maandag 2 april 2018

Het moment suprème




Begrijp ik dat miljarden mensen zitten te zweten, nu een bedrijf met de door en door betrouwbare naam Cambridge Analytica (niet te verwarren met het Oxford Haarinstituut) iets heeft uitgespookt met privégegevens? Zou het de eerste en enige speler op de markt zijn die interesse heeft in onze opvattingen – en in consumptiepatronen?
Wij mensen, onschuldige bloedjes, hebben op Facebook nota bene het beste van onszelf gegeven, tot en met de overbodigste vakantiefoto. Kennelijk is de profileringsdrang nog even groot als toen kolonialen zich met geweer en tropenhelm lieten portretteren boven een gedood zeldzaam wild dier, één been losjes op de gevulde pels.
Ik las tijdens deze zoveelste onthulling over Facebooks alomtegenwoordigheid toevallig de studie Het geheim van de laatste staat door Paul Frissen uit 2016. Hij zou heden onmiddellijk de zijde van de slachtoffers kiezen want kant zich tegen algehele transparantie. Om goede redenen, zeker in een maatschappij waarbij digitaal zoveel ongrijpbaars voorvalt. Toch ergerde Frissen me, doordat hij transparantie steevast verbindt met utopieën, die per definitie verwerpelijk zouden zijn want totalitair.
Wat een populisme! Ook het dreigen met de gevolgen van technologie is natuurlijk vruchtbaar, zeker wanneer Frissen er een term voor leent die schitterend is: ‘hersenvredebreuk’. Maar hij betoont zich net iets te volgzaam aan Dave Eggers’ romanpamflet The Circle, en berispt me net iets te eenvoudig activisten als Edward Snowden en Julian Assange die juist het gebrek aan transparantie aanklaagden, en ook de democratische besluitvorming wilden verbeteren.
Bij de liberaal in Frissen staat individuele vrijheid voorop, en heet kritiek uit gemeenschapsmotieven paternalistisch.
Toch stemde zijn studie me uiteindelijk redelijk mild wegens haar sterkste deel tegen het einde, dat met ‘Kleine antropologie van het geheim’ een wat wufte titel draagt. Dit hoofdstuk bevat interviews met medewerkers van geheime diensten. Omdat ze alleen anoniem mogen spreken, maken ze een komische indruk, die versterkt wordt doordat Frissen hun beweringen tussen aanhalingstekens in zijn redenaties monteert.
Op die manier wordt een bewering over de betrekkelijkheid van slimme analisten weergaloos: ‘als het erop aankomt, zijn het toch de mensen in de operaties die “op het moment suprème de hete kooltjes uit het vuur halen”, helden die met “gevaar voor eigen leven” het werk doen.’
Het heeft wel iets van een subtiele onthulling dat deze medewerker licht op bezigheden gunt door het circonflex-dakje boven suprême te halveren, maar bovenal charmeert de aanschouwelijkheid van het citaat over de hete kooltjes. Er wordt aldus vuur uit vuur gehaald, terwijl de getuige natuurlijk de spreekwoordelijke kastanjes bedoelde. Op hete kolen kun je in zegswijzenland louter zitten, wanneer je geduld danig op de proef wordt gesteld. Bij veiligheidsdiensten kan men nu eenmaal nooit zijn cool verliezen.
Misschien inderdaad maar goed dat zoiets in het duister gebeurt, voor de personen in kwestie dan. De burger heeft echter niet helemaal dezelfde belangen. Precies op dat snijvlak tussen privaat en algemeen leverde de gevallen prins Laurent recent een open brief, waarin hij zijn versie bracht over een niet-aangekondigd optreden in militaire kledij.
Hij beklaagde zich over zijn lot van beroemde edelman. Nu krijgt zoiets, zeker in België, sneller het odium van Calimero dan van Don Quichotte, maar Laurent deed iets groots. Hij onderkende, zoals vermoedelijk louter een prins kan, een heel leven lang te worden ‘geïnstrumentaliseerd’.
Kijk, wanneer witte academici hun engagement uitdrukken in verwante termen als ‘objectiveren’ en ‘dekoloniseren’ heeft dat iets potsierlijks. Maar een Laurent die daar met ‘instrumentaliseren’ moeiteloos aan meedoet…?
Die witte academici bevestigen met hun patois louter het systeem. Een kwestieus begrip, uiteraard, maar in de protestjaren, toen het meer in de mond genomen werd, legde Václav Havel uit wat het inhield: ‘Wat wij onder het systeem verstaan is geen maatschappelijk orde die door de ene groep wordt opgelegd aan een andere, maar eerder iets waarvan de gehele maatschappij is doortrokken, en een factor die daarvan vorm geeft, iets dat onmogelijk is te begrijpen of is te definiëren kan lijken (want het is eigenlijk alleen maar een principe), maar dat door de gehele maatschappij tot uitdrukking wordt gebracht als belangrijk kenmerk van het leven.’
En Havel ondervond wat het systeem ter plekke inhield, net als Laurent nu. Een belangrijk verschil, denk ik, met spreken van buitenaf. Van witte academici die kritisch willen zijn, wordt verondersteld dat ze woorden als ‘objectiveren’ en ‘dekolonaliseren’ bezigen!
Wie is immers onderwerp en wie lijdend voorwerp?
Ik zou dat verder moeten uitleggen, ware het niet dat ik in een staat van ontkenning verkeer. Mijn directe omgeving is namelijk in de ban geraakt van The Sound of Music, een film die ik altijd ontlopen heb uit veronderstelde zeemzoetigheid. Nu word ik tot aan tafel geconfronteerd met liedjes die zo’n grote vanzelfsprekendheid hebben (‘Edelweiss’) dat ze uitmonden in een huzarenstuk (‘Do-re-mi’).
Bij voorgerecht, hoofdschot en dessert.
Hors concours blijft ‘My Favorite Things’ dat, biechtte ik al eens op, voor wijlen mijn poëzie van enig belang geweest is. Bij die biecht pleegde ik wel geschiedvervalsing, omdat mij eerst leek dat de invloed van elders kwam. Namelijk in de uiterste grenzen die bij dat liedje de improvisator opzoekt op een basaal wijsje.
Veel zinnen om te bekennen dat ik het liedje toeschreef aan John Coltrane. Een instrumentaaltje, luidde mijn overtuiging. Bij de presentatie van mijn debuutbundel kwam het ter sprake, en werd er vanuit de zaal terecht opgemerkt dat het uit The Sound of Music was, met tekst. Daar wilde ik niet aan, maar zocht het thuis zekerheidshalve na.
Verrek. 
Hoewel.
Na kennisname van de woorden had ik alsnog een alibi om het invloedsvermoeden te handhaven. Wat Hammerstein voor Rodgers aan heterogene elementen bij elkaar had verzameld, kende louter het verband van het momentane. Een ervaring die zo gelukkig kan stemmen dat ze geheimzinnig wordt.
En van ‘Do-re-mi ‘ blijken versies in allerlei talen te bestaan. Zodat de gourmande en het taalkundig genie me op lyrische wijze deelgenoot hebben gemaakt van het feit dat sol Spaans is voor de zon.

maandag 26 maart 2018

Voor ik een oordeel velde



  
Vorige week publiceerde ik een artikel over iets dat banaal was, zeker in verhouding tot mijn vertrekpunt: de voortwoekerende maatschappelijke ongelijkheid. Scheefgroei zat volgens mij namelijk ook in de culturele boekenbranche, in een kloof tussen lezerspublieken.
Ik vergeleek twee recente gebeurtenissen in literatuurland: het Boekenweekgeschenk van Griet Op de Beeck en het tienjarig overlijden van Hugo Claus. Waar de eerste ten prooi viel aan defenestratie (dat woord wilde ik altijd al eens in het openbaar gebruiken!), ondervond de tweede ophemeling.
Bizar daarbij was dat Op de Beeck een enorm, deels misschien nieuw publiek heeft gevonden dat in de ontvangst van het Boekenweekgeschenk van dommigheid werd verdacht, en dat de nu om hun menselijk tekort bejubelde boeken van Claus lezers verliezen.
Terwijl de rol van de vierde macht al tijden afschrikwekkend is, leek de omgang van literatuur met de actualiteit ineens minstens zo gespannen. Bovendien ervoer ik dat de werking van concerns – een stokpaardje mijnerzijds – nog schriller was geworden, bij literatuurmedia en boekhandels.
In mijn artikel gingen zwakke passages schuil en bovendien bleken me een paar frappante teksten rond de twee gebeurtenissen te zijn ontgaan.

Peter Casteels schreef in zijn Knack-column, wat mij betreft terecht, dat de dappere afkeer van Op de Beeck laf was. Zelf begon hij er niet aan, maar van hem mocht iedereen het Boekenweekgeschenk lezen.
Wel bleek hij te weten dat het vermaak voor vrouwen boven de vijftig was. Hij trachtte zijn punt bovendien te maken door er een onafhankelijke boekhandel bij te betrekken, die publiciteit uit de negatieve ontvangst had gehaald. Maar Casteels zag niet dat die publiciteit, bij collega’s natuurlijk, op feitelijke misvattingen stoelde die hij kopieerde. Kennelijk was hij te zeer in de ban van arrogant nepidealisme dat hij ontwaarde.
Afgezet tegen die winkel, redeneerde Casteels, was alles beter. Zoals algoritmes bij digitale boekgiganten. Nog los van dat cynisme, irriteert me dat hij een tamelijk gecompliceerde zaak met meer spelers afdoet in één pubergrap.
Verder passeerde een tweet van schrijfster en De Morgen-columniste Ann De Craemer. Ik kwam die tegen als retweet bij Arjan Peters, die in de Volkskrant Op de Beeck in driehonderd woorden naar de kleuterschool had verwezen:

Ik wilde het eerst zelf lezen voor ik een oordeel velde. Maar @ArjanPeters2 heeft gelijk. Om een Boekenweekgeschenk te mogen schrijven moet je dus helemaal niet kunnen schrijven. Om veel boeken te verkopen ook niet.

Het gaat er niet eens om dat zo’n uitroep oncollegiaal en conformistisch is. Vooral de schijn van flinke polemiek jeukt. Er wordt bewust niet inhoudelijk gedebatteerd, en het medium Twitter kan daar geen verandering in brengen.
Met ‘het debat’ til ik nog een van mijn stokpaardjes op het zadel, indien dat kon. Meningsverschil in de publieke ruimte is er bij de terechtstelling van Op de Beeck niet geweest. Bij Claus lag dat ogenschijnlijk anders. En juist daar betichtte ik deelnemers maar liefst van ‘intellectuele oneerlijkheid’, omdat mediastructuren hen vermaalden. Ik vertrouwde verder op mijn hyperlinks ter plaatse.
Nu alsnog wat toelichting. Knack verzocht eerst één auteur om, in zijn geval voor de zoveelste keer, herinneringen aan het overlijden van Claus op te tekenen. Daarna rekende een andere auteur er af met deze wittemannenherdenkingsindustrie. Vervolgens serveerde een witte ex-biograaf er allerlei anekdotes. Ten slotte blogde een leraar er over zijn pogingen zijn klas warm te krijgen voor Claus.
Wie programmeert zoiets? Wat behelst dit anders dan in pluralisme aangeklede onverschilligheid, waarvoor de medewerkers hopelijk goed zijn betaald? Van de vele boeken die ondertussen bij deze Clausgelegenheid verschenen, ontbrak elk spoor. Op zijn blog, waar concernbelangen en omvangsbeperkingen niet tellen, besprak Johan Velter zo’n titel. Veel bleef er niet van over. De begaafde anti-establishmentauteur was wéér gerecupereerd, en wéér op treurige wijze.
Horen dit soort herdenkingen bij een bepaalde lichting? Met bekende jongere auteurs (Zwagerman, Grunberg,… ) is vaker geprobeerd zoiets op touw te zetten, maar dat pakte niet zo breed. Bij de biografie van Claus’ generatiegenoot Wolkers was er wel ruime aandacht, niet allesverslindend zoals in België met ‘de meester’ gebeurde maar, kreeg ik de indruk, met meer sympathie voor het feestvarken – dat zelfs #MeToo-parallellen doorstond.
De tijden zijn echt veranderd. In haar herinneringen aan Kouwenaar, ook van die generatie, vertelt Anna Enquist over de begrafenis van diens vrouw, aan wie hij alles te danken heeft. Gerrit vraagt een resem collega’s om bij het graf van zijn beminde een gedicht voor te lezen. Na afloop van deze poëzietop ontdekken ze dat niemand iets over de gestorvene heeft gezegd.

Tot slot nog even terug naar De Craemer. Haar wijsheid dat bestsellerschrijvers het vak niet hoeven te beheersen – wat een cliché! Zijn bijvoorbeeld slecht verkopende dichters dan ambachtslieden? Mij lijken beide beweringen guilt by association.
(Zoals onlangs in een andere stiel afgrondelijk getoond door Bart De Wever die kritiek van de sociaaldemocraten pareerde met een verwijzing naar een meer dan twee decennia oud voorval bij die sossen.)
Zelf zit ik ook alweer een tijdje in het vak, van de literatuur dan. Ik heb vele auteurs geredigeerd die meer lezers hadden dan ik – wat geen grote prestatie is. Och, technisch kon ik me nog met hen meten, maar hun talent zat vaak elders. Ze konden een verhaal vertellen.
Ooit had ik daar allerlei theorieën over, over gemakzucht en het behagen van lezers en zo. Nu denk ik dat het ware ‘schandaal’ elders zit. Bij onopvallende auteurs die door allerlei vormen van seriële erkenning (recensie, optreden, nominatie, redactietoetreding, prijs) groot worden gemaakt en als naam voor zogenaamd echte liefhebbers gelden.
Ik blijf Claus-fan, terwijl mijn bewondering toeneemt voor het gemak waarmee Op de Beeck lezers weet te boeien. Dat merk ik momenteel, nu ik Lampje lees, van Annet Schaap. Dit kinderboek kan beter, vind ik, maar wat een geweldig vermogen om een soort pageturner-in-avonturen-en-fantasie te scheppen! Nota bene rond familieverhoudingen! Maar natuurlijk ook over verlangen.
Sommige dingen kunnen niet vaak genoeg worden gezegd. Lezers van de toekomst, uit welke klasse of stand ook, zij krijgen nú een opleiding.

Naschrift
Een dierbaar detail uit bovenstaande posting is inmiddels hier opgepikt. Dit doet me vermoeden dat ik na bijna twee decennia België tussen twee talen ben gevallen. Bij wat ik om me heen begrijp van het gallicisme ‘defenestratie’ vult mijn digitale exemplaar van Van Dale aan: ‘2 figuurlijk het terzijde schuiven, op non-actief stellen van een politicus e.d.’

zondag 18 maart 2018

O fonkelende taalfontein


Wat een rare dag. Dichter F. Starik blijkt eergisteren te zijn overleden. En vanmorgen onthulde Bart De Wever dat er in mei ’68 beha’s werden verbrand. En gisteren had Neerlandistiek onderstaand stukje van mij:



Ik heb me altijd verzet tegen de predestinatie van teksten. Dus ook tegen theorie dat een rechtopstaand boek grotere kans maakt ontdekt te worden dan een liggend boek. Toch betrap ik me erop in de bibliotheek geregeld een titel mee te pikken die meer liet zien dan de rug alleen.
Zo kwam ik achter het bestaan van Alsof er niet is gebeurd. Een jaar nieuws in gedichten. Daar leerde ik uit dat 25 Vlaamse collega’s voor de radio wekelijks op de actualiteit poëtisch commentaar hebben geleverd dat wilde voorbijgaan aan de waan van de dag.
Het is ijdel van mij te spreken over ‘collega’s’, omdat ik jaren geleden ben gestopt met het schrijven van gedichten. Daar waren allerlei redenen voor, maar de aanleiding was een gelegenheidsgedicht waar mij alles aan gelegen was er iets geslaagds van te maken.
Reden te meer dat mijn ontzag voor Alsof er niet is gebeurd al grenzeloos was voor ik een pagina had gelezen.
Eén gedicht uit deze bundel, tegelijk een staalkaart van de Vlaamse poëzie, houdt me nog bezig. Het evalueert Nederland vlak voor de Tweede Kamerverkiezingen op 15 maart 2017. Daar had Peter Theunynck, zegt het bijschrift, de indruk van gekregen dat de PVV de campagne beheerste en dat andere partijen daarom in die richting opschoven:

Verwildering

Moet het echt nog veel wilder worden, bij u daar in het noorden?
Loopt iedereen straks met zo’n Mozartpruik getooid?
Pakt alleman zijn portie pepernoten uit de angstboot aan
alvorens naar het hoempahoempacarnaval te sjezen?

O weidsheid van het denken, wie is er met u aan de haal gegaan?
Wordt alles dichtgetimmerd met de spijkers van Van Leeuwen?
Terug naar klompenland? Weer af naar daf, een stuiver en een piek?
Krijgen alleen nog pindakaas en bruinebonensoep het woord?

O fonkelende taalfontein van Multatuli, o speelveld van Spinoza.
Tomeloze tulpentuin, wie heeft uw kroon ontbloot?
Vallen de donderwolken in uw hoofd nog te verdrijven?
Wie stopt er de verwildering. Wie vindt er lentewoorden?

De naam van de boosdoener, Geert Wilders, wordt slechts genoemd in afleidingen. In de titel begint dat proces al. Ik sluit niet uit dat hij in de openingsregel met één van zijn standaardkreten wordt geconfronteerd: ‘Het moet niet veel gekker worden.’ Het zou me evenmin verbazen wanneer de toch wat koddige situering daarna niet alleen het Vlaamse perspectief benadrukt, maar vooral een hak wil zetten met de uitdrukking ‘het noorden kwijt zijn’.
Ook regel twee zorgt bij mij voor obstructie. Men kan getooid ‘zijn met’ of ‘in’ iets, maar toch niet getooid ‘lopen met’? Sowieso is het een opzichtig literair woord, dat de kakelverse diagnose ‘wilder’ aanvreet. Het past wel bij de ‘Mozartpruik’. Dat ding blijkt een synoniem van een zogeheten Wilders kugel.
De pruik wekt associaties met verkleedpartijen tijdens carnaval dat in de vierde regel opduikt. Doordat de ‘angstboot’ voor ‘alleman’ is, moet er misschien geen Middellandse Zee maar toch zeker een grote rivier zijn, waarover dat feest kan worden bereikt. Als contrast met de geografie in de openingsregel zal dat plaatsvinden in ‘het zuiden’. Het prefix ‘hoempahoempa’ bij carnaval klinkt denigrerend, maar dat kan een gevoeligheid mijnerzijds zijn.
Dan nog lijkt het me stereotypisch om Wilders, geboren te Venlo, op die manier te typeren. De dichter had nota bene al een psychogram geschapen, door er met de rijmelaarsalliteratie ‘portie pepernoten’ nog een feest bij te halen: Sinterklaas. Daar moet het zwartepietendebat een argument geven tegen de PVV. Naar verluidt hebben sympathisanten van die partij immers angst dat een of ander oud Nederland zou verdwijnen.
Het gedicht stelt dus de ene teloorgang tegenover de andere. Het roept ‘de weidsheid van het denken’ aan, waardoor de tegenpartij benepener en irrationeler wordt. Ook het werkwoord ‘dichttimmeren’ duidt op die afsluiting van werkelijkheid en waarheid. Die spijkers snap ik dan, maar wat met ‘Van Leeuwen’?

maandag 12 maart 2018

Een high


  

Het overkomt me geregeld dat ik twee teksten lees die niets met elkaar te maken hebben, maar in mijn brein dusdanig klutsen dat ze elkaar verhelderen.
Onlangs had De Morgen een aangrijpend interview met Inge Vervotte, dat vele collega-media haalde: ‘Toen mijn geliefde zelfmoord pleegde, zakte de grond onder mijn voeten weg’. Toen dit relaas me onder ogen kwam, was ik bezig in de aanstekelijke studie Filosofie van de jamsessie door Jurriën Rood. En voilà, het was weer zo laat.
Aan Vervotte, begonnen als vakbondsvrouw, zit volgens mij iets atypisch. Als minister betoonde ze zich solidair. Ze verbond haar lot aan premier Leterme toen deze na een theaterstuk moest aftreden en weinig later, na een hilarische carrousel, zijn opvolger moest opvolgen.
Inmiddels is Vervotte bestuurder. Ze was mij in die functie opgevallen door een ander boek. Het bevatte lunchgesprekken met allerlei managers, waarbij de culinaire kostenstaat was afgedrukt. Een krachtig middel tot karakterschets, omdat de zeker door Hollanders geduchte Vlaamse lunch bij Vervotte bestond uit, meen ik, twee speculoosjes en twee koffies.
Die ascetische schijn kwam terug in het interview met De Morgen. Niet zozeer omdat Vervotte zich tegen voedselverspilling uitsprak, maar omdat burgers zich volgens haar bescheidener mochten opstellen. Groepsbelang ging voor.
Hier begonnen mijn bellen te rinkelen. Jurriën Rood beschouwt de jamsessie als de publieke zaak in een notendop. Een liedje wordt er uitgevoerd met een minimum aan afspraken en een maximum aan vrijheid. Rood vreest nu dat een teveel aan zelfexpressie de samenleving ondermijnt. 
Cruciaal aan de jamsessie vindt hij de ‘vrijwillige onderschikking’ (bereidheid mee te werken). Dat kan verbazen, omdat zulke bijeenkomsten het teken lijken te dragen van de verrassing. Maar de kans daarop is het grootst als muzikanten elkaar ruimte geven en op elkaar reageren. Positieve vrijheid, noemt Rood dat naar Isaiah Berlin, die een gezamenlijk doel aangeeft. En die door ‘afstemming’ meerderen kan bereiken in een scheppende vrijheid.
Zo niet, dan wordt het liedje een etalage voor het individu, hoe virtuoos ook, en moeten aanwezigen bovendien ellenlange solo’s doorstaan. Ironischerwijs leek dat de bedoeling van het Vervotte-interview, in de reeks De vragen van Proust (Trouw had ooit de rubriek Lastige vragen, gebaseerd op Max Frisch). De koptekst eindigde zo: ‘Wie is zij in het diepst van haar gedachten?’
Maar Vervotte behield afstand doordat ze, mét het inzicht dat lijden niet hoeft te worden verstopt, notities had gemaakt en haar openhartigheid niet paarde aan details. Zo willigde ze Roods terugverlangen in naar een scheiding tussen privé en publiek. Filosofie van de jamsessie volgt Richard Sennett namelijk in het idee dat het anti-establishmentsgedachtegoed van Rousseau vele kwaaie pieren opleverde. Zij tonen zich in hun authenticiteit vooral ontremd.
In meerdere parallellen die Rood trekt aan de hand van het begrip vrije meningsuiting evoceert hij dan de delging van een bijeenkomst waarop louter de hardnekkigste spreker gehoord. Daarbij telt het verschil en blokkeert het individu samenwerking. Een ego-jam, die kan uitmonden in wat Rood noemt een bad jam. Het tegendeel van een debat, zonder minimale overeenkomst zichtbaar te maken.
Op haar beurt gelooft Vervotte in een dialoog ‘en dat is niet hetzelfde als de ander willen overtuigen van je gelijk, maar net wél de verschillende perspectieven willen zien en begrijpen, en zoeken naar wat wel gemeenschappelijk kan zijn.’
Hoe dan te handelen? Rood wijst erop dat bij een jam de sessieleider helpt. Deze kan door niet-uitsluitende keuzes richting geven aan uitvoeringen. Vervolgens helpt de muzikant door bewust die autoriteit te ondergaan. De grootsten bevrijden zich radicaal van hun ego. Het gaat dan allang niet meer om regels, maar om opgaan in muziek én collectief (dat volgens Roods voorbeelden al een trio kan zijn).
Deze vorm van overgave huldigt Vervotte ook. Wel vult zij het begrip autoriteit anders in. Ze meldt een neiging tot het aangaan van confrontaties. Mij verheugde het te begrijpen dat deze niet per definitie vernietigen (evenmin als polarisatie). Indien mensen elkaar vertrouwen kan zo’n overgave productief zijn. Men geeft het maximale en vangt desnoods elkaar op – falen mag.
Met die aanpassing lijkt de jamsessie een gepaste metafoor. De beperkingen die Rood stelt, kunnen deels worden opgegeven. Een jamsessie biedt immers de kans om voluit te experimenteren, met het risico dat het misloopt. Gelukkig vormt de band een ruggensteun en dient het experiment het liedje.
Rood refereert aan Herbie Hancock die memoreerde als jong pianist een verkeerd akkoord aan te slaan dat door zijn bandleider Miles Davis prompt werd nagedaan – en dus opgevangen, voor mijn part uit burgerplicht.
Zo groeit de verantwoordelijkheid van de omringenden. Het woord ‘meerderheid’ heeft lang een burgerlijke bijsmaak gekend. Maar Vervotte kant zich tegen zulke labels, omdat ze simplificeren. Ze houdt er niet van zich te schikken, indien dat een verkeerd systeem bekrachtigt. Tegenwoordig is bijvoorbeeld het tegengaan van pesten een zaak voor een groep, die de dader corrigeert door een overtal dat geen immoraliteit duldt.
Is dat niet evengoed een kracht van de ‘jam-maatschappij’, waarin het resultaat de som der delen overtreft? ‘Het betekent spel, avontuur en verantwoordelijkheid tegelijk’, zegt Rood. En hij belooft een high. Een routinebeloning voor een trippende muzikant, maar niet vanzelfsprekend voor een ‘vergaand geatomiseerde wereld’.
Bij debatten kan Roods sessieleider een moderator zijn, maar de sleutelrollen lijken voor de opinist en commentatoren. Juist hun samenspel is geen evidentie, al was het omdat de reactiemogelijkheid op vele sites werd uitgeschakeld. En op plaatsen waar debat wel mag, vinden heel wat opinisten het niet de moeite te reageren op commentaar. Dat is pas bizar, alsof na een solo het thema niet meer hoeft gespeeld – alsnog ego-jamming.
Wie werkelijk vrijheid van meningsuiting wil ervaren, adviseert Rood, sluit zich beter af van elk contact, voor een bestaan in de middle of nowhere.
Heeft Vervotte dat meegemaakt tijdens haar politieke jaren? Toen moest ze in een ‘tactisch en strategisch spel’ berichten, een paradoxale dialoog. Ze laat doorschemeren dat de drive om onrecht te verhelpen misplaatst raakte. Haar afscheid van die kringen rijmt met een uitgesproken voorkeur voor vrijgevochtenheid.
Macht die wil consolideren verdient die naam niet.

maandag 5 maart 2018

Ingepeperd (3)




De dichters die volgens Peter van Lier in Geachte afwezigen, met hun debuten tussen 1988 en 1998 het post-postmodernisme op de kaart zetten, hadden profijt van hun habitat. Eind jaren tachtig was er in papieren media een debat over poëzie, doordat de Maximalen een omwenteling wensten. Wie eerst bestaande laaglandse gedichten wilde lezen met commentaar, had de essaybundel Een hoofd in de toendra van Tomas Lieske, op basis van poëziekronieken die hij vanaf 1986 voor het literaire tijdschrift Tirade schreef.
Maximaal-woordvoerder Joost Zwagerman is overleden. Zijn voornaamste tegenstrever van weleer, Marc Reugebrink, legt zich toe op proza. Essaybundels over poëzie zijn schaars geworden.
Het signaleren van zulke veranderingen is grumpy en gratuit. Welkom in de eenentwintigste eeuw! Literatuursites als De contrabas en Tzum hebben gezorgd voor een bulk actuele informatie over poëzie, eenvoudig te raadplegen én te bediscussiëren. Tegenvoorbeeldje, Kregting?
Pas de Groene-column van Martin Reints meldde het overlijden van Lela Zečković tien dagen tevoren. Tegelijk besef ik dat haar debuut, Belvedère, een decennium voor de post-postmodernen lag. Maar haar gedichten zijn tijdloos!
Voor mij is Zečković de maker van Ballade:

Alles wat ze ziet, hoort en aanraakt,
of, alles wat haar ziet, hoort en aanraakt
is van haar. En dat weet zij.
De schrammen op haar benen doen geen pijn.
Liggend op haar buik in het dichte struikgewas
misleidt ze de jagers. De jagers schieten
op haar, raken haar niet. De jachthonden
zoeken haar, vinden haar niet. Zij lokt
de wilde zwijnen uit hun schuilplaats.
Rent voor haar leven en komt
met een geheimzinnige glimlach thuis.

Nu staat zij op een steile rots, dicht
bij de blauwe hemel. Begint haar schouders
op te trekken, wordt dunner, spreidt
haar armen als vleugels. Verstart.
Hoe diep, hoe duister is de blauwe zee?
Zij kent een ballade over een klein meisje
dat iedereen, ook haar en de cypressen,
zal overleven.
Hoe heet dat meisje, vroeg ik haar.
Dat wist ze niet meer, dat was
heel lang geleden.

Een vrouwelijke Icarus (Icara)?! Ook heeft Zečković een literair-historisch belang. Haar vertalingen brachten het Nederlands in kennis met onder meer Danilo Kiš en Miroslav Krleža. En volgens mij is de poëzie van Elisabeth Tonnard, een vooraanstaande hedendaagse dichter in de Lage Landen, lastig denkbaar zonder Zečković-regels als:

‘Waar eet je de beste mosselen?’
’Waar eet je het best mosselen?’
‘Waar eet je mosselen het best?’

Zečković was de weduwe van Hans Faverey. Reints eindigde zijn memoriam terecht met de schroom haar zo op te voeren, ‘want je moet haar werk op zijn eigen merites beoordelen’.
Natuurlijk is het particulier dat ik vind dat Zečković nogal onsterfelijke regels gemaakt heeft. Wordt die dwaze status bevorderd door bloemlezingen die, boven bundels en tijdschriftpublicaties, poëzie zijn gaan domineren? Zowel in de veelbesproken keuze van Komrij als van Pfeijffer valt er geen Zečković te bekennen.
Het siert me niet deze twee steeds op één hoop te vegen, maar hun ideeëngoed slaat nu eenmaal de maat. Ook denk ik dat ze aan het begin van de eeuw niet voor niets samen zijn gekomen in Awater, minder een literair tijdschrift dan een magazine dat poëzie van toegankelijke tekst en biografische uitleg voorzag.
Komrij was toen Dichter des Vaderlands en nam – elders heb ik er uitgebreid over bericht – lovenswaardige initiatieven om het genre te democratiseren. Dit paste bij de ontwikkeling die de organisator ervan doormaakte, Poetry International. Begonnen als politiek podium, markeerde het afscheid van festivalstichter Martin Mooij, in 1996, een de-ideologisering.
Deze ontwikkeling stond haaks op wat de laaglandse post-postmodernisten probeerden. Zij hadden geen breed leespubliek. Wel steun van jongere neerlandici die recensies en essays publiceerden, waarvan de ingewikkeld ogende termen een prooi vormden voor awaterianen – die op dat vlak in Komrij hun gedroomde meester hadden.

zaterdag 24 februari 2018

Ingepeperd (2)


  

Ordelijk verdeelt Peter van Lier in Geachte afwezigen, zijn voorgangers over de drie afdelingen van dit boek. Zo krijgen achtereenvolgens Faverey, Kouwenaar en Ouwens van hem overzichtstukken. Dat zij tot één generatie behoren lijkt me onwaarschijnlijk, zeker vanuit het luidruchtige verhaal van de Vijftigers, maar ik geloof dat de teneur van Van Liers betogen kan worden samengevat als een wending naar de werkelijkheid.
Met die notie profileert Van Lier (*1960) zijn eigen generatie, die wereldsheid wel zag zitten. Hij plaatst zichzelf tussen dichters die tussen 1988 en 1998 debuteerden. Zo valt na de drie kanonnen wel een aardig gat in de tijd. Dat moet worden opgevuld door poëzie waarin de verbeelding de overhand had gekregen.
Het begin van Van Liers lichting wordt inmiddels als postmodernistisch gezien. Ironischerwijs wordt daar veeleer iets kunstmatigs mee geassocieerd. Onterecht, maar in Nederland ontwaarde de jonge Joost Zwagerman, anno 1987, voor het toenmalige trendblad Haagse Post daar wel degelijk eerder decorstukken dan tastbaarheid in.
Dichters met wie Van Lier op de proppen komt zijn onder meer Elma van Haren, Arjen Duinker, K. Michel, Nachoem Wijnberg, Tonnus Oosterhoff, F. van Dixhoorn, Lucas Hüsgen, Astrid Lampe en ikzelf. Hij argumenteert meermaals via simulacra-theoreticus Baudrillard, bij wie ‘een moord op het Reële’ plaatsvindt, en hij grijpt even vaak (achteraf gedane) beweringen van Oosterhoff aan over ‘het contact met de werkelijkheid’ dat hersteld mag worden.
Op de sluitingstermijn van Van Liers lichting valt eveneens een debuutbundel te plakken: van de vierkante man, uit 1998 dus. Daarin kantte Ilja Leonard Pfeijffer zich tegen Faverey, annexeerde Lucebert, en toonde zich een Komrij. Kunstmatigheid overheerste in een hyperbewuste poëzie.
Onlangs las ik Pfeijffers beroemdste boek La Superba. Een vermakelijke ervaring. De auteur had zijn literatuurconstructie bovendien op orde. Wel speelde deze roman uit 2013 nog altijd met het bordkartonidee. Voortdurend is in de tekst sprake van aantekeningen waarvan de naar de auteur genoemde ik-persoon tegen een jij beweert een roman te gaan maken.
Samenkomsten met mensen in Genua, de plaats van handeling, staan evengoed in het teken van fictionalisering. De personages doen – onder verantwoordelijkheid van de verteller-auteur – zelf al uitlatingen als ‘Ik weet toch dat je dit gaat opschrijven’. Knap van Pfeijffer vind ik dat hij het tempo soms zo opvoert dat je die metalaag als lezer kan kwijtraken, en de slappe lach krijgt wanneer bijvoorbeeld een stomdronken vrouw in haar pump braakt.
Een belangwekkende passage van La Superba vormt het relaas van de Afrikaanse vluchteling Djiby, adembenemend en triest tegelijk. Maar doordat het wordt omgeven door overdrijvingen dient het vooral de constructie, inclusief gemorrel aan het werkelijkheidspercentage:

‘Ik had natuurlijk ook helemaal niet echt vriendschap met hem gesloten, maak je geen zorgen. Ik was alleen maar nieuwsgierig geweest naar zijn verhalen. Laten we het research noemen. Mijn interesse gold minder zijn persoon dan de horrorverhalen over zijn helletocht naar het beloofde land Europa, die ik hoop te kunnen gebruiken voor mijn roman waarin discriminatie van immigranten een majeur thema zal zijn. Maar professionele belangstelling wordt in die culturen maar al te vaak verward met vriendschap.’

Misschien wordt dit fragment briljant gevonden. Al was het omdat hyperbewustheid kan omslaan in zelfkritiek, hier van een zogenaamd typische, narcistische westerling. Het eveneens door en door geconstrueerde concept politieke correctheid krijgt de volle laag. Op een bepaalde wijze dan, want wie doorredeneert ontwaart in het citaat een waterkans voor engagement.
Het contrast met Van Lier is in elk geval enorm. Ook in zijn gedichten lijkt taal van begin af te willen verdwijnen om het luttelste facet van de wereld alle ruimte te geven. Oprechtheid is domweg geen kwestie, terwijl Pfeijffer het niet kan laten in La Superba te biechten dat hij pas echt openhartig is geweest in een brief aan een belastinginspecteur die natuurlijk niet in de roman staat (en natuurlijk wel, als ik het goed heb, in zijn latere Brieven uit Genua).
Of schep ik, om mijn sentiment bij Geachte afwezigen, te snappen, een neptegenstelling? Van Lier noemt in zijn essays Pfeijffer eenmaal, in het voorbijgaan. En dat lijkt me wel frappant, gezien de centrale positie die dit fenomeen, ook alweer als Komrij, in het landschap inneemt.

zondag 18 februari 2018

Ingepeperd (1)



Ben ik ooit sentimenteel geworden tijdens het lezen van een boek? Niet dat ik me herinner, maar bij Peter van Liers Geachte afwezigen, Het verweer van de poëzie gebeurde het. Aan de tekst zelf kan dat redelijkerwijs niet gelegen hebben, want deze verzamelde essays en kritieken zijn onspectaculair, serieus en rustig.
Van Lier beoefent bovendien niet de enerverende bezigheid die close reading heet, maar graast in zijn beste passages gedichten af tot hun onderzoeksterrein blootligt. Als het niet zo stupide zou klinken, had ik gezegd dat het boek Geachte afwezigen, op zoek gaat naar denktradities. De vraag dus, wat op abstracter niveau het punt is dat een gedicht wil maken.
Na afvloeiing van mijn sentimentaliteit betrap ik me erop dat het voor mij mooiste stuk uit het boek niet over gedichten ging maar over het motorrijden van Jan Hanlo (aan de hand van diens proza). Ik bleef eveneens haken bij Van Liers oefening bij een foto van Jannes Linders, vanaf het moment dat hij de afbeelding op zijn kop beschouwt.
Gaat het boek wel over poëzie? Er is een tekstje over Rachmaninov en luciditeit, en een productieve vergelijking tussen een songtekst van Bløf met onder meer een eigen gedicht. Überhaupt schrijft Van Lier geregeld over eigen teksten. Geachte afwezigen, loopt uit op een brief aan de overleden vader, wiens monteursvak en radiohobby vergeleken worden met dichterlijk gepruts aan woorden. Ook de moeder komt in het betoog voor. En beiden staan in het register, als ‘ma’ en ‘pa(p)’.
Door zo’n haakjestoevoeging, weet ik inmiddels, kan sentimentaliteit me bewalmen, maar evenzeer leert de ervaring dat ik allergisch ben voor het particuliere. Prijzenswaardig aan Geachte afwezigen, lijkt me dat de vele persoonlijke mededelingen nooit zorgen voor plaatsvervangende schaamte.
Disclaimer is Van Liers onthechtheid, die van stonde af uit zijn gedichten gesproken heeft. Ze laat het toe zonder schade nabij te komen, dankzij een springveer van objectivering. Lees bijvoorbeeld een anekdote over een radiogesprek, verweven in Van Liers dankwoord voor de Jan Campertprijs. Hij krijgt van de interviewer live de vraag of hij het gedicht ‘Mostar’ wilde voordragen:

‘Mostar is, mocht men het alweer vergeten zijn, een stad in Bosnië die tijdens de oorlog op de Balkan werd verwoest als gevolg van etnische conflicten. Mijn verweer bestond erin dat ik geen gedicht over Mostar, maar wel een gedicht over mos had geschreven, of hij dat misschien wilde horen? Hoewel de sfeer van het gesprek niet vijandig was, trachtte de interviewer met zijn onmogelijke verzoek mij wel degelijk in verwarring te brengen en in zekere zin ook terecht te wijzen voor mijn buiten-maatschappelijke en niet-politiek geïnspireerde houding. Ook hier moest mij kennelijk worden ingepeperd dat de mens en de wereld niet zo onschuldig zijn als ik in mijn poëzie deed voorkomen. Natuurlijk weet en voel ook ik dat vaak maar al te best en sijpelt er wel degelijk iets van dit besef in mijn bundels door. Maar juist door het gegeven dat onschuld zich zo moeilijk laat ontdekken vanuit het alledaagse bewustzijn dat getrouw het achtuurjournaal bijhoudt, is mijn behoefte eraan des te groter. Het dichterschap is bij uitstek de discipline waarin je tegen beter weten in kunt hopen en verlangen.’

Geweldig is de openingszin, die voor alles correcte informatie wil aanbrengen, opdat het probleem helder is. En dan begint Van Lier te redeneren, bijna tegen zichzelf in. Alsof hij moet worden overtuigd van zijn opvattingen en van zijn poëtica, doordat hem gevoelens en nieuwe werkelijkheid overvallen die mogelijkheden en interpretaties opnieuw open leggen.
Typische woordjes vind ik dan: ‘misschien’, ‘onmogelijk’, ‘wel degelijk’ (2x), ‘in zekere zin’, ‘kennelijk’, ‘natuurlijk’, ‘vaak’, ‘juist’, ‘het gegeven’, ‘bij uitstek’… Wegens vertragend of onnodig genuanceerd of quasi-wetenschappelijk zou een redacteur ze schrappen. Maar dan versmaadt deze Van Liers inzet, samengebald in een woordje waar de redenatie op afstevent: ‘tegen beter weten in’. Die aanpak maakt me sentimenteel en ze dunkt me zeldzaam.

donderdag 15 februari 2018

Jurystrategie



Bij zijn overlijden wordt Ruud Lubbers alom geprezen om zijn virtuoze compromisscheppingen. De deelnemende partijen doen dan water bij de wijn. Zou dit spreekwoord zijn oorsprong hebben in misvieringen, waarbij de voorgaande geestelijke niet ladderzat op het podium mag staan?
Inzake literaire jury’s is met ‘het compromis’ vaak het bij alle hosannagezang toch wat twijfelachtige lot van de winnaar vertolkt. Ik moest ineens denken aan Kees Fens, die bij een werkcollege vertelde vóór een juryvergadering te zijn gebeld door de voorzitter, om alvast de standpunten door te nemen.
Hoewel Fens een doorgewinterd jurylid leek, had hij dit nog nooit meegemaakt, zei hij. De voorzitter van dienst was dan ook een raspoliticus, Hans van Mierlo, die op hetzelfde jezuïetencollege had gezeten als Lubbers, met wie hij later, in elk geval volgens journalistieke mythes, wekelijks een korenwijntje dronk bij het doornemen van de actualiteit.
Ik geloof niet dat de compromissenprocedure hier hemels had uitgepakt – Fens’ favoriet delfde het onderspit. 


Naschrift

Ruim een decennium na verschijnen lees ik in Maarten ’t Harts Dienstreizen van een thuisblijver dat Wim Duisenberg, om de derde traditionele politieke stroming ook in het literaire bedrijf te trekken, als juryvoorzitter overleg vooraf pleegde om ‘de juryleden tegen elkaar uitspelend, listig knopen [te] doorhakken’.

vrijdag 9 februari 2018

Meelynchen



Geen vrees – niet nog een mening over de scoop dat Lucebert op 19-jarige leeftijd verregaande nazisympathieën koesterde. Wel toonde het bericht, en de ontvangst ervan, op meer manieren dat de orde der dingen nogal ingrijpend is veranderd.

Om te beginnen onderstreepte het een maatschappelijke verdeeldheid, die lang met het begrip ‘polarisatie’ is aangeduid. Terwijl dat echter vruchtbaar kon zijn voor een debat en voor ruimte aan dissensus, is het begrip opgevolgd door een metafoor, van de ‘loopgraaf’. Er wordt niet gedebatteerd over en weer, maar de eigen positie wordt versterkt.

Na het bericht over Lucebert was de ‘rechtse’ site ThePostOnline er zo snel bij dat er een tikfout in de kop sloop die een dag later nog niet hersteld is: ‘Grote paniek in babyboomerland: dichter Lucebert dweepte met nazisme en was anitsemiet.’ Dat hier antisemiet had moeten staan, stoffeerde een gangbare verontwaardiging over de actualiteit. ‘Linkse’ mensen zouden tegenwoordig uitsluitend onrecht aanklagen dat wordt aangedaan aan moslims, niet aan joden.

Want of Lucebert nu werd aangeduid als Swaanswijk of Zwaanswijk, hij was ‘links’, ‘communistisch’ zelfs, daar bestond geen twijfel over. En door het maatschappelijk engagement in zijn gedichten kon hij gelden als een wereldverbeteraar – een makkelijke prooi. De bij zelfverklaring ongenuanceerde site Geenstijl verwoordde dit in zijn bericht zo: ‘Kortste gedicht van Lucebert ontdekt: Heil Hitler’.

Meesmuilend legde het de aloude, nooit verflauwde kwestie over de autonomie van literatuur op tafel: ‘het wordt een lange dag discussiëren over de vraag of je het werk van een kunstenaar los mag zien van zijn polletieke overtuigingen’. De spreektalige verschrijving van ‘politiek’, met het impliciete vonnis ideologisch, gaf de uitkomst al.

De conclusie luidde dat gutmenschen, zoals altijd, hypocriet zijn. Zeer vele comments zouden dit idee schier wellustig kracht bijzetten. Dat absurde triomfalisme rijst uit de overtuiging dat links nooit te beroerd is om andersdenkenden op hun morele tekortkomingen te wijzen. En dat verwijt kreeg het ‘als een boemerang’ in het eigen gezicht geslingerd.

Met name één eigen regel ontving Lucebert in menig bericht retour: ‘alles van waarde is weerloos’ (op Geenstijl: ‘Wehrmachtlos’). De vliezen braken voor parallellen met andere auteurs, ook rechtse, en de behandeling die hun ten deel viel. Zo heeft het negentiende-eeuws aandoende werkwoord ‘deugen’ een ongekende lading gekregen, in een goed-foutschema waarmee potten ketels verwijten.

Luceberts poëzie zelf bleef onbelicht. Her en der werden er wel wat klassieke – vroege! – gedichten bij een bericht gepubliceerd. Zodat sommige regels unheimisch moesten worden? Bijvoorbeeld: ‘ik ben de schielijke oplichter / der liefde’?

zondag 4 februari 2018

Die gesloten vuist




Mijn hypotheses over de titel Respect is de nieuwe punk van Meyrem Almaci waren dan wel vrijblijvend bedoeld, ze genereerden mening zonder kennis. Hoewel het genre mij niet ligt, heb ik deze politieke autobiografie alsnog gelezen.
De Groen-voorzitster oogt optimistisch, onvervaard en zelfrelativerend. Dikwijls vertelt ze anekdotes, ‘niet omdat ik mezelf nou zo ontiegelijk interessant vind, maar omdat ik nu eenmaal niet duidelijker kan maken waarom ik zo gebeten ben door politiek’.
Almaci presenteert zich als ‘brugfiguur’. Ze wil begrip opbrengen voor verschillende posities en distantieert zich van ‘dat concurrentieel opbod tussen mensen’, waarin groepen elkaar het licht in de ogen niet gunnen omdat A zus terwijl B zo.
Nu verklaren velen het wij-zij-denken perfide, maar weinigen durven er door ontmoetingen iets aan te doen. Twee van Almaci’s stopwoorden blijken dan ook ‘bandbreedte’ en ‘impact’. Gedecideerd spreekt ze zich uit vóór doeners. Proberen is bij haar meer dan een morele verplichting.
Tot haar zestiende droeg Almaci vrijwillig een hoofddoek, als enige op haar katholieke school, naast ‘de zuster-directrice’. Daarna legde ze uit dezelfde vrije wil het ding af; haar ouders waren het daar niet mee eens, maar lieten haar begaan. Op dezelfde leeftijd stopte Almaci trouwens met vlees eten.
Niet elke herinnering pakt mij in. Maar voor een Groene vind ik het sterk dat ze overbevolking als probleem ziet en memoreert dat haar geregeld wordt toegebeten uit een omvangrijk gezin te stammen. ‘Ik weet niet wat mijn ouders –en dan vooral mijn moeder – bezield heeft.’ Zo haalt ze meteen haar feminisme binnen. En besluit dat door de armoede het gezin champignons plukte, al het eten tot het laatste restje opmaakte, net als meubels en kleding. Een recyclehouding waarmee het ‘onze tijd thuis ver vooruit’ was.
Identiteit krijgt ook bij haar de lasagne-metafoor. Toch wordt ze in het publieke debat geframed als ‘de moslim van dienst’. Na een beginselrede voor haar partij vraagt een journalist haar eerst of ze een boerkini draagt.
Grappig dat juist zij, als blijkbaar eeuwige andere, zich object weet van een ‘gedachtenpolitie van zelfverklaarde behoeders van de samenleving die in elke discussie die ik voer zoeken naar een link met vooroordelen over mijn etnische achtergrond’ – Orwells bedenksel uit 1984 wordt meestal in het gezicht van links geslingerd.
Een rode draad bij Almaci vormen popliedjes; de songteksten staan achterin. Zo bewijst ze een ‘stevige muziekfanaat’ te zijn, wier leven mede is gebouwd op liedjes. Op een bizarre manier sluit dit aan bij het boekmotto:

Friedrich Nietzsche

Almaci’s ouders hadden al vier kinderen toen ze naar België kwamen, op zoek naar een beter leven. Vader offerde zijn gezondheid in baantjes waarvoor autochtonen zich te goed voelden. Toch stelt ze nuchter: ‘Het is niet omdat migratie van alle tijden is, dat we niet moeten nadenken hoe we ermee omgaan. Zeker in tijden van globalisering.’

maandag 29 januari 2018

Ontnozeling (5)




In Het compostcirculatieplan (2016) van Anton Valens staat de zin: ‘Jens & Hugo waren gewoon elkaars haar te knippen, “een belangrijke, geldelijke besparing”.’ De aanhalingstekens zetten een spoor uit, dat ik nu eens niet hoef te zoeken. Mijn eerste zelfstandige publicatie in de neerlandistiek ging namelijk over het verhaal De laatste jaren van mijn grootvader van Gerard Reve waar de frase te vinden valt.***
Erg zelfstandig was mijn publicatie trouwens niet, aangezien ze de snobistische consensus volgde dat Reves beginjaren zijn beste zijn omdat ze ‘de kunst van het verzwijgen’ tot in de perfectie beheerste. Het compostcirculatieplan meldt zelf dat Jens in een pand gewoond had aan de Weesperzij op de oostoever van de Amstel ‘waar naar zijn zeggen De ondergang van de familie Boslowits van Gerard Reve was gesitueerd’.
Anton Valens’ roman onderstreept voor mij een besef dat ik liever vergeet en dat me eerder overviel bij De vermiste wereld van Alstein: dat literatuur en stijl uit elkaar zijn gegroeid. In elke zin van deze twee boeken kunnen aandachtige lezers iets van hun gading vinden omdat de taal er een gebeurtenis is: registers tuimelen over elkaar, ritmiek en klank zijn factoren van betekenis.
De laatste jaren van mijn grootvader hoort niet tot de canonieke Reve-teksten en de door Valens geïsoleerde frase toont al waarom. Ze combineert overdrijving met pleonasme en loopt zo vooruit op de latere, schmierende auteur die stijlbloempjes produceerde. Daar openbaart zich het gevaar van formalisme. Stijl is dus, zompig gezegd, een werkwoord, een gevolg van blijvende zelfvernieuwing.
In de hoedanigheid van stijlbloempjesleverancier is Reve lang besmettelijk geweest voor velen die trucs voor literatuur hielden. Verticale effecten.
Het werk van Reve is dood, net als dat van andere legendarische witte meneren als Mulisch en Hermans en Boon (ter gelegenheid van zijn tiende sterfdag gaat men binnenkort voor de zoveelste keer alles uit de kast halen voor Claus, maar het recentste wereldnieuws over hem stemde al triest). Welke geletterdheid is daarvoor in de plaats gekomen?
Ik vrees dat mijn stelling van een schijnbaar onomkeerbaar registerverlies bij jongere generaties lezers en schrijvers niet alleen een zeurpieterig stokpaardje is, maar ook bijvoorbeeld wekelijks bewezen wordt in recensiebijlagen. De stijl van besprekers en besprokenen is hetzelfde geworden, zoals fictie en non-fictie dooreen zijn gaan lopen.
Voor mij wordt die ontwikkeling samengevat in de kop van een recensie à 200 woorden op Februari’s tamelijk duizelingwekkende roman Klont: ‘Heerlijk tegendraads’. De geringe ruimte is geen excuus, bij gebrek aan taal kan er alleen maar worden geponeerd.
Vertegenwoordigt een direct herkenbare schriftuur dan het stadium van decadentie? Waar Alstein en Valens mijn leestempo vertraagden en concentratie verhoogden, gebeurde het tegenovergestelde tijdens de eerste Brusselmans van mijn leven, Zeik en de moord op de poetsvrouw van Hugo Claus. De taal ademde een overdosis. Ze denderde door met eindeloze, uiteraard zinloze details en grappen die ik alleen in het begin nog lollig kon vinden.
Als antipsycholoog ervoer ik bovendien de bizarre aanvechting de auteur te duiden. Ik weet nog altijd niet of ik de uitgave van Zeik en de moord op de poetsvrouw van Hugo Claus tragisch of dapper vind.
Een identieke reactie van gedachteloos diagonaal lezen verwekte bij mij een boek dat stilistisch juist kleurloos was: Het smelt van Lize Spit. Betekent dit dat een direct onherkenbare schriftuur meer kans heeft? Ja, suggereren flapaanprijzingen van collega’s die de term ‘comfortzone’ gebruiken of zeggen dat Spit ‘schrijft met de trefzekerheid van een messentrekker. (…). Een poëtische nekslag.’
Het smelt viel me nog mee. Doordat de plot in het teken stond van een uitgesteld antwoord werd kwantiteit een argument. Wegens mijn veroppervlakkigend leestraject heb ik geen recht van spreken, maar mijn indruk was dat Spits boek het scenario is van een ultralange tv-serie, bedoeld om te bingewatchen.

maandag 22 januari 2018

Ontnozeling (4)



De Mexicaanse schrijfster Valeria Luiselli noemt haar boek Vertel me het einde ‘een essay in veertig vragen’. Ondanks die genrebepaling bekent ze zich in haar postscriptum als romanauteur, getraind om ‘de wereld te lezen als onderdeel van een narratieve plot waarin sommige gebeurtenissen de voorbode zijn van andere’.
Die blik steunt Luiselli met de verantwoording dat de in het essay bijeengebrachte relazen een andere naamgeving, tijdstip en volgorde kregen. Toch geeft ze gedetailleerde bronnen voor beweringen, met de suggestie: geloof me, deze bijna-non-fictie is echt!
Aangezien het boek handelt over Centraal-Amerikaanse vluchtelingen die in de Verenigde Staten proberen een bestaan te krijgen, is het waarheidsgehalte belangrijk. Lastig wordt dan dat de auteur soms voordringt op door haar beschreven mensen, voor wie ze overigens tolkt bij justitie.
Het ontegenzeggelijke engagement dat Luiselli ontplooit wordt naar mijn gevoel geneutraliseerd doordat ze tegelijk haar eigen lot beschrijft. Tijdens het maken van het essay, vanaf 2015, was haar tijdelijke verblijfsvergunning verlopen, zonder een green card in zicht. Maar die status begeren haar personages toch ook? Is dat solidariteit?
Mij dunkt dat het boek waarachtiger was geweest als de auteur haar romantalent inderdaad had benut. En zich in haar personages had verstopt, in plaats van verontwaardigd over hen te schrijven, en over zichzelf. Nu blijft de vraag over wie dit boek uiteindelijk gaat.
Zulke gedachten kwamen mede in mij op door Klont van Maxim Februari. Hoewel mijn vertrouwen in de roman gering is, repareerde deze bij mij menige illusie. Sowieso volg ik de publicist Februari met een zoals dat heet meer dan gemiddelde belangstelling, maar Klont stemde nieuwsgierig of er kans was voor mijn hartenwens: dat opinistiek kan plaatsnemen in fictie.
In deze roman zegt een Amerikaan dat er met het vergaan van naties en, volgens hem, het verband dat een volk bijeenhoudt, geen belangstelling is voor feiten. Er heerst nieuwsverslaving die mensen zelfs in grootste wanhoop overeind houdt. Maar ondanks dat ‘opioïde mechanisme’ is non fake news dood.
Data hebben informatie vervangen. Februari heeft over dat thema in NRC-columns herhaaldelijk geschreven. Anders dan Luiselli koos hij ervoor zijn kennis over die actualiteit te saucisseren in een het complexe systeem van de roman. Tegen het opinisme, dat hij voor de krant moet beoefenen? Het publiek kenmerkt zich, beweert Klont effen, door ‘de hongerigheid naar snelle output’.
Moraal en keuzes hebben we uitbesteed aan machines, luidt de stelling. De werkelijkheid is gereduceerd tot gegevens over de werkelijkheid. Tot een klont, zegt hoofdpersoon Alexei Krups:

‘eigenlijk geen metafoor maar een werkelijk bestaand samenspel van machten. Een wereldbeeld dat meer ruimte bood aan mededelingen over het bestaan dan aan het bestaan zelf en dat dwingend regeerde’.

Door die herschepping treedt in elk geval verlies aan kennis op, eveneens bij ‘experts die nergens verstand van hebben’. En het tragische is dat de mens die klont zelf heeft gemaakt.
Geweldig aan dit boek vind ik dat de horigheid aan een eigen, superieure schepping tot uitdrukking komt in Februari’s vertelwijze. Alle personages hebben eigen denkruimte terwijl ze zichtbaar aan een touwtje zitten dat de onzichtbare verteller dan weer met ironie dan weer met empathie en mededogen laat vieren.
Die state of mind lijkt me symptomatisch voor de globalisering waarin, zoals Philipp Blom opmerkte, de fameuze slogan ‘Gansch het raderwerk staat stil, als uw machtige arm het wil’, mede door de digitalisering onklaar is gemaakt. Toch proberen Februari’s personages het nodige, en is dit boek dus een strijdperk. Juist de roman kan het waarheidsgehalte van een stelling afwegen dat de klont ‘na Copernicus, Darwin en Freud de vierde grote krenking der mensheid’ is.

zaterdag 13 januari 2018

Ontnozeling (3)




Op een cliffhanger moet een vervolg komen. Hoe essayisme dus te combineren met activisme? Voor mij begint een boek pas wanneer het geen genoegen neemt met een gebruikelijke gang van zaken. En omdat de wereld mijn objectief is, haal ik bij aldaar toegepaste methodes de mosterd.
In hun strijd tegen ggo’s maakten Barbara Van Dyck en Lien Vrijders (mede namens Nina Holland en Anneleen Kenis) een wijziging van strategie bekend. Ze doen niet langer mee aan bezwaarprocedures, wegens schijnparticipatie. Hun interventies willen ze eerder op het traject plegen, door de politiek-economische context bloot te leggen.
Genretechnisch vertaald doen ze afstand van blog-, Facebookpost of opiniestuk. Ze slaan de weg in naar een andere driesprong: pamflet, opstel of essay.
Mentaal gaan ad-hocmeningen opzij, die door hun overvloed zichzelf uitwissen. Deze dienen een neoliberale ideologie, die parasiteert op de schijn ‘tolerant’ een waaier van ‘diverse’ inzichten te faciliteren. Terwijl belangen elders behartigd worden, mogen individuen, zonder naar elkaar te hoeven luisteren, elkaar afslachten in iets wat ze voor een open debat houden.
Genoemde wetenschappers gebruiken er de in België reguliere kwalificatie ‘praatbarak’ voor. Ze hebben besloten hun bijdrage aan het maatschappelijk debat structureler en doeltreffender te maken.
Een voorbeeld van waar zo’n strategie toe kan leiden is voor mij Zwijg, allochtoon! van Rachida Lamrabet. Daarin vertelt deze schrijfster en juriste over de hel waarin ze verzeild raakte nadat ze het scenario had gemaakt voor Project Deburkanisation. Het leidde tot haar ontslag als juriste bij het interfederaal gelijkekansencentrum Unia. Lamrabet verheldert en historiseert in Zwijg, allochtoon! de opvattingen die Project Deburkanisation liet schuren en plaatst ze in het huidige debat.
Iedereen zou het boek moeten lezen. Hartverwarmend pleit het om het fameuze wij-zij-denken op te heffen. Het beargumenteert hoe bepaalde individuen en voorvallen worden uitvergroot tot typisch voor ‘de islam’ en hoe de schijnbaar schuldvrije cultuursector wit is gebleven (en ‘allochtonen’ cast en diversiteit als subsidie-industrieel gegeven benut).
Intrigerend is dat de zetter geen enkele alinea direct door een nieuwe laat volgen maar steeds een hiaat inlast. Alsof het betoog strofische poëzie is.
Lamrabet zet uiteen waarom een democratie rekening moet houden met minderheden. Dat het dragen van een nikab, waarmee ze zelf geen affiniteit heeft, ook zou mogen mogen in plaats van verboden. Voor mij grappig was haar associatie met individuen die bewust geen smartphone hebben en die niet op sociale media zitten.
Bij Lamrabets ontslag, waaraan ze weinig woorden wijdt, speelde Knack een hoofdrol. Dat kopte boven de samenvatting van het interview dat alles in gang zette ‘Unia-juriste Rachida Lamrabet: “Boerkaverbod is een verregaande inbreuk op de vrijheid van vrouwen”’ en tweette het ook zo. Daags daarna luidde de integrale tekst: ‘Mijn kinderen zullen eeuwig “de anderen” blijven. Dat maakt me bang’ en heette Lamrabet in de intro ‘schrijfster’.
Zo werd de overheidspersoon naar voren geschoven en de politiek, vooral N-VA, uitgenodigd: ‘Kielhalen!’ Misschien was het berouw, of doordeweeks cynisme, dat Knack vervolgens twee breed gesteunde open brieven tegen het ontslag publiceerde waarin het recht op vrije meningsuiting wilde zegevieren.
Was het uit een bang voorgevoel dat Lamrabet tevoren had benadrukt te spreken als kunstenaar? Het onderscheid is voor mij duister en ik zie sowieso niets ongepasts aan de opvattingen die Lamrabet – als mens of werknemer of schrijfster – ontvouwde. Evenmin begrijp ik haar bijbehorende idee: ‘Van kunstenaars verwacht iedereen dat ze de goegemeente choqueren, dat ze tegen heilige huisjes aanschoppen.’
Van daaruit redeneert Lamrabet dat ze de pineut was omdat ze niet tot het autochtone ‘wij’ behoort. Dat mechanisme van uitsluiting herken ik, maar ik zou niet durven beweren dat het exclusief ‘allochtonen’ treft.
Ook weet ik niet of de dienstdoende uitsluiters exclusief bij rechts te vinden zijn, zoals Lamrabet meent. Haar containerbegrip ‘de dominante groep’ bevat volgens mij van alles en nog wat. Wel kan die staat van gedeeltelijke ontkenning op conto worden geschreven van mij in de hoedanigheid van witte ‘autochtoon’.
Mede daarom raad ik dit boek iedereen aan. Want klopt het wel dat ik er een tegenspraak in ontwaar, een regressie misschien andermaal? Bij Lamrabets verheugende anti-essentialisme blijkt namelijk meer dan eens sprake van ‘bloed-en-bodem-Vlamingen’. Ook kan er staan: ‘De moslima wordt altijd gekoppeld aan alle moslima’s overal ter wereld en bovenal, ze wordt gekoppeld aan de moslima die leeft in de verbeelding van witte mensen’.