dinsdag 27 februari 2024

‘En ik ben nieuwsgierig’


 

 

In Pleidooi voor pulp (2022) memoreert Kees ’t Hart dat hij, in Amsterdam, Nederlandse taal- en letterkunde volgde van 1968 tot 1975. Nog kort voor de mythe van de eeuwige student maar naar hedendaagse begrippen een lange zit; geboren in juli 1944 trad hij sowieso op relatief rijpe leeftijd toe tot academische kringen. En als ’T Hart meteen een herinnering ophaalt dat hij een werkgroep had bij Ton Anbeek, dan was die docent twee maanden jonger dan hij.

Andere tijden! Pleidooi voor pulp vergt voor mij sowieso acrobatiek in het begripsvermogen. Centrale stelling is dat zogeheten lectuur (Bouquetreeks, ‘damesroman’, kitsch) bloot blijft staan aan blinde verwerping door een goegemeente, die vooringenomen en minachtend niet eens kennisneemt van wat onkwalitatief bij voorbaat buiten ‘de canon’ valt, door toedoen dus van een veilige positie als ‘helicopterpiloot’.

Blijkbaar leef ik met mijn hoogtevrees in een ander universum. Een kenmerk van recentere literatuur blijft voor mij namelijk dat ze in haar affectieve bekentenisneiging is gaan lijken op lectuur, dat stijl van geen tel is én dat er geen literaire kritiek bestaat. Nergens levert ’T Hart dan ook maar één bewijzende quote voor zijn repetitieve klacht, die zich uitstrekt tot heden.

De Anbeek-werkgroep verhief zich niet, bevestigde ’T Hart in een interview. Als kwaaie pier fungeert wel Peter Burger anno 1992 in Onze Taal, maar deze is bij mijn weten geen hardcore letterkundige en zijn podium is geen literair blad. Verder weg in de geschiedenis richt ’T Hart zijn pijlen op de Nijmeegse doctoraalscriptie Massaliteratuur (1974) van Jos Gielen en andere studenten, die pulp ontmaskerden als ‘kapitalistische propaganda’.

Hoewel ’T Hart beweert dat je zoiets niet vaak meer leest, bekritiseert hij verderop in Pleidooi voor pulp ‘nog altijd’ rondzingende ‘betweterige en bestraffende commentaren op lezers in feministisch (en marxistisch) georiënteerde beschouwingen’. Dit standpunt, dat afrekent met zijn Amsterdamse neerlandistiekopleiding, huldigt hij al wat langer.

 

Emotionaliteit

Pleidooi voor pulp blijkt een boek op aanvraag. ’T Hart publiceerde in de winter van 2021 het artikel ‘De Pulpclub’, waarin zijn redactrice materiaal zag voor iets omvattenders. Geen ongebruikelijke procedure. Rasit Elibol, collega-publicist van ’T Hart bij De Groene Amsterdammer, heeft onlangs uitgelegd hoe uitgeverijen dergelijke cumulaties opzetten. Het rare is hier alleen dat het project al aan de buitenkant twee richtingen op gaat.

Met de belettering op het voorplat gaan uitgever en titel mee in het pulpidee – een schreefrijke en kitscherige cursief is hun deel. De schrijver behoudt echter de gangbare schreefloze presentatie in romein die gehandhaafd blijft op de verklarende achterflaptekst, inclusief een schrijversaanprijzing op basis van oude institutionele bronnen: literaire prijzen en nominaties. Op die plek wordt loodrecht de kitscherige letter evenzeer ingezet, als selling point annex maatschappelijke motivatie achter het pleidooi: ‘Een wapen tegen de ontlezing’.

’T Harts cruciale bron, die hij ook aanbeveelt aan wetenschappers, is de ‘fantastische site’ Goodreads, ‘een goudmijn’. Maar zelfs ik, digibeet, ken die meningenplek al jaren, en ik kan me niet voorstellen dat literatuursociologen al geen onderzoek naar ‘de echte discussies’ van onopgeleide lezers aldaar verrichten. Ook meent ’T Hart dat Pleidooi voor pulp ‘startmateriaal voor heel wat proefschriften’ bevat. Het boekje eindigt met een prachtige lijst verlangwoorden die hij samenstelde met zijn lectuurgevoelige dochter Jetje, aan wie het geheel is opgedragen.

Zelf interesseren hem amper nog academische letterkundige studies omdat ze, afgeschermd van de wereld, een cirkel van eigenbelang zouden beschrijven door poëtica’s en ideologieën te legitimeren. Hij bekent dat hij gaande de jaren als recensent meer oog voor ‘emotionaliteit’ heeft gekregen. Maf is dan dat hij in De Groene Amsterdammer bij mijn weten nooit een pulpboek heeft besproken. Door veto’s van de redactie?

Nog maffer vind ik dat ’T Hart zijn anti-elitaire signalementen doorspekt met autoriteiten uit hoge cultuur. In pulp ziet hij parallellen met ideeën van ‘theoloog Rudolf Otto’, van ‘psycholoog William James’, van ‘filosoof Stanley Cavell’, van Robert Graves, Carlo Ginzburg, James Frazer,… Het heeft voor mij ook iets opgelegds te moeten weten dat enthousiaste boekaankopen worden gedaan ‘bij Albert Heijn’. En dat net als ’T Hart bijvoorbeeld ‘Goodreads-lezers meestal een hekel hebben aan kouwegrondgepsychologiseer’.

Alsof ’T Hart telkens cultureel kapitaal uit zijn voordeur smijt dat in een ander pakpapiertje langs de achterdeur naar binnen mag. Zichzelf acht hij in elk geval de uitgelezen kandidaat voor dit pleidooi. Hij is kenner van literatuur- én van lectuurwerelden ‘en ik ben nieuwsgierig’. Naar gewoonte haalt hij zichzelf (en zijn betoog?) verderop onderuit door zijn decennia getrainde begaafdheid in diep lezen te relativeren: ’Ik ben en blijf dezelfde dromerige eikel die ik toch al was.’

zaterdag 17 februari 2024

Rijkelijk en kosteloos als de regen uit de lucht

 

 

 

 

‘Mind the gap’. Zou zonder die beleefde waarschuwing, uit welke luidspreker ook, Londen Londen wel zijn? Later zouden we in het fraaie maar teleurstellende Design Museum een ontwerper horen betogen dat metrogangen onmogelijk vallen te verbreden maar illusies wel. In nieuwe metrostellen, met andere bollingen, plafondlichten, glassoorten: alles kan helpen.

De gourmande vroeg wat ‘Mind the gap’ betekende. Ik zei een spleetje tussen de voortanden, een antwoord dat haar terecht niet bevredigde maar dat wel waar is. En toen ze hoorde waarnaar de waarschuwing verwees begreep ze er nog minder van. Zo’n muizeneindje? Op Belgische perrons kun je vanuit de trein bij gelegenheid een meter springen.

Maar wat zou je daar dan voor taal moeten horen? Een drieslag? In de ontbijtzaal had het opschrift Babel kunnen verhelderen, al leken de meesten te worden verenigd door Spaans. Kinderstemmen klonken het schelst. En daarvan waren er nogal wat. Waar hun ouders? Beginnende pubers droegen baby’s op de heup.

*

Alsof in de lobby een veldslag plaatsvindt terwijl je doodgemoedereerd je eigen besogne weegt. Al tijdens het ontbijt nemen restanten de ruimte in bezit. Croissants, sausages, muffins,… De ethische bourgeois in mij weet best te zijn opgegroeid met andere beelden. Misschien hadden de collega-gasten hun caloriegetal van de dag bereikt, discreet vermeld bij elk afzonderlijk etenswaartje.

Mijn ongemak zwelt verder omdat al het bedienend personeel ouder en zwart is. Onlangs werd ik op school nog voor een student gehouden, dus draag ik monter met het team borden en kopjes weg naar een rolkarretje, de neiging onderdrukkend die echt werkende mensen te bemoedigen en te bedanken, maar ja, te veel gelezen over koloniale residuen en witte dinges.

Bovendien mogen we aan de dag beginnen. Ter plekke blijken de opschriften ‘vintage’ en ‘retro’ aan te zuigen. Ze stammen uit hetzelfde register als ‘organic’ en ‘local’ en papa blijft natuurlijk buiten. Op zo’n winkeldeur ziet hij een sticker met groene ronde rand, waarbinnen een gelijkende afbeelding en waarbuiten de woorden ‘dogs allowed’. Elders een spandoek met Shopping is cheaper than therapy.

*

Misschien moeten we het Victoria & Albert Museum zelf als object opvatten. Het immense gebouw en de vele collecties zijn te bloemlezerig om iets anders te vertegenwoordigen dan rijkdom die verveling bestrijdt. Ook binnen een afdeling ontwaar ik amper een idee. Accumulatie tot je neerzijgt!

De sectie Fotografie blijkt bovendien recent. Maar ik ben blij weer een paar middleclasskennishiaten te hebben gevuld, hongerig zelfs. Mij beviel het weerzien met Dorothea Lange, haar ontluisterende snapshots uit de jaren dertig, over wat The American Dream inhield. Doorgaan nu.

Een van de vele binnenruimtes, open tot aan het dak, staat vol met zuilen en beeldhouwwerken. Het taalkundig genie roept dat ze de David van Michelangelo ziet. Onmogelijk, tenzij mama en papa in Florence een trip beleefden. Zelfs de rijksten moeten soms genoegen nemen met een kopie.

*

Deze krokusvakantie lees ik buiten verplichting de e-boekversie van Gezel in marmer. Dit is Anjet Daanjes zevende roman, oorspronkelijk door de Amsterdamse uitgeverij Thomas Rap in 2006 op de markt gebracht. Centraal staat de verhouding tussen de succesvolle niet-scheppende beeldhouwer Marin en steenhouwer Nan, de onbekende, ambachtelijk virtuoze maakster van haar beelden.

Daaromheen is het nodige te doen, maar dat is satellietenwerk. Alles draait in dit omvangrijke boek om Nan, een maan die spiegelt tot in haar naam. Lang voordat het begrip ‘toe-eigening’ uit de VS (appropriation) aanwaaide, speelde het bij Daanje een aanschouwelijke rol. Zonder Nan zou Marin niet bestaan, en vice versa?

De feitelijke maakster (artigiano) stroomt over van goedheid en integriteit. Ze is dankbaar. Gaande de digitale pagina’s kreeg ik de aanvechting haar toe te schreeuwen. Nan doet alles voor anderen. Zoals voor haar man Gösta, die eigenlijk Guus heet, een wauwelende, van zichzelf vervulde artiest van wie ze na zijn zoveelste bedrog scheidt en voor wie ze blijft zorgen.

Ook laat Nan haar genegenheid voor haar bekwame, toegewijde leerling Rodin nooit tot over de rand van het glas vloeien. Hij fopt haar met de beste bedoelingen zonder dat zijn ontmaskeringtournure tegen Marin begint. Vervolgens laat hij zijn meesteres vallen, net als andere vakgenoten met een gebrek aan solidariteit en originaliteit en die een talent hebben voor volgzaamheid en netwerken.

In zekere zin toont Rodin zich geslaagd in Nans missie: na zijn leertijd heeft zij zijn status van gezel omgezet tot meester. Hij kan zijn eigen weg gaan, en doet dat dus. Ook Marin, die haar wel tien oren heeft aangenaaid, profiteert van deze goedgelovigheid. Nan voelt zich haar ‘metgezel’ en bezwijkt ten slotte aan zichzelf, menend haar idealen te hebben verraden.

Volgens de flap is het boek mede gewijd aan misverstanden, en inderdaad eindigen de uitgesponnen verhaalverwikkelingen in een toestand die zou kunnen zijn uitgestippeld door W.F. Hermans. Een ondraaglijke verwisseling van bedriegers en bedrogenen. Hoe opmerkelijk trouwens dat Daanje Gezel in marmer destijds kon schrijven dankzij een werkbeurs van het Vlaams Fonds voor de Letteren.

woensdag 7 februari 2024

Tot de doden

 

 


 

Precies vijftien jaar geleden verscheen hier mijn eerste blogstukje – dat bijna ongeschonden in Onze Nietzsche zou landen. Die dichtbundel heette met recht bij verschijning mijn laatste in het genre en is inmiddels met evenveel recht door de werkelijkheid achterhaald. Uiteraard is er geen fragment nodig om te beseffen dat alles altijd anders loopt dan vermoed.

De Honingpot begon als noodsprong. Ik was opgelaten. De blog wou zich publiek verantwoorden aan medeburgers, indien geïnteresseerd, voor een werkbeurs die naar mijn idee gigantisch was. Mij was die toegekend om een papieren experiment naar aanleiding van koffie te doen. Dat kwam er, maar wel na een zwangerschap die dermate afwijkend verliep dat ik tussendoor Onze Nietzsche voltooide.

Het feit dat ik jubilea blijkbaar aangrijp om terug te kijken (bij vijf jaar, en ook bij tien jaar) wijst me erop dat verantwoording afleggen of rekenschap geven onder mijn huid zit. Ik zou toch niet gelovig zijn? Onweerlegbaar dunkt me dat de toon op dit blog grumpy kan zijn. Ik wil op De Honingpot toch ook een beetje kritiek bedrijven, dan maar bij wijze van bijdrage aan de literaire maatschappij.

 

Standaardvagevuur

Vaak willen mijn stukjes de markt corrigeren, waarop het klassieke gezegde ‘Wie schrijft die blijft’ geen vat heeft. Bejubelde boeken, wel heel erg vaak aan interviews onderworpen auteurs – ik vrees dat zij meer risico lopen aan mijn betweterij ten prooi te vallen dan marginaal werk waarvoor De Honingpot juist aandacht vraagt. Die tweevoudige correctie valt desgewenst te verklaren uit mijn karakter en gebrek aan succes, maar beide doen niets af aan een hardnekkig verlangen naar herschikking op basis van ‘kwaliteit’ en rechtvaardigheid.

Dat gebeurt in postings, vaak over poëzie, die naar de aard van het medium kort zijn. Te kort wellicht voor serieuze kritiek. Maar ik lever ze toch, koppig en mogelijk achterhaald. Het wil er bij mij gewoon niet in dat moorden, meedeinen of zwijgen ‘constructiever’ zijn. Stel ik nu, op het web. In Democratie vraagt om religie poneert Hartmut Rosa echter dat op internet een agressiemodus heerst waarbij andersdenkenden domweg hun bek moeten houden.

Hij bepleit – door religie geïnspireerde – openstelling, ‘resonantie’ die ‘het gesprek aangaat’ en meer van zulke clichés. Maar soms is dat onnodig (een digital native vertolkte mijn gewaarwording dat de vernieuwde elektronische woordenlijst geen vooruitgang is). Bovenal bestaat er een tussenruimte waarin verschil intersubjectief tot bloei kan komen. Maar ik erken dat me gaande de Honingpot-jaren duister is geworden wat ‘respectvol’ betekent.

In die overtuiging handel ik anders dan een dierbaar iemand die tijdens dit blogexperiment overleed en hier geregeld herdacht is: Hans Groenewegen. Of dan wat Dirk De Geest, minder persoonlijk, doet voor Mappalibri. Hun schijnbaar neutrale opstelling wil het voortbestaan van een kwetsbaar genre als poëzie niet in het geding brengen en veeleer zoveel mogelijk positieve punten aan een bundel noemen.

Die expliciete lof proef ik eveneens bij vakgenoten die zich door collega-site Neerlandistiek bewegen en bovenal, net als ik, door een dubbelzinnige financiering: iedere student, zelfs iemand wie, zoals dat gebeurt, een opleiding niet past, is een bron van inkomsten – behoud en aanwas worden cruciaal voor het eigen voortbestaan. Het lukt me niet deze realiteit te ontkennen in teksten waarmee vakgenoten over hun lespraktijk berichten. Ze ontwaren uitsluitend positieve punten.

Hun positiviteit neigt voor mij naar evangelische zalving, wanneer bekende literaire namen hen in katzwijm doen vallen en studenten Mozarts blijken. Ik krijg daar altijd een paar rillingen bij. Is dat puberaal? Lof kan nog meer vormen aannemen. Voor in standaardvagevuur vertoevende oeuvres die plots alsnog nominaties en prijzen krijgen en dan meteen in collegezalen belicht worden. Voor vakgenoten die het Nederlands zo goed beheersen dat ze ‘eminent’ heten.

Misschien valt die houding nog het best te vergelijken met een Facebook-duimpje. Het kost geen enkele inspanning, en het is altijd enthousiasmerend, motiverend, aardig. Misschien moet ik me ook afvragen of hier mijn kritiekoprispingen niet misplaatst zijn. Neerlandistiek heeft me in de blogroll opgenomen en neemt soms stukjes over. Minstens doet die eer me beseffen hoe De Honingpot zelf veranderd is.

Pas door overname krijg ik de indruk dat die teksten worden gelezen. Er komen soms zelfs comments bij, terwijl de laatste jaren mijn eigen blog volgens de statistieken bijna uitsluitend nog wordt bezocht door mensen uit Rusland, Frankrijk en de Verenigde Staten. Door machines dus. Soms krijg ik bij gesprekken de vraag of ik nog wel eens wat voor mijn blog doe. Glazige blikken en grijnslachjes wisselen elkaar dan af. Van twee mensen weet ik zeker dat ze De Honingpot volgen.

Dat zijn beschamende, allicht kokette bekentenissen. Maar mij houden ze aan de praat. De recentste keer dat ik Groenewegen herdacht leidde overname door Neerlandistiek tot enig sociaalmediaal verkeer waaruit ik het volgende copy-pastewaardig acht: ‘Auteur verbeeldt zich al niet meer dat er nog iemand geïnteresseerd is en wendt zich maar tot de doden.’ Misschien ben ik te ambitieus en te weinig doordrongen van mijn beperkingen, maar Orpheus deed toch niet anders?

dinsdag 30 januari 2024

Vrijwillig te laten binnengaan

 

 

 

Blij maakt me Antimetrieën. In dat boek heeft Jan Kuijper teksten over poëzie verzameld en toont hij de stiel. Hij kan heel vanzelfsprekend schrijven over techniek, zodat ‘metrum’, ‘versvoet’ en al die termen geen middeleeuws Kerklatijn worden. Aan apostroffen bij Dèr Mouw wijdt Kuijper vijf spannende bladzijden, die ook nog eens slim en onverstoorbaar zijn.

In hem vallen redacteur en dichter samen. Ze hebben poëzie ervaren, maar de uitgeverijmedewerker moest er tegelijk ook over spreken en kunnen vergelijken. Dat lijkt een stapje verder dan ‘verslag doen van binnenuit’. Details dienen zogezegd intersubjectief open komen te liggen. Over luttele regels kan Kuijper dermate geconcentreerd vertellen, dat hij voor niet-ingewijden verstrooid oogt. Hopelijk reikhalzen ze naar het behandelde gedicht dat In Antimetrieën pas na de analyse integraal wordt geciteerd.

Ik ben niet helemaal correct. Het boek gaat over meer dan poëzie alleen. Antimetrieën bevat ook portretten en in memoriams, en denkt bijvoorbeeld hardop na over lotsbestemming. Verder geeft Kuijper er slechts een selectie uit zijn teksten. Hij verantwoordt ironisch zijn grootse scoop (1974) over thrillerproza van Willem Frederik Hermans niet te hebben gebundeld, plus vele flapteksten – een in het genre ook wel erkend object voor studenten die redacteur ambiëren te worden.

Maar poëzie is in Antimetrieën de core business. Voor zover er een lijn door deze teksten loopt, vaak op aanvraag geschreven of uitgesproken, lijkt dat vernieuwing. De overkoepelende titel is dan ook een technische foef die ingaat tegen een regel, een traditie. Alleen al omdat Kuijper die term in het meervoud plaatst, wordt duidelijk dat zo’n breuk op diverse manieren kan worden geforceerd. Dé antimetrie, die garantie biedt op ik-weet-niet-wat, bestaat niet.

 

Vroegere zelf

Zijn teksten, waarvan de oudste dit jaar vijftig wordt, herschreef Kuijper niet. Wel laat hij ze soms volgen door iets ultrakorts dat hij ‘PS’ noemt. Geen ampele brieven aan huidige lezers dus, wel indicaties. Het langste stuk uit Antimetrieën stamt uit 1986 en betreft Noord-Nederlandse poëzie tussen 1970 en 1985, en inmiddels frappeert het Kuijper dat hij op één na (de geweldige Lela Zečković) geen vrouwen noemde.

Eigenlijk past die omissie bij een idee dat meermaals in dit boek opduikt, van besef dat per saldo achteraf opdoemt. Dat hoort natuurlijk bij het redacteursvak, dat ook een beetje afhangt van gokken, zo beredeneerd mogelijk. Maar de dichter Kuijper vindt evenzeer baat bij voortschrijdend inzicht – een toevallig rijm, toont hij, kan de loop van een gedicht veranderen en nopen tot herschrijving.

De afwezige dichteressen wijt Kuijper aan zijn ‘vroegere zelf’, met drie puntjes, zodat hij actuele rechtzettingen over paradigma’s en systemen omzeilt. Ook vraag ik me af wie hij nu voor die periode had genoemd. Gertrude Starink, vermoed ik, maar verder? Het komt alvast mooi uit dat Antimetrieën door de chronologische opzet eindigt met een korte analyse van een Rozalie Hirs-gedicht, zodat het boek niet alleen de vergetelheid goedmaakt maar ook een voorschot op de toekomst waagt.

Een miniem stuk naar aanleiding van Botho Stra en een relletje van bijna dertig jaar geleden, tot aan Theo van Gogh toe, zou dan weer echt een uitgebreid PS verdienen, met historische duiding. Maar die wijsheid achteraf staat Kuijper zich niet toe. Misschien wil hij dit boek authentiek laten en het moet gezegd dat zelfs deze miniatuur kiemen in zich draagt voor verklaring, interpretatie en debat. Het schetsmatige van het boek als geheel heeft voordelen.

Zelf noemt Kuijper zijn teksten ‘opstellen’. Dat klinkt bescheiden, maar misschien verwijst de term vooral naar het gelegenheidskarakter. De vroegste opstellen maken we immers op vraag van de juf of de meester (de volwassen versie is misschien wel een ‘causerie’, een term die eenmaal in een PS valt). En een redacteur leidt een druk bestaan, getuigt Kuijper in Antimetrieën, zodat er naast verzoeknummers die al interessant genoeg kunnen zijn, weinig plaats is voor structurele studie.

Met dat woord ‘studie’ dreig ik Kuijper opnieuw incorrect voor te stellen. Zelfs zijn kortste opstellen getuigen van een enorme belezenheid – studie is voorafgegaan aan de tekst, die louter het gewenste zoeklicht kan projecteren. Daarom lijkt me de term opstel adequaat en historisch verantwoord. Bijvoorbeeld de eerste boeken van Kees Fens, over wie Antimetrieën een in memoriam herbergt, droegen die genreterm.

 

Routine

De drukte van het redacteursbestaan toont Kuijper in een terugblik op een andere mastodont uit de laaglandse letteren, Reinold Kuipers. Deze neemt de neerlandicus-in-opleiding aan bij Querido en intimideert hem met, letterlijk, stapels werk. Al snel moet de student het idee laten varen in de avonduren zijn wetenschappelijke opleiding te voltooien. Kuijper bekent schitterend dat hij in al de jaren daarna ‘geen enkele vorm van routine’ heeft kunnen ontwikkelen.

Mij trof die passage ook omdat ik onlangs dagboekfragmenten las waarin Cees Nooteboom aan de andere kant van het touw trekt, als auteur die commentaar wil op een versie: ‘Oncomfortabel, men heeft altijd medelijden met degenen die je kwetsen, en die, ondanks de nabijheid, niet weten wat het is om iets gemaakt te hebben of die door een ander gebrek zich niet kunnen uiten, zelfs niet als ze weten dat je erop wacht.’

Tussen die posities bestaat er allicht iets als de dagelijkse werkelijkheid waarin een redacteur moet voldoen aan tientallen van die verlangens. Antimetrieën doet daar niet moeilijk over, ademt veeleer gelukzaligheid over het voorrecht om tekstueel zo dicht op auteurs te zitten. Ik weet niet in hoeverre Kuijper valt te situeren in een generatie die dergelijke arbeid, waarvan zijn opstellen een verlengde zijn, in relatieve rust kon verrichten, nu de macht van de representatie zo absurd groot is geworden.

Wel onderstreept Antimetrieën dat hij een fondsredacteur was met een echt profiel (technisch-ideologisch). Querido-poëzie tussen pakweg 1975 en 2010 was simpelweg Kuijpers poëzie. Door het altijd wonderlijke toeval van het doorklikken bleek me onlangs dat zijn huidige opvolger deze baan tegelijk voor De Arbeiderspers vervult. Ooit had dat ondenkbaar geleken, sowieso poëticaal. Nu is het logisch en gewoon kostenbesparend.

dinsdag 23 januari 2024

Op zoek naar de uitgang

 

 

Ziezo, het jaarlijkse ritueel achter de rug: het corrigeren en, zoals dat heet, quoteren van papers voor Taalvaardigheden. Dat is het belangrijkste vak dat ik ooit heb gegeven, maar geeft nogal veel werk voor een gepatenteerde luiwammes als ik. Dat ik er toch mijn best voor blijf doen komt, uiteraard, door het grote sociaaleconomische onrecht dat aan Taalvaardigheden kleeft.

Steevast krijg ik bij deze sessies bezoek van de firma Reikhalzing & Afgrijzen. Het is zo geweldig om te zien dat sommige twintigjarigen soepel en inventief schrijven en er zelfs lol in lijken te hebben. Vele anderen maken er een potje van. Niet uit demonstratieve onverschilligheid, zoals de tussenstand lijkt in het debat over de stijl van Lale Gül. Wel, vrees ik, uit een deerniswekkend onvermogen.

Nu hebben we sinds een jaar of iets een heilbrenger die deze nood lenigt. ChatGPT is misschien al bijna beroemder dan Jezus en heeft ongetwijfeld vele, zo mogelijk nog begaafder familieleden uit de AI-business, gesteund door brigades die weten wat ‘competentie’ betekent en ‘inclusiviteit’ en ‘goede praktijken’ en ‘uitdaging’ en meer van dat zalmroze.

Ook is de verleiding groot om naar oorzaken van gelijktijdig optredende begaafdheid en onmacht te zoeken, maar dat heb ik al vaak gedaan. Bovendien zou het leugenachtig van me zijn te stellen dat ik door mijn gespleten sensatie bij de papers werd verrast. Twee andere feitelijkheden lapten me dit wel tijdens de beoordelingssessies, waar ik nochtans de schoolmeester mocht uithangen.

Vorig weekend kwam Thierry Baudet in het nieuws toen hij een Vlaamse afdeling ten doop hield van Forum voor Democratie. Mij verbaasde niet dat hij daar voorzitter van was, wel dat hij in Nederland en Vlaanderen één pot nat proefde. Ik ervaar al twintig jaar (narcistische?) verschillen, in de papers onderstreept door ‘gaan’ dat als hulpwerkwoord van de toekomende tijd ‘zullen’ wegvaagde.

Harder ‘kwam binnen’ een opinie van Marc van Oostendorp, voor een groot deel bijgevallen door Guy Tops, dat spelling er niet toe doet. Hun overtuiging dat goed of slecht spellen geen moreel oordeel inhoudt, deel ik dermate hartgrondig dat ik haar meer dan eens uitspreek. Maar dat de buitenkant van geschreven taal voor geen enkele gebruiker belang heeft?

dinsdag 9 januari 2024

Dus wees maar zoet




 

Tot mijn vele onbekende gebiedsdelen behoort het oeuvre van Annie M.G. Schmidt. Vreemd, zo’n paradijselijk geliefde auteur! Virtuoos lijkt me die omissie evenzeer. Ik durf te beweren dat ik als kind best veel heb gelezen en van de bieb geleend. En De spin Sebastiaan stond gewoon thuis in de kast; die ABC-pocket heb ik zelfs, schandelijk voorzien van mijn eigen naam, meegesmokkeld en zou ik nog altijd onverwijld kunnen raadplegen.

Als vader heb ik wel voorgedragen uit Het beertje Pippeloentje, een cadeau, maar niet vaak en er staat me geen zin uit bij. Des te gênanter wordt dan het besef dat ik tegenover studenten oreer over een traditionalistische ‘Piet Pluimers-poëtica’ en ‘Jip-en-janneketaal’, vernoemd naar personages uit dit werk. Ik vrees ook weinig over Schmidt te hebben gelezen. Dat ze ‘altijd acht gebleven’ is, daar houdt het al zo’n beetje op.

Tot ik in de bibliotheek stuitte op zo’n sjoelschijf van het uitgeefwezen, klein en dun en met harde kaft. Het was een bloemlezing en heette Voeden, verschonen en in de wieg mikken en verscheen in 2009. De ironisch nuchtere titel verwijst naar het thema: het opvoeden van kinderen. En het prettige is dat er zowel columns (door de auteur altijd bescheiden gereduceerd tot ‘stukjes’) als gedichten in staan.

 

Een lel

Zal laatstgenoemd genre à la Schmidt voor velen gesneden koek zijn, ook daarin schiet mijn kennis tekort. De achterflap rept van ‘haar beroemde dichtregel “en als ze kwaad zijn, zeg ik: Bil!”’, die een slot blijkt van een poëem dat op muziek gezet werd voor de jeugd. Maar mijn naam is weer eens haas. Wel bekruipt me na eerste kennisname van het geheel de sensatie dat die gedichten, in de inhoudsopgave Liedjes geheten, volledig samenvatten wat de columns in meer woorden poneren.

Een coupletje dan maar:

 

Ik raak zo in de war, weet u wel

De ene zegt: kom geef dat kind een lel

De ander zegt: geef ’m een zoen

Je weet niet meer wat je moet doen

Maar iedereen zegt altijd: wees voorzichtig

Want het psychische is zooooo gewichtig

 

De ik-figuur bekent het spoor bijster te zijn over correct opvoeden. De reden van die verwarring ligt elders, bij adviezen. In de columns komen ze uit boeken, in dit gedicht uit mondelinge raadgevingen. Toch heerst er onbekommerdheid, alsof chaos altijd nog te prefereren is. Het gedicht port lezers tot een onderonsje aan, door een aanspreking, een overhalen tot identificatie van ‘ik’ naar ‘je’ en natuurlijk door al die o’s in de slotregel.

Enerzijds bedelt die spelling om een lach, anderzijds ontdoet ze zich van pretentie. Afzetpunt is dan ‘het psychische’ dat in de columns soms namen krijgt van studieuze auteurs. Zoals ‘mevrouw Ribble’, die in 1948 het boek De rechten van de zuigeling publiceerde. Fijn detail in het couplet vind ik het mannelijke ‘’m’ dat in zijn verwijzing naar het onzijdige ‘kind’ authentiek klinkt (omdat Schmidts eigen kind een jongen was, geboren in 1952?).

Het ‘psychische’ suggereert gelaagdheid, allicht diepzinnigheid die Schmidt ontmaskert of minstens pareert met onverstoorbaar dagelijkse ervaring. Pedagogie ondergaat hetzelfde lot. Theorie verruilt Schmidt gretig voor improvisatie en praktijk, waarin het vooral een beetje vooruit moet gaan en leefbaar blijven. En bij voorkeur gevrijwaard van onwerkbare nuanceringen tot in de zoveelste graad, verstrekt door meneren die toch niets beters te doen hebben in Nederland:

 

En alle dingen hebben hier twee kanten

en alle teddyberen zijn hier dood.

En boze stukken staan in boze kranten

en dat doen boze mannen voor hun brood.

 

Die kinderlijke nevenschikking pakt hier effectief uit want ze maakt autoriteiten beklagenswaardig en saai. Daarbij fungeren, opnieuw uit het dagelijks leven, teddyberen als lakmoes – in de hoofden van kinderen zijn ze immers nooit dood. In de columns krijgen zulke fantasieën ruim baan en hoeft het even niet vooruit te gaan. Iedereen blijkt ook over de gave van de verbeelding te beschikken, zelfs een brave man met collectebus, geconfronteerd met het woordje ‘buuste’.

Zelfs die spelling is programmatisch. Nooit revolutionair, veeleer gemoedelijk en aanstekelijk voor brede lagen van de bevolking die zich wel en niet aangesproken zullen voelen. Dat vind ik een kunst op zich, oneindig kietelen met de garantie dat zelfs astmatici er nooit van sterven. Voor ‘een toppunt van gezapigheid’ heeft Schmidt bijvoorbeeld midden in een column de schitterend lullige metafoor ‘breisteekgevoel’.

zondag 31 december 2023

Om assonanties

 

 

 

 

Stop met terugkijken! Bijna een maand naar de Filistijnen met lijstjes van niet geheel onverwachte namen. Maar toch, de veelvuldige lof voor Luister van Sacha Bronwasser doet me besluiten die roman zelf te lezen. Bijna grimmig begin ik eraan, aan mij ontsnappen al aanmerkingen terwijl ik me vermaak. En doorlees en doorlees.

Een Parijs-boek, waarvan de kiem ligt in Bronwassers verblijf anno 1989, als prille twintiger, de vormende tijd. Ook haar stonden bij het schrijven in eerste instantie toenmalige aanslagen niet meer bij. Het decor doet vertrouwder aan dan wanneer personages hadden rondgelopen door Amsterdam, dé plaats van handeling in Nederlandse literatuur.

Was in Nootebooms roman Rituelen herinnering een hond die gaat liggen waar hij wil, in Luister vertegenwoordigt het dier angsten die buiten de supermarkt geduldig op je wachten. Klinkt even logisch en wonderbaarlijk.

Alleen het detail van de ‘headbone connected to the highbone’ enz, toegeschreven aan de destijds razend populaire of hippe serie The Singing Detective, kan ik niet thuisbrengen. Google brengt me de ‘Skeleton Dance’, maar dat is een instrumentaal kinderwerk uit de jaren twintig van Walt Disney. Dan maar de serie laten draaien en stuiten op ‘Dry Bones’.

De vijf delen van Luister schakelen telkens een werkelijkheidsniveau dieper, trekken een scherm weg, totdat je als lezer, die de ongemakkelijke intro over de aanslagen van Islamitische Staat achter zich dacht te hebben gelaten, voelt waar het op uitdraait en een hoop opstart.

Des te erger dat de gehaaide kunstenares in dit boek op de toppen van haar succes kennismaakt met een cultuurbegeleidster die zich voordoet als intieme vriendin. ‘Het spleetje tussen haar tanden geeft haar iets van een kind.’

Dus ja, het naturalistische scenario, waarvoor men zou moeten leren te berusten, wordt bewaarheid.

Opmerkelijk, Bronwassers boek verscheen bij Ambo-Anthos, dus niet bij een klassieke fictie-uitgeverij uit onze Parijse jaren.

 

 

*

Om assonanties heb ik altijd moeten lachen – de kitsch en het gemak! In zijn Duitsland 1923 schetst Volker Ullrich de tegenstelling tussen absurd rijk en arm echter zeer effectief door bij de getroffenen onder meer ‘stoephoeren’ te situeren. Minder had toch ‘straatprostituees’ overtuigd. Wel raadpleeg ik de vertaling, dus wat schreef Ullrich eigenlijk zelf? Volgens GoogleTranslate ‘Bürgersteig’, volgens DeepL ‘Straßenhure’ of ‘Pflasterer’.

Overigens meldt Ullrich ook dat een zekere Adolf Hitler anno mei (in Circus Krone) heeft verkondigd: ‘Duitse landgenoten, word wakker!’ De rodepotlodist in mij is geneigd achter de d van de imperatief een t toe te voegen, analoog aan de ideologische tegenpool: ‘Ontwaakt, verworpenen der aarde!’ En Hitlers vroege medewerker Rudolf Hess krijgt in Duitsland 1923 een ringel-s (Heß) aan zijn gat.

 

 

*

Aan het taalkundig genie, die een jaar voor haar eindexamen bij het vak Nederlands al opgezadeld wordt met de APA-stijl, deed ik All ‘n All van Earth, Wind & Fire cadeau. De elpee heb ik zelf en draai ik nooit, en de cd is nu voor haar. In niet-aflatende pogingen mijn kinderen te indoctrineren met wat in de uitgeverswereld ‘kwaliteit’ wordt genoemd en dat ik wil aanzien voor een breed spectrum.

Goede smaak is voor anderen. Ik weet nog hoe visceraal mijn afkeer was van Earth, Wind & Fire, conform de polarisatie van de jaren zeventig die ik had geïnternaliseerd: naar mijn stellige overtuiging was dat bandje ‘commercieel’ en bracht disco voort.

Het eerste klopt, het tweede niet. Ondertussen had ik niet in de smiezen dat een nummer van die elpee de zalige tune was van het radioprogramma De Avondspits (‘brengt je dichter bij de hits’). Het duurde jaren voordat ik deze funk accepteerde. Over afzienbare tijd bereikt All ’n All een respectabele ronde leeftijd, wat allicht leidt tot een ‘50th Anniversary Edition’, ingeleid door de Volker Ullrich van de funk.

Telkens als liedjes van de elpee me bereiken, al dan niet in covervorm, ben ik verbluft. En bovenal: wat is dit toch dansbaar. Het openingsnummer liet nochtans geen misverstand bestaan: ‘As long as you’re near / There’s no fear / Of a victory’.

 

 

zaterdag 23 december 2023

Zulke stempels


 

 

Nadat op Neerlandistiek.nl het debat werd heropend over de stijl van Lale Gül, vroeg ik me af wat daar eigenlijk zoal precies onder valt. Het persoonlijkste van auteurs zit volgens mij in het aanbrengen van interpunctie en alinea’s. Dat gebeurt grotendeels intuïtief, als respectievelijk de ademhaling en de armgebaren van een tekst, en zonder woordenboeken en andere referentiewerken met hulp waarvan de buitenkant van een stijl kan worden opgetuigd.

Wat nog meer? Ik doe een suggestie, die Güls debuut Ik ga leven me heeft gedaan. Telkens als De Profeet genoemd wordt, voegt zij (haar verteller) toe: ‘vrede zij met hem’. Maar omdat de frequentie soms behoorlijk oploopt, kan ze binnen twee pagina’s zowel ‘(v.z.m.h.)’ als ‘(vzmh)’ spellen. Profane afkorting én inconsequente toepassing ervan behoren volgens mij tot Güls stijl.

Mij verleidden afkortingen tot het aanleggen van typisch zo’n verzameling die ik, na een project waar acroniemen meetrilden, enthousiast begon maar snel liet liggen. Toch staat me bij wat me eraan fascineerde.

Een afkorting zegt iets over haar tijd. Nog in mijn jeugd bestond titulatuur, te vinden op drukwerk en vooral op handgeschreven enveloppen. Mij werd duidelijk dat er verschil gaapte tussen ‘weledel’ en ‘hoogedel’ en dat bij wetenschappers de graad van geleerdheid viel af te meten aan zulke stempels. Oneerlijk! Mijn medeleven met achternamen waar s.s.t.t. bij stond, was zo groot dat ik later als afgestudeerde knaap een rubriek onder die naam opende. En vastliep.

Dit voelt inmiddels aan als de prehistorie, hoewel ik nooit de indruk heb gekregen dat een zogeheten standenmaatschappij met een waaier aan hiërarchische verhoudingen verdwenen is. Integendeel.

Wel heeft het huidige tijdperk handschriften geparkeerd, terwijl er afkortingen bijgekomen zijn die ik juist met een krabbel associeer, zoals fyi (bij forwards) en asap. Met beide voorbeelden kunnen kwaadwillenden de vermeende verengelsing van het Nederlands aan de kaak stellen, die ook in gps en GPT zit maar die hier subtieler lijkt te infiltreren. Aan asap kleeft bovendien de paradox dat hij meer tijd kost dan het oer-Hollandse zsm.

En qua geleerdheid meen ik te worden geconfronteerd met een toekomst, wanneer ik kennisneem van nogal lange lijsten met bijzondere statuten die studenten hebben vanwege ziektes die steevast in afkortingen zijn vervat. Daarbij is ADHD maar het topje van de ijsberg. Herkenbaarder, vermoedelijk tijdloos, is hun fomo.

In mijn achtergelaten verzameling tref ik, naast Güls voorbeeld, slechts twee andere innovatietjes aan. Hind Fraihi stelde in haar pamflet Antipode een ‘BBB-programma’ voor om maatschappelijke problemen te verhelpen. Met fitness voor buik, benen en billen? Of met de opvattingen van de BoerBurgerBeweging? Nee natuurlijk, Fraihi doelde op benoemen, begrijpen en bestrijden. Klonk plots als de 3 r’s van de aloude zedelijke opvoeding (reinheid, rust en regelmaat).

En in zijn rare boek Verlichting onder vuur, waarin hij besluit dat hij vroeger voor Malcolm X werd gehouden en nu voor Uncle Tom, gebruikt Dyab Abou Jahjah binnen twee bladzijden zowel de gebruikelijke datering ‘v. Chr’ als ‘v.o.j.’. Even consequent als Gül? Of zou dat laatste inclusiever zijn door het bezittelijk voornaamwoord in ‘voor onze jaartelling’?

Meer heb ik dus niet. Uit gebrek aan stijl? Bijna zeker is op Abou Jahjahs pagina 233 ‘En raad eens wat’ geïnspireerd door Guess what. Hé, zo heette ooit een bandje waarin ik op de presentatie van mijn debuut, enz.

zondag 17 december 2023

Uit de werkplaats (8)




 

1.

Van Mark Ruttes taaltherapie om in het nirwana van betekenisloosheid te raken, wegens retorische mistvorming met de Thorbeckeprijs bekroond, is allicht het bekendste voorbeeld: ‘Daar heb ik geen actieve herinnering aan.’ Onder de Moerdijk moet voormalig Vlaams Belang-leider Filip Dewinter door dit zinnetje zijn getriggerd. Hij mag van zijn partij immers louter expliciete rabiaatheden plengen, om het potentieel van kiezers zo breed mogelijk te houden (hellholerige inclusiviteit).

Het wachten was op de aanleiding.

Nu is gebleken dat volgens een B-scenario zijn oude, met minstens zoveel Poetin-idolatrie opgetuigde partijkameraad Frank Creyelman fungeerde als spion voor de Chinezen, ziet De Winter zijn kans schoon zich te desolidariseren: ‘Ik sluit niet uit dat Creyelman ooit via mijn netwerk op een receptie contacten heeft gelegd, maar ik heb hem zelf alvast nooit actief geïntroduceerd.’

 

2.

In Radeloze helden citeert Maaike Meijer ‘haatspraak’ van een Amsterdamse corpsstudent bij een zogeheten herendiner over vrouwen in een belendende ruimte: ‘We zullen hun nekken breken om onze lul erin te steken’. Mij valt dat enkelvoud op – dus dat wordt bedoeld met eenheidsworst.

 

3.

Politieke frikvorming. Na de PISA-cijfers, omhangen met het epitheton dramatisch, komt de populistische waarheid op tafel. Zinnetjes met ‘steeds vaker’ en met ‘niet meer’, onvermijdelijk gelardeerd.

Onder de titel ‘Waarom tieners geen boeken lezen’ worden een paar kinderen – niet eens bij hun voornaam aangeduid maar louter met de leeftijd – opgevoerd als apocalyptische kroongetuigen.

Moet zich zo een beeld vastzetten van verwende nesten? Een negentienjarige meldt: ‘Ik lees niet graag boeken omdat de letters zo klein zijn en er niet veel tekeningen in staan. Meestal vergeet ik ook het begin van het boek weer.’ Dat weer zegt het al, en slachtoffers van de beeldcultuur vielen er in mijn prehistorische jeugd ook.

Bovendien herinner ik me collega-pubers die niet vies waren van cultuurhistorische en criminele diagnoses, zoals een zeventienjarige nu: ‘Lezen is niet meer van deze tijd, want er zijn zo veel andere mogelijkheden. Literatuur kan interessant zijn wanneer je er zelf voor kiest. Maar in een wereld vol stimulatie is het heel moeilijk om een boek te lezen als je daartoe wordt gedwongen.’

Ik herken me zelfs volledig in een veertienjarige: ‘Ik kan een bladzijde honderd keer lezen en nog steeds niet weten waar het over gaat.’ Voor mij is dat een stimulans.

Een laatste reden: ‘Ik vind nooit de juiste positie om te lezen. Doordat ik het boek moet vasthouden, kan ik niet helemaal onder het deken liggen.’ Legitiem! Nog even wachten tot de opwarming van de aarde haar werk heeft gedaan, en dit probleempje is al verholpen.

zondag 10 december 2023

En het werd uitgewist


 

 

‘voor altijd een ongenuanceerde herinnering’

 

Hoeveel dagen, weken of maanden zullen de jongste PISA-resultaten van scholieren nog ten prooi vallen aan commentaar? Komen er konijnen uit de hoed van pedagogen, politici, ouders, docenten, wetenschappers, mediakenners, buurtwerkers en minder gelegenheidsgebonden opinisten? Vinden ze variaties binnen de hoofdactiviteiten van doemdenken en stukrelativeren?

Door een voorval in het autobiografische privéleven van mijzelf werd één facet aan het commentaar ingekleurd. Het betrof de stelling dat het ingeslagen pad van technologie in het onderwijs heilloos zou zijn en zelfvernietigend voor de maatschappij. Concentratievermogen van leerlingen zou fiks lijden onder smartphones; begrip en notitiefinesse doen dat onder het regime van laptops.

Die laptops werden in Vlaanderen vanaf corona verplicht gesteld en zouden ‘een kwantumsprong’ bewerkstelligen. Wat die precies inhoudt is me nooit duidelijk geworden, maar er kan een risico aan kleven  – mocht op TikTok worden bewezen dat de aarde plat is. Oei, nu begin ik zelf dat pad van technologische zelfvernietiging te belopen, terwijl ik louter een anekdote wilde vertellen.

 

Op de hoogte

Ik kwam dus in die trein, vond geen zitplaats, pakte een dichtbundel uit mijn sporttas, begon te lezen, pruilde en keek om me heen. Hoe vertrouwd de aanblik van medeharingen in de ton die, op één collega-Mohikaan met boek na, allemaal in hun smartphone waren verdiept. Daarna de sensatie dat de trein niet wilde vertrekken, maar misschien verbeeldde ik me dat vanwege de dorre poëzie.

Na tien minuten kwam een passagier uit een tussencompartiment binnen en riep dat de conducteur had gezegd dat we stilstonden. Er gebeurde niets. Een enkeling leek de smartphone te gebruiken om er informatie over te zoeken. Tevergeefs. Toen kwam over de intercom de mededeling dat de trein niet kon rijden vanwege een ongeluk op het spoor verderop.

De sfeer veranderde, in iets wat ik bij gebrek aan psychologisch doorzicht dramatisch zou noemen. Al mijn medereizigers, op de Mohikaan na, begonnen te toetsen op hun smartphones. ‘Heeft iemand Twitter hier?’ Volgens mij heet dat nu X, maar het plan was duidelijk: getuigenissen gezocht van een altijd wakkere passant, voeder van burgerjournalistiek!

Grappig was om te zien dat er op het perron spoorbeambten rondliepen die ook hun smartphone bevingerden. Niets gebeurde. Wel stapten sommigen uit en voegden zich op het perron bij anderen die evenmin iets wisten te vinden. Er ontstonden groepjes turende individuen. Toen meldde de stationsintercom dat er voorlopig geen treinen konden rijden wegens een ongeluk.

Er begon een fantastisch theaterspel voor oor en oog. Computergestuurde stemmen meldden om de haverklap dat de trein op spoor zus en zo een vertraging had van een kwartier, en na een kwartier dat die trein vandaag uitzonderlijk niet reed. Omdat er veel perrons zijn, explodeerde het aantal van deze mededelingen die aan de loze kant waren.

De toch al door stiptheidsgebrek geplaagde NMBS kreeg vanuit perrons en treinen extra snijdende apocalyptische kritiek.

Ook gaven de digitale reisschermen spectaculaire rode getallen. Een provinciale zijtrein daargelaten moest elk gepland traject een stevige vertraging opbiechten. Medereizigers en personeel reageerden er herkenbaar op. Sterker, ik ontwaarde een reflex. Richting reisschermen wezen de smartphones, voor (eventueel op sociale media te verbreiden) beschuldigende foto’s gingen de armen omhoog.

vrijdag 1 december 2023

Niemand zonder fouten

 

 

 

En garde! Van het Nederlandse boekenwezen ontving ik een enorme rechthoekige doos van karton waarin, als een schijf in een sjoelbak, een miniem boekje zat. Dit was de maximenverzameling Waarover je niet zwijgen kan, samengesteld door Martin de Haan en Rokus Hofstede. Waarom gooide ze de ruit van mijn verwachtingen in?

Ik had voordien mijn trots amper weten te onderdrukken. Tussen gouden doden mee mogen doen aan een boek van de prestigieuze uitgeverij Athenaeum ‒ Polak & Van Gennep! Ik stelde me er meteen iets leeslinterigs en omvangrijks bij voor. Maar het bleek iets voor in de binnenzak, met een stickertje 12,50.

Het lag nog op tafel toen de gourmande het zag en vroeg of ik het boek bij de Action had gekocht.

Bijna was ik verontwaardigd, toen het besef indaalde dat dit een uitstekende associatie van haar was. Maximen of hoe je ze ook wilt noemen en nuanceren (sententies, aforismen) richten zich op dagelijks gebruik, een steun voor wie zoekt of gewoon even adem wil halen. Zoals een Bijbel, die je evengoed in je zak kunt steken voor onderweg.

Verfrissend wel, net zoals de keuze die De Haan en Hofstede hebben gemaakt uit de verzameling die ze sinds 2011 op een eigen website aanlegden, met als motto ‘Citeren is toegestaan, ja zelfs sterk aanbevolen (met vermelding van de bron).’ In hun nawoord melden ze dat ze de aforistische aandrift van sommige auteurs hadden herontdekt. En dat ze werk ontfutselden aan literaire vrienden en collega-vertalers.

In het laatste schuilt immers De Haans en Hofstedes stiel. Dan ligt het accent op het Frans. En lucht het inderdaad op dat ‘Angelsaksische auteurs opvallend afwezig’ zijn. De zo bestreden overheersing is al gaande sinds mijn generatie de universiteit bezocht, of anders die van de millennials – die nu misschien kritisch turven hoeveel niet-mannen en niet-witten er in de bloemlezing aanwezig zijn. Mij verbluft nochtans de plots ontstane meerstemmigheid. Voor de duur van dit boek lijkt het even niet alsof alle internationale kranten exclusief in New York huizen.

Inzake het Nederlandse taalgebied melden De Haan en Hofstede dat Belgische auteurs goed zijn vertegenwoordigd. Da’s ook wel eens leuk, met bijvoorbeeld Gust Gils. Net zoals uit het noorden, behalve uiteraard Multatuli, Jan Emmens aan te treffen, terwijl van de verwachte Grunberg geen spoor is. Maar hét aforisme dat ongetwijfeld welbewust ontbreekt in Waarover je niet zwijgen kan, staat op naam van K. Schippers voor wie ik een groot zwak heb.

Zijn bijdrage heeft wel een ontwikkeling doorgemaakt, waarbij internet me nu eens niet uit de brand kan helpen. Volgens de ene bron was het al in een kwatrijnvorm dat Schippers in 1959 zijn tijdschrift Barbarber van een programmatische tekst voorzag, volgens andere bronnen was het in 1963 een gewone zin tussen een andere gedachten in zijn debuutbundel De waarheid als De koe.

Hoe dan ook bevatte dit aforisme in spe, om de voorwaardelijke bijzin kracht bij te zetten, nog een schakelend voegwoordje ‘dan’. Dat verdwijnt in de definitieve versie, die zeker die kwatrijnvorm heeft. In een zelfstandig gedicht, getiteld De ontdekking:

 

Als je goed om

je heen kijkt

zie je dat alles

gekleurd is

 

Zo laat Schippers deze stelling anno 1976 thuiskomen in de bundel Een vis zwemt uit zijn taalgebied. Voor een maxime heeft het ontbreken van ‘dan’ – tussen ‘kijkt’ en ‘zie’ – gunstige gevolgen. Verdere eliminatie van taalbouwstenen zou de overtuigingskracht echter geen goed doen, denk ik. Zoals in een Croma-constructie: ‘Kijk je goed om / je heen / zie je dat alles / gekleurd is’.

Hoe dan ook heeft de tijd het vierregelige miniatuurtje ontmanteld tot een autonome zin, waardoor bijvoorbeeld het grappige enjambement in regel 1 foetsie is. Wijsheid overweldigde blijkbaar de regelafbrekingen. Voor de goede orde moet dan vermeld dat Schippers haar zelf al zo hergebruikte, zonder aanhalingstekens, in zijn roman Bewijsmateriaal uit 1978.

Dat boek heb ik evenmin in huis, zodat ik de verschillende maxime-versies op internet niet kan controleren. De ene bron stelt: ‘Als je goed om je heen kijkt, dan zie je dat alles gekleurd is’, zodat er geschrapte woordje terug aan zet is, samen met een komma. Volgens een andere bron staat ‘dan’ niet in de roman, maar de komma wel. Beide bronnen stammen trouwens uit hetzelfde tijdschrift voor neerlandistiek.

Zelf ben ik inmiddels talloze keren gestuit op (varianten op) het maxime, in beschouwingen maar evengoed bij gesprekken waar de bron gul bij wordt vermeld. Het lijkt me uniek dat dit zelden geschiedt op snobistische wijze, in de trant van ‘Kees Schippers zei dat ooit eens.’ Bovenal blijkt het zinnetje zo open te staan, dat er uiteenlopende interpretaties van mogelijk zijn.

donderdag 23 november 2023

O mensbare mensheid

 


 

 

Hoe te ontwaken uit de nachtmerrie waarop de Nederlandse verkiezingen zijn uitgedraaid? De afgelopen dagen las ik Mundus van Daniël Dobbelaere. Deze bibliofiele bundel bestaat uit 22 gedichten van elk drie regels, zonder kapitalen.

Bij die bescheiden omvang hoor ik wellicht het begrip ‘hoog soortelijk gewicht’ te gebruiken, maar ik weet het niet. Politici behoren, minstens volgens de regels van de retoriek, strijdlustig te zijn en te blijven. Ik lik slechts wonden en betrap mezelf plots op de belachelijke sensatie dat alles wat ik lees van toepassing lijkt.

Al in het tweede gedicht :

 

vergeet niet te graaien

in de tombe van

het waarheidssjabloon

 

Graaien is geen fatsoenlijke bezigheid in het openbaar, behalve op kermissen. Dan doe je dat bij mijn weten in een tombola. Altijd prijs, voor iedereen. Proost. Uit een tombe is de levenslust echter weggevloeid. En dat past bij een waarheid die nog slechts een sjabloonvorm in pacht heeft.

Welke politieke kenners zullen dus opstaan om ‘de politieke aardverschuiving’ te verklaren? Waarin verschilt hun expertise van medeburgers die in de marathonuitzending van de publieke omroep aan het woord werden gelaten, vanuit een café? Hoe lang wordt op media al niet de schuld voor scheve of zelfs verkeerde beeldvorming gestoken bij collega-media, waarna een derde partij uit die branche daar kennis van geeft?

Rechts, aan de andere kant, staat dan:

 

de drempel slaagt

erin vandaag al boort

hij de bedoeling aan

 

Anders dan België kent Nederland geen verkiezingsdrempels, dus elke partij met een beetje aanhang maakt in mijn geboorteland kans op een Kamerzetel. Bespiegelingen en debatten gaan vervolgens over ‘de versnippering van het politieke landschap’ – zoals de openbare ruimte in België er dus uitziet! Maar pas op, daar zit een idee achter dat hooguit misschien niet helemaal ongeschonden de wereld heeft gehaald. De bedoelingen waren echter goed. En wanneer ze er niet waren, dan worden ze bij dezen onthuld.

Twee pagina’s verder zie ik politici ploeteren wier partij verloren heeft of die hun Kamerzetel kwijt zijn:

 

je bouwt aan een houding

een vederloos gehucht

van licht

 

Er schijnen allerlei strategieën te bestaan waarmee verliezen in een eerste reactie omgebogen worden tot iets geweldigs (een ‘opportuniteit’). Dit laat onverlet dat ze een vertolking moet krijgen van een lichaam, dat de spotlights op zich krijgt. Van televisiecamera’s maar ook van smartphones bij aanwezigen in de zaal die, net als alle andere dagen van de week, dit historische moment vastleggen.

Of ben ik te cynisch als smartphoneloze? Mijn medelijden met de dienstdoende persoon is er niet minder oprecht door.

Aan de overzijde van de pagina ontwaar ik de winnaar:

 

de vreugde dwingt zich

in de context

van wat moet

 

Natuurlijk mag een triomferend politicus genieten van het moment, en op het eindpunt van deze vlekkeloze campagne dank brengen aan alle professionals en vrijwilligers die de afgelopen maanden 24 op 7 hebben geholpen. En niet het minst aan het thuisfront, zonder wie de triomfator niet eens adem zou kunnen halen.

Maar het afgrondelijk loze woord ‘context’ zegt dat na het verstommen van de champagnekurken er een morgen aanstaande is, waarin verantwoordelijkheid moet worden genomen. Om woorden om te zetten in daden. Door coalities, waarbij iedereen, maar zeker de vijanden van gisteren en vandaag, water bij de wijn zal moet doen. In het belang van het land. En van de kiezer, die heeft gesproken.

vrijdag 17 november 2023

Al deze mensenschennis

  

 

Wanneer bij experimentele literatuur lezers het altijd verder zouden moeten zoeken, dan wil ik op J.Z. Herrenbergs jongste boek Opperhalfrond toch eens het omgekeerde proberen. Ik lees zo gehaast mogelijk, blader niet terug, wuif eventueel onbegrip gewoon weg. En aan de noodzakelijke herlezing van Herrenbergs eerdere deel Nederhalfrond uit 2018 begin ik niet eens (de overkoepelende trilogie in wording, Door het Oog van de Cycloon, wordt anno 2023 muzikaal-rationeel gekarakteriseerd als ‘logofonie’).

Waarom? Ik wil trachten dit boek op te vatten vanuit de evangelische horror die leesplezier heet. Als puur amusement, als consumptiegoed. En dat blijkt best te kunnen. Opperhalfrond is een proeve van vrolijkheid, op het baldadige af. Programmatisch dunken me de vele aanhalingstekens, die Herrenbergs verbluffende taalgevoel tonen. Hij accentueert er de oudbakkenheid van uitdrukkingen mee. Uitgerekend in een tijd van PISA-proeven, waarin jongeren zouden kampen met oorspronkelijk spreken, lezen en schrijven.

Herrenberg toont dus ‘een buitengewoon ontwikkeld zintuig voor registers’, tot en met schijnbaar maffe afkortingen (HERE: Hulptroep Emotionele Reformatie) die lezers dwingen positie te kiezen. Dat kan allemaal op een fond van toegankelijkheid. Voortdurend verlucht Herrenberg zijn betoog met aparte, als zodanig vormgegeven citaten. Als op een podium. Daarom is Opperhalfrond voor mij een festival, waarin highbrow passages stuivertje wisselen met meligheid (‘Zwei Seelen tanken, ach! in meiner Brust’). En waarbij vooral veel muziek wordt aangehaald. Zoals een ‘vooroorlogse chanson’:

 

J’attendrai
Le jour et la nuit
J’attendrai toujours
Ton retour

 

Van dit meesterwerk uit 1938, dat een tweedewereldoorlogsklassieker zou worden, kende ik een uitvoering door Tino Rossi, maar volgens Google is Dalida dé vertolkster. Zo’n veertig jaar later heeft haar discoversie inderdaad wel wat. Ze is over the top, net als Herrenbergs boek, waarin een van zijn hoofdafsplitsingen gesierd wordt door de naam Jezetha van Zanareth tot Hoefbeek via Delft –zijn persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden worden met een kapitaal gespeld.

Of is dat experimenteel? Ik weet het niet. Herrenbergs neologismen vertonen bondigheid (‘Yvonnes ogen maximeerden’) en serveren traditie (‘een felle blos renoirt haar wangen’). In een van de metafictionele terzijdes suggereert Herrenberg dat hij de Kennedy van de literatuur is: ‘ja, ich bin ein Prosa-Ingeniör’. Dat vak brengt hem tegelijk in de buurt van Paul Rodenko, waarmee deze  autonome critici bijviel die teksten als machines beschouwden. Opperhalfrond doet aan literatuurkritiek, wat ook bijna niet anders kan met zoveel toespelingen.

Bijvoorbeeld op de peroratio in Max Havelaar:

 

En ik dacht: ach, WA’tje daar, jongere generatiegenoot, Burokoning, tragische weduwnaar, is het dan jouw wil, hè, dat hier een van je onderdanen zó mishandeld en uitgeplozen wordt, in naam van Oranje? Dat op 18 februari 2007, bij Koninklijk Besluit, Mijn deur werd platgetrapt? Poezen en katers jammerend door de nacht versleept Ik weet nóg niet waarheen, notitieboekjes, handschriften, computer en toebehoren werden geconfisqueerd, persoonlijke relikwieën lachend en zingend bepiest door die onverlaten van jouw barbaarse BNI?

 

Kan niet pissen met beleid,

ga dan zitten als een meid!

Ben je knallend aan de schijt,

zet dan maar je benen wijd!

 

En ál deze mensenschennis in JOUW naam!

 

Interessant vind ik één voltooid deelwoord in kleinkapitaal, uitgeplozen. Bij Multatuli staat er, als bijna laatste woord, uitgezogen. Dát wordt in Herrenbergs roman even later toegepast op een centrale afsplitsing die tientallen jaren de Nederlandse Staat lekker zou hebben zitten uitzuigen (met een uitkering).

Dergelijke vrolijke literatuurkritiek lijkt me travestie. Als consumptiegoed ambieert ze effect op oog en oor. Bijvoorbeeld door contrastwerking:

 

‘Geen enkel utopisch verlangen dreef de stakkers meer van achter de solokerk van hun pret- en preekschermen vandaan, de motiverende gewisheid van een schitterende blauwdruk sleurde hen niet meer schreeuwend de pleinen en de straten op – een uitdijende familie van vlammende broeders en zusters – in al dan niet moorddadige vredelievendheid. Leeg dijden zij thuis uit, binnen, groeiden dicht, en hun verminkte hart restte slechts die ene wens:

Ik wil Bolletje!

 

Mocht Herrenberg ooit op de planken worden gebracht, dan kan de slotuitroep hopelijk worden gedaan door de gebroeders Van de Kerkhof. Wie meent dat ik nu de spot drijf met Opperhalfrond moet ik teleurstellen. Genretechnisch komt het nog het dichtst bij een toneelstuk. Het herbergt vele gesprekken die lezers zouden mogen horen – spitse dialogen, waarin Herrenberg zijn taalgevoel kwijt kan. Hij doet me hierin denken aan Rob van der Linden, inclusief de kinderboekachtige varianten op inquid-formules.

zondag 12 november 2023

Bijzonder vreemd gedrag

 

 

Hét nieuws van afgelopen week kwam uit Mechelen (België, aan de Dijle).

Niet omdat Bart Somers daar, geholpen door landelijke cumul-opties, als ‘titelvoerend burgemeester’ weerkeerde om zijn liefste stad tot bastion tegen populisme te promoveren en daartoe simpelweg ontslag te nemen als Vlaams vicepresident en minister van onder meer Binnenlands Bestuur. Nu heeft hij al een krommend traject afgelegd, van de Volksunie tot ‘stads-ionalisme’ in de geest van Benjamin Barber, maar zijn jongste manoeuvre, een halfjaar voor de verkiezingen, heeft hij nog niet recht weten te praten. Er zal ook lastig redelijke taal voor te vinden zijn.

En taal is juist de specialiteit van journalist Dominique Piedfort, die afgelopen week met een fraaie column afscheid nam van Wablieft. Voor deze krant voor laaggeletterden, die haar redactielokalen in Mechelen heeft, schreef hij elf jaar lang. Het onmisbare medium, deels afhankelijk van het ministerie van Onderwijs, bestierd door Somers’ voormalige collega Ben Weyts, kwam echter niet meer uit de kosten, wilde ze niet verhalen op weinig kapitaalkrachtige abonnees, en ging over tot ontslagen.

Piedfort, een generatiegenoot van mij, beschrijft hoe hij ijlings op zoek ging naar een andere baan, die zowaar wist te verwerven, zijn woord gaf en vervolgens te horen kreeg dat hij toch bij Wablieft mocht blijven. Te laat. Tevoren had minister Weyts laten weten:

 

‘Er is dit jaar specifiek voor Wablieft 328.000 euro toegekend. Dat is 37.000 euro of 13% méér dan vorig jaar. Daarbovenop gaven we hen nog extra middelen voor een extra opdracht. Dit loopt nog en wordt allicht verlengd. Een beperking van de Wablieft-activiteiten kan dus enkel en alleen het gevolg zijn van een interne beslissing, die in mijn ogen totaal verkeerd is. Dit is bijzonder vreemd gedrag van een organisatie die net extra geld gekregen heeft.’

 

Voor dit soort insinuerende taal bestaat Wablieft, strevend naar eenvoud en helderheid. Inmiddels heerst er naar mijn gevoel, door de even verbluffende als niet te negeren dominantie van sociale media, ook het streven om jongeren te laten wennen aan het fenomeen krant. Waar je ongestoord doorheen kunt bladeren en iets naar je gading zoeken wat werkelijk jouw keuze vertegenwoordigt. Dat kun je nu eens, met recht en behoud van betekenis, verbinden noemen.

Wablieft is altijd in de weer om, vanuit een links-politieke bril, lol te houden in de actualiteit en het belangrijkste nieuws te ontleden door het te ontdoen van retoriek. Voor mij zijn zulke taaloperaties cruciaal. Ik vond daarom onbegrijpelijk om elders de linkse voorman Peter Mertens een tegenstelling te zien maken tussen het veranderen van de wereld en het verleggen van een komma.

Zelf ben ik zowel vader als abonnee en heb ik ooit van de expertise van Wablieft geprofiteerd, toen ik dankzij een connectie een boekje mocht schrijven voor laaggeletterden. Mijn eerste versie week best af van wat het werd. Omdat ik toen nog te veel dichter was?

Aan dat vak kleeft op een of andere manier raadselachtigheid. En Somers-gedrag? Waarom ergert zijn actie me? Jaren na het laaggeletterdenboekje, in volle coronatijd, zag ik bij een literair Zoom-programma Kurt De Boodt (nóg een Mechelaar!) over mijn poëzie beweren dat ik als dienstdoend betekenisgever lezers in laatste instantie de rug toekeerde en wegliep.

Sapperdeflap! Ik heb dat nooit zo ervaren, maar De Boodt zal wel gelijk hebben. De enige troost is dat ik minder mensen zal schaden dan Somers met zijn openbare verantwoordelijkheidsontduiking. In mijn dichtersdemocratie zijn lezers medescheppers, voor zijn publieke politiek kunnen slechts gedienstigen goed functioneren. Vind daar maar eens buiten Wablieft om begrijpelijke taal voor.

Na Somers’ vrijwillige ontslag moest ‘waarnemend burgemeester’ Alexander Vandersmissen zich zo’n beetje dubbelvouwen van dankbaarheid.

Hij boog bijvoorbeeld voor zijn baas uit ontzag voor diens invloed om aan de rand van Mechelen, een gemeente met bijna negentigduizend inwoners, een compleet nieuw stuk autoweg aangelegd te krijgen. Zo werd een onnodige, in de geest van zijn liberale partij opgetrokken shopping mall, met onder meer de grootste Albert Heijn van het land, beter bereikbaar.

Die kolos rijmt niet met het gedachtegoed van coalitiepartner Groen, van wie Kristof Calvo, evenzeer vertrokken uit Brussel, zich afgelopen week toevallig ook al roerde wegens de toevallige verschijning van een boek (‘niet het zoveelste verkiezingspamflet’). Noch met de status van fietsstad 2022 van Vlaanderen die Mechelen in de wacht wist te slepen.

Wel rijmt die kolos met het hysterisch pretentieuze treinstation-in-aanbouw, in de geest van de iets grotere stad Luik, waarbij de ontwerpers vergaten voor de prachtige hoge trappen naar de perrons een fietsgootje in te slijpen terwijl de glimmende liften en roltrappen er traditiegetrouw buiten bedrijf blijven. Dominique Piedfort had er ongetwijfeld een mooie column over kunnen maken voor Wablieft. Dat komt hopelijk nog. Zijn afscheid, stelde hij, is geen vaarwel.