maandag 9 mei 2022

Vaak zonder het te beseffen (update)

 

 

 

Mijn digitale snuistertochten door Van Dale, om taal aan studenten ‘een beetje inzichtelijk te maken’, bereid ik meestal voor met een woord dat aangebrand is door de actualiteit. Binnen de kortste keren ben ik vervolgens verdwaald, wegens doorklikken, bijsurfen en nogal ongerust nazien in bestanden die officieel boeken zijn geworden.

Ditmaal was het de tweede betekenis van ‘diversiteit’ die me van huis leidde:

 

verscheidenheid aan culturen binnen een groep, gemeenschap (organisatie, stad, regio e.d.) of samenleving

• «Op gastronomie na en zelfs dat niet altijd, zijn mensen bang voor diversiteit, ze vrezen de teloorgang van wat gewoonlijk identiteit wordt genoemd, zonder te beseffen dat identiteit niet statisch is, maar organisch en vloeibaar.» Hafid Bouazza

 

Het voorbeeldcitaat bracht me zelfs op een T-splitsing. Wat hier staat zegt ook iets over de ideologie van de keuzeheer. Maar eerst verbaasde ik me even over de auteur. Bouazza is amper overleden of hij bereikt het walhalla van de taal!

Of verwijlde hij al in eerdere edities van Van Dale?

Momenteel geeft zijn naam in elk geval veertien (14) treffers. Dat de ene voorbeeldzin ideologisch zo mogelijk nog frappanter is dan de andere, bewaar ik wederom voor later. Prioriteiten stellen, Marc. Laat ik me blijven verbazen over Bouazza’s snelle toetreding. Hij was stilistisch natuurlijk erg begaafd, maar heel lang publiceerde hij ook nog niet.

Toevallig stond er op YouTube recent een mooi lang gesprek met Van Dales keuzeheer Ton den Boon die geen taalkundige bleek, maar literatuurwetenschapper. Het deed om onduidelijke redenen deugd te begrijpen dat het werkwoord ‘vallen’ volgens hem extreem veel betekenissen kent. Ook werd iets zichtbaar van een letterkundige horizon. Den Boom is een fanaat die leest als een scanner.

Recent bleken onder zijn ogen romans van Ouariachi en Lanoye geweest, hij noemde meer namen van mannelijke favorieten uit de mainstream, was een boek aan het maken over Wigman… En ik besloot daarop actie te ondernemen.

Een steekproef. Welke auteurs staan in de jongste Van Dale? Gelukkig deed de computer het werk en hoefde ik alleen namen te bedenken, en het aantal treffers te noteren. [Inmiddels in volgorde] 

 

42 Komrij

 

38 Krol

 

37 Bloem (J.C.)

 

27 Reve (Gerard)

 

24 De Coninck, Multatuli, Nooteboom

 

23 Nijhoff

 

21 Campert (Remco)

 

20 Vondel

 

16 Vestdijk

 

15 Bomans, Van der Heijden

 

14 Bouazza, Nolens, Toonder

 

13 Brakman, Gorter, Gruwez, Kouwenaar, Mulisch, Pfeijffer

 

12 Achterberg, Carmiggelt, Gossaert, Van Schendel

 

11 Beets, Brouwers (Jeroen), Gezelle

 

10 Grunberg, Hermans, Hooft, Japin, Leopold, Rawie

 

9 Du Perron, Schmidt

 

8 Bordewijk, Claus, Van Kooten, Vroman

 

7 Van Eeden, Hertmans, Van Nijlen, Van Ostaijen

 

6 Benali, Greshoff, Herzberg (Judith), Kopland, Marsman (H.), Otten (Willem Jan), Van Paemel, Wigman, Zwagerman

 

5 Faverey, Palmen, Slauerhoff, Verhulst

 

4 Armando, Boutens, Ter Braak, Campert (Jan), Deelder, Elsschot, Haasse, ’T Hart (Maarten), Hofland, Huygens, Kellendonk, Kousbroek, Lanoye, Lucebert, Nescio, Rijneveld, Timmermans

 

3 Abdolah, Anker (Robert), Boon, Brandt Corstius, Brusselmans, Cremer (Jan), Dorrestein (Renate), Elburg, Hanlo, Jansma, Van Lennep, Van Maerlant, Michel, Naeff, Paaltjens, Ramdas, Van het Reve (Karel), Rodenko, Snoek, Voskuil, Walschap, Wilmink

 

2 Arion, Op de Beeck, Van Bruggen, De Coster (Saskia), De Hartog, Hemmerechts, De Jong (Oek), Krabbé, Marugg, Minne, Van Ruusbroec, Schippers, Snijders, Streuvels, Tellegen, Van de Woestijne, Wolkers

 

1 Andreus, Anthierens, Ter Balkt, Ten Berge, Bernlef, Boskma, Brassinga, Bredero, Claes (Ernest), Conscience, Couperus, Debrot, Van Dis, Den Doolaard, Van Effen, Emants, Feith, Gerhardt, Harmsen van Beek, Kortooms, Kossmann, Lampo, Lodeizen, Van Marxveldt, Michiels, Mutsaers, Nahon, Olyslaegers, Polet, Schierbeek, Spit, Springer, Starink (Gertrude), Teirlinck, Wieringa

 

0 Alberts, Amatmoekrim, Barnard, Van Bastelaere, Berckmans, Beurskens, Biesheuvel, Bijns, Bindervoet, Birney, Blaman, Van Boendale, Bosboom-Toussaint, Van den Broeck, Burnier, Burskens, Buwalda, Buysse, Cairo, Chabot, Coolen, Coornhert, Daem (Geertrui), Dermoût, Dewulf, Ducal, Duinker, Enquist, Eybers, Fabias, Februari, Fens, Ferron, Van Focquenbroch, Frank, Geeraerts, Gerlach, Ghyssaert, Gilliams, Gils, Giphart, Van der Graft, Groot, Te Gussinklo, D’haen, De Haes, Hadewijch, Hamelink, Heeresma, Heijne, Henkes, Hoste, Hotz, Jongstra, Jooris, Kessels, Van Keulen, Knibbe, Koch, De Kom (2x), Koolhaas, Korteweg, Krijgelmans, Kuijer, Last, Van Leeuwen, Lieske, Loveling, Luyken, Mandelinck, Van Mander, De Martelaere, Meijsing (2x), Mettes, Minco, Moens (Petronella), Mortier, Dèr Mouw, Noordervliet, Note, Oosterhoff, Van Oudshoorn, Ouwens, Paape, Pernath, Perquin, Pleysier, Prins (Sonja), Raskin, Reints, Robberechts, Roemer, Roggeman, Rosenboom, Schaffer, Schouten, Schuur, Siebelink, Smit (Wilfred), Spinoy, Stitou, Tepper, Thomése, Uphoff, Vaandrager, Vanhauwaert, Vasalis, Van Veldeke, Verhelst, Vianen, Vinkenoog, Vlaminck, Vogelaar, De Vos, De Waard, Weyerman, Wijnberg, Van Wilderode, Wolff/Deken


Ik weet eerlijk gezegd niet of de cijfers helemaal kloppen, omdat ik niet elk citaat aangeklikt heb. Bij een vermeende treffer voor Vogelaar deed ik dat wel en moest mijn enthousiasme meteen blussen. Dit betrof de betreurde politica, naar wier grotestedenbeleid wijken werden genoemd.

Zelf vind ik sommige getallen opvallend, zowel voor recente auteurs à la Bouazza als voor de vaste namen uit de literatuurgeschiedenis. Maar anderen zijn allicht beter geplaatst dit desgewenst te duiden of te relativeren.

woensdag 4 mei 2022

Lek aan alle kanten

 

 

‘Toch nog onverwacht’. Het went nooit, het openritsen van karton, hoop op directe herkenning, het vastpakken en neerleggen. En bovenal niet beginnen met lezen – de angst voor tik-, bind- en inhoudsfouten mag voor onbepaalde tijd walmen.

Juist bij dit boek zouden missers passend zijn. De encyclopedieën van de val demonstreert hoe onze (westerse?) cultuur is doordesemd van één beweging, verticaal, naar beneden. In een brein als het mijne een startschot voor een race zonder finish.

Het is schier bevrijdend een tekstgenre te confronteren met mijn kennistekort. Door een baantje als leraar, in België tot overmaat van ramp prof genoemd, kon ik tot op heden niet anders dan uitleggen wat het verschil is tussen ‘zogenaamd’ en ‘zogenoemd’, maar nu heb ik een materieel bewijs in een boek, onmachtig dik, een klomp zo lomp dat hij tegen een ruit kan worden gegooid zonder dat er iets breekt.

Bovenal moest dit project onvoltooid blijven. Al tijdens de schrijfarbeid voerde ik selecties door. Met name bij het onderwerp wielrennen, waar gevallen wordt bij het leven. De legendarische tuimeling van Tom Simpson op de Mont Ventoux (13 juli 1967) verklaarde ik ongeldig om moverende redenen, en het lot van de tragische Amy Pieters mocht en mag niet verweven worden met mijn geleuter.

Tegen mijn gewoonte veranderde ik tijdens de proeven bijna niets meer. Toevoegen zou verraad zijn, zelfs tegenover de eerlijkheid die ik, ook voor het eerst, heb betracht over mijn eigen leven.

Dus liet ik verfijning van het fabuleus complexe lemma Baksteen na, door de betekenis van het plots hippe oermobieltje niet verder te autobiograferen. Toch belt mijn gezin me geregeld op een nummer dat ik niet ken. Meestal rinkelt het dan in een jaszak op de gang, tussen handdoeken of wasmand in de badkamer of uit de kussens op de televisiebank.

Eerlijkheid is sowieso duizelingwekkend. Idee was haar in te wrijven met mijn geheugen vanaf een fietstocht in 2018 door Europa, startend in Algeciras. Nu pas besef ik dat daar een empirische literaire theorie is geformuleerd die onomstotelijk was in mijn vak. Ze ging over Zinloze Feiten, ‘dat een belangrijk deel van het verhaal er zelfs niet eens is, omdat het begin, de kop, er finaal aan ontbreekt’, zodat auteurs draden moesten spannen.

woensdag 27 april 2022

Buiten in de verte

 


 

 

Op deze plaats had ik Affectieve crisis, literair herstel. De romans van de millennialgeneratie (2021) van Hans Demeyer & Sven Vitse willen bespreken. Maar mijn tank raakte leeg na de inleiding en het eerste hoofdstuk. Spijtig. Het onderwerp verbaast me dusdanig, dat ik het ooit eens met al mijn oude benen probeerde in kaart te brengen – Demeyer en Vitse mogen gerust ervaringsdeskundiger heten omdat ze zelf, zoals ze in een bijstelling van twee woorden onthullen, millennials zijn.

Wat mij rest, zijn lusteloze kruisjes in hun marge. Moet ik dat onvermogen thematiseren? Ten eerste overtuigen de voorbeeldauteurs van deze generatie me nog altijd niet. De zogeheten dominant mag zijn verschoven van epistemologisch (modernisme) en ontologisch (postmodernisme) naar affectief, maar de bijbehorende literaire citaten uit hoofdstuk 1 waren, op die van Ben Lerner na, voor mij aan de dodelijke kant.

Die constatering ergert me, omdat ik dan museale Contrabas-neigingen vertoon die geïnspireerd waren door Gerrit Komrij. Een inhoudelijk verschil van inzicht wordt dan vermeden met stijlkritiek. Qua dienstjaren zou ik me bovendien schuldig maken aan wat ik ooit ‘zoonsmoring’ genoemd heb, terwijl millennials volgens Demeyer en Vitse nota bene gebukt gaan onder ‘vrijheid van autoriteit’.

En de twee wetenschappers zelf? Van Vitse weet ik dat hij prachtig kan schrijven. Is Affectieve crisis, literair herstel echt mede van zijn hand? Ik hoop niet populistisch te zijn, maar bij vlagen leek er een werkvertaling uit het Engels afgedrukt: ‘Deze reparatieve houding gaat niettemin ten koste van een meer kritische duiding van de affectieve effecten van technologie.’

Toch ben ik degene die loos babbelt. De geanalyseerde auteurs zijn allang vertrouwde namen en hun teksten werden als vanzelfsprekend kwaliteitsvol aangenomen. Ook door studenten neerlandistiek en hun docenten. Vandaar dat ik al eens, mede wegens een voorpublicatie uit Demeyer en Vitse, het kwestieuze begrip smaak op de agenda trachtte te zetten.

Ik zou overigens liegen wanneer de sympathie van de wetenschappers voor millennialteksten mij verraste. Wel lijkt ze onderdeel van een wending in smaak of van voortschrijdend inzicht. In een knappe zelfanalyse had Vitse zijn vroegere veroordeling van Bregje Hofstede-tekst al herroepen. Hij wilde literatuur niet langer ontmaskerend maar empathisch benaderen. Naar mijn idee verwierp hij aldus ook criteria als kwaliteit, originaliteit en diversiteit. Bijvoorbeeld een essaybloemlezing die ik provinciaal vond, getuigde in zijn ogen van intellectuele prikkeling.

Tegelijk kon en kan ik die opstelling niet goed plaatsen omdat Demeyer en Vitse al expliciet hadden gesteld ‘ideologiekritische’ interpretaties te geven. Op dat theoretischer punt biedt Affectieve crisis, literair herstel me nog altijd geen duidelijkheid. Hun aanpak presenteren ze als deconstructies van sociaaleconomische en historische context, aangevuld door aandacht voor ‘affectieve structuren – zoals patronen van verwachting, verlangen of identificatie’.

Volgens mij zitten die structuren in elk denkbaar verhalend boek; volgens hen verkeren ze bij deze generatie alleen permanent in crisis, waardoor millennials tegelijk zouden zoeken naar verzoening en herstel. Demeyer en Vitse zijn innemend open over hun – volgens mijn gedateerde strengheid – toch wat gespleten houding tegenover elk boek op zich, die ze ‘welwillend’ noemen. Ze kiezen

 

‘niet bij voorbaat de paranoïde positie van de ideologiecriticus die in alle pogingen tot ontsnappen slechts bevestiging van de status quo ziet. Waar het herstel vanuit ons perspectief echter cultureel en ideologisch problematische vormen doet herleven, zullen we dit naar ons beste inzicht als crisisverschijnsel duiden.’

 

In laatste instantie zou het boek dan patronen blootleggen ‘die de gevoelsstructuur vormen van het opgroeien, leven en schrijven in de eenentwintigste eeuw’.

Hoe prijzenswaardig ik het ook vind dat ze daar ook wat internationale fictie bij betrekken, het spijt me dat bij die analyses louter Engelstalige bellettrie in oorspronkelijke taal wordt geciteerd. Volgens mij betonen Demeyer en Vitse zich zo te volgzaam. Zeker met hun Belgische roots hadden ze zonder snobisme Édouard Louis in het Frans kunnen citeren. Mij lijkt zo’n praktijk in wezen selectief, en dat was exact mijn grondbezwaar tegen een mede door Vitse samengesteld DWB-nummer, dat achteraf valt te zien als publieksopmaat voor Affectieve crisis, literair herstel en ook neerlandistische steun kreeg.

Wel besef ik dat mijn kritiek in laatste instantie moreel was en blijft. De problemen die Affectieve crisis, literair herstel in het eerste hoofdstuk schetst met de wereld (digitaliteit, media, bemiddeling, machtsongelijkheid, privatisering, burn-outs, globalisering, nationalisme, identiteit, patriarchaat, klimaat enz.) gelden voor alle aardbewoners. Wat bezielt deze generatie daar zo narcistisch mee om te gaan? Want ja, zo kwalificeer ik, hopelijk weer niet te populistisch, een ‘affectief begrip van de werkelijkheid’.

Ondertussen lijkt millennialliteratuur in hoofdstuk 1 dus nog altijd onbijzonder. Wereldliteratuur bewijst ten overvloede dat er geen claim op ‘hechting, verbinding, gemis en verlangen’ of op ‘zorg en identificatie’ kan worden gelegd. Wat maakt het gemis fundamenteler dan dat van generaties voor en na hen?

Ik zag dus het niet en gaf simpelweg op. Wel las ik simultaan in de Tropismen van Nathalie Sarraute en wist het raadsel slechts vergroot: een affectief boek, principieel zonder ego.

 

In plaats van een recensie op Affectieve crisis, literair herstel wil ik een millennialboek overdenken dat meer of minder gearticuleerde generatieovertuigingen wellicht in de praktijk brengt. De in 1985 geboren Emy Koopman publiceerde dit jaar, na twee romans, Tekenen van het universum. Verslag van een obsessie. Van deze nader te begenreren tekst zag ik al een lyrische bespreking.

Koopman dunkt me onverdacht deskundig. Haar kennis blijft nooit beperkt tot literatuur, maar strekt zich uit over geschiedenis en maatschappij, en ze verricht ook journalistiek werk. Bovendien vertoont ze geen millenniumkwaal die ik zelf onder de leden heb: gemakzucht. Het onvermijdelijke Audre Lorde-citaat dicht ze niet alleen acribisch toe aan ‘de Caraïbisch-Amerikaanse schrijfster en activiste’, maar ze vermeldt er ook bij dat het ‘ietwat ongepast [is] gezien de apolitieke context’ van Tekenen van het universum.

Afgaand op het adagium dat het persoonlijke politiek is, kan het maar de vraag zijn hoe die context te benoemen. Want persoonlijk is Koopman in het boek. Geregeld betrapte ik me op de sensatie niet te willen weten wat er allemaal aan mij als lezer wordt toevertrouwd. Soms lijkt de schrijfster zelf te schrikken; nadat ze heeft verteld over automutilatie in haar jeugd, begint ze iets nogal banaals over behoeften bij kinderen. Maar meestal behoudt ze haar ambitie ‘om te gaan waar de schaamte zit’.

Daarin lijkt ze ervaring te hebben. Op driekwart van het chronologisch opgebouwde boek, na vele ontboezemingen, ziet ze aanwijzingen dat ze blaaskanker heeft. En die vrees zet ze ‘in alle razernij’ linea recta om in een Facebookpost (die haar even onmiddellijk steunbetuigingen oplevert). Het is ook voor Tekenen van het universum als geheel een geluk, dat die vrees een canard blijkt. Zodat het boek zich kan beperken tot één voorval, dat voor sommige lezers al een melodrama is en tot therapeutisch schrijven zou verleiden.

dinsdag 19 april 2022

Al die hysterie

 


Na een tip kocht ik een boek. Mijn informant had een anekdote aangetroffen over amice Bolkestein die de schrijver ontmoet:

 

140 LEZING, DEN HAAG

 

Vier uur. Frits Bolkestein:

‘En u bent?’

Ik:

‘Naeeda Aurangzeb.’

We schudden elkaars hand.

Halfvijf. Frits Bolkestein:

‘U bent?’

Ik:

‘Eh… Naeeda Aurangzeb.’

We schudden elkaars hand.

Halfzes. Frits Bolkestein:

‘En wie bent u?’

Ik:

‘Ik heb mij al twee keer aan u voorgesteld.’

Frits Bolkestein:

‘Waarom geeft u mij geen hand? In ons land schudden we elkaar de hand.’

 

Schrijver is dus journalist en moderator Naeeda Aurangzeb, van wie ik door mijn emigratie aan het begin van het millennium geen idee heb hoe bekend ze is in Nederland. Ze registreert keurig en droog wat haar hier overkomt. Nochtans lijkt ze hier veeleer een lijdend voorwerp dan onderwerp. Door de kale vorm van een toneelstukje, waarbij commentaar afwezig blijft, herwint ze status, omdat lezers zullen gissen naar wat Bolkestein bezielt haar zo te beledigen.

Met buitentekstuele kennis kan zijn vergeetachtigheid worden toegeschreven aan zijn gevorderde leeftijd. Ik denk alleen niet dat de retoriek van dit fragment zo werkt. Van begin af regisseert hij de verhoudingen; zijn vraag is een verkapt bevel. In Bolkesteins laatste claus is de vraagvorm zelfs bijna een beschuldiging geworden.

De slotzin geeft dan een verklaring. De beleefdheid wordt volgens deze man niet bezoedeld door hem maar door haar. Handen schudden getuigt blijkbaar van manieren. Bolkesteins stelling strekt echter verder. Door het bezittelijk voornaamwoord ‘ons’ maakt hij van handen schudden zowel een nationale als culturele kwestie.

Hij verwijst Aurangzeb, tenzij ze razendsnel zijn zeden overneemt, naar de uitgang van Nederland. Tegelijk heeft, sinds een imam-ervaring uit 2004 van Bolkesteins partijgenoot Rita Verdonk, de weigering van handen schudden de geur van moslimextremisme gekregen. Daarbij is het ironisch dat ditmaal een vrouw de hand weigert én dat de drievoudige ontglipping van de naam het Petrus-verhaal uit het christendom oproept, en dus verraad Bolkesteinerzijds.

Aurangzeb bundelde dit stukje in haar boek 365 dagen Nederlander (2021). Allicht zal nu ook de ratio van het getal 140 boven de anekdote duidelijk worden: het is de dienstdoende dag in dit jaarproject dat bestaat uit tekstjes die meestal nog korter zijn. De titel zelf knipoogt overigens naar een vraag die een onbekende aan Aurangzeb stelt na afloop van een debat, of zij zich ‘soms ook wel eens’ Nederlander voelt.

Het effect van de dagstukjes is immens. Dat komt door de bondigheid ervan, maar toch ook door de virtuositeit waarmee zinnen uit de dialogen en monologen zijn geselecteerd. En kennelijk is het procedé de schrijver bevallen, want drie maanden later kwam ze met het boek Hé Lekker Ding. 365 dagen vrouw. Ik beken dat ik die titel niet gelezen heb, maar me een idee denk te kunnen vormen over de thematiek en uitwerking. Die hovaardigheid lever ik voor de goede orde als manspersoon en als taalverslaafde.

Uit werkelijk alle stukjes van 365 dagen Nederlander komen Aurangzebs landgenoten beroerd naar voren. Ze discrimineren moeiteloos onverschillig en begaan telkens dezelfde onrechtvaardigheden. Alleen al van Bolkesteins naamsbehandeling biedt het boek drie variantjes, waarin Naeeda in een dialoog plompverloren Nadia komt te heten.

In die verkeerde naam is ook de klemtoon verlegd, Hollands geplogen, en dat blijkt een constante in dit boek. Aurangzeb voegde zich in de jaren zeventig op driejarige leeftijd vanuit Pakistan, uit Azië dus, bij haar uitgeweken vader in Nederland, aan wie generaal pardon was verleend, maar haar huidskleur verleidt haar nieuwe landgenoten tot het zekerheidje dat ze afkomstig is uit Marokko of Turkije. Eén pot nat? Waarschijnlijk representeert de eerste generatie ‘gastarbeiders’ vanaf de jaren zestig iedereen die niet spierwit is.

365 dagen Nederlander laat uitschijnen dat zulke discriminatie racistische allure heeft. Bolkesteins ‘ons’ heeft er een equivalent in het persoonlijk voornaamwoord ‘jullie’. Zelden vertegenwoordigt Naeeda Aurangzeb in dit boek zichzelf. Na meer dan veertig jaar wordt ze nog aangesproken in de tweede persoon meervoud. Ze is vooral een moslima, die op recepties steevast aangeraden wordt alcohol te drinken of eens vlees naar binnen te werken.

Zo moest ik denken aan het spreekwoord Wat de boer niet kent, dat eet hij niet. ‘De’ moslima krijgt meer of minder impliciet het verwijt zich af te sluiten voor facetten van het leven, terwijl haar nobele postgelovige naasten er juist van getuigen andere facetten niet te kennen (en alle niet-Nederlandse, ‘oosterse’ gerechten toeschrijven aan ‘Ottolenghi’). Zou dat op zijn beurt dan ‘typisch Hollands’ zijn? Aurangzeb geeft geen indicaties van het tegendeel.

Ook beroepsmatig als journalist krijgt zij te maken met onbegrijpelijke vooroordelen. Meer dan eens hebben gasten in een studio niet in de smiezen dat zij hen zal interviewen. Dit refrein doet denken aan het verhaal van Gloria Wekker die, in het prille begin van haar carrière, op een ministerie als beleidsmedewerker werd aangezien voor een garderobejuffrouw.

Genoeg, roept nu 365 dagen Nederlander. Voor de ongelovigsten, inclusief lotgenoten, fungeert een fameuze regel van Audre Lorde, ‘Your silence will not protect you’, als motto.

donderdag 7 april 2022

Bij wijze van naschrift

 

 

 

Ik raak er niet uit. Meestal een goed teken voor een boek, maar mijn ongemak over Joris Luyendijks De zeven vinkjes groeit. Zeg het dan maar tegen mij, Marc, in je eigen woorden.

Een tijdje geleden meldde ik elders dat Luyendijk, niet als enige bekende publicist, lastig een schrijver te noemen valt. Inmiddels pieker ik: waarom doet hij zoveel moeite zichzelf juist in dat ambacht te presenteren? Tegelijk had zijn boek een punt dat dan wel overbekend was, maar toch. Onrecht moet worden bestreden, ongelijkheid gerepareerd en kansen gelijkelijk verdeeld.

Juist in deze maanden kunnen privileges – sorry voor mijn scheldwoorden – positief worden ingezet. Vluchtelingen uit Oekraïne, en andere geprangde landen, verdienen onderdak. Wat zou het gepast zijn wanneer burgers hun vakantiewoningen en tweede verblijven, waarvoor al zoveel publieke ruimte heeft moeten wijken, ter beschikking stellen aan minder gefortuneerden!

De kritiek die Luyendijk, ook van mij, te verduren had, kwam hem niet integraal toe. Slaat het ergens op de zekerheid te formuleren dat hij ‘het hart op de goede plaats heeft’? Er wringt dan nog altijd iets. Afgaand op het recensieoverzicht dat zijn uitgeverij samenstelde, was er louter lof. Al schijnt ze ook een advertentie met – anders suggererende – steunbetuigingen van bekende Nederlanders zoals Quinsy Gario de wereld in geholpen te hebben. In een vergeefse zoektocht daarnaar ontdekte ik dat de auteur recensies prees die hem aanstonden als ‘intelligent’ en gedurfd om, godbetert, het ‘eigen zelfbeeld te bevragen’. Ook bestond hij het achteraf zijn beklag te doen over de aandacht die hem ten deel was gevallen.

Luyendijk klaagt dat hij zijn betoog toegankelijk wilde maken voor iedereen. Daarmee schroeft hij zich harder vast aan De Correspondent, waar een elementaire, retorische stijl heerst vol anaforen. Ooit verbaasde ik me daarover naar aanleiding van een principetekst van hoofdredacteur Wijnberg en essays die deze kritische nieuwswebsite bestelde bij literatoren. Later las ik Bregman, onlangs Mommers – en de stijl blijkt besmettelijker dan ik vreesde.

Een ware tic is het aanspreken van de lezer gepaard met zelfprofilering. Dat past bij het bovenmatig narcisme van millennials, maar Luyendijk behoort daar niet toe. Geboren in 1971 zou hij een oudere broer van De Correspondent kunnen zijn. En er zit in De zeven vinkjes iets gearriveerds. De ‘research’ en ‘fact checking’ besteedde hij namelijk uit (geen noviteit, ook niet in de laaglandse literaire wereld, waar Jeroen Olyslaegers volgens mij deze primeur had).

Natuurlijk kende Luyendijk voordien een verbluffend succes dat hem wellicht toestond personeel voor dit project in te huren. Hoewel? Ik blijf kauwen op zijn meermaals geuite verzuchting dat hij maar liefst ‘tweeënhalf jaar’ aan zijn boek had gewerkt. Zo kort? En met dit resultaat? Om de tekst soepel te houden staat er tweemaal in het boek de uitroep ‘tjakka’. Ik zou de afslag naar Van ’t Heks Grachtengordel niet nemen, en de kant op gaan van Emile Ratelband en dan toch werkelijk ‘tsjakka’ spellen. Nu betoont De zeven vinkjes zich zelfs in zijn populisme halfslachtig.

Luyendijks niet-aflatende zelfpresentatie als schrijver wil de kansen uitvergroten die hij kreeg dankzij zijn privilegeseptet. Daar kan ik nog twee kanttekeningen bij maken.

Eerst is er de kwestie van ambachtelijke geloofwaardigheid. En dan gaat het meteen mis, wanneer hij belooft mannen zoals hij ‘op de snijtafel’ te leggen. Deze uitgeverij heeft een bekwame redacteur in dienst; het laten passeren van zo’n afgelebberde beeldspraak duidt erop dat de auteur als melkkoe geldt. Maar dan nog zouden bekwame recensenten én kwaliteitsboekhandels, en ik zeg dat in het besef dat stijl een fopartikel werd, hun lectuur mogen staken.

(Inhoudelijk is het beeld tragisch voor een auteur die met het boek beoogt zichzelf weg te cijferen om mensen met minder vinkjes ruimte te geven.)

Ten tweede is er zoiets als institutionele geloofwaardigheid – sorry dat ik blijf vloeken. De praktijken in de wereld die Luyendijk onder vuur neemt zijn afschuwelijk. Een ons-kent-ons-gedoe, dat in België helemaal stuitend is door de mannenbolwerken die loges heten. Wat stelt de auteur er tegenover? Zijn klacht over de ontvangst van De zeven vinkjes betrof met name de VPRO-televisie. Dat snap ik, temeer daar de twee belangrijkste critici (Neelie Kroes en Sylvana Simons) doodleuk verklaarden zijn boek niet te hebben gelezen. Minder compassie heb ik met zijn verontwaardiging dat hij in het verleden veel voor die omroep had gedaan. Dienst wederdienst? Was dit niet wat ‘op de snijtafel’ lag?

woensdag 30 maart 2022

Waarom dissensus?

 


 

Wie een huis deelt moet compromissen sluiten, maar het mijne oogt best geslaagd voor een leesideaal. Bij alle banken en stoelen waar ik geregeld lig of zit, en bij de toiletten, bevinden zich boeken en tijdschriften waar ik in bezig ben. Alleen poetsbeurten strooien roet in het eten. En ordeningspogingen?

Onlangs ontdekte ik dat zich half achter een paar schuingevallen literaire bladen op een metalen afdruiprek, hergebruikt als boekenplank, een knoeperd van een verzamelbundel ophield die ik vóór de lockdown cadeau had gekregen. Er stonden verspreide stukken in die, in hun verhoopte verwantschap, grotere handigheid en intensiteit vertonen dan wat ik hier op De honingpot probeer.

De schrijver heet Mark Fisher. Deze Engelse filosoof maakte naam met zijn boek Capitalist Realism. Is There No Alternative? uit 2009, maar was ook digitaal actief op zijn blog k-punk. Onmachtig gebruik van de verleden tijd – Fisher, drie jaar jonger dan ik, pleegde zelfmoord in 2017.

Mijn generatiegenoot vindt nog weerklank in het Nederlandse literaire taalgebied. Recent, in de verkennende studie Barricadepoëzie, dook zijn naam vanzelfsprekend op bij Samuel Vriezen en bij Dominique De Groen. Laatstgenoemde had zich ook elders over hem uitgelaten, net als Arno Van Vlierberghe en Hans Demeyer. Allen werken mee aan het tijdschrift nY, dat een door Fisher geïnspireerd dossier samenstelde.

Als altijd achter de feiten aan lopend, maak ik alsnog kennis met de stukken. Hun behapbare lengte wekt in mij de aandrang om er eens eentje te vertalen. Zoals het onderstaande, ‘Why Dissensus?’, waarbij mijn oude angstgegner PowerPoint een tik op de kin krijgt die geen Oscarkrans behoeft. Fisher bericht over meer virtueel geweld, tijdens een bijeenkomst in 2004 die hij bijwoonde. Zijn verslag is in de bundel gerangschikt bij de disparate afdeling Reflexions.

Het spreekt voor zichzelf. Hoewel? Onder de blog waarop Fisher zijn punt maakte ontspon zich een discussie waaraan hij gewetensvol deelnam. Hij beloofde zelfs een apart draadje te spinnen rond zijn boude gelijkstelling van Microsoft en macht à la Tony Blair, toenmalig premier en postideologisch ideoloog die de samenleving vergiftigde met dystopische dadendrang. Helaas heb ik die draad zo gauw niet gevonden. Wat verwacht ik toch veel van dissensus!

Wel bleek uit de blogdiscussie dat, in het begin-eenentwintigste-eeuwse Engeland, een docent die zich onthield van bulletpoints versleten kon worden voor een marxist. En dat David Byrne kunst maakte met PowerPoint. En dat Fisher zich nog had ingehouden.

Een woord waarover ik bij het vertalen twijfelde, is Fishers kwalificatie ‘Kommissar’ voor de organisator van de bijeenkomst. Deze vertolkt Blairs gedachtegoed. Voor het Nederlands probeerde ik obersturmbahnführer, feldwebel, commies, thesaurier, technocraat, agent, hoofdagent, brigadier en ik landde bij frater.

Het woord is aan hem. En vooral aan zijn opponent:

 

 

Ik hoorde het woord dissensus toen ik een paar weken geleden op de 28e verdieping was van het Centre Point.

They took me to the top of a mountain.

Uiteraard was het uitzicht verbijsterend, letterlijk subliem: Londen in al zijn onhandelbare uitgestrektheid, zowel van bovenaf gezien als vanuit het centrum zelf. Het was er hoog, zo hoog, en met de lange tafel voor je en de metropool beneden leek het alsof je de economieën van de derdewereldlanden zou moeten verpletteren.

Ik was gekomen voor een vergadering over Moodle, dat een ‘virtuele leeromgeving’ is, een behoorlijk recente – en, naar zou blijken, erg opwindende– open source softwareapplicatie. Ik wist er niks van en toen we ‘in groepjes verdeeld’ werden door de dienstdoende Blairistische frater vroeg ik botweg wat de voordelen van Moodle waren boven html. Teken: donkere blikken en gefrons van de pupillen. De frater, die zich bij onze groep had gevoegd, zegt me, op de vriendelijkst mogelijke manier, dat ik ‘weifelend overkwam en over mijn houding mocht nadenken’.

Zo! Dus weifelen is tegenwoordig pathologisch. Grof. Ik snapput.

Tuurlijk, zo snel als een flitslicht, antwoordde ik. ‘Jep… en u mocht nadenken over de status van Blairistisch manageralist.’

‘Blairistisch?’ antwoordde hij, zichtbaar verbaasd dat zijn beleefdheid werd uitgedaagd. Om te worden tegengepathologiseerd.

Vervolgens lanceerde een vrouw van het Dublin College, die ook in ons groepje zat, een achterafaanval op PowerPoint (‘gedood door een vinkje’… ‘iets wat ingezet wordt door mensen zonder charisma…’, zoals op de radio iemand deze week tijdens The Danny Baker Show terecht zei). Ze wees erop dat ze een paar weken geleden een presentatie had moeten houden en dat mensen verbijsterd en woedend waren geweest dat ZIJ GEEN POWERPOINT GEBRUIKTE. Wanneer je een opgeruimde geest hebt, dan is er werkelijk, zoals ze terecht redeneerde, weinig behoefte aan PowerPoint.

Teken voor de frater, wederom. ‘PowerPoint? Troep? Het is maar een tool, toch?’

donderdag 24 maart 2022

In een bezemomdraai

 

 

 

De nieuwe editie van Van Dale levert natuurlijk altijd wel wat commentaar op, maar betreffende het belangrijkste onderwerp op aarde, de aarde zelf, bleef het stilletjes. Logisch? Relatief gering was de aanwas van klimaatwoorden, dik twintig in vergelijking met 2015 – toen er een veel grotere sprong werd gemaakt in dit specifieke idioom.

Dat taal bij dit gevoelige onderwerp nochtans strategisch kan worden ingezet, demonstreert de liberale Gentse filosoof Maarten Boudry in Waarom ons klimaat niet naar de knoppen gaat (als we het hoofd koel houden). De opzichtige toevoeging tussen haakjes leert meteen dat er een rationele benadering van de klimaatproblematiek bestaat, die loont. Al het andere, bijvoorbeeld het detail dat onze planeet in gevaar is, blijkt hysterie.

Boudry hecht aan andersdenkenden steevast twee woorden: doem en profeet. In het oliedomste geval raken ze fataal verkleefd in ‘doemprofeet’. Het blijkt geen neologisme, maar ik vind het een krampachtig epitheton omdat het onverhuld sneert, zonder rationele nuance.

Bij (potentiële) medestanders kan het woord wellicht wel effect sorteren. Een moment improviseren met samenstellingen waarin de twee componenten figureren, maakt duidelijk dat het Nederlands er weinig goeds over belooft. Er bestaan bijvoorbeeld doemdenkers, doemgedachten, doemscenario’s – alle woorden brengen het zonnetje niet direct binnen.

Ook een profeet kan bij mensen, die met hun poten in de klei staan, niet rekenen op veel medestand. Hij spoort gewoon niet, een hystericus inderdaad, en manoeuvreert moralistisch met zijn wijsvinger. In die zin hoort Boudry’s keuze bij een hele reeks pejoratieven als klimaatfanaat, -ridder, -goeroe, -gelovige, -drammer, -gekkie. Deze types opereren in een biotoop die een klimaatdictatuur annex klimaatkalifaat is genoemd.

Zelf zou Boudry dan een goudeerlijke klimaatketter zijn, die zich louter baseert op wetenschappelijke data. Maar hij gebruikt een listiger term door zich aan te sluiten bij tovenaars. Dat woord heeft in het Nederland gunstige geloofsbrieven. Toverachtig, toverbal, toverfluit etq richten alleen maar plezier aan.

Toch kan de tovenaar met wat kwade wil in het kamp van de profeet belanden, als de associatie met magie een betekenisveld opent dat alsnog irrationaliteit verraadt. Een kwakzalver! Boudry moet zich dat gevaar bewust zijn geweest, doordat hij op zijn tovenaar consequent het etiket ’slim’ plakt.

Daarmee plaatst hij zich in een internationale traditie, die waarschijnlijk begon bij Bill Clinton en die, hoe pijnlijk, bij Obama haar hoogtepunt vond. Wie smart was, benutte niet alleen de technologie. De aanspraak is zeker ook aan de goede kant van de welvaartsgrens te staan.

Op dit smart-paradigma heeft filosoof Michael Sandel felle kritiek geuit in De tirannie van verdienste. In de Lage Landen bepleitte zijn collega Hans Schnitzler zelfs herformulering, zodat het begrip minder versluiert. In plaats van ‘slimme stad’ suggereert hij ‘voorgeprogrammeerde stad’ of ‘binaire stad’.

Het zal Boudry allicht worst wezen. Hij tergde mij met karikaturale schetsen van ‘mijn’ decennium, ‘de’ jaren zeventig, toen wolkenhoge idealen uit ‘de’ jaren zestig in de praktijk wilden worden omgezet. Actie tegen de ondergang van de planeet! Volgens hem zou zeventig dictatoriaal en hysterisch zijn geweest. Waar heb ik dat vaker gelezen.

Ondertussen paart Boudry zijn onomstreden staalhard klimaatfeitenmateriaal voor het ultieme overtuigingszetje aan beeldspraak, met alledaagse voorwerpen zoals bezems. Tegelijk maakt zijn betoog kortsluiting wanneer het concreet wordt. De grootschalige aanplanting van bossen, ter verkoeling en ter verschalking van onze vernietigende uitstoot, vindt Boudry gevaarlijk omdat er door de temperatuurstijging grote kans is op bosbranden…

Overigens zou het me niet verbazen dat de strategie met de doemprofeet pas later in de tekst is gekomen. De achterflap, in de huidige cultuurindustrie het enige wat er van een boek bestaat, kant zich nog vertrouwd tegen ‘onheilsprofeten’.

Dat lijkt ook best rendementsrijk. Woorden als onheilspellend, onheilszwanger en onheilsboodschap zijn niet uitnodigend. Maar ergens moet Boudry hebben beseft dat hij met die achterflapterm een niet te temmen tegenstrijdigheid binnenhaalde. De allerbekendste onheilsprofeet was immers Cassandra. Zij werd niet geloofd – hoewel ze de waarheid sprak.

dinsdag 15 maart 2022

De heuglijke worp

 

 

Hoe zullen na de eerste paniek de verdreven en uitgeweken Oekraïners hun verveling verdrijven, om te beginnen in het onverstaanbare Europa? Hun verblijf is geen griepje en zal langer duren dan een midweek. Zou het dan niet fantastisch zijn wanneer ze de taal van het betreffende land leren, en vice versa aan hun leraar-inwoners Oekraïens bijbrengen?

Mensen die woorden kunnen beheersen van de overheid waaronder ze verblijven, vergroten immers de kans op hun overleven. Ik heb daar een neologisme over ontmoet: ‘gezondheidsgeletterdheid’.

Daar moet je wel wat voor doen.

Buiten de mythologie houd ik niet van het woord ‘uitdaging’, maar volgens Google Translate heet het in het getroffen gebied виклик, uit te spreken als vyklyk (niet te verwarren met de in daden weinig heraklestische en in woorden allerminst eenentwintigste-eeuwse figuur van Klukkluk).

Theoretisch vergemakkelijkt de kennis van minstens één taal, zeker bij kinderen, het leren van een andere taal, met het Esperanto dat we Engels noemen wellicht als brug. Het is bovendien aardig om vallen en opstaan te delen en tegelijk te merken dat het begrip voor elkaar toeneemt.

Ten slotte mag ik bij dit idee, noem het gerust een proposal, als Hollander het zakelijk belang niet vergeten. Meer literaturen kunnen zich op termijn verheugen in een vergroot afzetgebied. Voorlezen en lezen zijn immers nuttige breekijzers om toegang te krijgen tot een taal.

Laat de boeken komen.

 

In eerste instantie kunnen bibliotheken nuttige diensten bewijzen. Ik ben er althans nog nooit in een geweest die niét afgeschreven, dubbele en beschadigde exemplaren verkocht. Nu doen ze dat eens helemaal gratis, voor de goede zaak.

Bovendien moet er in bibliotheken expertise liggen van leesniveaus. Met becijferde en benummerde etiketjes en zo, die eindelijk maatwerk kunnen leveren. Dolletjes.

Ik zeg dit op een gevoelig moment. Vorige week is bekendgemaakt dat het maatwerk bij Biblion, ter verhoging van de vergeetsnelheid (‘doorlooptijdverkorting’), in het vervolg zal komen van robots wier artificiële intelligentie bij het lezen onverslaanbaar wezen zou.

Zacht gezegd was niet iedereen overtuigd. De onmisbaar geworden literaire nieuwssite Tzum begon manisch te walgen. Op schier ieder uur van de dag, algoritmisch bijna, werd het ene bitse bericht na het andere – met te lange titels en te oubollige foto’s van computers uit de jaren stilletjes – de wereld in geslingerd. Erg veel menselijk zintuig voor taal proefde ik er ook weer niet in.

De beleidsverantwoordelijke directrice van Biblion werd dermate zouteloos gehekeld, dat ik ridders-en reddersfantasieën in mij voelde opwellen. Mijn geliefde branchestek Neerlandistiek.nl beweerde onderwijl dat er honderden recensenten ‘op straat gezet’ waren. Met Oekraïne zo dichtbij! Gelukkig stond erbij dat deze mensen erg mager werden vergoed voor hun arbeid om de boekenstroom in een handjevol woorden van aanschaftips te voorzien.

Ik hoop dat zij hun huis niet hoeven te verlaten.

maandag 7 maart 2022

Prismatische breking

 

 

1. 

Bij alle kijkjes in het blijkbaar ovaal geworden hoofd van kameraad Vladimir Poetin, na de oorlog die hij in Oekraïne ontketende, wijst de wegkapitein me erop dat één supermicrokleine, ultrawerkzame factor niet wordt genoemd. Die schraagt evenzeer het voortgaande geraaskal van Trump en dat van vele machthebbers voordien, ongeveer tot terug in de Oudheid.

Zij zijn: mannetjes.

Dat zou betekenen dat de wereld wel heel sterke vrouwen nodig heeft om in evenwicht te raken. Inderdaad mag naast niet-aflatende analyses van hoe Poetin zich over een periode van jaren heeft voorbereid, eventjes worden opgemerkt dat hij Oekraïne pas aanviel nadat Angela Merkel van het wereldtoneel verdween.

Maar Ursula von der Leyen dan? Ze kwam nota bene niet eenmalig in de publiciteit doordat bijna net zo machtige politici, meer specifiek heren, haar bij officiële begroetingen negeerden. In de recente geschiedenis was er verder Theresa May, die zich dienstbaar maakte aan een Brexit-agenda die de hare niet was.

Evenzeer uit Engeland stamde iemand die de Iron Lady werd genoemd, wat verwijst naar haar door niets te doorboren onverzettelijkheid maar waaronder ik toch ook het strijken van kleding beluister. Ze verlaagde haar stem tot herenhoogte en recycleerde, zoals Mary Beard uitlegde, een vrouwelijk symbool in het fenomeen handbagging, het verbaal verpletteren van iemand anders.

O collega mannenmens, wij staan er niet goed op. Gelukkig heeft Caroline Criado Perez met nogal machistische beslistheid gedemonstreerd hoe de wereld op de maat van heren is gesneden. Ook zette Rebecca Solnit, na slachtoffer van onze soort te zijn geweest, het fenomeen mansplaining op de agenda (überhaupt kun je ver en hoog komen met napraten).

Dit is natuurlijk gemakzuchtige praat van een zijlijndeskundige. Dus pijnigde ik mijn hersenbinnenste voor aanvullende bewijzen. En dacht aan een topos in belangwekkende televisiereeksen De Indische rekening en Sander en de kloof die, achteraf gezien, best maf was. Als tussendringende vertellers waren Sander Schimmelpenninck en Hans Goedkoop niet alleen personages in hun relaas. Ze annexeerden ook de verbeelde ruimte door hun, overigens prachtige, eigen huis als decor te nemen.

Zouden vrouwen dat durven, in documentaires waarvoor ze bij de research geholpen hadden? Iets zegt me van niet, los van het feit dat ik geen voorbeelden ken. Waarom? Mijn vermoeden: ze zouden het vooroordeel vermijden zelfs in ernstige materie aan lifestyle te doen.

 

2.

Hoe zou de taalvaardige Goedkoop zichzelf inmiddels definiëren? De laatste keer dat ik zijn naam aantrof, was in een eenmalig Indisch-Nederlands glossyinitiatief, dat vet knipoogde naar Linda en zich Pinda noemde. Daarop reageerde een Dekolonisatie Netwerk dat die titel ‘problematisch’ en racistisch was. En dat het niet om te lachen was, veeleer walgelijk, om daar de uitdrukking ‘tot pinda gemaakte’ bij te slepen.

Hier raken we het hart van een debat dat enige jaren op de teller heeft. Vooral trans-Atlantisch, waar zich in media al sinds 2012 taal profileert die identiteitskwesties uitdrukt. Centraal in dit debat staat degene die ook de rode draad weefde in mijn vorige fragment, als marionettenspeler van de macht: de witte man. Deze calimeroot nog wat en hoopt een denkbeeldige vijand te raken door kaatsing van het diffuse woord woke, waarmee de onderliggende partij zich moed insprak. In het Nederlands is het zowel een substantief als een adjectief.

Bij kaatsing door de bovenliggende partij waant de witte man zich slachtoffer. Zijn meningsuiting zou beknot worden en hij weet voortdurend kans te lopen op cancelling. Alleen de zwakste broeders van de bovenliggende partij maken vervolgens excuses. Volgens dit projectieschema zou Goedkoop, al is hij dus niet spierwit, desnoods gerepigmenteerd worden om schuldig te zijn.

Hoe dat allemaal precies werkt, blijft schimmig. Maar inleidende verheldering biedt Walter Weyns in zijn boek Wie Wat Woke? Een cultuurkritische benadering van wat we (on)rechtvaardig vinden. Ik beken dat ik het, voor zover dat al mogelijk is, niet neutraal heb gelezen, na kennisname van twee recensies op wittemannenbastions: met pathetisch grote lof van de Vlaams-nationalistische website Doorbraak, en naar rechts doorverwijzende reserves van het gestaald linkse DeWereldMorgen.

Daarnaast is het in mijn sector ondoenbaar te ontkomen aan berichtgeving rond een nieuwe roman van Jamal Ouariachi, blijkbaar ook gewijd aan woke. Terwijl Nederland het dus moet stellen met een tijgerzaag, beweegt België mee met het scalpel van Weyns. Deze cultuursocioloog serveert in eerste instantie feitenmateriaal, zowel historisch als actueel. Hij vat woke op als een prismatisch begrip, net als ‘witheid’, wat een nuttige observatie is, nu prominent zelfzekere rechtsradicalen de kennis van de ware werkelijkheid van alledag claimen:

 

‘Een prisma toont dat er twee kanten zijn aan licht: aan de ene kant een witte luchtbundel, aan de andere kant de kleuren van de regenboog. Nochtans gaat het om hetzelfde licht. Prismatische breking zet het ene om in het andere.’

 

Uiteraard is deze blik tegelijk retorisch geslepen omdat Weyns zelf een witte man is en onvermijdelijk zijn perspectief mee laat kleuren in een beeldrijke stijl, die zich tegenover woke zowel ironiserend als besmuikt opstelt. Bovendien doet hij eerst rustig zijn betoog en duidt pas in het laatste hoofdstukje het begrip woke talig. Dankzij woordenboeken, waarvan hij bij de introductie van het prismatische concept had verklaard dat ze tekortschieten.

Objectief is Weyns dus allerminst, maar hij houdt zich ook ver van Ouariachi’s rigide subjectiviteit. De vergelijking van woke met gnostici die over inzichten zouden beschikken die niet-ontwaakte zielen missen, zie ik de op direct effect beluste literator niet maken. In Wie Wat Woke? houdt een professor een lange tafelrede voor vrienden en potentiële geestverwanten. Des te merkwaardiger dat hier de suffragette die zich onder het paard van de koning wierp Emily Dickinson heet, zoals de dichteres, en dat de geschiedenis haar kent als Emily Davison.

donderdag 24 februari 2022

Blijf van mijn mening af!

 


 

 

In de week dat Poetin een oorlog begon die zo onbegrijpelijk is dat kenners haar alleen kunnen duiden uit de stand van zijn wenkbrauwen en duimen, had ik meningen.

Eentje ging over een onbegrijpelijk boek en de dermate onbegrijpelijke reacties daarop dat ook de redacteur van een kwaliteitskrant zich verbaasde over ‘de hoeveelheid ophef’; een andere mening gold een verzameling wetenschapsartikelen over het onbegrijpelijkste medium dat we gemakshalve taal noemen.

Twee meningen, en de week is nog niet eens voorbij! O conimex, o deuren.

Een tijd geleden las ik van Jacob Groot Toen ik alle dingen zag. Reis door de tijd van de provincie. Een reportage (2020). Herkende ik wie of wat en waarom eigenlijk?

 

‘De typische Nederlander, zoals we allemaal weten, wil zo weinig mogelijk eigenschappen gemeen hebben met de meerderheid van de Nederlanders. Afkomstig uit het meest nederig gelegen land ter wereld, voert de typische Nederlander bovendien overal en nergens het hoogste woord, alsof de wereld alleen voor hem bestaat en de wereld dat zal weten ook. De typische Nederlander is eigenlijk gewoon een solipsist.’

vrijdag 18 februari 2022

Het motto van deze regering

 

 

Vooruit. Politieke vernieuwing, digitale cultuur en socialisme (2021) van Ico Maly is even leerzaam als deprimerend. De marketing komt nog altijd bij je thuis tegenwoordig, maar verder over de drempel dan een aap zou wensen. Van een schermpje naar je hoofd, het is in de politiek evengoed een kleine stap.

Het boek is beter geschreven dan ik verwacht had, al gebruikt ook Maly te pas en te onpas dat rare werkwoord ‘vervellen’ wanneer er iets is veranderd dat weinig goeds belooft. Maar hij beschrijft al genoeg waar ik met grote, allerminst begerige ogen naar kijk. Lang maakte het vak van copywriter me jaloers, nu weet ik het even niet meer.

Wat voor een mensbeeld moet je hebben om, voor een partij die ook als beweging solidariteit in het vaandel zegt te dragen, een funnel te construeren? Da’s een trechter waar zelfs klanten van Dante nooit meer uitkomen. Hier gaat het om digitale oproepen aan zogeheten gewone mensen eindelijk te zeggen waar het op staat. Die input wordt door hoogopgeleide partijstrategen vervolgens genegeerd, geherformuleerd of gekopieerd.

Bizar is te lezen dat partijleider Conner Rousseau zich bij Vooruit, zijn naam voor socialisten 2.0, inspireerde op ‘een paar slimme gasten in een café in Gent (die) een ongebruikte oven zagen, hun geld bij elkaar legden en ZELF brood begonnen te bakken.’

Maly tekent terecht aan dat dit meer klinkt als een start-up dan als een socialistische eenheid, maar ik hoor in Rousseaus uitleg nog iets. Het ontstaan van de vrije markt namelijk, volgens Adam Smith, die bij bakkers een welbegrepen eigenbelang zag – dat door een onzichtbare hand zou worden gecorrigeerd wanneer de prijs voor de klant de hoogte in schiet.

Vermoedelijk hoorde Rousseau zelf in het initiatief van zijn slimme gasten Geen woorden maar daden (een motto dat bij een bepaalde Rotterdamse voetbalclub ook aanslaat). Maar dat denk ik wegens een citaatfragment waarmee Maly me zowaar de slappe lach bezorgde. Dus sloeg ik er dankzij zijn eindnoot het interview op na. En Conner Rousseau, King Connah voor de vrienden, zegt het echt:

 

Toch ben ik er echt van overtuigd dat deze regering het geloof in de politiek kan herstellen, door fatsoenlijk beleid te voeren en elkaar niet voortdurend aan te vallen in de media. ‘Show, don’t tell’, dat moet het motto van deze regering zijn.

 

Of schater ik uit leedvermaak? Niets menselijks is mij vreemd, maar dan zou ik me veeleer schamen mijn eigen vak zo belangrijk te vinden dat iedereen het zou moeten kennen.

Hetzelfde interview leerde me trouwens dat Rousseaus boek T., een zogeheten origin story die zijn politieke passie wil verklaren uit zijn jarenlange vrijwilligerswerk bij de jeugdbeweging, eerst anders zou heten: Mijn kampen. ‘Die titel werd me voorgesteld, maar ik had geen goesting in een Hitler-rel.

woensdag 9 februari 2022

Het moderne retroleven

 



 

Een A-merk-schrijver klaagt in een opiniestuk over zijn privileges. Het staat in een kwaliteitskrant en verschijnt ter gelegenheid van zijn nieuwe boek bij zijn nieuwe uitgever, die meer maatschappelijk geëngageerd is. Een dag later geeft hij er een groot interview over in een andere kwaliteitskrant, en ik word verwittigd dat hij ook op de Belgische televisie komt klagen over al dat onproblematische voorschuiven. Wordt ongetwijfeld vervolgd. Arme meneer.

 

Syl Johnson is overleden, een paar dagen na zijn broer. Wat een muziek, wat een intensiteit, wat een woede! Hij zal voortleven. Volgens de laatste cijfers in 414 samples en 27 covers.

 

Nadat onze oude buurman stierf en even later zijn vrouw, kwam hun vervallen huurhuisje te koop te staan voor een absurd hoog bedrag (‘toplocatie’). Vóór de kijkdag was het al verkocht. Twee jaar lang werd het verbouwd, hoorbaar grondig, ook in de weekenden. De toekomstige buur bracht materiaal in zijn SUV. Na de renovatie stond het huis plots te koop, voor meer dan het dubbele. Familiekapitaal gewenst. Vandaag vertelt een diagonale sticker ons: VERKOCHT!

woensdag 2 februari 2022

Niemand een tweede kans?

 


 

 

Ik las De wederafbouw van de satire, een pamflet dat afgelopen zomer verscheen. Arthur Umbgrove begint het met fictie, in de vorm van een verhaaltje dat rond 2040 speelt. Cabaret is dan illegaal en fysiek gemarginaliseerd. De dienst wordt uitgemaakt door safe stages waar louter ‘neutrale’ kunst wordt vertoond. In die maatschappij zijn ‘stigmatiseren’ en ‘stereotyperen’ domweg uitgesloten.

Dit verhaaltje is een dystopie maar ik kan het evengoed sciencefiction of parodie noemen. Het wil natuurlijk overtuigen voordat Umbgrove met rationele argumenten aankomt. Zo etaleert hij zijn grieven, waarna de taal die beter bij het pamfletgenre hoort het werk kan afmaken.

Toch schermt Umbgrove al in zijn dystopie met feiten. En dan hinkt zijn geloofwaardigheid omdat hij Wim Sonnevelds meesterstuk Frater Venantius tien jaar te laat dateert. Even ongemakkelijk stemt me in het betoog een eindnoot, bij een uitspraak van Robin Williams, dat Umbgrove de precieze quote niet meer weet en het fragment niet kan vinden – maar dat de strekking klopt. Een snelle blik leert ten slotte dat de bibliografie in De wederafbouw van de satire nogal mager is.

Dit zijn geen reflexen die ik met liefde verwelkom. Umbgroves onderwerp is namelijk belangrijk en de vrije meningsuiting wordt al omzwermd door genoeg meningen. Ironischerwijs betwisten ze geregeld het bestaan ervan. ’Je kunt tegenwoordig niets meer zeggen’. ‘Elk woord wordt gewogen.’ ‘Zelfs een compliment kan verkeerd vallen.’

Hoe ziet de veelzijdige Umbgrove het, die zich in zijn pamflet vooral aandient als cabaretkundige? Hij erkent meteen dat de tand des tijds evengoed knaagt aan humor. Daarbij noemt hij ook een recente klassieker van Arjen Lubach waarvan de houdbaarheidsdatum al zou zijn verstreken. Maar spoedig spitst Umbgrove zijn betoog toe op religie.

Ooit was het revolutionair en emanciperend te spotten met geloof; hij noemt het Ezelproces. Heden zou die vrijmoedigheid onmogelijk zijn. Het keerpunt ziet Umbgrove in Nine-Eleven en in de moord op Theo van Gogh. Zo presenteert de achterflap dit frame ook en wordt, nog maar eens, ‘de islam’ aanstichter van alles wat ongewenst is in de verlichte westerse wereld. Ditmaal (zelf)censuur. De tekst zelf gewaagt van een ‘tweede machtsfactor’, die agressiever en effectiever zou zijn dan de gevestigde orde waartegen satire zich per traditie richt:

 

‘Ik weet wel dat er nog een paar cabaretiers zijn die het nog aandurven de islam te bekritiseren, maar ook zij laten het uit hun hoofd om de profeet rechtstreeks te beledigen. Daar waar zij zonder voorbehoud en direct de spot drijven met oude “heiligen”, zoals Jezus of de (toenmalige) koningin.’

 

In het allerlaatste voorbeeld meen ik Hans Teeuwen te herkennen, wiens opvattingen en status De wederafbouw van de satire vaker aan de orde stelt. Umbgrove meldt bovendien netjes dat zijn angst verder al is vertolkt door Youp van ’t Hek. Het feit dat zelfs mij dat in België bekend is, spreekt dat de censuur niet een beetje tegen?

Mij valt vooral op dat humor hier zonder voorbehoud gelijkgesteld wordt aan kritiek. Maar gelukkig beperkt Umbgrove zich niet tot ‘de fanatieke en gewelddadige gelovige’ op dit domein. Hij kant zich evengoed tegen dit type als het ‘radicale morele verontwaardiging’ ontplooit over kleur, geslacht en geaardheid. Deze onderwerpen zouden inmiddels het debat overheersen. Met als overbekende klacht dat je voor je het weet door gutmenschen wordt beticht een racist of seksist te zijn.

Ik word steevast verdrietig wanneer ‘radicaal’ een negatieve connotatie krijgt. En dat gebeurt in dit pamflet, op voorspelbare wijze. Wanneer Umbgrove het verschijnsel woke aanroert, verklaart hij het als ‘zoiets als alert op sociale misstanden’. Daar kan hij niet anders dan sympathie voor opbrengen. Maar even later ontwaart hij belaging van de medemens door fundamentalisme. Dan betekent woke ‘radicaal ontwaakt’.

Met nog een woord weet Umbgrove me op de kast te krijgen. Robin DiAngelo’s antiracismeboek is hem te enkelvoudig in de benadering van identiteiten, te zwart-wit. Daarin kan ik, een middelbare witte man, hem volgen. Toch wriemelt De wederafbouw van de satire in een oude wond. DiAngelo zou namelijk ‘een hermetisch verhaal’ vertellen. Oei, zelfs wanneer hier iets als luchtdichtheid of wereldverzaking wordt bedoeld, reduceert Umbgrove onnodig. In dat hermetisme ziet hij ‘nauwelijks plaats voor humor’.

Die plaats zou wat Umbgrove betreft wettelijk verankerd mogen zijn, in het belang van elke burger. Humor is volgens hem een ventiel, zoals carnaval dat voor katholieken was. Dogma’s, geboden, taboes – ze gaan even aan de kant, opdat onze lach onszelf kan bevrijden. Zonder lach zou onze emotionele huishouding uit balans zijn en zou er agressie ontstaan, onderdrukking, onvrijheid. Daar geeft Umbgrove voorbeelden van, die uit één hoek komen: kalifaatmensen, kaalgeschoren mannen en ‘een conservatief Lagerhuislid’.

Zo komt een derde woord centraal in de aandacht. ‘Humor schept vrijheid. En vrijheid schept humor.’ Deze bijna-sententie haalde, omgedraaid en licht herschreven, als uitsmijter de achterflap: ‘Satire en haar instrument humor moeten gevrijwaard worden van elke vorm van censuur, schrijft Arthur Umbgrove in zijn vlammende en bevlogen pamflet, want vrijheid schept humor en humor schept vrijheid.’

Natuurlijk verscheen De wederafbouw van de satire vóór de gewelddadige coronabetogingen, maar evident is dat ‘vrijheid’ als containerbegrip meer dan ooit allerlei, soms tegenstrijdige doelen dient. Dat blijkt al uit de titel van het pamflet. Het was immers na een afgrondelijke oorlog tegen een nazidictatuur dat in Nederland de wederopbouw van start ging. Dat we momenteel afglijden naar een vergelijkbare ramp is dan een krasse suggestie.

Ook viel de periode van de wederopbouw niet op door grondige vrijheid; Umbgrove waarschuwt bij de voorbeeldvoorvallen van wat hij als censuur beschouwt dat ‘de jaren vijftig [terug]keren’. Pas in de jaren zestig en zeventig zou ware vrijheid zijn veroverd. Heden betekent het begrip bovendien voor diverse beroepsgroepen wat anders. Het zijn immers niet alleen cabaretiers die zich bedreigd voelen. Al langer blijkt op dat vlak iets gaande dat door corona louter versterkt wordt.

Journalisten, medisch personeel, politie… ze weten zich in het nauw gedwongen en ze ervaren dat fysiek. Ik zou niet graag een rangorde aanbrengen wat dan minder of meer levensbedreigend is, noch wie al dan niet een essentieel beroep uitoefent. Wel vind ik het voor Umbgroves stiel interessant dat humor te maken zou hebben met vertrouwen. Het ligt dan wel bij de ontvangende partij, die in staat is ‘gelaagdheid’ te decoderen – en een eventuele belediging te slikken met redenatie?