineel, bij Haidt spreekt er even een vaderlands televisiepersonage mee. Karl van Klaveren en Indra Nathoe, een duo dat aan dezelfde uitgeverij onder meer Filosofie in een tijd van Big Data had gebracht en Kirkpatricks biografie van Simone de Beauvoir, plaatsen hun knipoog tussen haakjes. Hun hoofdstuk 4 heet: ‘Stem op mij (en wel hierom)’.

Natuurlijk hoort een plusvijftiger dan Cor van der Laak oreren, het personage van Koot en Bie dat als krities AVRO-lid zijn eigen wereld schept tegen de wereld. Onwillekeurig doet hij me denken aan Renaat Braem, wiens markante memoires Het schoonste land ter wereld ik onlangs doornam. Die parallel is raar, omdat de betrokken gemeenschapsarchitect veel heeft gerealiseerd en naast kritiek zeker ook erkenning kreeg. Van der Laak kreeg niets van de grond en teerde uitsluitend op ergernis.

Dat ik hem toch in verband breng met de architect komt, ideologisch, door het decor van gezindten. Maar de aanleiding voor de parallel ligt in het hoogtepunt van Braems memoires: het nawoord, het prettigste Nederlandse proza dat ik in tijden heb gelezen. Daar borstelt ‘de echtgenote’, dan ruimschoots de zeventig gepasseerd, een portret van haar man dat hilarisch nuchter is en hem tegelijk in zijn waarde laat. Van der Laaks vrouw Cock van der Kraats doet dat op haar manier ook. Ze laat Cor lullen tot-ie een ons weegt en gaat vervolgens haar eigen gang – net als hij.

maandag 23 augustus 2021

Inzicht en uitval

 

Bang dat als bevoorrecht man mijn privilege bestaat uit onwetendheid, ploeg ik soms door boeken. Zoals door Robin DiAngelo’s Witte gevoeligheid. Waarom het voor witte mensen zo moeilijk is om het over racisme te hebben. Ik wantrouw de gestaagheid waarmee ik door die tekst ga even hard als mijn repetitieve reactietje ‘had ik al vaker gelezen’.

Hopelijk reageer ik dan als taalmaniak, aangezien DiAngelo, een Amerikaanse die twintig jaar werkte als diversiteitstrainer, zich wel erg gul bedient van jargon als ‘construct’, ‘zich identificeren als’ en ‘problematisch’. In de hoedanigheid van bevleesd en bezield mens hoop ik immers soortgenoten niet te schaden. Denkelijk was het een gunstig teken dat ik in Witte gevoeligheid opkikkerde bij citaten van James Baldwin, of zelfs maar één zinnetje van Ta-Nehisi Coates (‘Ras is het kind van racisme, niet de vader’).

Ergens tussen de taalmaniak en de bevleesde en bezielde mens zit de redacteursfiguur, wie het opvalt dat DiAngelo per hoofdstuk niet alleen hetzelfde verhaal brengt maar soms ook statistisch materiaal herhaalt. Percentages hebben natuurlijk iets onverbiddelijks. Helemaal tegen hardnekkig ongeloof, dat dit boek weerleggen wil. Ook als goedbedoelende, zich informerende en progressief wanende witte man kan ik een – aversief – racist zijn.

Ongeloof, gebutste zelfperceptie dus, manifesteert zich in ontkenningen. Notoir is het doorverwijzen naar personen in de nabijheid die het tegenovergestelde zouden bewijzen. Door de hoogspanning van gevoelige thema’s, waarbij het doelwoord ‘inclusief’ velen uitsluitend diarree bezorgt, gebeurt dat geregeld. Zo schreef in een filippica tegen genderongelijkheid Eva Meijer hilarisch: ‘Ik weet dat niet alle hetero’s hetzelfde zijn. Ik heb zelfs vrienden die hetero zijn.’

Meestal is een racist per definitie gewoon de ander, ook onder de welwillendste mensen die pal staan om onrecht uit de wereld te helpen. Bijvoorbeeld, beschrijft DiAngelo op een manier die in de zondagskrant fijntjes wordt genoemd, door in hun bedrijf workshops te organiseren tégen racisme en vóór meer diversiteit. Ze beginnen altijd prima, vertelt ze, omdat haar inleidende woorden van een presentatie abstract zijn. Vervolgens houdt DiAngelo een uitspraak of voorval uit het bedrijf tegen het licht.

Bij die workshops blijken uitgerekend witte mensen safe spaces te willen. Hun trainer en programma moeten aan allerlei voorwaarden voldoen om hen aan het praten te krijgen. En precies dat, stelt DiAngelo nuchter, bevestigt de raciale status quo. Witte onschuld ligt dan bij voorbaat vast en wil het liefst bevestigd worden door zwarte collega’s – in de niet door iedereen even fraai gevonden film The Green Book verwijt de gekleurde pianist aan zijn Italo-Amerikaanse chauffeur heftig te reageren op beledigingen die hij zelf veelvuldig meemaakt.

Het idee dat een racist steevast een ander is concretiseert DiAngelo voor de Verenigde Staten, waar de bekrompen, amper opgeleide good ol’ boys uit het verre zuiden komen (dit academisch vrijpleiten past Koen Lemmens in zijn teleurstellende bundel De dwaling van de beeldenstormer toe op België met zijn essay ‘Provinciaal kosmopolitisme’).

Dat ik zoiets vaker heb gelezen betekent niet dat ik doordrongen ben van de bijbehorende realiteit, die nooit mag wennen. En waarin ik even gratuit zou zijn door mezelf tot racist te bombarderen. Ook moet ik me losrukken van een tweede afweerreflex: de jij-bak. Daar is Witte gevoeligheid vatbaar voor. De auteur is zelf wit. En de Nederlandse vertaling profiteert van prijzende citaten door de zwarte autoriteiten Claudia Rankine en Shakti Butler. Dat neemt nog altijd niet weg dat DiAngelo’s betoog, hoe ervaringsdeskundigen er ook over oordelen, mag worden gelezen.

Gaande mijn lectuur begon ik zelfs te beseffen dat de herhalingen functioneel zijn. Ze kietelen de discipline van witte lezers om kennis te nemen (en daarna de ethische plicht tot kritiseren). In Witte gevoeligheid moeten overlappingen dus eerder worden aangestreept dan weggestreept.

dinsdag 10 augustus 2021

Dat het hier niet om gereedschap ging

 

 

 

Een bordje aan de rand van een dorp daagt ondernemers uit: implantez-vous. Wortelen in plaats van een nomadisch stadsbestaan zoals van fietsers als wij die een retour Lyon rijden?! De reden van de verlokking stond erbij en voorspelde een expansie van souffle.

 *

Verwarrend dat er iets industrieels en bedrijfsmatigs bedoeld wordt met een zone artisanale. Dit bijvoeglijk naamwoord vinden we immers standaard op puien van overgebleven bakkers. Zou er op al die dichtgespijkerde panden ook artisanale hebben gestaan?

Bij de Match dragen de caissières T-shirts met het rugschrift ‘sourire 100% naturel’. Hoe werkt zoiets met hun mondkapjes?

 *

Tijdens ons vertrek de mededeling dat Macron met een pass sanitaire komt, die evengoed getoond dient in shopping malls. Maar wie komen daar niet? Twee jaar na onze recentste toer door Frankrijk lijken dorpen zo mogelijk nog uitgestorvener. De roestige antennes op de daken zijn voor bejaarden, een kapper, de veearts en, getuige een aangrijpend bordje, de infirmière.

Ongemakkelijk open ruimten die ooit pleinen waren met terrassen. Verblekende letters op huizen waaruit ‘bar’ of ‘hotel’ valt te ontcijferen, of natuurlijk ‘boulangerie’.

 *

Op mijn e-reader ontdek ik Nootebooms Een middag in Bruay. Die reisbundel opent met een reportage uit 1963 in Noord-Frankrijk, maar dan de westkant:

‘Hier komt nooit iemand. Voor de gelige feestzaal troepen de mijnwerkers samen en gaan naar binnen. Het zijn er een paar honderd. Het plein wordt langzaam leeg. Het is tamelijk groot, er omheen lage huizen, meestal cafés: Café Au Boxer, Café Farcy, Café de la Place, Chez Alphonse, Café Malinage, Café de la Jeunesse, Café des Forains.’

Maar ook op dagen met de grootste hitte treffen we slechts de Mairie, het standbeeld dat de gevallenen voor het vaderland gedenkt (1914-1918), en een pomp met eau non potable.

 *

Na de overstromingen de sensatie dat seizoenen lijken verruild. De geur van houtkachels, het woord inondée, ondergelopen velden en wegen.

De controversiële passage van JJ Rousseau over de ellende die nooit meer ophield toen mensen op land hekken begonnen te zetten als teken van eigendom. Nog net zichtbaar de paaltjes waartussen een paar paarden tot aan hun knieën in het water staan. Moeten helikopters hen redden?

Mijn paardenobservatie deel ik in mijn beste Frans met een mevrouw die begrijpt dat het om haren gaat (cheveux, chevaux).

Verder betreur ik jegens haar de dorpen, waar de hoogst bereikbare pleisterplaats voor passanten één bushokje is. Ze vertelt dat ouders hun kinderen daar met de auto brengen en halen, de schoolbus doet de rest van het vervoer.

Bij regen op campings zagen we mensen naar het sanitair blok gaan met de auto. Voor een elektrische tandenborstel.

 *

Door de verhoogde waterstand dito muggenpopulaties. Tegen zes, zeven uur ’s avonds moeten we ons in de tent terugtrekken. Na zalig lang zo warm mogelijk alle bulten te hebben bedoucht.

Mij staat bij dat op de middelbare school de conciërge beweerde dat in Jappenkampen gevangenen in grote houten baden werden gegooid, waar de temperatuur was opgestookt tot zestig graden, ontiegelijk heet maar helend voor de arbeid daags erna.

 *

Eindelijk dankzij de DBNL kennisgenomen van Anton de Koms standaardwerk uit 1934, Wij slaven van Suriname. Ondraaglijk. Gedetailleerde beschrijvingen van koloniale martelpartijen, steeds overnieuw. De titelhelden vergelijkt De Kom bovendien consequent met een ‘veestapel’.

Dat woord ontmoette ik zeer lang geleden in een kinderbijbel en zag een onbegrijpelijk hoge toren van dieren voor me. Nu hoor ik er een zootje v’s in, hopelijk een teken van een overwinning voor de gerechtigheid.

 *

Ja, daarnet stileerde ik ontwijkend, met de term ‘titelhelden’. Wat moet ik zeggen als hoogopgeleid wit manneke van middelbare leeftijd? Dat mijn e-reader ook Raoul de Jongs boek Jaguarman. Mijn vader, zijn vader en andere Surinaamse helden herbergt? Met dit citaat:

‘Een van de manieren om “meesters” (ik voel de behoefte om dit woord tussen aanhalingstekens te zetten, al is dat nooit hoe het in de archieven van Het Monster geschreven staat) te doen vergeten dat het hier niet om gereedschap ging maar om mensen, was door deze mensen “slaven” te noemen. Alsof een slaaf al een slaaf was voordat hij tot slaaf werd gemaakt. Vandaar dat we tegenwoordig liever “tot slaaf gemaakten” zeggen. Wat mij betreft dekt dat de lading nog steeds niet helemaal. Slachtoffers van de nazi’s noemen we ook geen “concentratiekampers” of “nazislachtoffers” of “vergasten”. We noemen ze Joden, zigeuners, homoseksuelen. Slachtoffers van de nazi’s waren méér dan wat de nazi’s met hen deden, slaven waren méér dan de slavernij.’

 *

Meer dan eens zijn op municipal-campings tenten en bungalowtjes gevuld met uitheemse arbeiders, die in de buurt tijdelijk wegen- en andere bouwwerken verrichten. We zagen Polen en Portugezen.

woensdag 7 juli 2021

One Man Only

 

 

 

 

 

Aan Wat-Als-scenario’s geeft Yesterday (2019) wel een heel charmante invulling. De film vertrekt vanuit geheugenverlies na een korte stroomstoring. Daarna kent een extreem onsuccesvolle singer-songwriter, die tijdens de seconden van technologisch falen van zijn fiets werd gereden en uit een coma moet ontwaken, als bijna enige ter wereld nog de liedjes van The Beatles.

Hij gelooft het zelf niet, maar Google bewijst het: de bandnaam geeft geen treffers.

En kijk, dat hij de mensheid kan laten kennismaken met hun repertoire zorgt voor een opwinding die ik, amper vijf toen de Fab Four stopte, denk te kunnen begrijpen. Popmuziek werd uitgevonden waar luisteraars bij stonden en het ene liedje klonk nog natureller dan het andere. Bij dat geschenk valt elk bedrog, zoals gepleegd door de man, in het niet, meen ik.

Misschien vind ik dat ook omdat in mijn vak van de taal momenteel niets vanzelfsprekend het oor in- en uitgaat. In de maatschappij woedt al jaren een genderdebat, men rept van vloeibare identiteiten en die zullen hun beslag krijgen in woorden. Bijvoorbeeld in Zweden gebeurde dat jaren geleden en nu zit het Nederlandse taalgebied te hannesen met Amerikaanse import.

Dat zorgt voor een discussie die de naam niet verdient. De ene partij ontkent domweg het probleem, de andere wrijft het er bruut in.

Laat die voornaamwoordenverwarring dan maar gelijk nieuwe helderheid scheppen in het altijd al diffuse gebied van verwijzingen. Over Nederlanders beweert het Noord-Koreaanse hoofdpersonage in Anna Moraals mooie roman Honden huilen niet: ‘Het volk dat aan de verkeerde kant van de geschiedenis heeft gestaan, wiens vaders tegen de onze hadden gevochten.’ Is ‘waarvan’ of ‘welks’ een verbetering die iedereen meteen omhelst?

Daarin schuilt voor mij dé verdienste van The Beatles. Hun liedjes wekken een indruk die volstrekt democratisch is. Een luisteraar is ‘mee’. Mij verraste het aangenaam dat Yesterday daar niet de draak mee steekt. Evengoed had in een aangepast scenario de zanger de vele Beatles-klassiekers kunnen vertolken zonder weerklank.

Voor mij was het ook wel treffend dat de man op Google nog wel The Rolling Stones terugvindt. Doet hem evenmin veel. Zwaarder is hij onder de indruk van het feit dat Coca Cola foetsie is. In zijn wereld van na de stroomstoring wordt van die drank louter nog Pepsi gedronken. Een postume overwinning voor Michael Jackson, tevens een behoorlijke tijd eigenaar van de Beatles-liedjes.

Ontelbare keren heb ik deze songs herbeluisterd, maar dat is slechts verslaafdheid, een wegzakken in de hoop ervaring te herwinnen die medeaardbewoners ooit meteen moeten hebben beleefd. Een generatiekwestie? Het zal mijn Wat-Als-scenario wezen, zoals er momenteel families zijn die hun geliefde gisterenavond rond halfacht op een andere plek hadden willen zien opduiken.

Kennis achteraf speelt Yesterday op een koddige manier uit. Zoals een suggestie van Ed Sheeran om ‘Hey Jude’ te veranderen in ‘Hey Dude’. Of bij een marketingvergadering over de titel van het album waarmee de wereld moet veranderen: Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band is te lang, Abbey Road is een straat waar men aan de verkeerde kant rijdt en The White Album is niet divers genoeg.

De uitkomst One Man Only mag dan wel de andere keerzijde heten.

Gelukkig ontwaakt de bedrieger uit de ultieme nachtmerrie dat hij, uitgerekend in een show van James Corden, geconfronteerd wordt met de twee nog levende Beatles. Zo kan hij wel degelijk zijn album uitbrengen, bovendien met goedkeuring van een middelbaar heterokoppel dat zich de liedjes nog wel herinnert en alleen maar blij is dat ze blijven klinken.

En natuurlijk acteert de zanger ook in een liefdesverhaal, waarin het eind-goed-al-goed regeert nadat het bedrog is erkend. Aan de vrouw van zijn leven vertelt de zanger zich even opgelucht te voelen als Harry Potter na het verslaan van Voldemort. Maar van die gast heeft ze nooit gehoord; op het Google van Yesterday geldt hij als een Brits soldaat. Terecht.

maandag 28 juni 2021

Van die dingen

 

 


 

1.

Wanneer het Nederlands ten prooi zou zijn gevallen aan verengelsing, dan moet dat evengoed te zien zijn aan de bijtplek waar het meeste vlees zit: de derrière van woorden.

In dat systeem zou met name de variant -icatie scoren. Met, op zichzelf al controversiële, typetjes als ‘pacificatie’ en ‘rectificatie’. Misschien ontbreekt het me aan improvisatievermogen maar het enige enigszins recente woordding dat me te binnen wil schieten is ‘gentrificatie’ (gentrification).

Wel had ik een mapje dat veeleer op verduitsing wijst: ‘verpretparking’, ‘appartementisering’. Daarin beluistert mijn oor -ung. Geen idee of het doof is voor de werkelijkheid, maar het zou een aardige stelling opleveren: ‘verengelsing’ is een germanisme.

Of er nu icatie of ing aan zo’n woord hangt, gunstig klinkt het zelden. In de traditie van ‘privatisering’, ‘disneyficatie’, ‘commercialisering’, misschien zelfs ‘democratisering’, waar weldenkendheid, haars ondanks, toch even aan moet wennen?

Verder dacht ik door diakritische tekens vóór de derrière een woord te kunnen lokaliseren, in het hoge Noorden om ongeveer precies te zijn. Voor The Guardian, in een overzicht van Nederlandse politieke partijen, vergeleek Joost de Vries de leider van Forum voor Democratie met Geert Wilders: ‘Baudet seemed a palatable alternative. He served the same smörgåsbord of nostalgia, nationalism and anti-immigrant xenophobia as Wilders, but he presented as a more clean-cut, decent, thoughtful figure.

Een smörgåsbord blijkt een Zweedse feestmaaltijd te zijn, meestal in vier gangen. Om het raadsel te vergroten maakte De Vries’ beeldspraak er drie gangen van.

 

 

2.

Waar hield een andere Joost, Van den Vondel, zich eeuwen tevoren mee bezig als zijn kousenwinkel op slot was? Een aantekening bij Noah, of Ondergang der Eerste Wereld (1667) leert dat ‘verwijfden’ bij hem duidden op mannen die verslingerd waren aan vrouwen.

Bij hetzelfde drama leert een andere aantekening trouwens dat ‘belgziek’ lichtgeraakt betekent. Hoe komt hij daar nu bij?

In de geprezen roman De herinnerde soldaat van de Noord-Nederlandse schrijfster Anjet Daanje, die zich afspeelt in het West-Vlaanderen vlak na de Eerste Wereldoorlog, komt het koosnaampje ‘sjoeke’ voor. Een aansprekelijk gebakje dat hier ook wel éclair wordt genoemd.

 

 

3.

In 2013 mochten, toen de arme Willem Alexander promoveerde, amateurs tekst aanleveren voor het Koningslied. Hoogtijdagen voor de neerlandistiek bij het regeltje ‘De dag die je wist dat zou komen’.

Die koningsliedconstructie blijkt razendsnel overgestoken over de Atlantische Oceaan, toen Leslie Jamison in The Empathy Exams (2014) schreef:

 

The woman Tom describes, “wallowing” in self-pity and unable to decide what the world should do about it, is exactly the woman I grew up afraid of becoming.

 

Om eerlijk te zijn hoor ik de constructie er slechts uit de verte in. Het was de vertaling, door Maaike Bijnsdorp en Lucie Schaap, een jaar later, die me op het spoor zette:

 

De vrouw die volgens Tom ‘zwelgt in zelfmedelijden’ en niet duidelijk kan maken wat de mensen daaraan zouden moeten doen, is precies zo’n vrouw waarvan ik vroeger altijd bang was dat ik haar zou worden. (p.295)

 

Ik propte dit citaat in een mapje waarop al stof was gekomen toen er een debat uitbrak over wie er waarom het spokenwordgedicht van Amanda Gorman in het Nederlands mocht vertalen. In laatste instantie viel de keuze op Zaïre Krieger. Haar ster was nog zo nieuw aan het firmament, dat ze niet in Babs Gons’ anthologie Hardop uit 2019 stond.

Dus werd Krieger in de pers geïntroduceerd met een clip. In haar lange spokenwordgedicht Druk viel me toen deze regel op:

 

maar de lijdensweg die je dacht dat je zou ombrengen is je startbaan

 

Krieger for king?

 

 

4.

Waar strandt het schip?

Wanneer mijn vader het warm had, zei hij: ‘Het zweet loopt me tappelings langs de rug’. Ik vond dat altijd dermate overdreven dat ik me nooit afvroeg hoe dat bijwoordje gespeld moest worden.

Totdat ik in twee transscripties van Herman Broods en Sjef van Oekels antiautoritaire liedje ‘Nooit meer terug naar die rotschool’ (1979) dit zinnetje aantrof:

 

Zweet loopt je pisselinks van het hoofd

 

Zelf zingt Van Oekel ‘pislink’, wat me altijd een geweldige grap had toegeschenen, al was het bij wijze van personificatie. Maar nee.

Volgens het WNT bestaat wel pisselings: ‘Met stralen of straaltjes, straalsgewijze, tappelings’.

 

 

5.

Spreektaal of dialect?

De documentaire In het licht van de argwaan toont Luc Tuymans in volle actie. Volgens mij botst er iets achter zijn huig. In plat Antwerps stoot de schilder onophoudelijk curatorentaal uit, overigens net zo makkelijk in het Frans en het Engels.

Het frequentst tussendoor in zijn laaglands is ‘eigenlijk’, een woord dat bij Tuymans dient als komma tussen bespiegelingen.

Bovenal is het de opmaat voor het Antwerpsisme ‘eigenlijk feitelijk’.

En waar komt Pedro De Bruyckere (Gent) precies vandaan? In de hoogtijdagen van corona leek de Vlaamse pedagoog alomtegenwoordig in het opiniewezen, maar hij blijkt toen ook een boek gepubliceerd te hebben. Hij leidde het in met de empathische frase ‘Werd maar eens geboren na 2000…’

Ik snap vermoedelijk wat De Bruyckere bedoelt: het is geen benijdenswaardig lot te stammen van na de eeuwwisseling. Of zoals in Nederland hardop wordt gezegd: ‘Je zal maar na 2000 zijn geboren’. Dat klinkt echter half meewarig en half spottend, en zo’n afstand wil de pedagoog niet inbouwen.

Halveerde hij met zijn drie puntjes de croma-constructie die op zichzelf al weglaat? ‘Als je na 2000 werd geboren, dan had je geen prettige start’ veranderde zo in ‘Werd je na 2000 geboren, had je geen prettige start’.

Schrijven is toch werkelijk niet altijd schrappen.

woensdag 16 juni 2021

The Sweetest Inversie I Could Sing

 

 

Wat een hitte ineens! En uitgerekend nu beslist Windows in zijn oneindige updatewijsheid om onder aan het scherm voortaan de temperatuur te tonen, inclusief icoon en omschrijving van het weertype. Zon in woord, getal en gebaar.

Troost het dat er predigitaal langere periodes van hetzelfde zijn geweest?

Over de legendarische snikhete zomer van 1976 is veel geschreven, er zijn menigvuldige beelden van te vinden maar pas sinds kort weet ik dat er een euforisch soulnummer bij hoort. Ik was toen nog wat jong om dat helemaal bewust te zijn en bovendien, begrijp ik achteraf, was het genre impopulair in kringen die wisten wat goede smaak behelsde.

Impliciet moet ik daar een paar jaar later als puber aan hebben gehoorzaamd toen ik een ander liedje van deze band, ‘Can You Feel The Force’, absoluut onappetijtelijke disco vond.

Een recente documentaire wees op het bestaan van de vierkoppige band The Real Thing, vernoemd naar een multinationaal drank- en velgontroestingsmerk dat deze week in de problemen kwam toen Christian Ronaldo er iets van zei. En hun muzikale pareltje waar het voor mij in eerste en laatste instantie om ging, bleek al op mijn iPod te staan.

‘You To Me Are Everything’ had ik in de Verenigde Staten gesitueerd, wolkeloze Phillysound met de wahwahgitaar, violen, het parelende zweet van Barry White… Had gelukzaligheid bedekt dat hier een Engels kwartet actief was? Uniform zwart ook, en als zodanig de eerste groep die de hitparade met succes bestormde?

Het liedje gaat over een offer aan de liefde. Sterren, regen, bergen: natuurverschijnselen zet de ik-figuur, puur op wilskracht, naar de hand van zijn geliefde. Haar wish is zijn command. Zo probeert hij haar twijfel over zijn toewijding uit te bannen en een zogeheten knipperlichtrelatie permanent op groen te krijgen.

Met het nummer werd The Real Thing een verzameling posterboys, idolen voor smachtende meisjes en aanklampmodellen voor bepukkelde jongens met ambitie. Aanklachten weinig later tegen racisme, zoals in ‘Children of the Ghetto’, vielen uit de toon. Ze waren te vinden op de chattalerig getitelde elpee 4 From 8, waarbij laatstgenoemd getal verwees naar de arme, overwegend zwarte wijk Toxteth, ook wel ‘Liverpool-8’.

Natuurlijk spreken we hier over de stad van The Beatles, ooit de gelegenheidsbegeleidingsband voor The Chants, een voorloper van The Real Thing. Omgekeerd meen ik harmonische invloed van de Fab Four te horen in het vroege charmante liedje ‘Listen, Joe McGintoo’. Maar wat ik wil benadrukken is dat, net als literatuur helaas, popmuziek niet ontsnapt aan canondrang en smaakonttrekking.

Een reden dat The Real Thing, tot de documentaire, te boek stond als een commercieel bandje is dat de jaren zeventig al bij het zich voltrekken een beoordeling kreeg. Precies vanaf 1976 begon punk, in de gedaante van The Sex Pistols, het beeld van de voorafgaande jaren te bepalen en herdefiniëren: humbug, hooguit in symfonische en jazzrock virtuoos gebracht.

Vanuit hedendaags standpunt is dat maf. In een gemiddelde Top 1000 staan heel wat liedjes uit de jaren zeventig hoog genoteerd. Toen moest je je er waarschijnlijk voor schamen, en wat een groter publiek goed vond was per definitie verdacht. Over de marketing van The Sex Pistols zelf zal ik het maar niet hebben.

Je kunt canonkwesties ook betwisten vanuit de gedachte of de smaaktoekenner een mode volgt of een neusje heeft voor kwaliteit. Hoewel, dan is me nog altijd een raadsel hoe Mick Jagger in te schattten, de high-societyrebel. Als eerste eigen nummer nam zijn band The Rolling Stones ‘I Wanna Be Your Man’ op, uit de mouw geschud door hun vrienden Lennon en McCartney. Bij de historische filmopname van hun latere ‘All You Need Is Love’ in 1967 was Jagger aanwezig, net als in 1972 bij Aretha Franklins ongelooflijke kerkproject Amazing Grace.

Jagger wist de geschiedenis kennelijk een handje te helpen met duwen. Even voorspelbaar is het dat The Real Thing nog slechts ten prooi kon vallen aan herontdekkingen per decennium, bijvoorbeeld met een remix van ‘You To Me Are Everything’. De documentaire kan nieuwe fans opleveren, maar het gros van de belangstellenden is vooralsnog het publiek van toen dat zwelgt in jeugdsentiment.

Dat zou dé zomerhit van 1976 tekortdoen. De zon schijnt zelfs door de opbouw. Er is een couplet waarbij zich in de laatste regel de verlossing aankondigt. Maar dan volgt er nog een couplet met een tweede stem. Na dat uitstel glanst het driestemmig refrein dat in de woordvolgorde ‘You to me’ zelf uitstelt. Daarna komt er weer een couplet, een beetje melancholisch ineens, waarna tweemaal het refrein klinkt en in die herneming vitaal een hele toon hoger schakelt.

Het is dan ook niet niks dat de jij op een troon wordt geheven. Het liedje zou ik poëticaal kunnen noemen, omdat het refrein volstrekt altruïstisch stelt: ‘You to me are everything / The sweetest song that I could sing’.

Ik vrees dat die vooropplaatsing van ‘to me’ me niet snel loslaat. Of je haar nu inversie noemt of deviatie, ze vergroot de aantrekkingskracht van het liedje. Zelf moest het zich in die tijd uiteraard onderscheiden in de markt. Er was een klassieker als ‘You Are Everything’ van The Stylistics, destijds gecoverd door Diana Ross en Marvin Gaye. Voor een kleiner publiek denk ik aan ‘You’re Everything’ van Return to Forever (met Flora Purim).

Ongecompliceerde titels, zeker in vergelijking met wat The Real Thing doet, maar het knappe is dat de antimetrische grammaticale twist in de zomerhit van 1976 volstrekt naturel klinkt.

Dat heeft het liedje gemeen met een van de beroemdste gedichten uit de Nederlandse literatuur, ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’ van J.H. Leopold. Maar feitelijk kijkt volgens mij niemand op wanneer pakweg een volksvertegenwoordiger zegt: ‘Ik voor mij ben van mijn mening’. Zachtaardiger, op het pleonastische af, is de uitdrukking ‘Zelf vind ik’. In Nederland dan, want in België is het heel normaal om te poneren: ‘Persoonlijk vind ik’.

Maar dan is het wel onmogelijk de jij zo goddelijk te verklaren als The Real Thing deed. Me dunkt. Ik krijg het er bij elke beluistering warm van.

vrijdag 11 juni 2021

Teringhond


 

Zo hoog als kapitein Haddock reikt niemand, maar als schelden inderdaad een kunst is, dan zitten christendemocraten ook op dat vlak in het slop.

Zelf betrap ik me de laatste jaren steeds vaker op medelijden wanneer christelijke partijen in het nieuws zijn. Vroeger konden ze ‘de kerk in het midden laten’, maar daar was met de secularisering een gat ontstaan dat met de ontideologisering een krater werd.

In België had Wouter Beke nog de sluwheid om het concept van ‘het moedige midden’ te lanceren, in Nederland was men vooral doende om daar überhaupt iets als een eenheid te formeren. Ik zeg niets hemelschokkends wanneer ik de aanleiding van die manoeuvres onthul: Pieter Omtzigt. En dat hij zelfs door afwezigheid zijn stempel drukt, tot en met de regeringsvorming.

Niet iedereen kan daarmee lachen, zoals dat heet. Op zijn beurt kan Omtzigt daar niet mee lachen en dus publiceerde hij, geheel in stijl, een brandende interne partijnotitie van bijna tachtig bladzijdes die, in dezelfde stijl, prompt publiek werd.

Als heiden voel ik me niet geroepen dit document te lezen. Bovendien ben ik nog aan het bekomen van Henri Beyles verhalen. Hij trok in 1800 als jong soldaat met Napoleons leger mee over de Alpen naar Italië. Het scherpst beklijven de afdalingen, de enorme aantallen dode paarden langs de weg, het afval van het voortkronkelende leger. Dat vertelt hij onder de naam Stendhal, in retrospectief, en ontdekt dat zijn herinneringen aan bepaalde steden waren ingekleurd door gravures.

Ik las dat in de opening van W.G. Sebalds Schwindel, vertaald als Melancholische dwaalwegen, toen herzien en terug in roulatie gebracht als Duizelingen. Dit debuut eindigt met een droom in de Alpen, waar in een ademloze leegte louter steen te zien valt, totdat als een bijna weggestorven echo de woorden terugkeren.

In signalementen van Omtzigts notitie viel me meteen één woord op, uit een reeks invectieven van partijgenoten die hij over zichzelf verzameld had: ‘teringhond’.

Natuurlijk, schelden is, zeker in de politiek, geen makkelijke sport, maar wat hier gepresteerd wordt is niet eens pupillenwaardig. Ik vrees zelfs dat teringhond een compromis is, tussen ‘teringlij(d)er’ en ‘christenhond’.

Wie ligt daar nu wakker van, behalve Marianne Zwagerman die, volgens Google, in De Telegraaf aan teringhond een column wijdde die alleen toegankelijk is voor abonnees en opent met een pitbull-vergelijking? En behalve het object zelf dat zich ook ‘ronduit onveilig in de partij’ voelt?

Even treurig is de tegenwerping van CDA-voorzitter Van Rij dat de notitie ‘op persoonlijke titel’ is gemaakt. Om nog maar te zwijgen over de emotie die partijleider Hoekstra krijgt bij Omtzigts jongste kamikaze: ‘heel vervelend en echt beschadigend’.

Zou mijn verdorven lichaam wel voldoende medelijden in voorraad hebben om deze taal compleet te kunnen dekken? En wat te doen vóór het laatste oordeel? Koekhappen? Zaklopen?

Misschien moet de partij zich, als ik even gratis consultant mag spelen, laten inspireren door Oude dozen. In dat boek gebruikt Marja Vuijsje het werkwoord ‘meelbieten’. Van die activiteit geeft Van Dale alleen het substantief: ‘iem. die melig is, flauwe grapjes maakt (niet echt als scheldwoord)’.

Zeker op locatie gemeenschapsvormender dan duizend bommen en granaten kunnen afdwingen.

 

Naschriftje

Het onvermijdelijke is inmiddels geschied. Per Twitter is Omtzigt opgestapt uit het CDA. En reageren Van Rij en Hoekstra ‘ontzettend teleurgesteld en geschrokken’. Vgl. Rachel Cusk: Als mensen de waarheid spreken, kan dit hun het bevrijdende gevoel geven niet langer de schijn te hoeven ophouden, net zoals onbeleefdheid een bevrijdend gevoel geeft. Om die reden is het niet verwonderlijk dat oprechtheid soms wordt aangezien voor onbeleefdheid, en onbeleefdheid voor oprechtheid.

 

donderdag 3 juni 2021

Dus cringe ik in stilte

 

 

 

Het op mijn bureau belande boek Het Monster van Wokeness heb ik inmiddels gelezen. Gespitst als ik was op de woordenlijst achterin, was me ontgaan dat het een roman is. Tofik Dibi zegt het zelf in de inleiding. Daarmee wordt de plot des te opmerkelijker.

Een kleine 150 pagina’s fabuleert het voormalige Groen Links-kamerlid over praktijken van een NRC-journaliste die een dubbelleven leidt op Twitter. Als Kannibelle is ze daar een social justice warrior, die onder meer een eigenaar van gaybar cancelt. Uiteindelijk blijkt ze zich niet goed geïnformeerd te hebben én wordt haar ware naam door De Telegraaf onthuld. In nog slechts tien bladzijden neemt de gaybargedupeerde een schijnbaar dodelijke wraak op Kannibelle en wordt haar account gewist.

Hoewel de compositie van deze prettig ambitieuze roman dus afgeraffeld is en een omgangsvraag met verschillen blijft liggen, lijkt Het Monster van Wokeness, gepubliceerd in 2020, brandend actueel. In België loopt immers een extremist vrij rond die met zware wapens wraak wil nemen. Om nog te zwijgen over wat er boven zijn hoofd gebeurt.

 

Dibi situeert zijn activistische hoofdpersonage in een milieu met heilige overtuigingen. Ook over wat de niet-ondervraagde tegenstander vindt: ‘Witte mensen hoeven de eerste drie letters van racisme alleen maar te horen of ze vertonen al symptomen van een burn-out. Ze verzetten zich nooit openlijk in je gezicht. Het is subtiel. Het is die zucht die iedere PoC kent, die “niet weer”-zucht.’

In zo’n staat van ontkenning, die vervaarlijk neigt naar blaming the victim, verkeert evengoed de goedbedoelende NRC-redactie, vindt de 22-jarige journaliste Kawtar (haar achternaam luidt in het boek zowel Karaman als Amrani). Lang interesseerde ze zich zelf niet voor ‘dingen als het n-woord […] of hoe je trans mensen op de juiste manier aanspreekt’. Inmiddels weet ze dat haar activisme plaatsgrijpt in haar vrije tijd, temeer daar de krant haar verplicht objectief te zijn. Dat gaat niet. Als Kannibelle ageert ze op Twitter ook tegen een IntersectioneleFeminist die ‘schone handen’ wil houden.

Vaker heeft ze het moeten opnemen tegen minder intellectueel geschoolde tweets. Eerst trachtte ze ermee te praten, later verzorgde ze ‘grammaticale scholing tot iemand me erop wees dat spelfouten corrigeren classist is.’ Toen blokkeerde Kannibelle de ongewenste stemmen, om te ontdekken dat het geschreeuw haar ego ook bevestigde. En dus deblokkeerde ze die andere stemmen, wat rijmt met haar basisopstelling: Kannibelle prefereert openlijke racisten boven ‘de stille meerderheid’ waaraan ze soortgelijk gedachtegoed toeschrijft en die ze ronduit gevaarlijk vindt.

De vraag blijft of ze zo in een zogeheten bubbel zweeft? Gelijk opgaand met het verhaal laat Dibi zijn Kannibelle haar omgeving beoordelen van gekleurde queer activisten, met een veramerikaanst sociolect. Ze beschouwen zichzelf als ‘community van strijders’. Maar volgens ‘het domrechtse blogje GeenStandaard’ (een fusie van GeenStijl en De Dagelijkse Standaard?) zijn ze een sekte. In ieder geval heerst het beleid ‘een gesloten front’ te vormen. Een orkestratie van identiteit dus.

Kannibelle beleeft een intern meningsverschil ‘bijna als verraad’.

Ze stelt de stille meerderheid gelijk met ‘het redelijke midden’, een inmiddels bekend essentialisme dat bij containerbegrippen als burgers, Nederlanders, kiezers of mensen niet aan ‘mensen van kleur’ zou denken. Het Wokabulaire achterin geeft het redelijke midden een eigen lemma: ‘Het soort mens dat van een veilige afstand met open mond staat te loeren en “wat erg” mompelt als er iemand in elkaar wordt getrapt.’ Aldus fungeert het als antipode van de activist, zoals gedefinieerd in dit boek.

Tegelijk ondervindt Kannibelle problemen met sociale media en haar smartphone, waaraan ze verslaafd is. Daarom stopt ze even met Twitter om te proberen ‘verschillende werelden met elkaar te verbinden’. Nu ervaart ze twee soorten ‘niveau’ en ’taal’. Anders dan haar community-genoten reduceert ze de uitstoot van amerikanismen. Maar het zal De Telegraaf zijn die haar definieert als collega bij NRC, en dan als ‘Monster van Wokeness’. Al wordt de boodschapper reflexmatig beticht een ‘bruine krant’ te zijn, het bericht zelf verandert door zo’n wanhoopsoffensief niet.

Kawtar wordt nu zelf gecanceld. Pegida (de griezelgroep wier naam Dibi niet heeft veranderd) ruikt zijn kansen: oog om oog, tand om tand. Ook beseffen niet-activisten uit Kawtars directe omgeving kritische tweets te hebben ondergaan in plaats van een gesprek. Spijt heeft ze nochtans niet van haar dubbelrol. Wel van haar taal: ‘Iedere zin langs de woke-meetlat leggen tot het probleemloos is, is niet anders dan met Photoshop en filters normale uiterlijke kenmerken uit iedere foto gladstrijken.’

Dat maakt het Wokabulaire achterin des te vreemder. Bijvoorbeeld de lemma’s Heteronormatief en Intersectionaliteit blinken veeleer uit door clichématigheid dan door precisie. De woordenlijst als geheel stigmatiseert andersdenkenden vooral. Ook worden mensen te kijk gezet wier opvattingen en daden, zoals dat gaat, inconsequent zijn. Ze blijken hypocrieten. Misschien komt het doordat Dibi dit Wokabulaire lijkt te hebben uitbesteed (aan Carmen Felix en Marten Mantel), dat deze onderneming de roman tegenspreekt die immers waarschuwde tegen exclusief groepsactivisme?

woensdag 26 mei 2021

Op stelten wadend door de mist

 

 

 

Vandaag, maar volgens Wikipedia gisteren, zou Hans Groenewegen 65 jaar zijn geworden. In een klassieke verzorgingsstaat ging hij dan met pensioen (Nederland) of op pensioen (België). Dit statuut lijkt me niets voor een essayist, criticus en dichter die zo hard werkte en zo productief was, dat dagen in zijn tijd 48 à 72 uren zullen hebben geduurd.

Officieel werd Groenewegen maar 57. Daarbij hoort een miniportie van een nieuw levensjaar dat hij aanvatte toen hij al, doodziek, tot dadenloosheid was veroordeeld. Productietechnisch is het reëler om Groenewegen in te schatten als 56-jarige. Die leeftijd komt me bekend voor. O ja, van Hitler, toen deze in een Berlijnse bunker zelfmoord pleegde.

Elke vergelijking tussen Hitler en Groenewegen gaat mank. Dan bedoel ik niet eens dat Groenewegen de zachtmoedigheid zelve was en, in een zoom van de geschiedenis, veel meer voor elkaar heeft gekregen dan die humeurige langslaper uit Branau am Inn. Mij gaat het er vooral om dat Hitler de wereld wou herscheppen in een orde die zijn ongetoetste ideeën zo dicht mogelijk benaderde.

Speciaal aan Groenewegen was dat hij mensen hun eigen werelden liet ontdekken. En dat hem dit helemaal geen inspanning leek te kosten. Sterker, hij was een soort alternatieve energiebron die uit verhalen van derden steeds meer stroom begon te leveren. Door met hen mee te denken en zich volledig te verplaatsen, moest Groenwegen dan wel vragen stellen, die genoemde derden ertoe dwongen hun motieven te expliciteren.

Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zo’n hernieuwbaar vermogen bezit. In mijn geheugen huist wel een extreem andere dichter. Hij laadde zich voor festivals op om belangstelling te tonen voor collega’s en die batterij raakte gaandeweg leeg, zodat de man bij het eind van die sessies louter nog linea recta naar huis wilde.

De ecologische metafoor gebruik ik mede omdat ik benieuwd ben naar hoe Groenewegen actuele taalontwikkelingen zou inschatten. Bijvoorbeeld in de kwestie van zuivelproducten, waar volgens hardliners alleen nog ‘zuivere’ ingrediënten een vermelding zouden verdienen, in plaats van milde indicaties voor uitvindingen die hen milieuvriendelijk vervangen. Prachtig dat Greta Thunberg ook in dit taaldebat een logische positie heeft gekozen.

Thunberg strijdt voor het klimaat, een onderwerp dat op de achtergrond is geraakt tijdens (of door?) de coronatoestanden. Hoe zou Groenewegen haar hebben ontvangen? Hij was een natuurfanaat en een universalist, dus met Thunberg moet hij zeker hebben ingestemd. Maar wat met het wij-zij-onderscheid dat ze pregnant aanbracht in how dare you-toespraken, die daders aanwezen onder wier passiviteit quo jongeren slachtoffer waren? Groenewegen zal er minstens ongemakkelijk onder zijn geweest.

Voor mij is dat onderscheid de uitzondering op de regel niet te veralgemeniseren. Het klimaat treft elke aardbewoner en misbruik moet domweg worden aangepakt. Recent miste ik dat principe in de Belgische marathonoperette over de salariswagen. Er kwam dan wel kritiek dat elektrische auto’s, zonder fijnstofuitstoot dus, andermaal voor een happy few zijn, maar onbelicht bleef dat die dingen veel stroom vergen en het milieuprobleem dus verplaatsen.

En dat constateer ik in een posting over iemand die Groenewegen heet.

Bij een andere kwestie, die direct over leven en dood gaat, is taal meer dan ooit gevoelig geworden. Geweldsopflakkeringen, tot aan lynchpartijen toe, vallen Gaza andermaal ten deel. Zo kende Hans Groenewegen deze brandhaard ook, maar bij mijn weten heeft hij het niet meegemaakt dat ieder woord daarover op een goudschaaltje wordt gewogen en er, net als bij zuivelproducten dreigt te gebeuren, verboden worden ingesteld. Wel zal hij het hilarisch gevonden hebben dat daarbij de grootste repercussies bekendheden op sociale media treffen.

Tussen de Gaza-literatuur passeerde aan mijn ogen een schermafbeelding bij een artikel dat die herwogen taal verklaarde uit impulsen bij een ander onrecht: racisme, zoals aan de kaak gesteld sinds Black Lives Matter. Stelling was dat – andere – sociale media zendingsarbeid verrichten terwijl zogenoemde klassieke media als onbetrouwbaar gelden (volgens politiek volkomen anderen dan die dit gewoonlijk beweren). De passende taal is ontleend aan de academische wereld. Dan is het woord een concept geworden binnen een ‘narratief’, waarmee de wereld restloos verklaard kan. De schermafbeelding illustreerde dat: 



Hoe moet universalisme hier werken? Ik ben zo’n idioot die ‘solidariteit’ koestert, maar wat betekent het in deze internetversie? En wat is voor mij als in België uitbottende Nederlander mijn eigen vlag? Of gaat het om een banner?

Groenewegen zou hier minstens bij grijnzen. Afkomstig uit een intellectueel milieu waar op basis van een paar woorden altijd een kerkscheuring loerde, wist hij vermoedelijk elk haakje en oogje te benoemen. Kon hij nu maar even bijlichten! De bedoeling van die nieuwe termen kan niet genoeg geprezen worden omdat ze genegeerde stemmen erkennen. Maar hun ecologische effect?

De uitdrukking bij deze termen luidt: ’Ik identificeer mij als…’. Fascinerend. Groenewegen wist zich juist mét anderen te identificeren. Conform zijn universalisme, maar ook uit een filosofisch idee van gelijkwaardigheid en verantwoordelijkheid. Emmanuel Levinas heeft daarover geschreven en er generaties mee heropgevoed. Niet voor het eerst merk ik dat nieuwe termen nu geesten splijten die in principe hooglijk verwant zijn. Gelukkig wordt ook elders vastgesteld dat deze taal, vol met wat ik maar amerikaanslatijnsismen heb genoemd, niet meer door elke leeftijdscategorie even makkelijk, laat staan overtuigd, wordt opgepikt.

De laatste tijd groeit mijn onbegrip over millimeterdefinities van identiteit omdat er gelijktijdig een tegengesteld fenomeen optreedt: tanende taalbeheersing, juist bij jongere generaties. (Ach Marc, hoe oud ben je nu, stop hier toch mee, met dat geklaag van hier tot Goeree Overflakkee.) Hoewel cultuursomberheid van alle tijden is, blijken nu er meer redenen voor bezinning. Zowel schrijven als lezen gaat steeds lastiger, waarbij de tekstomvang en medium bepalender worden.

Iets banaals als een boek, waarin Groenewegen dusdanig veel tijd en aandacht investeerde dat die inspanning dinosaurisch oogt, is toch wel voorbijgestreefd. Ook voor sommige taaldocenten. Recent deed iemand een bekentenis door een ‘taboe’ te doorbreken niet geïnteresseerd te zijn in dat soort lezen, spijts ‘een liefde voor de taal’ en ondanks het feit dat een boek ‘intelligent’ zou ogen.

Kunde en belangstelling en wil lopen hier volgens mij dwars door elkaar. En dat maakt het extra lastig om een zwiep in de goede richting te geven met schrijven. Omdat dit samenhangt met gedurig lezen van teksten, die het toegankelijkst zijn in boeken waarvan het belang, weet iedereen die begaan is met de toekomst, nooit mag worden onderschat.

Er is in dat verband wel gerept over de drempel van 10.000 uur, nodig om iets te leren. Dan blijkt internet geen voordeel. Dat zegt iemand wiens ouders klaagden over het medium televisie, wier ouders ook zullen hebben gemekkerd, over de uitvinding van de telefoon bijvoorbeeld. Dus moet ik bij mijn onheilsdiagnose vermelden dat jongeren nu via sociale media en WhatsApp waarschijnlijk meer tekst tot zich nemen dan welke generatie ook. Alleen is die taal niet geredigeerd en heeft ze geen omvang van betekenis. Behalve triest voor hen vind ik dit misdadig voor het milieu, omdat servers al die halfwasproducten opslaan.

En dat constateer ik op internet.

Digitale woordwoeker kenmerkt zich door meningen, in zogeheten éénzinsteksten. Over dat feit heeft Groenewegen zich nog, voor zijn doen pertinent, uitgelaten:

 

‘Als we nog in de tijd van de loodzetters zouden leven, sleten alleen de uitroeptekens en de dubbelepunt. Vraagtekens, beletseltekens en zelfs komma's bleven glinsterend schoon in de letterkast liggen.’

 

Misschien verbaast die dubbelepunt. Ik vermoed dat het ding hier de directe rede dient – en dan niet van het type ‘A zegt: xxx’ maar van ‘Ik vind: xxx’. Toegegeven, de dubbelepunt kan evengoed worden ingezet in een redenatie. Maar dan volgt er meestal een conclusie. Een eindpunt dus, dat niet echt besteed was aan Groenewegen.

De puntkomma zal hem het best gelegen hebben. Hij las en herlas, en wist zo proefondervindelijk wat afscheid nemen behelst. Veel van zijn essays beschrijven het proces van herroepen of nuanceren van een interpretatie die soeverein had aangevoeld. Daar had Hitler wat van kunnen opsteken met zijn destructiedrift.