zaterdag 13 februari 2010

Wat nu? (3)

Dat literaire tijdschriften overbodig zijn omdat ze een als het ware oneerlijke sterke poëticale inslag hebben, is vanuit historisch perspectief onhoudbaar. Partijdigheid was het kenmerk van bladen die in de literatuurgeschiedenis zijn opgenomen. Natuurlijk is dan ‘normverandering’, gepraktiseerd in een vadermoord, het ordenend principe – dat even elementair discutabel is bevonden. Maar het lijkt me stug dat zogezegd nevenschikkende literatuuroverzichten die bladen zouden vervangen door ‘pluralistische’.
Ik moet die term uitklaren, maar eerst iets over een even heikele, die aan poëticale bladen verkleefd is: ‘ideologisch’. Onlangs viel hier de heersende aversie tegen deze kwalificatie te vernemen, omdat ze zou leiden tot gepolariseerde inzichten van voor de val van de Muur. Voortredenerend zouden zulke tijdschriftredacteuren slechts hun ‘eigen agenda doordrukken’.
Dikwijls behelst het niet meer dan een academisch gelijk wanneer hierop de vaststelling komt dat de verwerping van ideologie evengoed ideologisch is. Maar het strekt verder. In Geweld, de vorige posting al genoemd, zei Zizek dat slechts extremen nog gepercipieerd worden als ‘ideologie’: religieuze ijver (‘fundamentalistisch’) en trouw aan een politieke overtuiging (‘verstokt’). Het dagelijks leven van de overweldigende rest zou door het gezonde verstand neutraal geworden zijn, ontvankelijk voor alles.
Staan postideologische tijdschriften open voor elke bijdrage met ‘kwaliteit’? Hun verklaarde antipoden hebben de naam te weigeren wat niet in hun kraam past, en dus aan uitsluiting te doen. Maar zelfs de meest fameuze onder hen hebben teksten over het hoofd gezien die goed hadden gepast. Volgens mij is dat een andere constante in de literatuurgeschiedenis, die geregeld melding kan maken van – ook door uitgeverijen – afgewezen grootheden. De reputatieschade zou groter zijn dan bij het publiceren van rommel.
Uitsluiting blijkt een wetmatigheid, die menselijk mag heten, met als varianten favoritisme en verzwijgen. ‘Pluralistische’ bladen praten protocollair als bij hen ‘duizend bloemen bloeien’. Citeren ze sowieso een ideologierijke consument, de ontkenning van een politieke dimensie zuigt alom het begrip ‘tolerant’ aan, dat in de woorden van Zizek een ‘postpolitiek surrogaat’ is. Want na de val van de Muur zijn uitbuiting en onrecht niet verdwenen.
Wellicht is het een soortgelijk teken des tijds dat recent twee bij uitstek ‘ideologische’ bladen, hoogtepunten uit de naoorlogse laaglandse literatuur, het loodje hebben gelegd: Raster en, door een fusie, Yang. Beide hadden te lijden onder een beeldvorming die dolzinnig raakte.
Yang is ouder geworden dan Revolver, op weg naar de vijftig, maar haar reputatie dankt het aan de korte, belligerente periode waarin Dirk van Bastelaere en Erik Spinoy redacteur waren, net als Hans Vandevoorde en Bart Vervaeck die theoretische ondergrond boden voor een postmodernisme. Het Momentum is dan het Zeven poëtica’s-nummer uit 1989. Zelf mocht ik later met het blad meedoen en ik kreeg de indruk dat men, hoewel allen uitstekend terecht zijn gekomen, nooit heeft kunnen omgaan met die verbluffende samenballing van talent.
Nieuwe wegen glommen in een dianegatief. Er was afkeer van de niet-misselijke exercities én er viel postmodernisme te laken in de succesvolle Verhelst. Op hem werden vadermoorden geprojecteerd, bij Van Bastelaere en Spinoy moesten derden de trekker overhalen. Dichters van hun orde zijn echter zeldzaam. Daarbij speelde een generatiekwestie; in termen van Henk Becker – waar kritiek op is maar die zelfs op de werkvloer gehanteerd worden – behoren de Zeven poëtica’s-mannen (en ik) tot de verloren, en hun opvolgers tot de pragmatische generatie. In links-rechtsdenken en uitstorting van ambitie maakt dat verschil.
Dat laat onverlet dat Van Bastelaere nog altijd, net als een Zeven poëtica’s-genoot en latere Yang-secretaris, commentaar kan geven dat herinnert aan de Hollander die een autochtoon in Duitsland de weg vroeg: ‘Mag ich Sie eben zerstören?’ Ik dacht dat ik erg was, maar in zo’n bejegening van de Ander is er, ach ja, waarlijk gelijkenis met de verworpen onderwereld. Deze bestookte Yang met beelden van twintig jaar eerder, inclusief een connectie met het stalinisme die mij, toch gezegend met enige fantasie, een raadsel gebleven is.
Het beeld dat terzelfder plekke van Raster geschapen werd was nog ouder, uit Averechts van Gerrit Komrij (1980). Ligt dat aan diens polemische kracht? Doorbladeren zou al hebben gereveleerd dat het blad sindsdien fiks veranderde. Deze metamorfose, schijnbaar pluriformer door inperking van de expliciet poëticale inzet, kon in de bovenwereld trouwens op sympathie rekenen.
Als afscheid bracht Raster twee nummers uit: de dubbel 123+124 ‘Het Einde’ en 125 die ‘Index’ heette. Inderdaad had die allerlaatste een indrukwekkende detailkaart om jaargangen mee te kunnen doorkruisen, maar de titel mag eveneens in katholieke zin worden begrepen: er stonden ook ‘vingerwijzingen’ in ‘voor een geschiedschrijving vanaf 1967 toen Raster werd opgericht’. Zo corrigeert Pieter de Meijer vier literatuuroverzichten van de afgelopen twintig jaar in hun Raster-visies.
Verder bewerkt in de ‘Index’ stichter H.C. ten Berge, die eerder het nut van zijn geesteskind betwijfeld had, één zinnetje van mij met het rode potlood. Hij herhaalt zijn in 2000 voor De Gids geuite kritiek, die ik meende te hebben weerlegd in een lijvig, openbaar bediscussieerd essay voor DWB. Hoewel dat niet bijster rijp was, raakten ideeën eruit bijna letterlijk in de mainstream media. Maar goed, Ten Berge vermeldt het niet en ik ben verguld dat mijn naam Raster heeft gehaald.
Ondertussen, de twee genoemde bladen hadden meer gemeen. Zeker als jaargangen met kop en schouders boven die van hun collega’s uitstaken, was het verwijt van ‘moeilijkdoenerij’ en ‘academisme’ en ‘ontoegankelijkheid’ nabij. Ik snap dat zo de elitetopos werd opgerakeld, maar wat zou er toch mee bedoeld zijn?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen