vrijdag 18 november 2011

Ja meneer de burgemeester (3)

Laatst wou ik in een onbekende stad vragen naar de weg, maar ik moest eerst mijn oordopjes uitdoen, net als bijna iedere passant. Vreemd? Wellicht had de ontheemdheid pas toegeslagen wanneer mijn iPod thuis was blijven liggen. Op zo’n moment waan ik me een ‘kind van mijn tijd’. En vertrouw ik er bijvoorbeeld terug op dat het internet een gemeenschap kan stichten, vooral door het debat. Jongere auteurs lijken het medium naturel te gebruiken, in de andersglobalistische geest van Naomi Klein die het uitgelezen achtte voor gecoördineerde decentralisatie, terwijl opiniepagina’s gesproei ondergaan van de wijwaterkwast. Al bij het construeren van zo’n antagonisme daagt het besef dat het niet klopt. De waarheid komt mij nader wanneer ik vaststel dat ik van nieuwe media ‘veel niet snap’. In mijn branche woedt op blogs soms weken achtereen één commotie, schijnbaar bij gebrek aan geheugen en kennis. Ze doen mij, voorbij de digitale aankondiging, snakken naar papieren tijdschriften. Zoals de jongste nY en Parmentier waarin, vaak door dezelfden, wordt gereflecteerd over de maatschappelijke mogelijkheden van kunst in het algemeen en poëzie in het bijzonder. Daarvan leer ik en hort. Laatstgenoemd blad openbaart bijvoorbeeld dat er diverse reacties in dichtvorm zijn geweest op de gruwelijke zelfmoord van Kambiz Roustayi op de Dam. Frappant dunkt me dat ze goeddeels aan het oog van het publiek waren onttrokken doordat men vanuit Facebook opereerde. Waarom eigenlijk? Ik veronderstel dat men dat medium niet gebruikte voor een uitsluitingsanalogie. Heel wat mensen die ik hoogacht en die me dierbaar zijn, bewegen zich over dit vermaarde sociale netwerk, dus het zal, los van verweggistanse clichés over steun aan de Arabische lente, zijn functie en charme hebben. Parafrases gaven mij echter de indruk dat ik me op Facebook niet senang zou weten. En nadat een authentiek fragment zo’n beetje in het gezicht gesmeten was, wist ik het zeker. Het blijft me duister of ik me er te oud of te jong voor acht. Die dubbelheid strekt verder. Voor mijn weblog blijkt Facebook hyperlinkgewijs een bereidwillige donor. Dus mag ik slechts blij zijn indien men er met mijn stukjes, zoals Jan Pollet het uitdrukte, ons ding doet. Het is ook prettig dat ik me daarin onmogelijk kan mengen; eventuele lezers krijgen zo desgewenst optimaal de kans hun zeg te doen. Mij ontgaat althans Zizeks besliste mening: ‘Ik ben bereid mijn opvattingen op democratische wijze te verdedigen, maar ik ben niet bereid om anderen democratisch te laten beslissen wat mijn opvattingen zijn – hier behoud ik mij mijn filosofische arrogantie toe.’ Wel zou het me spijten indien iemand die niet hoort tot friends van een sociale netwerker en die het onderwerp dat ik had aangesneden interesseert, geen toegang had tot andere opinies. Maar dan raakt mijn onbegrip al richting ‘het publieke debat’. Slingert Facebook het niet terug naar een tijd, waarin Habermas uitlegde dat het essentieel is voor een democratie? Doen alle archipels van friends niet denken aan parochies, en aan de verzuiling waaraan het neoliberalisme en internet een halt hadden toegeroepen? Klein had het in datzelfde internetkader jaren geleden al over extreem narcisme gepaard aan intens verlangen naar contact. En Henri Beunders stelde onlangs dan weer dat juist manifestaties via blogs en reactieknoppen de angst voor de massa hebben vergroot. Mocht het gemeenschapsgevoel vooralsnog van Twitter moeten komen, dan men kan beter eens bij zichzelf te rade gaan. Ook de praktijk dat mensen door hyperlinks op ideeën worden gebracht, is misschien toch wat banaal. Hen aanzetten tot reproductiegedrag en hen degraderen tot followers die niet zelf kunnen surfen, dunkt me het verbruik van in alle opzichten zeer kostbare kilowatts niet waard. Nog meer meningen wel (zoals media peilingen houden)? Dat aan de kaak stellen is de oubolligheid over zich afroepen. Het opslagprobleem van in hun overlapping nutteloze computerdata wil ik niet wegwuiven, zeker niet wanneer Twitter wordt ingezet om eigen postings dubbel onder de aandacht te brengen. Tabee energiebronnen voor komende generaties! En in plaats van hulp aan derden (inclusief de auteur van wie de tekst of gedachte is gekopieerd) hoor ik onvermengd: Ik, ik, ik! Van nature ben ik al niet geneigd amen te zeggen, laat staan na dit Hekkinggeluid, dat uiteraard evengoed opklonk uit het mailbombardement van ‘Tijdschrift Raster’ waarmee deze reeks postings ontbrandde. Uit liefde voor de literatuur? Het medium Twitter blijkt in ieder geval een beleidsinstrument van formaat. Natuurlijk wil het neoliberalisme dat elk zichzelf respecterend bedrijf zijn wijsheden ook over deze sociale netwerken uitstort. En zoals een beetje uitgever tegenwoordig vermeldt dat zijn boeken zijn van ‘papier dat het keurmerk van de Forest Stewardship mag dragen’, zo zullen Tweetideologen binnenkort wel zeggen dat ze pompen op groene stroom. Zouden behalve enige politici overheden zelf eigenlijk het medium gebruiken? Dan zou pas werkelijk het onderscheid tussen boven- en onderwereld bekrachtigd worden. De detectie ervan in de literaire biotoop zette veel kwaad bloed, wellicht mede omdat ze impliceerde dat woord en daad van elkaar afweken. Sowieso bevordert het schier grimmig ontbreken van niet-virtuele data in het gemiddelde literaire weblog een onderwereldervaring die claustrofobie heet. Ik verbond het in de vorige posting met het neoliberalisme, maar er zijn meer parallellen. In de basale literaire-weblogpraktijk gaat het bevoordelen van A gepaard met het negeren van B. Maar da’s het altijddurende verwijt aan de bovenwereld! Wat ik daarbij nooit gesnapt heb, is de situering in ‘de elite’. Straffen en belonen oogt juist middle class, geeft nimmer rust. Enerverende tijden voor de Grachtengordel 2.0? Zo blijft alles een kwestie van codes kennen. Het taalkundig genie zegt inmiddels, als ik iets goed doe: ‘Twee duimen omhoog’. En bij dat woord sluit haar daad restloos aan. Ik weet nu waar ze die mosterd heeft gehaald. Dat gold niet na onze vroegste spraakverwarring, bij het onvolprezen boek Tom en Lea, op het moment dat de beer voor de spiegel zijn tong uitsteekt. Dat interpreteerde ik – op basis van ervaring en ongetwijfeld selectieve herinnering – als spot. Maar zij zei: ‘Ekke vies bah’.

zondag 13 november 2011

Ja meneer de burgemeester (2)

Onlangs maakte ganzenbord zijn debuut in zowel mijn leven als dat van het taalkundig genie. Toen ik haar, gesteund door een vage herinnering aan een passage uit een jeugdboek, maande een beurt over te slaan omdat ze in de put was beland, antwoordde ze verontwaardigd dat ze naast de put zat. Ze had haar gans op de rand van het vakje geposteerd. Na een schaterlach, die zij niet begreep, bekroop me een opgelucht én onbehaaglijk gevoel dat ik ken vanaf het moment dat ze kon kruipen, wanneer ze een afstandsbediening pakte of een rekenmachientje. Ze hield het tegen haar oor en begon erin te praten, en onderbrak soms het gesprek om een knopje in te duwen. Uitzonderlijke peer pressure? Ze dacht een gsm te bedienen, zoals bijna alle bezoekers thuis en de verzorgsters op de crèche dat deden – maar die haar ouders niet bezaten. Ik heb die acties altijd bewonderd: mijn kleine dame die reeds ‘de codes kende’, op naar het multitasken! Vervolgens zat het onbehaaglijke in de veronderstelling dat papa zelf ‘niet mee kan komen’. Daar dacht hij dan over en schoof het terzijde. Sinds Jan Pollet uit mijn vorige posting heeft opgemaakt dat ik welhaast wereldvreemd ben, herkauw ik het gevoel. Hij keurt mijn kennis van het internet, die even groot is als van de gsm. Nu ben ik vaker door de sensatie besprongen dat ik niet alleen de boot heb gemist maar dat hele vloten aan me voorbij zijn getrokken. Ditmaal prijs ik me er gelukkig mee. Dit heeft voor de goede orde niets te maken met mijn ontzag voor ‘mensen die iets met hun handen kunnen’, ofschoon ik me aansluit bij Matthew B. Crawfords verbazing in Shop Class as Soulcraft. An Inquiry in the Value of Work, dat men het uurloon van consultant & co uit de kenniseconomie dan wel hoog kan vinden maar het grif betaalt – terwijl men de loodgieter die onder het aanrecht noodzakelijk en huishoudreddend vakmanschap verricht uit alle macht zwart poogt te vergoeden. Deze depreciatie is namelijk oud. Al in de schoolbanken geldt een ambachtelijke opleiding als minderwaardig aan een academische waar je ‘alle kanten mee opkunt’. Nee, mijn triomfaal humeur steunt op berusting. Ze komt van een door papier gevormde lezer, die vergeleken bij zijn voorvaderen, laat staan bij kloostermonniken, een verwaarloosbare concentratieboog heeft. Maar daarom zou ik niet op mijn conto willen dat het ‘vroeger beter was’. Wel accepteer ik bij ‘LinkedIn’ eerst te denken aan een pornosite (currently holds this position) en wacht ik tot mijn pensioen met de studentencursus Zakelijk flirten, waarop je de ‘30 seconden pitch’ leert. Volgens Jan Pollet (beter: zijn bron van dienst) zorgen burgers op het internet voor aanvullende informatie die langs officiële kanalen niet te verkrijgen valt. Dit onvermijdelijk licht paranoïde beeld van de wereld benadrukt het puin dat het neoliberalisme met zijn focus op the fittest achterlaat. Het internet leent zich uitstekend voor het kennelijk onwelgevallige. Een relatief onomstreden paragraaf in Dirk Barrez’ recente pamflet van Verontwaardiging naar Verandering zal zijn dat betrouwbare en autonome informatie cruciaal is voor een democratie, die dan met reden gesteund wordt door een vierde macht. Als medeburgers zouden bloggers derhalve een ethische plicht kunnen opvatten. Pollet heeft het over ‘helpen’. En inderdaad, wanneer hij postings van mij vermeldde, voelde ik me altijd verguld, want even bevestigd in een bestaan. Deed hij echter met zijn citaat-linkmethode ook recht? Mij dunkt dat zijn bezwaar voor het eerst pogingen daartoe ondernam. Helaas zijn die zeldzaam op zijn blog, die onbedoeld evengoed steun verleent aan de ‘marktcensuur’ die Laurens van Krevelen vaak treffend maar, zoals te doen gebruikelijk wanneer het om zijn liefde Boeken gaat, wat oververhit in De Gids (2011/2) aan de kaak stelde ten faveure van UNESCO’s ‘bibliodiversiteit’. Pollet heeft me inzicht gegeven in een kapitalistische logica. Hij verzorgt de boeiendste literaire nieuwssite van de Lage Landen, omdat hij volhardt te zoeken in het meest nabije en in de verste hoeken (wat mij vanuit mijn vooringenomenheid dan weer streelt). Zo was er toen De Papieren Man nog bestond in combinatie met De Contrabas een virtueel triumviraat dat een overzicht bood van actuele westerse taaltoestanden. Dat besef betekent ook, nog los van schotten die sociale netwerken vervolgens plaatsen, dat geen van die sites representatief is en elk aan uitsluiting doet. Ze zijn gatekeepers van de actualiteit. Ik wil geen discussie aangaan over de wederkeer van de collage, die op het web danst met plagiaat: Pollet verantwoordt zijn bronnen altijd en vermijdt wetenschap 2.0. Maar doordat hij pertinent commentaar achterwege laat, verliest hij zijn onafhankelijkheid. Zijn intentie zou samenvallen met de daad, indien hij de inhoud van zijn hyperlinks nuanceerde. Nu volgt Pollet praktijken die Nick Davies voor papieren media bekritiseerde: klakkeloos overgenomen persberichten gaan fungeren als feit. De nieuwsblogger met zijn goede bedoelingen is een doorgeefluik voor zijn preferenties en een filter voor wat hem niet aanstaat alsmede, mind you, alles wat zich niet via het internet profileert. Vol enthousiasme dient hij voorbeeldig het neoliberalisme, ideologie van de ingezonden mededeling. Zou Pollet geloofwaardiger zijn bij een naakt feedoverzicht, waarin surfers updates kunnen aanklikken en hij de vrijgekomen tijd benut om zijn kennis productief te maken voor een hele gemeenschap? Analyses en inzichten voorbij de mening, voorbij man en moment, ontbreken helaas niet alleen in reguliere media. Tegengesteld aan de wisdom of the crowds die de bedenkers ambieerden, vergroten Jan Pollets selecties vooralsnog de kloof tussen de burger en de burger. De idee dat al die hyperlinks bij elkaar completer informeren, zou hij sowieso moeten laten varen. In Het ondiepe citeert Nicholas Carr onderzoek volgens welk juist de hyperlink censureert. Het onverwijld via een muisklik bereikbare wint aan prestige boven papieren informatie, waar men de stoel voor uit moet komen. Een bizarre paradox: grotere online beschikbaarheid leidt tot blikvernauwing en conformisme; wijdere perspectieven liggen onderwijl onzichtbaar te wezen in heuse boeken. Nu ja, dit verhaal is nog niet uit. Maar eerst wil ik de Italiaanse meneer en Mexicaanse mevrouw bedanken die mijn gsm uit de trein hebben gevist. Hopelijk smaakte de chocola.

zondag 6 november 2011

Ja meneer de burgemeester (1)

Vandaag, op het Offerfeest, is het een jaar geleden dat op mijn privé-adres een mail binnenviel van ‘Tijdschrift Raster’. Uit zijn rijke archief, zo werd kond gedaan, zouden werkdagelijks aangevulde grepen komen. Week na week, tenzij door expliciet aangekondigde vakanties, is zo’n mail binnen blijven vallen, meestal op vrijdag, en later ook op mijn werkadres. Ik ben op een gegeven moment gaan piekeren waarom zoiets wordt ondernomen. Natuurlijk, het is een vorm van reclame voor een nieuw blad dat zijn boot handig dacht aangehaakt te hebben. Maar omdat het slechts oude stukken uit Raster opwarmde welks zoektochten, wat je er ook van zeggen mag, zich juist op het onbekende richtte, kregen de ongevraagde mails per week iets pijnlijkers. Toen bovendien uit het nulnummer bleek dat er geen enkele ontdekking voor het Nederlandse taalgebied in was gedaan en het redactioneel serieus meedong naar een prijs voor fletsheid, werd de teneur ronduit zelfvernederend. Wie een stap terugzet en de context beziet, kan de reclame interpreteren als agressie jegens bestaande concurrenten als nY, Parmentier en Kluger Hans die wel een eigen blik op internationale literatuur hebben. Of als annexatie van een niche, zoals meteen na het bericht dat Tomas Tranströmer de Nobelprijs had gewonnen niet alleen de vertaalverdiensten van Raster terzake werden uitgemeten maar ook het voorlezen van een Tranströmer-gedicht bij de presentatie van het nulnummer. Toch lijken mij zulke ramkoersen weinig aannemelijk; in de redactie zitten enige getalenteerde mensen. Omdat waarom-vragen schijnen uit te moeten monden in wie-vragen, wordt het perspectief wellicht beter verder verbreed naar de huidige technologische geplogenheden. Is het dan nog uitzonderlijk dat, om memorabele sketches van Koot en Bie van stal te halen, wethouder Hekking zich voor de burgemeester dringt? De meeste literaire sites van naam hebben zich de copy-and-paste-techniek eigen gemaakt, wel dan overigens van een permanent lopend aanbod. Hooguit kleeft er nog wat mening aan het (desnoods vertaalde) nieuws. Daarnaast lijkt het volstrekt gangbaar om die gereproduceerde verbreiding van andermans teksten en avonturen via belendende kanalen als Facebook en Twitter te onderstrepen. Is die energieslurpende karigheid dan structureel aan nieuwe media? Ja, beweert Nicholas Carr in zijn sombere, maar in grote lijnen geloofwaardige boek Het ondiepe. Hoe onze hersenen omgaan met internet. Genoemd lichaamsdeel is in staat tot plasticiteit, waarmee het zich aanpast aan druk vanuit omgeving, fysiologische veranderingen en ervaringen. Wel kan die evolutionaire vaardigheid geen weg terug inslaan, plasticiteit is niet elastisch. Ook zijn we het voorwerp van determinisme omdat we louter slimmer raken in het verwerken van internetdata in termen van het web zelf; artikelen als inductieve analyse, kritisch denken en reflectie worden schaarser. Maar er moest wat gebeuren, er wordt, naar verluidt tegen de onzichtbaarheid, meer gesms’t dan gebeld – een vorm van informatie met eigen codes. Ook is de tijd die we aan internet besteden bovenop het tv-kijken gekomen, dus zijn schermen, soms van diverse bronnen tegelijk, dé communicatiepartner. Het ondiepe signaleert bijvoorbeeld het fenomeen ‘ontbundeling’, dat ons in staat stelt exact onze keuze uit een enorm geheel te maken in plaats van een pakket moeten slikken. Wel heeft dat consumptiepatroon mentale vereisten om het effectief te laten functioneren: men moet erg snel informatie kunnen verwerken. En dan raakt het – naar het simplificerende neigende – overzichtelijke, het samenvattende op de voorgrond, een soort Hekkingen in het genre. Carr past vervolgens het fenomeen groupiness op literatuur toe, dat lezen verbindt met “erbij horen”, het sociale belang laat overwegen, waardoor onmiddellijke toegankelijkheid, in een soort chicken talk, aanbevelenswaard is. Bijkomend fysiologisch feit is dat de informatieoverload ons werkgeheugen beproeft op zijn grenzen, zodat relevantie lastiger te onderscheiden valt van ruis. Slikken zonder kauwen is praktischer. Sterker, Carr citeert een psycholoog volgens wie we ons abonneren op alerts en feeds uit een illusie van urgentie, omdat we gestoord willen worden. Die verslaving kreeg een passende naam in Google’s zoekservice Caffeine. Het blijkt echter niet mogelijk ons geheugen te outsourcen, opdat het internet, zoals een goeroe het wou, een ‘buitenboordbrein’ wordt. Gelukkig hebben (hadden?) onze hersenen een onbeperkte capaciteit, die niet in bytes uit te drukken is. Wijzigen zulke ontwikkelingen ook de ervaring zelf? Onlangs belandde ik al zappend in een interview met een succesvolle entrepreneuse in de textiel, die niet hield van laaglands gezeur over werktijden. Het arbeidsethos in China beviel haar beter. Daar had ze naar eigen zeggen fabrieken bezocht waar van 6 tot 24 uur gewerkt werd. Dit intrigeerde mij nogal. Zouden die arbeiders haar kledingmerk ooit aanschaffen? Amin Maalouf stelt in De ontregeling van de wereld dat elke macht een tegenmacht nodig heeft om anderen en zichzelf tegen excessen te beschermen (waarbij hij refereert aan het gevaar dat kinderen lopen met een aangeboren ongevoeligheid voor pijn, niet alleen omdat ze steeds zich ongemerkt zeer ernstig kunnen verwonden, maar ook vanwege een euforisch gevoel van onkwetsbaarheid). Deze these legt hij op de postideologie. Nadat het op zich allerminst vlekkeloze communisme ogenschijnlijk ineen is gestort, is het kapitalisme zijn kritische tegenstander verloren waardoor het gedwongen was zich ‘socialer, minder elitair op te stellen, meer aandacht te hebben voor de arbeiders en hun vertegenwoordigers; dat was een noodzakelijk tegenwicht, zowel in ethisch als in politiek opzicht, en uiteindelijk ook voor een doeltreffend en verstandig beheer van de markteconomie.’ De entrepreneuse legde uit dat haar klanten niet zozeer haar kleding kochten, als wel zich er een levensstijl mee aanmaten, waarover ze via Facebook en Twitter moesten berichten. Op die kanalen werden dus ervaringen gedeeld door wat met recht een doelgroep mag heten! Zelf zag ik niet echt verschil met een programma waarop ik even daarvoor was gestuit en waarover ik al veel had gelezen, Oh Oh Cherso. Best sympathieke lui eigenlijk, met weinig speling tussen woord en daad, maar dusdanig gespitst op belevenissen dat ze platsloegen door het geweld van de vertolking. Da’s ook een paradox, als ik me mag beroepen op enige belezenheid en stilistische ervaring: dat het ondoenlijk lijkt een wezenlijke ervaring in taal te vatten – mijn dochters die in bad minutenlang spelen met het dopje van de shampoofles. Is er een alternatief? (Naschrift Omdat het me niet lukt een reactie op mijn eigen blog te plaatsen:) Jan Pollet weerlegt een alinea uit deze posting, maar ik vrees dat hij daarmee mijn indrukken in technolocis bevestigt. Daarover in een volgende aflevering.

vrijdag 28 oktober 2011

Sonnet (op een duizendste van een punt)



Nu ga je drie dagen gratis flirten. ‘Bonhomme, 
il est temps que tu te réveilles.’ Wil je frontaal
worden aangereden of toch liever in de flank? 
Onze Nietzsche kan stemmen noch remmen. 
Ach, je weet hoe de goden zijn. Raap je zaad 
bijeen en zijg niet langer. Wees vergenoegd 
dat het paard een rijbewijs heeft. Dacht je dat
 je ging worden gestraft? Waarom dacht je dat?
Stap beheerst opzij, je uitleentermijn verstrijkt. 
Onze Nietzsche boft maar dat hij tegen Hovius
Matthias heelal zeggen mag. Ook van boven zie 
je pips. Last van verkiezingskoorts? En muizen
hebben kleine pootjes en zeer lange staarten.

maandag 24 oktober 2011

Giroschaken

De jonge K. Schippers hield met een vriend wedstrijdjes langzaam fietsen. En haptonoom Ted Troost veroorzaakte, decennia later, geclaxonneer en file-achtige toestanden door met een in de auto naast hem chaufferende vriend op een tweebaansweg de aangegeven maximumsnelheid te volgen. Deze anekdotes verenigen het terugdrijven van dagelijkse haast. Het allermooiste voorbeeld daarvan ligt in iets waarvan ik niet weet of het nog bestaat. Dus laat het omzichtig gesignaleerd dat ‘in de twintigste eeuw’ van stortingen op de girorekening de ontvanger de met de hand geschreven opdracht per post kreeg. Dit verkeer werd gebruikt voor zogeheten giroschaken. Een klein bedrag volstond om bij de mededelingen iets te noteren als ‘d2-d4.’
Zo’n partij kon, los van de kredietwaardigheid der spelers, even duren. Ik heb me afgevraagd of de diffuus blijvende boodschap van Occupy- en Indignados-bewegingen niet simpelweg een roep tegen bankieren en politici is: ‘Rustig aan! Winnen hoeft niet!’ Daarmee zou het dogma van Groei op de pijnbank gelegd worden. Maar misschien ben ik te weinig onderlegd, niet snappende dat stilstand achteruitgang is. Er zijn in elk geval bezwaren gerezen dat aan de protesten geen welomschreven programma ten grondslag ligt. Aan die kritiek kleven vele facetten. De ideologische ongrijpbaarheid leidt bijvoorbeeld tot vergelijkingen met weleer. Dan stoelt zelfs de meest welwillende duiding op continuïteit. Alsof jongeren, hoe imponderabel en heterogeen ook, geen eigen merites hebben.
De weerkerende klacht luidt dat mei 1968 heel wat consequenter was en niet zo verwend als nu: ‘Een kleine minderheid bleef slapen op het plein. Sommigen haakten gedurende de avond alsnog af wegens de kou, maar voor de dappere overblijvers werd 's ochtend warme koffie geschonken onder een partytent van Gamma.’ Tja, was er in Parijs en omstreken destijds misschien een fijner temperatuurtje? Hoefden studenten toen ook niet te kamperen, laat staan binnen drie jaar zus en zoveel punten halen en een bijbaan hebben om de studie te bekostigen?
Zelf ben ik minstens tien jaar te laat geboren om over die geschiedenissen empirisch verantwoord mee te kunnen spreken. Zoals hier is doorgeschemerd, heeft me dat altijd wat gespeten. Van mij mogen systemen als geheel ter discussie worden gesteld, met van pretentie bulkende ideeën over hoe het beter kan. Toch blijft het me verbazen dat nog jongere mensen dan ik daar allerlei wijsheden over debiteren, ditmaal bij gelegenheid van de Occupy-manifestaties. Zo proefde men een ‘onappetijtelijk oud-Marxistisch sausje’ en ontwaarde ‘het aloude spook van “klein links”: wie niet zuiver in de leer is wordt buitengesloten, tot enkel een irrelevante club gelijkhebbers overblijft’. Worden hier niet veeleer hapklare brokken herkauwd uit de reproductiemachine?
En trekt het feit dat naast bankiers ook sporters en celebrity’s uit de amusementsbranche veel verdienen, de bodem weg onder de acties? Of bijt de kritiek op economische monstermachten zich echt in de staart omdat er evengoed een samenwerkingsverband nodig is om ze te bestrijden? Tenminste lijkt er een soortgelijke paradox actief in bankiers die pleitbezorgers zijn van deregulering, behalve als ze na tegenwind bij de overheid aankloppen.
Door tegen Groei en Graai te ageren verrijst er wel een tastbare tegenpartij: neoliberalisme. De Indignados verplaatsen zich bijvoorbeeld te voet, terwijl een basisvoorziening als de trein is geprivatiseerd. Niet het milieu maar rendement wordt dan het criterium, zodat niet elk traject is gedekt. Tegelijk raakten twee auto’s per gezin maatschappelijk aanvaardbaar, en schijnt een bedrijfswagen fiscaal aantrekkelijk.
Dat het me aanspreekt dat actievoerders de benenwagen gebruiken, komt allicht mede voort uit (werkelijk ervaren) geplogenheden van mijn generatie. Ik ben opgegroeid met punk, die op mij muzikaal onspannend overkwam maar als organisatievorm aantrekkelijk: do it yourself. Verklaart dit mijn terstond geïnstalleerde argwaan voor de Belgische G1000, waar mensen ook hun nek uitsteken om iets te veranderen? Deze groep presenteerde zich met een persconferentie, doet aan fundraising, heeft reclamespots en krijgt recettes van organisaties die men zo wel kan voorspellen – claustrofobisch België, dat zelfs Malcolm McLaren nooit in zo’n slagorde had gekregen! De Occupy-beweging groeide echter vanuit een blogbericht, en zag en ziet wel waar het schip strandt.
Het is bijna logisch dat in die strategie de bekendste initiatiefnemer van de G1000, David Van Reybrouck, een gebrek aan finaliteit ziet. De G1000 hanteert discussiepunten en kandidaten, waar Occupy’ers open podium houden. Het gevaar dat er uit te vergroten zotteklap vrijkomt, loopt men liever dan dat er visies worden gemist. Tevens is er verschil met de anonimiteit, ook door nicknames, van comments op het internet, waar sowieso niet elke opinie evenveel waard blijkt.
Wat is wijsheid? Over bestuursvormen wist de immer stoïcijns redenerende Immanuel Kant:

‘es sind nur drey derselben möglich, wo nämlich entweder nur Einer, oder Einige unter sich verbunden, oder Alle zusammen, welche die bürgerliche Gesellschaft ausmachen, die Herrschergewalt besitzen (Autokratie, Aristokratie und Demokratie, Fürstengewalt, Adelsgewalt und Volksgewalt). […] Unter den drey Staatsformen ist die der Demokratie, im eigentlichen Verstande des Worts, nothwendig ein Despotism, weil sie eine exekutive Gewalt gründet, da alle über und allenfalls auch wider Einen (der also nicht mit einstimmt), mithin Alle, die doch nicht Alle sind, beschließen; welches ein Widerspruch des allgemeinen Willens mit sich selbst und mit der Freyheit ist.’

Zelfs tegen apert onrecht koos Kant de weg der geleidelijkheid boven anarchie, ‘eine übereilte Reform’. Occupy’ers doen dat anders. Toch heten ze hypocriet omdat ze zelf uitsluiten. Ze zouden antisemitisch zijn, wegkijken van nobele landgenoten en neerzien op ‘arbeiders’. Maar los van mijn vermoeden dat er niemand geheel van minachting gevrijwaard is, worden de belangen van iedereen, inclusief ‘arbeiders’, door de demonstranten behartigd. Of hebben belastinggeld en pensioenen beperkte doelen? Zijn die mensen net als de Indignados mogelijk met reden verontwaardigd?
Na Heijne zou ook Grunberg ‘lifestyle’ in de acties te hebben gezien. Bevallen hotelkamers hun beter dan tenten? Wellicht is daar comfortabeler te giroschaken, literair bezien een graatmagere variant op Mandelstams concept van de flessenpost (dat volgens de literaire stadsmythe is overgegaan op Celan): onderwerp en gesprekspartner liggen vast, de codes daaromheen verwekken een eenduidig begrip en zelfs het ermee gemoeide geld kan worden weggestreept. Gesloten beurzen.

maandag 17 oktober 2011

Democratie

Bankiers en belastinggeld komen momenteel voor hun eigen bestwil beter niet in elkaars buurt. Het laatste lijkt een geïnstitutionaliseerde bonus voor de eerste, en dat zit niemand lekker. Behalve bankiers zelf? Zelfs echte bonussen appelleren minder aan prestaties dan aan wereldbeelden die de laatste weken, gelukkig, openlijk bakkeleien.
Vrij recent heeft Hans Wiegel zo’n man verdedigd die uitstekend werk had verricht, en daarom toch best volgens afspraak een beloning mocht? De vraag is waarom in zo’n gastvrij land die afspraak gemaakt is. Minder dan aan de rat in het experiment van Skinner herinnert mij de zo gemotiveerde mens aan het drama dat ons taalkundig genie graag ten beste geeft, als ze beweert dat ze recht heeft op een chocoladewafel omdat ze flink haar boterhammen heeft opgegeten.
Een ander precair puntje staat ter achterzijde van dat bonusbiljet: de gouden handdruk. Daar is een groot zogeheten afbreukrisico de ratio van. Indien het misloopt, zit men zonder inkomen. Een doorsnee sterveling valt dan in een werkloosheidsuitkering, maar die staat onder druk wegens vermeend misbruik na historische wasdom.
Tja, binnen twee van zulke vangnetten kan zich gedrag ontvouwen dat aan de voorspelbare kant is. Dat de CEO van een met belastinggeld geredde bank na vaste vergaderingen geen huurappartement of Thalys pakt, maar een hotelkamertje à 545 euro per nacht. Dat de concerncommunicatiedienst dit bedrag herroept tot 150. Dat dit voor collega-media voer voor stennis is in de metacultuur (die ik hier dan signaleer), en passant de teller op 185 zettend. Dat in een onthullinginterview een insider weet dat de CEO prototypisch handelde: ‘Hij beslist alles, samen met een meute van experts en consultants. Dat is typisch Frans. Dat loopt van Lodewijk XIV over Napoleon.’
Het kader rond de voorgaande nieuwsfeiten en redenaties is natuurlijk het neoliberalisme. Langjarige kritiek daarop wordt ‘lifestyle’ genoemd door uitgerekend Bas Heijne, wel heel erg vreemd. Maar laat ik me niet opwinden en prettig verrast zijn dat er nu jongeren opstaan en zich verenigen. Fijn ook dat zij, in tegenstelling tot vooralsnog breder ondersteunde fenomenen als de Teaparty, en in de Lage Landen de N-VA en PVV, eenheid niet regionaal zoeken maar letterlijk wereldverbeterend proberen te zijn.
Die ambitie valt te begrijpen uit de globale aard van problemen, zich uitstrekkend van bancaire systemen tot en met ecologie. Aldus aangerichte ellende grijpt overal in huishoudens in, op meerdere niveaus. De opstand daartegen moet zelf procentueel een groeimarkt aanspreken. Logisch, omdat de vrije markt indruist tegen een intuïtie van wat eerlijk kan uitpakken, waardoor deze ideologie met dermate zwaar geschut moet worden gelanceerd dat ze een weergaloos godsbewijs in herinnering roept, als verwoord door Richard Dawkins: ‘De meerderheid van de wereldbevolking gelooft niet in het christendom. Dat is precies wat Satan in de zin had. Dus God bestaat.’
Welke nuance je ook in de protesten kunt aanbrengen, ze wijzen niet de richting op van een comfortabele weg en blijken concreet. De indignados in Europa zijn verwant met de occupybeweging in Amerika, die zich op haar beurt wist geïnspireerd door de Arabische Lente.
Gelukkig mag universalisme lonken. Ook verheugt me dat, contrair aan neoliberale evidence-based policy van de stille diplomatie, woede expliciet de drijfveer is. Tot naburig genoegen trof ik als afzetpunt ‘het systeem’ aan, de term niet-ironisch ingezet, laat staan verworpen op basis van laptopwaarheden en non-events bij naar eigen getuigenis gepokte types, die misschien de staat van hun toch wat blasé of bangelijk ego weerspiegelen.
Goh, wat raak ik van die protestberichten in een goed humeur. Zelfs het idee dat Facebook in de verbreiding een cruciale rol heeft gespeeld, kan ik verdragen. Misschien is het een groter wonder dat er, behoudens in Rome, amper geweld aan die demonstraties kleeft. De samenstelling van deze a-hiërarchische gemeenschap is toch heterogeen en het gedachtegoed moet nog uitgekristalliseerd. Het middel van de ludieke actie zal menigeen doen terugdeinzen, maar bewijst op dit punt nut – zou de als grotegelijkhebber min of min uitgekotste Michael Moore, die in Capitalism. A Love Story bijvoorbeeld Wall Street met een geel politielint omgordde, alsnog een voorbeeld zijn?
Vanzelfsprekend heb ik bij die indrukken makkelijk praten. In een verwarmde studeerkamer, zelden geconfronteerd met financiële verleidingen. Slechts eenmaal, staat me bij, heb ik me een houding moeten geven tegenover overvloed. Dat was op een receptie na uitreiking der Vlaamse Cultuurprijzen waarvoor ik, Nederbelg, was ‘genomineerd’. Eerder die avond had ik bedacht dat voor het geld van de theatershow met al die uitreikingen vele sans-papiers een jaar verder hadden gekund, maar de aanblik, tussen alle fine fleuren door, van het eten en drinken deed me besluiten even geen gedachten te willen. Achteraf bezien pikte ik mee van eigen belastingcentjes, die voor een (werkbeurs)deel op hun beurt van de belastingbetaler komen.
O, besef van de eigen positie en het vak en de context waarin dat maatschappelijk meedraait, al dan niet tegen heug en meug! Een collega noemde Tomas Tranströmer een ‘een zo goed als onbekende dichter’. Gelukkig bestaat er ten aanzien van literatuur ook lef en visie.
Als finale een streven tot vertalen uit het Engels van iets wat ik een bloemlezing tegenkwam, en stamt uit de bundel The New World (1993) van Suzanne Gardinier:

Democratie
Niets doet pijn maar de voet is onverzettelijk
De voet sijpelt De voet is nooit genezen
De doorboorde en gezwollen voet blijft niet verborgen
De voet zal inbegrepen zijn bij alle kosten
De voet zal ontlasten De voet zal bewustzijn
en slaap organiseren tot erop wordt gelet
Opgelet De voet heeft iets te vertellen
maar geen snelle praatjes De voet is verzegeld
en bonst op de vloer met stemloze lettergrepen
in code De voet heeft een verslag
dat de voet niet kan doen De voet sleept zich
tegen huilen aan over de zilveren overvloed
van opgestapelde vis ter verbranding tegen amputatie
tegen het verhandelen van koper cacao en tin
tegen het besproeien van voorbijgangers met series
munitie tegen verplaatsing van daden
tegen het spuwen van gemopper van de beproefden
en verdwenen onder berichten van uitzetting
tegen vlechten van zwepen met verzilte handvatten
tegen kalkoen-met-cranberry-etentjes tegen
de scheepsruimen tegen geweld op daken
en op dennennaalden tegen gomorra’s en geweren
tegen huizen voor veilingen en terechtstellingen
De voet klopt het onherkenbare vuil af en wordt
moe maar neemt geen pauze De voet gaat door

vrijdag 14 oktober 2011

Vergelijkingsverval

Dat het bestaan van God/god nooit onomstotelijk valt te bewijzen of te weerleggen, heeft een bekend beeld gekregen: het lampje van de koelkast. Wanneer je de deur sluit, kun je immers niet zeker weten of het lampje uit is – daarvoor moet de deur open, maar dan floept het lampje aan.
Onlangs was ik, met enigszins verward en altijd luxueus ontzag piekerend over de indignados die onder andere meer politieke transparantie willen, ’s nachts in de keuken zonder enige verlichting en toen kwam er door de rubberen isolatieband tussen (de gesloten) koelkastdeur- en wand een gelige schijn.
Om zelfbedrog en aanpalend optimisme te vermijden heb ik de fabrikant gebeld. Lichtjes van koelkasten blijken sedert jaar en dag multifunctioneel. Er zitten sensoren in en bij een bepaalde temperatuur floept het licht aan en scheidt daardoor ook minieme warmte af, waarna de thermostaat in werking treedt, voor de ideale graad van met name het vriesvak, begreep ik.
De vergelijking met het godsbewijs, waarmee ik toch min of meer groot geworden ben, is passé! Dat lost de aanschouwelijke verklaring van een wereldbeeld op in een werkelijkheid met schijnbaar minder mogelijkheden, een piloot is grondpersoneel geworden. Tenzij de voorlichter van de fabriek dacht aan de telefoon: ‘Hé, een Hollander, die gaan we [sic] eens iets op de mouw spelden.’ Maar dat vermoeden valt niet te bewijzen.
Veronderstellend dat de wereld is veranderd, gaat het godsbeeld daar dan in mee? Is daar een idee over, of beperkt mijn ervaring zich toepasselijk tot informatie?

vrijdag 7 oktober 2011

Tranen

Ontevreden over het vorige stukje dat met Hella S. Haasse het eind van een auteurstype wilde onderzoeken, ploeg ik verder. Ze verklaarde in haar laatste interview een genegenheid voor de shredder te hebben opgevat, het ding dat alle documentatie vernietigde die haar privéleven aanging. In stilte is ze gecremeerd. 
Logisch dat Haasse haar onbegrip uitte voor kanalen als Twitter, maar ze moet hebben beseft dat dit was gerekend voorbij de toestand in de wereld. Evengoed onder haar collega’s. En dan doel ik niet alleen op degenen die tweets rondsturen, maar vooral op een – door blogs en realityreeksen kwartiergemaakte – trend of paradigma waarin de autonomie van kunst aldus gebroken wordt dat het publiek persoonlijke grenzen van de kunstenaar dient te overschrijden. Mij sprong in dat kader een ontwikkeling in het oog, die mogelijk door drie evenementen heen kan worden gedetecteerd. 

1. Voor A.F.Th. van der Heijden en zijn vrouw werd de ultieme ouderangst bewaarheid: hun zoon stierf, bij een ongeval. De vader kanaliseerde zijn rouw in Tonio. Als bewonderaar van een groot deel van dit oeuvre wou ik dat boek toch maar ongelezen laten. Ik vermeld dat er pontificaal bij, omdat het lastig leek eraan te ontsnappen. Op het omslag prijkte een fotografisch zelfportret van de overledene, er was een publiciteitscampagne van de uitgever (een jaar na het ongeval), van de auteur (één exclusief interview), en een tentoonstelling was ingericht. Over een boek dat ik niet kende ontstond in mij een mening die, eveneens tegen mijn zin, neerkwam op een soort ethische kortsluiting. 
Plotseling meende ik bijvoorbeeld dat het niet klopt om voor Tonio andere dan literaire maatstaven te hanteren, in termen van wie ben ik om over zoiets smartelijks te oordelen? De auteur heeft naar verluidt de voortgang van zijn schrijverschap verbonden aan het drama. Hij maakte de, volstrekt legitieme, keuze om de openbaarheid te zoeken voor zijn leed. Wie het ‘onkies’ vindt dat delen daarvan kan leiden tot iets anders dan empathie, pleegt morele chantage. 

2. Na het overlijden van Hugo Claus wierp Erwin Mortier zich op als verdediger op alle fronten. Zo serveerde hij live op televisie Danneels af na diens vermeende kritiek op Claus’ keuze voor euthanasie, wegens Alzheimer. Daarna mepte hij de kardinaal nogmaals in een interview, wegens vermeende censuur. Achteraf verklaarde Mortier zijn engagement met Claus nader uit het feit dat zijn eigen moeder Alzheimer had. 
Die ziekte is een maatschappelijk probleem dat velen treft. Op goed moment kwam er in de krant een foto door Lieve Blancquaert van Mortier met de moeder (die tot op de dag van vandaag leeft). Daarna het bericht dat haar ziekte hem noopte tot het schrijven van een boek. 
Op 3 september 2011 verscheen een nieuw magazine bij De Morgen, geopend door een gedreven interview met Mortier door Yves Desmet, die volgens mij als eerste Godenslaap op één lijn heeft gesteld met Het verdriet van België, één van de grootste werken uit de Zuid-Nederlandse geschiedenis. Mortier weidde gedetailleerd uit over wat ‘na Hugo’ met zijn moeder en hem was gebeurd. Diezelfde week zou het boek op de markt komen. Ook dat heb ik niet doorgenomen, als alle andere boeken na Mortiers debuut, om de simpele reden dat stijl een prominente leesfactor is (mensen die zeggen na een paar regels al agressief te worden van mijn teksten geloof ik onmiddellijk). 
Het gesprek bleek het startschot voor vele andere interviews, feitelijk over twee mensen in het ondermaanse van wie er echter eentje zogezegd focaliseert. Voor mij werd de toestand helemaal dubbelzinnig, toen Mortier verklaarde dat dit Gestameld liedboek wel moest worden geschreven, omdat het zijn andere teksten in de weg zat. ‘De inkt kan weer vloeien’. 

3. De kinderboekenauteur Roel Verniers was ongeneeslijk ziek. Een verschrikking, met twee jonge kindjes. Blijkbaar was hij meteen na de diagnose over zijn leven gaan berichten op Facebook, waarna De Morgen hem had gevraagd dat voor de krant in columnvorm te doen. Van de resultaten begrijp ik dat ze de auteur hebben geholpen om, al was het door, tja, deadlines, de ontwrichting net iets draaglijker te maken. 
Onlangs is er een einde gekomen aan die teksten. Toch had De Morgen nog iets van Verniers voor het publiek in petto. Het reeds genoemde magazine gaf een reportage van zijn laatste dag, in een sauna, waarop naast de uitgemergelde hoofdpersoon, niet meer tot spreken in staat, wat journalisten en de echtgenote te zien waren. In het begeleidende artikel werden mails en sms-en rond het overlijden geciteerd. 
Nathalie Sarraute beschreef ooit de kinderlijke huiver voor een negeren dat in het extreme belandt: ‘ik ben dood... ze weten van niets, ik ben dood...’ 
Expliciet vermeldde het magazine dat de publicatie als geheel had plaatsgehad op verzoek van Verniers. Zijn verbeelding had hem dus tot subject en object gemaakt. Misschien werkt het zo, dat gehechtheid aan leven en dierbaren en het besef van een nabij eind kan leiden tot zulk… narcisme? Wie heeft er echter voldoening gehad aan deze publicatie? Is postuum plezier een criterium? Of zouden echtgenote en kinderen trots zijn dat hun geliefde papa, na aankondiging op de voorpagina van de zaterdagkrant, enz.? 

Vooralsnog blijft mijn onbegrip. Een karakterkwestie? ‘Ik heb geleerd niet alle toespelingen dadelijk te begrijpen,’ schreef Haasse in Een nieuwer testament. Dat geeft een pantser en in de tussentijd kan de aanval van de ontdekking dan wel de afweer van de legitimatie plaatsvinden. Mij bekruipt de indruk dat in dezen snel opduikende begrippenparen als exhibitionisme-voyeurisme veel te psychologiserend zijn.
Pas sinds de Renaissance schijnt het fenomeen privacy te bestaan. Indien de schijnbare omkeerbaarheid daarvan inderdaad verbreiding vindt tot voorbij de sociale media, een tweede format naast het opinisme, is dat dan wraak op de openbaarheid voor persoonlijke rampspoed? En zou tussen de vele curieuze vormen van nostalgie bij de gemeenschap een verlangen post kunnen vatten om het individuele te begrenzen? Of is dat zoiets als de strijd aanbinden tegen een invasie van landgenoten?

zondag 2 oktober 2011

McVerdulleme, Venantius

Et voilà, om met Paul van Ostaijen te spreken. Of moet ik hem, nu zijn ‘Marc groet ’s morgens de dingen’ de reclame van een hamburgerketen structureert, McOstaijen noemen?
In de plots zonovergoten herfst vanuit het enge perspectief van mijn ambacht terugblikkend op een honingpotloze maand, voelt de slotdag van september aan als ‘het einde van een tijdperk’. Hella S. Haasse neemt, behalve een diasteem en een getuigenschap van Nederlands kolonialisme, een type auteursintentie, publieke houding en dies meer mee in het graf. Wat dit precies behelst, zou ik eigenlijk niet weten. Het contrasteert in elk geval met andere wapenfeiten waarmee Noord-Nederlandse literatuur in september het nieuws haalde.
Eerst was er de alom besproken auteurstrip naar China. Bij die complexe en gevoelige materie – die ooit in termen van fellowtravelling kon worden afgeserveerd – viel mij verwantschap op met de keer daarvoor dat auteurs in the picture waren gekomen, bij de demonstraties tegen de voorgenomen bezuinigingen op kunstsubsidies. Het lijkt wel of deze beroepsgroep tegen geen enkele kritiek kan en van daaruit een oprecht pleonastische wereldhouding ontplooit: ‘Laat ons met rust, achterlijke domkoppen’. Ten bewijze werd ditmaal de figuur van de dominee uit het stof gehaald. Maar wat is er Hollandser dan ageren tegen het geheven vingertje uit eigen land?
Van de thuisweters verbaasde mij Marc Reugebrink met een opiniestuk voor het Belgische dagblad De Standaard. Hij rekende zowel de China-auteurs als hun critici tot de cultuurindustrie. Koopwaar! Bestaat vanuit dat op zich niet te loochenen marionettenframe een land als China nog? Zijn politiek, zijn traditie, zijn klimaat zelfs? En wordt een kritiek als die van Reugebrink dan niet opgeslokt door de muil van the economy?
Een opiniestuk dunkt me het cultuurindustriële summum, waarbij vergeleken het optreden in een actualiteitenprogramma op de televisie het gladde neefje is. En vergis ik me wanneer negen van de tien collega-auteurs een stuk als dat van Reugebrink nooit op die opiniepagina zouden krijgen? En dat zijn bijdrage de schijnwerpers weer richt op de toekenning aan hem van een met veel media-aandacht omgeven private prijs, waarvan de betreffende krant een der sponsoren was? En dat het bekroonde boek, met zijn karikatuur van expliciet ideologisch gefundeerde en tot daden aanzettende betrokkenheid uit de jaren zeventig, welluidend de lof zong van de communis opinio anno nu?
Doordat ik suggereer dat het opiniestuk zijn eigen stelling ondermijnt, bedien ik me van het heerlijk valse wat-je-zegt-ben-je-zelfargument. Maar wanneer ik een McReugebrink ontwaar, word ik een McKregting.
Bij merknamen kan meteen nog een septembernovum vermeld: dat Henk Pröpper de baas wordt van De Bezige Bij. Als geen andere heeft die uitgeverij het afgelopen decennium auteurs in de markt gezet. Het bood zo een schoolvoorbeeld van het Matteüseffect dat het literaire bedrijf regeert maar hier overuren maakte: groeiende inkomsten lieten het toe grotere budgetten vrij te maken voor reclame, waarna met een beter geëffende weg naar de lezer de betreffende auteur een nog sterker merk werd.
Dit bedrijfsresultaat, geboekt onder leiding van Pröppers voorganger Robbert Ammerlaan, verdient zonder meer ontzag. Commercieel steekt De Bezige Bij boven alle uitgevers uit en op de korte termijn kan er geoogst worden. Toch mag dit feit naar mijn gevoel ook worden voorzien van een alternatief referentiekader dat, zoals Reugebrink het vermoedelijk wil, de eigen positie soms relativeert.
Ten eerste bulkt de gehanteerde methode voor het succes nou niet direct van de trouw aan de traditie en poëtica van De Bezige Bij. Er liep door het fonds een avant-gardistische lijn die inmiddels weggegumd is (spijtig, onlangs nog een geweldige BB-bundel ontdekt: Antwerpen van Leyn Leynse). Enige gezichtsbepalende auteurs zijn dan ook niet meer in huis. Tevens had De Bezige Bij een reputatie in het ontdekken van jong talent, wat behalve een oog voor kwaliteit een bereidheid tot het nemen van risico vergt. Nu trekt het huis auteurs aan die met paar boeken bij collega’s hun publiekswaarde hebben bewezen (waarbij ik betwijfel of de investering in de tekstredactie even grondig is als die in de reclame).
Als vele concernhuizen in diverse kunstdisciplines met hun frequente labelherschikkingen is De Bezige Bij helaas niet meer onmisbaar. Gelukkig zitten er buiten Amsterdam knappe kleine bedrijven wier fondsen erg intrigeren en die de voor, door en rond merknamen toch wat uitgemolken recepturen aanvullen – de lange termijn wordt door hen gediend. Wel heeft de voorspoed van De Bezige Bij ook tot kapitaalvernietiging geleid. De kloof tussen het succes voor weinigen en het ‘mislukken’ van de meerderheid wordt dieper. Lang is dit effect genegeerd omdat losers toch geen recht van spreken schijnen te hebben. Maar afgelopen zomer bekenden in een lang artikel in de Volkskrant voormalige A-auteurs dat verschil nu ook ondervonden te hebben.
Ideeën over de wereld veranderen immer, net als hun uitvoering. Toch stelde de motivatie voor de aanstelling van Pröpper als directeur mij niet gerust: geen woord over zijn ontegenzeglijke eruditie, wel over zijn ‘kolossaal netwerk’. Dat onderstreept dat De Bezige Bij in hem, de baas van het onlangs samengevoegde Fonds voor de Letteren en het Productiefonds, een soortement levende institutie wil aantrekken. En da’s niet voor het eerst. Er hebben al diverse Ammerlaan-opvolgers een tijdje in het huis rondgelopen, allen van buiten de uitgeversbranche gerekruteerd.
Wel spannend natuurlijk en hopelijk ‘inspirerend’. Bovenal zou ik bijna gelovig worden voor het algemeen belang. Want Pröpper is feilloos op de hoogte van brandende dossiers inzake het letterenbeleid en moet op zijn beurt opgevolgd worden – een wisseling van de wacht die veel delicater is, in deze tijden, met dit cultuurvijandige kabinet. Moge Henk Pröpper dus niet alleen in zijn nieuwe functie veel succes boeken, maar moge zijn opvolger dat ook hebben, mede in het belang van een andere Henk, en diens Ingrid.
Of heb ik nu een zonnesteek opgelopen en ontsnapt mij slechts gezwatel? In De tuinen van Bomarzo waarschuwde Hella Haasse ervoor dat ‘bigotte, onwetende en bangelijke zielen altijd uitwassen vermoeden bij onafhankelijk-denkenden, en dat altijd eerzuchtige en autoritaire elementen zich op de juiste tijd en de juiste plaats van dergelijke negatieve stemmingen weten te bedienen’.

donderdag 1 september 2011

Reesboek

Nu de kleuterschool is begonnen met like-posters, inclusief het onderschrift ‘Wij duimen voor een keitof jaar’, ga ik even sigaretten halen op de hoek (nee, voor de hond).

zondag 28 augustus 2011

Ontmoeting (1)


Gisteren kwam ik Boris Jeltsin tegen in de groentewinkel.
‘Hey Marc, mag ik je wat vragen?’
‘Jij altijd, Boris. Iedereen is getuige.’
‘Right! Maar snap jij dat in jouw geboorteland winst gepaard kan gaan met ontslagen in het kader van efficiency?’
‘Ja, logisch.’
‘En dat in jouw amper officieel bestuurde woonland er verhoudingsgewijs amper miserie is geweest van de crisis?’
‘Natuurlijk!’
‘En dat in de hele wereld het vertrouwen bij beleggers ontstellend rap kan stijgen wanneer één onnoemelijke rijke en filantropische man een fractie van zijn kapitaal eventjes in één onderneming stopt?’
‘Ook logisch, Boris.’
‘Maar Marc, kun je misschien eens toelichten waarom dat allemaal logisch is?’
‘Nou, Johan Cruijff heeft ons geleerd dat zaken er zelden helderder op worden wanneer hun logica wordt verklaard.’
‘O.’
‘Maar Boris, hoor ’ns.’
‘Ja, Marc?’
‘Ben jij hier met de benenwagen?’
Hahaha.’
‘Wat doe jij eigenlijk in een groentewinkel? Da’s toch niks voor jou?’
‘Nee, maar ik ben dan ook al jaren dood.’
‘Wat? Waarom vertelt niemand mij ooit iets?’
‘Dat zijn de wetten van het kapitalisme, Marc.’
‘O. Lust jij trouwens peultjes?’
‘Die heten hier sluimererwten.’

maandag 22 augustus 2011

Smalle panorama’s

Claude Lévi-Strauss getuigt in Tristes tropiques van de wijze waarop hij poogt landschappen te ontdekken, een zeer moeizame aangelegenheid die hij als on-zin betitelt omdat hij de hoofd-zin wil terugvinden. Toch, stelt Lévi-Strauss, soms stuit hij op een rots, waar aan weerszijden van een ‘verborgen spleet’ twee verschillende planten staan die elk de gunstigste bodem hebben gezocht. Dan vallen ruimte en tijd plotseling samen en plaatst de levende diversiteit van het heden de tijdperken naast elkaar en is er de voortzetting van.

Het fameuze Belgische wegennet, dat ervaren automobilisten aan de grenzen precies schijnt te laten weten of men al in Nederland of Duitsland is, heeft zijn evenknie in de fietspaden. Pas onlangs bleek de reden voor dit patchwork van putten en drempels aan mij, wellicht te zeer geïmpregneerd door de Hollandse vergadercultuur en instinctief bang voor plantrekken. Dit na het bericht dat steden geen gaten in hun wegdek dichten, omdat de verantwoordelijkheid bij ‘het gewest’ ligt. Iedere keer, begrijp ik, wanneer een fietspad iets kruist of eraan parallel gaat lopen, moet de toch wel handige verbinding tussen die twee grootheden door een vooralsnog onbekende derde worden gerealiseerd. Gouden tijden voor een firma die dat als core business heeft (al zal ook zoiets onderhevig zijn aan aanbesteding, maar daar vallen bij de regeringsformatie mouwen aan te passen met een paar wetten meer).

De Belgische band The New Romance heeft zich overgeïdentificeerd met Herman Brood. Niet alleen legt zanger-plaatsvervanger Ernst Löw letterlijk in de woorden van Brood uit waarom deze ‘I love you like I love myself’ geschreven zou hebben terwijl het een cover was, de band reduceert ook de lange carrière van het idool tot de korte succesperiode. Zo handhaaft The New Romance de oorspronkelijke versie van ‘Saturday Night’ die Brood vanaf zijn Amerikaanse tournee in 1979 nooit meer speelde, en kiest wat betreft ‘Hit’ voor de coole Shpritsz-versie in plaats van het opgefokte gedoe op Cha Cha dat de eerste tekenen van ontbinding openbaarde. In de wetenschap dat Löw geboren is in 1964 en drummer Ben Crabbé in 1962, corrigeert deze coverband de werkelijkheid door middel van jeugdsentiment.

De televisiebijlage van de weekendkrant kondigt voor Canvas op zondagavond een terugblik aan, met een overzicht van optredens op Pukkelpop die volgens het voorkatern om de bekende dramatische reden afgelast zijn.

Heel brechtiaans onderbreekt kapitein Winokio zijn liedjes met grappen en woordspelingen waarover hij quasi-verrast is, doorspekt zijn jonge publiek met een tikkeltje ondeugende vragen naar kusjes, mama en papa, scheetjes. Muziektheater in de geest van Dario Fo of ome Willem? Onvermijdelijk valt er in dit advies voor individuele smaak en handeling wat moralisme te proeven, wat niet helemaal terecht is, alleen al vanwege het aangename geluidsniveau. Snoeihard geeft de Studio 100 Band daarna dan een Aristotelische touch, met termen als ‘come on’ en ‘allright’ die de sfeer van een heus popconcert suggereren. Hun medleys bewegen zich volstrekt binnen de fictie van de vele gepersonaliseerde producten van het Studio 100-universum, en gaan over onbekommerd zich goed voelen binnen de gemeenschap. Ook de lippen van de ouders bewegen met die liedjes mee.

Eindelijk dit seizoen naar Zomergasten gekeken. Het staat me niet bij eerder meegemaakt te hebben dat élk fragment boeiend was. En gast Erik van Lieshout, als mens zeg maar, nam mij geheel voor zich in. Met die toevoeging tussen komma’s moet iets erkend: een taalgebruik dat nogal beperkt was. En een dermate intense overgeleverdheid aan het eigen vak, kunst, dat de context, de buitenwereld die Van Lieshout ambieert juist meer onbemiddeld te ervaren en uit te breiden, er een beetje bij inschoot. Toch was deze ‘ontnuchterende werkelijkheid’ wel degelijk te zien. Aan het slot van het fragment over de container Ausländer raus! (2000) beet een oude vrouw met alle minachting die ze kon vinden Christoph Schlingensief toe: ‘Du Künstler!’ Memorabel vond ik ook een uitspraak van Jörg Immendorff, in een ander keuzefragment: dat het toepassen van democratie op kunst in musea zou leiden tot afval. Maar ja, dat zal daar volgens veel mensen met een fanatieke afkeer nu al te vinden zijn.

Overigens vraagt de deconfiturist in mij zich af of Halliburton al een offerte heeft neergelegd bij de Amerikaanse regering, om tegen concurrerende prijzen de wederopbouw ter hand te nemen van Libië, nadat dat land ter bevrijding is platgegooid.

Naschrift
Kwam de toch wat merkwaardige vraag bij Zomergasten, of de performance ‘Sonne statt Reagan’ Joseph Beuys’ kunstenaarschap niet ondermijnde, van YouTube?

vrijdag 19 augustus 2011

Je kind

Ooit, in De gezel, heb ik een gedicht geschreven dat zo eindigt:

Rond de waxine joeg bombast. Onder dek bevoelde hij
zijn fontanel. Parelmoer op geschubd dak. Borstelde
licht, vanwaar die nervatuur. Koud was het morgen,
beleefdheid van een nader jaar bijgehaald, of de heg
diende gesnoeid – gesnoeid in een aanwas van weten.

Die fontanelpassage is beroerd, zal gelezen of gehoord zijn. Inmiddels zijn aan mijn vaderlijk oog twee fontanellen voorbij getrokken. Ik heb geen trek die zogezegd ware werkelijkheid in enigerlei poëzie te vangen. Wel valt het besef niet te loochenen dat die fontanellen een gevoel hebben verwekt ‘waarvan ik niet wist dat ik het in me had’. Dat het nogal apart was, blijkt ook hieruit dat gewenning uitblijft omdat een volgende aanblik mij ondersteboven krijgt.
Laatst zag ik hem opnieuw, bij onze gourmande, een uitsparing in de nog schaars begroeide hoofdhuid. Het frappante is dan wat eronder aan het gebeuren is – het beweegt daar in een vast ritme. Men ziet het hart kloppen. De aanblik maakt, in elk geval mij, glashelder dat je kind leeft maar niet voor altijd.
Het Verraad van de Wereld. Simpel.
Het staat me niet bij eerder te zijn doortrokken door zo’n extreme angst. Het is ook immer denken en overleggen om de verontwaardiging gedempt te krijgen dat zo’n fontanel niet gelijk het slot erop gooit. Los van het feit dat een moeder geboortekanaaltechnisch nog minder zou lachen, zal het voorzorg wezen: een baby die leert kruipen en lopen, slaat zo frequent met zijn hoofd tegen de vloer dat een gesloten schedel louter schervenglinstering zou vertonen. Slimme meid wel, de natuur. (Ronduit magnifiek is de ontdekking dat de fontanel zich moet hebben afgesloten. Van het taalkundig genie staat me althans bij dat ze steeds verwoeder pogingen deed om te springen en maar niet van de grond kwam – tot op de gelukzalige dag van de lift off de schedel, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, potdicht was gegaan.)
De godsgruwelijk gore kinderhonger in Afrika blijft in alle opzichten ver weg, maar de al snel als ‘apocalyptisch’ bestempelde wind- en regen- en hagelhoos die gisteren een bezoek bracht aan Pukkelpop, moet behalve de aanwezigen hun ouders hebben getroffen. Vanaf het bericht dat er zes doden zouden zijn gevallen, had redelijkheid geen vat op de makers van de 60.000 festivalgangers. De verwaarloosbaarheid van de kans dat jouw kind tot de ongelukkigen behoort, zal niet als zodanig zijn ervaren.
Ook werken punten en komma’s niet echt meer, valt er een lettertje weg en zo.
Het is een raar soort ironie dat uitgerekend in een tijd van zoveel geavanceerde middelen tot communicatie de techniek zowel mee- als tegenwerkte, waardoor het karretje van de ratio definitief in de poep vastliep. Ouders die informatie van het internet wilden halen, kregen per minuut meer griezelbeelden van YouTube en dergelijke. Persconferenties die de gemoederen tot bedaren wilden brengen door met voorlopige feiten op de proppen te komen, pakten aldus averechts uit. Achterhaald! En bovenal: door de noodsituatie was er tot gsm’s, die het verlossende woord konden geven, niet of nauwelijks door te dringen.
In de absoluut niet arcadisch te noemen tijd van paard en wagen was wellicht uren later op basis van geruchten iets gaan rondzingen. De bezorgde ouder had niet eens de mogelijkheid zijn kind persoonlijk te bereiken. Niet gek dus dat geloof doorwoog in het maatschappelijk leven. En dat liedjes bezweringen konden zijn; het is slechts een kleine stap uit gospel voor de soul, maar een grote voor de secularisatie van de emoties.
Don't Mess Up A Good Thing.

Naschrift
Door het veelvoud en de prominentie van lugubere getuigenissen zou je bijna vergeten dat er ook nuchtere verslagen
zijn geweest die, zonder iets af te doen aan het drama van de slachtoffers, prettig relativeren. Ook dat ressorteert onder pluriformiteit, al wordt die ervaren als taboe.

maandag 15 augustus 2011

Tijdelijke peren? Nee, tomaten

Hoewel er deze zomer veel is gebeurd, lijken de formules voor komkommertijd in tact te blijven. Bijvoorbeeld De Standaard heeft een reeks lange interviews op een landgoed, waar twee bekende Vlamingen een dag met elkaar doorbrengen. Afgelopen zaterdag leidde dat tot de publicatie van een gesprek tussen Caroline Gennez en Bernard Dewulf. Ik zou liegen als ik beweerde een grote fan van hen te zijn, maar het stuk amuseerde me wel. Veel is er mij niet van bijgebleven, en me dunkt dat dit het oogmerk van het genre is, zoals de sfeeromlijsting erbij hoort.
Een dag later bracht de site voor literatuur De Contrabas echter het volgende:

Filosofisch naar de sterren kijken

Wat gebeurt er als je een politica (Caroline Gennez) en een schrijver (Bernard Dewulf) in een villa zet.
In Villa Hellebosch, niet Felderhof... Dan krijg je... dit:

"Caroline Gennez: 'Ik ga veel luisteren, dacht ik, want die man schrijft zo mooi. Als die zo mooi praat als hij schrijft, ga ik veel zwijgen.' Bernard Dewulf: 'En laat ik dan net niet zo'n prater zijn.' Caroline Gennez: 'Maar u schrijft écht zo mooi. Zoals de meeste mensen ken ik u van die stukjes in de krant vroeger, dat kleine rustpunt elke dag.' Bernard Dewulf: 'Wil je alsjeblieft niet "u", zeggen, doe maar "je",.'"

En: "We ruilen de huiskamer voor de terrastafel. De flessen wijn gaan mee. Het zomeravondgevoel slaat toe. Filosofisch naar de sterren kijken hoort daarbij. Bernard Dewulf heeft een jaar filosofie gestudeerd. Van Caroline Gennez is bekend dat ze wel graag eens een filosoof op haar nachtkastje heeft liggen. ('Toen ik veertien was, las ik ergens de titel Also sprach Zarathustra. Wat zei hij dan, wou ik weten, en wie heeft dat geschreven? Ik ben toen het halve land afgereisd om dat boek te vinden.') Maakt filosofie het leven mooier, vragen we."

AAAAHHHHH!
Geplaatst door Chrétien Breukers op 14-8-11 Permanente link

Reacties

Wat een ontzettend veel te lang verhaal.
Geplaatst door:
Paul Abels 14-8-11 om 16:16

Ik heb helemaal geen verstand van filosofie, maar kan mij gelukkig nog wel een paar indringende woorden van Zarathustra voor de geest halen: "ich lehre euch den übermenschen ..."en, als ik mij goed herinner, daarna: "der Mensch ist Etwas was überwunden werden soll.Zijn betoog heeft zoveel invloed gehad, dat het wel een verwijzing verdient.
Geplaatst door: Jacob van Schaijk
14-8-11 om 20:49

Opmerkelijke frasen:"Het zomeravondgevoel slaat toe. Filosofisch naar de sterren kijken hoort daarbij. Bernard Dewulf heeft een jaar filosofie gestudeerd. Van Caroline Gennez is bekend dat ze wel graag eens een filosoof op haar nachtkastje heeft liggen."De en zin is nog fraaier dan de andere (dat kan in een kasteelroman!).Vooral omtrent de omvang en het draagvermogen van Caroline's nachtkastje willen we liever niets weten.
Geplaatst door:
Adriaan Krabbendam 14-8-11 om 22:58

Nu hoop ik maar dat ik me vergis en dat het toevallig is dat hier vier mannen voornamelijk aan het veronderstellen zijn over de belangstelling voor filosofie van één vrouw. Dat er hier dus ware mediakritiek wordt bedreven. Ook wil ik, al was het als legitimatie van een rare onderneming als De Honingpot, geloven dat internet bijdraagt aan de verhoging van van alles en nog wat en dat het geen hangjongeren zijn die, met zelf ontwikkelde antineoliberale geplogenheden, hun vrije zondag opofferen voor inzichten ten faveure van de publieke ruimte. Laat staan dat ik van De Contrabas, geheel naar haar eigen geest, subsidie en verdiensten in twijfel wil trekken. Indien onverhoopt cultuur en beschaving ten onder gaan, dan zullen de namen van Chrétien Breukers, Paul Abels, Jacob van Schaijk en Adriaan Krabbendam in de Lage Landen zeker voortleven.
Wel zou ik benieuwd zijn naar de ratio van hun posting. Of is het juist de clou dat ik me zulke dingen niet behoor af te vragen?

vrijdag 12 augustus 2011

Hoor (de drummer speelt een break)

Martin Bosma’s wetsvoorstel om meer Nederlandstalige muziek op de radio blijkt al lang te zijn aangenomen, met steun van de Socialistiese Partij! Dit was me vanuit het verre België ontgaan, tot vanochtend, hier op de radio, zijn persoonlijke top vier door de zogeheten Holland Watcher werd overgeleverd:

4. ‘Voor de toekomst van het land moeten wij, open en welberedeneerd, aan onze kinderen de normen en waarden van onze ouders doorgeven die teruggaan tot aan de Gouden Eeuw en die onze natie wederom groot zullen maken.’ (De Breedbekkikkers)

3. ‘Anders dan de linkse elite wier taal altijd versluierd is omdat ze haar eigen belangen in de subsidies wil doordrukken, mag de stem van het volk gehoord worden. Wij hechten er daarom aan sans rancune ons hart te luchten.’ (De Raggende Manne)

2. ‘Vreemdelingen hebben hier niets te zoeken. Als ze, op uitnodiging van onze vrienden uit de Grachtengordel, zo nodig denken te kunnen profiteren van onze sociale voorzieningen, moeten ze niet zeuren wanneer ze soms worden blootgesteld aan onze beste satirische krachten, in de traditie van Theo wiens dood niet vergeefs mag zijn geweest’ (DHC)

1. ‘De enkele vreemdeling die zich aan de oorlogszuchtige ideologie van de islam heeft weten te onttrekken, mag hier blijven, op voorwaarde dat hij zich aanpast door een scrupuleuze studie van het westerse cultuurgoed in de traditie van Spinoza, die zijn lenzen zo scherp sleep dat onze blik de vulgaire praat van het falderappes zal blijven ontmaskeren’ (De MoraalMarokkaan)

Amen.

woensdag 10 augustus 2011

Levertraan

In de bundel Energie (1946) schreef Gerrit Achterberg een lollig gedicht, wel met de bekende paranoïde inslag:

Microben

De stad is overvol van uw microben.
Van alle zijden dringen op mij aan
woorden, die met u in betrekking staan:
sigarenmagazijn, abdijsiropen,

spekslagerij, Van Houten, levertraan.
Hoe zal eenmaal het raadsel zich ontknopen,
dat alle namen naar u uit doet gaan,
alsof gij in de dingen zijt gekropen.

Ik kan nog uren door de straten lopen:
de taal houdt u in ’t alphabet bijeen
tegen reclamezuil en uithangborden.

De doden spreken nimmermeer maar worden
artikelen, die wij in winkels kopen
voor ’n fluistering over de toonbank heen.

Vooral de vierde en vijfde regel, van elkaar gescheiden door een hulpeloze witregel, werken op mijn lachspieren. Willekeurige, na een halve eeuw allemaal wat verouderde, woorden die naar een centraal, cruciaal geacht punt zouden verwijzen. Misschien heeft het procedé Koot en Bie, toen ze nog Klisjeemannetjes waren, geïnspireerd in hun conference over seks, waar het orgasme zowel wordt vergeleken met een klaterende bergbeek en gevulde koeken als met Bulgaarse yoghurt.
Het perspectief is ook om te draaien. Dan staat de naam niet meer garant voor wat hij ooit lijkt te hebben betekend en heeft mogelijk geen dinges. Zou zo’n middelpuntvlietendheid door president Obama eergisteren, in zijn speech tegen de gereduceerde kredietwaardigheid van zijn land, zijn ervaren? Ik vond het zo verbijsterend dat hij geen geloof zei te hechten aan de intrekking van de triple A-status (die mij eerder aan bier doet denken) omdat Amerika Amerika is.
Natuurlijk zal daar een noodzakelijke portie retoriek in meespelen, mede gelet op zijn grote tegenspelers van de Teaparty, bij wie alleen al het noemen van hun land van herkomst erin gaat ‘als Gods woord in een dominee’. Toch meende ik bij de president werkelijk enige verwondering te proeven, dat de naam niet volstond. Daarachter begint immers de afgrond naar de realiteit. De recente rellen in Londen demonstreren hoe complex de verhoudingen tussen natie en burger geworden zijn en, vooral, hoe meer eendimensionaal ze alledaags worden gevoeld. Die nauwelijks te sturen, laat staan te beheersen perceptie geldt evengoed voor de meest actuele persbureaus en hun bedienaars. En op hun beurt gaan hun wederwaardigheden voorbij de grenzen van de natie.
Mogelijk willen voorbij de afgrond echter domweg eeuwige ongenoegens graag tot ontlading komen. Dan is elke aanleiding een joker en staat men als deskundige annex vakman alleen. Zo valt niets te repareren, dus worden alsnog motieven gezocht waarmee het slikken van een bittere pil tenminste zin heeft gehad.
Vrijwel zeker broeien er dan de vooronderstellingen en consequenties van ‘de multiculturele samenleving’, zodat niet altijd en overal meer ‘de politiek’ het heeft gedaan. Nu, in de zomervakantie van 2011 waarin zo ontzettend veel is gebeurd in afwezigheid van leiders, lijkt dat verwijt zowaar treffender dan gewoonlijk. Och, de tijd dat Funkadelic het nog kon hebben over One Nation Under a Groove!
Het geloof dat een naam of een staat een omlijnde gemeenschap draagt, heeft iets mythisch à la Achterberg gekregen. Of iets wat vanuit een zogenaamd oudere en wijzere blik kinderlijk en aandoenlijk heet. Het taalkundig genie kan inmiddels een beetje schrijven en schonk haar moeder en vader en vriendinnen gisteren elk voor zich een geweldig cadeau: een stukje karton waarop ze met viltstift K3 had geschreven. Dat iedere begunstigde vanaf nu haar wereld met zich mee kan nemen, zal onder het chapiter Spel & Illusie vallen.
Zelfs vastgeroeste historische waarheden blijken dikwijls net eventjes iets anders te liggen dan elke klare overlevering wil. Dit klinkt wel erg onpersoonlijk, wat nooit mijn bedoeling is maar nu heb ik daar ook bewijs voor. Sinds enige tijd ben ik namelijk bezig aan een werk over koffie, een kringetje mensen stuurt me tevens materiaal over dit onderwerp toe, ik drink bij wijze van participerende lichaamsempirie sedertdien ook wat meer van de drank per dag – en zo heeft zich in mij waarschijnlijk het idee kunnen nestelen dat de combinatie koffie en literatuur ‘op mijn naam’ staat.
Tot mij gewerd dat een voormalige collega aan de materie een nieuwe roman heeft gewijd die binnenkort verschijnt.
Na de eerste beduusdheid wilde ik meteen niet te kinderachtig zijn en het elke ander gunnen zo’n mooi onderwerp te behandelen. Mij overviel die wens nogal, vermoedelijk omdat ik er nooit goed tegen kan dat, vooral in comments op het internet maar evenzeer in wetenschap, bepaalde thema’s of auteurs een soort alleenrecht lijken te instigeren. Een vermelding van een artikel kan dan gepaard gaan met een nijdige memo door een klaarblijkelijk getroffene dat hij daar eerder over heeft geschreven. Wake up!
Vervolgens besefte ik pas echt evengoed in mijn eigen filter bubble te zitten. Sterker, het boek dat ik nog immer volop aan het maken ben stelt de vraag of koffie eigenaars heeft.
Ik begon de ontdekking van een derde in de relatie bijna leuk te vinden. Nou ja, niet liegen, Kregting, je probeert er ‘vrede mee te hebben’ of hoe heet dat tegenwoordig, ‘het een plek te geven’.
Wat mij een beetje blijft steken, is de aanprijzing ervan: ‘Sinds de Max Havelaar is er niet meer zo sterk over de koffie-branche [sic] geschreven.’ Ze staat op conto van een redacteur. Nog een vakgenoot! Maar waarom spreekt hij van ‘de’ Max Havelaar? Dat boek heb ik diverse keren gelezen, en elke keer ontdekte ik een ander. Een bepaald lidwoord vind ik sowieso vloeken met literatuur.
Wel omhels ik, zeker in de era van overproductie waar de economische crisis nu gelukkig een eind aan maakt, de opvatting dat een schrijver en lezer de lat zo hoog mogelijk moet leggen voor zijn producten. Het voorbeeld voor deze roman dunkt me uitstekend. Bij mijn boekje had ik eerlijk gezegd dezelfde in het hoofd. Dwaas natuurlijk, maar hier in huis vinden ze het allemaal best. Zolang althans ik Multatuli ‘niet navolg in zijn schulden’.
Maar zelfs dan zullen firma’s als Standard & Poor’s of Moody’s niet voor de deur staan. Ze doen dat überhaupt niet bij het deel van de mensheid dat sterft van de honger (per dag 24.000 aardbewoners, achtmaal zoveel dus dan ten gevolge van 9/11, dat dan ook veel korter duurde), noch bij hen die gaan zuchten onder klimaatveranderingen. Nu er dezer dagen toch een paar vallende sterren voorbijkomen, kan het een idee wezen een paar structurele wensen te doen. Niet voor een lezerspubliek, noch voor een electoraat, maar in naam van iedereen.

maandag 1 augustus 2011

Een tik van de koffiemolen?



Grappig hoe de reacties op het Noorse bloedblad gefaseerd gaan in Nederland. Eerst was er, expliciet politiek, verbolgenheid over de gelijkenis tussen de opvattingen van de moordenaar en die van Wilders (en meer rechtsextremismen in Europa). Of de schrille toon nu voortkwam uit frustratie over het kabinet, waaraan christendemocraten meedoen terwijl Wilders er de baas is, blijft ongewis. Meer omlijnd dunkt me de tweede, naar eigen indruk neutrale fase, waarin de moralistische toon ‘typisch Nederlands’ heette. Maar die reflex lijkt even typisch Nederlands; inclusief de oproep zijn kanis te houden is zelfhaat nooit ver. Blame game deel 2.
Ook het aanstippen van vermeende inconsequenties met reacties na de moord op Van Gogh onderstreepte schijnbaar een landsaard. Die critici hebben zelf een reuzenstap door het politieke spectrum gezet en ontplooien het fanatisme van de bekeerling. Raakt er iemand af van patronen? Degene die uit het geheel van reacties vooronderstellingen tracht los te wrikken en zich in de dat-heb-ik-ook-onder-de-leden-conclusie superieur én narcistisch betoont, levert evengoed een complementair deel van ‘de Hollander’. Waaraan tevens wordt bijgedragen door Wilders en zijn persbureau Twitter.
Hoe ook, het vooraf ‘gek’ of ‘krankzinnig’ verklaren van iemand lijkt infertiel en arrogant. Ten minste kan men de teksten bestuderen waar daders hun gruwelen mee uitleggen. Na Van Gogh heeft bijvoorbeeld Frank Vande Veire de redenaties van Mohammed B. ontleed en nu is er dat manifest A European Declaration of Independence. Hoewel de praktijktips, zoals het gebruik van koffiefilters en natuurlijk de koffiemolen (‘don’t get aburr-mill; they don’t work as well as blade-grinders’) voor de productie van bommen en gif wetenswaardig zijn, zou eerst mogen gecheckt wat eigen tekst is en wat copy en paste. En of binnen die verhoudingen bronnen met elkaar te rijmen zijn.
Ondertussen bewijst die parallel met de moord op Van Gogh dat de neiging lastig te bedwingen is grotere verbanden te zien. Ze zijn heikel, omdat ze een tragisch voorval ontdoen van zijn uniciteit. Zo werd zanger en veganist Morrissey er, ook na een precisering, niet populairder op toen hij de Noorse doden peanuts achtte vergeleken bij de ontelbare dieren die moeten sterven voor hamburger- en gebradenkippenketens.
Minstens zo interessant vind ik een betoog dat de gelijkenis met Noorwegen onwillekeurig opriep. Het betreft een lezing van socioloog Jean Ziegler, bedoeld als openingstoespraak voor de Salzburger Festspiele. Tegen de achtergrond van een voedseloverschot memoreert hij de gigantische kindersterfte aan honger op de wereld, waarbij de term ‘moord’ valt. Het gaat ineens om veel grotere getallen dan in Noorwegen. Helemaal verraste me de parallel niet, omdat ik net het fameuze boek De verworpenen der aarde had gelezen, van Frantz Fanon. Tot pogingen tot moord rekent deze naast honger verder uitzetting uit een woonruimte en sluiting van een fabriek.
Fanon schrijft over wat de derde wereld heette, vooral over Afrika waar hij als psychiater werkte toen het nog niet door China werd gedomineerd. Hoewel zijn boek een halve eeuw oud is, of misschien juist daarom, biedt het aardige ingangen tot onze actualiteit (meteen door het minstens zo fameuze voorwoord van Sartre, waaruit blijkt dat begin jaren zestig de wereldbevolking maar liefst driemaal minder koppen telde dan nu). Bijvoorbeeld door de beelden die van ‘de inlander’ rondgingen, die in weinig verschillen van de nuances waarmee Wilders de islam oproept. Mij heeft althans zelden de term ‘manicheïsme’ zo treffend toegeschenen.
Mogelijk kies ik nu de makkelijkste weg. Als ingezetene van de kunstwereld, met een belang bij het behoud van subsidies, zou het me eerder sieren echt te kijken naar wat Ramsey Nasr onlangs zoal ten faveure van cultuur heeft aangedragen. Kunst zou ons ‘[onder]scheiden van de apen’, zei hij bijvoorbeeld. Destijds vond ik die uitlating onaardig, inmiddels heeft Fanon me verduidelijkt hoe zo’n beeld uitpakt. Op vele manieren, demonstreert hij, gebruikten kolonisten woorden uit een dierlijk vocabulaire voor ‘de inlander’ – en toen deze, desnoods manicheïstisch of ‘ongenuanceerd’, in opstand kwam, bevestigde zich dat beeld. Selffulfilling prophecy?
Voor ik weer vastloop in mijn eigen wereldje lijkt het beter het betoog van Jean Ziegler nader te bezien. Hij ageert tegen neoliberalisme. Honger duurt voort omdat verlichtende ontwikkelingshulp terugloopt omdat er na de financiële crisis geld in banken gepompt moet, omdat speculanten, gesteund door hen, de prijs van landbouwgrondstoffen doen stijgen en arme landen een ondraaglijke schuldenlast torsen. En het zijn uiteindelijk niet eens naties, stelt Ziegler, die de touwtjes in handen hebben maar multinationals, privé-bedrijven dus, wier ‘winstmaximalisatie’ valt te zien als ‘het structurele geweld van het kapitaal’.
Des te relevanter dat Ziegler zijn betoog richtte tot CEO’s die op de Festspiele prachtplaatsen zullen bezetten. ‘De kunst heeft wapens die de analytische geest niet heeft: ze prikkelt de toehoorder, dringt door de dikste betonlaag van het egoïsme, de vervreemding en de afstand. Zij treft de mensen in hun innerlijk, beweegt hen tot onverwachte emoties. En plots breekt de verdedigingsmuur. De neoliberale winstwaan valt in stof en as. In het bewustzijn dringt de realiteit, ook de stervende kinderen, door. In Salzburg kunnen wonderen gebeuren: het ontwaken van de meesters van de wereld. De opstanding van het geweten.’
Die droom ging niet door. Zieglers toespraak werd geannuleerd omdat hij eind jaren tachtig contact zou hebben gehad met Khadafi. Maar Ziegler vermoedt dat de hoofdsponsors van het festival – Nestlé en Crédit Suisse – druk hebben uitgeoefend op de organisatie. Zijn intentie is er niet minder mooi om. Temeer daar hij zonder verpinken nog een inzicht vertolkt: ‘De stelling van de autonome kunst die losstaat van elke sociale werkelijkheid, beschermt de machtigen voor hun eigen emoties en de eventuele verandering van hun hart.’
Ondanks de moord die honger zijns inziens is, blijft Ziegler hoop houden. Vooral in actie uit de getroffen landen en ‘in de geduldige en nauwgezette opbouw van een radicale oppositie in de westerse landen’. Dan doelt hij niet fanonesk op geweld, dat slechts zou variëren op wat multinationals met hun kapitaal doen, maar op het gestructureerd overwinnen van de angst voor een materieel veroorzaakte dood. Het zal wel sentimenteel zijn, maar dat zou het einde van de Noorse jongeren minder zinloos maken.



Naschrift
Iemand uit wiens werk de Noor gretig citeert noemt A European Declaration of Independence een ‘
Google-manifest’ en herinnert eraan dat de naamgever van het marxisme, waartegen het manifest aantrapt, een notoir gedisciplineerd bibliotheekbezoeker was.