donderdag 25 augustus 2022

Hoog op tot de kin

 


 

Redelijkerwijs zou ik onmiddellijk moeten stoppen met bloggen. Zoals alles in het digitaal verkeer wordt de onzin die ik hier verkoop opgeslagen in datacentra. Waarheen en waarvoor, dat heb ik nooit gesnapt. Dat wanbegrip sprak ik ook meermalen uit – voor welke toekomst stroom verspild?

Inmiddels is duidelijk dat er wel meer wordt verspild. Water, met name, om die datacentra te koelen, indien ventilerende lucht daar niet meer toe in staat is, bij een buitentemperatuur van meer dan 25 graden. In niet geheel onvoorspelde tijden van klimaatopwarming!

Er is berekend dat vorig jaar één datacentrum in Noord-Holland evenveel drinkwater nodig had als 1750 burgers. Zou een breedblikker dit peanuts vinden? In de provincie Los Angeles gebruikte Sylvester Stallone in één maand 870.00 liter te veel van het goedje. Proactief, uiteraard, omdat anders zijn bomen uitgedroogd zouden omvallen op belendende percelen.

Misschien is het zuur, burgerlijk of passé om te jeremiëren? Want wat is verspilling nu helemaal? België heeft net Pukkelpop achter de rug, waar berichten over achtergelaten voedsel (2,5 ton) even naturel geworden zijn als tweets tijdens Zomergasten.

Toch zit me dat water niet lekker. Uit arren moede goot ik mijn gedachten in poëzie. En kwam tot de ontdekking dat het bekendste watergedicht uit de Nederlandse literatuur, rond Zaltbommel, er geen woord aan vuil maakt. Nijhoffs ‘De moeder de vrouw’ (1934) beperkt zich tot brug, landschap, schip, stroomaf, dek en roer.

Is het daarom dat de interpretaties door blijven sijpelen? Of dat pastiches in hun flauwheid vooral ecologisch machteloos zijn? Ook zijn er dichters die hulde aan het origineel bewijzen. Volgens mij deed wijlen Robert Anker dat in zijn bundel De broekbewapperde mens (2002):

 

Het goede schip

 

In Amsterdam bij Kostverloren door de brug

kwam het hoge schip het had de luiken open

gevaren in de stad. Het was een ochtend in april

het verkeer was stilgevallen zelfs geen fietsbel

rinkelde want aan dit varen kwam geen einde.

Ik stak geen sigaret op met de kringelende rook

– het was windstil het raam stond open van de auto –

tilde zich uit mij verloren wimpeling hoog op

in de lucht met de hartslag van het schip het zachte

razen van de stad het tjilpen van de vogels

toen een rinkelende bel mij maande op te gaan

naar mijn verloren doel. Ver weg al zag ik net niet

haar naam onder de vlag van de schroef het witte water.

 

Nijhoffs platteland is verplaatst naar de stad, bij herschrijving voor de bundel schrapte Anker basale interpunctie en uit het oorspronkelijke sonnet is het wit gegumd. Wie de regels natelt, merkt dat er weer eens eentje uit de klassiekste dichtvorm is weggevallen. En terwijl Nijhoffs ik-figuur de schippersvrouw waarneemt en haar ‘midden uit de oneindigheid’ psalmen hoort zingen, is het in deze seculiere versie wonderlijk stil en ziet de ik-figuur ‘net niet / haar naam’.

In hetzelfde jaar als Anker publiceerde Jacob Groot de bundel Zij Is Er, en daarin is ‘midden uit de oneindigheid’ de titel van een gedicht met sonnetvorm geworden:

 

Onder het aanbiddelijkste blauw smelten de klokken samen

in hun zending: boven de rivier, strijkt de wind door het kapsel

van de bomen: zonder schaduw, waar een hitteschild werpt zijn

donker, hier een kerk, daar een kerk, vooruit op de dijk en over

 

het water, tussen Gameren en Haaften, varen, snelveren, heen

en weer hun klanken, overstemmen, de zwaluwen dol van de drukte

in de lucht, de brug, als de landman plaatst de wagen, de neus

naar de schepen, stationair, of hij meevaart, motoren die

 

weiden, dorstig, als dieren: of hij komt om, winddroog, te horen

de woorden voorshands uit de bijbel voor zich, op zich, namen

waarmee ze noemen, straks in de koelte, wat ontbreekt, niet aan hem

 

maar aan de werkelijkheid, zonder hem, en tot die werkelijkheid

behoort als de grond aan zijn bloemen, of de Waal aan haar

water, of aan het water zijn Waal, aan dat water de Wateren

 

Hier is Nijhoffs oorspronkelijke locatie opgezocht, terug in het landschap. Vanwege de ‘motoren’ dringt wel het besef door dat er, al tracht de dichter ze te laten gedragen als dieren, zoveel tijd is voorbijgegaan dat er een industrieel heden bestaat dat arcadia vaarwel moest zeggen. Groot wil werkelijkheid en niets dan dat, maar zijn verwoording is literair. Meteen al, wanneer door de wind de bomen een ‘kapsel’ krijgen.

In dit gedicht domineert geen ik maar een blik. Het schouwt.

Gelijktijdigheid is volgens mij het resultaat. ‘Midden uit de oneindigheid’ evoceert de huidige Betuwe en Nijhoffs Zaltbommel en iets wat daartussen zit (Gameren heet sinds 1955 Kerkwijk) en legt er een oersfeer onder waarbij Groot ‘de bijbel’ wel moet vernoemen. Mij fascineert dat hij al in 1998 in een essay Nijhoffs gedicht onder de loep nam. Hij zag een kleinschalige ansichtkaart zich ontplooien tot visioen: ‘het lokale wordt kosmos, de middag tijdloos, de anekdote mythisch’. En dat allemaal dankzij de vrouwenstem – een uitgebreide versie van het essay bundelde Groot in Gelukkige lippen uit 2004.

vrijdag 12 augustus 2022

Don’t back the losers

 


 

 

Ja spuitgasten, mijn ogen worden steeds slechter. Toch las ik op het Jumbo-supermarktreclamebord van veraf echt Halal en niet Hallo! Eenmaal in Engeland ontwaarde ik redding voor de gourmande en mij, die onwaarschijnlijk moesten piesen. Maar bij benadering bleek het opschrift: TO LET.

*

We beginnen net en zijn met recht onderweg, maar hoe ontzettend vriendelijk zijn die West-Noord-Brabanders tegen ons, sukkels die op spierkracht door de hitte rijden. Omdat we jong én oud zijn? Of wit? Ik herinner me beelden van woedende burgers tegen een asielcentrum in Steenbergen, niet dat een nabijgelegen gemeente Stampersgat heette.

*

Het keihard werkende personeel op de boot naar Harwich oogt zonder uitzondering Oost-Aziatisch, behalve de mensen aan de balie die hyperbleek staan van de representatie.

*

Aan het van hitte blinkende kiezelstrand zit een opa in een smetteloos wit pak, met platte hoed. Hij houdt twee ijsjes vast, en zijn linkerhand begint roomkleurig te bloeden. Zijn vrouw blijkt een kleinzoon naar het toilet te hebben geholpen en duwt diens wagen terug richting zon. Als ik ’s avonds aan het taalkundig genie dit gebeurtenisje memoreer, zegt ze dat het pak van de opa crèmekleurig was.

*

Als ik iets ‘toxisch’ moet noemen, zijn het mensen die hun smartphone in de hand dragen.

*

Mijn e-reader werkt ineens niet meer! Wat nu? Een dikke maand zonder lezen? Ik snap al niets van interviewvragen naar boeken op het nachtkastje – daar ligt bij mij leegte, na een dag letterslurpen. De gourmande heeft medelijden en zegt dat ik haar e-reader mag. Daar tref ik kinderboeken en historische werken die me naar mijn allerbekwaamste inzichten geschikt voor haar leeftijd hadden geleken. Maar wat een taaie en saaie tekst, Een zwerver verliefd.

Gelukkig kunnen we mijn apparaat repareren.

*

Overal toerist zijnde let ik thuis waarschijnlijk onvoldoende op. Getatoeëerde vrouwen hebben hier vaak iets op hun voeten, misschien de handtekening van de artiest. Maar ze zien die vaak niet omdat ze toch wel erg dik zijn – benen strekken is de enige oplossing (ik hoorde eens over een Duits café waar mannen bij de urinoirs via spiegeltjes toch hun schwanz konden inspecteren).

*

Komt het door beelden van de vermaledijde Jimmy Savile die zijn pre-Thatcheriaanse charity kracht bijzette op kleurige wielrenfietsen, dat ik oprecht verbaasd ben amper tweewielers te zien, helemaal buiten steden? En in steden had ik meer Bromptons verwacht.

Natuurlijk, het landschap is grillig en zonder ritme dat een lichaam kan doen laten wennen. Achter elke hoek kan een very steep helling beginnen (met de fiets in de hand geeft de teller nog 0 mph) om na een paar honderd meter net zo makkelijk te stoppen.

De meeste tijd fietsen we sowieso zonder context, in een soort kokers, tussen hagen en muren – het is niet makkelijk zicht te krijgen op Engelse landschappen. Toch geloven we niet goed dat Oekraïne exclusief de graanschuur van de wereld is.

Tegemoet komen ons wielrenners die, al dan niet in groep, steevast enthousiast groeten, stuk voor stuk. Als we stilstaan vragen voorbijgangers of we really geen elektrische ondersteuning hebben.

Natuurlijk bevestigt de uitzondering, in de gedaante van jochies die net hun rijbewijs gehaald hebben, de regel: hoe hoffelijk betonen zich Engelse automobilisten, die bijna geruisloos achter ons blijven hangen of boven op een heuvel stoppen als we in aantocht zijn en zo bij de klim een beetje verkrampen.

*

Bij de tent lees ik eerst Massih Hutaks Jij hebt ons niet ontdekt en daarna Een klein land met verre uithoeken. Ongelijke kansen in veranderend Nederland van Floor Milikowski. Hun verhalen vertonen minstens één raakvlak: het verschil tussen een kosmopolitische en een dorpse sfeer die elkaar maar niet willen ontmoeten. Het toont zich al in winkels, zoals we in Frankrijk beleefden.

Ketensupermarkten zijn extreem lang open, van 6 tot 23 uur, ook op zondag. Ja, Thatcher wist indertijd hoe de macht van vakbonden te breken. Evenmin kinderachtige openingstijden kennen de kleinere COOPs, gedreven door donkere mensen. Ik liet er een oude, getatoeëerde vrouw voorgaan die alleen maar twee pakjes sigaretten wilde afrekenen. Ze kostten 28 euro en zij betaalde met haar creditcard.

*

Telkens hoor ik dat de gourmande ‘bureau’ tegen me zegt, maar het blijkt ‘bro’ te zijn. Wel versta ik haar herhaalde mening goed dat de beste campings geen douches hebben.

*

Midden juli: traditiegetrouw kamperen we op lichtgele velden tussen herfstbladen. Op een prachtige ecocamping is het gemaaide gras gebarsten, hard als steen, met gaten en al (de campinghouder verzorgt dagelijks de zelfcomposterende toiletten en rijdt, o eeuwig lonkende diagnose van de hypocriet, met een bestelwagen).

*

De boer op wiens landgoed we verloren zijn gereden en die het achter hoog gras verscholen paadje toont dat ons op de route zal brengen, roept bij onze antwoorden op wat we in Engeland doen: ‘Bly me’ (Hodges in Dad’s Army). Nee, zo moet dat blijkbaar gespeld: Blimey.

*

Nu sneeft de e-reader van het taalkundig genie. Ik beloof haar een papieren versie van het boek dat ze, wonderbaarlijk als vijftienjarige, aan het lezen is in de oorspronkelijke taal, Emma. Op Oxfordse Broad Street heeft de firma Blackwell’s er zeven verschillende edities van op voorraad. Dan dalen we naar de kelder en staan paf – lijkt wel een bibliotheek! Ik loop blind op een kast af en zie daar allerlei delen van Multatuli’s Volledige Werken… Het blijken dummy’s, aanbevolen om er dagboek in te houden. Zelf millennial worden?

*

Het lijkt wel of iedereen een hond heeft. Op het tentenveld worden we bezocht door camper- en caravanbezitters die er hun edele viervoeter uitlaten. Keurig aan de randen, natuurlijk, waar niet-geautoriseerde kampeerders slapen, zitten en koken.

We zagen advertenties voor hondenijs. Een gastronomisch restaurant vlak bij Canterbury berichtte expliciet dat honden welkom waren (anders dan wij, bezweet en in een lichtgewicht kloffie). Op de toog stond een glazen pot met brokken.

*

Bij Salisbury een driehoekig verkeersbord van twee gebogen mensen met wandelstok. Onderschrift: Elderly People. Verderop, naast de prachtkathedraal omgord door groene ruimte, de rode telefooncel die ik zo vaak in televisieseries zag. Nu staat er werktuiglijk een puber in, die door zijn ouders wordt gemaand te doen alsof hij belt, met de hoorn in zijn hand en een heel raar snoer. Ze fotograferen hem. ‘Zo ging dat, vroeger’.

donderdag 7 juli 2022

En daar kwam een grote man

 

 

 

Nog binnen één eeuw verscheen er een publiek toegankelijke digitale uitgave van Jan Engelmans bundel Sine nomine. Dit betekent dat met één muisklik nu deze collectief opgeslagen regels op het scherm kunnen bovenkomen: ‘Ambriosa, wat vloeit mij aan? / uw schedeldak is koeler maan’. Heuse poëzie? Of boerenbedrog? Waar gaat dit over?

Die vraag is destijds gesteld en diverse malen in de literatuurgeschiedenis herhaald met alternatieve bewijsplaatsen. Door een jonge Pfeijffer bijvoorbeeld, via Luceberts ‘de oude meepse barg ligt / nimmermeer in drab’. Gemeen hebben zulke betogen dat ze cirkelen rond woorden die minder bekendheid hebben of die in gelegenheidscombinatie duister zijn.

Ze veroorzaken een chillen in de taal. Een dronkenschap binnen de perken, die democratisch is. Al als kind ervaar je zoiets evengoed. Jaren geleden hield K3 een auditieronde voor een nieuwe blonde en daar hoorde een liedje bij: ‘Mamasé! Mamasá! Mama saka mumba’. Magisch, terwijl de tekst verder in begrijpelijk Nederlands was.

De meeste popmuziek is voor kinderen gesteld in een onbegrijpelijk Esperanto dat hun ouders wel Engels noemen, en van weerkerende frasen maakt elk kind eigen versies (K3 werd voorafgegaan door Michael Jackson). Het doet dan hetzelfde als gemiddeld tot niet opgeleide katholieken die de Latijnse mis nog mee hebben beleefd. Preveling van de ziel, vakantie van de geest?.

Voor het gevoel van gelukzalige betekenisverlossing wend ik me zelf liever tot de edele kunst van de muziek, instrumentaal graag. Tegelijk heeft zeker pop van den beginne af laten zien dat er taal in kan voorkomen die dat gevoel opwekt. Niemand minder dan Gene Vincent stootte in 1956 dit uit: ‘Well be-bop-a-Lula she’s my baby / Be-bop-a-Lula I don’t mean maybe’.

Klinkt nog altijd geweldig, zelfs met uitleg van mijn bejaarde vriend Wikipedia:

 

Vincent himself sometimes claimed that he wrote the words inspired by the comic strip, "Little Lulu": "I come in dead drunk and stumble over the bed. And me and Don Graves were looking at this bloody book; it was called Little Lulu. And I said, "Hell, man, it's 'Be-Bop-a-Lulu.' And he said, 'Yeah, man, swinging.' And we wrote this song."

The phrase "Be-Bop-a-Lula" is similar to "Be-Baba-Leba", the title of a No. 3 R&B chart hit for Helen Humes in 1945, which became a bigger hit when recorded by Lionel Hampton as "Hey! Ba-Ba-Re-Bop." This phrase, or something very similar, was widely used in jazz circles in the 1940s, giving its name to the bebop style, and possibly being ultimately derived from the shout of "Arriba! Arriba!" used by Latin American bandleaders to encourage band members.

 

Dat aanmoedigen herken ik zeker van Herman Brood, die in zijn toptijd, eind jaren zeventig, zichzelf en publiek ‘Cha Cha’ toeschreeuwde. Ik geloof niet dat het iets betekende, wel dat het een initiatie was om bij zijn Wild Romance-project te horen. Zowel een live-elpee als een film droegen toen die titel; een comebackplaat, een decennium later, noemde hij klankzuchtig Yada Yada.

Dat deze kreten sterk lijken op ‘dada’, zal geen toeval zijn. Deze taal ambieert een naturel, zoals het chillen intellectuele inspanningen graag mist. Een kind kan de was doen, heet dat, en in dit geval is die klus voor baby’s die via ‘dada’ na de vakantie mogelijk ‘mama’ en ‘papa’ uit het systeem weten te persen. Dan doemt de wereld, met verplichtingen.

Ook het Wiki-verband met bebop snap ik. Deze geavanceerde vorm van jazz onttrok zich toch een beetje aan de esthetische patronen die zich tot dusver aan het oor hadden gekluisterd. Charlie Parker kwam met het nummer ‘Ah-Leu-Cha’, geïnspireerd op Gershwins klassieke ‘I Got Rhythm’.

Elke generatie zal haar kreten hebben waarin ze kan wonen, doordat ze die op gevoelige leeftijd heeft ontmoet. Voor babyboomers als Herman Brood kan dat ‘Yakety Yak’ (1958) zijn geweest, naar een idee dat tieners een conflict aangaan met hun ouder; hij speelde destijds dat nummer van The Coasters graag als toegift.

Voor zijn generatie zal Vincents ‘Be-Bop-a-Lula’ ook meer richting hebben gegeven dan Hamptons ‘Be-Baba-Re-Bop’. Hoewel? De zeer fijne Haagse progrockband Supersister ontstond anno 1967, in de middelbareschooljaren. Voordat hij de band verliet omdat hij een psychedelischer kant op wilde, leverde stichtend lid Rob Douw, onlangs overleden, meer dan één fraai Nederlandstalig nummer.

Dat bleek althans achteraf, uit de anthologie Looking Back, Naked (2020). Douw schreef destijds onder meer ‘Heebaberieba’:

 

Twee bejaarde dametjes

Heel tenger en heel teer

Die liepen in een parkje

Voorzichtig op en neer

 

Heebaberieba 2x

 

Ze liepen niet zo snel

Want ze waren al zo oud

En werden nu toch wel

Wat angstig in het woud

 

Heebaberieba 3x Wow!

 

En daar kwam

Een grote man

Die gretig naar hen greep (Heuj!)

Hij deed ze eerst

Heel veel pijn

En bracht ze toen om zeep (Heuj!)

 

Lalalalalalala...

 

Supersisters oerformatie vertelt in het liedje een naar ik vrees universeel verhaal, en draait daartoe de rollen om. In sprookjes zijn het kinderen die in een donker bos afgeraden wordt van het pad af te wijken. Ditmaal zijn het naamloze ouden van dagen; hun einde verloopt onverminderd volgens de spreekwoordelijke wreedheid van de natuur, al kan ‘de grote man’ evengoed een God zijn geweest.

Wie of wat ook handelde, geschiedde dat uit rechtschapenheid? En geeft zij met terugwerkende kracht betekenis?

dinsdag 28 juni 2022

Zoek de verschillen

 


 

In haar manifestboek Geef nooit op vertelt Bernardine Evaristo dat zij zichzelf niet kinderloos (‘childless’) noemt, maar kindervrij (‘child-free’). Zo drukt zij een keuze uit en geen zweem van onvermogen; ze voegt er trouwens aan toe dat ze graag kinderen van anderen ziet.

Toevallig krijgt haar suffix in het Engels door het koppelteken nog meer nadruk, maar ook zonder lijkt ‘vrij’, met alle afgeleiden, niet uit het nieuws weg te slaan. Het gaat dan om een westerse state of mind die bedreigd zou worden, en daarom behalve aandacht niets minder dan bescherming verdient.

Is deze vrijheid een verworvenheid of een luxeverschijnsel? Voormalig SP-voorzitter Ron Meyer staat er in zijn boek De onmisbaren raar naar te kijken, wanneer hij een ode brengt aan zijn ouders:

 

‘Voor jullie had vrijheid altijd met geld te maken. Vrij zijn van financiële zorgen, van stress, van het einde van de maand, van deurwaarders, van controleurs, van kapotte distributieriemen of ijskasten, van bezwaarschriften, huurverhogingen, opgestapelde energierekeningen, schaamte, twijfel of de neerbuigende blikken van anderen. Gevangen in de cyclus van het permanent terugkerende gat aan het einde van de maand. Ik was tien jaar oud toen ik voor het eerst begreep wat dat betekent. Niet uit een boek, maar uit het leven.’

 

In termen van Evaristo wilden ze kopzorgvrij zijn. Hun werkelijkheid, die zware verantwoordelijkheid met zich meedroeg en stilzwijgend keuzemogelijkheden voor vrouwen beknotte, sloot een druk in waarvan je je niet met een paraafje kunt bevrijden.

Vreemd genoeg zit het huidige gevoel van vrijheidsinperking nogal eens bij mensen, aan wie de door Meyer beschreven situatie onbekend is. Voor een rooskleuriger toekomst hoeven ze ook niet, langs welke weg of vernedering ook, naar andere landen te vluchten. Hun gevoel betreft het zichzelf uitspreken, het lozen van roerselen, waartegen verboden stringenter dan ooit zouden opklinken – door ‘de cancelcultuur’, die geen genade heeft voor wat ‘politiek incorrect’ is. In plaats daarvan zwatelt de spatel door een Nutella-pot vol ‘toxisch’ en ‘onveilig’.

Vreemd is ook dat met enige regelmaat zich dan relletjes voordoen waarbij de geplaagde sprekers uitleggen wat ze eigenlijk hebben bedoeld en-of hoe de situatie hen verleidde tot wat achteraf dan controversieel moest heten. Wanneer zij in een organisatie werken, zorgen communicatieadviseurs voor dergelijke damage control.

Literair vind ik zoiets wel interessant. Aan de ene kant is aan lezers vrijheid gegund tot interpreteren en bij die toe-eigening wijkt hun autoriteit niet af van die van een auteur. Bedoelingen zijn dan geen criterium. Aan de andere kant worden, om uitspraken in te schatten, auteurs onderscheiden van hun vertellers en personages, of zijn er minstens lyrische ikken die niet vereenzelvigd mogen met hun scheppers. Het is dan makkelijker verantwoordelijkheid te ontlopen voor kwestieuze opinies.

Een onbegrensde vrijheid dus, tweeslachtig, die voor activisme lachwekkend wordt. Leek mij althans, zonder concreet voorbeeld. Hoe doet iemand dat, die een band met literatuur wil houden? Met die vraag kijk ik naar twee gedichten uit de bundel Laten we het er maar niet over hebben (2018) van Akwasi:

 

een portret van de artiest als een schaduw van zijn voormalige zelf

 

wie ik toen was

jong

zwart

gevaarlijk

 

wie ik nu ben

jong

zwart

gevaarlijk

 

zoek de verschillen

 

Hier worden nuchter twee eerbiedwaardige fenomenen de nek omgedraaid: literatuur als gecodeerd spreken en auteurs als estheten. Of misschien is nuchter niet het goede woord voor de werkwijze en zien we hier louter effect. Al de titel begint namelijk te schmieren met kunstbegrippen, bestaande uit een hint naar een klassieke roman, plus twee esthetische varianten die bij elkaar pleonastisch zijn. Door de imperatief in de slotzin wordt de lezer bovendien veeleer gemaand tot actie in plaats van tot contemplatie.

Is in termen van Evaristo dit gedicht complexvrij of complexiteitsvrij? De woordcombinatie komt bij me op, omdat Akwasi hier iets praktisch opvoert, waarin het suffix als verkorte variant op ‘vrij van’ overleeft, in de betekenis die Van Dale ervan geeft: ‘het genoemde niet als tekortkoming hebbend, er niet aan onderhevig, door aangedaan enz.’ Het woordenboek geeft zo’n 350 begripjes bij wijze van voorbeeld, maar niet glutenvrij dat me als eerste te binnen schoot. Hoe dan ook, dit suffix schrobt de wereld af.

dinsdag 21 juni 2022

‘Iets wat niemand had kunnen voorzien’

 


 

Vanaf de eerste berichten over zijn gruwelijke dood tot het langverwachte maar kortstondige begin van de rechtszitting greep de zaak-Sanda Dia aan. Mij bekropen steevast afkeer en fascinatie door er weer over te vernemen; ik ervoer een soort boos concentratieverlies dat improductief was. Tot ik in de bibliotheek stuitte op Pieter Huyberechts’ boek Sanda Dia: De doop die leidde tot de dood. De ondertitel is banaal en de tekst doet even rudimentaire als onnodige pogingen om met alternerende hoofdstukjes spanning te kweken. Zo raakte mijn lectuur helemaal grimmig.

Normaliter wekken minstens taaldingetjes mijn interesse. Maar het werkwoord ‘afzuipen’ vervult me, nochtans altijd in voor een glas meer, meteen met zoiets griezeligs als verachting. Of het bon ton is in alle studentencorpora weet ik gelukkig niet, maar het aan de KU Leuven verblijvende gezelschap Reuzegom, slogan 100 procent terechte Antwerpse arrogantie, bedoelde er het dusdanig dronken voeren, bepiesen en beschijten van kandidaat-leden mee, dat ze louter nog fysiek aanwezig waren, in een hooglijk geprefereerde houding: knielend.

Het werkwoord is dus overgankelijk en het voorwerp van de handeling exclusief mannelijk. Zo snap ik althans deze basisconstructie: ‘wij hebben hem afgezopen’. Kenmerkend blijkt verder dat dit een gefaseerde activiteit is, waarbij het voorwerp steeds kotst om verder van de wereld te raken. Wat dat aangaat is de inmiddels bekende aanduiding voor een kandidaat-lid, schacht, zowaar toepasselijk. Hij wordt hol en verzinkt in absolute willoosheid.

Een variant bij Reuzegom heet ‘toezuipen’. Het dichtgaan dat dit werkwoord suggereert, slaat op het geheugen van het voorwerp. Als de procedure correct is uitgevoerd, herinnert hij zich niets van het gebeurde en is zijn kater de enige getuige. Sanda Dia, en twee lotgenoten die het wel overleefden, had na dag één van het 48-urige doopritueel nochtans extra bewijzen: er waren plukken haar van het hoofd geknipt, waarop chocopasta en tomatenketchup waren gesmeerd. In zijn eigen studentenkot, waarvan de temmers de sleutel hadden en waar het water was afgesloten.

De lezer die ik ben legt dan een verband met een latere scène, wanneer de bewusteloze Dia in allerijl wordt afgevoerd naar het ziekenhuis: eerst leggen de Reuzegommers plastic vuilniszakken op de achterbank van de BMW, zodat de bekleding niet vies wordt. Mijn leesbrein memoreert ook een vroegere scène op een Antwerps plein waar Sanda, tot de politie komt, een jongen in bedwang houdt die ruzie had gezocht met een Reuzegommer.

 

Heerlijke herinneringen

Grosso modo behandelt Huyberechts twee vragen. Hoe moreel gedepriveerd moeten mensen zijn om anderen doelbewust te vernederen en de niet-ingecalculeerde gevolgen daarvan ‘een jammelijk ongeval’ noemen? En wat bezielt een zwarte jongen van eenvoudige afkomst zich aan te melden bij een berucht elitekringetje (dat gesegregeerd opereerde)? Die laatste vraag beantwoordt de auteur met suggesties achteraf, want Sanda had zelfs zijn beste vrienden verrast en zijn familie wist van niks. Men vermoedt een investering. Hij beschikte niet over het juiste netwerk, in tegenstelling tot de verhoopte corpsgenoten: ‘Die mannen hun ouders hebben zotte jobs in het bedrijfsleven, belangrijke maatschappelijke posities en daar speelt ons-kent-ons.’

Zo’n citaat, hier van Sanda’s oudere broer, heeft een welbepaald underdogperspectief. Mij biedt dat identificatiemogelijkheden, omdat ik zelf evenmin van heel erg chique huize ben en me dan in één en dezelfde beweging onder de slachtoffers kan scharen. Bij dat perspectief horen echter ideeën over macht die in ware spinsels kunnen veranderen. Ze worden ironischerwijs versterkt door een typisch fenomeen van geheimhouding, dat hoort bij sektes, vrijmetselarij en dies meer en dat Reuzegom evenzeer tekende. Voordat het boek goed en wel is begonnen slinken zo de kansen op identificatie met de daders, afkomstig uit de Rand van Antwerpen, waar heel wat welgestelden gesetteld heten te zijn.

Dat ik Dia’s huidkleur vermeld, opent de poort naar racisme waarvoor in dit boek de verdenking niet wordt weggenomen, ondanks pertinente ontkenningen uit het kamp van de daders. Sanda’s afkomst lijkt me door Huyberechts uitweidingen zeker vermeldenswaard. Een hoofdstuk gaat over een sterk gelijkend sterfgeval in Luik, met verwante sociale achtergronden, en dat ouders evenmin kunnen verkroppen. Meer terzijde is de verwijzing naar een Vindicat-akkefietje in Groningen twee decennia eerder, dat de vader van het slachtoffer, een notaris, toeschreef aan het noodlot. Dat beweerde hij mede als voormalig corpslid: ‘Ik begrijp niets van alle vooroordelen. Ik heb er heerlijke herinneringen aan over gehouden. Dat gevoel van verbondenheid. De stimulans om het ver te brengen in de maatschappij.’

Het is precies die afkomst die voor obstructies zorgde bij Sanda’s gerechtelijk proces. Een collega van de onderzoeksrechter in Antwerpen was de moeder van één van de verdachten, en gastdocent aan de KU Leuven. Ik voel me hier op glad ijs bewegen, maar heel wat smakeloze scènes in het boek en in de berichtgeving over de zaak lees ik reflexmatig als vader. Sorry, mijn betoog wordt alvast letterlijk paternalistisch. Dat mensen fouten maken en falen, zo gaat dat in de wereld. Maar voor wat hier is gebeurd – vanaf de aanmeldingen als schacht, tijdens de doop en erna – is een ander register nodig. Dit gaat over basisprincipes van de omgang, die je tijdens je leven ontwikkelt maar die je zeker ook krijgt aangeleerd.

Wat Reuzegommers hiervan hebben opgestoken lijkt aan de cynische kant. Mensen zijn geen doel maar middel. Mocht er daarbij onverhoopt iets misgaan, dan kopen we de restschade af.

 

Lokale Blitzkrieg

Vaste prik na zulke ontsporingen is de abjecte, verdedigend bedoelde uitspraak wir haben es nicht gewusst. Ze bleek in de ijzingwekkendste tijden al niet helemaal waar, en bij Reuzegom zeker niet. Voor het doopritueel bestond een draaiboek. Ook de leden die wegens verblijf in het buitenland niet participeerden, waren op de hoogte. Via de WhatsApp Ruziegom kregen zij van hun corpsgenoten bijvoorbeeld live een filmpje van een uitgeteld, live ondergekakt lichaam, met het commentaar Dees is erover.

Ik plaats mijn weerzinwekkende verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog mede, omdat de preses zichzelf in een toespraak – waarover later meer – vergeleek met Hitler. Maar de centrale plaats van de schachten tijdens de doop had me die associatie reeds gegeven. Al voltrekt de executie zich met urine, stront en papjes vol ter plekke geblenderde muis en kattenvoer, de kandidaat-leden liggen dan in een kuil die ze voor zichzelf hebben moeten graven.

Het eind van het kuilritueel bestaat nota bene uit een wat Reuzegommers ‘lokale Blitzkrieg’ noemen. Dan dienen de schachten, bij een buitentemperatuur van 6 graden, naakt van hun temmers emmers koud water over zich heen te krijgen en lepeltje-lepeltje te liggen (de vernedering bestaat bij het laatste onderdeel waarschijnlijk evenzeer uit homoseksualiteit).

De temmers waren dan ook niet aan hun zogeheten proefstuk toe. Hun voorgangers hadden al de publiciteit gehaald na een als mascotte gebruikt biggetje, Spekkie, bij een kampbijeenkomst dood te schieten, te spietsen, villen en te barbecueën. Er zat vier jaar tussen deze daad en de verbreiding ervan, en de tussentijd was duidelijk besteed aan introspectie. Nieuwsgierige journalisten kregen namelijk de wedervraag of zij nooit jong waren geweest, en de verzekering dat er inmiddels diploma’s waren gehaald. Boetes uit een minnelijke schikking werden grinnikend betaald en het strafblad bleef blanco.

woensdag 15 juni 2022

Aangrenzend

 

 

 

 

Hoe begrijp ik precies een metoniem en leg ik die oeroude stijlfiguur uit? Ik sta altijd met mijn mond vol tanden als het moment, in Vlaanderen ‘de moment’ geheten, weer eens daar is. Eerst vlucht ik naar de metafoor.

Achteraf schiet me uiteraard te binnen de verklaring uit een voorbeeld te halen. Het meisje Gittel oefent in Ida Simons’ roman Een dwaze maagd (1959) nogal fanatiek op de piano. Dan staat er de vorige bovenburen zijn ‘verdreven door Czerny en Clementi’.

Die twee namen verwijzen natuurlijk niet naar gespierde conciërges of uitsmijters, in Vlaanderen ‘buitenwippers’ geheten, maar naar de beroemde pianopedagogen. Door deze vermelding doet de tekst aan schampen (en de metafoor aan boren).

 

Misschien is een gemiddelde comment, zoals ik die zelf evengoed pleeg, een ander voorbeeld van metonymie. Zelden gaat die eindnoot in op wat er staat; veeleer pakt ze een detail uit het betoog om een omstandige eigen tekst te kunnen openbaren.

Vergelijk een hoekschop van Oranje wanneer Memphis meedoet. Hij neemt hem kort om de bal terug te krijgen en veelal verplaatst het spel zich naar de eigen helft, en wachten de boomlange verdedigers, als ze niet terug zijn gesjokt, in het vijandelijke strafschopgebied ter inkopping.

Is een metoniem egocentrisch? Waarschijnlijk wel. Vooral is ze overbodig en daarmee nogal erg noodzakelijk. De metafoor daarentegen – een stijlfiguur van onberispelijkheid en dermate direct didactisch nut, dat het een lezer wordt die overbodig is.

 

Er bestaat zoiets als een armoedegrens. Een horizontale lijn? Wie daar doorheen valt, zit in de puree. Maar wie uit de armoede weet te kruipen, zal bij vergrote ervaringsopties op basis van een geheugen misschien steeds weten dat een relaps mogelijk is – de door beperkingen gekleurde einder.

In de even fascinerende als enerverende reeks Ik Woke Van Jou beklaagt een vrouw in rolstoel zich dat ze bij een uitstap naar een pretpark niet door de toegangspoortjes raakte en slechts kon toekijken hoe haar vrienden zich vermaakten.

Andere mensen reizen niet eens naar de ingang af. Voor hun situatie blijkt de ambtelijke term ‘vervoersarmoede’ te bestaan. Wat is navranter? Vallen omstandigheden (ik huiver voor ‘contexten’) überhaupt met elkaar te vergelijken? Waar is wrijving, waar houdt empathie op?

 

Jaren geleden trok ik in de bibliotheek een exemplaar van Slaap! uit de kast en repte me ermee naar huis. Daar viel dit debuut van Annelies Verbeke open op tafel en stond er een dikke potloodstreep naast deze zin:

‘Metaforen en symbolen hoorden thuis in verhalen, niet in de werkelijkheid, die willekeurige fragmenten slordig op elkaar stapelde.’

Het exemplaar bleek vol met dergelijke lezersaanbevelingen te staan, en was bovendien zwaar beëzelsoord. Verrompeling ten gunste van een geheugen? Het citaat lag me wel. Wat slordig op elkaar gestapeld is, valt op een goed moment uit zichzelf en het geringste gevolg kan je al geen schade noemen want toont nieuwe raakvlakken. Ja, eerst letterlijk.

 

The New York Review of Books beweert bij een boek van Rebecca Solnit over George Orwell dat de schrijfster een biopsie op haar borsten vergelijkt met martelingen door het Amerikaanse leger. Het bewijs staat er gelukkig bij:

‘The uses of empathy and pain were something I began to wonder about anew, when people began to drill into my flesh, to pursue me with knives. It was not long after the US Army had been torturing people in prison in Iraq.’

Klopt de bewering, met de impliciete veroordeling dat Solnit zo in beslag wordt genomen door zichzelf, dat ze geen gevoel voor verhoudingen heeft? Hier lees ik nevenschikking. De schrijfster zet uit één tijdspanne twee kwesties naast elkaar, brengt ze beter gezegd in elkaars nabijheid. Of ze elkaar raken en schampen beslist een lezer.

dinsdag 7 juni 2022

Uit de werkplaats (4)




 

Hoe lang duurt het voordat je taaleigenaardigheden absorbeert van het land waarnaar je bent geëmigreerd? Vlaming Geert Buelens verblijft zo’n vijftien jaar in Nederland en in het begin van zijn recentste boek Wat we toen al wisten dacht ik dat te horen.

Eerst bij het zinnetje: ‘De samenkomst liep echter voor geen meter.’ Mogelijk ben ik door mijn muzakbrein misleid, vanwege dat liedje van Hanny over Peter, maar in Vlaanderen heb ik ‘meter’ nooit zo opgevangen. Terwijl het in mijn herinnering echt spreektaal was, waartegenover Buelens’ ‘echter’ stramme kuiten vertoont.

Dan deze: ‘Het gezoem over een geheimzinnig, misschien zelfs sensationeel rapport was helemaal niet meer te controleren toen de doortastende journalist Willem Oltmans zich ertegenaan ging bemoeien’. Die laatste werkwoordconstructie werpt me terug naar de twintigste eeuw, en zit in mijn herinnering in een mapje met ‘erdoorheen fietsen’ (die ik niet meer terugvind, tenzij hier, dus zal het ‘erin fietsen’ zijn). Het betrof een studentikoze manier van zeggen, waar wel een verschil in gevoel uitgedrukt kon zijn. Wie zich ‘ermee bemoeit’ was net iets minder opdringerig dan degene die zich ‘ertegenaan bemoeit’. Of was die laatste persoon juist dé persoon waar elke vacature naar snakt, want sterk oplossingsgericht met hands-onmentaliteit?

Beide voorbeeldzinnetjes proberen een band te scheppen met de lezer. Ik zou ze karakteriseren als ‘tof’, ware het niet dat ik in België leerde dat dit woordje ‘leuk’ kan betekenen. ‘Vlot’ is hier ook wat anders dan in het noorden. Wat dan? Ik word onzeker wat een adjectief kan zijn dat in beide landen identiek wordt begrepen. Maar feitelijk materialiseert Buelens het in een leesteken, een ampersand om precies te zijn: ‘Minder focus op productie en consumptie zou tijd vrijmaken voor kunst, muziek, religie, sport en vrienden & familie.’

 

Ook boven de grote rivieren corrigeert Karin Amatmoekrim in een geweldig vileine NRC-column de Vlaams Belang-griezel Filip Dewinter met een paar noties en zegt dan: ‘Maar goed, ik weet inmiddels dat de discussie niet over feiten maar over sentimenten gaat, dus soit.’ Dat laatste woordje hoor ik hier te pas en te onpas, zij het voorafgegaan door ‘maar’.

 

Wat hoor ik verder? Mijn dagdagelijksheid weet niet beter dan dat ‘gaan’ een modaal werkwoord is, dus viel me de verbreiding in mijn geboorteland pas op toen Mark Rutte krachtdadige uitspraken plaatste van het type ‘Dat gaan we niet doen’.

Afgelopen weekend vernam ik een tegenzet uit de mond van Christophe Busch, op een debatmiddag van de nieuwswebsite Apache (die, conform mijn indianenstripalbumkennis, geen ‘appatsjie’ bleek te heten maar ‘appasj’, een hond met een natte neus). Hij mixte dit modale werkwoord met hetzelfde hulpwerkwoord. Bijvoorbeeld bij een educatieve spanning verwekkende vraag: ‘Wat ga je dan gaan zien?’ Of bij een ontkenning: ‘Dat ga je niet gaan zien.’

Ik werd er melancholiek van, mede omdat deze in-zichzelf-gewikkeldheid me aan Eden Hazard deed denken, die in zijn blessurevrije jaren de kunst verstond om, met de rug naar de tegenstander, niet om te vallen als zijn benen onder zijn lichaam vandaan werden getrapt.

Die aanblik maakt het groter dan jezelf dat uit je roeptoeter die keel heet ontsnapt: ‘Amai!’

 

dinsdag 31 mei 2022

Totdat de kolonie de hele wereld beslaat

 


 

 

 

1.

 

Onverminderd op zoek het raadsel minstens scherper te krijgen. Nu weer het notoire narcisme van ‘de’ millennials, althans van degenen onder hen die boeken schrijven. De tussenstand. Eerst poogde ik iets algemeens naar aanleiding van hun stijl, later spitste een vergeefse poging om een vakstudie over hen te recenseren zich toe op één roman van Emy Koopman.

Het woord narcisme bevalt me niet. Het klinkt als een verwijt, terwijl ik er niet meer dan een houding mee wil aanduiden tegenover de wereld. Bewijzen en stellingen en intenties: ze worden gevonden in het eigen leven. Met het woord tracht ik een lawine van onbewijsbaarheden te omzeilen, omdat het de strikte autobiografie buiten het betoog houdt. Zij is voor lezers intransparant en doet er ook niet (meer) toe op het moment dat een tekst het daglicht ziet.

Toch ontkom ik niet aan het feit dat deze makers met autobiografische componenten schermen. En omdat na de geslachtsverhoudingen bij lezers, pakweg in de eenentwintigste eeuw, eindelijk die bij auteurs zijn veranderd in een heus overwicht, doemt er ook zoiets als ‘feminisme’ op. In mijn jeugd heette het persoonlijke daar politiek te zijn, maar daar is het nodige aan toegevoegd.

Er is de positie van mijn invloedrijke generatiegenoot Rachel Cusk die in het dankwoord bij haar imponerende boek Nasleep. Over huwelijk en scheiding ‘het feministische beginsel’ aanhaalt ‘dat wat je schrijft autobiografisch moet zijn, ook als het pijn doet’. Evengoed is er millennial Niña Weijers op wie meerdere etiketten geplakt zijn die ze terecht als erkenning beschouwt, behalve dan wanneer haar werk gerekend wordt tot een ‘autobiografische hausse’.

Dat terugdeinzen vind ik begrijpelijk; een verzet tegen reductie van de uiteenlopendste ideeën. Maar in laatste instantie lijkt het me een reflex uit het pre-digitale stadium van literatuur. Zonder dat ik naar een boekenkast hoef te lopen, of naar een bibliotheek te gaan, floepen vertrouwelijkheden op mijn scherm op. Zo bekruipt me het bevreemdende idee dat ik door haar columns en interviews – misschien zit ze ook op sociale media – beter thuis ben in Weijers’ voorstelling van haar persoonlijk leven dan in haar boeken.

Millennials vormen de eerste generatie die het digitale stadium dat literatuur in de eenentwintigste eeuw bereikte zagen ontstaan terwijl ze eraan meewerkten. In media hebben ze inmiddels het woord gekregen. Dat lijkt rechtstreeks door babyboomers te zijn overgegeven – tussenliggende cohorten, waartoe ik zelf behoor, hebben warempel iets gemist! Inzichtelijk wordt die verschuiving uit een overzicht van de curatoren die voor het institutioneelste denkbaar, het Literatuurmuseum, geschiedenis schrijven. Millennials zijn daarin oververtegenwoordigd.

 

2.

Inmiddels passeerden drie boeken die bezinksel in mijn altijd laveloze leesgeest achterlieten. Voor de Maand van de Filosofie verscheen in 2021 Eva Meijers Vuurduin. Aantekeningen bij een wereld die verdwijnt. Dit kleinood beschrijft grosso modo een bezoek aan Vlieland. Logisch, vanwege de flora en fauna en noties over het voorbeeldige van een eiland.

De relatief oude millennial Meijer heeft echter nog een verhaaldraad ingeweven. Daarvan snap ik de ratio niet. Spoedig blijkt dat ze als kind op vakantie is geweest op Vlieland, wat aan de tekst een persoonlijke laag geeft in de vorm van herinneringen. Ze wrikken zich los van het thema, helemaal wanneer er aanvullende mededelingen komen die soms intiem zijn maar geen ecologische relevantie vertonen.

Toen zag ik een verband met Koopman wier aanpak me, achteraf, ook bijvoorbeeld terugvoert naar Lieke Marsman: er is een onderwerp en daarnaast brengt een auteur confidenties. Daartussen zou een magie moeten ontstaan – die voor mij, als lezer en/of mens uit een oudere generatie, helaas ontbreekt. Ik voel dan mijn beperkingen omdat ik redundantie ontwaar, terwijl anderen allicht juist meer willen omdat ze op vertrouwd terrein raken.

Wel brengt Meijer gelukkig nog een spoor. Ze schrijft ook over parrhesia, het antieke fenomeen dat door Michel Foucault terug in de aandacht werd gebracht. Vuurduin bericht daar kundig en helder over. Mij frappeerde een eerste beschrijving die Meijer van zo’n spreker geeft: ‘iemand die alles zegt wat in haar opkomt, die frank en vrij spreekt, haar hart en hoofd volledig opent naar [sic] het publiek. De parrhestiastis houdt niets achter en gebruikt geen retorische trucs’.

Voor zover ik het begreep, heeft Foucaults type een maatschappelijk oogpunt. Meijer suggereert dat de persoonlijke bewustzijnsvergroting vooropstaat. Misschien denk ik dat mede door de veeleer psychologiserende dan politieke toon die ze aanslaat. Tegen mijn oude oren dan. En tegen die van Tom Naegels die zich op de tijdlijn zo’n beetje halverwege tussen haar en mij bevindt. Hij verbaasde zich onlangs over de snelle inburgering van een therapeutisch ik-spreken.

Is het ‘kort door de bocht’ om Meijer daarbij te betrekken? Haar columns zijn vaak maatschappelijk, maar zeker in haar boek De grenzen van mijn taal (2019) toonde ze zich ze onbeschroomd over depressies – wat ik bewonderenswaardig én griezelig vond. Uitgerekend in de gevoelige jonge jaren van haar generatie groeide in de popmuziek het aantal ‘songs over negatieve emoties’ waarin figuren niet alleen wenen maar werkelijk hun ziel blootleggen. Dat leid ik af uit cijfers die Naegels geeft.

Op zijn beurt betrekt hij de vermeende woke-beweging in zijn redenaties, om een punt te maken over een eigenaardigheid van het gepsychologiseer: dat het tegelijk politiek is door goed van kwaad te scheiden, en intenties te achterhalen over wat ‘kwetsend’ en ‘traumatiserend’ is. Het zal toeval zijn, maar toch: in Van Dale is het lemma toegevoegd in september 2020, en prompt vermeldt de voorbeeldzin woke millennials.

Minstens lijkt er iets opengebroken tegen elke terughoudendheid, dat nooit meer dichtgaat. Sociale media zijn natuurlijk ook gesneden koek voor millennials en voor elke generatie na hen voor wie taal middel is. Onlangs nog waren reacties van voetballers op het overlijden van hun makelaar Mino Raiola aan de pathetische kant. Voordien hadden ze zoiets gezegd als ‘ontzettend jammer’ of ‘heel verdrietig’.

Of zouden ze dat juist buiten de openbaarheid wel doen, en nemen ze de codes over van betreffend medium en/of de dienstdoende gesprekspartner? Volgens Munganyende Hélène Christelle hebben we het hier namelijk over de generatie codeswitch’. Maar daarmee bedoelt ze exclusief ‘millennials van kleur’.

woensdag 25 mei 2022

Ben ik als monster of als mens geboren?

 


 

 

Als ingeweken Hollander ben ik nog altijd niet gewend dat in België met ‘het conservatorium’ een school voor iedereen van alle leeftijden wordt aangeduid, in plaats van voor een geauditeerd groepje jongvolwassen supertalenten. Laat staan dat men hier ook aan het handje van taal kan studeren. Toch volgt het taalkundig genie alweer jaren een Woordlab, dat ons als trotse ouders uitnodigde voor een zogeheten Openbaar Toonmoment.

Bij die toegankelijkheid kreeg ik niet de indruk dat de hele maatschappij vertegenwoordigd was. Er keren steeds ogenblikken weer waarop ik me ondraaglijk wit en vermogend voel. Al op de drempel van de toneelzaal leek de kans miniem een jonge versie te ontmoeten van Chokri Ben Chikha, kind van een eerste generatie arbeidsmigranten uit Tunesië, die over Buysses Het recht van de sterkste schreef: ‘Dat boek ging over ons gezin! Dat was ons verhaal.’

Heel aardig vond ik dat alle leerlingen tijdens de voorstelling even naar voren moesten stappen om een thematisch verwant gedicht naar keuze te brengen. Dit bewees maar weer eens dat poëzie op de lenigste wijze verbanden kan leggen, hoewel ze als genre de reputatie heeft van een kasplantje – én schier ritueel, zoals Amanda Gorman net nog liet zien, floreert na grote gebeurtenissen.

Laat de gedichten komen! Omdat de taal er maximaal geconcentreerd is, leren ze wennen aan meer interpretaties die desnoods tegensprekelijk zijn. Dat geeft toch wat perspectief en relativering voor wie zich verleid voelt tot grote oordelen over anderen of, zoals de laatste jaren, tot generaliseringen over pakweg woke.

Laat de gedichten dus beginnen te komen op scholen, en het liefst om te lezen. Maar waarschijnlijk ontspringt die voorkeur uit zwakte: ik ben geen ster in luisteren, en al helemaal niet naar poëzie. Dus was het fijn na het Openbaar Toonmoment uit het programmaboekje te begrijpen wat er zoal was voorgedragen.

Leuk om dichters aan te treffen die vooralsnog weggedeemsterd zijn uit de aandacht van de literaire kritiek: Portegies Zwart, Schouwenaar, Insingel. De kinderen die hen hadden uitverkoren (het Nederlands heeft geen vrouwelijke pendant voor ‘keuze-’ of ‘selectieheer’) zullen zich niet bekommeren om ‘de canon’ of wat daar tegen ingaat. Ze doen een greep uit een bibliotheekkast of ze surfen naar sites die poëzie veeleer thematisch ordenen dan zich, aan de hand van Bourdieu, druk te maken over kwaliteit.

Ik beschouw dat als een vorm van inspraak, die minstens ‘verfrissend’ mag heten. Of ook de term ‘inspirerend’ gepast is, die het waarschijnlijk op Twitter uitstekend doet, moet per geval worden beslist.

Dat wil niet zeggen dat de kinderen soms geen voorspelbare dichters hadden gekozen. Evengoed waren er namen die me geen licht deden opgaan: Catrinus, Jan ’t Lam, Coenraedt van Meerenburgh, Sarah Blok, Gino Sancti, Anneke Scholtens, Lotte Romanus, Christina Guirlande. Ook trof ik titels aan waarvan ik vermoedde dat ze minder met poëzie te maken hadden, of die schmierend een pastiche leverden.

Zelf besefte ik pas ter plekke geen idee te hebben wie of wat het taalkundig genie had geselecteerd. Onattent wellicht, maar als vader en voormalig dichter kan ik het niet over mijn hart verkrijgen eigen voorkeuren op te dringen. Ik deel louter culturaliteiten waarvan ik niets of iets nutteloos weet (musicalfilms met een happy end, Louis de Funès).

Ik had nooit gehoord van H.P.G. de Wringer, uitverkorene van het taalkundig genie. Daar sta je dan als zogenaamde kenner, met een luiheid van hier tot de kosmos (enige troost is dat een bekwamer lezer, van het conservatorium der wetenschap dat universiteit heet, in een studie onlangs over Pierre van Vollenhoven schreef: ‘of hij nog leeft is online niet te achterhalen’).

Toch valt niet te ontkennen dat onze dochter op dit vlak uit een geprivilegieerd gezin komt. Zowel de mama als de papa heeft kasten met dichtbundels. Navraag leerde dat dit voordeel voor haar een nadeel was geweest, omdat ze snel iets nodig had. Dus had ze uit de bloemlezingen een exemplaar genomen dat zonder bukken of verschuiven grijpbaar was. Vervolgens begon ze de inhoudsopgave van achter na voren af te grazen. En voilà, meteen prijs:

 

Weemoedig

 

Weemoedig om wat eenmaal werd verloren,

Verlangend naar wat nooit geweten werd,

Vind ik mijn weg door struikgewas versperd,

Moet ik noodzaak’lijk eenzaamheid behoren.

 

Ik heb je veel en onnadenkend lief

Gehad en nog gaan steeds in somb’re dagen

Naar jou gedachten onderweg vervagen

En keert je beeld zich lachend en naïef.

 

Ben ik als monster of als mens geboren?

Want voor mij vluchtend als een schuchter hert

Gaat iedere liefde in een waas verloren.

 

Het heeft mij stil doen zijn en diep gegriefd.

Toch wil ‘k mij ditmaal niet voor jou verlagen,

Daar ik mij pas uit dood’lijk leed verhief.

 

Dit is leuk. Inspirerend inderdaad? Mijn rode potloodje drukte zich nog niet zelf in mijn handen. Maar is dat ding van een redacteur, zoals ik gemakshalve aanneem, en bijvoorbeeld niet van een dominee?

Ik betrap me op meer uitvluchten. Dat de naam De Wringer mij helemaal niets zegt, kan erop duiden dat hij verzonnen is en eventueel opgetuigd met een fictief leven (1924-1987)! Rijmt met het imago van de dienstdoende bloemlezer, Ilja Leonard Pfeijffer, en zou diens eigen producten langs de weg van de mythe doorsluizen.

Quod non.

Wel blijf ik zitten met de vraag, hoe deze zin te moeten lezen: ‘en nog gaan steeds in somb’re dagen / Naar jou gedachten onderweg vervagen’. Moet ik een komma denken na gedachten, en geven de twee woorden daarna een koddig voornemen? Of zie ik hier werkelijk al de eenentwintigste-eeuwse constructie met gaan als modaal werkwoord dat, de toekomende tijd uitdrukkend, zullen vervangt (zoals in Vlaanderen langer gebruikelijk)?

donderdag 19 mei 2022

Refuse to change


 






Verklarende lijsten met Amerikaans-Engelse kernbegrippen bij racisme beginnen vertrouwd te raken. In boeken en omstandiger artikelen staan ze achterin bij een bibliografie en de noten. Aan de intense problematiek geven ze zo iets onweerlegbaars, voorbij een richtingaanwijzer voor verdere studie of onverplicht geuren met woorden – eerst erkennen dat er iets grondig fout zit en dan begint de strijd voor het goede pas, ver voorbij de taal.

Dat besefte ik eens te meer na Witte suprematie & ik, de in 2021 verschenen vertaling van Layla F. Saads doeboek Me and White Supremacy (2020). Eén woord in het bijzonder sterkte me in het idee dat deze taalpresentatie meer biedt dan uitleg alleen. Dat was ‘tokenisme’, met deze definitie: ‘het maken van een loos of symbolisch gebaar voor een bepaalde zaak, in het bijzonder door een klein aantal mensen van ondervertegenwoordigde groepen aan te nemen
om de indruk te wekken dat er sprake is van seksuele of raciale gelijkheid op de werkvloer’.

Mij triggerde dat de uitleg zelf tussen aanhalingstekens staat omdat het een citaat heet uit de Oxford English Dictionary die toch echt niet in het Nederlands is opgesteld. Ook is er een eindnoot (56) aan toegevoegd die het trefwoord in die bron herhaalt. Net als in Saads eigen, Engelstalige presentatie van ‘tokenism’ houdt het dan nog niet op. Haar originele tekst bevatte reeds een eindnoot (36) met precies dezelfde verantwoording, die eerste keer zelfs met datum van raadpleging in 2019.

Omdat het Nederlands die garantie herhaalt, gaat de bodem onder de noot open en sticht een fijne ontologische verwarring. De vertalers Koen Boelens en Helen Zwaan hebben toen immers niet de Oxford English Dictionary bezocht terwijl ze wel de verantwoordende bekentenis toevoegen bij dit woord, anders dan Saad, te hebben gebruikgemaakt van Van Dale. Het betreft dan het Engels-Nederlandse woordenboek:

 

to·ken·ism (niet-telbaar zelfstandig naamwoord) (politiek)

het maken van een loos/symbolisch gebaar (in het bijzonder om pressiegroep te sussen)

 

Wie ter plekke meer wil weten, kan door naar token, waarvan de zevende en laatste betekenis luidt: ‘symbolische medewerker/werknemer (in het bijzonder om indruk van discriminatie te vermijden)’.

In de Nederlands-Nederlandse editie, De Dikke Van Dale, schittert dit allemaal nog door afwezigheid. Gelet op de exponentiële verbreiding van zulke begrippen, niet het minst in de spreektaal, lijkt het een kwestie van tijd voordat ‘tokenisme’ onderdak vindt. Het zal daar uiteraard een zelfstandig naamwoord zijn, maar het kent in Witte suprematie & ik al meer afgeleiden.

Gekleurde mensen blijken ‘tokens’, als ze worden misbruikt voor de schone schijn (een geregeld bij Saad opduikend synoniem voor zo’n voorwerpstatus is ‘fetisj’, en eenmaal schrijft ze over reductie tot ‘rekwisieten en symbolen’). Verder biedt de vertaling het substantief ‘vertokening’. Het staat gelijk aan exotisme, waarbij mensen uit culturen die bij gelegenheid interessant bevonden worden, als koloniale pronkstukken ontmenselijkt worden.

In de richting van een adjectief gaat het begrip ‘tokendocent van kleur’. Het ondergaat ten slotte in een reflectieopdracht een ware metamorfose tot werkwoord: ‘Hoe heb je BIPOC vertokend om te bewijzen dat jouw woorden, gedachten en handelen niet racistisch waren?’ Het origineel geeft hier tokenized.

 

Ik noemde Witte suprematie & ik een doeboek vanwege de aard: in een strak traject van 28 dagen, inclusief reflectieopdrachten en weekevaluaties, maant het lezers uit de huis- of studeerkamer om, zoals dat neoliberalistisch heet, aan de slag te gaan. Het wil lezers veranderen. Ooit startte het project als Instagram-challenge. In de boekversie oogt het als een half uitgeschreven PowerPoint, met vetjes en eindeloze bullets. Wie immersief of eudaimonisch wil lezen, komt van een koude kermis thuis. Om de haverklap stopt het verhaal en doceert de vertelster wat we moeten leren.

Het is even wennen dat zo’n tekst wordt uitgebracht door een literaire uitgever, maar verspreid over collega-bedrijven bestaat er in het Nederlands inmiddels een complete antiracismebibliotkeek, waar markt voor zal zijn bij bedrijven, onderwijsinstellingen en welwillende burgers. Nadrukkelijk noemt Saad haar tekst nochtans ‘geen zelfhulpboek’. Dat genre is haar te cultuurindustrieel, de in de titel aangesproken geprivilegieerden kunnen sowieso niet tippen aan haar biografie als ‘Oost-Afrikaanse, Arabische, Britse, Zwarte Moslima die opgroeide in het Westen en woont in het Midden-Oosten’– en bovenal zijn het gekleurden die moeten worden geholpen.

Argumentatief is de tekst grimmig. Saads grootste irritatie geldt witte feministen. Meermaals staat er dat ze ondervertegenwoordigd waren bij manifestaties van Black Lives Matter, terwijl ze massaal deelnamen aan Women’s Marches tegen Trump. Zo heeft Saad meteen een troef in handen voor de door haar bepleite intersectionaliteit. Dit identiteitspolitieke construct, door de Nederlandse uitgever gelinkt aan haar biografie die zich bevindt ‘op een uniek snijpunt van identiteiten’, beperkt zich immers niet tot geslacht. Toch laat Saad in haar kaarten kijken door aan te bevelen dat men BIPOC moet ‘centreren’. Binnen het spectrum van geschoffeerde mensen kunnen bepaalde groepen toch geen voorrang krijgen?